

![]()


Wouter Smets
Dries De Saveur
Els Vinckx
Koen Bostoen
Hannes De Ryckere
Wim Heylen
Birgit Reusens
Thomas Schonkeren
Frederik Van den Broeck
Sofie Van Eyken
Heb je nog geen account?
Ga naar myvanin.be en registreer je. Registreer je via een Smartschool-account? Koppel dan je e-mailadres aan je account.
Heb je je account aangemaakt?
Meld je aan op myvanin.be Activeer onderstaande code. Klik op het geactiveerde leermiddel om ermee aan de slag te gaan op iDiddit. Lukt het niet om de code te activeren? Neem dan contact op met onze klantendienst.
Doorstroomfinaliteit (2u)
DEZE CODE IS UNIEK, EENMALIG TE ACTIVEREN EN GELDIG VOOR EEN PERIODE VAN 12 MAANDEN NA ACTIVATIE
!Help, de activatiecode hierboven is al gebruikt!
Krijg je bij het activeren van de bovenstaande code de melding dat de activatiecode reeds in gebruik is? Dan ben je wellicht niet de eerste leerling die met dit leerboek aan de slag gaat. Op http://vanin.be/leerboeklicentie kun je terugvinden welke stappen je kunt ondernemen of hoe je een nieuwe licentie kunt aankopen.
Tip: Normaal gezien mag je niet schrijven in een leerboek. Per uitzondering mag jij na activatie de bovenstaande activatiecode doorstrepen.
Conceptgroep Sapiens vierde jaar: Els Vinckx
Dries De Saveur o.l.v. Wouter Smets
Eerste druk 2026
ISBN 978-94-651-4367-5
D/2026/0078/40
Ontwerp cover en binnenwerk: Shtick Art. 611652/01
NUR 130
Zetwerk: Banananas.net
Kaarten: Van Oort redactie en kartografie, Almere (Nederland)
Dit leermiddel is onderdeel van de lesmethode Sapiens van Uitgeverij VAN IN. Het is ontwikkeld met de intentie dat iedere leerling zich herkent en thuis voelt in beeld en tekst. Heb je op- of aanmerkingen, dan kun je contact opnemen met Uitgeverij VAN IN.
Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken.
In België beschermt de auteurswet de rechten van deze mensen. Wanneer u van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneemt u hen dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers u beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be.
Ook voor het digitale lesmateriaal gelden deze voorwaarden. De licentie die toegang verleent tot dat materiaal is persoonlijk. Bij vermoeden van misbruik kan die gedeactiveerd worden. Meer informatie over de gebruiksvoorwaarden leest u op www.ididdit.be.
© Uitgeverij VAN IN, Wommelgem, 2026. Alle rechten voorbehouden. Tekst- en datamining (TDM) niet toegestaan.
De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden.
Copyrightvermeldingen beelden: XXX
Copyrightvermeldingen teksten: XXX
Starten met Sapiens 4
iDiddit: het onlineleerplatform bij Sapiens XX
Hoofdstuk 1:
De wereld voor en na 1492
1 De wereld in 1492
2 Ziektebeelden in de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd
3 Het ontstaan van syfilis in Europa
Doorloper politiek:
X
X
X
6 Europese beeldvorming over de ‘Nieuwe Wereld’ X XX
7 Uitbreiding: De Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) XX X
Het Kongo-rijk in de vroegmoderne tijd XXX
1 Had het Kongo-rijk in de vroegmoderne tijd dezelfde ligging als het Congo van vandaag? X XX
2 Wat waren de belangrijkste kenmerken van de Kongolese samenleving tijdens de vroegmoderne tijd? XX X
3 Hoe verliepen de contacten tussen Kongolezen en Portugezen in de vroegmoderne tijd?
Hoofdstuk 2:
Europa verkent de wereld (15e - 17e eeuw)
X
Doorloper economie: Chocolade XXX
1 In welke omstandigheden werden producten als chocolade en suiker geproduceerd in de vroegmoderne tijd? XX X
2 Hoe kan chocolade vandaag toch eerlijk en duurzaam zijn? XX X
Hoofdstuk 3:
De aetas nova: humanisme, renaissance en reformatie (Europa, ca. 1450 - ca. 1550) XXX
1 Humanisme: de mens centraal XX X
2 Renaissance: terug naar de oudheid XX X
3 Reformatie en protestantisme: enkel de Bijbel XX X
4 Kritische stem uit de Nederlanden: Jeroen Bosch X XX
5 Uitbreiding: Het belang van de boekdrukkunst X XX
6 De aetas nova: de start van de vroegmoderne tijd? XX X
1 Een Oude en een Nieuwe Wereld (ca. 1500) XX X
2 Waarom de overzeese expedities begonnen X XX
3 Europese zeereizen en kolonisatie (15e - 17e eeuw) XX X
4 Gevolgen van de Europese kolonisatie voor de ‘Oude Wereld’ XX X
5 Gevolgen van de Europese kolonisatie voor de ‘Nieuwe Wereld’ XX X
Doorloper cultuur: Renaissance en barok XXX
1 Wat zijn de kenmerken van de renaissance en de barok, twee kunststromingen van de vroegmoderne tijd? XX X
2 Waarom bleven de renaissance en de barok ook na de vroegmoderne tijd kunstenaars inspireren? XX X
Hoofdstuk 4:
Strijd in en om de Nederlanden (1500 - 1650) XXX
1 Keizer Karel zet de Bourgondische centralisatie verder (1515 - 1555) XX X
2 Onder Filips II komen de Nederlanden in opstand (1568 - 1648) XX X
3 Wat weten we over de geuzen? XX X
4 De kleine ijstijd van de 16e - 17e eeuw XX X
5 Uitbreiding: Verschuivende metropolen: Brugge, Antwerpen en Amsterdam XX X
Doorloper sociaal:
Homoseksualiteit XXX
1 Had homoseksualiteit in de vroegmoderne tijd dezelfde betekenis als degene die wij er vandaag aan geven? XX X
2 Hoe evolueerde de benadering van homoseksualiteit in de Republiek der Nederlanden tijdens de vroegmoderne tijd? XX X
3 Hoe kan discriminatie van homoseksuelen in de toekomst vermeden worden? XX X
Hoofdstuk 5:
Absolutisme en verlichting (Europa, ca. 1650 - 1800) XXX
1 Koningen met absolute macht in de vroegmoderne tijd XX X
2 De beeldvorming over absolutisme in historische films en series XX X
3 De verlichtingsfilosofen stellen het absolutisme in vraag XX X
4 Uitbreiding: Gelijkheid volgens de verlichtingsfilosofen X XX
Hoofdstuk 6:
Revoluties (West-Europa, ca. 1750 - 1800) XXX
1 De overgang van een agrarische naar een industriële samenleving XX X
2 Opstand tegen het absolutisme XX X
3 Uitbreiding: De oorzaken en aanleiding van de Franse Revolutie volgens Oversimplified X XX
4 Voor- en tegenstanders van het Franse regime X XX
5 Collectieve herinnering aan de Franse Revolutie X XX
Hoofdstuk 7:
Op de drempel van de moderniteit XXX
1 Kenmerken van de vroegmoderne tijd XX X
2 De weg naar de moderniteit XX X
3 De historische betekenis van Napoleon XX X
4 De 19e -eeuwse beeldvorming over Napoleon XX X
Welkom bij Sapiens 4. We leggen graag even uit hoe je met dit leerboek aan de slag gaat.
1
Op weg met Sapiens 4
Het leerboek bestaat uit 7 hoofdstukken, 4 doorlopers en een Histokit. Elk hoofdstuk is op dezelfde manier opgebouwd.
nog aan te passen - werd de titelpagina van H5 gevraagd, maar daar staan nog roze markeringen op
De Arabische wereld tijdens de vroege en

Elk hoofdstuk start met een titelpagina. Die toont een afbeelding van een historische bron. Naast de bron zie je een overzicht van de verschillende onderwerpen die in het hoofdstuk aan bod komen. Sommige onderwerpen zijn uitbreiding voor wie op zoek is naar een extra uitdaging.
In Wat weet je al? op de volgende pagina fris je je kennis op door een of meerdere bronnen of reconstructietekeningen klassikaal te bespreken aan de hand van enkele vragen.



Starten met Sapiens 4


Bij Situeren in tijd maken de tijdlijn en bijbehorende afbeeldingen je nieuwsgierig naar wat je in dit hoofdstuk zult onderzoeken. De tijdlijn is ook een belangrijke houvast om de onderwerpen in het hoofdstuk te kunnen situeren.
In elk hoofdstuk komen verschillende onderwerpen aan bod. Je focust telkens op een ander opvallend aspect van de samenlevingen die je onderzoekt.
Elke les begint met een lestekst. Die vormt de inleiding op de historische vraag die je doorheen de les zal beantwoorden.
Na de lestekst volgt er een reeks opdrachten.
Om die opdrachten te maken bestudeer je telkens een of meerdere bronnen.
Aan het einde van een les vind je een samenvatting van wat je moet kennen en kunnen.

Tijd voor een Synthese. In dit onderdeel vind je een samenvattend schema om je een schematische weergave te geven van de informatie die je zeker moet onthouden.
propaganda, technologie wij-zij-denken
•economisch: aanbod aandeel, aandeelhouder, afzetmarkt, commerciële revolutie, driehoekshandel, effectenbeurs, handelaar, handelspost, invoer kapitalisme mercantilisme, monopolie, overheidsregulering protectionisme, subsidiëren, vraag •politiek: conquistador, imperialisme kolonie, kolonisatie, Mare
Bij Historisch denken krijg je een overzicht van de historische begrippen en structuurbegrippen die je in het hoofdstuk leerde. Begrippen die in het groen aangeduid staan zijn de kernbegrippen die je zeker moet kennen. De zwarte begrippen helpen je om de groene beter te begrijpen.
Online vind je een overzicht met de doelen die je moet beheersen. Bespreek met je leraar welke doelen voor jou van toepassing zijn en achterhaal dan zelf of je die doelen ook bereikt hebt.
De Histokit is jouw gereedschapskist voor het vak geschiedenis.
De fiches helpen je stapsgewijs te werk te gaan en je kunt ze als hulpmiddel gebruiken bij moeilijke opdrachten.
Histokit
Uitbreiding: Verschuivende metropolen: Brugge, Antwerpen en Amsterdam 5
Doorheen het hoofdstuk kom je een aantal elementen tegen die je helpen om op het juiste pad te blijven.
In de klassieke oudheid en de middeleeuwen richtte de Europese handel zich voornamelijk op de Middellandse Zee. Steden als Rome, Constantinopel en Venetië waren in die periode echte metropolen: ze vormden het belangrijkste economische, culturele en politieke centrum in de regio. De invloed van die steden op de omliggende gebieden was ruim en voelbaar. Ze hadden een enorme aantrekking op handelaars maar ook op iedereen die op zoek was naar werk.
Maar voor wie hoopte dat het nieuwe bestuur verbetering zou brengen, kwam al snel een teleurstelling. Wie de revolutie niet zoals de radicalen zag, werd naar de guillotine geleid. Omwille van het vele geweld in die fase van verandering spreken historici over ‘de Terreur’. Het Comité van Algemeen Welzijn, met als een van zijn bekendste leden Maximilien de Robespierre, joeg duizenden burgers de dood in met de guillotine. Ook de voormalige (katholieke) koning Lodewijk XVI in 1793, en later Marie-Antoinette, werden naar het schavot geleid. Symbolisch voor de radicalisering en het antiklerikalisme tijdens de Terreur was de nieuwe kalender die op 22 september 1993 werd ingevoerd en de oude ‘christelijke’ kalender verving: er kwamen periodes van tien dagen in plaats van de oude weken van zeven dagen, en de naam 'zondag' werd afgeschaft. Een nieuw decimaal stelsel van maten en gewichten werd ingevoerd. Er kwam zelfs een soort nieuwe ‘republikeinse’ religie gebaseerd op de rede: de Cultus van het Opperwezen. De samenleving veranderde, maar de chaos en de honger bleven.
Na de Terreur volgde het Directoire (1795 - 1799), een instabiele republiek.
Opdrachten
1 Zowel in de Amerikaanse kolonies als in Frankrijk kwam men in opstand tegen de absolute vorst. Vergelijk die twee revoluties aan de hand van de lestekst.
In de volle en late middeleeuwen ontstonden rond de Noord- en Oostzee handelskernen met een eigen invloedssfeer. De stad Brugge slaagde er in de 14e en 15e eeuw in om uit te groeien tot zo’n nieuwe metropool. Handelaars uit heel Europa verzamelden in Brugge en richtten er handelskantoren en een eerste handelsbeurs op. Bankiers, herbergiers en ambachtslui lieten de stad verder groeien. Het Vlaamse laken was internationaal gekend en werd tot in het Verre Oosten gewaardeerd. In de (vroeg)moderne tijd verschoof de economische en culturele macht geregeld naar nieuwe centra en metropolen in West-Europa. Antwerpen en Amsterdam, maar ook Londen en Parijs namen de rol over en beconcurreerden elkaar voortdurend. Welke krachten leidden tot het verval van de metropolen en tot de opkomst van nieuwe?
a Bestudeer de oorzaken van de revoluties op economisch vlak.
Welke gelijkenissen en verschillen zie je?
b Bestudeer de (on)bedoelde gevolgen van de revoluties op politiek vlak.
Opdrachten
Welke gelijkenissen en verschillen zie je?
c Bestudeer bron 1 tot en met 4. Welke bronnen tonen een oorzaak van de revoluties?
1Ook in de vroegmoderne tijd kwamen er steden tot bloei of raakten steden in verval. Bestudeer kaart 1 en bron 1 tot en met 8.
Welke bronnen tonen een (on)bedoeld gevolg? Beargumenteer jouw antwoorden.
aStel een tijdlijn op waarop je de bloeiperiode van de steden uit de bronnen plaatst.
2 Onderzoek aan de hand van kaart 1 hoe ver de Franse revolutionairen tijdens de eerste revolutiejaren (1789 - 1795) de grenzen van het 18e-eeuwse Frankrijk uitbreidden. Bestudeer tot welke territoriale verandering de pogingen tot verovering van grondgebied leidden. Naar waar breidde de Franse Republiek zijn grenzen uit?
bOnderzoek wat de oorzaken van verandering waren. Rangschik de oorzaken van bloei en van verval apart in twee kolommen.
De Histokit helpt je bij moeilijkere opdrachten.
3 De grenzen van de Franse Republiek kwamen tijdens de Franse Revolutie ook onder druk te staan. Waar werden de grenzen van Frankrijk bedreigd?
cDuid bij elke oorzaak aan of die structureel of incidenteel van aard is. dZoek ten slotte minstens twee voorbeelden van het oorzakelijk verband tussen verschillende domeinen van de samenleving.
2De stad Antwerpen werd door historicus Michael Pye ‘het New York van de 16e eeuw’ genoemd.
aWelke argumenten vind je daarvoor in de bronnen?
bLees het kader historisch denken. Kun je zelf ook tegenargumenten bedenken bij de historische analogie van Pye?
Historisch denken: analogie
Een historische analogie is een vergelijking van fenomenen uit het verleden met fenomenen uit een andere periode. Zo zou je bijvoorbeeld oorlogsvluchtelingen uit de Eerste Wereldoorlog kunnen vergelijken met de vluchtelingenproblematiek vandaag. Tijdens de Eerste Wereldoorlog vluchtten heel wat Belgen naar het toen neutrale Nederland. Vandaag ontvluchten heel wat mensen uit bijvoorbeeld het Midden-Oosten hun land om zich naar veiliger oorden te begeven. Wanneer je een analogie maakt tussen periodes, benoem je niet alleen gelijkenissen, maar ook verschillen.
← Paul Revere, The Bloody Massacre in King-Street March 5, Washington DC, Library of Congress (1770) Deze tekening illustreert het perspectief van de opstandelingen in Boston waarbij de Britten doelbewust agressief werden uitgebeeld. Die beeldvorming bepaalde voor heel lang de kijk op het begin van de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog. Op de voorgrond uiterst links ligt Crispus Attucks, volgens de overlevering de ‘eerste gesneuvelde tijdens de Amerikaanse Revolutie’.
Filmpjes vind je terug op iDiddit.
Hoofdstuk 6: Revoluties (West-Europa, ca. 1750 - 1800) 185
Hoofdstuk 4: Strijd in en om de Nederlanden (1500 - 1650) 133
De rode kaders helpen je te denken als een echte historicus.
Historische kernbegrippen vallen extra op doordat ze vetgedrukt zijn. Je vindt die woorden ook achteraan een hoofdstuk terug bij Historisch denken of in de Histokit. De groene begrippen zijn de kernbegrippen die je zeker moet kennen. De andere onderlijnde begrippen helpen je om die groene begrippen beter te begrijpen. De gele markering in een bijschrift wijst op de bronvermelding (situering in tijd en ruimte).
Mijn lesmateriaal
Hier vind je alle inhouden uit het boek, maar ook meer, zoals filmpjes, audiofragmenten, uitbreidingsvragen en extra oefeningen.
Extra materiaal
Bij bepaalde stukken theorie of oefeningen kun je extra materiaal openen. Dat kan een audio- of videofragment zijn, een woordenof begrippenlijst, een extra bron of een leestekst. Kortom, dit is materiaal dat je helpt om de leerstof onder de knie te krijgen.
Opdrachten
Hier vind je de opdrachten die de leerkracht voor jou heeft klaargezet.
Resultaten
Wil je weten hoever je al staat met oefenen, opdrachten en toetsen? Hier vind je een helder overzicht van al je resultaten.
Notities
Heb je aantekeningen gemaakt bij een bepaalde inhoud? Via je notities kun je ze makkelijk terug oproepen.
Meer weten?
Ga naar www.ididdit.be
↑ Bekijk de trailer. VAN IN Plus
Soms is het handig dat je extra lesinformatie of een video- of audiofragment kunt bekijken of beluisteren op je smartphone. Als je dit pictogram ziet, open dan de VAN IN Plus-app en scan de pagina.


Illustratie toegeschreven aan Albrecht Dürer (1496). Een man vertoont gezwellen op verschillende plaatsen op zijn huid. Het zijn de uiterlijke symptomen van syfilis, een dodelijke geslachtsziekte. Aan het einde van de 15e eeuw raasde een epidemie door Europa. Syfilis is een ziekte die nu makkelijk behandelbaar is, maar die toen voor veel mensen dodelijk was. Historici en archeologen debatteren al jaren over de oorsprong van de epidemie. Werd de ziekte door Spaanse kolonisten meegebracht uit het pas ontdekte Amerika? En raakte ze nadien via bordelen verspreid over Europa?
Je frist in dit hoofdstuk je voorkennis over tijd en ruimte op en onderzoekt verschillende hypothesen.

2 3 1 De wereld in 1492
Ziektebeelden in de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd
Het ontstaan van syfilis in Europa
Ca. 1500 is een scharniermoment in de geschiedenis: vanaf dan begint voor historici de vroegmoderne tijd. Dat is de periode waarover je in Sapiens 4 leert. Het is een periode die gekenmerkt werd door een steeds snellere mondialisering. Verspreid over alle continenten kwamen in die periode steeds meer mensen met elkaar in contact. De aankomst van Columbus op de Caraïben is een symbolische datum om de vroegmoderne tijd te laten starten.

Miniatuur uit
Doornik, 1360. De grote pestepidemie kostte vanaf 1347 het leven aan miljoenen Europeanen. Ook de volgende decennia keerde de epidemie regelmatig terug.
MIDDELEEUWEN

Standbeeld van Columbus in Barcelona, 1888. Christoffel Columbus kwam in 1492 met zijn bemanning aan op de Caraïben. Ze gaven de naam Hispaniola aan het eiland dat vandaag bestaat uit de Dominicaanse Republiek en Haïti.

Miniatuur uit Mexico, 16e eeuw. Europese ontdekkingsreizigers veroverden niet enkel het Amerikaanse continent, maar brachten ook ziektes mee, zoals de pokken en de mazelen. De oorspronkelijke bevolking van Amerika was daar niet tegen bestand en stierf massaal. Uit een bevolkingstelling op Hispaniola bleek dat van de geschatte 800 000 inwoners in 1492 er in 1519 nog nauwelijks enkele duizenden overbleven.

Gravure uit Antwerpen, 16e eeuw. Deze prent toont Amerigo Vespucci in het naar hem vernoemde continent Amerika. Spanje koloniseerde in de loop van de 16e eeuw een groot deel van het Amerikaanse continent.

Portret van Ulrich von Hutten, 1523. Vanaf het einde van de 15e eeuw dook de zogenaamde ‘bobbelziekte’ op in Europa. Vandaag kennen we die aandoening als syfilis, een ziekte die wordt overgedragen door seksueel contact.

Foto van Alexander Fleming, 1954. Fleming kreeg in 1945 de Nobelprijs voor de ontwikkeling van penicilline, een medicijn tegen besmettelijke ziektes zoals syfilis.
De wereld in 1492
Voor we het ontstaan en de verspreiding van ziektes in de vroegmoderne tijd kunnen onderzoeken, moeten we stilstaan bij de wereld in 1492. In Sapiens 4 leer je dat de wereld in de vroegmoderne tijd veel intenser verbonden raakte dan voordien. Als gevolg van de Europese expansie werd de invloed van enkele Zuiden West-Europese staten op andere continenten snel groter. Vaak vergeten mensen dat er voor de grote zeereizen naar Amerika, Afrika en stukken van Azië al bloeiende samenlevingen aanwezig waren in die werelddelen.
Het Amerikaanse continent kende voor 1492 verschillende bloeiende culturen. Tot dan hadden zij geen contact met de westerse samenleving. In het huidige Mexico bouwden de Mexicanen een machtig rijk uit. Je kent het vandaag vooral onder de 19e-eeuwse naam ‘Aztekenrijk’. De Azteken hadden een natuurreligie met onder andere een god van de maan en de zon. Ze domineerden een territorium dat ongeveer zeven keer zo groot was als het huidige België. Azteekse legers veroverden hun naburige volkeren bij het uitbouwen van dat imperium. Het is onzeker hoeveel mensen er juist in hun rijk woonden, maar het gebied was ongetwijfeld dichtbevolkt dankzij de goed ontwikkelde landbouwtechnieken. De Azteken bouwden voort op de cultuur en techniek van oudere samenlevingen. De Maya’s, die tijdens de middeleeuwse warme periode tot verval kwamen, zijn daarvan de bekendste. In Zuid-Amerika heersten de Inca’s over een rijk dat zich uitstrekte langs het Andesgebergte.
Na de ondergang van de Egyptische cultuur tijdens de klassieke oudheid vormden er zich ook op andere plaatsen in Afrika complexe samenlevingen. Afrika kende in de loop van de middeleeuwen verschillende grote rijken. Aan het einde van de 15e eeuw was het Songhai-rijk in West-Afrika een belangrijke speler in de goudhandel met Azië en Europa. Het centrum van het rijk, met als hoofdstad Timboektoe, lag in het huidige Mali. De Songhai-heersers waren islamitische heersers die heel wat wetenschappelijke kennis ontleenden aan de geschreven teksten uit het Arabische rijk. In Centraal-Afrika had het koninkrijk Kongo een grote invloed. Het was ongeveer vier keer zo groot als het huidige België, maar valt niet volledig samen met de huidige Democratische Republiek Congo. Vanaf de vroegmoderne tijd probeerden Portugese handelaars handel te drijven met het rijk.
1.3 Azië
Op heel wat momenten in de geschiedenis was China het machtigste rijk in Azië. Je leerde daar al over in Sapiens 3. Dat was zeker zo aan het einde van de middeleeuwen. De Ming-dynastie was er toen aan de macht. Dat bleef zo tot diep in de 17e eeuw. 1492 was dus zeker geen breukmoment voor de geschiedenis van China. In Constantinopel had er kort voordien wel een breuk plaatsgevonden. De stad was in 1453 ingenomen door de Turkse dynastie van de Ottomanen, waardoor er een einde kwam aan het Byzantijnse rijk. De Ottomanen veroverden een territorium op drie continenten: ook een groot stuk van Zuidoost-Europa, de Balkan, kwam onder hun invloed.
Opdrachten
1 Formuleer zelf een historische vraag waarop de lestekst een antwoord biedt.
2 Onderzoek aan de hand van kaart 1 de machtscentra in de wereld voor 1492. Gebruik daarbij de kijkstrategieën in je Histokit en de huidige namen van de landen om gebieden te benoemen.
3 Lees de lestekst en zoek extra informatie op via het internet. Hoe kun je de begrippen ‘monarchie’ en ‘levensbeschouwelijke organisatie’ toepassen op de centra van macht die je in de vorige vraag onderzocht? Maak klassikaal een kort schema van je onderzoek.
Zelfevaluatie
• Ik situeer de regionale centra van macht rond 1492 op verschillende continenten met behulp van een kaart.
• Ik vergelijk de centra van macht rond 1492 met de centra van macht in de middeleeuwen.
Vanaf de vroegmoderne tijd zorgden de interculturele contacten tussen Europa en de rest van de wereld onder andere voor de uitwisseling van ziektes. Je onderzoekt hier hoe mensen in de middeleeuwen en vroegmoderne tijd dachten over het ontstaan en de behandeling van ziektes.
2.1 Medische kennis van de oudheid tot de vroegmoderne tijd
Kennis over het menselijk lichaam ging eeuwenlang terug op het werk van de Griekse arts Hippocrates (ca. 460 - 370 v.C.) die als de ‘vader van de geneeskunde’ wordt beschouwd. Hij verklaarde het ontstaan van ziektes niet door bovennatuurlijke oorzaken (zoals bijvoorbeeld de wil van de goden), maar door natuurlijke oorzaken. Volgens hem ontstonden menselijke ziektes en gemoedstoestanden door een onevenwicht in lichaamssappen (bloed, slijm, gele gal en zwarte gal). Een ziekte kon volgens hem worden bestreden door het overschot van een lichaamssap af te drijven, bijvoorbeeld met aderlatingen. De leer van Hippocrates werd verder uitgewerkt door de Romeinse arts Galenus (129 - 199). Zijn werk bleef tot de vroegmoderne tijd invloedrijk. Pas vanaf de 16e eeuw begonnen artsen zoals Andreas Vesalius (zie hoofdstuk 3) het menselijk lichaam empirisch te onderzoeken en op basis daarvan uitspraken te doen. Voor die tijd had men weinig betrouwbare kennis over het ontstaan en de behandeling van ziektes. Een ziekte die vandaag gemakkelijk behandeld kan worden, leidde toen vaak tot de dood.
2.2 Ziektebeelden in de middeleeuwen
In Sapiens 3 onderzocht je al de demografische processen tijdens de middeleeuwen waarbij de klimaatverandering en nieuwe landbouwtechnieken de bevolking in de hoge middeleeuwen beïnvloedden. Middeleeuwse steden ontstonden en de internationale handel nam sterk toe. Later zorgde een tijdelijke klimaatverandering in de 13e en 14e eeuw voor lagere landbouwopbrengsten. En vanaf het begin van de 14e eeuw begon een lange periode van bevolkingsdaling. Er heerste hongersnood en de bevolking verzwakte. In die context kon de Zwarte Dood ontstaan, een pestepidemie die Europa trof in het midden van de 14e eeuw. Omdat grote delen van de wereld getroffen werden, gebruiken we de term pandemie. Besmette ratten reisden in 1347 mee met Italiaanse kooplui uit Azië. De dragers van de pestbacil waren niet de ratten zelf, maar de vlooien in hun vacht. Die sprongen makkelijk over op andere zoogdieren en op mensen, die zo besmet raakten. De pest maakte vreselijk veel slachtoffers. In sommige streken van Europa stierf de helft van de mensen. Sommige steden raakten ontvolkt. Een behandeling voor de ziekte kenden de mensen in de middeleeuwen niet.
2.3 Ziektebeelden in de vroegmoderne
In de decennia na de aankomst van Christoffel Columbus op de Caraïben in 1492 veroverde Spanje grote overzeese territoria in Midden- en Zuid-Amerika. De interculturele contacten tussen de Europese en de Amerikaanse samenlevingen staan bekend als de Columbiaanse uitwisseling. Een van de meest ingrijpende gevolgen was de uitwisseling van ziektekiemen tussen Europa en Amerika. Die uitwisseling had plotse en enorme demografische gevolgen, vooral in Amerika, waar de bewoners massaal stierven aan ziektes zoals de pokken, de mazelen en de griep, ziektes waarvoor zij geen immuniteit hadden. De pokken was een zeer besmettelijke virusziekte die hoge koorts en blaasjes op de huid veroorzaakte. De ziektes leidden, samen met andere factoren, tot een demografische catastrofe: de bevolking van CentraalAmerika nam snel af. In Europa waren de gevolgen veel minder ingrijpend. Toch kregen ook de Europese samenlevingen te maken met ziektes. In Europa sprak men vanaf het einde van de 15e eeuw over de
‘bobbelziekte’, een geslachtsziekte die we vandaag kennen als syfilis. De ziekte ontstaat door een bacterie die infecties in alle organen kan veroorzaken. De bacterie wordt overgedragen via seksueel contact. De ziekte veroorzaakt zweren in de intieme zones, koorts en haaruitval. Als de ziekte niet behandeld wordt, zorgt ze voor dodelijke complicaties in de hersenen en het hart. In de vroegmoderne tijd was er geen behandeling. Er is discussie over de vraag of de ziekte al eerder op het Europese continent aanwezig was of dat ze ontstond door seksueel contact tussen de bevolking van Zuid- en Midden-Amerika en de Spaanse veroveraars.
Vandaag kan de uitbraak van ziektes beperkt worden dankzij de moderne wetenschap. Vanaf de vroegmoderne tijd (zie hoofdstuk 3) ontstond de wetenschappelijke revolutie. Daarbij werden mens en wereld in kaart gebracht op basis van empirische gegevens en rationele logica. In de daaropvolgende eeuwen werd de kennis over het menselijk lichaam en ziekteverwekkers steeds meer uitgebreid. De uitvinding van penicilline door Alexander Fleming (1881 - 1955) zorgde ervoor dat infectieziektes, zoals syfilis, meteen behandeld konden worden. Toch hebben we recent nog pandemieën gekend, zoals met de uitbraak van COVID-19, een virus dat de luchtwegen aantast. Wetenschappers waren toen in staat om snel een vaccin te ontwikkelen. Preventieve maatregelen zoals quarantaine en hygiënecampagnes zorgden er uiteindelijk voor dat de epidemie ingedamd werd.
Opdrachten
1 Vat aan de hand van de lestekst samen wat er gebeurde rond 1492. Gebruik bron 1 en de tijdlijn aan het begin van dit hoofdstuk. Gebruik de term ‘Columbiaanse uitwisseling’ in je antwoord.
a Welke domeinen staan met elkaar in verband?
b Welke oorzaak-gevolgrelaties kun je vinden in de tekst?
2 Onder zoek de demografische patronen in verschillende gebieden.
a Bestudeer de tabel bij bron 6. Welke demografische evoluties kende West-Europa tussen de 14e en de 16e eeuw? Wat was de oorzaak volgens de lestekst?
b Bestudeer de grafiek bij bron 7. Welke demografische evoluties kenden Spanje en Mexico tussen 1500 en 1750? Wat was de oorzaak volgens de lestekst?
3 Pas het begrip ‘interculturele contacten’ toe op de lestekst. Maak eventueel gebruik van het internet.
a Hoe droegen interculturele contacten bij tot de verspreiding van ziektes in de middeleeuwen, de vroegmoderne tijd en de hedendaagse tijd?
b Hoe verschilden het ontstaan en de behandeling van ziektes in de middeleeuwen, de vroegmoderne tijd en de hedendaagse tijd? 12
Er waren nog andere mensen die naar Amerika kwamen, zeker de Vikingen rond het jaar 1000, mogelijk ook Japanse vissers, enzovoort … Maar de tsunami van biologische uitwisseling begon pas vanaf 1492. In dat jaar begonnen contacten tussen de Europeanen en de gebieden over de Atlantische Oceaan. Die zijn sindsdien nooit meer gestopt. Hun motieven waren economisch, nationalistisch en religieus, niet biologisch. Hun bedoeling was om geld te verdienen, hun rijken uit te breiden en ongelovigen te bekeren, niet om DNA uit Europa te verspreiden. Maar als we de gevolgen op lange termijn bekijken, dan zien we dat juist dat het belangrijkste aspect van hun imperialisme was.
Zonder die bedoeling te hebben zorgden ze voor een enorme toename en een enorme vernietiging van levende wezens op de continenten. Die waren zo enorm dat het moeilijk is om ons nog voor te stellen hoe de wereld eruitzag voor Columbus. Een dik boek zou niet volstaan om op te lijsten welke planten, dieren en micro-organismen uitgewisseld werden, en duizend boeken zouden niet voldoende zijn om het effect daarvan te beschrijven.
Uit: Crosby, A.W. (2001). The Columbian Exchange: Plants, Animals, and Disease between the Old and New Worlds. National Humanities Center.
Het heeft de heer behaagd om ons ongeziene beproevingen te zenden zoals de bobbelziekte. Die waren nooit voordien herkend of gezien in medische boeken. Deze ziekte dook op, en werd geobserveerd in Spanje in het jaar van onze heer 1493, in de stad Barcelona. Deze stad werd besmet. Bijgevolg werd ook heel Europa en de gehele bekende wereld dat. De ziekte kende haar oorsprong op het eiland dat nu gekend staat onder de naam Hispaniola, zoals onmiskenbaar uit onderzoek is gebleken.
Uit: de Isla, R. (1539). Verhandeling over de bobbelziekte. Sevilla.
De ‘bobbelziekte’ is een oude naam voor wat je vandaag syfilis noemt. Hispaniola is de naam die toen gegeven werd aan het huidige Haiti en de Dominicaanse Republiek.
3

← Miniatuur van Pierart Dou Tielt in Tractatus Quartus van Gilles li Muisit, Chronica (Doornik, 1360) (nu te zien in de Koninklijke Bibliotheek van België). In 1349 werd Doornik geteisterd door de pest. Op de afbeeldingen worden doodskisten aangesleept om de vele doden te begraven (boven). De pest kon zich razendsnel verspreiden door de verzwakte bevolking en de handelsroutes. Besmette ratten droegen de pestbacil mee via de vlooien in hun vacht. Die sprongen over op mensen, die zo besmet raakten. De pest maakte vreselijk veel slachtoffers. In sommige streken van Europa stierf de helft van de mensen.
Bron 4
Wanneer het echt begon, was het verschrikkelijk om aan te zien. Ze hadden builen zo dik als eikels waar een vuil stinkend vocht uitkwam. Iemand die de geur daarvan rook, zou geloven dat hij de ziekte zelf had. De kleur was een soort donkergroen, en het zicht ervan alleen al is even schokkend als de pijn. Die voelde alsof de zieke in brand gestoken werd.
Uit: Riccomi, G. & Giuffra, V. (2018). First Portrait of a Syphilitic Patient: Ulrich Von Hutten. The American Journal of Medicine. https://doi.org/10.1016/j.amjmed.2017.12.047.

↑
Portret (1523) en getuigenis (1519) van Ulrich von Hutten. Hij zegt dat hij de symptomen van syfilis uit eigen ervaring beschrijft: hij was zelf besmet en zag ook heel wat tijdgenoten met dezelfde symptomen.
5

De Spaanse pater Bernardino de Sahagun beschreef in zijn boek Algemene geschiedenis van Nieuw-Spanje de uitbraak van de pokken. De illustratie toont het ziektebeeld van de pokken, waarbij de slachtoffers hoge koorts krijgen en blaasjes op de huid hebben. De behandeling van de traditionele medicijnman linksboven kan niet baten. De oorspronkelijke bevolking stierf massaal aan de pokken.
Bron 6
JaartalBevolkingsaantalJaartalBevolkingsaantal
Uit: Madison, A. (2006). The world economy. OECD. www.oecd.org
Deze tabel toont de West-Europese bevolkingsaantallen tussen 0 en 1998.
Bron 7
Uit: Madison, A. (2006). The world economy. OECD. www.oecd.org
Deze grafiek toont de bevolkingsaantallen in Spanje en Mexico tussen 1500 en 1998.
Zelfevaluatie
• Ik vergelijk de impact van ziektes in verschillende historische periodes.
• Ik leg uit wat de ‘Columbiaanse uitwisseling’ was en verklaar hoe verschillende maatschappelijke domeinen elkaar daarbij beïnvloedden.
De interculturele contacten tussen Amerika en Europa hadden ook voor Europa zeer grote gevolgen. Historici voeren al decennia lang het debat over welke invloed de Europese zeereizen van de 15e en 16e eeuw juist hadden op de Europese samenlevingen. Ze discussiëren bijvoorbeeld over de oorsprong van syfilis in Europa. Sommige historici zien argumenten voor de hypothese dat syfilis werd ingevoerd in Europa door terugkerende zeereizigers en avonturiers. Andere historici zien in sommige archeologische vondsten het bewijs dat syfilis al eerder bestond in Europa. In deze les gebruik je verschillende historische bronnen om de verschillende hypotheses te onderzoeken.
Historisch denken: bronnen gebruiken om een historische vraag te beantwoorden
Je leerde vorige jaren om bronnen te onderzoeken. Historische bronnen en werken helpen je om historische vragen te beantwoorden. Door de juiste vragen te stellen wanneer je bronnen onderzoekt, leer je te denken als een historicus: je leert te redeneren met en over bron (zie de stappen van de bronnenstudie in de Histokit op p. XXX-XXX). In Sapiens 4 leer je stilaan zelf te beoordelen welke vragen je op welk moment moet stellen. De Histokit blijft net als vorige jaren een hulpmiddel daarvoor. In de Histokit op p. XXX en in het samenvattende schema van dit hoofdstuk op p.XXX zie je hoe historici geschiedenis schrijven met behulp van bronnen.
Opdrachten
1 Je ziet hieronder drie hypotheses die een mogelijk antwoord geven op de vraag of syfilis vanuit Amerika naar Europa kwam. Onderzoek welke hypothese volgens jou het meest aannemelijk is. Lees bron 1 tot en met 7. Die helpen je om een antwoord te vinden op de historische vraag.
2 Analyseer welke bronnen en werken bewijsmateriaal leveren voor of tegen een van de hypotheses. Maak per hypothese een overzicht waarbij je schematisch samenvat welke argumenten je voor of tegen de hypothese vindt.
3 Voeg het bewijsmateriaal samen tot een logisch opgebouwde argumentatie. Gebruik het stappenplan.
Hypothese 1
Syfilis is een ziekte die afkomstig is uit Amerika. Ze werd door Spaanse zeelui naar Europa gebracht. Omdat niemand in Europa weerstand had tegen de nieuwe ziekte, ontstond er plots een epidemie van ziektegevallen.
Hypothese 2
Syfilis bestond ook al in de middeleeuwen in Europa. Omdat de medische kennis in de middeleeuwen onvoldoende was, werden veel gevallen van de ziekte niet herkend of verward met andere ziektes zoals lepra.
Hypothese 3
Syfilis bestond ook al in de middeleeuwen in Europa. Uit Amerika werd een variant van de ziekte ingevoerd door de Europese zeelui. Die laatste was veel dodelijker dan de gevallen die voordien gekend waren.
11b 10
Bron 1
Bekijk de afbeelding op de titelpagina van dit hoofdstuk (p. XXX).
Bron 2
Toen syfilis voor het eerst met zekerheid werd vastgesteld in Europa in 1495, bedekten de puisten ervan vaak het hele lichaam van hoofd tot knieën, het zorgde ervoor dat het vlees van mensen hun gezicht afviel, en leidde tot de dood binnen enkele maanden.
Uit: Diamond, J. (1997). Paarden, zwaarden en ziektekiemen. Londen.
Jared Diamond is een wereldberoemd bioloog, archeoloog en geograaf. Hij werkt als professor aan de universiteit van California.
Bron 3
Het jaar na 1494 regeerde Karel als christelijke koning van Frankrijk. Hij verzamelde een groot leger en viel Italië binnen. Toen hij het land binnenviel had hij in zijn leger heel wat Spanjaarden die besmet waren met deze ziekte en die eens ze in het kamp waren deze verder verspreidden. De Fransen, die niet wisten wat voor ziekte het was, dachten dat de ziekte van daar kwam, en noemden het de ziekte van Napels.
Uit: de Isla, R. (1539). Verhandeling over de bobbelziekte. Sevilla.
De Isla was een Spaanse arts. De bobbelziekte die hij in zijn boek beschreef, is wellicht de ziekte die je vandaag syfilis noemt.
De twee skeletten van een tweeling vertonen bijna met zekerheid de symptomen van syfilis. Als dat klopt, dan zou dat het gangbare idee ontkrachten dat de ziekte naar Europa werd gebracht vanuit de nieuwe wereld door Christoffel Columbus en zijn matrozen in de 15e eeuw.
Naar: Beard, M. (14 december 2010). Pompei skeletons reveal secrets of Roman family life. BBC News.
↑
Professor Mary Beard is professor aan de universiteit van Cambridge (Verenigd Koninkrijk). Ze is vooral bekend van de boeken en documentaires die ze maakte over de klassieke oudheid.
Een team van wetenschappers onderzocht de DNA-structuur van de verschillende botten uit archeologische vindplaatsen op verschillende plaatsen in Europa. De exacte datering van de botten is erg moeilijk, maar zou rond de 15e eeuw zijn. De wetenschappers concludeerden daaruit dat de ziekte al voor Columbus’ aanwezigheid in Europa moet geweest zijn. Toch erkennen ook de onderzoekers dat ze nog niet volledig zeker zijn. In Science Magazine verwoordde een van de onderzoekers het zo: “Het is nog niet het ultieme bewijs. De volgende stap is om verder bewijs te verzamelen van ouder materiaal uit de oude en de nieuwe wereld zodat we weten welke varianten van de ziekte er voor Columbus al bestonden in de oude en de nieuwe wereld.”

Afbeelding en tekst uit: Hartley, C. (2020). Medieval DNA suggests Columbus didn't trigger syphilis epidemic in Europe. Science Magazine.
Alfred Crosby heeft toegegeven dat hij zijn aandacht in het begin (…) aan syfilis besteedde omdat hij het een ongemakkelijke gedachte vond dat zoveel ziekten in westelijke richting overgegaan waren, en geen enkele in de oostelijke. Hij vond dat er een zekere symmetrie moest zijn. Later besefte Crosby dat het een vergissing was om sporen te bestuderen in de hoop de weegschaal van de infecties in evenwicht te brengen. Ze wilden syfilis in Europa om zo een evenwicht te hebben voor de pokken in Mexico.
Uit: Mann, C. (2005). 1491, de ontdekking van precolumbiaans Amerika. Manteau.
↑
Mann is een wetenschapsjournalist. Hij schreef dit boek in 1491 toen hij merkte dat hij niet kon antwoorden toen zijn kinderen hem vragen stelden over Amerika voor de komst van Columbus.
Het is duidelijk dat syfilis aanwezig was in de nieuwe wereld toen Columbus daar aankwam. Syfilis is duidelijk vastgesteld op de plek waar hij landde, de Dominicaanse Republiek. De typische symptomen zijn vastgesteld in 6 tot 14 % van de skeletten in El Soco (800 n.C.), Juan Dolio (1400 n.C.), La Caleta (1200-1300 n.C.) (…). Zijn bemanning had de mogelijkheden en de middelen om de geslachtsziekte die we nu syfilis noemen op te doen en te verspreiden.
Uit: Rothschild, B.M. (2005). History of syfilis. Clinical infectious diseases.
↑
Rothschild is arts. Hij werkt als professor aan de universiteit van New Jersey (Verenigde Staten). Hij is gespecialiseerd in het herkennen van ziektes op basis van menselijke botten.
• Ik leg aan de hand van het stroomschema in mijn eigen woorden uit hoe historici een beeld vormen van het verleden.
• Ik vergelijk bewijsmateriaal uit verschillende bronnen om een historische vraag te beantwoorden.
• Ik gebruik bij het beoordelen van beeldvorming in historische bronnen en werken de volgende structuurbegrippen: argument, hypothese, bewijs.
bronnenstudie
stap 1: verzamelen
stap 2: observeren
stap 3: interpreteren
stap 4: vraag beantwoorden
geschiedenis
Historische begrippen
bronnen identificeren
lees- en kijkstrategieën toepassen historische vragen
beeldvorming historische vraag beantwoorden
← Je vindt dit stroomschema ook in de Histokit op p. XXX.
Je leerde in de vorige jaren al volgende historische begrippen: dynastie, epidemie, handel, interculturele contacten, koninkrijk, kooplui, landbouw, pandemie, religie, republiek , territorium en wetenschappen.
In dit hoofdstuk leerde je de volgende historische begrippen:
• politiek: Columbiaanse uitwisseling, empirisme, Europese expansie, imperium, overzeese territoria
• sociaal: demografische catastrofe, demografische processen, middeleeuwse warme periode
Structuurbegrippen
Je gebruikte in dit hoofdstuk ook de volgende structuurbegrippen: argument, hypothese en bewijs.
Gebruik bij het studeren van dit hoofdstuk de leerdoelen aan het einde van elke les of bekijk op iDiddit welke doelen je leerkracht voor jou heeft geselecteerd.
Stenen ntadi, ca. 40 cm hoog, Kongo. Deze ntadi was vermoedelijk een grafbeeldje. Dit soort beelden werd in de vroegmoderne tijd gemaakt in het Kongo-rijk. Met zijn gesloten ogen, het hoofd rustend op de schouder en zijn handen gevouwen op de knie drukt de figuur droefheid uit. Ntadi betekent ‘steen’ in het Kikongo, de taal van de Kongolezen, en verwijst naar het materiaal waarvan het beeldje is gemaakt. In deze doorloper bestudeer je de geschiedenis van Kongo in de vroegmoderne tijd. Het Kongo-rijk was een van de roemrijkste rijken die Afrika ooit heeft gekend. Het bevond zich in Midden-Afrika, aan de Atlantische kust in de buurt van de monding van de Kongo-stroom, die de Kongolezen in het Kikongo Nzadi noemden. Hier kwamen de Portugezen in de 15e eeuw aan. Het Kongo-rijk blijft tot vandaag tot de verbeelding spreken van veel Congolezen en zelfs van veel Afrikanen overal ter wereld. De herinnering aan dat rijk staat immers symbool voor de successen van Afrika voor de eerste contacten met Europa.

In deze doorloper ga je op zoek naar het antwoord op drie historische vragen:
1
Had het Kongo-rijk in de vroegmoderne tijd dezelfde ligging als het Congo van vandaag?
Wat waren de belangrijkste kenmerken van de Kongolese samenleving tijdens de vroegmoderne tijd?
Hoe verliepen de contacten tussen Kongolezen en Portugezen in de vroegmoderne tijd?
1 De oorsprong van het Kongo-rijk
Over de begindagen van het Kongo-rijk weten historici weinig. Omdat kennisoverdracht in het oude Kongo alleen via mondelinge traditie gebeurde, zijn er geen primaire geschreven bronnen. Op basis van taalkundige studies weten wetenschappers dat de moedertaal van het Kikongo en haar zustertalen al sinds de vroege ijzertijd in de regio aanwezig was. Historici vermoeden op basis van mondelinge overleveringen dat het Kongo-rijk zich geleidelijk aan ontwikkelde in de late middeleeuwen. Het evolueerde van een los verbond van kleinere rijken tot een groter gecentraliseerd rijk. Net zoals bij de staatsvorming in Europa speelden oorlog, huwelijkspolitiek en bondgenootschappen daarbij een rol. Denk bijvoorbeeld aan wat je leerde over hoe de Bourgondische hertogen hun macht uitbreidden.
Kongo werd tijdens de vroegmoderne tijd bestuurd als een monarchie: het leiderschap was min of meer erfelijk via afstamming langs moeders zijde. Elke nieuwe opvolger moest echter door de elite van lokale heersers erkend worden. Politieke macht was gebaseerd op het verwerven van rijkdom, maar de vorst moest ook een andere kwaliteit bezitten. Hij moest in staat zijn controle uit te oefenen op de onzichtbare krachten of ‘geesten’, en zo de openbare orde en het welzijn in de gemeenschap garanderen. De Kongolese vorsten combineerden politiek aanzien dus met een religieuze functie. Op basis daarvan konden big men – soms ook vrouwen – volgelingen aantrekken. Toen de Portugezen in 1483 voet aan wal zetten, was Nzinga a Nkuwu aan de macht. Hij was de Mwene Kongo of vorst, die heerste vanuit de hoofdstad. De macht van de Mwene Kongo was dus sterk gecentraliseerd. Hij had veel titels, zoals Ntinu, Ntotila en Ngangula. Geen daarvan is gemakkelijk te vertalen. Pas na de komst van de Portugezen werd de vorst koning of rei (in het Portugees) genoemd omdat zij gelijkenissen zagen tussen Kongo en de koninkrijken in Europa. Toch waren er ook grote verschillen. Kongo had nooit een duidelijk afgebakend territorium, en evenmin een leger dat de grenzen bewaakte.
De Mwene Kongo speelde handig in op de komst van de Portugezen om zijn eigen macht verder uit te breiden. Hij controleerde de handel. Hij hief bijvoorbeeld belastingen op handelswaren die vanuit het binnenland naar de kust werden gebracht. De uitbouw van de trans-Atlantische driehoekshandel vanaf de 16e eeuw door de Europeanen gaf een enorme stimulans aan de lokale handelsnetwerken Een bijzonder gegeerd handelswaar waren bijvoorbeeld raffiapalmen en de doeken en manden die ermee geweven werden. Kongolezen gebruikten ze om hun huizen te versieren. Maar omdat ze zo’n kostbaar goed waren, werden ze ook in de handel als munteenheid gebruikt.
De Kongolese nijverheid raakte afgestemd op de export naar de buitenlandse markt. Het vakmanschap van Kongo-wevers trok al snel de aandacht van de Europeanen. De dure raffiadoeken en manden kwamen terecht in de schatkisten en pronkkamers van Europese vorsten en edelen. Ook andere lokale luxegoederen, zoals ivoor en sandelhout, en later ook tot slaaf gemaakte mensen, vonden hun weg naar en over de Atlantische Oceaan.
De Kongo-samenleving was een gelaagde samenleving. De elite wou zich onderscheiden van het gewone volk. Ze gebruikte daarvoor bijvoorbeeld raffiaobjecten versierd met complexe patronen om te pronken met haar weelde en macht. Vanaf de komst van de Portugezen in de 16e eeuw werden ook typisch westerse objecten gebruikt. Boeken werden bijvoorbeeld echte statussymbolen in de Kongolese samenleving.
4 Levensbeschouwelijke organisatie
Heel snel na de eerste contacten met het christendom liet de Kongo-elite zich dopen. De Mwene Kongo werd gedoopt in mei 1491 en nam vanaf dan ook de Portugese katholieke doopnaam João I aan. Zijn opvolgers droegen vanaf toen allemaal zowel een Kongo-naam als een christelijk-Portugese naam. De omarming van het christendom, meer bepaald het katholicisme, verliep niet altijd in vrede. Zo brak na de dood van João I in 1509 een burgeroorlog los tussen zijn twee zonen. De ene was leider van een antichristelijke groepering, de andere van een prochristelijke groepering. De laatste trok aan het langste eind. Als Afonso I (1509 - 1542) gaf hij een stimulans aan de verspreiding van het christendom in Kongo. Hij gebruikte de religie om zijn koninklijke politieke macht te versterken. Hij zorgde voor een nieuwe collectieve identiteit. Dat betekent dat de godsdienst een bindmiddel werd in de Kongolese gemeenschap. De Mwene Kongo, de politieke leider, was nu ook een religieuze beschermer, wat hem toeliet om vanuit de hoofdstad een sterkere controle uit te oefenen op lokale machthebbers.
Van alle rijken in Midden-Afrika was Kongo het langst blootgesteld aan het christendom. Gedurende de 16e en 17e eeuw werden in heel het rijk kerken gebouwd. Zelfs in de meest afgelegen dorpen verschenen grote kruisbeelden. Het gewone volk dat niet kon lezen, leerde katholieke gebeden, gezangen en misteksten uit het hoofd. Zij namen ook deel aan massale openbare optochten en ceremonies.
5 Kunst- en cultuuruitingen
Het oude Kongo mocht dan wel tot ver in Europa als een katholiek koninkrijk bekendstaan, het Kongolese christendom zag er zeker niet uit zoals het Europese. De Kongolezen hebben hun eigen versie van het christendom gemaakt. Ze vermengden het nieuwe geloof met elementen van hun tradities en gewoonten. Of beter: ze verwerkten elementen van het christendom in hun eigen mens- en wereldbeeld. Op een originele manier verenigden de Kongolezen kenmerken van de Kongolese en christelijke cultuur. Hun zwaarden bijvoorbeeld werden van lokale ertsen én Europese metalen vervaardigd. En ze waren versierd met motieven uit beide culturen.
Had het
Kongo-rijk in de
vroegmoderne
tijd dezelfde ligging als het Congo van vandaag? 1
Congo is vandaag de naam van twee Afrikaanse staten, namelijk de Democratische Republiek Congo (DRC) met hoofdstad Kinshasa en de Republiek Congo met hoofdstad Brazzaville. Kongo is ook de naam van de op een na langste rivier van Afrika die deze twee staten en zelfs hun hoofdsteden van elkaar scheidt. Kinshasa en Brazzaville zijn de dichtst bij elkaar gelegen hoofdsteden ter wereld. Het Kongo-rijk strekte zich zeker 300 kilometer uit langs de Atlantische kust en de hoofdstad Mbanza Kongo bevond zich 200 kilometer landinwaarts.
Opdrachten
1 Onder zoek aan de hand van kaart 1 en 2 in hoeverre het grondgebied van het oude Kongo-rijk samenviel met het grondgebied van de twee hedendaagse Congo-staten.
Kaart 1: Het Kongo-rijk in de vroegmoderne tijd
Kaart 2: Congo vandaag
In de lestekst op p. XX ontdek je kenmerken van de Kongolese samenleving tijdens de vroegmoderne tijd. Lees de tekst en gebruik de juiste leesstrategie.
Opdrachten
1 Beluister bij het onlinelesmateriaal een interview waarin professor Koen Bostoen toelicht hoe wetenschappers te werk gaan wanneer ze de Afrikaanse culturen bestuderen.
2 Onderzoek aan de hand van de lestekst welke kenmerken typerend zijn voor de Kongolese samenleving in de vroegmoderne tijd. Zoek en noteer per domein van de samenleving minstens één kenmerk en beschrijf het in je eigen woorden.
3 Vergelijk de kenmerken die je noteerde met de kenmerken van de West-Europese samenleving op hetzelfde moment. Welke gelijkenissen en verschillen ontdek je?
Hoe verliepen de contacten tussen Kongolezen en Portugezen in de vroegmoderne tijd?
Het einde van de 15e eeuw was een breukmoment voor de geschiedenis van Centraal-Afrika. Vanaf 1482, toen de vloot van de Portugese kapitein Diogo Cão de monding van de Kongo-stroom bereikte, kwam het oude Kongo-rijk in contact met de Europese geschiedenis. Europese historici zijn er lang van uitgegaan dat de Portugezen op allerlei vlakken superieur waren aan de samenleving die ze daar ontmoetten. Vandaag tonen primaire bronnen en werken van hedendaagse historici ons een veel genuanceerder beeld.
Opdrachten
1 Onder zoek de aard van de contacten tussen Kongolezen en Portugezen aan de hand van bron 1 tot en met 6.
a Los de hulpvragen bij elke bron mondeling op.
b Omschrijf de aard van de contacten (al dan niet gelijkwaardig, gewelddadig, wederkerig, dominant ...) voor elk domein van de samenleving.
2 Waarom kun je de periode van ca. 1500 voor Kongo en Centraal-Afrika als een breekpunt in de geschiedenis omschrijven? Geef een belangrijk argument. Gebruik het begrip ‘mondialisering’ in je argumentatie.
Bron 1
Op 15 augustus 1482 bereikte de vloot van de Portugese ontdekkingsreiziger Diogo Cão de monding van de Congo-stroom. Weinige dagen later plantte de Portugese kapitein geheel volgens de imperialistische gewoonten van zijn tijd een padrão of stenen pilaar op het grondgebied van het Kongo-koninkrijk. Hiermee wou hij eventjes meegeven dat dit land officieel bezit was geworden van Portugal. Het idee dat de koning van Kongo en zijn edelen daar mogelijk anders over dachten kwam wellicht zelfs niet op bij Cão en zijn broodheren. Wat de Portugezen bedoeld hadden als een eenzijdige verklaring van inbezitneming was echter het begin van een lange geschiedenis van onderlinge uitwisseling tussen Kongo en Europa. Deze interactie verliep aanvankelijk op veel gelijkwaardiger manier dan de Portugezen hadden verhoopt en dan we ons vandaag in tijden van dekolonisatie kunnen voorstellen.
Uit: Bostoen, K. & Brinkman, I. (21 juni 2020). Kikongo leenwoorden die boekdelen spreken. www.stemmenvanafrika.be
De auteurs zijn Afrika-specialisten aan de Universiteit Gent.
1 Herhaal wat het begrip ‘imperialisme’ betekent. Zoek eventueel de betekenis op in je Histokit.
2 Was er een gelijke of ongelijke machtsverhouding?
Bron 2

← Marmeren buste van Antonio Manuel Nsaku Ne Vunda, ambassadeur van het Kongo-koninkrijk in Rome. Borstbeeld gemaakt door Francesco Caporale (actief ca. 1606 - 1630) en bewaard in het baptisterium van de Santa Maria Maggiore-basiliek te Rome. Deze Kongolese diplomaat werd in 1604 door de Kongovorst Alvaro II naar Rome gestuurd. Hij hoopte van het Vaticaan steun te krijgen in zijn strijd tegen de Portugezen die het buurland Angola bestuurden en de zelfstandigheid van Kongo bedreigden. Niet alleen kwamen er Europeanen naar Kongo, maar Kongo stuurde ook Kongolezen uit naar Europa en Amerika. Zo slaagde Afonso I erin om zijn zoon Henrique naar het Vaticaan te sturen en hem daar tot bisschop te laten wijden met als doel de Kongolese Kerk onder een eigen Kongolese bisschop vrijer en onafhankelijker te maken.
Waren de politieke contacten wederkerig of was er uitbuiting in het contact?
“De heer van het land wiens haven we binnenvoeren op 29 maart 1491 is een grote heer, de oom van de koning en zijn onderdaan; hij wordt Manisoyo genoemd, een man van vijftig jaar, goedaardig en wijs. Hij was ongeveer twee leuga [ongeveer 13 km] van de haven verwijderd toen hij ingelicht werd over de aankomst van onze vloot en verzocht werd de koning hierover in te lichten. De Manisoyo gaf blijk van grote vreugde dat hij zich moest bezighouden met de zaken van de koning van Portugal, en als teken van respect plaatste hij beide handen op de grond en legde ze vervolgens op zijn gezicht, wat het grootste teken van verering is dat ze maken voor hun koningen.”

↑
Fragment uit Relaas over het koninkrijk Congo, door de Portugese kroniekschrijver Rui de Pina (1492). ↑
Waren de contacten vreedzaam of gewelddadig? Was er een gelijke of ongelijke machtsverhouding?
Bron 5
Ets uit Olfert Dapper’s Naukeurige Beschrijvinge der Afrikaensche Gewesten (1668). Mwene Kongo Alvaro I ontvangt Nederlandse ambassadeurs in 1642. Op de afbeelding zie je op welke manier de Mwene Kongo, zittend op zijn troon, een aantal Nederlandse ambassadeurs ontving.
Waren de politieke contacten wederkerig of was er uitbuiting in het contact?
Was er cultuurvermenging of dominantie?
Op het einde van de middeleeuwen groeit in Portugal de belangstelling voor Afrika. In 1482 ontdekt Diego Cão de Nzadi (Zaïre) en maakt kennis met de inwoners van het koninkrijk Kongo dat gesticht is rond 1400. Tijdens zijn bloeiperiode in de 15e en 16e eeuw is het een uitgestrekt rijk. De inwoners zijn de Bakongo, hun taal is het Kikongo. De Portugezen sturen missionarissen naar Kongo. De Kongolese koning en de elite bekeren zich tot het katholicisme, eerder ook om politieke en economische motieven dan omwille van het geloof zelf. De koning heeft interesse in de wapens van de Portugezen en ook andere goederen die de Portugezen aanvoeren, vallen in de Kongolese smaak. Bovendien wordt het katholicisme niet ervaren als een godsdienst die radicaal verschilt van de Afrikaanse religieuze beleving. Een aantal aanknopingspunten met de traditionele Afrikaanse religie, zoals het geloof in goede en kwade krachten, het voortbestaan na de dood, het ingrijpen van de afgestorvenen in het leven op aarde, werkt de adoptie van het katholicisme en de afrikanisering ervan in de hand. De sterk gecentraliseerde staat en de sterk hiërarchisch gestructureerde maatschappij vergemakkelijken de verspreiding van het geloof. Toch is het katholicisme vooral een zaak van het koninklijke hof en de Kongolese elite.
Naar: Renders, RL. (2019). Koloniseren om te beschaven. Het Nederlandstalige Congoproza van 1596 tot 1960. Gramadoelas.

↑
Bronzen Kongo-kruisbeeld gevonden in een archeologische site in Ngongo Mbata (DRC) in de 18e eeuw. Het is een van de vele voorbeelden van de typische kunst- en cultuuruitingen van Kongo.

↑
Aarden Kongo-kookpot uit de tweede helft van de 18e eeuw, opgegraven in Ngongo Mbata (DRC).
Was er cultuurvermenging of dominantie?
De wederzijdse ontdekking van Kongo en Europa wekte een grote interesse in elkaars cultuur en ideeëngoed. Een Europees nieuwtje waarover de Kongolese elite heel enthousiast was in de 16e eeuw, waren boeken. Van koning Afonso I, die regeerde van 1506 tot 1543, werd gezegd dat hij niet anders deed dan lezen en vaak boven op zijn boeken in slaap viel. Boeken waren een zeldzaam en duur goed en de vraag tot import was groter dan het aanbod. De eerste catechismus in het Kikongo uit 1624 kostte 100 reis. In de jaren 1650 was papier een kip per blad waard en omdat papier zo’n schaars goed was, werden soms bananenbladeren gebruikt als alternatief. De prijs voor een studieboek liep al gauw op tot 6000 reis en een missaal kreeg men in ruil voor een slaaf. Daarom verwierven boeken een haast rituele status en kwam geletterdheid in hoog aanzien. Om te pochen plakten geletterden in processies een kaartje op hun voorhoofd: hun intellectuele status moest onmiddellijk zichtbaar zijn. Papier, inkt, stempels met inscripties, geschreven certificaten en vergunningen speelden een belangrijke rol in de hof- en kerkadministratie (…). Net zoals bij het christendom eigenden de Kongolezen zich geletterdheid toe om het met hun eigen Kongolese betekenis een draai te geven.
Uit: Bostoen, K. & Brinkman, I. (21 juni 2020). Kikongo leenwoorden die boekdelen spreken. www.stemmenvanafrika.be
Standbeeld van Columbus (Londen, 1992). Op 11 oktober 2021 werd dit Londense standbeeld van de beroemde ontdekker Columbus overgoten met rode verf. Die kleur symboliseert bloed. Het standbeeld werd bewust besmeurd. Volgens sommigen verdient Columbus dit standbeeld dus niet. Bij de overgang van de middeleeuwen naar de nieuwe tijd werd het wereldbeeld van de Europeanen veel ruimer. Zeelui vaarden naar een voor hen onbekend continent aan de andere kant van de Atlantische Oceaan. Wij kennen het nu als Amerika. In dezelfde periode verkenden Europeanen ook de kusten van Afrika. Dat was tijdens de middeleeuwen nog ondenkbaar.
Je onderzoekt in dit hoofdstuk wat de Europese zeereizen tijdens de vroegmoderne tijd betekenden op de verschillende domeinen van de samenleving, zowel voor de Europeanen als voor de samenlevingen ter plaatse.

2 3 4 5 6 7 1
Een Oude en een Nieuwe Wereld (ca. 1500)
Waarom de overzeese expedities begonnen
Europese zeereizen en kolonisatie (15e - 17e eeuw)
Gevolgen van de Europese kolonisatie voor de ‘Oude Wereld’
Gevolgen van de Europese kolonisatie voor de ‘Nieuwe Wereld’
Europese beeldvorming over de ‘Nieuwe Wereld’
Uitbreiding: De Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC)
Bestudeer bron 1.
a Welke sporen van de Griekse kolonisatie uit de klassieke oudheid herken je op de tekening?
b Wat weet je nog over de Griekse kolonisatie tijdens de klassieke oudheid?
c Wat is het verband tussen kolonisatie en imperialisme?

De Dresden Codex (Codex Dresdensis), een Maya-boek uit de 11e of 12e eeuw, Yucatan. Deze codex is vermoedelijk gebaseerd op een veel ouder Mayamanuscript. Het grootste deel bevat rijk geïllustreerde astronomische tabellen met voorspellingen van bijvoorbeeld eclipsen en maansverduisteringen. Tijdens hun bloeiperiode waren de Maya’s niet enkel meesters op het vlak van astronomie en wiskunde. Hun koningen heersten ook over een groot rijk vanuit indrukwekkende paleizen en ze vereerden hun goden in grootse tempels. De Maya-cultuur was al in verval toen de Spanjaarden in Midden-Amerika aankwamen.
Bron 1
Hedendaagse reconstructietekening (door Jean-Claude Golvin) van de haven van Μασσαλία (de Griekse naam) of Massilia (de Latijnse naam). De wortels van het huidige Marseille reiken dus tot in de oudheid. Het was een van de vele Griekse kolonies in de Middellandse Zee.


De gezanten, een schilderij van de Duitse meester Hans Holbein de Jonge uit 1533, vandaag te bewonderen in Londen. Twee diplomaten staan naast een aantal innovaties die rond het scharniermoment van ca. 1500 bekend werden. Bijvoorbeeld een reeks navigatie-instrumenten, zoals een hemelglobe met sterrenhemel, een kompas en een draagbare zonnewijzer.

Vroeg 15e-eeuwse afbeelding uit China van een giraf uit Afrika. Het dier werd door Zheng He geschonken aan de Chinese keizer. De Chinezen hadden onder leiding van admiraal Zheng He in het begin van de 15e eeuw al voet aan wal gezet in Oost-Afrika. Ze voerden er handel met de Afrikaanse clanleiders, maar stichtten er geen blijvende handelsposten.

De Bry, T. (1592). Grands Voyages, deel III. Frankfurt. Mannen, vrouwen en kinderen van de Braziliaanse Tupinamba-clan eten de gebraden ledematen en romp van een gevangene. De tekenaar van deze afbeelding was een Antwerpse graveur en uitgever. Zelf is hij nooit naar de Nieuwe Wereld (Amerika) geweest. Hij baseerde zijn gravures op het dagboek van Columbus en op bestaande afbeeldingen. Zo bepaalde hij mee het beeld dat Europeanen in de 16e eeuw van de inwoners van de Nieuwe Wereld hadden.
KOLONISATIE
De Spaanse en Portugese kolonisatie en driehoekshandel (ca. 1600).

VOC-munt (1735).
De VOC was een grote handelscompagnie uit de Noordelijke Nederlanden die handel voerde in het gebied van de Indische Oceaan. De VOC veroverde er grondgebied, had er monopolies en sloeg zelfs haar eigen munt.
Een Oude en een Nieuwe Wereld (ca. 1500)
Op 3 augustus 1492 vertrok Christoffel Columbus, een Genuees in Spaanse koninklijke dienst, vanuit Palos (Spanje) met een vloot van drie karvelen. Dat waren nieuwe zeilschepen die de diepe wateren van de oceaan konden trotseren. Columbus was ervan overtuigd dat de aarde rond was. Hij wou daarom de Atlantische Oceaan oversteken om zo via een westelijke route Indië te bereiken. De naam Indië werd toen in Europa gebruikt om de regio rondom de Indische Oceaan te omschrijven.
Wat Europese wetenschappers al langer vermoedden, bleek correct: in de Atlantische Oceaan lag nog een continent. Enkele weken nadat Columbus zijn expeditie begon, zette hij voet aan wal op de Caraïben, een eilandengroep die lag in het gebied dat later bekend zou worden als ‘Amerika’. Hij besefte niet meteen dat hij niet in Indië was aangekomen en noemde de bewoners dan ook ‘indianen’. De Caraïben zouden trouwens nog lang de naam West-Indië dragen.
Nochtans had Columbus zich goed ingelezen voor hij vertrok. Dankzij de boekdrukkunst was dat ook mogelijk. Geografen uit de oudheid zoals Ptolemaeus, maar ook tijdgenoten van Columbus zoals de Florentijnse wetenschapper Toscanelli, hadden de omtrek van de aarde veel kleiner ingeschat. Met de ontdekking van Amerika door Columbus werd het wereldbeeld van de Europeanen dus plots veel ruimer.
1.2 ‘Ontdekkingsreizigers’: een Europees perspectief
Een decennium na Columbus zette de Florentijn Amerigo Vespucci voet aan land op de Braziliaanse kust. Hij sprak uitdrukkelijk over de ‘ontdekking’ van een ‘Nieuwe’ Wereld, die later ‘Amerika’ genoemd zou worden, naar zijn voornaam. De expedities van Columbus en anderen rond het jaar 1500 kregen later de naam ‘ontdekkingsreizen’. De avonturiers zelf werden lange tijd ‘ontdekkingsreizigers’ genoemd.
Die termen zijn eurocentrisch: in werkelijkheid gebeurde de ‘ontdekking’ van het continent al vele millennia daarvoor door groepen jagers-verzamelaars die via het huidige Rusland langs de Beringstraat NoordAmerika betraden. In de tijd van Columbus leefden op het continent miljoenen mensen in eeuwenoude samenlevingen en culturen. De begrippen ‘Nieuwe Wereld’, ‘Amerika’ en ‘ontdekkingsreiziger’ zijn dus ontstaan vanuit een louter Europees perspectief.
De Europese zeevaarders van ca. 1500 waren trouwens niet de eerste Europeanen die op het Amerikaanse continent belandden. Zoals je in Sapiens 3 al leerde, gingen onder meer de Vikingen al rond 1000 in Groenland en aan de kusten van Noord-Amerika aan land. Zij kwamen er eerder toevallig, hadden er geen grote invloed en verlieten de streek later weer.
1 Onderzoek de motieven voor de reis van Columbus. Bekijk bij bron 1 het filmpje over Columbus.
a Welke missie had hij met zijn zeereizen?
b Slaagde hij in zijn missie?
c De Europese zeelui zoals Columbus staan bekend als ‘ontdekkers’. De Vikingen, die eeuwen eerder in Noord-Amerika waren beland, worden geen ‘ontdekkers’ genoemd. Probeer dat te verklaren, eventueel met de lestekst erbij.
2 Analyseer de veranderingen in het wereldbeeld. Bestudeer bron 2a en 2b.
a Vergelijk het Griekse wereldbeeld uit de oudheid met dat van de vroegmoderne tijd. Wat stel je vast?
b Waaruit kun je afleiden dat men in de 16e eeuw wist dat de aarde bolvormig was?
Bron 1
↑
Bekijk het filmpje over Columbus.
← Dit filmpje legt uit hoe de zeereis van Christoffel Columbus in 1492 tot stand kwam. Columbus wilde een westelijke zeeroute naar Indië vinden om handel te drijven in specerijen en andere kostbare goederen. Nadat Portugal hem weigerde te steunen, kreeg hij uiteindelijk de steun van de Spaanse vorsten Ferdinand van Aragon en Isabella van Castilië. Zij zagen in zijn plan een kans om hun rijk uit te breiden en nieuwe handelswegen te openen. Het filmpje laat zien hoe economische belangen, politieke macht en nieuwsgierigheid naar de wereld samenkwamen in de beslissing om de expeditie van Columbus te financieren.


Bron 2a: Griekse wereldbeeld (ca. 500 v.C.)Bron 2b: Wereldbeeld in de 16e eeuw ↑
Het Griekse wereldbeeld naar een kaart van de Griek Hecataios (ca. 500 v.C.). Vanuit het Griekse perspectief was de Middellandse Zee het centrum van de wereld.
↑
Wereldkaart volgens de Mercatorprojectie uit de Portolan Atlas door Battista Agnese (1544). Je ziet de route die Ferdinand Magellaan (ca. 1480 - 1521) aflegde toen hij in 1519 - 1521 de eerste reis om de wereld leidde. Het origineel vind je in de Nationale Bibliotheek van Madrid in Spanje.
• Ik leg het verband uit tussen de zeereizen van ca. 1500 en de verruiming van het Europese wereldbeeld.
• Ik verklaar dat de termen ‘Amerika’, ‘ontdekkingsreizigers’ en ‘Nieuwe Wereld’ vanuit een Europees perspectief zijn ontstaan.
Wat bracht Columbus naar de andere kant van de Atlantische Oceaan? Hij was zeker niet de eerste Europeaan die op een verre zeereis vertrok. Eigenlijk zette hij de traditie voort van de Portugese zeevaarders die al in het midden van de 15e eeuw de kusten van Afrika verkenden. Daar gaan we later nog dieper op in. Nu kijken we eerst wat de motivatie was van die reizigers.
2.1 Meer economische winst
Het belangrijkste motief voor de Europeanen om op tocht te gaan was economisch van aard: ze wilden een nieuwe handelsroute naar Indië vinden. Indië was aan het eind van de middeleeuwen voor Europa van groot economisch belang. Toen het Byzantijnse rijk in 1453 ten onder ging, controleerden de Ottomanen het oosten van de Middellandse Zee en dus de oostelijke handelsroutes. Zij verkochten handelswaar uit Indië heel duur door aan de Europeanen.
De Europese handelaars begonnen te dromen van een rechtstreekse handelsroute naar het Oosten, zonder tussenkomst van de Ottomanen of de Arabieren. Zo’n route zou luxeproducten uit Indië zoals specerijen en zijde voor Europa goedkoper maken.
Voor kooplui openden de zeereizen nog andere perspectieven. Zij droomden van nieuwe inkomsten uit overzeese investeringen en nieuwe afzetmarkten. Geld en kapitaal waren sinds de late middeleeuwen immers steeds belangrijker geworden.
2.2
Europese vorsten zagen in die verkenningen ook politieke voordelen. Dat de missie van Columbus gefinancierd werd door de Spaanse koningen Ferdinand en Isabella was geen toeval. Met opbrengsten uit veroverde gebieden hoopten ze meer geld in de schatkist te krijgen om zo een sterk centraal bestuur en een leger op te bouwen en hun macht intern en in de overzeese territoria te vergroten.
2.3 Culturele factoren
Christelijke vorsten en de Katholieke Kerk zagen in de reizen een mogelijkheid om het christendom overzee te verspreiden. De reconquista of christelijke herovering van Andalusië (Zuid-Spanje) op de islam was eind 15e eeuw nog maar net voltooid. Dat moedigde de Kerk aan om nog meer volkeren te willen bekeren, en zo het christendom te versterken.
Voor wetenschappers konden nieuwe zeereizen een grote uitdaging vormen. Ze wilden door de omvaart in westelijke richting definitief bewijzen dat de aarde bolvormig was en dat er in de Atlantische Oceaan nog onbekend land lag. Er werden nieuwe navigatie-instrumenten ontwikkeld om die rondvaart om de aarde mogelijk te maken en een beter idee te krijgen van de omvang van de aarde.
1 Lees de lestekst. Rangschik de motieven van de Europese expedities volgens de domeinen van de samenleving.
2 Onderzoek de beeldvorming over de plaatselijke bevolking in een Europese bron (bron 1).
a Interpreteer het contrast in de voorstelling van de groepen personages. Worden hier gelijkwaardige of ongelijkwaardige culturele contacten voorgesteld? Hoe zie je dat?
b Geef twee argumenten waarom deze prent vanuit het Europese perspectief is gemaakt.
c Analyseer de voorstelling gedetailleerd en concludeer welk cultureel motief uit de lestekst hier duidelijk is uitgebeeld.
3 Bestudeer bron B bij de tijdlijn op p. XX. Leg het verband tussen die bron en de motieven van de Europese overzeese expedities.

Zelfevaluatie
• Ik vat de motieven van de Europese zeevaarders per domein van de samenleving samen.
• Ik interpreteer hun motieven en de aard van hun contacten met de plaatselijke bevolking aan de hand van een visuele bron.
Portugese zeelui verkenden in de 15e eeuw systematisch de westkust van Afrika. Op belangrijke punten stichtten ze er handelsposten. Dat waren versterkte forten van waaruit handel gedreven werd met Afrikaanse heersers en lokale clanleiders. In 1483 bereikten de Portugezen de monding van de Congostroom. In 1488 voer Diaz om het meest zuidelijke punt van Afrika. Dat punt werd ‘Kaap de Goede Hoop’ gedoopt.
Vanaf daar voeren zeelui verder noordwaarts, de Indische Oceaan op. Vasco da Gama bereikte langs die route Indië (1494).
Aan de oostkust van Afrika hadden de Chinezen onder leiding van admiraal Zheng He al in het begin van de 15e eeuw voet aan wal gezet. Ze dreven er handel met de Afrikaanse leiders, maar stichtten er geen blijvende handelsposten.
3.2 Langs Amerika naar Indië
Ook de missie in Amerika werd voortgezet. Er volgden later nog meer reizen onder leiding van Columbus in het Caraïbisch gebied. De Portugees Cabral week door een storm af van de route naar Zuid-Afrika en bereikte in 1500 toevallig de kusten van het huidige Brazilië. Een jaar later voer Magellaan in Spaanse dienst onder de zuidelijkste punt van Amerika door en bereikte als eerste Europeaan Oost-Indië via de Stille Oceaan. Hij stierf echter op de Filipijnen in 1521, waarna zijn vloot de eerste zeereis rond de aarde voltooide onder leiding van kapitein El Cano.
3.3 Europese kolonisatie van de ontdekte gebieden
Omdat de Portugezen aan de kusten van Afrika en in Azië op goed georganiseerde rijken stootten, beperkten ze zich meestal tot het oprichten van versterkte handelsposten aan de kust. Ze drongen niet verder het binnenland in.
In Amerika waren de interculturele contacten anders van aard. Daar voerden de Europeanen een imperialistische politiek. Vooral de aanwezigheid van goud- en zilvermijnen motiveerde de Spanjaarden en Portugezen om het binnenland verder te verkennen. De Europeanen troffen er verschillende grote rijken aan. Het rijk van de Maya’s, dat tijdens de vroege middeleeuwen een roemrijke cultuur en bloeiende landbouw had gekend, was sinds ca. 1000 verbrokkeld geraakt door de rivaliteit onder heersers, lange droogteperiodes en interne verdeeldheid. Hoewel het Maya-rijk in crisis verkeerde toen de Spanjaarden er binnendrongen, duurde het nog decennia voor de Europeanen het land konden inpalmen en onderwerpen.
De Spanjaarden wisten ook de uitgestrekte rijken van de Inca’s (Peru) en Azteken (Midden-Amerika) te onderwerpen. De Spaanse conquistadores Cortés en Pizarro veroverden met een beperkt leger een rijk van miljoenen inwoners. Ze maakten daarbij listig gebruik van vijandelijke clans die door de Inca’s en Azteken waren onderworpen. Ook de uitbraak van epidemieën die de Spanjaarden meebrachten (zoals je al in hoofdstuk 1 leerde), had rampzalige gevolgen voor de precolumbiaanse samenlevingen.
Midden 18e eeuw waren Zuid- en Midden-Amerika grotendeels gekoloniseerd door Spanje en Portugal. De gebieden werden ingericht als overzeese kolonies, die vanuit de ‘metropolen’ Spanje en Portugal werden bestuurd.
Opdrachten
1 Bestudeer kaart 1.
a Waarom vormde het Ottomaanse rijk een hindernis voor de Europese handel met het Oosten?
b Vergelijk de Portugese en Spaanse ambities.
c Waarom kun je spreken van Europees imperialisme?
2 Welke Europese landen waren betrokken bij dat imperialisme?
Kaart 1: De overzeese expedities en de kolonisatie tijdens de vroegmoderne tijd
Zelfevaluatie
• Ik leid uit de historische kaart de grote rijken van Amerika en de Europese expedities af.
• Ik vergelijk de werkwijze van de Portugese en Spaanse expedities.
Gevolgen van de Europese kolonisatie voor de ‘Oude Wereld’ 4
De overzeese kolonisatie had grote gevolgen voor Europa op verschillende domeinen van de samenleving.
De kolonies gaven een enorme boost aan de economie van Europa. Waar Azië (China, Indië en de Arabische wereld) in de middeleeuwen nog het centrum van de wereldhandel uitmaakte en Europa eerder in de periferie lag, schoof dat centrum steeds meer op naar Europa. De invoer van edelmetaal (goud en zilver) en grondstoffen uit de Nieuwe Wereld verhoogde de economische kracht van Europa aanzienlijk. Grondstoffen werden in Europa verwerkt tot afgewerkte producten die op hun beurt op andere continenten werden verkocht.
De commerciële revolutie die in de middeleeuwse steden op gang was gekomen (zoals je in Sapiens 3 leerde), zette zich voluit door in de vroegmoderne tijd. Een zeereis maken, een zeilschip bouwen of een overzeese handelsmissie vervullen: één koopman kon dat onmogelijk alleen financieren. Daarom investeerden koningen en kapitaalkrachtige kooplui hun geld als aandelen samen in één groot bedrijf. Zo ontstonden grote ondernemingen die achteraf de winst onder de aandeelhouders verdeelden. Beurzen handelden in die aandelen. In banken kon je je kapitaal deponeren. Dat kapitaal kon dan weer geïnvesteerd worden in nieuwe overzeese projecten. Het bankwezen en het winstbejag floreerden in de vroegmoderne tijd.
Goederenstromen namen enorm toe. Producten zoals zijde, specerijen, suiker en hout werden nu rechtstreeks naar Europa gebracht. Maar de Europeanen leerden ook nieuwe smaken kennen: aardappelen, tomaten, bonen, maïs, tabak, vanille en chocolade zijn oorspronkelijk Amerikaanse gewassen of producten. Koffie en thee kwamen dan weer uit Afrika en Azië. Niet enkel de eetpatronen in Europa veranderden, maar ook de hele landbouworganisatie.
De Europese havens aan de Atlantische Oceaan werden belangrijker dan de oude havens aan de Middellandse Zee. Antwerpen beleefde bijvoorbeeld zijn Gouden Eeuw in de 16e eeuw, Amsterdam in de 17e eeuw.
De ontdekkingen hadden een grote culturele impact op Europa: de wereld werd niet enkel fysiek veel groter, ook het wereldbeeld van de mensen verruimde. Cartografen tekenden nieuwe wereldkaarten met een juistere vorm van de continenten en een betere verhouding tussen de oceanen en de landmassa’s. De beroemde cartograaf Gerardus Mercator zocht een manier om de bolvormige aarde zo correct mogelijk op een plat vlak te projecteren. Astronomen onderzochten natuurelementen als sterren, winden en de stand en wenteling van planeten. Natuurkundigen bestudeerden de fauna en flora van de voor hen nieuwe gebieden en ook de mensen die er leefden. Er waren technologische vernieuwingen en navigatie-instrumenten voor de zeevaart werden verder ontwikkeld. Kortom: de wetenschap ging in de vroegmoderne tijd met rasse schreden vooruit.
4.3 Rivaliteit tussen de Europese rijken (16e - 17e eeuw)
Spanje en Portugal hadden de koloniale race ingezet. De rivaliteit tussen beide rijken leidde tot een verdeling van de wereld in twee helften, wat in de Verdragen van Tordesillas (1494) en Zaragoza (1529) onder toezicht van de paus werd vastgelegd. De Spanjaarden beheersten voortaan, vanuit Europees standpunt bekeken,
het land en de zeeën van de westelijke helft, waarin bijna heel Amerika lag. De Portugezen beheersten de oostelijke helft, waarin Brazilië en Afrika lagen. Daarbij werd het principe van een Mare Clausum of een Gesloten Zee gehanteerd, wat betekent dat niet enkel het land, maar ook de zeeën in het bezit kwamen van beide landen.
Vanaf de 16e eeuw stuurden ook Frankrijk, Engeland en de Nederlandse Republiek zeelui de oceanen op om nieuwe routes te verkennen, handelsrelaties aan te knopen en gebied te veroveren. Zij waren voorstander van een Mare Liberum of Open Zee, het principe waarbij de zeeën geen eigendom waren van een land, zodat alle schepen en producten er vrij op konden varen.
Alle continenten werden ingeschakeld in het economische systeem dat door Europa werd uitgebouwd en georganiseerd. We spreken van een toenemende mondialisering in de vroegmoderne tijd.
Europese vorsten wilden mee profiteren van de winsten uit de kolonies. Hun invloed op de economie werd groter. Ze hanteerden daarbij een nieuw systeem van overheidsregulering: het mercantilisme. Centraal in dat economische systeem stond het principe dat de welvaart van een land werd bepaald door de hoeveelheid goud en zilver (kapitaal) dat het bezat. Hoe meer je zelf bezat, hoe minder de anderen hadden: dat was het doel. Betalen aan rivaliserende landen moest dus zo veel mogelijk vermeden worden.
Grondstoffen moesten zo veel mogelijk van eigen bodem of goedkoop uit de eigen kolonies komen. Import van grondstoffen en goederen uit andere landen werd zwaar belast. Ook afgewerkte producten moesten zo veel mogelijk in het eigen land gemaakt worden om de werkgelegenheid te bevorderen. Export werd aangemoedigd en door de overheid zelfs gesubsidieerd. De overheid legde tal van economische maatregelen op. Door die overheidsregulering beschermde een land zijn eigen economie, wat we protectionisme noemen. De vrije handel tussen landen werd beperkt.
1 Denk na over de gevolgen van de Europese zeereizen. Bestudeer bron 1 en 2.
a Welk gevolg komt in de bronnen tot uiting? Op welk domein van de samenleving?
b Bestudeer het schema van bron 3. Daarin worden de motieven van de zeereizen (les 2) gekoppeld aan de gevolgen ervan (les 4). Verwoord in eigen woorden of de doelen inderdaad het gewenste resultaat opleverden voor de Europeanen.
c Beargumenteer welke gevolgen volgens jou van groot historisch belang waren op langere termijn.
2 Analyseer de economische macht van Spanje en Portugal. Lees lestekst 4.3 en bestudeer kaart 1 op p.XXX opnieuw.
a Illustreert de stippellijn op de kaart het principe van een Mare Clausum of van een Mare Liberum?
b De paus organiseerde die verdeling. Wat kun je daaruit afleiden over zijn positie?
3 Onderzoek het mercantilisme met kaart 1.
a Leid uit de kaart af op welke manier Colbert de Franse industrie wilde beschermen.
b Leg het verband tussen kolonisatie, vorstelijke centralisatie en mercantilisme.
c Leg het verband met het economische beleid van hedendaagse staten.
Bron 1

↑
Gerardus Mercator, Orbis terrae novissima (Nieuwe Beschrijving van de Aarde), 1602. Deze atlas bevat twee windkaarten, een kompasroos, een maankaart, klimaatzones, een armillairsfeer, aantekeningen en illustraties. Gerardus Mercator was de cartograaf en Jodocus Hondius de graveur.
Bron 2

↑
↑ Bekijk het instructiefilmpje.
© Alamy / Imageselect / ICP, incamerastock
Handelspost van de Verenigde Oost-Indische Compagnie in Hooghly, Bengalen, India. Tekening door Hendrik van Schuylenburgh (1665). Dit Nederlandse bedrijf maakte in de 17e en 18e eeuw reusachtige winsten door handel te drijven tussen Europa en Azië. De burgerij uit verschillende Nederlandse steden kon investeren in het bedrijf door aandelen te kopen in de VOC. Herken je de symbolen van de kolonisator op de afbeelding?
• westelijke route naar Indië
• nieuwe afzetmarkten
• Vorsten wilden meer overzees gebied.
• financiële steun centraal bestuur
• verspreiding christendom
• uitbreiding wetenschappelijke kennis
Kaart 1
ECO
• verruiming wereldbeeld motieven
POL CUL
gevolgen voor Europa






• Europa: van periferie naar centrum
• koloniale winsten
• rivaliteit tussen Europese metropolen
• overheidsregulering
• christendom verspreid
• wetenschappelijke vooruitgang
← Sterke vorsten voerden het economisch systeem van het mercantilisme in. In Frankrijk werd het colbertisme genoemd, naar Colbert, de minister van Financiën onder ‘Zonnekoning’ Lodewijk XIV. Colberts versie van het mercantilisme was een van de meest doorgedreven varianten in het Europa van de 17e eeuw.
Zelfevaluatie
• Ik omschrijf de gevolgen van de Europese zeereizen tijdens de vroegmoderne tijd voor de Oude Wereld op de verschillende domeinen van de samenleving.
• Ik omschrijf aan de hand van een historische kaart het principe van een Mare Clausum en interpreteer daarbij de rol van de paus.
• Ik leg het verband tussen de kolonisatie, de vorstelijke centralisatie en het mercantilisme.
De Europese overzeese expedities hadden diepgaande gevolgen voor het leven en de culturen in de Nieuwe Wereld.
De oude koningen (van de Inca's, Maya's en Azteken bijvoorbeeld) werden gevangengenomen, verdreven of vermoord. Grote delen van hun rijken werden veroverd en gekoloniseerd. De bestaande politieke structuren werden vervangen door een Spaans of Portugees bestuur.
Het bestaande economische systeem van onder meer Maya’s, Inca’s en Azteken werd door de kolonisatie volledig ontwricht. De kolonisatoren legden grote plantages aan en startten zilvermijnen op. De oorspronkelijke bewoners werden ingeschakeld als goedkope werkkrachten. Omdat velen van hen uitgeput raakten en stierven door de zware arbeid, werden steeds meer slaafgemaakte gevangenen uit Afrika naar Amerika gevoerd. De Europeanen brachten ook nieuwe producten naar Amerika, zoals de koffieplant uit Afrika en de Arabische wereld, of suikerriet uit Azië.
Zo ontstond in de 17e eeuw een driehoekshandel over de Atlantische Oceaan, georganiseerd door Europese ondernemers. Europese schepen vertrokken met (minderwaardige) wapens, textiel en alcohol naar Afrika, waar ze die ruilden voor tot slaaf gemaakte mannen en vrouwen. Die mensen werden onder verschrikkelijke omstandigheden naar Amerika vervoerd en daar verkocht om op plantages en in mijnen te werken. Vanuit Amerika kwamen dan grondstoffen zoals goud en zilver, suiker, koffie, katoen en tabak terug naar Europa. De winsten stroomden integraal naar Europa.
5.2 Demografische en culturele impact
Zoals je al leerde in hoofdstuk 1, veroorzaakten ziektes die ingevoerd werden uit Europa naar Amerika een demografische ramp. Naast de uitwisseling van producten, mensen en ziektes tussen de continenten Europa, Amerika, Afrika en Azië (de ‘Columbiaanse uitwisseling’) reisden ook kennis, ideeën en tradities heen en weer. Het christendom en de Europese talen werden geïmporteerd in de kolonies. In Brazilië werd bijvoorbeeld het Portugees de officiële bestuurstaal, in Midden- en Zuid-Amerika het Spaans.
Opdrachten
1 Bestudeer bron 1 tot en met 3 en kaart 1.
a Leid de gevolgen van de Europese expedities af voor de bevolking van de Nieuwe Wereld. Rangschik per domein van de samenleving.
b Je hebt in hoofdstuk 1 al kennisgemaakt met het begrip ‘Columbiaanse uitwisseling’. Leg uit waarom de bronnen daar een illustratie van zijn.
c Beargumenteer waarom het begrip ‘Columbiaanse uitwisseling’ een heel beladen en eurocentrisch begrip is.
2 Herbekijk de instapafbeelding met bijschrift van dit hoofdstuk op p. XX. Vind je dat Columbus een standbeeld verdiende? Beargumenteer met minstens twee argumenten.
3 Bestudeer bron 3 en kaart 1. Leid af welke gevolgen van de ontdekkingen op langere termijn tot vandaag doorwerken.

← Post, F. en Marggraf, G. (Amsterdam, 1640). Kaart van een plantage voor suikerriet aan de kust van het huidige Brazilië. Op de plantage werken mensen van Afrikaanse origine in de teelt van suikerriet.
09b
In de loop van de 16e eeuw probeerden de Spanjaarden herhaaldelijk om de indianen te dwingen voor hen te werken, maar dat lukte niet. De indianen stierven aan de pokken, mazelen en andere ziekten die door de Europeanen waren meegebracht. De epidemieën troffen een continent dat nooit eerder in aanraking was geweest met bacteriën en virussen van de Oude Wereld. Europeanen, Afrikanen en Aziaten waren eeuwenlang aan de ziekten gewend; ze hadden die als kind gekregen en waren immuun geworden. Nooit op enig ander moment in de wereldgeschiedenis is zo’n groot deel van de bevolking van een heel continent in zo’n korte tijd weggevaagd.
De demografische ramp in het 16e-eeuwse Amerika was ongekend.
Hoeveel indianen er stierven is echter onbekend, hoewel de grote lijn gemakkelijk te vinden is in de bronnen.
Tekst en grafiek op basis van: Harrison, D. (2019). De Geschiedenis van de Slavernij: van Mesopotamië tot moderne mensenhandel. Omniboek.
Het huidige Mexico bestond nog niet in de vroegmoderne tijd. De Spanjaarden heersten over een groot gebied dat ze nieuwSpanje noemden. Het Mexica-volk was daar een van de plaatselijke volkeren. Je kent ze meestal beter als de Azteken.
Bron 3
Oorspronkelijke inwoners
Europeanen
Afrikanen
Zuid- en Midden-Amerikanen
Aziaten (en anderen)
Dit staafdiagram toont de afkomst van de inwoners van de VS (1650 - 2000).
Kaart 1: Officiële hedendaagse landstalen in de wereld
Zelfevaluatie
• Ik omschrijf de gevolgen van de Europese zeereizen en expedities tijdens de vroegmoderne tijd voor de Nieuwe Wereld op de verschillende domeinen van de samenleving.
• Ik toon aan waarom het begrip ‘Columbiaanse uitwisseling’ een sterk beladen begrip is voor de Nieuwe Wereld.
Europese beeldvorming over de ‘Nieuwe Wereld’
De Europeanen keken vanuit hun eigen perspectief naar de volkeren van ‘de Nieuwe Wereld’. Zo kwam een specifieke eurocentrische beeldvorming tot stand, die ook de westerse visie op slavernij sterk beïnvloedde.
6.1 Beeldvorming over de oorspronkelijke bewoners van Amerika
Europese reizigers stuurden regelmatig brieven en reisverslagen naar het thuisfront en hun opdrachtgevers. Daarin werd beschreven welke indruk de landschappen in de Nieuwe Wereld maakten en hoe de planten, dieren en mensen eruitzagen.
Columbus introduceerde de term ‘indianen’. Hij noteerde in zijn dagboeken nauwkeurig hun uiterlijk en gewoonten. Dagboeken en latere reisverslagen werden in Europa gedrukt, rijkelijk geïllustreerd en ruim verspreid. Verhalen en prenten over de overzeese continenten waren populair in Europa. Vaak begonnen die verhalen een eigen leven te leiden, los van de waarheid. Zo ontstond in de Europese samenleving een erg stereotiep beeld van de bevolking van de Nieuwe Wereld.
Scènes van wilde, naakte kannibalen op prenten van tekenaars die nooit in de Nieuwe Wereld waren geweest, gingen vlot rond. Dat eenzijdige beeld van de oorspronkelijke bevolking paste mooi in de propaganda van de kolonisatoren. Ze verantwoordden daarmee de noodzaak aan onderwerping van die ‘onbeschaafde’ volkeren. Daaruit groeide de ideologie van het kolonialisme, waarin de Europese ‘plicht’ om ‘barbaarse’ mensen te kerstenen en te beschaven centraal stond. Het zou een erg taai idee worden, dat tot nu de westerse cultuur beheerst.
Toch was er af en toe een tegenstem. Bartolomé de las Casas was een Spaanse jurist en priester die naar de Nieuwe Wereld trok. In vergelijking met andere verslaggevers hing hij een menselijker beeld op van de plaatselijke bevolking, kwam hij op voor hun rechten en gaf hij kritiek op het extreme geweld van de koloniale heersers. Tegelijk toonde de las Casas zich onderdeel van het koloniale systeem, omdat hij de Spaanse autoriteiten in zijn vroege geschriften adviseerde om het zware werk op de plantages door Afrikanen te laten doen.
De laatste decennia eisen de ‘indigenas’ of de nakomelingen van die oorspronkelijke gemeenschappen erkenning van hun rechten en van het onrecht dat hen tijdens de kolonisatie is aangedaan. Hun strijd is nog lang niet gestreden.
6.2
Een van de belangrijkste vormen van onrecht tijdens de kolonisatie was de grootschalige inzet van tot slaaf gemaakte mensen door alle Europese landen. Opvallend was dat witte mensen niet tot slaaf gemaakt mochten worden. Slavernij was voorbehouden voor ‘zwarte’ Afrikanen, wat een raciaal wij-zij-denken verraadde en nog versterkte. Dat was een groot verschil met hoe slavernij in het Romeinse of Ottomaanse rijk bestond. Bovendien paste de driehoekshandel die steunde op de slavenhandel perfect in het mercantilistisch denken: zelfs door massa’s mensen te onthemen van hun eigen gemeenschap en te verkopen kon en mocht er winst gemaakt worden. Mensen werden herleid tot handelswaar, tot product. Slavernij lag aan de basis van een structureel racisme, dat de hele koloniale periode (tot diep in de 20e eeuw) kenmerkte en ook vandaag nog erg aanwezig blijft. Het superioriteitsdenken van de witte Europeanen en hun nakomelingen in vroegere gekoloniseerde gebieden blijft ook in de 21e eeuw sluimeren.
In veel landen van Latijns-Amerika blijven afstammelingen van de oude kolonisatoren tot op vandaag veel macht hebben, zowel politiek als economisch. In westerse samenlevingen blijft racisme een van de drijvende krachten voor sociale ongelijkheid
1 Lees lestekst 6.2 en geef drie kenmerken van de grootschalige slavernij in de vroegmoderne tijd.
2 Beoordeel de beeldvorming over de oorspronkelijke bewoners van Amerika.
Analyseer daarvoor bron 1 tot en met 4.
a Welk beeld associeer jij met het begrip ‘indiaan’? Leid af hoe de bevolking van de Nieuwe Wereld wordt gekenmerkt in de Europese bronnen en concludeer of dat strookt met jouw beeld.
b Lees het kader historisch denken over beeldvorming op p. XX. Illustraties over kannibalisme gingen, los van de teksten, een eigen leven leiden. Leg uit welke gevolgen dat kon hebben voor de Europese beeldvorming.
c Zijn deze bronnen bruikbaar om een realistisch beeld te krijgen van de volkeren in de Nieuwe Wereld of zijn ze eerder bruikbaar om de Europese beeldvorming erover te achterhalen? Beargumenteer.
d Herlees het bijschrift bij bron 1 en lees bron 4. Bepaal welk bedoeld gevolg die beeldvorming had bij de kolonisatie van Amerika.
e Beargumenteer waarom je de slavernij een voorbeeld kunt noemen van de dubbele moraal van het christelijke Europa.
3 Onder zoek de handel in slaafgemaakten aan de hand van bron 5 en 6.
a Welke rol speelde de las Casas volgens bron 5 in de handel in Afrikaanse slaafgemaakten?
b Leid uit bron 6 af welk land tijdens de vroegmoderne tijd de meeste slaafgemaakte mensen transporteerde en probeer dat te verklaren aan de hand van kaart 1 op p. XX.
4 Onder zoek de aard van de interculturele contacten van Portugal met Kongo. Bestudeer bron 7 en 8.
a Wat vertelt deze briefwisseling (en het bijschrift) tussen de Portugese en Kongolese koning over de interculturele contacten tussen beiden? Beargumenteer.
b De brief van Afonso I vormt een zeldzame primaire bron omdat ze een van de eerste bekende Afrikaanse geschreven bronnen is. Bedenk zelf welke historische vragen je kunt beantwoorden met deze uitzonderlijke bron.
Historisch denken: beeldvorming en presentisme
Wanneer mensen zich via bronnen informeren over een onderwerp, dan ontstaat er bij hen een beeld over die werkelijkheid. Wanneer historici bronnen gebruiken om het verleden te onderzoeken, dan ontstaat er een beeld van het verleden: dat is historische beeldvorming. Dat beeld kan meer of minder correct zijn. Soms laten we onze hedendaagse opvattingen meespelen als we ons een beeld vormen van het verleden: we beoordelen dan het verleden vanuit wat we vandaag kennen of denken. Dat noemen we presentisme. Als we een beeld proberen te vormen van het verleden, dan dreigt presentisme soms een correcte beeldvorming te verstoren.
Bron 1
vrijdag 23 november
Achter de kaap die hij voor de boeg had, rees een hoger gelegen landmassa op, ook naar het oosten, welke door de indianen die bij hen waren Bohio werd genoemd. Ze zeiden dat dit eiland zeer uitgestrekt was en dat daar mensen woonden die in hun voorhoofd een enkel oog hadden, en verder woonden daar ook kannibalen voor wie ze een grote angst hadden. Ze waren stom van ontzetting toen ze merkten dat de Admiraal [= Columbus] in die richting voer, want ze zouden opgegeten worden. Dat kannibalenvolk zou ook heel goed bewapend zijn. De Admiraal merkt hier op dat hij graag aanneemt dat er iets van waar is. Dat ze wapens bezaten zou erop wijzen dat het om mensen met vernuft ging. Hij vermoedde dat ze een aantal indianen gevangen hadden genomen en dat, toen die niet terugkeerden naar hun eigen land, de uitleg was dat ze opgegeten waren. Op die manier werd er, door sommige indianen die hen voor het eerst zagen, ook gedacht over de christenen en de Admiraal.
Uit: Uitterhoeve, W. (ed.) (1991). Christoffel Columbus - De ontdekking van Amerika: scheepsjournaal 1492-1493. Boom Uitgevers.
Het originele dagboek van Columbus is verloren gegaan. Er circuleren wel kopieën. De beroemdste is de kopie die Bartolomé de las Casas (1484 - 1566), een Spaanse jurist en priester, maakte. Hij schreef vanaf 1527 de geschiedenis van de oorspronkelijke bevolking en om zijn verhaal vorm te geven gebruikte hij het dagboek van Columbus. Veel geschiedkundigen denken dat de las Casas letterlijk citeerde uit het dagboek, waardoor het als redelijk betrouwbaar wordt geacht. In dit fragment duikt voor het eerst het begrip ‘canibales’ op, wat zou kunnen duiden op menseneters. Het valt moeilijk te achterhalen waar het begrip vandaan komt. In ieder geval maakte Columbus nooit kennis met kannibalen, maar hij gaf wel het gerucht door, wat later een motief zou zijn om de oorspronkelijke bevolking tot slaaf te maken. Het begrip ‘vernuft’ in de bron betekent ‘intelligentie’.
2

Bron 3
Blader terug naar afbeelding D op de tijdlijn op p. XX.
← Deze scène is afkomstig uit een tekening van Jan van der Straet (ca. 1575) uit de Nova Reperta (Nieuwe ontdekkingen), een reeks van twintig prenten. In een weelderig landschap aan de kust van de Nieuwe Wereld begroet een naakte vrouw, liggend in een hangmat, een Europese man. De man is gepantserd met onder zijn tuniek een zwaard en hij houdt een vaandel met kruisbeeld in zijn rechterhand en een astrolabium in de andere. Op de achtergrond zie je een karveel. Op het eerste gezicht duidt deze tekening op een erotische ontmoeting. Maar op de achtergrond, strategisch geplaatst tussen de twee figuren, net boven haar wenkende arm, bevindt zich een kannibalistische scène die de idyllische ontmoeting op de voorgrond volledig ondermijnt: drie andere bewoners, net zo naakt als de vrouw, roosteren daar een mensenbeen.
Bron 4
Toen Columbus aankwam in de Bahama’s hechtte hij weinig geloof aan de verhalen over kannibalisme of aan mensen met maar één oog in hun voorhoofd. Naderhand echter drong het tot hem door dat verhalen over mensenetende barbaren het goed zouden doen in Europa. De verhalen sloten goed aan bij de verbeelding van de vroegmoderne bevolking van Europa. Kannibalisme onder de oorspronkelijke bevolking was een goed excuus voor de kolonisatie van Amerika. De figuur van de kannibaal stond centraal in de beeldvorming rond de ‘wilde en barbaarse andere’. Columbus maakte nooit kennis met kannibalen maar gaf de geruchten wel door, wat later gebruikt werd als rechtvaardiging voor de uitbuiting van de oorspronkelijke bevolking.
Naar: Herrmann, R.B. (ed). (2019). To Feast on Us As Their Prey: Cannibalism and the Early Modern Atlantic. University of Arkansas Press.
↑
Rachel B. Herrmann werkt aan de universiteit van Cardiff in het Verenigd Koninkrijk. Ze onderzocht in dit werk waarom de plaatselijke bewoners als kannibalen werden afgeschilderd.
Bron 6 Periode
1501-15250 624
1601-1625 23 671
1751-1775 4 508378 428823 185132 30676
1776-18005 649487 204746 77340 70954
1801-1825253 1821 100 175274 6882 68895
1826-1850223 308884 281035636
Bron 5
Aan het Spaanse hof kreeg de las Casas grote invloed, en hij was één van de belangrijkste voorstanders van de wetten die de Indiaanse slavernij verboden. Maar hoe zou men de Indiaanse slaven kunnen vervangen? Arbeidskracht was nodig. In 1516 suggereerde de las Casas, als het minst kwade van vele kwade alternatieven, dat de kolonisten van de Nieuwe Wereld zouden overgaan op het importeren van slaven in plaats van ze in Amerika te vangen. De las Casas kon onmogelijk vermoeden waartoe zijn aanbevelingen zouden leiden. Tegen het einde van zijn leven, toen het zwarte inferno van de Nieuwe Wereld een feit was geworden, kreeg hij spijt. Maar toen was het te laat. In een postuum gepubliceerd boek erkent de las Casas zijn fout: dat zijn advies ertoe heeft geleid dat de Afrikanen nu dezelfde tragedie moesten ondergaan waarvan hij de indianen probeerde te redden.
Uit: Harrison, D. (2019). De Geschiedenis van de Slavernij: van Mesopotamië tot moderne mensenhandel. Omniboek.
737
699 1851-1875 31 097 11 6860077 0731 80500 1 250 122 911 Totaal 569 126 3 883 8563 082 498594 375377 8801 308 291191104 2733 6869 924 176
↑
Deze tabel toont de trans-Atlantische handel in slaafgemaakten naar Amerika tussen 1501 en 1875.
Bron 7
Deze verdorvenheid en ontaarding zijn zo wijdverspreid dat ons land volledig ontvolkt raakt. (…) Het is onze wens dat dit koninkrijk geen plaats is voor de handel of het vervoer van slaven. (…) Vele van onze onderdanen zijn gretig belust op Portugese handelswaar, die uw onderdanen naar onze gebieden hebben gebracht. Om deze buitensporige begeerte te bevredigen, pakken ze vele van onze zwarte vrije onderdanen. Ze verkopen hen (…) na veel van deze gevangenen heimelijk of in de nacht (naar de kust) te hebben gebracht. (…) Zodra de gevangenen in de handen van blanke mannen zijn, worden ze gebrandmerkt met een roodgloeiend ijzer.
Naar: Fragment uit brief van Nzinga Mbemba aan de Portugese koning João III, in World History Commons. https://worldhistorycommons.org/excerpt-letter-nzinga-mbemba-portuguese-king-joao-iii (geraadpleegd op 13 oktober 2025)
Brief van Afonso I aan koning João III van Portugal uit 1526. Afonso I was de Portugese naam van koning Nzinga Mbemba, die begin 16e eeuw heerste over Kongo, een belangrijk rijk in Centraal-Afrika. Om de handelsrelaties met de Europeanen vlot te laten verlopen leerden Afrikaanse koningen soms de Portugese taal, bekeerden ze zich tot het christendom en namen ze een Portugese naam aan. Hoewel hij zelf slaafgemaakte mensen bezat, maakte hij zich zorgen over de steeds groter wordende trans-Atlantische handel in slaafgemaakten.
Bron 8
Brief met het antwoord van João III van Portugal aan Afonso I, 1526:
U (…) laat me weten dat u geen slavenhandel in uw gebied wenst; omdat deze handel uw land ontvolkt. (…) De Portugezen daar vertellen mij echter hoe uitgestrekt de Congo is en dat het zo dicht bevolkt is dat het wel lijkt alsof er nooit een slaaf is vertrokken.
Uit: Hochschild, A. (2020). De geest van koning Leopold II en de plundering van de Congo. Meulenhoff.
Zelfevaluatie
• Ik reflecteer over de Europese beeldvorming over de lokale bevolking in gekoloniseerde gebieden.
• Ik gebruik het begrip 'presentisme' in een redenering.
• Ik leg uit hoe negatieve beeldvorming en stereotypering werden ingezet om ideologieën te voeden.
Een van de belangrijkste grote handelsbedrijven in de vroegmoderne tijd was de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Ze werd gesticht in 1602 en wordt vandaag weleens de eerste multinational ter wereld genoemd. In deze uitbreiding ga je zelf aan de slag en onderzoek je in hoeverre de VOC een voorbeeld was van de mondialisering van de economie tijdens de vroegmoderne tijd.
Je herinnert je wellicht dat door het Verdrag van Tordesillas de specerijenhandel met Oost-Indië (ZuidoostAzië) volledig in handen van de Portugezen kwam. Andere Europese landen met koloniale ambities zoals Engeland en Frankrijk betwistten dat verdrag. Dat deden ook de Noordelijke Nederlanden, die zich vanaf 1588 afscheurden van het Spaanse bewind om later een zelfstandige republiek te worden (zie hoofdstuk 4). Omdat het verdrag de Nederlandse handelaars verbood om Spaanse en Portugese havens aan te doen, besloten zij om zelf het heft in handen te nemen: ze zouden de Spaanse en Portugese handelsposten veroveren om zelf de specerijenhandel te controleren.
7.1 Oprichting VOC
Een belangrijke stap was de oprichting van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) in 1602. Het was eigenlijk een fusie van zes bestaande bedrijven die handel wilden drijven in het gebied rond de Indische Oceaan. De Nederlandse Republiek keurde de fusie goed. De VOC kreeg van de Staten-Generaal zelfs het monopolie op de handel naar Oost-Indië. Geen enkel ander Nederlands bedrijf mocht daar dus nog handel drijven.
In de 16e eeuw bedoelde men met Oost-Indië vooral de eilanden van het huidige Indonesië, zoals de Molukken, Java en Banda, waar specerijen zoals kruidnagel, nootmuskaat en peper vandaan kwamen. Indië was meer de verzamelnaam van het hele gebied ten oosten van de Kaap de Goede Hoop. De tegenhanger van Oost-Indië was West-Indië, een naam die historisch gezien naar de Caraïben en de kusten van Middenen Zuid-Amerika verwees.
De VOC was een groot privaat bedrijf, dat niet de eigendom was van één man of één familie, maar waarbij verschillende burgers aandelen konden kopen en zo samen eigenaar werden van de compagnie. Een overzeese handelsexpeditie naar de andere kant van de wereld was zo duur dat het niet door één eigenaar gefinancierd kon worden. Bovendien was het een risicovolle onderneming. Door het systeem van aandelen werd de expeditie financierbaar en werd het risico gespreid. De aandeelhouders deelden in de winst in verhouding tot de grootte van het aandeel dat ze in het bedrijf hadden gestoken. Vooral rijke koopluiondernemers kochten aandelen, maar ook gewone burgers en talrijke bestuursleden van de Republiek. Alleen al in Amsterdam, een van de zes VOC-steden, legden 1143 investeerders geld in.
Door het systeem van aandelen en de mogelijkheid om aandelen te verkopen ontstond de eerste effectenbeurs ter wereld. In 1720 bereikte de beurswaarde van de VOC haar hoogste punt. Het belangrijkste motief van de aandeelhouders was winst maken. Door monopolies te verwerven op de handel in bepaalde producten en dus concurrentie uit te sluiten kon de compagnie zelf de prijzen van de producten bepalen. Zo hield ze de productie van bijvoorbeeld kaneel bewust laag om het aanbod kleiner te houden dan de vraag, waardoor de prijs steeg. De VOC werd het symbool van het groeiende kapitalisme in de vroegmoderne tijd. Vandaag is het systeem van aandeelhouderschap in een bedrijf algemeen geworden in de hele wereld.
De VOC financierde vooral handelsmissies naar Oost-Indië en Japan. Ze investeerde haar geld ook in scheepsbouw, in personeel en in beveiliging onderweg. De overheid subsidieerde en organiseerde mee de compagnie. Er werd dus samengewerkt tussen private investeerders en de politieke macht. De VOC had ook een eigen leger en oorlogsschepen om de plaatselijke bevolking met dwang te onderwerpen. Dat leger hielp ook om Europese concurrenten - vooral de Portugezen en Spanjaarden - te verdrijven uit interessante handelsposten in de regio.
Naast de aandeelhouders zelf speelden ook bewindslieden in de VOC een belangrijke rol. Het dagelijkse bestuur van het bedrijf lag bij hen: ze namen belangrijke beslissingen over het aantal schepen, wanneer ze uitvoeren, waarheen ze voeren, hoeveel bemanningsleden meegingen … Elk van de zes VOC-steden had afgevaardigden in het bestuur.
De VOC voerde niet enkel handel, ze veroverde ook gebieden en richtte die in als kolonie, onder meer in het huidige Indonesië en in Ceylon, het huidige Sri Lanka. Maar ook in Zuid-Afrika stichtte ze de Kaapkolonie, een belangrijke tussenstop op weg naar Indië.
Het bestuur en de rechtspraak over de kolonies werden uitgeoefend door afgevaardigden van de Nederlandse Republiek onder leiding van een gouverneur. De VOC had ook controle over talrijke handelsposten. Daar hadden een directeur (politiek) en een commandeur (militair) de leiding. Veel van die posten werden door geweld en oorlog veroverd op de Portugezen en Spanjaarden. Ook tegen de bewoners van Oost-Indië werd geweld gebruikt. Ze werden uitgebuit en onderdrukt. De VOC zorgde er voor rijkdom, maar ook voor grote ongelijkheid.
Opdrachten
1 Onder zoek de handelsactiviteiten van de VOC. Bestudeer bron 1 en 2.
a Bewijs aan de hand van bron 1 dat niet zozeer de Indiërs dan wel de Europeanen de ‘vijanden’ van de VOC waren.
b Bestudeer bron 2a en 2b. Wat zijn je belangrijkste conclusies als je de hele evolutie in de tabel en het diagram bestudeert?
2 Onder zoek op welke manier de VOC zijn winst verhoogde. Bestudeer bron 3.
a Leg eerst uit wat vraag en aanbod betekent. Dat leerde je vorig jaar al.
b Welk effect beoogde de VOC door het aanbod van de fijne kaneel laag te houden?
c Leg uit wat het voordeel is van het verwerven van een monopolie op een product.
d Welke gelijkenissen vertoont de VOC met moderne multinationals? Kun je de VOC een voorloper van de huidige mondialisering noemen? Beargumenteer.
3 Mag Nederland trots zijn op zijn VOC?
a Bestudeer de afbeeldingen van bron 4 tot en met 6. Welke elementen zie je verschijnen op de drie beelden?
b Leg uit aan de hand van het begrip ‘standplaatsgebondenheid’ waarom zulke tekeningen en schilderijen de nationale trots van de Republiek duidelijk maken.
c Reflecteer over de betrouwbaarheid van de bronnen die je onderzocht. d Denk na over welke argumenten er vandaag zijn om als Nederlander wel of niet trots te zijn op de VOC.
4 Bestudeer bron 8. Bewijs dat er in de Republiek geen scheiding was tussen het economische en het politieke domein.
5 Vat nu samen en beargumenteer welke bronnen (van bron 1 tot en met 6 en bron 8) volgens jou bruikbaar zijn om de mondialisering in de vroegmoderne tijd te onderzoeken.
Bron 1
Om u goed te instrueren met betrekking tot de staat van de Compagnie op de kusten van Malabar, is het nodig u eerst te informeren over het beleid dat de Compagnie in gedachten heeft, namelijk om alle peper en wilde kaneel onder haar gezag te houden, niet alleen volgens het oude recht dat wij met wapenen van de Portugezen verkregen hebben, maar dat ook met stevige contracten door de koning van Cochin (…) bevestigd is, en waaruit de zware lasten die de Compagnie zo lang heeft gedragen en nu gedwongen werd te dragen, moeten worden terugverdiend. Tot dit beleid behoort ook het tegengaan van de handel in opium door particulieren. Naast opium is katoen het belangrijkste waarover later instructie zal worden gegeven. In welke producten minder gehandeld werd, wordt u duidelijk uit de nota die u hierbij wordt overhandigd: daar staat ook in hoeveel peper, sappanhout, gember en was jaarlijks aangekocht moeten worden.
Uit: Volckertsz. van Goens, R. (1659 - 1672). Brief
↑
Rijcklof Volckertsz. van Goens maakte een bliksemcarrière bij de VOC. Hij breidde de macht van de VOC uit op de zuidwestelijke kust van Indië, de Malabarkust, ook wel de ‘peperkust’ genoemd. Cochin was er de belangrijkste stad en daar waren ook de kantoren van de VOC gevestigd. De VOC wilde monopolies verwerven. Ze kwam daarbij geregeld in (gewapend) conflict met de Portugezen die al eerder gebied hadden veroverd aan dezelfde kust. In deze brief geeft Rijcklof instructies aan twee leden van de VOC-vloot.
In miljoenen gulden
Jaren Waarde
1639/40 - 1648/49 72,9
1649/50 - 1658/59 81,8
1660 - 1669 89,8
1670 - 1679 92,9
1680 - 1689 101,6
1690 - 1699 124,4
1700 - 1709 137,9
1710 - 1719 159,1
1720 - 1729 188,5
1730 - 1739 167,8
Uit: Glamann, K. (1958). Dutch-Asiatic Trade (1620-1740)
Deense wetenschapspers Kopenhagen.
↑
Deze tabel toont de verkoopcijfers van de VOC in Amsterdam.
VOC (1720, geïndexeerd)
Apple (2024)
Saudi Aramco (2023)
Volkswagen (2023)
↑
Deze tabel toont het belang van de VOC door de inkomsten van het bedrijf te indexeren en te vergelijken met de grote bedrijven van vandaag.
Bron 3
Er zijn twee soorten kaneel: de fijne, bestemd voor huishoudelijk gebruik en de gewone wilde kaneel. De fijne kaneel vindt men enkel op het eiland Ceylon en daar ook enkel langsheen de kustlijn in een strook van veertien à vijftien mijl. Om de prijs van de kostbare fijne kaneel hoog te houden, beletten de Hollanders - daar zij sluwe handelaars zijn - dat de kaneelbomen zich voortplanten.
Uit: Huet, P. (1718). Mémoires sur le commerce des Hollandais. Uitgeverij Du Villard en Changuion.
Kaneel is de binnenste gedroogde bast van een kaneelboom. De ‘fijne’ kaneelbomen groeiden enkel in Ceylon (nu: Sri Lanka), dat in handen was van de VOC.
Bron 4


schilder, De nederzetting Batavia op het Indische eiland Java, 1665.
Gezicht op Cochin aan de Malabarkust in India, toegeschreven aan Johannes Vinckboons, olieverf op linnen, ca. 1662 - ca. 1663, (H: 97 cm × B: 140 cm). Johannes Vinckboons leefde in Amsterdam. Hij combineerde zijn ambachtelijk vakmanschap als cartograaf met zijn artistieke kwaliteiten als schilder. Hij specialiseerde zich in schilderijen van exotische gebieden. Die baseerde hij op aanwijzingen en situatieschetsen die schippers, stuurlui en kooplui van hun reizen meenamen in opdracht van bijvoorbeeld de VOC. Zo geven zijn tekeningen een beeld van een groot deel van de toen bekende wereld die voor de Nederlandse handelspositie belangrijk was. Het werk van Vinckboons was uniek en was in zijn tijd al een gewild verzamelobject voor rijke particulieren in binnen- en buitenland.

Johannes Kip, Gezicht op de Nederlandse nederzetting Colombo op het eiland Ceylon, het huidige Sri Lanka, ca. 1775.

← De Halve Maen is een schommelschip in het Nederlandse attractiepark de Efteling en is gebaseerd op een VOC-schip bij een decor van een pittoreske Hollandse haven uit de 17e eeuw.
↑
Michael van der Galiën
Het is werkelijk onvoorstelbaar: de Efteling heeft het logo van de populaire attractie De Vliegende Hollander aangepast omdat het te veel zou doen denken aan de VOC. Het oude beeldmerk, een knipoog naar het beroemde VOC-logo, is vervangen door een flauw sierlijk lettertje ‘V en H’.
Waarom? Omdat het VOC-symbool ‘te beladen’ zou zijn. Omdat er tegenwoordig alleen nog maar wordt gesproken over slavernij en uitbuiting, in plaats van ook te erkennen dat de VOC symbool staat voor Nederlandse handelsgeest, ondernemerschap en wereldwijde invloed.
De attractie De Vliegende Hollander draait volledig om de 17e eeuw, de hoogtijdagen van de Nederlandse zeevaart. Het verhaal van kapitein Willem van der Decken, de mythische schipper die veroordeeld werd tot een eeuwig spookbestaan,
is onlosmakelijk verbonden met die tijd.
Dat je dan een logo kiest dat verwijst naar het VOC-symbool, is logisch, historisch kloppend én een eerbetoon aan een tijdperk waarin Nederland de wereldzeeën beheerste.
Maar anno 2025 mag dat niet meer. Dan vinden managers en merchandise-afdelingen dat het ‘pijnlijke herinneringen’ oproept. (…)
Onze geschiedenis is geen schaamte, maar trots

oude logo van de Vliegende Hollander in de Efteling.
wereldtoneel. Dankzij de handelsgeest en durf van die tijd groeide ons land uit tot een centrum van welvaart, cultuur en wetenschap. In plaats van ons daarvoor te schamen, zouden we dat moeten erkennen – en ja, ook vieren.
Want zonder die geschiedenis zou Nederland nooit zijn wat het nu is.
De VOC was geen perfect instituut. Natuurlijk waren er schaduwkanten. Maar om nu te doen alsof het enkel en alleen staat voor ‘slavernij en uitbuiting’ is geschiedvervalsing.
De VOC was de eerste echte multinational ter wereld. Ze gaf Nederland een plek op het
DDS strijdt tegen deze cultuur van schaamte. Als zelfs de Efteling onze geschiedenis durft te herschrijven, wie volgt dan? Wij blijven zeggen: wees trots op de VOC en onze Gouden Eeuw.
Uit: van der Galiën, M. (18 augustus 2025). Efteling haalt VOC-symbool weg bij Vliegende Hollander: oikofobe waanzin in pretparkland. De Dagelijkse Standaard. www.dagelijksestandaard.nl
De Dagelijkse Standaard (DDS) is een nieuwswebsite die zichzelf omschrijft als voorstander van het ‘traditionele, conservatieve Nederland’. De grens tussen journalistiek en opinievorming is op deze website niet heel duidelijk. Oikofobie is een term die gebruikt wordt om de afkeer tegenover wat typisch is voor je eigen streek of land aan te geven. De term wordt gebruikt als een tegengestelde van kosmopolitisme.

Bekroning boven de ingang van het Kasteel de Goede Hoop, Kaapstad, Zuid-Afrika. Bovenaan zie je het wapenschild van de Staten-Generaal, links en rechts het kenteken van de VOC en ertussen staan de wapenschilden van de zes VOCsteden: Hoorn, Delft, Amsterdam, Middelburg, Rotterdam en Enkhuizen.
Zelfevaluatie
• Ik bewijs dat de VOC een voorbeeld is van de mondialisering en het groeiende kapitalisme tijdens de vroegmoderne tijd.
• Ik leg uit op welke manier het systeem van aandeelhouderschap werkt en wat de voor- en nadelen ervan kunnen zijn.
• Ik evalueer de betrouwbaarheid van historische bronnen en werken. Bron 8
• Ik denk na over de betekenis van de periode van mondialisering voor het heden.
• Ik leg uit waarom sommige Nederlanders trots zijn op de VOC en andere net niet.
Samenvattend schema
EUROPESE ZEEREIZEN (eind 15e - 16e eeuw)
ECO –rechtstreekse handelsroute naar Indië –op zoek naar nieuwe afzetmarkten –invoer van goedkopere oosterse producten
POL –machtsdrang Europese vorsten: belust op meer gebied –winsten voor centralisatiepolitiek
CUL –verspreiding christendom –uitdaging wetenschap
rond Afrika naar Indië via Amerika naar Indië
–vooral onder Portugese vlag
–stichting handelsposten aan Afrikaanse kusten
–handelscontacten met Afrikaanse vorsten
–bv. Diaz, Vasco da Gama
–vooral onder Spaanse vlag
–van kust naar binnenland (conquistadores)
–stichting Spaanse en Portugese kolonies
–vernietiging oude culturen (Maya’s, Inca’s, Azteken)
–bv. Columbus, Amerigo Vespucci, Cabral, Magellaan (eerste rondvaart aarde)
–verschuiving naar centrum wereldhandel
–invoer van edelmetaal: winst
–commerciële revolutie:
• grote handelscompagnieën (bv. VOC)
• investering in aandelenmarkt
• uitbreiding bankwezen
–toename goederenstroom
–nieuwe producten
–belang Europese zeehavens
→mondialisering economie
–mercantilisme ingevoerd door centraliserende vorsten
–rivaliteit tussen Europese rijken
Mare Clausum
Spanje en Portugal met steun paus (Verdrag van Tordesillas (1494))
–verruiming wereldbeeld
Mare Liberum Frankrijk, Engeland, Nederlandse Republiek
–bloei wetenschappen (cartografie, astronomie, natuurkunde …)
–technische innovaties (navigatie-instrumenten)
–beeldvorming in Europa:
• Europees perspectief en negatieve beeldvorming over de oorspronkelijke bewoners van Amerika: stereotypering en verdraaiingen
• eurocentrische visie in Europa op slavernij: wij-zij-denken en racisme
–vernietiging oude landbouwsystemen: mijnbouw en plantages
–driehoekshandel en handel in Afrikaanse slaafgemaakten
–demografische ramp –Columbiaanse uitwisseling –invoer nieuwe producten
–vernietiging oude rijken en politieke structuren
–Spaanse en Portugese besturen
–vernietiging oude culturen
–invoer Europese religie: verspreiding christendom –invoer Europese talen
Historische begrippen
Je leerde in de vorige jaren en in het vorige hoofdstuk al volgende historische begrippen: bestuurstaal, christendom, Columbiaanse uitwisseling, economie , (on)gelijkheid, gewoonte , handel, interculturele contacten, Katholieke Kerk, kooplui, landbouw, oorlog, overzeese territoria, rechtspraak , republiek , traditie , wereldbeeld en wetenschappen.
In dit hoofdstuk leerde je de volgende historische begrippen:
• cultureel: astronomie, boekdrukkunst, cartografie, eurocentrisme, geografie, karveel, kolonialisme , mondialiseren, precolumbiaans, propaganda, technologie , wij-zij-denken
• economisch: aanbod, aandeel, aandeelhouder, afzetmarkt, commerciële revolutie, driehoekshandel, effectenbeurs, handelaar, handelspost, invoer, kapitalisme , mercantilisme, monopolie, overheidsregulering, protectionisme, subsidiëren, vraag
• politiek: conquistador, imperialisme , kolonie, kolonisatie, Mare Clausum, Mare Liberum, metropool, reconquista, Staten-Generaal
• sociaal: epidemie, geweld, racisme, slavernij
Structuurbegrippen
Je gebruikte in dit hoofdstuk ook de volgende structuurbegrippen: oorzaak en gevolg, beeldvorming, stereotypering, eurocentrisme, centrum en periferie, gesloten en open ruimte (Mare Clausum en Mare Liberum), perspectief, standplaatsgebondenheid, continent, bedoeld gevolg, doel, argument, bewijs, beoogd effect, verband, interpretatie en motief.
Gebruik bij het studeren van dit hoofdstuk de leerdoelen aan het einde van elke les of bekijk op iDiddit welke doelen je leerkracht voor jou heeft geselecteerd.
Deksel van een keramische pot (Chiapas, Mexico, ca. 600 - 900). Een aap beschermt de cacaobonen. Die aap is de natuurgod Ozomatli en was bij de Azteken de god van de dans, het vuur, de muziek en de nieuwe oogst. Xocoatl (een drank op basis van cacaobonen) was zeer waardevol bij zowel de Azteken als de Maya’s. Het werd gebruikt als betaalmiddel, afrodisiacum en medicijn. De hedendaagse variant heet chocolademelk en is het favoriete drankje van heel wat Europeanen op een koude winteravond. Cacao prikkelt dus al eeuwen de smaakpapillen van klein en groot. De koloniale productie en de handel in cacaobonen en chocolade illustreert treffend hoe tijdens de vroegmoderne tijd kenmerken van de economie evolueerden.

In deze doorloper ga je op zoek naar het antwoord op twee historische vragen:
1
2
In welke omstandigheden werden producten als chocolade en suiker geproduceerd in de vroegmoderne tijd?
Hoe kan chocolade vandaag toch eerlijk en duurzaam zijn?
1 Protectionisme en vrije markt
Vanaf de commerciële revolutie in de laatmiddeleeuwse steden behoorde winst maken tot het dagelijkse leven van ambachtslui en kooplui, twee groepen die voor eigen rekening werkten. Toch was er een verschil tussen het winstbejag van de stedelijke ambachtslui in de kleinhandel en dat van de kooplui die actief waren in de internationale handel.
De ambachtsgilden, verenigingen van handwerkslui van hetzelfde vak, bewaakten en controleerden de kwaliteit van het product dat de ambachtsman vervaardigde en ze bepaalden ook de prijs. In de middeleeuwse stad was er geen vrije markt en bestond er ook geen vrije concurrentie. Dat systeem wordt in de economie protectionisme genoemd. Ambachtslui verkochten hun waren tegen een afgesproken prijs. Hun winst investeerden ze in dingen die hun leven aangenamer konden maken.
Maar de middeleeuwse kooplui, die per stad ook verenigd waren in een koopmansgilde, waren niet gebonden aan controle en opgelegde prijzen. Ze wisten daardoor vaak veel grotere winsten te maken in de internationale handel. Door een monopolie op een product te verwerven konden ze die winsten zelfs nog vergroten. Die winsten investeerden ze opnieuw in de handel, die op zijn beurt nieuwe winst opbracht. Zo verhoogden de kooplui hun kapitaal aanzienlijk. Zij werkten al wel in een vrijemarktsysteem.
Met de overzeese koloniale handel vanaf de 16e eeuw ontstond er een nieuwe vorm van bedrijfsorganisatie: het kapitalisme. Kooplui investeerden kapitaal in aandelen waardoor ze aandeelhouder werden van een bedrijf. Zo kon wie aandelen kocht van een bedrijf ook deel krijgen in de winst, zonder zelf rechtstreeks handel te drijven. In dat verband bestudeerde je misschien al in hoofdstuk 2 op p. XX hoe de VOC te werk ging. De aandeelhouders deelden in de winst in verhouding tot hun ingezette kapitaal. Het voornaamste doel van de aandeelhouders werd winst maken en het eigen kapitaal vergroten. Prijzen werden niet vastgelegd, maar waren afhankelijk van de vraag en het aanbod op de vrije markt. Dat betekende een grondige verandering in het economisch denken. Het protectionisme maakte plaats voor het vrijemarktdenken.
2 Koloniale handel en mercantilisme in de 16e en 17e eeuw
Met de Europese zeereizen, de overzeese kolonisatie en de koloniale handel die daaruit volgde, groeide de internationale handel spectaculair en reisden tal van nieuwe producten uit verre landen de wereld rond. Denk maar aan koffie, suiker, katoen, tabak en cacaobonen.
De machtige vorsten van de 16e eeuw, die volop aan het centraliseren waren, en daarvoor veel geld nodig hadden, zagen met lede ogen aan hoe de kooplui echte zakenmannen en ondernemers werden, zich stevig verrijkten en veel winst opstreken. Ze probeerden hun invloed te laten gelden in de nieuwe economische realiteit. Ze zochten daarvoor hun heil in het economische systeem van het mercantilisme, dat je al leerde kennen in hoofdstuk 2 op p. XX. Dat was ook een vorm van protectionisme zoals dat van de gilden, maar dan op grotere schaal, namelijk op het niveau van het hele rijk. Mercantilisten meenden dat de rijkdom van een land afhing van de hoeveelheid edelmetaal dat het bezat. Daarom beschermden en stimuleerden ze zo veel mogelijk de eigen productie. De Franse minister Colbert voerde dat protectionisme in Frankrijk in. Engeland vaardigde wetten uit die de eigen scheepvaart beschermden tegen de concurrentie van andere staten. De Acte van Navigatie (1651) is daar een voorbeeld van. De vorsten mengden zich dus in het economische leven en zochten samenwerking met belangrijke zakenlui. Ze voerden economische wetten in, gaven subsidies
aan producenten, legden belastingen op ingevoerde goederen op en richtten ook zelf handelsmonopolies op. Het mercantilisme bleef de economie van de Europese rijken beheersen tot diep in de 17e eeuw. Zolang de Europese vorsten hun macht konden behouden, konden ze hun greep op de economie behouden.
In de 18e eeuw veranderde de economie in Europa grondig. Er kwam steeds meer kritiek op de almacht van de vorsten en ook op hun dure oorlogvoering, wanbeheer, stijgende staatsschuld, toenemende belastingdruk en terreur. Ook op demografisch vlak was er verandering. De bevolking die al eeuwen aangroeide, steeg nu spectaculair. De behoefte aan producten, de vraag dus, ging de hoogte in, maar tegelijk was het aanbod van werkkrachten ook hoger. In principe zouden de prijzen dan stijgen en de lonen dalen, wat tot armoede kon leiden. Economen dachten na over de beste oplossing om de groeiende bevolking toch welvaart te brengen. Er kwam een golf van nieuwe ideeën over een efficiëntere inrichting van de staat en de economie. Die filosofische stroming (zie ook hoofdstuk 5 op p. XX) werd de verlichting genoemd. Het recht op individuele vrijheid en het geloof in de kracht van de menselijke rede stonden daarin centraal. De economische denker Adam Smith was zo’n verlichte geest. Volgens zijn opvattingen had de staat een goed bestuur nodig waarin de organisatie van de arbeid duidelijke regels kreeg, maar de staat moest de economie zo vrij mogelijk laten. Smith bekritiseerde het mercantilisme. Volgens hem was de welvaart in een staat niet afhankelijk van de hoeveelheid goud en zilver dat ze bezat, maar van haar economische groei. Smith was ervan overtuigd dat die groei pas mogelijk was dankzij het mechanisme van de vrije markt. Volgens hem produceerde de mens het best en behaalde hij de meeste winst als hij zelf initiatief had en vrij keuzes kon maken. Enkel vrijheid leidt tot economische groei. Zo ontwikkelde het kapitalisme verder: het werd hét voornaamste economische systeem van de moderne en de hedendaagse tijd in Europa.
In welke omstandigheden werden producten als chocolade en suiker geproduceerd in de vroegmoderne tijd?
Je leerde al in hoofdstuk 2 dat de Europese winsten uit de koloniale handel enkel mogelijk waren door de zware arbeid van de mensen op de plantages en de grootschalige handel in slaafgemaakten uit Afrika. Om deze deelvraag te beantwoorden zoom je in op twee producten uit de Nieuwe Wereld: suiker en chocolade.
Chocolade werd 1500 jaar geleden al geconsumeerd in Centraal-Amerika. Xocoatl of chocolatl was een drank op basis van cacaobonen die gedronken werd door de Azteken. Zij brachten de bittere drank op smaak met vanille, chili en piment. Het was een brouwsel dat gedronken werd door de elite van de samenleving. Na de verovering van Mexico door Cortés (1485 - 1547) werd de lekkernij naar Europa uitgevoerd. Daar werd chocolade razendsnel populair. Maar onder welke omstandigheden werd chocolade geproduceerd in de vroegmoderne tijd?
Opdrachten
1 Bestudeer bron 1 tot en met 6. In hoeverre zijn deze bronnen bruikbaar om de historische vraag te beantwoorden? Waarom wel of niet? Let op de tijd waarin de bronnen gemaakt zijn.
2 Welke evolutie zie je in de omstandigheden van de plantagearbeid tijdens de vroegmoderne tijd?
3 Vandaag bestaat de koloniale handel niet meer. Toch reizen tal van producten nog steeds de hele wereld rond op weg naar hun consumenten. Zijn de omstandigheden van de productie van onze consumptiegoederen vandaag nog dezelfde als die van de vroegmoderne tijd? Of kun je van een breuk met het verleden spreken? Discussieer erover in de klas en formuleer een standpunt dat goed met argumenten is onderbouwd.

Post, F. en Marggraf, G., kaart van een plantage voor suikerriet aan de kust van het huidige Brazilië (Amsterdam, 1640). Op de plantage werken mensen van Afrikaanse origine in de teelt van suikerriet.

↑
Theodoor de Bry, gravure van een suikerplantage (Puerto Real, 1596). Vanaf het begin van de 16e-eeuwse kolonisatie werden tot slaaf gemaakte mensen in kleine aantallen verscheept. Door de groeiende vraag naar suiker vanuit Europa maakten tussen 1500 en 1875 meer dan 12,5 miljoen Afrikanen gedwongen de oversteek.

Henry Thomas De La Beche, tekening van arbeid op de suikerrietplantage (1825) Op de suikerriet- en cacaoplantages moesten tot slaaf gemaakte mensen extreem zware arbeid leveren. De plantagehouder dwong bijvoorbeeld zwangere vrouwen te werken en na de bevalling moesten ze zo snel mogelijk weer aan het werk. Kinderen werkten mee vanaf de leeftijd van vijf jaar.
Uw verzoekers betreuren dat een natie die het Christelijk Geloof belijdt, zo ver in tegenspraak zou handelen met de principes van menselijkheid en rechtvaardigheid zoals door een wrede behandeling van dit onderdrukte ras, om hun geesten te vullen met vooroordelen tegen de zachtmoedige en weldadige leerstellingen van het Evangelie. Onder de bescherming van de wetten van dit land worden vele duizenden van onze medeschepselen, die aanspraak kunnen maken op natuurlijke mensenrechten, als persoonlijk bezit in wrede slavernij gehouden; en uw verzoekers zijn ervan op de hoogte dat een Wetsontwerp voor de regulering van de Afrikaanse handel nu bij het Huis ligt, waarin een bepaling is opgenomen die de commandanten van de 'African Company' ervan weerhoudt negers uit te voeren.
Naar: Quakers. (1783). Petitie aan het Britse 'House of Commons'.
De Quakers waren een christelijke groepering die in 1649 in Engeland ontstond. Ze waren bij de eerste witte mensen die actie voerden tegen slavernij en geloofden dat iets van God aanwezig is in elke mens. Ze probeerden om mensen te verzoenen en wilden vrede en gerechtigheid bevorderen.
5

↑
Gravure opstand van slaafgemaakten (Haïti, 1791) In de Franse kolonie kwamen mensen die in slavernij leefden in opstand tegen hun onderdrukking. De opstand slaagde omdat er vijftien keer zoveel slaafgemaakten als kolonisten waren.
Bron 6

↑
Afbeelding van een suikermolen (Caraïben, 17e eeuw). De vraag naar suiker in Europa, gecombineerd met de onmenselijke arbeid door slaafgemaakten op plantages, maakte het mogelijk om enorme winsten te maken in de handel.
Bijna iedereen houdt van de smaak van chocolade. Grote bedrijven halen er dan ook enorme winsten mee. En daar hoeft niets mis mee te zijn. Het is echter wel een probleem als die winst tot stand komt door uitbuiting. Sommige chocoladebedrijven en andere organisaties proberen dat vandaag te vermijden. Ze willen chocolade duurzamer maken. Maar wat betekent dat nu eigenlijk: duurzame chocolade?
1 Voer in drie stappen aan de hand van bron 1 tot en met 9 een kritische bronnenstudie uit die een antwoord geeft op de historische vraag: hoe kan de wereldhandel in chocolade toch eerlijk en duurzaam zijn?
a Stap 1: Situeer de bronnen in tijd en ruimte en bepaal tot welk maatschappelijk domein ze horen.
b Stap 2: Lees de bronnen grondig en vat voor elke bron samen wat de belangrijkste betekenis is.
c Stap 3: Selecteer de bronnen die je bruikbaar vindt om de historische vraag te beantwoorden. Beargumenteer je keuze. Zijn de bronnen die je selecteerde ook betrouwbaar volgens jou? Beargumenteer waarom wel of niet.
d Beantwoord in maximaal zes lijnen de historische vraag: hoe kan de wereldhandel in producten toch eerlijk en duurzaam zijn?
2 In deelvraag 1 van deze doorloper leerde je de kenmerken van het kapitalisme. Leg aan de hand van bron 9 het verband tussen het kapitalisme en oneerlijke of niet duurzame chocolade.
Bron 1
Geschatte totale gezinsinkomen (USD/jaar/huishouden) van een typisch huishouden met een man aan het hoofd in Ghana. aandeel huishoudens (in %)
slechts 9,4 % leeft op of boven de inkomensgrens 9,4 %
leefbaar inkomen
← Op deze grafiek wordt het inkomen van de cacaoboeren weergegeven. Enkel de boeren die zich boven de oranje lijn bevinden, kunnen leven van hun inkomsten. De gegevens werden verzameld door het Voice Network, een ngo die zich bezighoudt met duurzame ontwikkeling.
gemiddeld inkomen
N = 595
Bron 2
Cacaoproductie in 1 000 ton 2019/20
Huishoudelijk cacaoverbruik in 1 000 ton 2018/19








↑
Uit: Fountain, A.C. & Huetz-Adams, F. (2020). Cocoa barometer 2020. Voice Network.
In het roze zie je de wereldwijde cacaoproductie per 1 000 ton weergegeven. In het bruin zie je de consumptie van chocolade, eveneens in 1 000 ton.
Bron 3
$ 3,116 $ 1,810 $ 3,166 $ 1,804
Uit: Fountain, A.C. & Huetz-Adams, F. (2020). Cocoa barometer 2020. Voice Network.
Bron 4
← In het blauw staat de prijs die de cacaoboeren krijgen voor hun product. In het oranje staat de prijs die nodig is om te kunnen overleven.
Cacaoboeren kappen tropische regenwouden voor het planten van nieuwe cacaobomen in plaats van het zelfde land opnieuw te gebruiken. Deze praktijk heeft geleid tot de massale ontbossing van West-Afrika, vooral in Ivoorkust. Experts schatten dat 70 % van de illegale ontbossing in het land te maken heeft met de cacaoteelt.
Naar: (2021). World Wildlife Fund.
↑
Het World Wildlife Fund is een wereldwijde organisatie die zich bezighoudt met de bescherming van de natuur. Ze richt zich op het bouwen van een toekomst waarin mens en natuur in evenwicht met elkaar leven.
Bron 5
← Fragment uit het VRT-programma Factcheckers. In deze aflevering onderzoekt Thomas Vanderveken of er kinderarbeid gemoeid is met de chocoladeproducten die wij eten. In het filmpje kun je zien dat de grote chocoladeproducenten niet staan te springen voor een gesprek met de media.
↑
Bekijk het filmpje.
Bron 6
Het is de plicht van de Staat om kinderen te beschermen tegen tewerkstelling in werkzaamheden die een bedreiging vormen voor hun gezondheid, opvoeding en ontwikkeling, om minimumleeftijden voor toegang tot tewerkstelling voor te schrijven en om de arbeidsomstandigheden te reglementeren.
Naar: Verdrag inzake de Rechten van het Kind. www.kinderrechtencommissariaat.be
↑
Verenigde Naties, Internationaal Verdrag over de Rechten van het Kind, New York (1989). Het doel van het verdrag is de specifieke rechten van kinderen te beschermen. Het erkent hun burgerlijke, politieke, economische, sociale en culturele rechten.

Oxfam is een internationale ngo die strijdt tegen honger in de wereld en die duurzame ontwikkeling probeert te bevorderen.
46.233.862 repen verkocht
Tony’s Chocolonely groeit hard. Dit jaar hebben we 46.233.862 repen verkocht. Groei is belangrijk in onze missie. Door onze groei kunnen we met meer cacaoboeren samenwerken volgens ons recept voor slaafvrije cacao en kunnen we meer lawaai maken in de chocoladeindustrie, zodat andere chocogiganten ons model volgen.
5.537 ton cacaobonen ingekocht
Alle cacaobonen (voor onze cacaomassa én voor onze cacaoboter ) zijn traceerbare bonen, die we direct inkopen bij onze partnercoöperaties in Ghana en Ivoorkust. Daarin zijn we uniek. Bijna geen enkel chocolademerk dat in de supermarkt ligt weet precies waar, hoe en door wie zijn cacao geproduceerd wordt, en al helemaal niet als ’t uit West-Afrika komt. En hoe gek ook, dat geldt ook voor veruit de meest gecertificeerde of duurzame cacao.
8.457 boeren waar we direct mee samenwerken
8.457 boeren die voor Tony’s cacao produceren zijn 8.457 boeren die een leefbaar inkomen kunnen verdienen. Dit komt ook ten goede aan hun families waardoor ’t aantal mensen wat hiervan profiteert vele malen hoger ligt.
4.336.775 aan premie uitgekeerd
We betalen ’n extra Tony’s premie bovenop de Fairtrade-premie, zodat de boer een leefbaar inkomen kan verdienen. De premie wordt gebruikt om inkomsten voor de boer te verhogen, zowel in geld als door investeringen in ’n hogere productie door middel van landbouwtrainingen en kwekerijen van nieuwe boompjes. Maar ook door kosten voor de boer te verlagen door op grote schaal meststoffen in te kopen of ’t toegankelijker maken van onderwijs en de aanleg van ’n centrale waterpomp.
↑
Tony's Chocolonely is een Nederlands bedrijf dat zegt te streven naar 100 % slaafvrije chocolade.
Bron 9
Fouten
De ingrepen vanuit de industrie hebben weinig invloed gehad, signaleert het rapport. De afgelopen twintig jaar hebben allerlei partijen geprobeerd om duurzaamheid, arbeidsomstandigheden en eerlijke beloningen te verbeteren, maar de situatie is anno 2020 nauwelijks verbeterd. Het rapport noemt drie redenen voor het mislukken van de interventies. Ten eerste waren de regelgevende inspanningen vrijwillig en dus niet verplicht. Ten tweede zijn de onderliggende problemen die extreme armoede verergeren er nog steeds, zoals lage cacaoprijzen, gebrek aan infrastructuur en het ontbreken van transparantie en verantwoording hoger in de productieketen. 'Het huidige verdienmodel met hoge cacao-opbrengsten leidt tot armoede voor de boeren en hoge winsten voor chocoladefabrikanten', aldus het persbericht. Tot slot worden problemen beoordeeld door machthebbers in de sector en worden boeren en burgers niet gehoord.
Aanbevelingen
De druk en verantwoordelijkheid voor oplossingen moet verplaatsen van de boeren naar de machthebbers. Er moet een regelgeving komen die het systeem verandert, is daarom de eerste aanbeveling die het rapport doet. Daarnaast moet de samenwerking verbeteren tussen producerende en consumerende landen, waarbij laatstgenoemde voor de financiering zorgt en de producerende landen zorg dragen voor een maatschappelijk middenveld, waarbij boeren een belangrijke stem krijgen in de besluitvorming. Ten derde moeten boeren verzekerd zijn van een leefbaar inkomen, want dat is een mensenrecht. Om dat voor elkaar te krijgen moeten overheden en bedrijfsleven het geld in de productieketen eerlijker verdelen. Want, schrijft Solidaridad, de grootste stimulans voor boeren om duurzaam te verbouwen, is een eerlijke prijs voor de cacao die ze produceren.
Uit: Een eerlijke cacaoprijs kan alleen met structurele verandering. www.evmi.nl
↑
Expertisecentrum Voedingsmiddelenindustrie, Zeist (Nederland, 2021). EVMI is een vakblad, geschreven door een expertisecentrum van wetenschappers en deskundigen, dat zich bezighoudt met de productie en de levering van voedingsmiddelen.
Leonardo da Vinci, Mens van Vitruvius (ca. 1490). Deze Vitruviusmens staat op de Italiaanse versie van de 1-euromunt. Vitruvius, een architect uit de oudheid, beschreef in zijn De architectura een stelsel van menselijke lichaamsverhoudingen. Hij legde uit dat het lichaam precies in een omgeschreven cirkel of vierkant met de navel als middelpunt past. Daarmee wilde hij zeggen dat de mens de maat van alle dingen is. Leonardo tekende zijn versie van de Vitruviusmens aan het einde van de 15e eeuw. In die tijd voelden kunstenaars en wetenschappers aan dat er een nieuwe wind door Europa waaide. Ze spraken zelfs over een aetas nova, wat letterlijk ‘nieuwe tijd’ betekent. Veel historici beschouwen de aetas nova als het begin van de vroegmoderne tijd.
In dit hoofdstuk bestudeer je waarom denkers, schrijvers en kunstenaars uit de periode van ca. 1450 tot ca. 1550 zelf vonden dat ze in een ‘aetas nova’ of een ‘nieuwe tijd’ leefden.

1 Humanisme: de mens centraal
2
3
4 5 6
Renaissance: terug naar de oudheid
Reformatie en protestantisme: enkel de Bijbel
Kritische stem uit de Nederlanden: Jeroen Bosch
Uitbreiding: Het belang van de boekdrukkunst
De aetas nova: de start van de vroegmoderne tijd?
In Sapiens 3 maakte je kennis met de middeleeuwen. Lees bron 1. Hoe merk je dat de schrijver Thomas a Kempis (ca. 1380 - 1471) een typisch middeleeuwse denkwijze had?

Cimabue, Madonna met kind (Italië, eind 13e eeuw).

Hedendaagse foto van de gotische Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te Antwerpen met een toren die naar de hemel reikte, gebouwd in de 14e - 15e eeuw.

Sandro Botticelli, De geboorte van Venus (Firenze, 15e eeuw). Venus was de Romeinse godin van de liefde in de klassieke mythologie. Ze staat symbool voor de aardse mens in al zijn natuurlijkheid.
Bron 1
Fragment uit Navolging van Christus van Thomas a Kempis, monnik en filosoof (begin 15e eeuw).

‘Wie luistert naar het Eeuwige Woord (de Bijbel), wordt bevrijd van alle meningen. Zonder dat Woord heeft niemand inzicht of een juist oordeel. Enkel voor wie alle dingen één zijn, en die alle dingen tot één terugbrengt, en alle dingen in één ziet, kan onverstoord van hart zijn en vredig in God blijven.’
← Portret van Thomas a Kempis (1608).

Vermoedelijk gemaakt door Hendrik Coltzius (1558 - 1617), gravure van Gerardus Mercator (1574). Gerardus Mercator (1512 - 1594) was een kaartenmaker uit Rupelmonde. Hij projecteerde de aardbol op een cilinder en de cilinder op een plat vlak. Op die Mercatorprojectie, waarbij lengte- en breedtegraden op kaarten als evenwijdige lijnen worden getekend, bouwden latere kaartenmakers verder.

Hedendaagse foto van het Palazzo Farnese (Rome, 16e eeuw). Typische kenmerken zijn de horizontale lijnen, het bijna wiskundige evenwicht en de klassieke inspiratie.
Leonardo da Vinci, Mens van Vitruvius (1490), gebaseerd op een ontwerp van de Romeinse architect Vitruvius. Die legde de lichaamsverhoudingen van de mens wiskundig vast met de navel als middelpunt van de cirkel én het vierkant.

Petrarca (Noord-Italië, 1304 - 1374) was een van de eerste Italiaanse schrijvers die zich heel nadrukkelijk op de klassieke oudheid inspireerde. Hij had een groot vertrouwen in de geschoolde mens.
VROEGMODERNE TIJD
CONTRAREFORMATIE BAROK BLOEI WETENSCHAPPEN

Hans Holbein portretteerde in 1523 Desiderius Erasmus (ca. 1467 - 1536), een NoordNederlandse geleerde die onder meer de kerk bekritiseerde en gelovigen aanmoedigde hun geloof zelf vorm te geven.

Stirpium Historiae van Rembert Dodoens is een belangrijke botanische encyclopedie uit de 16e eeuw. Dankzij de introductie van de boekdrukkunst (rond 1450) konden wetenschappelijke werken gedrukt en verspreid worden.
Midden 15e eeuw vonden verschillende kunstenaars en wetenschappers dat in West-Europa een aetas nova of een ‘nieuwe tijd’ was aangebroken. Ze plaatsten de tijd waarin ze leefden tegenover de aetas media of de ‘tussentijd’. Daarmee bedoelden ze de middeleeuwen, de periode tussen de klassieke oudheid en hun eigen tijd. Je leerde in Sapiens 3 al dat er in de 15e eeuw verschillende geleerden en kunstenaars waren die zich afzetten tegen de middeleeuwen en dat zo de mythe van de ‘donkere’ middeleeuwen ontstond. Maar wat hield de term aetas nova juist in?
1.1 Nieuwe klassieke teksten
Tijdens de late middeleeuwen kwam een groot deel van de klassieke kennis van Grieken en Romeinen via de Arabieren in West-Europa terecht. Dat leerde je vorig jaar al. Toen de Ottomanen in 1453 de laatste resten van het Byzantijnse rijk innamen, vluchtten veel Byzantijnse geleerden naar West-Europa, vooral naar Italië. Zij namen heel wat teksten en ideeën uit de oudheid mee. Die golf aan klassieke kennis stimuleerde in WestEuropa de belangstelling voor dat tijdvak.
Voor West-Europese filosofen en schrijvers vormden die klassieke teksten tal van nieuwe uitdagingen. Ze bestudeerden en vertaalden de handschriften, voorzagen ze van commentaar en vooral: ze onderzochten de afkomst ervan. Tijdens de middeleeuwen werden dezelfde Latijnse handschriften in kloosters vaak opnieuw en opnieuw gekopieerd. Zo slopen er onvermijdelijk fouten in de tekst, waardoor oorspronkelijke betekenissen verloren gingen. Vanaf de 15e eeuw begonnen wetenschappers een soort stamboom van de gekopieerde handschriften op te stellen die hen naar de vroegste bron leidde, zo dicht mogelijk bij het origineel. Dankzij die originele bronnen konden allerlei foute of onnauwkeurige vertalingen en kopieën gecorrigeerd worden. De bedoeling was immers om de betekenis te achterhalen die de oorspronkelijke schrijver van de tekst eraan had willen geven. Zo werd de wetenschappelijke tekstkritiek geboren.
1.2 Humanisme: een nieuw mensbeeld
De studie van de klassieke bronnen bracht klassieke opvattingen over mens en samenleving weer op de voorgrond. Die dateerden vaak van vóór het ontstaan van het christendom. Ook de zeereizen van ca. 1500 die steeds verder gingen (zie hoofdstuk 2), zorgden voor een golf aan nieuwe vondsten en kennis.
Op veel oude wetenschappelijke vragen kwam er een antwoord. Het leek wel of de mens op weg was om alles te verklaren. Er groeide een groot vertrouwen in de mens: de mens kon zelf de waarheid vinden en zijn leven sturen. Men geloofde in een ‘maakbare’ mens die zijn eigen lot in handen had. Dat stond in schril contrast met het middeleeuwse wereldbeeld, waarin de mens vaak de speelbal van het lot en van Gods wil was. Geleerden van de aetas nova noemden zichzelf ‘humanisten’. Het begrip ‘humanisme’ is afgeleid van het Latijnse woord ‘humanitas’, wat ‘menselijkheid’ betekent.
In het nieuwe humanistische mensbeeld veroverde het individu een belangrijkere plaats dan de gemeenschap. Om de individuele mens te ontplooien en zijn nieuwsgierigheid te stimuleren was onderwijs volgens de humanisten erg belangrijk. Er werd meer ingezet op scholing en op het doorgeven van kennis. Typisch voor de aetas nova was het verzamelen van schelpen, stenen en zeldzame objecten. Die werden in musea getoond. Ook encyclopedieën over dieren en planten werden een rage. Het kruidenboek van de Mechelse plantkundige en arts Dodoens (zie afbeelding I op de tijdlijn op p. XX) is daar een mooi voorbeeld van.
Petrarca, een Italiaanse dichter uit de 14e eeuw, wordt beschouwd als de vader van het humanisme. Hij dweepte met de klassieke oudheid en de manier waarop de mens toen op zoek was naar een deugdzaam leven. Andere Italiaanse schrijvers, denkers, dichters en taalkundigen volgden zijn voorbeeld. Machiavelli uit Firenze wijdde zich aan de studie van de Romeinse politiek. In zijn bekendste werk, Il Principe, moedigde hij de Italiaanse stadstaten aan zich te bevrijden van buitenlandse heersers en een meer realistische politiek te voeren.
In de loop van de 15e eeuw verspreidden de humanistische ideeën zich vanuit Italië over heel Europa. Erasmus was een belangrijke humanist uit de Nederlanden. In zijn Lof der Zotheid gaf hij kritiek op de menselijke zwakheden en op de samenleving. Hij liet zich vooral hard uit over misbruiken in de Katholieke Kerk. Thomas More was een Engelse humanist die in zijn boek Utopia een ideale staat beschreef. Daarin zaten al de ideeën van gelijkheid en individuele vrijheid
Het zou nog eeuwen duren vooraleer die individuele vrijheden, die je vandaag kent als de mensenrechten, verworven werden. Toch zijn veel historici van mening dat met het humanisme het moderne hedendaagse Europese mensbeeld is ontstaan. Daarom noemen ze de historische periode die met het humanisme begint de ‘vroegmoderne tijd’.
1 Pythagoras, een wiskundige en filosoof uit de oudheid, stelde ooit dat ‘de mens de maat van alle dingen is’.
a Op welke manier vertaalde Leonardo da Vinci (bron D op de tijdlijn op p. XX) eeuwen later zijn uitspraak in de beeldende kunsten?
b Besluit waarom denkers zich in de aetas nova ‘humanisten’ noemden. ‘Humanitas’ betekent letterlijk ‘menselijkheid’.
2 Bestudeer de kenmerken van het humanisme aan de hand van bron 1 tot en met 3.
a Waarom was de opvatting van della Mirandola (bron 1) vernieuwend?
b Hoe kun je volgens een humanist tot kennis komen? En hoe breed mag die kennis gaan?
3 Onder zoek in bron 4 welke kritiek Erasmus op zijn tijdgenoten had.
a Op welke groepen geeft Erasmus vooral kritiek en welk effect beoogde hij daarmee volgens jou?
b Erasmus, zelf een priester, koos ervoor om niet vanuit de ik-persoon te schrijven, maar vanuit het perspectief van een ander personage (de Zot of nar). Waarom zou hij dat doen? Hou daarbij rekening met zijn positie als priester en met de context van de tijd.
4 Besluit aan de hand van je bronnenstudie (eventueel aangevuld met de lestekst) of de aetas nova een echte breuk met de middeleeuwen vormde. Beargumenteer.
5 Noem drie manieren waarop Erasmus voortleeft in de collectieve herinnering. Zoek zelf online op indien nodig.
Historisch denken: collectieve herinnering
Je leerde vorig jaar al wat een collectieve herinnering is. Wanneer personen, gebeurtenissen of ideeën uit het verleden niet alleen door historici gekend zijn, maar ook door de meeste andere mensen in de samenleving, dan spreek je van een collectieve herinnering. De namen en ideeën van Erasmus en Thomas More behoren zeker tot de collectieve herinnering in onze regio.
Bron 1
© Alamy / Imageselect / Florilegius, Florilegius
↑

‘God maakte de mens (…) en plaatste hem in het centrum van de wereld. Hij sprak hem vervolgens toe: “Adam, wij hebben je geen vaste verblijfplaats of geen bepaald gedrag of bezigheid opgelegd. Afhankelijk van je verlangens of oordeel, kun je die dingen zelf bepalen. Je handelt in overeenstemming met je eigen vrije wil die we jou hebben geschonken. Vanuit je eigen vrijheid en eergevoel, ben je in staat jezelf de vorm te geven die je zelf wenst.”
← Theodoor de Bry, kopergravure van Giovanni Pico della Mirandola (1650).
Fragment uit Oratie over de menselijke waardigheid van de filosoof Giovanni Pico della Mirandola (Firenze, 15e eeuw).
Bron 2

↑
Hoeveel goede handschriften zijn nu nog ontoegankelijk (…) Deze teksten, ook al worden ze geacht behoorlijk gecorrigeerd te zijn, wemelen van de wonderlijkste fouten.
Een echte herculestaak om deze heerlijke schatten, die bijna geheel in verval geraakt waren, terug te schenken aan de wereld, te speuren naar wat verborgen is, aan het daglicht brengen wat schuilging, nieuw leven te geven aan wat vernietigd scheen, te herstellen wat verminkt was, te zuiveren wat op zovele manieren bedorven was.
Uit: Erasmus, D. (1500). Adagia
← Hans Holbein, portret van Erasmus (1519).
Erasmus heeft het over de antieke bronnen die tijdens de middeleeuwen veelvuldig gekopieerd zijn.
Bron 3

↑
Illustratie bij het boek Pantagruel van Rabelais, uit een uitgave van 1873.
Het Grieks, zonder hetwelk het een schande zou wezen zich geleerde te noemen; het Hebreeuws, het Chaldeeuws, het Latijn; de gedrukte boeken, zo sierlijk en nauwkeurig, waarvan men zich bedient en die in mijn tijd door goddelijke inspiratie zijn uitgevonden. (…)
De vrije kunsten: geometrie, wiskunde en muziek, daar gaf ik je alreeds een proefje van toen je nog klein was, niet ouder dan een jaar of vijf, zes; ga ermee door en maak je alle wetten der astronomie eigen (…) Wat het burgerlijk recht aangaat, wil ik dat je de schone teksten van buiten kent en dat je er mij met filosofie over weet te spreken.
En wat de kennis van de dingen uit de natuur betreft, wil ik dat je je er met weetlust op toelegt; dat er geen zee, rivier of bron zij, waarvan je de vissen niet kent; dat alle vogels van het luchtruim, alle struiken, heesters en bomen in de bossen, alle kruiden der aarde, alle metalen, verborgen in het diepst der afgronden – dat van al deze dingen niets je onbekend zij. Lees en herlees (…) met aandacht de boeken van de Griekse, Latijnse en Arabische geneesmeesters, en maak je door veelvuldige dissecties een volmaakte kennis eigen van de andere wereld, die de mens is. En vang ermee aan, je gedurende enige uren per dag met de heilige schriften bezig te houden; lees eerst, in het Grieks, het Nieuwe Testament en de Brieven van de Apostelen, vervolgens, in het Hebreeuws, het Oude Testament.
Uit: Rabelais, F. (1532). De verschrikkelijke heldendaden van de zeer vermaarde Pantagruel
↑
Gargantua en Pantagruel is een reeks van vijf satirische romans van François Rabelais, gepubliceerd tussen 1532 en 1564, over de avonturen van twee reuzen, vader Gargantua en zijn zoon Pantagruel.
Bron 4
De Zotheid: ‘Goed beschouwd zijn alle mensen volslagen zot. We zullen niet ieders leven doorlopen, maar alleen dat van de belangrijke lieden. Want wat heeft het voor zin om over het plebs en het gepeupel te spreken dat toch ontegenzeglijk geheel aan mij is toegewijd.
Maar het slag der kooplieden is het zotst en gemeenst van allemaal, omdat zij het gemeenste beroep van allen uitoefenen, en dat ook nog op de gemeenste manier. Terwijl ze overal liegen, meineed plegen, stelen, frauderen en bedriegen, vinden ze zichzelf toch boven alle anderen verheven omdat ze gouden ringen aan hun vingers hebben. Het ontbreekt hun dan ook niet aan vleiende broedertjes die hen bewonderen en eerbiedwaardig noemen, natuurlijk om zelf een paar van die kwalijk verkregen zaken te bemachtigen …
Nu ga ik spreken over diegenen die de mensen wijs schijnen te vinden (…) Ze [de leraars] zijn zeer met zichzelf ingenomen, zolang ze hun angstige schare terroriseren met hun dreigende gezicht en stemgeluid, zolang ze met roeden, takken en zwepen de arme kindertjes tot bloedens toe slaan.’ (…)
De Zotheid: ‘Degenen die zich doorgaans religieuzen en monniken noemen, komen het dichtst in de buurt van het geluk der theologen. Beide benamingen zijn echter totaal verkeerd, want een groot deel van hen staat heel ver van de religie af. En er is geen plaats te bedenken waar je ze niet tegenkomt. Hoewel iedereen dit slag van mensen vervloekt en ervan overtuigd is dat zelfs een toevallige ontmoeting met hen onheil brengt, hebben ze toch een heel erg hoge dunk van zichzelf. Ten eerste vinden zij het toppunt van vroomheid wanneer ze zo weinig weten van de letteren dat ze niet eens kunnen lezen. Hun psalmen kunnen ze wel optellen, maar ze begrijpen doen ze niet: als ezels balken ze ze door de kerk, en dan denken ze nog dat ze daarmee de oren der heiligen lieflijk strelen. Er zijn er onder hen ook nogal wat die te koop lopen met hun vuiligheid en armoede (…) tot groot nadeel van de bedelaars. (…)’
Uit: Erasmus, D. In een vertaling van: Bange, P. (2005). Lof der Zotheid. Sun Uitgeverij.
↑ Bekijk het filmpje over Erasmus.
↑
Fragment uit een hedendaagse vertaling van Lof der Zotheid uit 1506. Lof der Zotheid is het bekendste werk van de priester en humanist Desiderius Erasmus. In Londen ontmoette Erasmus de humanist Thomas More, aan wie hij dit boek opdroeg. Ze bleven vrienden voor het leven. Lof der Zotheid is een satirisch werk waarin Erasmus via de figuur van een nar scherpe kritiek op de samenleving losliet. Zijn activiteiten en geschriften werden met argwaan gevolgd door conservatieve geestelijken en theologen. In 1521 verliet Erasmus de Lage Landen, op de vlucht voor een aantal inquisiteurs. Tien jaar later was het in Frankrijk verboden zijn boeken nog uit te geven en moest zijn naam in alle gedrukte boeken onleesbaar worden gemaakt. Zijn naam kwam ook op de index, een lijst van verboden boeken.
• Ik maak een vergelijking tussen het mensbeeld van de middeleeuwen en dat van de vroegmoderne tijd.
• Ik leg uit wat humanisme betekent en welke invloed de oudheid daarbij had.
• Ik leg uit waarom hedendaagse fenomenen vernoemd worden naar vroegmoderne
Het humanistische denken had diepgaande gevolgen voor de kunst, wetenschappen en staatsopvattingen tijdens de aetas nova.
2.1 Renaissance in de kunst
Geïnspireerd door het humanisme gingen ook beeldende kunstenaars en architecten in de late middeleeuwen actief op zoek naar artistieke bronnen uit de oudheid. Overblijfselen uit het oude Rome waren vooral te vinden in Italië, de bakermat van het Romeinse rijk. Klassieke tempels, beelden en mozaïeken werden opgegraven. Je leerde in Sapiens 2 al dat kunstenaars in de klassieke oudheid uitblonken in het weergeven van anatomisch juiste vormen en verhoudingen. Veel kunstenaars uit de 15e eeuw raakten gefascineerd door de antieke kunst en spraken zelf van een renaissance, een rinascita in het Italiaans, wat letterlijk ‘wedergeboorte’ betekent. De kunstuitingen uit de klassieke oudheid leken wel ‘herboren’.
Net zoals in het humanisme werd het centrale thema de mens, die naakt afgebeeld en geïdealiseerd werd, in al zijn schoonheid, net als bij de Grieken en Romeinen. Goden en mythologische helden werden als perfecte mensen afgeschilderd.
Giotto was een middeleeuwse schilder die al rond 1300 opvallende perspectieven en lichtinvallen schilderde. Hij wordt beschouwd als de voorloper van de artistieke stroming van de renaissance. Tussen 1450 tot 1550 kwam de Italiaanse renaissance tot volle bloei met kunstenaars als Botticelli, Rafaël, Leonardo da Vinci en Michelangelo. De kunststroming verspreidde zich vanuit Italië over heel Europa. In onze streken zijn Jeroen Bosch, Quinten Metsys en Pieter Bruegel bekende renaissanceschilders.
2.2 Renaissance in de wetenschap
Ook wetenschappers toonden belangstelling voor de oudheid en doken in de klassieke bronnen. Via de Arabieren en de Byzantijnen bereikte Romeinse en Griekse kennis West-Europa. Omdat men vanaf de 15e eeuw teksten kon drukken, was kennis makkelijker te verspreiden en toegankelijker voor meer wetenschappers.
Zo was er bijvoorbeeld hernieuwde aandacht voor de klassieke geschriften van de arts Galenus uit de 2e eeuw, die ook de Perzisch-Arabische arts Ibn Sina in de 11e eeuw hadden geïnspireerd. Waar Galenus enkel dissecties op dieren had uitgevoerd, deed Vesalius in de 16e eeuw ook dissecties op menselijke lijken. Op die manier vergaarde hij veel praktische kennis over de menselijke anatomie en verbeterde hij zo de theorieën van Galenus. De wetenschappers van de aetas nova gingen er voortaan van uit dat theoretische kennis ondersteund moest worden door waarnemingen en vergelijkend onderzoek.
Wat Vesalius betekende voor de geneeskunde, betekende de Poolse wiskundige Copernicus voor de astronomie. Ook hij ging via de Arabische kennis terug naar de klassieke bronnen zoals die van Ptolemaeus. Aan de hand van waarnemingen stuurde hij het kosmische wereldbeeld bij. Hij concludeerde dat niet de aarde (geocentrisme) maar de zon (heliocentrisme) in het centrum van het planetenstelsel stond. Met de uitvinding van de telescoop begin 17e eeuw konden waarnemingen verder verfijnd worden. Onder meer de Italiaanse astronoom Galilei voerde naast waarnemingen ook experimenten uit om meer kennis van het heelal te vergaren.
Anders dan in de middeleeuwen zochten geleerden op basis van waarnemingen, experimenten en redeneringen naar algemene natuurwetten. Dat leidde tot innovaties in verschillende takken van de wetenschap en de techniek. Met hun experimentele onderzoeksmethode legden geleerden mee de basis van de moderne wetenschappen, waarin onderzoek en experiment centraal staan.
Opvattingen over staat en bestuur uit de oudheid inspireerden politieke denkers. Thomas More en Niccolo Machiavelli stelden het politieke bestuur van de samenleving, zoals dat tijdens de feodale middeleeuwen was geëvolueerd, in vraag.
De Engelse staatsman More schreef over inspraak en vertegenwoordiging van onderdanen in het bestuur. Dat stond haaks op de traditionele macht van keizers en koningen. De Italiaanse filosoof en politicus Machiavelli publiceerde dan weer ideeën over sterke vorsten en gecentraliseerde staten. Hij pleitte voor een sterke staat die een duidelijk doel vooropstelt en zich niet laat leiden door morele bezwaren. Het staatsbelang staat boven alles en daartoe zijn alle middelen gewettigd. Je kunt zijn politieke filosofie het best samenvatten als ‘het doel heiligt de middelen’.
De analyse van de bestuurlijke organisatie van samenlevingen was nieuw in de aetas nova en lag aan de basis van de ontwikkeling van de moderne politieke wetenschappen
1 Onderzoek de gelijkenissen en verschillen tussen de klassieke, de laatmiddeleeuwse en de vroegmoderne kunst. Bestudeer bron 1a tot en met 1c.
a Vergelijk het thema en de manier waarop de vrouwen worden voorgesteld in de drie werken. Wat zijn de opvallende gelijkenissen en verschillen?
b Renaissance betekent letterlijk de ‘wedergeboorte’ van de klassieke oudheid. Leid uit je vergelijking af waarom Michelangelo een typische renaissanceschilder was.
c Bestudeer en vergelijk afbeelding B en E op de tijdlijn op p. XX. Is er een breuk of eerder continuïteit tussen de architectuur van de gotiek (afbeelding B) en die van de renaissance (afbeelding E)? Beargumenteer.
d Lees lestekst 2.1 en leg uit waarom Jan van Eyck ook beschouwd kan worden als een vroege renaissanceschilder.
2 Onderzoek hoe de klassieke oudheid de wetenschappen inspireerde tijdens de aetas nova.
Bestudeer bron 2 en 3.
a Leid af waarom je Vesalius het prototype van een renaissancewetenschapper kunt noemen.
b In de middeleeuwen dachten wetenschappers dat de aarde het middelpunt van het planetenstelsel vormde en dat de zon rond de aarde draaide. Leid uit bron 3 af welke vorm de banen van de planeten volgens Copernicus hadden, welke planeten hij kende en welke plaats de aarde daarin had. Besluit nu of Copernicus de middeleeuwse opvatting deelde of niet.
c Bewijs dat wetenschappers als Vesalius en Copernicus het humanistische gedachtegoed volgden.
3 Bestudeer de staatsopvatting tijdens de renaissance aan de hand van bron 4.
a Beargumenteer waarom de visie van Machiavelli over de kwaliteiten van een vorst een breuk vormde met de middeleeuwse traditie van feodale vorsten die je in Sapiens 3 leerde.
b Zoek een argument om aan te tonen dat ook Machiavelli’s visie meer aansloot bij de keizers uit de klassieke oudheid.

↑
Venus van Milo (ca. 130 v.C.).
De Venus van Milo is een wereldberoemd Grieks marmeren beeldhouwwerk dat de Griekse godin Aphrodite (Venus) voorstelt. Het is een symbool van eeuwige schoonheid.


↑
Jan van Eyck, Madonna bij de fontein (1439). De beroemde schilder Jan van Eyck (1390 - 1441) was actief in Brugge en wordt tot de Vlaamse Primitieven gerekend.

↑ Michelangelo, Libische sibille (Rome, ca. 1512). De beroemde schilder Michelangelo schilderde deze Libische sibille op het plafond van de Sixtijnse kapel in het Vaticaan in Rome. Een sibille is een waarzegster of profetes. De Libische sibille is de oudste van de legendarische profetessen uit de oudheid. Ze voorspelde een verschrikkelijk lot voor het Afrikaanse volk
← Andreas Vesalius, studie, oorspronkelijk gepubliceerd in De Humani Corporis Fabrica, Libri Septem (1543). De Zuid-Nederlandse arts Andries van Wesel of Andreas Vesalius (1514 - 1564) onderzocht de anatomie en de werking van het menselijk lichaam aan de hand van praktisch onderzoek. In tegenstelling tot Galenus, die zijn kennis haalde uit dissecties op dieren, ontleedde Vesalius het menselijk lichaam aan de hand van dissecties op lijken. Zo kon hij de kennis uit de oudheid aanvullen of weerleggen en werd hij de grondlegger van de moderne anatomie.
Bron 3

Bron 4
← Het zonnestelstel volgens Nicolaas Copernicus (1473 - 1543) in De revolutionibus orbium coelestium (Krakau, 1543). ‘Sol’ betekent zon en ‘terra’ betekent aarde.
Het is essentieel om te begrijpen dat een vorst, en bovenal een nieuwe vorst, niet al die dingen in praktijk kan brengen die hem een goede reputatie bezorgen. Want het is vaak noodzakelijk dat vorsten maatregelen nemen die niet populair zijn, die geen vertrouwen wekken, die hard zijn voor de mensen en tegenstrijdig met de godsdienst. Men moet de daden van vorsten, die geen rechters boven zich hebben, alleen beoordelen naar hun gevolgen. De vorsten moeten als enig doel hebben de heerschappij in handen te houden. Men zal alle middelen die dit rechtvaardigen moeten aanwenden.
Uit: Machiavelli, N. (1513). Il Principe ↑
Niccolo Machiavelli (1469 - 1527) was een Italiaanse filosoof en diplomaat.
Zelfevaluatie
• Ik leg het verband tussen het humanisme en de renaissance uit op het vlak van kunst, wetenschap en visie op de staat.
• Ik leid uit bronnen de kenmerken van de renaissance af.
• Ik beargumenteer waarom de aetas nova al dan niet een breuk met de middeleeuwen betekende.
Humanisten keken met een kritische blik naar de manier waarop religie werd beleefd. Kritiek op de Kerk was op zich niet nieuw: ook tijdens de volle middeleeuwen waren er hervormingsbewegingen geweest, maar die hadden niets fundamenteels veranderd. In de aetas nova klonk de roep naar religieuze hervormingen steeds luider.
3.1 Kritiek op de Katholieke Kerk
Er kwam kritiek op christelijke tradities en gewoonten die niet in de Bijbel stonden, maar tijdens de middeleeuwen waren ontstaan. Voorbeelden zijn de verering van heiligen, het toedienen van sacramenten, het celibaat voor geestelijken en het verrichten van goede werken om in de hemel te komen. Voor de Katholieke Kerk waren die rituelen noodzakelijk om een goede christen te zijn. Voor de humanisten echter moest de gelovige vooral terugkeren naar de bron van het geloof: de oorspronkelijke teksten van de Bijbel.
Er kwam ook kritiek op de wantoestanden in de Kerk. Een daarvan was de verkoop van aflaten. Dat waren brieven die de Kerk verkocht aan gelovigen. Met die brieven konden ze hun zonden afkopen om na hun dood in de hemel te komen. Voor de humanisten kon de aflatenhandel niet door de beugel. Winstbejag hoorde volgens hen niet thuis in de Kerk. Ook de opleiding van priesters liet te wensen over. Volgens de humanisten moesten gelovigen dringend terug naar de kern van het geloof, een zuiver geloof, zoals beschreven stond in de Bijbel.
3.2 Reformatie: de Bijbel als bron van het geloof
In de vroegmoderne tijd hadden geleerden nieuwe vertalingen van Bijbelteksten ter beschikking. In de humanistische traditie werden die teksten vertaald, bestudeerd en opnieuw geïnterpreteerd. De oorspronkelijke betekenis van de teksten was belangrijk, omdat de overtuiging groeide dat de gelovige een persoonlijke band met God moest opbouwen. De Bijbel was daartoe het beste instrument. Die opvattingen werden gedragen door een brede beweging van christenen die op een grondige hervorming of reformatie binnen de Kerk hoopten. Steeds meer katholieke gelovigen en geestelijken sloten zich aan. De reformatie verspreidde zich over Europa.
3.3 Protestantisme
Het was aanvankelijk nooit de bedoeling van de hervormers om zich af te scheuren van de Katholieke Kerk. Ze hoopten op een reformatie binnen de Kerk. Toch liep het anders … De Rooms-Katholieke Kerk wilde niet van diepgaande hervormingen weten en schakelde zelfs de Inquisitie in om hervormers te vervolgen. Door die halsstarrige houding groeide het protest en ontstond er een schisma binnen het WestEuropese christendom. Zij die zich afscheurden van het katholicisme, werden ‘protestanten’ genoemd. Het protestantisme werd vanaf 1517 een alternatieve levensbeschouwelijke stroming binnen het christendom. Hervormers als Luther en Calvijn legden de basisprincipes van het protestantisme vast. Binnen het protestantisme ontwikkelden zich verschillende strekkingen zoals onder meer het lutheranisme en het calvinisme. Het protestantisme verspreidde zich in de 16e eeuw - mede dankzij de boekdrukkunst - over heel Europa.
In Engeland ontstond in 1534 nog een aparte stroming binnen het protestantisme: het anglicanisme. De weigering van de paus om het kinderloze huwelijk van de Engelse koning Hendrik VIII met zijn vrouw ↑ Bekijk het filmpje.
te ontbinden speelde daarbij een rol. Maar Hendrik VIII wilde vooral de macht centraliseren rondom zichzelf. Hij richtte daarom de Anglicaanse Kerk op en brak met de paus van Rome. De meeste rituelen en de kerkelijke structuur bleven verwant aan die van de Katholieke Kerk, maar er slopen ook calvinistische elementen in over de verhouding tussen staat en religie. Omdat de koning zelf het hoofd van de Kerk werd, was de Anglicaanse Kerk een staatskerk.
Protestanten volgen drie belangrijke principes. Het eerste principe is het Sola Scriptura (enkel het Schrift): de Bijbel wordt erkend als het woord van God en is het hoogste gezag. Het gezag van de paus van Rome werd niet meer erkend. Het tweede principe is het Sola Fide (enkel het geloof): de nadruk ligt op een directe relatie tussen God en de gelovige. Zuiver geloof is contact opbouwen met God. Ten slotte is er het Sola Gratia (enkel de genade): enkel de genade van God kan je redden van de hel. Goede werken, sacramenten of aflaten hebben geen enkele invloed.
De ideale plek om die drie basisprincipes te beleven was een sobere kerkruimte waarin leegte en rust heersten en waarin het voorlezen van Bijbelteksten het contact met God kon versterken. De Bijbel werd vertaald in de volkstaal, zodat meer mensen hem konden lezen en begrijpen.
3.4 Contrareformatie: reactie van de Katholieke Kerk
De populariteit van de protestantse kerken en de leegloop van katholieke kerken in sommige streken dwongen de paus van Rome tot actie. Hij riep in 1545 in Trente een concilie bijeen. Die kerkvergadering werd het startschot van de contrareformatie, de reactie van de Kerk op de reformatie.
De Kerk koos in Trente niet voor radicale hervormingen, eerder integendeel. De oude katholieke leer bleef overeind en werd zelfs nog strakker geformuleerd. De middeleeuwse theologische geschriften bleven naast de Bijbel een bron van geloof. De sacramenten, het celibaat en het vereren van heiligen bleven behouden. Goede werken en bedevaarten bleven een hulpmiddel om de hemel te bereiken. Het Latijn bleef de taal van de erediensten en van de Kerk. Toch kwamen er ook hervormingen. Aflaten verdwenen. Geestelijken moesten een betere scholing krijgen in nieuw op te richten seminaries. Extra aandacht ging naar heldere en degelijke preken tijdens de eredienst, zodat de katholieke leer duidelijk naar de kerkgangers kon doorstromen. Onderwijs en verspreiding van het katholieke geloof werden de belangrijkste taak van de jezuïeten, een nieuwe religieuze orde die de goedkeuring van de paus kreeg.
Meer dan de helft van de voorschriften van het Concilie had betrekking op de kunst. Kunst werd hét propagandamiddel. Indrukwekkende kerken werden gebouwd, met wervelende gevels en imposante gewelven met fresco’s vol beweging en emotie. Heiligenbeelden en grote altaarstukken moesten de hernieuwde kracht van de Katholieke Kerk uitstralen. Over de barok, de artistieke stroming van de contrareformatie, kun je meer leren in de doorloper cultuur op p. XXX.
Opdrachten
1 Onder zoek welke kritiek op de Kerk geformuleerd werd. Bestudeer bron 1 en 2.
a Welke kerkelijke praktijk bekritiseerde Luther en waarom deed hij dat?
b Luther was een van de grondleggers van het protestantisme. Lees de basisprincipes van het protestantisme in lestekst 3.3 en concludeer welk principe hij in zijn stellingen (bron 2) duidelijk formuleerde.
2 Interpreteer de spotprent (bron 3).
a Leid eerst af wat de boodschap of betekenis van de prent is.
b Bestudeer ook de groepen op de prent en concludeer vanuit welk religieus perspectief de spotprent gemaakt is.
c Leg het verband tussen het humanisme en de afgebeelde Bijbel op de weegschaal.
d Beoordeel of deze bron bruikbaar is om de context van het ontstaan van het protestantisme te onderzoeken. Beargumenteer.
3 Bestudeer aan de hand van kaart 1 en 2 hoe het christendom verdeeld raakte.
a Zijn de kaarten historische bronnen of historische werken? Beargumenteer.
b Bekijk aandachtig de titels (tijd en ruimte) en de legendes. Maak twee kolommen. Noteer in de eerste kolom de grote religieuze stromingen van kaart 1. Onderzoek de wijzigingen op kaart 2 en noteer die in de tweede kolom. Geef beide kolommen zelf een gepaste titel. Concludeer welke grote veranderingen plaatsvonden op het vlak van religieuze stromingen tijdens de aetas nova.
c Het jodendom was ook een belangrijke monotheïstische religie in de vroegmoderne tijd, maar ontbreekt op de kaarten. Probeer daarvoor een verklaring te geven met de kennis die je hebt uit Sapiens 3.
4 Lees de lestekst en beantwoord de volgende synthesevragen met een duidelijk geformuleerde historische redenering.
a Wat zijn de oorzaken van de reformatie? Beargumenteer of het structurele of incidentele oorzaken zijn.
b Omschrijf het verband tussen humanisme en protestantisme.
c Wat was het doel van de contrareformatie? Had die al dan niet het beoogde effect? Beargumenteer.
Bron 1

← Lucas Cranach de Oude, portret van Maarten Luther (1532). Maarten Luther (1483 - 1543), humanist en theoloog uit het Duitse rijk, was een belangrijke vertegenwoordiger van de reformatie. Hij leverde kritiek op de aflatenhandel. Aflaten waren brieven die de Katholieke Kerk verkocht aan gelovigen om hun zonden kwijt te schelden. Luther publiceerde in 1517 zijn stellingen tegen de aflatenhandel. Die gebeurtenis wordt beschouwd als het symbolische begin van de reformatie.
Bron 2
Enkele van de 95 stellingen van Luther (Duitse rijk, 1517):
21. De aflaatpredikers dwalen als zij zeggen dat de mens door de pauselijke aflaat vrij is van alle straffen en zalig.
36. Ieder christen die oprecht berouw heeft, krijgt volledige vergeving en kwijtschelding van straf en schuld, ook zonder aflaat.
43. Men moet de christenen leren, dat aan de armen geven beter is dan aflaten kopen.
62. De ware schat van de kerk is het heilige evangelie van de glorie en genade van God.
Naar: Demey, J. & Dhondt, R.C.F. (1977). Ons verleden in documenten. Bronnen vanaf de oudste tijden tot de Franse Revolutie Uitgeverij VAN IN.
Bron 3

Anonieme spotprent, De Bijbel op de weegschaal (ca. 1560). Vermoedelijk opnieuw uitgegeven door Gerard Valck in de periode 1675 - 1726 in Amsterdam. Rooms-katholieke geestelijken herken je aan hun typerende kledij zoals de bisschopsmijter en kardinalenhoed met brede rand, de witte of lichte kazuifels voor priesters of de monnikspij. De protestanten zijn dan weer herkenbaar aan hun sobere en donkere kleding en eenvoudige hoeden. Let op wat beide groepen in de weegschaal leggen.
Kaart 1
Dominante godsdienstige stromingen in Europa tijdens de hoge middeleeuwen
Kaart 2
Dominante godsdienstige stromingen in Europa tijdens de vroegmoderne tijd (ca. 1570)
Bron 4
vroege middeleeuwen
hoge middeleeuwen
Oosters Schisma (1054)
vroegmoderne tijd: aetas nova (ca. 1517)
Rooms-Katholieke Kerk (paus)
christendom (paus)
Rooms-Katholieke Kerk (paus)
protestantisme: lutheranisme calvinisme
Grieks-Orthodoxe Kerk (keizer)
anglicanisme (1534) (koning)
Zelfevaluatie
• Ik verwoord de verbanden tussen humanisme, reformatie, protestantisme en contrareformatie.
• Ik formuleer de (structurele/incidentele) oorzaken en (bedoelde/onbedoelde) gevolgen van de reformatie.
• Ik maak onderscheid tussen de verschillende stromingen binnen het christendom.
Jeroen Bosch is een wereldberoemde schilder uit de Nederlanden. Hij leefde tijdens de aetas nova. In deze les neem je een van zijn schilderijen aandachtig waar en interpreteer je het zelf. In het kader historisch denken lees je wat de interpretatie van bronnen precies inhoudt.
Opdrachten
1 Voer een bronnenstudie uit en interpreteer de betekenis van schilderijen uit de aetas nova.
a Observeer bron 1. Kijk naar het werk zelf, kijk naar de titel en lees enkel het bijschrift. Lees de groene kadertjes nog niet. Kijk eerst naar het totaalbeeld (al scannend) van het schilderij en zoom dan in op de details.
b Om het schilderij te interpreteren of de betekenis van wat erop staat te begrijpen heb je contextgegevens over de schilder, de tijdsgeest en de ingeburgerde symbolen in de schilderkunst van die tijd nodig. Lees nu pas de groene kadertjes rond de bron. Daarin vind je de betekenis die kunsthistorici aan de details geven. Heeft die informatie jouw visie op het werk veranderd? Waarom wel/niet?
c Besluit of Bosch al dan niet schilderde vanuit hetzelfde perspectief als zijn doelpubliek.
d Met Het narrenschip leverde Bosch kritiek op zijn tijdgenoten. Zoek het verband tussen het humanisme en Jeroen Bosch.
2 Onder zoek de gelijkenissen tussen wat Erasmus schreef in Lof der Zotheid (bron 4 op p. XX) en wat Jeroen Bosch met Het narrenschip schilderde.
Historisch denken: interpretatie van bronnen
Informatie uit een historische bron moet je meestal interpreteren. Je leest of kijkt niet gewoon naar wat er staat, maar je denkt zelf verder na over de betekenis. Contextgegevens die historici al onderzochten, helpen je bij het interpreteren. Door te onderzoeken wat het doel of perspectief van de maker is of door de bron in zijn historische context te plaatsen begrijp je ze beter of kun je er kritischer over nadenken.
Jeroen Bosch, Het narrenschip (ca. 1490). Bosch trouwde met een vrouw uit een koopmansfamilie. Hij vertoefde in humanistische kringen van de elite van de stad. Tot die klassen behoorden ook zijn opdrachtgevers, zoals Brabantse edellieden en rijke burgers. Bosch was populair in zijn eigen tijd en zijn kunstwerken werden ook buiten de Nederlanden gesmaakt. Welgestelde kunstliefhebbers uit Italië, Spanje en Portugal verzamelden zijn schilderijen. Verschillende kunstenaars imiteerden of kopieerden Bosch’ werk al tijdens zijn leven. Zijn stijl beïnvloedde grote Antwerpse schilders van de 16e eeuw, zoals Pieter Bruegel de Oude.
Bron 1
Waarneming: Ik zie iemand die onopvallende kleren draagt.
Interpretatie: Deze persoon is waarschijnlijk een burger.
Waarneming: Ik zie een vrouw in kloosterkleed met sluier en kap.
Interpretatie: Dit is een kloosterzuster.
Waarneming: Ik zie een snaarinstrument.
Interpretatie: Instrumenten kwamen vaak voor op schilderijen van bordelen en stonden symbool voor vluchtig lichamelijk genot zonder liefde.
Waarneming: Ik zie rode kersen.
Interpretatie: Rode kersen kwamen vaak voor op huwelijksportretten en stonden symbool voor het liefdesspel.

Waarneming: Ik zie een narrenkap en een narrenstok.
Interpretatie: Deze persoon is een nar.
Waarneming: Ik zie een man met rond geschoren haar en een typische monnikspij.
Interpretatie: Dit is een monnik.
Waarneming: Ik zie iemand roeien met een pollepel.
Interpretatie: Hiermee kun je in het water peddelen, maar onmogelijk roeien, waardoor het schip op drift gaat.
Waarneming: Ik zie iemand die naakt is.
Interpretatie: Deze persoon is vermoedelijk arm, want armen werden vaak naakt afgebeeld.
Zelfevaluatie
• Ik voer een kritische bronnenstudie uit en interpreteer de boodschap van een kunstwerk.
• Ik plaats een schilderij of geschrift in de context van de tijd om een interpretatie te geven.
• Ik begrijp dat een visuele bron impact kan hebben op de beeldvorming.
Het verspreiden van kennis ging snel in de aetas nova. Dat was te danken aan de introductie van de boekdrukkunst in de 15e eeuw.
5.1 Van handschrift tot gedrukt boek
In de middeleeuwen schreven kopiisten geschriften met de hand over. Die handschriften of manuscripten werden soms verlucht met versierde letters en geschilderde tekeningen of miniaturen. Elk handschrift was uniek. Omdat kopiëren tijdrovend was en het perkament duur was, was een handschrift een luxeproduct, voorbehouden voor de clerus en de adel. Het kopiëren gebeurde aanvankelijk in de schrijfkamer of het scriptorium van de kloosters. Monniken hadden handschriften nodig om de Bijbel en de theologische geschriften te kunnen lezen en begrijpen. Met de groei van de steden in de volle middeleeuwen nam de vraag naar geschreven teksten toe. Er ontstonden ateliers waar geschreven en gekopieerd werd door leken. De klanten waren kooplui, stedelijke scholen en universiteiten. Het bezit van een handschrift werd een statussymbool. Gebedenboeken, rijkelijk geïllustreerd met miniaturen, waren razend populair bij de adel en de rijke kooplui.
In de aetas nova kreeg het handschrift concurrentie van het gedrukte boek. Rond 1450 gebruikte Johannes Gutenberg als eerste Europeaan losse loden letters om een tekst te vormen en te drukken. De letters werden besmeerd met inkt en door middel van een drukpers gedrukt op een papier. Dezelfde pagina kon op tal van exemplaren gedrukt worden. Dezelfde letters konden voor een andere tekst herschikt en gezet worden. Die kon dan weer gedrukt worden. De bladen werden ingebonden en zo ontstond het boek. Ook illustraties werden in koper gekrast, met inkt besmeerd en op papier gedrukt. De boeken kwamen op de markt en werden in heel Europa verspreid. Een boek bleef een luxeproduct, want alleen al het papier was erg duur. In de 16e eeuw ontwikkelde Antwerpen zich tot de belangrijkste boekenstad van Europa.
De boekdrukkunst was een nieuwe techniek voor de Europeanen, maar echt nieuw was ze niet: in Europa gebruikte men ook eerder al blokdrukken. Dat zijn houten plankjes waaruit de letters van een tekst van een volledige pagina werden gesneden. Daarna gebruikte men de plankjes om de tekst te drukken. Een tijdrovende bezigheid. In China drukte men trouwens al in de 11e eeuw.
5.2 Verspreiding van de nieuwe kennis
De introductie van de drukkunst in Europa had enorme gevolgen. Boeken konden in meerdere exemplaren en in grote oplagen worden gedrukt. Nieuwe ideeën of inzichten werden niet alleen sneller verspreid dan voorheen, maar ze bereikten ook veel meer mensen. Humanistische opvattingen, wetenschappelijke basiswerken, nieuwe technieken en uitvindingen vonden sneller hun weg naar scholen en universiteiten. Er werden ook spotprenten en pamfletten gedrukt. Protestantse stellingen bijvoorbeeld bereikten op die manier snel een breed publiek. De impact van de drukkunst op de samenleving kun je vergelijken met de uitvinding van het internet in de hedendaagse tijd.
1 Onder zoek de technieken om het geschreven woord weer te geven. Bestudeer de twee afbeeldingen van bron 1.
a Bespreek de verschillen tussen beide afbeeldingen.
b Welke gevolgen heeft dit voor de verspreiding van kennis?
c Vandaag is er het internet. Welke bedoelde en onbedoelde gevolgen heeft dat nieuwe medium?
2 Onder zoek het belang van de drukkunst.
a Bestudeer kaart 1 op p. XX en bron 2 en leid af waar de belangrijkste centra van de boekdrukkunst zich bevonden.
b Zijn dat willekeurige plaatsen of zit er een logica in? Beargumenteer.
c Leid uit bron 2 af hoe de drukkunst evolueerde. Groeide het diagram volgens jou tot vandaag exponentieel verder? Beargumenteer je antwoord.
3 Bestudeer in welke taal boeken in de 15e eeuw werden gedrukt.
a Bestudeer bron 3 en verklaar het gebruik van de taal die in de 15e eeuw in de meerderheid van de gedrukte boeken werd gebruikt.
b Waarom zou die taal in de 16e eeuw wel eens sterk kunnen verschillen van de 15e eeuw? Gebruik het begrip ‘protestantisme’ in je antwoord.
4 Bestudeer de impact van de introductie van nieuwe media aan de hand van bron 4 en 5.
a Lees het fragment uit het artikel van Lise van der Veer (bron 4). Leg uit hoe binnen de Katholieke Kerk positief en negatief werd gereageerd op de verspreiding van de boekdrukkunst.
b Welke vergelijking wordt in het fragment gemaakt met onze tijd?
c In de 16e eeuw was het gedrukte boek (en het pamflet) de informatieverspreider bij uitstek. Vandaag worden andere media gebruikt. Die hebben zo hun voordeel. Toon aan met bron 5 dat de impact van een innovatie ook negatief kan zijn.
1

↑
Versiering van een Frans manuscript (14e eeuw). Een monnik kopieert een boek in de schrijfzaal van het klooster.

↑
Het werk in een drukkersatelier. Kopergravure door Theodoor Galle (ca. 1570 - 1633) naar Jan van der Straet, alias Johannes Stradanus, uit het werk Nova Reperta (Antwerpen, eind 16e eeuw).
Kaart 1: Drukcentra en oplages van Europese incunabelen
De term ‘incunabel’ komt van het Latijnse woord incunabula, wat ‘in de wieg’ betekent. Een andere term is ‘wiegendruk’. Het zijn boeken die nog met losse letters gezet waren, toen de boekdrukkunst nog in de kinderschoenen stond (tweede helft 15e eeuw). Kun je op basis van de kaart de verspreiding van de boekdrukkunst situeren met een gepast structuurbegrip?
Italiaans 8.0 %
Frans 5.7 %
Nederlands 1.9 %
Spaans 1.4 %
Engels 0.8 %
Hebreeuws 0.5 %
10 talen van minder dan 0.5 %
• Catalaans
• Grieks
• Tsjechisch
Kerkslavisch
• Por tugees
← Deze tabel toont de Europese productie van gedrukte boeken (ca. 1450 - 1800).
Zuidoost-Europa (het Ottomaanse rijk) en Rusland werden niet meegeteld.
Duits 10.8 %
Latijn 70.0 %
• Zweeds
• Sardijns
• Fries
Deens
• Bretoens
Dit diagram van 2 maart 2011 toont het aandeel van de verschillende talen bij de incunabelen of wiegendrukken. Dat zijn de drukken die in de tweede helft van de 15e eeuw werden gemaakt. Toen stond de drukkunst nog in haar kinderschoenen en de letters leken een beetje te dansen.
Bron 4
Toen in 1455 de drukpers werd uitgevonden door Johannes Gutenberg, schreef de humanistische geleerde Enea Silvio Piccolomini enthousiast over de delen van de Latijnse Bijbel die Gutenberg kort daarvoor had voltooid. Hij zag, samen met andere geestelijken, direct in dat de drukpers een geweldig middel was om Gods Woord te verspreiden. Helaas voor de katholieke kerk bleek dat de verspreiding van ketterse ideeën [= ideeën afwijkend van de katholieke leer] ook veel makkelijker werd. In 1474 sprak de geestelijke Filippo di Strata: ‘Est virgo hec penna, meretrix est stampificata’. Dat betekent ‘de pen is een maagd, de drukpers een hoer’. Doordat het goedkoper en makkelijker was geworden om teksten te produceren, kon de kerk niet langer reguleren welke kennis werd verspreid. Het censureren van boeken door geestelijke of wereldlijke leiders werd moeilijker. Daarbij werd het voor een groter publiek bereikbaar. Volgens de geestelijken werd er rommel gedrukt en draaide het niet langer om de inhoud, als het maar geld opleverde. Het geschreven woord was volgens hen minder waardevol en de drukpers was een groot gevaar geworden. (...) Zonder de drukpers had het Maarten Luther decennia gekost om zijn ideeën te verspreiden en hadden de katholieke leiders dit verborgen kunnen houden. Met de boekdrukkunst kwam het voor iedereen beschikbaar en heeft het een enorme impact gehad. Luther heeft een eigen kerk gesticht en is een ware revolutie gestart. (...) De razendsnelle verspreiding van nieuws kan zowel positieve als negatieve effecten hebben. Kennis wordt toegankelijker, maar waarheid en sensatie lopen soms door elkaar. Bij de opkomst van het gedrukte woord was de elite bang dat men de waarheid, het Woord van God, niet van de onzin uit ketterse teksten kon onderscheiden. Diezelfde angst lijkt weer te bestaan. Kijk naar de Verenigde Staten waar bepaalde zaken als fake news worden bestempeld, zonder dat te beargumenteren.
Uit: van der Veer, L. (2019). Internet is een hoer. Cul. http://tijdschriftcul.nl/internet-is-een-hoer/
Bron 5
% mensen die de afgelopen week in aanraking zijn gekomen met volkomen verzonnen nieuws *
Turkije
Mexico
Brazilië
Verenigde Staten
Zuid-Korea
Spanje
Australië
Canada
Japan
Frankrijk
Verenigd Koninkrijk
Duitsland
* geselecteerde landen
N=74 000 ondervraagden in 37 markten (jan/feb 2018)
Uit: Reuters Institute. (2018). Reuters Institute Digital News Report 2018. www.digitalnewsreport.org
← Deze grafiek toont waar de blootstelling aan fake news het grootst is.
• Ik vergelijk de techniek, de functie en de gevolgen van het gebruik van manuscripten met die van gedrukte boeken.
• Ik vergelijk de impact van de introductie van nieuwe media voor de boekdrukkunst in de vroegmoderne tijd en voor het internet vandaag.
De indeling van het verleden in verschillende historische periodes is altijd een constructie achteraf. Die constructie kan veranderen wanneer er nieuwe bronnen voorhanden zijn of nieuwe contexten en inzichten ontstaan. Niet alle historici kijken op dezelfde manier naar het verleden. Ook zij bekijken en interpreteren het verleden en heden vanuit hun eigen standplaats.
Je hebt in dit hoofdstuk heel wat informatie verzameld over de aetas nova. De intellectuele elite van ca. 1450 tot ca. 1550 gaf zelf die naam aan de periode waarin ze leefde. Ze voelde duidelijk een nieuwe intellectuele wind waaien. Maar was die tijd wel zo nieuw als je vanuit een hedendaags perspectief naar het verleden kijkt? En was er echt een breuk met de middeleeuwen?
Opdrachten
1 Onderzoek of er continuïteit of een breuk was op verschillende domeinen van de Europese samenleving aan de hand van bron 1 tot en met 4.
a Beargumenteer voor elke bron of ze verwijst naar continuïteit of naar een breuk tussen de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd.
b Bestudeer bij wijze van herhaling alle lesteksten van dit hoofdstuk. Lijst in twee kolommen op welke elementen op continuïteit wijzen en welke op een breuk.
2 Historici nemen nog steeds geen eensgezind standpunt in over de naam voor de periode van ca. 1500 tot ca. 1800 als ze de tijdlijn van de Europese geschiedenis in periodes moeten indelen.
a Lees de drie stellingen van bron 5. Met welke stelling ben jij het eens? Beargumenteer.
b Was de aetas nova volgens jou echt nieuw voor de meeste mensen van de samenleving? Voor welke groep was de impact het grootst? Beargumenteer.
c Er is wel eensgezindheid bij hedendaagse historici om de oudere term ‘nieuwe tijd’ te vervangen door ‘vroegmoderne tijd’. Zoek daar een verklaring voor.
Bron 1
De voorwaarden waaronder wij samenleven, kunnen niet gelijk zijn. Het kan niet anders dan dat de enen bevelen en de anderen gehoorzamen. Zij die bevelen hebben meerdere orden, rangen en graden. De soevereine heren geven hun bevelen door aan de groten, de groten aan lagere groepen, de lagere groepen aan kleinere en deze aan het volk. De enen leggen zich bijzonder toe op de dienst aan God, de anderen zorgen voor de staat met de wapens, en nog anderen voeden en onderhouden de staat.
Uit: Loyseau, C. (1610). Traité des ordres et simples dignités.
← Loyseau was een jurist uit de 17e eeuw. Hij hield een pleidooi voor het aanpassen van de feodale tradities waarbij een heer de macht over een gebied afstond aan ondergeschikte vazallen of plaatselijke heren. Hij pleitte bijvoorbeeld voor een systeem van volle eigendom in plaats van leengebied. Hij besprak ook de standenmaatschappij. Voor hem was sociale ongelijkheid een noodzakelijk kwaad. Iedere sociale groep of stand moest zijn plaats kennen in de samenleving: de ene heeft een andere opdracht of meer macht dan de andere.

Jan van der Straet, titelpagina van Nova Reperta (ca. 1590). In dit boek illustreerde de Brugse kunstschilder Jan van der Straet, alias Johannes Stradanus, hoe vernieuwend zijn eigen tijd was aan de hand van een reeks uitvindingen. Je herkent wellicht de ontdekking van Amerika en een aantal innovaties zoals de boekdrukkunst, het buskruit, de mechanische klok en het kompas. Een aantal van die uitvindingen zijn echter al veel ouder. De watermolen was al in de oudheid bekend. De middeleeuwers hadden al een mechanisch uurwerk. En de Chinezen pasten de boekdrukkunst al toe in de 11e eeuw.
Bron 3
Zelfs in de onbetwistbaar rijkste streken van Frankrijk blijft de productie op een peil dat veel lager ligt dan het zou moeten zijn met een meer ontwikkelde teelttechniek [vruchtwisselingssysteem zonder braak]. Men is slechts in een paar streken (o.a. Vlaanderen) afgestapt van het drieslagstelsel met de braak en overgeschakeld naar het vruchtwisselingssysteem. De overvloedige productie in deze streken bewijst het ontegensprekelijke belang van deze verbetering. In de andere gebieden blijft de opbrengst veel lager, en dat komt deels door dorpsgewoonten en verplichtingen.
Uit: Young, A. (1793). Travels in France.
↑
Arthur Young was een Engelse schrijver die reisde door een groot deel van West-Europa. Hij was erg geïnteresseerd in landbouwvernieuwingen. Hij verzamelde gedetailleerde cijfers en informatie over de landbouwproductie in de streken waar hij kwam.
Bron 4
aantal miljoenen mensen jaar 0 1000
West-Europa
Noord-Amerika en Oceanië
Midden- en Zuid-Amerika
Oost-Europa en Rusland
A zië
Afrika
← Deze grafiek toont de bevolkingsaantallen en de gemiddelde jaarlijkse groeisnelheid vanaf het jaar 0 tot 1998. De curves geven de evolutie van de wereldbevolking per continent weer.
Uit: Maddison, A. (2006). The World Economy: Volume 1: A Millennial Perspective and Volume 2: Historical Statistics. OECD Publishing. 0 250
Bron 5
Stelling 1 Sommige historici geven de periode van ca. 1450 tot ca. 1800 de naam 'nieuwe tijd', omdat die periode voor de tijdgenoten zelf als nieuw aanvoelde. Ze benoemden die periode daarom uitdrukkelijk als aetas nova. Volgens hun opvatting was er een opvallende breuk tussen de middeleeuwen en de nieuwe tijd, ten gevolge van de ontdekkingstochten, het humanisme, de reformatie en de renaissance. Ook het opdoen van inspiratie bij de klassieke oudheid was volgens hen pas vanaf ca. 1450 opvallend aanwezig in het nieuwe mens- en wereldbeeld.
Stelling 2 Andere historici erkennen geen radicale breuk tussen de middeleeuwen en de aetas nova. Zij benadrukken de continuïteit tussen de middeleeuwen en de 16e eeuw, omdat er voor de meeste mensen in de samenleving weinig veranderde. Zij vinden dat de humanisten slechts een kleine groep intellectuelen waren, en dus niet representatief voor de hele samenleving. Voor hen was het vinden van inspiratie bij de oudheid al aanwezig tijdens de middeleeuwen. Die historici gebruiken liever de term 'ancien régime' voor de periode van ca. 500 tot ca. 1800. Pas rond 1800 was er een echte breuk. Vanaf dan begint voor hen de moderne tijd.
Stelling 3 Nog andere historici geven er de voorkeur aan om de periode van ca. 1500 tot ca. 1800 de start van de vroegmoderne tijd te noemen. Volgens hun interpretatie kiemden toen een aantal vernieuwende elementen die heel belangrijk zouden worden in onze moderne West-Europese samenleving. Zo werd voor het eerst belang gehecht aan het individu en zijn keuzes. Op lange termijn was de aetas nova dus wel degelijk van groot belang.
• Ik leg uit waarom dat de indeling van de tijdlijn in historische perioden een constructie achteraf is.
• Ik toon de breukpunten en de punten van continuïteit van middeleeuwen naar vroegmoderne tijd.
• Ik ken verschillende benamingen voor de periode van ca. 1500 tot ca. 1800 en geef voor elke benaming een argument.
humanisme terug naar de bronnen
–nieuwe klassieke teksten voorhanden
–zoektocht naar meest originele bron
–ontstaan tekstkritiek
–nieuw mensbeeld (humanitas):
• mens staat centraal
• maakbare mens
• nieuwsgierige mens
• individuele mens –belang van scholing en onderwijs –encyclopedieën van kennis
Petrarca (vader), Erasmus, Thomas More
aetas nova (ca. 1450 - ca. 1550) nieuw mensbeeld
renaissance terug naar de oudheid
– kunst:
• schoonheid mens en natuur
• naakten en mythologie
• juiste anatomie, perspectief en verhoudingen
Giotto (vader), Botticelli, da Vinci, Michelangelo, Rafaël, Jeroen Bosch, Bruegel de Oude
– wetenschap:
• studie klassieke en Arabische wetenschap
• waarneming, experiment, redenering
• algemene natuurwetten
Vesalius, Copernicus, Galilei
– politiek: staat en macht:
• inspiratie klassieke staat en macht
–vrijheid en inspraak –sterke vorsten en staatsbelang
Thomas More, Machiavelli
reformatie en protestantisme terug naar de Bijbel
–kritiek op Katholieke Kerk
• leerstellingen wijken af van Bijbel
• misbruiken (aflaten en opleiding)
–reformatie binnen de Katholieke Kerk mislukt
–schisma: ontstaan protestantisme:
• Sola Scriptura
• Sola Fides
• Sola Gratia
–schisma: ontstaan anglicanisme
Luther, Calvijn contrareformatie Concilie van Trente (ca. 1550)
–herformulering katholieke leer
–aanpak misbruiken (aflaten verboden en seminaries)
–kunst als propaganda (barok)
belang van drukkunst (ca. 1450)
–snelle verspreiding nieuwe ideeën en kennis (gedrukte boeken)
–snelle verspreiding van protesten (gedrukte pamfletten)
aetas nova relatieve breuk: continuïteit en verandering
–ontstaan van modern humanistisch wereldbeeld
–ontstaan van moderne wetenschappen:
–tekstkritiek, onderzoeksmethode, positieve wetenschappen, politieke wetenschappen
Historische begrippen
Je leerde in de vorige jaren en in de vorige hoofdstukken al volgende historische begrippen: adel, astronomie, bestuurlijke organisatie , boekdrukkunst, centralisatie , christendom, clerus, concilie, filosofie , (on)gelijkheid, gewoonte , handel, Inquisitie, Katholieke Kerk, kooplui, kunstuiting, levensbeschouwing, mensbeeld, onderwijs, propaganda, religie, renaissance, sacrament, schisma, traditie , vraag, vrijheid, wereldbeeld, en wetenschappen
In dit hoofdstuk leerde je de volgende historische begrippen:
• cultureel: aflaat, anatomie, anglicanisme, artistieke stroming, barok, calvinisme, celibaat, contrareformatie, drukkunst , geocentrisme, heliocentrisme, humanisme, jezuïeten, lutheranisme, manuscript, miniatuur, perspectief, politieke wetenschappen, protestantisme, reformatie, religieuze hervorming, scriptorium, seminarie, staatskerk, wetenschappelijke tekstkritiek
• economisch: innovatie , natuurwetten, onderzoeksmethode
• politiek: inspraak , vertegenwoordiging
• sociaal: statussymbool
Structuurbegrippen
Je gebruikte in dit hoofdstuk ook de volgende structuurbegrippen: breuk, verband, (structurele/ incidentele) oorzaken en (bedoelde/onbedoelde) gevolgen, breuk en continuïteit.
Zelfevaluatie
Gebruik bij het studeren van dit hoofdstuk de leerdoelen aan het einde van elke les of bekijk op iDiddit welke doelen je leerkracht voor jou heeft geselecteerd.
Edward Kienholz, Five Car Stud (1969 - 1972). De hedendaagse kunstenaar Kienholz verbeeldt hier de haat die veel witte Amerikanen in het niet al te verre verleden uitten tegenover mensen van kleur. In dit levensgrote tableau staan vier auto's en een pick-uptruck opgesteld op een aarden vloer in een donkere kamer. Hun koplampen belichten een schokkende scène: een groep witte mannen die hun gruwelijke 'straf' uitvoeren op een Afro-Amerikaanse man die ze betrapt hebben terwijl hij zat te drinken met een witte vrouw. Met deze installatie opende het M HKA in Antwerpen in 2018 de tentoonstelling ‘Sanguine/ bloedrood. Luc Tuymans on Baroque’. De bekende Belgische kunstenaar Luc Tuymans (°1958) koos dit beeld als openingsbeeld van de expo. Voor hem is dit overweldigende werk dé verbindende factor tussen de barokschilderijen uit de 17e eeuw en de hedendaagse kunst. Volgens hem wordt vaak vergeten dat de barok zich in de westerse beeldcultuur heeft genesteld en verschillende machtsgroepen heeft geïnspireerd. ↑

In deze doorloper ga je op zoek naar het antwoord op twee historische vragen:
1
2
Wat zijn de kenmerken van de renaissance en de barok, twee kunststromingen van de vroegmoderne tijd?
Waarom bleven de renaissance en de barok ook na de vroegmoderne tijd kunstenaars inspireren?
Het begrip ‘renaissance’ is vaak door (kunst)historici gebruikt om een periode aan te duiden waarin de klassieke oudheid uitdrukkelijk de inspiratiebron was. Dat was het geval voor de tijd van Karel de Grote tijdens de vroege middeleeuwen, toen de bouwkunst, de leerplannen in de kloosters, het gebruik van het Latijn en de lettertypes rechtstreeks aan de oudheid waren ontleend. Ook over de 12e eeuw wordt weleens gezegd dat het een renaissance was omdat klassieke filosofen als Aristoteles toen opnieuw ontdekt werden in West-Europa. Maar in de 16e eeuw spraken intellectuelen zelf over een renaissance tijdens hun leven. Uit de renaissance van de 16e eeuw evolueerde de barok, een artistieke stroming die verder bouwde op de kenmerken van de renaissance, maar toch ook heel typische eigen accenten legde.
De renaissance ontwikkelde zich vanuit Italië in de 15e eeuw en kwam tot volle bloei in de 16e eeuw. Ze is nauw verbonden aan de ontwikkeling van het humanisme. Mens en natuur kwamen centraal te staan in het denken, in het wetenschappelijk onderzoek en in de kunst, kortom in het hele wereldbeeld. Klassieke mythologische verhalen, het naakt, het individuele portret en het landschap werden populaire kunstgenres. Religieuze thema’s kregen een menselijke interpretatie. Dat is onder meer te verklaren door de visie op het geloof van het protestantisme, maar vooral door het humanistische vertrouwen in het individu en de maakbare mens. Dankzij Vesalius kreeg men ook meer kennis over de anatomie van de mens. De grote belangstelling voor de natuur was te danken aan het voortschrijdend wetenschappelijk onderzoek en de uitbreiding van de interculturele contacten in de Nieuwe Wereld, Afrika en Azië.
Niet enkel de thema’s in de kunst veranderden, ook de manier waarop de thema’s vorm kregen. Zo ontdekte men wetenschappelijke wetten om op een correcte manier perspectief op een plat vlak te krijgen. Men wist nu ook dat men met bepaalde kleuren en belichting ook diepte en volume kon scheppen en dat de compositie of opbouw van een schilderij belangrijk was om evenwicht in een beeld te krijgen. Voor de toeschouwer was een schilderij een soort venster op de wereld. Daarin kon hij verdwalen, dingen zien die hij nog niet kende, genieten van naakte schoonheden of even wegdromen van de harde wereld.
2 De Homo universalis
Ook de positie van de kunstenaar veranderde. De meeste middeleeuwse kunstenaars werden nog beschouwd als ambachtslui, als echte vakmensen die hun metier van jongs af aan van hun vader hadden geleerd. Vanaf de late middeleeuwen kreeg men meer oog voor uitzonderlijke talenten. Zo kregen de zogenaamde Vlaamse Primitieven aanzien in de 15e eeuw. Ze verwierven bekendheid en hun werken waren gegeerd bij de vorsten en de rijke burgerij. Ze kregen vaak een atelier aan het hof en belangrijke opdrachten. Ze bleven niet langer anoniem en signeerden hun panelen. Kunstenaars werden niet langer als ambachtslui beschouwd, maar kregen het label van kunstenaar. In Italië ontstond zo de Homo universalis, de universele mens die op verschillende domeinen geniaal was. Leonardo da Vinci is het prototype van zo’n geniale mens: hij was tegelijk wetenschapper, uitvinder, technicus, filosoof, schilder, beeldhouwer, architect, schrijver, ingenieur en scheikundige.
De renaissance begon niet plots in de 15e eeuw. Al rond 1300 was er een Italiaanse schilder, Giotto di Bondone, die erin slaagde om met kleur en licht diepte en volume te scheppen. Wat al in de middeleeuwen begon, kwam echter in de aetas nova tot volle bloei. Michelangelo Buonnaroti beeldhouwde haast levensechte beelden. Zijn beroemde David overtrof zelfs de klassieke voorbeelden. Geïnspireerd door de koepel van het Pantheon in Rome ontwierp Filippo Brunelleschi de beroemde koepel van de dom in Firenze, een staaltje van technisch vernuft.
Vanaf de tweede helft van de 16e eeuw, tijdens de contrareformatie, werd het evenwicht dat de renaissancekunstenaars nastreefden geleidelijk doorbroken: de emoties namen het over van de rationaliteit. Kunstenaars wilden niet langer de ideale schoonheid in beeld brengen. Ze wilden de toeschouwer emotioneel raken. De nieuwe stijl die tot volle bloei kwam in de katholieke landen, kreeg de naam barok, een naam die wellicht ontleend is aan het Portugese woord barocco, een onregelmatige parel. In de schilderijen werden de composities nu dramatischer en de onderwerpen werden weer eerder ontleend aan de religie dan aan de mythes uit de klassieke oudheid. De altaarstukken in de kerken namen soms enorme afmetingen aan. De dramatiek werd versterkt door diagonale opstellingen met veel actie en beweging, scherpe contrasten tussen licht en donker (clair-obscur) en close-ups.
Tijdens 17e eeuw schoten nieuwe barokkerken als paddenstoelen uit de grond. Dat was vooral het geval in Rome, het centrum van de contrareformatie. Ook Antwerpen werd tijdens haar gouden eeuw een centrum van de barok. In onze streken waren Rubens, Jordaens en Van Dyck belangrijke barokschilders. De gevels van de kerken waren een wervelend schouwspel van zuilen en klokvormige frontons, nissen met heiligenbeelden, versieringen en bladgoud. En ook de interieurs waren overladen met versieringen, beelden en bladgoud. De barok was een overweldigende en imponerende stijl waarmee de Katholieke Kerk haar vooraanstaande positie in Europa wou herstellen. Ook machtige vorsten gebruikten de barokstijl om hun macht te etaleren.
4 Burgerlijke barok
In de protestante gebieden ontwikkelde de barokstijl zich vooral in de schilderkunst, zij het in een eigen vorm. Vooral de thema’s waren niet langer religieus, maar ontleend aan het dagelijks leven van de burgerij. Landschappen, genrestukken (voorstellingen van het dagelijks leven), zeezichten en stillevens waren erg populair. De composities waren er ook dynamischer en emotioneler dan tijdens de renaissance en vooral het clair-obscur zorgde voor spanning binnen het beeld. Belangrijke ‘burgerlijke’ barokschilders uit de Noordelijke Nederlanden waren Rembrandt van Rijn, Johannes Vermeer en Frans Hals.
5 Neoclassicisme en neobarok in de 19e eeuw
In de 19e eeuw ontstonden in Europa een aantal nieuwe staten of naties, onder meer België. Zulke jonge staten hebben vaak de behoefte om de samenhorigheid te versterken. Dat kan door te dwepen met grote momenten uit het verleden. Antwerpen bijvoorbeeld beleefde haar gouden eeuw tijdens de renaissance. Dus de renaissance werd er weer populair in de 19e eeuw. Er was in die jonge staten ook nood aan nieuwe regeringsgebouwen en instellingen. Die werden vaak in neostijlen opgetrokken. Het neoclassicisme keerde terug naar de oude Griekse en Romeinse bouwkunst en naar de renaissance die in de 16e eeuw de klassieke architectuur had omarmd. Het werk van de Italiaanse renaissance-architect Andrea Palladio vond in veel steden navolging. De architectuurstijl die barokke elementen uit de 17e eeuw nabootste of integreerde, wordt de neobarok genoemd.
Wat zijn de kenmerken van de renaissance en de barok, twee kunststromingen van de vroegmoderne tijd?
In de aetas nova spraken kunstenaars zelf van een ‘renaissance’ van de oudheid. Die kunststroming kwam tot bloei in de 15e en 16e eeuw. Uit de renaissancestijl ontwikkelde zich vanaf de tweede helft van de 16e eeuw, tijdens de contrareformatie, de barok. Die bereikte een hoogtepunt in de 17e eeuw.
Opdrachten
1 Onderzoek het verband tussen de kunst en de tijdsgeest. Bestudeer bron 1. Hoe kun je verklaren dat de twee genres die je in bron 1 ziet tijdens de renaissance zo populair werden? Herlees op p. XX eventueel de lestekst over het humanisme uit hoofdstuk 3.
2 Bestudeer aan de hand van bron 2 de kenmerken van de vroegmoderne kunst.
a Bewijs dat de klassieke oudheid de vroegmoderne kunst inspireerde.
b Beargumenteer of er van de middeleeuwen naar de vroegmoderne tijd sprake was van continuïteit of van een breuk in de kunst. Of was er sprake van beide?
c Waaraan merk je dat de renaissancekunst meer aandacht voor schoonheid had terwijl in de barok de emotie overheerste?
3 Bestudeer de evolutie in de vroegmoderne architectuur aan de hand van bron 3.
a Op welke manier brak de middeleeuwse gotiek met de klassieke oudheid?
En op welke manier sloot de renaissance weer aan bij de oudheid?
b Zoek de gelijkenissen en verschillen tussen de renaissance en de barok. Kun je spreken van een breuk? Beargumenteer.
4 Bestudeer de twee verschillende stromingen binnen de Europese barok aan de hand van de interieurs en de schilderijen van bron 4.
a Welke verschillen vallen op tussen de barok in de katholieke Zuidelijke Nederlanden en de protestante Noordelijke Nederlanden?
b Hoe kun je die verschillen verklaren aan de hand van de kennis uit hoofdstuk 3 en 4?
c Bestudeer bron 4a. Op welke manier werd de kunst in de Zuidelijke Nederlanden ingezet als propagandamiddel voor de contrareformatie?
d Het katholicisme heeft een beeldcultuur, het protestantisme een woordcultuur. Hoe zie je dat geïllustreerd in bron 4?
Bron 1a

↑ Leonardo da Vinci, Portret van Cecilia Gallerani of Vrouw met hermelijn (ca. 1490).. Portretten werden een populair genre in de renaissance.
Bron 1b
Bron 2a renaissance klassieke oudheid renaissance middeleeuwen (15e eeuw)

↑ Pieter Bruegel de Oude, Vlucht naar Egypte (1563).. Hoewel de titel nog verwijst naar een religieus thema, overheerst hier duidelijk het landschap.
Bron 2b

↑ Venus van Milo (ca. 130 v.C.). Venus (Aphrodite in het Grieks) was de godin van de liefde.

↑ Jan van Eyck, Madonna van Lucca (ca. 1437 - 1438). Maria zit als een koningin op een troon en voedt haar kind Jezus.
Bron 2c
renaissance (15e - 16e eeuw)

↑
Titiaan, Venus van Urbino (1538). Venus, die juist gebaad heeft, rust even uit na haar bad alvorens zich te laten aankleden.
Bron 2d
barok (16e - 17e eeuw)

Peter Paul Rubens, Venus Frigida (1614). Venus rilt van de kou omdat er geen brood en wijn is, en ook geen liefde.
Bron 3b
Bron 3a klassieke oudheid middeleeuwen (gotiek)

↑
Façade van de bibliotheek in de Grieks-Romeinse stad Efeze (Efeze, nu: Turkije, 2e eeuw n.C.). ↑ Kathedraal van Antwerpen (1352 en 1521).



Zuid-Nederlandse barok (SpaansHabsburgse rijk) (17e eeuw)
Bron 4a

↑
Interieur katholieke barokkerk Carolus Borromeus (Antwerpen, 17e eeuw): overdadig versierd interieur met afbeeldingen over het leven van Christus.
Bron 4c

↑
Noord-Nederlandse barok (Republiek) (17e eeuw)
Bron 4b

↑
Gijsbert Sibilla, schilderij van het interieur van de protestantse Laurentiuskerk in Weesp (Utrecht, ca. 1635): sober interieur.
Pieter Paul Rubens, Kruisafneming (1611 - 1614) (Kathedraal Antwerpen): christelijke boodschap, wervelende compositie, sterk licht-donkercontrast (clair-obscur).
Bron 4d

↑
Rembrandt van Rijn, De Anatomische Les van Dr. Tulp (1632) (Mauritshuis, Den Haag): diagonale compositie en clair-obscur.
Waarom bleven de renaissance en de barok ook na de vroegmoderne tijd kunstenaars inspireren?
Opdrachten
1 Onder zoek hoe de renaissance en de barok tot vandaag blijven inspireren.
a Bestudeer bron 1 (bekijk ook het filmpje) en de instapafbeelding (Kienholz) van deze doorloper. Concludeer met welke moderne middelen Bill Viola en Edward Kienholz hun boodschap tot leven brengen.
b Concludeer waarom de sfeer in het filmpje van Viola meer aansluit bij de renaissance en de installatie van Kienholz meer verwant is aan de barok.
2 Onder zoek de relatie tussen een kunstwerk, de tijdsgeest en het doelpubliek aan de hand van bron 2. De Venus van Titiaan (renaissance) inspireerde eeuwen later de beroemde Franse schilder Manet (19e eeuw). Toch is de sfeer heel anders. Verklaar en leg het verband met het doelpubliek.
3 Onder zoek hoe de renaissance en de barok verderleefden in de 19e-eeuwse architectuur.
a Bestudeer bron 3. 'Neo' betekent '(op)nieuw'. In Sapiens 3 maakte je al kennis met de neogotiek (19e eeuw). Ook de renaissance en de barok waren een bron van inspiratie in de 19e eeuw. Leid af op welke manier.
b Vind je dat de neostijlen voldoende authentiek of vernieuwend zijn of vind je ze minder waardevol dan hun oorspronkelijke inspiratiebron? Beargumenteer je keuze.


← Links: Jacopo Pontorno, De Visitatie (ontmoeting van Maria en Elisabet) (1529) (Pieve di San Michele Arcangelo Carmignano, Italië).
Rechts: Ben Viola, still van kunstvideo The Greeting (1995) (Museum de Pont, Tilburg). Het renaissancewerk De Visitatie diende als uitgangspunt voor de hedendaagse kunstvideo The Greeting. Op het schilderij staan vier vrouwen, waarbij de twee achterste vrouwen dezelfde lijken als de twee voorste vrouwen.
De achtersten kijken ons indringend aan. Zo onderstreept Pontormo de grote betekenis van deze ontmoeting. Bill Viola, die zich vaak inspireerde op de christelijke mystiek, doet met andere middelen iets soortgelijks. Allereerst vertraagt hij de opname van 45 seconden tot 10 minuten. Iedere beweging en blik wordt uitvergroot. Daarmee verandert Viola een alledaags onderonsje van vrouwen op straat in een bijzonder moment uit de christelijke Bijbelgeschiedenis. De wind is hoorbaar aanwezig; de gewaden wapperen. Het is het dramatische moment waarop de zwangere Maria voor het eerst naar buiten treedt met haar kind dat de wereld zal veranderen.

↑
Titiaan, Venus van Urbino (1538) (Uffizi, Firenze).
Venus, die juist gebaad heeft, rust even uit na haar bad alvorens zich te laten aankleden. De opdrachtgevers van renaissanceschilders waren voornamelijk rijke beschermheren zoals de familie de Medici, pausen en andere geestelijken, en adellijke heersers en kooplieden. Die opdrachtgevers waren vaak mecenassen of personen die belangeloos de kunstenaars financieel ondersteunden.
Bron 3b

↑
Édouard Manet, Olympia (1863) (Musée d'Orsay, Parijs).
Manet inspireerde zich op de Venus van Titiaan. De naam Olympia werd in de jaren 1860 in Parijs geassocieerd met prostituees. In de 19e eeuw stonden schilders niet langer in dienst van rijke opdrachtgevers. Ze werkten onafhankelijk in hun atelier en hun werken werden tentoongesteld in salons waar geïnteresseerde kopers hun keuze konden maken.
Bron 3c
Bron 3a renaissance (16e eeuw) neorenaissance (19e eeuw) neobarok (19e eeuw)

Andrea Palladio, ontwerp van het Palazzo Ducale (pen en inkt op papier) (Venetië, 16e eeuw). Palladio was een belangrijke Italiaanse architect uit de renaissance. Hij maakte talrijke plannen van gebouwen. Zijn ontwerpen werden populair in de 19e eeuw.

↑
Ontwerp van Louis Roelandt, oud gerechtsgebouw Gent (1836 - 1846).
Architecten uit de 19e eeuw ontleenden hun klassieke beeldtaal aan voorbeelden uit de klassieke oudheid, maar ook aan de 16e-eeuwse renaissance.
Daarom wordt de stijl ‘neoklassiek’ of ‘neoclassicisme’ genoemd.

↑
Ontwerp van Louis Delacenserie, inkomhal van het treinstation
Antwerpen-Centraal, (1899 en 1905). Achter de neobarokke gevel bevindt zich een voor die tijd ultramoderne industriële glazen overkoepeling van de sporen.
Pieter Bruegel, Dulle Griet (1563). Het schilderij schittert vandaag in het Antwerpse Museum Mayer van den Bergh. Centraal op de afbeelding staat Dulle Griet, een afkorting voor dolle, boze of dwaze Margareta. Je ziet een vrouw in harnas met een zwaard in de hand een brandende stad ontvluchten, gevolgd door een groep plunderende en vechtende vrouwen. Ze draagt een geldkoffer en kostbaar vaatwerk en daarmee staat ze symbool voor enkele katholieke hoofdzonden als hebzucht en gulzigheid. Is dit schilderij een verwijzing naar de woelige tijden van strijd? Of hekelt Bruegel het feit dat Margaretha van Parma optrad als landvoogdes in de Nederlanden voor koning Filips II van Spanje?
In dit hoofdstuk onderzoek je waarom de Nederlanden in opstand kwamen tegen hun vorst en tot welke veranderingen dat leidde.

2 3 4 5 1
Keizer Karel zet de Bourgondische centralisatie verder (1515 - 1555)
Onder Filips II komen de Nederlanden in opstand (1568 - 1648)
Wat weten we over de geuzen?
De kleine ijstijd van de 16e - 17e eeuw
Uitbreiding: Verschuivende metropolen: Brugge, Antwerpen en Amsterdam
In Sapiens 3 leerde je hoe in de 14e eeuw het hertogdom Bourgondië evolueerde tot een groter rijk met erfgebieden die zowel in Frankrijk als het Duitse rijk lagen. Je kunt die voorkennis in dit hoofdstuk gebruiken om beter te begrijpen hoe de staatsvorming in onze regio tijdens de vroegmoderne tijd verliep.
1 Herhaal hoe onder andere de huwelijkspolitiek aan de basis lag van de Bourgondische staatsvorming.
2 Leg uit hoe de Bourgondische hertogen een centralisatiepolitiek voerden in hun territorium.

Frans Hogenberg, gravure van de Beeldenstorm (1566). In tientallen steden in de Nederlanden werden kerken en kloosters het doelwit van een woedende menigte. De opstand die al even in de lucht hing, ging nu in alle hevigheid van start.
De expansie van het Bourgondische hertogdom (1363 - 1477).

Pieter Bruegel de Oude, Jagers in de sneeuw (1565). Tussen 1550 en 1700 daalde de temperatuur gevoelig. Die periode werd later door historici ‘de kleine ijstijd’ genoemd.

Plakkaat van Verlatinghe (1581). Met dit document zei de Staten-Generaal zijn trouw aan de Spaanse koning Filips II op. De staten beriepen zich op het weerstandsrecht.

Conrad Merts, buste van de jonge Karel (1518 - 1520) (Gruuthusemuseum, Brugge).
De jonge keizer Karel was genoemd naar zijn overgrootvader, de Bourgondische hertog Karel de Stoute.
REFORMATIE CONTRAREFORMATIE

Maker onbekend, portret van Willem II van der Marck Lumey (1572). Willem II van der Marck, heer van Lummen of kortweg ‘Lumey’, werd een van de kleurrijkste en beruchtste geuzenleiders. Willem ondernam gewapende expedities en roofen plundertochten en stond aan het hoofd van de watergeuzen.
Blaeu, stadsplan van Amsterdam (1649). Amsterdam kende in de 17e eeuw een ongekende bloei. De stad dankte die ‘gouden eeuw’ aan de ondernemingszin van haar burgers, maar zeker ook aan de enorme migratie die na de val van Antwerpen (1585) op gang was gekomen.

In Sapiens 3 ontdekte je hoe in de late middeleeuwen de Bourgondische hertogen de verschillende graafschappen, bisdommen en hertogdommen van de Nederlanden verenigden onder hun gezag. Dat verhaal kende een onverwachte wending toen de laatste hertogin, Maria van Bourgondië, op jonge leeftijd stierf. De Nederlandse gewesten kwamen terecht bij haar man, Maximiliaan van Oostenrijk. Voortaan zou een nieuwe dynastie de macht hebben in de Nederlanden: de Habsburgers.
1.1 K arel van Habsburg erft een wereldrijk
De Habsburgers waren een familie met naam en faam in Europa. Ze bezaten uitgestrekte gebieden in Midden-Europa (Oostenrijk en Hongarije). En vanaf het midden van de 15e eeuw droegen ze ook de keizerstitel in het Duitse rijk. Toen Filips, de zoon van Maria en Maximiliaan, trouwde met de Spaanse prinses Johanna, werd een gebied verenigd dat de basis voor een wereldrijk legde. Johanna kreeg van haar ouders immers het verenigde Spanje en uitgestrekte gebieden in Italië mee. Door de Spaanse veroveringstochten in de Nieuwe Wereld kwam daar nog een enorm overzees gebied bij.
Samen met de Oostenrijkse en Nederlandse gebieden kwam die erfenis in handen van één man: Karel van Habsburg, de zoon van Filips en Johanna. Op dat moment was hij eigenlijk nog een jongen. Zijn vader was in 1515 al op jonge leeftijd gestorven. Daardoor kwam de vijftienjarige Karel aan het hoofd van alle Habsburgse bezittingen. Op zijn negentiende werd hij bovendien de Duitse keizer, een titel die hij tot aan zijn troonsafstand in 1555 zou dragen.
1.2 Keizer Karel heeft meer vijanden dan bondgenoten
Tijdens de veertig jaar waarin hij bestuurde, rolde keizer Karel van het ene conflict in het andere. Zijn geërfde landen vormden immers geen eengemaakt rijk. Karel verenigde ze door zijn persoon, maar daarmee voelden die gebieden zich nog niet verbonden. Elk gebied kende een eigen taal en eigen wetten en tradities. Door de reformatie zorgde ook godsdienst voor verdeeldheid in zijn rijk: in het Duitse rijk, maar ook in onze streken, kozen steeds meer onderdanen voor het protestantisme. Voor de streng katholieke Karel was dat onverteerbaar. Hij wilde die ketterse invloeden uitroeien. Steeds strengere wetten, die men toen ‘plakkaten’ noemde, werden ingevoerd.
Aan de grenzen van zijn rijk lagen ook verschillende vijanden op de loer. De Franse koning Frans I voelde zich omsingeld door de gebieden van Karel. Die zocht steun bij andere heersers en vond die ook. Hij overtuigde de Engelse koning Hendrik VIII, de Ottomaanse sultan Suleyman de Grote en zelfs de paus om tegen Karel ten strijde te trekken. Hoewel Karel de meeste vijanden wist af te houden, was hij in 1555 moegestreden. Hij liet de macht over aan zijn broer Ferdinand, die keizer van het Duitse rijk werd, en aan zijn zoon Filips II, die Spanje, de overzeese kolonies en de Nederlanden mocht besturen.
1.3 In de Nederlanden zet Karel de Bourgondische traditie verder Omdat hij steeds meer opgeslorpt werd door de Europese politiek, duidde keizer Karel familieleden aan om in de verschillende delen van zijn rijk te regeren. In de Nederlandse gewesten kwam zo eerst zijn tante Margaretha en later zijn zus Maria aan het hoofd van het bestuur. Als regent of landvoogd zetten beiden het beleid van de Bourgondische hertogen verder: centralisatie van de macht en uitbreiding en eenmaking van het territorium
Ook in de Nederlanden zou Karels taaiste tegenstander de ketterij worden. De multiculturele samenleving die in onze handelssteden gegroeid was, paste niet in het wereldbeeld van de Habsburgers. Uit Spanje, waar voornamelijk moslims en joden vervolgd werden, nam Karel het voorbeeld van de kerkelijke Inquisitie mee. Die rechtbanken kregen de macht om ketters (voornamelijk protestanten) op te sporen en te vervolgen. Ze brachten niet de gewenste religieuze eenheid, wel integendeel. Op het einde van Karels bewind hing er al een opstand in de lucht. Die zou er onder zijn zoon Filips II ook komen.
1 Bekijk het filmpje en bestudeer de stamboom en het rijk van keizer Karel in bron 1 en kaart 1. Is zijn grote erfenis het gevolg van toeval of van een bewuste strategie?
Gebruik eventueel de lestekst om je antwoord te staven met argumenten.
2 Keizer Karel had veel vijanden, intern en extern. Gebruik kaart 1 en bron 3 en 4 om de vijanden van Karel op te sommen. Gebruik de lestekst om je antwoord te staven.
Bron 1
Bourgondië
Bourgondische hertogen, zie Sapiens 3
Maria van Bourgondië
Duitse rijk
Maximiliaan van Oostenrijk, later keizer van het Duitse rijk
Filips de Schone van Habsburg
Jan Cornelisz Vermeyen, portret van keizer Karel (Nederlanden, 1530).

09b ↑ Bekijk het filmpje.
Castilië Aragon
Isabella van Castilië Ferdinand van Aragon
Karel V, later keizer Karel genoemd
Filips II
Johanna van Aragon
Ferdinand

Sofonisba Anguissola, portret van Filips II (Italië, 1572).

Prent van Jan Luyken (1670). In 1549 werden voor het stadhuis van Amsterdam acht anabaptisten verbrand. De anabaptisten of wederdopers hoorden bij een radicale protestantse stroming die onder andere de kinderdoop afwees, een zuivere gemeente van gelovigen nastreefde en vaak ook weigerde de eed af te leggen of militaire dienst te doen. Omdat zij daarmee zowel de katholieke leer als het maatschappelijk gezag ondermijnden, werden ze door de overheid als bijzonder gevaarlijk beschouwd.
Wij bevelen ten eerste dat niemand, ongeacht zijn rang of stand, enig boek of geschrift van de hand van Luther, Calvijn of andere ketters zal mogen drukken, kopiëren, bij zich dragen, verbergen, verkopen, uitdelen, laten vallen, in kerken of op andere plaatsen. (…) Men mag ook geen aanstootgevende afbeeldingen van de geestelijke stand tekenen, graveren of portretteren. Het wordt ook verboden om in het eigen huis bijeenkomsten van ketters te houden. Wij verbieden aan alle leken en anderen om in het publiek of in het geheim van gedachten te wisselen over het heilige schrift. Het is niet toegelaten om andere interpretaties van het heilige schrift voor te lezen of aan te lezen. (…) Zij die bovenstaande punten overtreden, zullen worden vervolgd als oproerige personen en verstoorders van onze staat en de openbare orde. Zij zullen als dusdanig worden gevonnist, te weten de mannen met het zwaard en de vrouwen levend begraven, voor zover zij hun dwalingen niet willen verdedigen of volhouden. Indien zij deze ketterijen toch volhouden, worden zij gestraft met de brandstapel en in elk geval worden al hun bezittingen verbeurd verklaard en aan ons toegekend.
Uit: Goemaere, J. (1897). Recueil des ordonnances des PaysBas ↑
Fragment uit het beruchte plakkaat van 1550. Die wet, uitgevaardigd door keizer Karel, was een streng edict tegen de opkomst van de reformatie in de Nederlanden. Omdat de wet tot zware vervolgingen en executies leidde, kreeg ze later de bijnaam ‘het Bloedplakkaat’. Het jaar in de bronvermelding (1897) is niet het jaar van de plakkaat zelf (1550), wel van de latere bronvermelding.
• Ik situeer het rijk van Karel V op een kaart.
• Ik gebruik de begrippen ‘macht’ en ‘centralisatie’ om het beleid van Karel V te beschrijven.
De Spaanse koning Filips II erfde van zijn vader Karel niet alleen een machtig koninkrijk. Hij erfde ook de rotsvaste overtuiging dat de Habsburgse dynastie het katholieke geloof moest beschermen tegen protestanten en andere ketters, zoals de Ottomaanse moslims. Net als bij zijn vader werd het bestuur van Filips gekenmerkt door voortdurende strijd. Het goud en zilver uit de Amerikaanse kolonies volstonden niet om zijn vele oorlogen te bekostigen. Dus greep hij terug naar dat andere Habsburgse territorium in het noorden: de Nederlanden.
In onze gewesten heerste rond het midden van de 16e eeuw een economische crisis. Voortdurende strenge winters en natte zomers deden de landbouw pijn, terwijl de lakennijverheid kreunde onder de sancties die Filips aan het protestantse Engeland had opgelegd. Werkloosheid en armoede namen zienderogen toe. Sociale onrust dreigde.
Ook de adel en de steden mopperden. De centralistische politiek van Filips vanuit het verre Spanje bedreigde hun privileges. Sinds de middeleeuwen waren de standen gewoon om in standenvergaderingen (de zogenaamde Staten) mee te besturen met de vorst. Maar Filips vertrouwde hen niet en liet het bestuur over aan een handvol vertrouwelingen rond de landvoogdes, zijn halfzuster Margaretha van Parma. Hun strenge aanpak van de protestanten viel bij de adel en de steden niet in goede aarde.
Verschillende lagen van de bevolking voelden zich aangesproken door hervormingsgezinde, radicale stemmen. Die kwamen uit protestantse hoek: vooral calvinistische predikers slaagden erin om steeds grotere aantallen mensen te overtuigen. Filips trad hard op tegen die protestanten, ondanks herhaalde verzoeken van de adel om milder te zijn.
Een erg strenge winter en sterk gestegen graanprijzen zorgden in 1566 voor een explosieve situatie, die al gauw uit de hand liep. Opgehitst door calvinistische predikers vernielde een woedende massa in verschillende Vlaamse steden kerken en kloosters: de Beeldenstorm was begonnen. De weken erop raasde die door de verschillende Nederlandse gewesten, met enorme vernielingen van beelden, schilderijen en kerkelijke bezittingen als gevolg.
Filips was woedend en stuurde de Spaanse hertog van Alva op strafexpeditie naar de Nederlanden. Hij nam een legermacht mee, die door de bevolking hier werd aangevoeld als een bezettingsleger. Alva richtte de Raad van Beroerten op, die de ketters moest opsporen en terechtstellen. Omdat er zoveel doodvonnissen werden uitgeroepen, kreeg die raad al gauw de naam ‘Bloedraad’.
Met zijn repressie bereikte Filips het omgekeerde van wat hij gehoopt had: niet de rust kwam terug, maar een opstand brak uit. Ook de hoge adel, die zich tot nu toe verzoenend en koningsgezind had opgesteld, keerde zich nu tegen de koning. Een van hen, prins Willem van Oranje, riep in 1568 op tot militair en burgerlijk verzet. De opstand kreeg meer en meer het karakter van een oorlog, die tachtig jaar zou duren. Toen Spaanse soldaten in verschillende steden aan het muiten sloegen (de Spaanse Furie), zegden de standen in de Staten-Generaal hun trouw aan de koning op. Dat Plakkaat van Verlatinghe (1581) kun je beschouwen als de onafhankelijkheidsverklaring van de Nederlandse gewesten.
scheiding
Ondertussen hadden enkele zuidelijke gewesten zoals Henegouwen hun trouw aan de koning bevestigd. Van daaruit rukte het Spaanse leger steeds noordelijker op om de opstandige steden daar een voor een te heroveren. Met de val van Antwerpen in 1585 bereikte de oorlog een beslissend keerpunt. De steden en gebieden ten zuiden van de havenstad zouden Spaans blijven, maar alle noordelijke gewesten slaagden erin de Spanjaarden buiten te houden. Duizenden protestantse burgers migreerden in die oorlogsjaren naar het noorden.
De Tachtigjarige Oorlog tussen Spanje en de opstandige Nederlandse gewesten sleepte zich uitzichtloos verder tot het jaar 1648. In dat jaar werd vrede gesloten tussen Spanje en een nieuwe republiek: de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, of kortweg ‘de Verenigde Provinciën’. In de zuidelijke gewesten bleven de Habsburgers nog aan de macht tot aan de Franse Revolutie (1789).
Opdrachten
1 Bron 1 tot en met 6 zijn historische bronnen. Gebruik de lees- en kijkstrategieën uit de Histokit om die bronnen te observeren.
a Bekijk en lees de bronnen. Lees de bijschriften nog niet. De bronnen geven het perspectief van een tijdgenoot weer. Welke bronnen geven eerder een Spaansgezind perspectief? Welke bronnen geven eerder het standpunt van de opstandelingen? Welke bronnen kun je als ‘neutraal’ bestempelen?
b Lees nu het bijschrift bij elke bron. Kon je zonder het bijschrift ook het perspectief interpreteren? Bij welke bron lukte dat niet of minder goed? Overleg waarom dat bij sommige bronnen moeilijker is.
2 Bekijk het schilderij De Dulle Griet (ca. 1563) van Bruegel. We begonnen het hoofdstuk ermee op p. XXX.
a Wat leert het schilderij over de maatschappij waarin Bruegel leefde? Welke thema’s zette de schilder duidelijk in de verf?
b Nam de schilder zelf positie in vóór of tegen het bewind van de Spanjaarden? Bespreek je antwoord.
3 Repressie en onderdrukking zijn ook vandaag nog middelen waar regeringen geregeld naar grijpen om een (dreigende) opstand de kop in te drukken. Ken je een aantal recente voorbeelden? Welke gevolgen waren er?
4 Vergelijk kaart 1 met de kaart op p. XXX.
a Welke gebieden raakten de Habsburgers kwijt in 1648? Zoek op welke nieuwe rijken er in die gebieden ontstonden.
b Wat hebben die twee rijken gemeen op politiek en religieus vlak? Wat zegt dat over de veranderende kijk op godsdienst in Europa in het midden van de 17e eeuw?

← Pieter Christiaenszoon Bor, Drie hagenpreken in de buurt van Antwerpen in Nederlantsche oorloghen (1621). De naam ‘hagenpreken’ ontstond omdat calvinistische predikers hun bijeenkomsten in het geheim buiten de muren van de stad moesten houden. Ze deden het dus tussen de hagen. Linksboven zie je een lutherse hagenpreek bij het Kiel. Linksonder (onder de bomen) zie je een Franstalige calvinistische preek en centraal een Nederlandstalige calvinistische preek. Op de achtergrond zie je de stadsmuren en de skyline van Antwerpen.
↑
Mevrouw mijn geliefde zuster, Ik beantwoord uw brief van 22 juli waarin u me vertelde, (…) hoe u bent begonnen de instructies ten uitvoer te brengen die de graaf van Egmont heeft overgebracht, en dat u probeert de religieuze problemen op te lossen. (…) Met betrekking tot de inquisitie, is het mijn bedoeling dat die door de inquisiteurs precies ten uitvoer wordt gebracht zoals zij dat tot nu hebben gedaan en zoals zij behoren te doen volgens het goddelijk en het menselijk recht. (…) Als iemand bang is voor ordeverstoringen: er is geen reden te geloven dat die eerder zullen optreden of omvangrijker zullen zijn als men de inquisiteurs toestaat hun plichten te vervullen en hen daarbij ondersteunt. U kent het belang hiervan en ik beveel u dringend in deze kwestie alles te doen wat noodzakelijk is en niet in te stemmen met een ander beleid.
Uit: Kossmann, E.H. & Mellink, A.F. (1974). Texts concerning the Revolt in the Netherlands. Cambridge University Press.
Op 17 oktober 1565 schrijft koning Filips II vanuit zijn buitenverblijf in de buurt van het Spaanse Segovia aan zijn halfzuster Margaretha van Parma, landvoogdes in de Nederlanden. De graaf van Egmont, stadhouder van Vlaanderen, was naar het Spaanse hof gereisd als afgevaardigde van de Raad van State, de centrale raad van de hoge adel van de Nederlanden. Egmont had bij Filips gepleit voor mildere straffen voor de protestanten en de beperking van de Inquisitie, de kerkelijke rechtbank die protestanten opspoorde en vervolgde.
Bron 3
De beeldenstormers vernietigden in het klooster van de predikheren alles, spaarden zelfs de vrouwenzitplaatsen in de kerk niet en verscheurden ontelbare boeken, zodat de straat vol papier lag. Vanuit de cellen werd zoveel papier in de Leie geworpen, dat het leek als er grote sneeuwvlokken in het water vielen. Andere boeken wierpen ze ongescheurd in de Leie, omdat ze te veel werk hadden. De rivier lag vol papier en boeken die onnoemlijk veel geld hadden gekost.
(…) De kinderen lachten en spotten met de beelden. Ze riepen: “Roep ‘Vive le geus’ of we onthoofden u!” Daarna onthoofdden ze de beelden of sloegen ze in stukken. Pater Lambrecht werd aangerand en verplicht ‘vive le geus’ te roepen. Hij weigerde, al wist de arme man dat hij dit met zijn leven zou bekopen.
Naar: van Vaernewijck, M. (1966), Van de beroerlijke tijden in de Nederlanden en voornamelijk in Gent 1566-1568 Uitgeverij Heideland.
↑
Op 10 augustus 1566 leidde een hagenpreek in het dorpje Steenvoorde in de Westhoek tot de vernieling van een kapel. Het was het startschot van een beweging van kerken kloostervernielingen in verschillende gewesten in de Lage Landen, die we kennen als de Beeldenstorm (zie ook afbeelding XXX bij de tijdlijn op p. XXX). De getuigenis van Marcus van Vaernewijck is gebaseerd op eigen waarnemingen en op gesprekken met ooggetuigen.
Bron 5
Bron 4
De Spanjaarden en andere kwade mensen hebben over alles wat hier gebeurd is aan de vorst in de allerslechtste bewoordingen verteld, zodat zijne majesteit de hertog van Alva naar onze gewesten gestuurd heeft. Hij is gekomen om de goeden samen met de kwaden te verjagen en veel onschuldigen samen met weinig schuldigen, zonder onderscheid, te verhangen en te onthoofden. (…) Velen worden gedood in onze gebieden, en verdreven. Onschuldige vrouwen en kinderen raken verarmd. Het is een onverdraaglijk juk. (…)
Wat staat onze gebieden, die nog onlangs bloeiden in weelde, rechtvaardigheid, vrede, nering en rijkdom, te wachten anders dan geweld, schending van maagden en vrouwen en moordpartijen! Hij durft al die dingen doen terwijl er nog veel onzekerheid is. Wat zal hij doen als hij onze gebieden onder controle heeft en zichzelf helemaal meest waant?
Uit: van Roosbroeck, R. (1930). De kroniek van Godevaert van Haecht over de troebelen van 1565 tot 1574 te Antwerpen en elders. De Sikkel.
↑
Godevaert van Haecht was een Antwerpse protestantse kroniekschrijver. Van 1565 tot 1574 hield hij een verslag bij over de gebeurtenissen in de stad. In zijn kroniek beschrijft van Haecht maand voor maand wat er gebeurde in Antwerpen en omgeving tijdens de eerste jaren van de opstand. Deze bijdrage schreef hij in augustus 1568.

← Onbekende maker, gravure (1622) (Collectie Rijksmuseum, Amsterdam). De Nederlandse leeuw zit in een drukpers die wordt aangedraaid door Alva, kardinaal Granvelle en Margaretha van Parma. Links kijken de paus en Filips II toe. De kroon, de vrijheid en de privileges van de Nederlandse gewesten liggen gebroken en verscheurd op de grond.
Bron 6
De Staten-Generaal van de Verenigde Nederlanden groeten allen die dit zullen zien of horen lezen. Het is algemeen bekend dat een vorst van een land door God tot hoofd van zijn onderdanen is aangesteld om dezen te beschermen en te bewaren voor alle onrechtvaardigheid, schade en geweld, zoals een herder zijn schapen moet beschermen, en dat de onderdanen niet door God geschapen zijn ten behoeve van de vorst, om hem in alles wat hij beveelt (…) onderdanig te zijn om hem als slaven te dienen. Integendeel, de vorst is er ter wille van de onderdanen, zonder welke hij geen vorst is, om hen rechtvaardig en verstandig te regeren en te verdedigen, en hen lief te hebben zoals een vader zijn kinderen en een herder zijn schapen; hij zet zijn lichaam en leven op het spel om hen te beschermen. Wanneer hij dit niet doet, maar in plaats van zijn onderdanen te beschermen probeert hen te onderdrukken, overmatig te belasten, te beroven van hun oude vrijheid, privileges en oude gewoonterechten, en hen als slaven te bevelen en te gebruiken, moet hij dus niet als een vorst, maar als een tiran worden beschouwd. Dan staat het zeker zijn onderdanen vrij hem niet meer als vorst te erkennen (…) maar hem te verlaten en in zijn plaats een ander tot soeverein te kiezen om hen te beschermen, zonder dat dit verkeerd is. (…) DAAROM MAKEN WIJ BEKEND dat wij, door de uiterste nood gedwongen, na onderling overleg en met algemene stemmen de koning van Spanje hebben verklaard en verklaren bij dezen vervallen te zijn van zijn heerschappij, rechtspraak en erfelijke aanspraken op deze landen.
Uit: Mout, M.E.H.N. (2018). Plakkaat van Verlatinghe. Historische Uitgeverij. www.dbnl.org
↑
Op 26 juli 1581 zeiden de vertegenwoordigers van de standen in de Staten-Generaal hun trouw aan koning Filips II op. In de Staten-Generaal zaten vertegenwoordigers uit de zeventien provinciën (de Habsburgse Nederlanden). Dit document wordt gezien als de onafhankelijkheidsverklaring van de Nederlanden.
Kaart 1
← De Vrede van Westfalen (1648) beëindigde twee oorlogen in Europa: de Dertigjarige en de Tachtigjarige Oorlog. Het werden twee zure nederlagen voor de Habsburgers. Zij verloren meer dan alleen grondgebied. Hun dominante positie in Europa waren ze voorgoed kwijt. De middeleeuwse droom van een groot, christelijk rijk in Europa werd begraven. In de plaats kwam het idee van soevereiniteit: elke staat had het recht om zijn eigen zaken te regelen, zonder inmenging van buitenaf. Voortaan zouden de Europese staten streven naar een machtsevenwicht.
• Ik beschrijf de gebeurtenissen tijdens 'de opstand' en licht de historische betekenis ervan toe.
• Ik gebruik bronnen om perspectieven van tijdgenoten te onderzoeken.
Je zag in les 2 dat op het einde van de 16e eeuw de opstand in verschillende lagen van de bevolking broeide. Hoewel toeval zeker een rol gespeeld heeft, was de opstand tegen het bewind van hun Spaanse vorst Filips II meer dan een spontane uiting van volkswoede. Er zat een beweging achter van ontevreden edellieden, stedelingen en boeren. Die zou de geschiedenis ingaan als de beweging van de geuzen.
De naam zou bedacht zijn door leden van de lage adel die in 1565 tevergeefs hun klachten aan de landvoogdes kwamen voorleggen. Dat Eedverbond van Edelen voelde zich achteraf behandeld als ‘bedelaars’ of ‘des gueux’ in het Frans, de taal van de adel toen. Het beeld van de armoezaaier bleek een sterk propagandamiddel: bedelnappen en bedelzakken werden een populair symbool voor de aanhangers van de opstand. Geuzenliederen en kreten als ‘Vive le geus!’ werden op het einde van de 16e eeuw overal in de Nederlandse gewesten gehoord.
Toch vormden de geuzen aanvankelijk geen eensgezind leger met een duidelijk plan. Eerder ging het om een samenraapsel van kleine groeperingen die hun eigen leider volgden. De verschillen tussen die groepen opstandelingen waren vaak groot. Elke streek of stad had wel een eigen reden om in opstand te komen. Er liep ook een breuklijn tussen geuzen die streng calvinistisch waren en anderen die eerder voor geloofsvrijheid in opstand kwamen.
Willem van Oranje behoorde tot dat laatste kamp. Voor de meest radicale geuzen was hij te diplomatisch en te gematigd. Toch groeide hij uit tot de leider die de opstand nodig had om te slagen. Hoewel hij in de eerste jaren van de opstand meer nederlagen leed dan overwinningen vierde, groeide zijn status.
De voornaamste reden daarvoor was de bloedige repressie door de Spaanse landvoogden sinds Alva. Hoewel een groot deel van de bevolking veel acties van de geuzen - zoals de Beeldenstorm - afkeurde, was de afkeer van Alva nog groter. Dat de bevolking gedwongen werd om Spaanse soldaten in de wintermaanden onderdak te bieden, zette al kwaad bloed. Dat die soldaten op geregelde tijdstippen tot muiterij en bloedbaden overgingen, was de druppel. De Spanjaarden voedden daarmee zelf de rebellie.
Ten slotte zat het succes van de geuzen zeker ook in hun boodschap. Ze beloofden echte verandering en een beter leven. De geuzen hadden oor en oog voor de bezorgdheden van de gewone bevolking. In een tijd van crisis en klimaatverandering betekenden ze een welkome uitlaatklep van woede, maar evengoed waren ze een lichtpunt van hoop.
Opdrachten
1 Onder zoek de beeldvorming rond de geuzen aan de hand van bron 1 tot en met 7.
a Typeer de zeven bronnen volgens hun soort: zijn het historische bronnen of historische werken? Beargumenteer.
b Vanuit welk perspectief zijn de bronnen geschreven? Beargumenteer wat het doel van de auteur is.
2 In bron 1, 3 en 4 schrijft de schrijver woorden toe aan de historische personages uit zijn verhaal, al dan niet met bronvermelding.
a Wat is daar het voordeel van?
b Wat kan de ‘valkuil’ zijn van die vorm van geschiedschrijving?
3 Willem van Oranje wordt vandaag beschouwd als de leider van de opstand en zeker in Nederland gezien als de bevrijder van het land en de stichter van de Nederlandse dynastie. Toch kun je zijn rol in de eerste jaren van de opstand op zijn minst dubbelzinnig noemen. Hoe blijkt dat uit bron 1 en 3?
4 De geuzen waren gewapende opstandelingen die het gezag van de Spaanse vorst en de Katholieke Kerk betwistten. Ze gebruikten daarbij geweld.
a Ken je hedendaagse voorbeelden van conflicten waar gewapende rebellen het gezag van een vorst of overheid betwisten?
b Vind jij het aanvaardbaar dat rebellen geweld gebruiken of is dat voor jou 'not done'? Discussieer erover in de klas.
↑
Luid herinnerde de heer van Brederode zijn drinkebroers aan de woorden die hun standgenoot, de heer van Berlaymont, had uitgesproken toen ze hun smeekschrift kwamen aanbieden aan de landvoogdes: dat ze maar bedelaars waren, des gueux. Er waren verschillende versies, maar het kwam erop neer dat de machtige edelman zijn landvoogdes had toegefluisterd: ‘N’ayez pas peur, Madame, ce ne sont que des gueux’. (…) ‘Goed,’ riep Brederode, ‘als we dan geuzen zijn, laten we dan maar bedelzakken dragen en uit bedelnappen drinken!’ De toehoorders begrepen er niets van, maar toen een page hem een typische bedelzak bracht, werden ze uitzinnig. (…) Toen zag hij voor zich een houten kommetje, dat leek op een bakje waarmee een bedelaar op straat smeekte om een aalmoes. Pontus Payen vulde in zijn geschriften aan: ‘Vervolgens pakte Brederode met beide handen de grote, lelijke houten nap vol wijn, die hij kloek in één teug leegdronk, opnieuw liet vullen en aan zijn buurman gaf, waarbij hij uitriep: “Ik heb gedronken op de gezondheid van de geuzen. Leve de Geuzen!” Nu hing zijn buurman de bedelzak om en dronk de nap leeg, terwijl het gezelschap luidkeels riep: “Vive les gueux!” (…) In de namiddag kwam het hoogste adellijke trio, [prins Willem van] Oranje, Egmont en Horne, voorbij het stadspaleis, onderweg naar een nieuwe vergadering van de Raad van State. Brederode zag hen en nodigde hen uit om mee te feesten. De zelfverklaarde geuzen ontvingen de drie met dol enthousiasme. Het was waarschijnlijk geen toeval dat ze het stadspaleis passeerden, want zeker de prins van Oranje wilde zowel zijn opstandige edelen als de loyale hoge heren te vriend houden.
Uit: Serrien, P. (2022). In Opstand: De vergeten geschiedenis van de geuzenopstand in de Lage Landen (1565-1578). Horizon.
Hendrik van Brederode was de heer van Vianen en de eerste leider van de geuzenopstand. In 1565 nam hij met twee andere edelmannen, Lodewijk van Nassau (de broer van Willem van Oranje) en Jan van Marnix, het initiatief tot het Eedverbond der Edelen. Dat was een verbond van ongeveer tweehonderd edelen die in Brussel, bij de landvoogdes Margaretha van Parma, kwamen protesteren tegen de strenge vervolging van protestanten. Ze boden haar een smeekschrift aan waarin ze meer godsdienstvrijheid en mildheid vroegen. Als leden van de lage adel bestuurden zij hun eigen domeinen, maar was hun macht eerder beperkt. Dat was anders voor Willem van Oranje en de graven van Egmont en Horne, die als lid van de hoge adel in de Raad van State zetelden en advies gaven aan de landvoogdes.
Bron 2

← Adriaan Valerius, Nederlandtsche gedenck-clanck (Haarlem, 1626).
In het geuzenkamp van Oosterweel lieten de wachters rond negen uur hun kapitein Jan van Marnix halen. Ze zagen troepen aan de horizon. Waren dan eindelijk de Duitse huurlingen van Brederode gearriveerd? Maar toen zagen de rebellen de vlaggen van het aanstormende leger. Het bleken de [Spaanse] regeringstroepen! Meteen heerste er paniek. De bijna drieduizend geuzen waren geen partij voor het professionele Spaanse leger van ongeveer duizend man. Jan van Marnix probeerde nog een verdedigingslinie op te zetten, maar zag hoe een groot deel van zijn soldaten op de vlucht sloeg. Luttele ogenblikken later werden ze van alle kanten beschoten en vernielden de regeringstroepen hun primitieve beschuttingen. Volgens Godevaert van Haecht ‘werden er vijfhonderd doodgeslagen, verdronk nog een stel in de Schelde en werden er ongeveer honderd gevangengenomen.’ Een andere stadschroniqueur sprak van ‘achthonderd doden en gewonden, verbranden en verdronkenen. (…)
Ondertussen had Willem van Oranje zich met andere prominente edelen verschanst in het Antwerpse stadhuis, dat in allerijl tot burcht was omgebouwd. Godevaert van Haecht beschreef hoe ze naar buiten kwamen. De prins [van Oranje] liep voorop en sprak meteen de overwegend calvinistische omstanders toe: ‘Sta me bij! Ik wil met u leven en sterven!’ Zo trok de kleine optocht in de richting van de Meir. Daar kregen de edelen een regen van scheldwoorden over zich heen: ‘Verraders! Nu wilt u wel bij ons zijn, maar was dan ook eerder bij ons geweest en had ervoor gezorgd dat die van Oosterweel niet verslagen waren! Had ze naar de stad laten komen!’ Onder de geuzen bevond zich de Engelse schrijver Thomas Churchyard. (…) De Engelsman en twintig geuzenleiders beklommen hun paarden en vuurden hun troepen aan: ‘We vertrekken! We slaan elke paapse soldaat dood die nog in de buurt van Antwerpen verblijft!’ ‘Jullie lopen de dood tegemoet’, riep Oranje hun toe. ‘Hun ruiters zullen jullie vernietigen!’ ‘Waarom roept u niet eerst zelf “Vive le geus!”?’ zeiden de opstandelingen. Een van hen stapte op de prins af en richtte zijn vuurwapen op diens borst. Churchyard beweerde dat de prins flauwviel en pas bijkwam nadat zijn gezicht met azijn besprenkeld werd.
Uit: Serrien, P. (2022). In Opstand: De vergeten geschiedenis van de geuzenopstand in de Lage Landen (1565-1578). Horizon. ↑
Willem van Oranje (1533 - 1584) was stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht, maar verbleef vaak in Antwerpen. Van daaruit kon hij politieke contacten onderhouden met kooplieden, buitenlandse gezanten en invloedrijke burgers, en zo steun zoeken voor zijn beleid en later voor de opstand tegen Spanje. Bovendien was Antwerpen in die tijd een verdraagzame en kosmopolitische stad, wat goed aansloot bij Willems streven naar godsdienstvrede en samenwerking tussen katholieken en protestanten. Als geboren Duitser (Nassau) leunde Willem eerder naar de lutherse kant van het protestantisme, dat minder radicaal was dan het calvinisme. Pieter Serrien (1985) is historicus en auteur van verschillende historische boeken. Aan de hand van originele bronnen zoals egodocumenten (brieven en dagboeken) brengt hij de geschiedenis van de geuzen tot leven.
Bron 4
Opnieuw drongen Jan Camerlinck en zijn bosgeuzen het klooster te Roesbrugge binnen, waar honderd en tien ponden Vlaams werden buitgemaakt. Hiermee konden ze wapens kopen zoveel ze wilden, en met deze nieuw aangeschafte wapens vielen ze binnen bij twee wetsdienaars in Sint-Joris te Roesbrugge. Jan De Cots zei tot een van hen: ‘En laat u dit een les zijn, want zoiets gaat nog véél gebeuren... al dezen die ons zoeken zullen zich tweemaal bedenken, als ze horen wat hier vannacht gebeurd is’. En ze martelden en pijnigden hem tot hij erbij bezweek. Ze namen er vier ponden Vlaams mee, en stapten meteen naar een ander gerechtsdienaar van Roesbrugge op, waar De Cots zijn woorden herhaalde. Doch na hem verschrikkelijk met brandwonden overdekt te hebben, zoals zovelen der hunnen reeds op de brandstapels waren gestorven, stampten ze met hun hielen op zijn borst tot hij dood was. En daar was de buit geen vier maar vijftig ponden Vlaams. Zo handelden ze verder en vermeerderden de priestermoorden en liepen steeds meer pastoors met afgesneden oren rond. In Bollezele en Steenwerck werd een zekere Pieter Timmerman en een zekere Andries De Roode mishandeld en van al hun geld beroofd. Zo werd het in de vonnissen vermeld en onmiddellijk werd gezegd: ‘Ziet ge wel! het waren gewoon bandieten...’ Maar nergens werd vermeld wie of wat die zekere Andries De Roode voor een kreatuur was: een eenzame burger, of een verrader en een spion? En zelfs al waren de mannen van Jan Camerlinck bandieten, ze hadden de moed angst en terreur te zaaien, en aan te tonen dat niet iedereen in Vlaanderen zich als een veegmat neerlegde aan Alva's voeten.
Uit: Boon, L.P. (1979). Het Geuzenboek. De Arbeiderspers.
↑
Jan Camerlinck was de leider van de bosgeuzen in de streek rond Ieper en Poperinge. Die geuzen hielden zich schuil in bossen en plattelandsgebieden om van daaruit verrassingsaanvallen te plegen tegen Spaanse troepen en katholieke kloosters en kerken.
Louis Paul Boon (1912 - 1979) stond bekend om zijn sociaal bewogen boeken en anekdotische vertelstijl. Boon zei zelf dat hij de geschiedenis wilde vertellen ‘zoals het volk ze beleeft’: met emotie, onrecht en overdrijving. Hij wil niet de feiten reconstrueren, maar een verhaal vertellen over machtsmisbruik, volksverzet en hypocrisie: thema’s die ook in zijn eigen tijd (de jaren 1950) herkenbaar waren.
Bron 5

← De Geuzen vertelt het avontuur van Hannes, een vrolijke troubadour, en zijn vrienden Veerle en Tamme die in een fictieve, 16e-eeuws aandoende wereld opkomen tegen onrecht. De reeks mengt humor, romantiek en maatschappelijke satire met historische en folkloristische elementen. Het behoort tot Vandersteens latere, meer persoonlijke werk. Hij tekende de reeks tussen 1985 en 1990.
Bron 6
Deze opstandelingen, die zichzelf ‘geuzen’ noemen, zoeken niets anders dan het ontwrichten van de orde en de vernietiging van het ware geloof.
Uit: (1568). Brieven van de hertog van Alva aan koning Filips II. Archivo General de Simancas, leg. 487, doc. 12.
Bron 7
De rebellen van Vlaanderen vernietigden, onder het voorwendsel van vrijheid, de gehoorzaamheid en de eenheid van het rijk.
Uit: de Herrera, A. (1601). Historia general de los hechos de los castellanos en las Islas y Tierra Firme del Mar Océano.
Antonio de Herrera y Tordesillas (1559 - 1625) was een Spaanse kroniekschrijver van koning Filips III, de opvolger van Filips II. Hij wordt gezien als een belangrijke hofhistoricus die de Spaanse monarchie in een gunstig daglicht plaatste.
Zelfevaluatie
• Ik onderzoek historische beeldvorming over de geuzen aan de hand van bronnen en werken.
• Ik stel kritische vragen over een bron (bv. het perspectief of het doel van de maker).
• Ik denk na over hoe ik zelf kijk naar gewapende conflicten in het heden en het verleden.
Tussen ongeveer 1550 en 1700 kende Europa een periode die we vandaag de kleine ijstijd noemen. De gemiddelde temperatuur daalde, waardoor de winters langer en kouder werden en de zomers vaak korter en natter. Rivieren zoals de Theems in Londen en de Schelde in Vlaanderen vroren soms helemaal dicht. In de Alpen groeiden de gletsjers tot dicht bij de dorpen.
4.1 Omgang met natuur
De kleine ijstijd toont hoe sterk het leven van de mens afhankelijk is van het klimaat. De omgang met de natuur veranderde in die periode. Boeren moesten zich aanpassen aan mislukte oogsten en kortere groeiseizoenen. Sommige gewassen verdwenen uit bepaalde regio’s, terwijl andere - zoals aardappelen en rogge - belangrijker werden omdat ze beter tegen de kou konden. Mensen gingen ook nieuwe technologieën ontwikkelen om voedsel te bewaren of om zich te beschermen tegen de kou, zoals betere kachels en dikkere muren.
4.2 Sociale impact
De kou had grote gevolgen voor de samenleving. Slechte oogsten zorgden vaak voor voedseltekorten en hongersnood. In de steden stegen de prijzen van brood en graan, wat leidde tot oproer en sociale spanningen tussen rijk en arm. Veel mensen trokken naar andere gebieden op zoek naar werk of eten. Tegelijk werd het belang van liefdadigheid en kerkelijke steun groter: kloosters en armenzorg probeerden de ergste nood te verlichten.
4.3 Culturele impact
De kleine ijstijd liet ook sporen na in de kunst en cultuur. Schilders, vooral in de Nederlanden, legden de koude winters vast op doek. Op ijstaferelen van Hendrick Avercamp en Pieter Bruegel zie je mensen schaatsen, spelletjes spelen en handel drijven op het ijs. De natuur werd een belangrijk onderwerp in de kunst. Het was niet langer alleen een decor, maar iets waarmee de mens moest leven en omgaan.
Opdrachten
1 Historici stellen vragen over het verleden. In de vorige jaren maakte je al kennis met de verschillende soorten historische vragen bij bron 1 tot en met 4. Bedenk en formuleer een goede historische vraag. Zorg dat de bronnen bruikbaar en betrouwbaar zijn om een antwoord te geven op die vraag.
2 In bron 1 beschrijft historicus Pieter Serrien een specifiek moment tijdens de kleine ijstijd. Het fragment komt uit een boek waarin hij de opstand in de Nederlanden beschrijft en probeert te verklaren.
a Welk verband leg je tussen de ijstijd en het uitbreken van de opstand?
b Zou je de ijstijd een structurele of incidentele oorzaak noemen voor de opstand?
3 Denk na over de term ‘kleine ijstijd’. Zoek in de bronnen naar aanwijzingen voor hoe koud het toen was. In hoeverre is de term ‘ijstijd’ volgens jou passend? Beargumenteer je antwoord met bewijs uit bronnen.
Tijdens de winter van 1564-1565 was er tien weken lang een ongeziene koudegolf over Europa getrokken. Alleen de oudere mensen konden zich nog een even strenge vorst herinneren, zo’n vijftig jaar eerder. Mens en natuur leden onder het barre weer. Op meerdere plaatsen vermeldden chroniqueurs dat wijnstokken, noten- en fruitbomen afstierven omdat hun stam bevroor. Het weinige voedsel dat de rillende bevolking nog in voorraad had, bevroor vaak en was niet meer eetbaar. Brood viel in stukken uit elkaar. Wijn en bier bevroren voor ze gedronken konden worden. Tegen het eind van december 1564 waren alle grote rivieren dichtgevroren. De Rijn, Maas, Schelde, het IJ, Waal… overal konden handelaars met paard-en-wagen op het ijs oversteken. Het ijs van de Schelde was zo dik dat in Antwerpen midden op de rivier een meerdaagse markt werd georganiseerd. Voor de achttienjarige Antwerpenaar Godevaert van Haecht was de strenge vorst de aanleiding om zijn dagboek als volgt te beginnen: ‘De zeer wonderlijke, koude winter bracht mij tot schrijven, want dit was in honderd jaar of veel meer niet gezien.’ Hij vernam dat in Zeeland scheepslieden stierven omdat ze niet snel genoeg bij een haven konden komen. ‘Bij Bergen op Zoom kwam een schuit aangedreven waarin vijf mannen bevroren lagen.’ Meer en meer ijsschotsen dreven op de Schelde. ‘Het vroor allemaal dicht, gelijk een stille rivier.’
In de zomer was er nog steeds ellende, met ‘onophoudelijke regen’ in juli en het ‘begin van de duurte van het koren’ in augustus. De prijzen stegen zo sterk dat de arme stedelingen honger leden. In de zomer van 1565 ontstond er oproer in Antwerpen nadat enkele handelaars betrapt waren op het hamsteren van graan.
Uit: Serrien, P. (2022). In Opstand: De vergeten geschiedenis van de geuzenopstand in de Lage Landen (1565-1578). Horizon.
'Op de Theems lag tot voorbij Londen zo’n dikke laag ijs dat er marktkraampjes op het ijs konden worden gezet; de Franse koning Hendrik IV ontwaakte op een ochtend met een baard die vol zat met ijs; de wijn bevroor in de vaten; in Oost-Europa vielen vogels, in hun vlucht bevroren, op de harde aarde; en delen van Italië en Spanje waren ondergesneeuwd.
Europa was een ijzig rijk.’
‘Voor religieuze waarnemers bood de natuur die door de temperatuurval van slag was geraakt ruimschoots gelegenheid buitengewone verschijnselen als voorteken en boodschap te interpreteren. Zo strandden er tussen 1570 en 1650 ongeveer veertig potvissen op de kust van de Nederlanden, die mogelijk door de koudere zeetemperaturen hun buitvis vanuit de Arctische wateren naar het zuiden waren gevolgd en bij de ondiepe kust hun oriëntatie waren kwijtgeraakt. (...) Gravures en vlugschriften uit die tijd tonen aan wat voor sensatie die gecrepeerde zeezoogdieren op het strand veroorzaakten. (…) Op een gravure die door (…) Jacob Matham is gemaakt, zie je de kleine gestalten van mannen op het gigantische dier rondklimmen, als overwinnaars na een veldslag. Een van hen meet de gigantische penis met een maatstok op, (…)’
Uit: Blom, P. (2017). De opstand van de natuur: een geschiedenis van de kleine ijstijd (1570-1700) en het ontstaan van het moderne Europa. De Bezige Bij.
Bron 3

4
Historicus Geoffrey Parker over de lessen van de kleine ijstijd:
'We lopen altijd één ramp achter.'
Het is niet de eerste keer dat mensen lijden onder de gevolgen van klimaatverandering. In de 17e eeuw daalde de temperatuur met twee graden, met overal hongersnoden en buitensporig geweld tot gevolg. Historicus Geoffrey Parker houdt ons een spiegel voor. 'We hebben niets van de geschiedenis geleerd.'
(…)
← Jacob Matham, gravure Gestrande walvis op de Hollandse kust bij Scheveningen (februari 1598). Aangespoelde walvissen werden in de vroegmoderne tijd gezien als een voorbode van onheil zoals oorlog of hongersnood. De link met het Bijbelverhaal over Jona die opgeslokt werd door een walvis werd al snel gemaakt. In dat verhaal werd Jona door God gestraft omwille van zijn ongehoorzaamheid.

U bent een van de eerste historici die de 17e-eeuwse klimaatverandering koppelt aan het vele geweld?
Parker: Wellicht ben ik de eerste. De meeste historische studies over de kleine ijstijd beschrijven enkel de gevolgen voor de natuur. De link tussen de klimaatverandering en het menselijke bestaan werd zelden gelegd. (…) Veel Amerikaanse evangelische christenen zijn er nog altijd rotsvast van overtuigd dat de huidige klimaatverandering Gods toorn is. In de 17e eeuw overheerste datzelfde geloof.
De geschiedenis herhaalt zich?
Parker: We hebben niets geleerd van de geschiedenis. We weten dat er nu ook een klimaatverandering bezig is en dat er op sommige plekken in de wereld hongersnood dreigt. Toch vertikken we het om ons daar fatsoenlijk op voor te bereiden. Natuurlijk is het moeilijk te voorspellen waar de hongersnood het hardst zal toeslaan, al maakt Oost-Afrika met zijn ligging vlak bij de evenaar en zijn gebrek aan regen veel kans. Waarom bouwen we daar nu geen loodsen vol voedsel en zorgen we niet voor reservoirs vol drinkwater? We lopen altijd één ramp achter.
Een groot verschil met de 17e eeuw is dat de mens zelf de oorzaak is van de huidige klimaatverandering.
Parker: Het maakt niet uit wat aan de oorsprong ligt van de opwarming. We wéten dat het aan het gebeuren is en toch grijpen we niet echt in. We zouden ons nu volop moeten voorbereiden op de extreme weersomstandigheden die met deze klimaatverandering gepaard gaan. Want ook Nederland en België moeten zich geen illusies maken: het water komt al, en er zal nóg komen.
Want als we niet oppassen eindigen we in een 'algemene crisis' zoals in de 17e eeuw? U noemt die eeuw 'het tijdperk van de soldaten'.
Parker: Het kan inderdaad zo eindigen. Toen stierven tientallen miljoenen mensen aan de gevolgen van de wereldwijde afkoeling. Zo bleven er uitstekende registers bewaard van Île-de-France, de regio rond Parijs. Daaruit kon ik afleiden dat rond 1640 een derde van de totale bevolking het loodje legde. In sommige gebieden met bewaard gebleven archieven was dat aantal lager, in andere hoger. Bij schrijvers uit die tijd vond ik dezelfde schatting van een derde van de populatie terug. Vandaag leven er op onze planeet ruim 7 miljard mensen. Stel je voor dat een derde daarvan sterft als gevolg van extreme weersomstandigheden, hongersnoden en geweld.
Uit: Stevens, J. (3 augustus 2021). Historicus Geoffrey Parker over de lessen van de kleine ijstijd: 'We lopen altijd één ramp achter.' www.knack.be
Zelfevaluatie
• Ik denk na over de structurele en incidentele oorzaken van gebeurtenissen.
• Ik beschrijf de gevolgen van de klimaatverandering in de vroegmoderne periode en vergelijk die met de hedendaagse klimaatverandering.
• Ik beoordeel kritisch de historische beeldvorming in werken van historici.
In de klassieke oudheid en de middeleeuwen richtte de Europese handel zich voornamelijk op de Middellandse Zee. Steden als Rome, Constantinopel en Venetië waren in die periode echte metropolen: ze vormden het belangrijkste economische, culturele en politieke centrum in de regio. De invloed van die steden op de omliggende gebieden was ruim en voelbaar. Ze hadden een enorme aantrekking op handelaars, maar ook op iedereen die op zoek was naar werk.
In de volle en late middeleeuwen ontstonden rond de Noord- en Oostzee handelskernen met een eigen invloedssfeer. De stad Brugge slaagde er in de 14e en 15e eeuw in om uit te groeien tot zo’n nieuwe metropool. Handelaars uit heel Europa verzamelden in Brugge en richtten er handelskantoren en een eerste handelsbeurs op. Bankiers, herbergiers en ambachtslui lieten de stad verder groeien. Het Vlaamse laken was internationaal gekend en werd tot in het Verre Oosten gewaardeerd. In de (vroeg)moderne tijd verschoof de economische en culturele macht geregeld naar nieuwe centra en metropolen in West-Europa. Antwerpen en Amsterdam, maar ook Londen en Parijs namen de rol over en beconcurreerden elkaar voortdurend. Welke krachten leidden tot het verval van de metropolen en tot de opkomst van nieuwe?
Opdrachten
1 Ook in de vroegmoderne tijd kwamen er steden tot bloei of raakten steden in verval. Bestudeer kaart 1 en bron 1 tot en met 8.
a Stel een tijdlijn op waarop je de bloeiperiode van de steden uit de bronnen plaatst.
b Onder zoek wat de oorzaken van verandering waren. Rangschik de oorzaken van bloei en van verval apart in twee kolommen.
c Duid bij elke oorzaak aan of die structureel of incidenteel van aard is.
d Zoek ten slotte minstens twee voorbeelden van het oorzakelijk verband tussen verschillende domeinen van de samenleving.
2 De stad Antwerpen werd door historicus Michael Pye ‘het New York van de 16e eeuw’ genoemd.
a Welke argumenten vind je daarvoor in de bronnen?
b Lees het kader historisch denken. Kun je zelf ook tegenargumenten bedenken bij de historische analogie van Pye?
Historisch denken: analogie
Een historische analogie is een vergelijking van fenomenen uit het verleden met fenomenen uit een andere periode. Zo zou je bijvoorbeeld oorlogsvluchtelingen uit de Eerste Wereldoorlog kunnen vergelijken met de vluchtelingenproblematiek vandaag. Tijdens de Eerste Wereldoorlog vluchtten heel wat Belgen naar het toen neutrale Nederland. Vandaag ontvluchten heel wat mensen uit bijvoorbeeld het Midden-Oosten hun land om zich naar veiliger oorden te begeven. Wanneer je een analogie maakt tussen periodes, benoem je niet alleen gelijkenissen, maar ook verschillen.
Kaart 1
↑
Het Zwin ontstond rond 1134 door een stormvloed die een zeearm uitsloeg in de Vlaamse kust. Die nieuwe geul verbond Brugge via binnenhavens als Damme en Monnikerede met de Noordzee, waardoor de stad in de 12e - 14e eeuw kon uitgroeien tot een van de belangrijkste havens van Europa. Vanaf de 14e eeuw zorgde de verzanding van de Zwingeul ervoor dat het steeds moeilijker werd om de binnenhavens te bereiken.
Bron 1
“Het verzet van Vlaanderen tegen Maximiliaan van Oostenrijk was een belangrijke trigger. De echtgenoot van Maria van Bourgondië wilde regent worden en werd, omdat hij de wapens opnam, in Brugge gevangengenomen”, zegt [Jan] Dumolyn. Na zijn vrijlating volgde een hevige burgeroorlog, met veel plunderingen en vechtpartijen, wat de handelsmetropool allesbehalve aantrekkelijk maakte. “Net rond diezelfde tijd groeide een andere stad in snel tempo. Veel ondernemers en kunstenaars trokken naar Antwerpen, dat uiteindelijk in de 16e eeuw de titel van handelsstad van de Noordelijke Nederlanden overneemt.”
Uit: Van Garderen, F. (7 juli 2021) De geschiedenis van het Zwin die u niet kent: onder de grond zitten verdwenen ‘wereldhavens’. De Morgen.
↑
Jan Dumolyn is professor middeleeuwse geschiedenis aan de UGent.
In andere steden langs de kust van de Noordzee was de macht van een koning of een hertog of een keizer zichtbaar, maar in Antwerpen zag je alleen de stad zelf: een plaats waar handel werd gedreven, waar mensen wilden of moesten zijn, waar ze het zich niet konden permitteren er niet te zijn. Antwerpen was beroemd vanwege Antwerpen. (…)
Antwerpen was heel anders. (…) De handel was afhankelijk van buitenlanders, en dus vond men het niet nodig op te treden tegen de ketterse opvattingen die veel handelaren aanhingen. Antwerpen probeerde steeds het eigen belang in het oog te houden. (…) Antwerpen was ook de plek waarheen een man zich begaf als hij syfilis had opgelopen, omdat veel mensen wel wisten dat dit met een beroemde Chinese wortel te genezen was, maar artsen in Antwerpen wisten hoe ze te werk moesten gaan. De stad was een verhaal dat zijn inhoud ontleende aan wat mensen erover hoorden en ervan wisten, en genoot faam omdat er alle mogelijke informatie werd verhandeld, niet alleen de boeken die er in grote aantallen werden gedrukt. In 1519 trok de alchemist Paracelsus naar Antwerpen, waar hij naar zijn zeggen ‘op de markt meer te weten kwam dan in een school in Duitsland of elders.’
Uit: Pye, M. (2021). Antwerpen: de gloriejaren. De Bezige Bij.
↑
De Brit Michael Pye is historicus. Hij werkt als romanschrijver, columnist en journalist.
↑
…behalve de lieden van het land zelf die er in grote menigte naar toe trekken en verblijven en de Franse kooplui, die in vredestijd ook talrijk zijn, tellen we de Duitsers, de Denen en Oosterlingen, de Italianen, de Spanjaarden, de Engelsen en de Portugezen. De Spanjaarden zijn het talrijkst vertegenwoordigd: velen onder hen zijn er gehuwd en blijvend gevestigd. (…) Want het hoeft gezegd dat de vreemdelingen te Antwerpen en in het geheel de Lage Landen in de grootst mogelijke vrijheid leven, hetgeen men in de andere landen noch elders ter wereld niet kent. Het is een wonder schouwspel deze bonte menigte te zien, zo verschillend in karakter; het wekt nog meer verwondering deze verscheidene talen te horen bij zoverre dat me in één stad de levenswijze en de gewoonte van verscheidene verre volken aantreft. Door het groot aantal vreemdelingen die hier toestromen weet men te Antwerpen het nieuws dat voorgevallen is in andere delen van de wereld…
Uit: Guicciardini, L. (1567). In een vertaling van: Killiaen, C. Descrittione di tutti i Paesi Bassi.
Guicciardini was een Florentijnse koopman, die zo'n veertig jaar in Antwerpen woonde. Hij gaf een beschrijving van de stad.
Uit: - De Keyser, J. (2020). Vreemde ogen: een kijk op de zuidelijke Nederlanden (1400-1600). De Bezige Bij. - Wilson, B. (2020). Metropolis: De grootste uitvinding van de mens. Spectrum.
Het overwicht van Antwerpen in de internationale handel rond het midden van de 16e eeuw blijkt uit de scheepvaartbeweging in de delta van de Schelde. Tijdens voorspoedige jaren bereikten zowat 2500 schepen of ca. 250 000 ton Antwerpen en zijn voorhavens. Dit komt neer op vier keer het scheepverkeer in Londen in 1580 en twaalf keer het volume van de vloot die jaarlijks vanuit de Amerikaanse kolonies de Spaanse haven Sevilla binnenliep.
Uit: Soly, H. (1982). De dominantie van het handelskapitalisme: stad en platteland. In: Witte, E. (e.a.) (1983). Geschiedenis van Vlaanderen, van de oorsprong tot heden. La Renaissance du Livre.

6 ↑
Frans Hogenberg, gravure. Alexander Farnese was de hertog van Parma die door koning Filips II als nieuwe landvoogd naar de Nederlanden was gestuurd. Op 27 augustus trok hij Antwerpen binnen met zijn troepen langs de Sint-Jorispoort. Bij de overgave van de stad gaf Farnese de inwoners vier jaar de tijd om het katholieke geloof opnieuw te omarmen of anders te vertrekken. Van de 82 000 inwoners vluchtte de helft tussen 1585 en 1590, voornamelijk naar de noordelijke gewesten.
Bron 7
De teloorgang van Antwerpen werd lange tijd toegeschreven aan de sluiting van de Schelde. De rivier is in feite nooit gesloten geweest. De Zeeuwen en de Hollanders hadden, door het heffen van douanegelden, er alle belang bij de route open te houden. Antwerpen behield een venster op de zee, zij het onder controle van het Noorden. Wat veranderde, was de rol en de aanwezigheid van de vreemde kooplieden. De Engelsen verlieten Antwerpen voor Hamburg, wat de doodsteek betekende voor de lakenbereiding in de Scheldestad. De kooplui uit de Hanzesteden en de Zuid-Duitsers verdwenen. Enkel de zuidelijke naties (Spanjaarden, Portugezen, Italianen) bleven Antwerpen trouw, maar hun aantal en betekenis verminderde fel.
Uit: van der Stock, J. (1993). Antwerpen, verhaal van een metropool. Exhibitions International.
Bron 8
Er waren handenvol redenen om naar het noorden te gaan. De oorlog met Spanje reikte maar zelden verder noordelijk dan Leiden, laat staan Amsterdam, en ordelijkheid is altijd welkom als je de kost moet verdienen. Kunstenaars die dat in Antwerpen niet meer konden, trokken naar het noorden en namen al hun ideeën met zich mee, en met hen gingen calvinisten die niet langer gekoeioneerd wilden worden door de Spanjaarden, katholieken die alles wat hun heilig was in één nacht vernield hadden zien worden, en kooplui die in hun eigen haven van de ene op de andere dag voor dramatische veranderingen waren komen te staan.
Uit: Pye, M. (2014). Aan de rand van de wereld: hoe de Noordzee ons vormde. De Bezige Bij.
Zelfevaluatie
• Ik gebruik bronnen om te redeneren over de oorzaken en gevolgen van de groei of ondergang van de steden.
• Ik gebruik structuurbegrippen om oorzaak en gevolgen te beschrijven.
• Ik gebruik het structuurbegrip 'analogie' om een historische redenering te maken.
Samenvattend schema
Spaanse erflanden + overzeese kolonies
De strijd in en om de Nederlanden (16e - 17e eeuw)
Nederlanden
(Bourgondische erflanden)
Habsburgs wereldrijk keizer Karel (1515 - 1555)
Oostenrijks-Hongaarse erflanden + keizerstitel Duitse rijk
interne verdeeldheid
uitgestrekt wereldrijk: veel talen, wetten en tradities → vergeefse centralisatie
religieus: Katholieke keizer bestrijdt protestantse gebieden met strenge plakkaten. → vergeefse poging religieuze eenheid
externe vijandschap en oorlog Franse koning Engelse koning Ottomaanse sultan zelfs paus
Nederlanden
Spaanse landvoogdessen
centralisatie politiek
hoge belastingdruk adel en multiculturele steden (opstand Gent) bestrijding ketterijen
Inquisitie protestanten en andersgelovigen
1555: troonsafstand keizer Karel splitsing Habsburgs wereldrijk
Spaans-Habsburgse rijk koning Filips II (zoon)
Oostenrijks-Habsburgse rijk keizer Ferdinand (broer)
–economische crisis (klimaat en sancties lakennijverheid) → armoede en sociale onrust bij volk –centralisatiepolitiek van Filips → adel en steden bedreigd in privileges en zelfstandigheid –religieuze onverdraagzaamheid van Filips → groeiende aanhang protestanten, radicalisering van vooral calvinisten
kleine ijstijd
1566: Beeldenstorm: woede-uitbarsting door strenge winter en hoge graanprijzen
repressie: strafexpeditie van hertog van Alva: –Spaans ‘bezettingsleger’ –Raad van Beroerten –willekeurige executies
1568: radicalisering onder prins Willem van Oranje: Plakkaat van Verlatinghe (1581) = onafhankelijkheidsverklaring Nederlanden
‘Opstand’ wordt oorlog die tachtig jaar duurt. Spaanse leger ↔ Nederlandse opstandelingen keerpunt = val van Antwerpen (1585)
1648: Vrede van Westfalen
Zuidelijke Nederlanden blijven onder SpaansHabsburgs bestuur.
ca. 1585: einde bloeiperiode van Antwerpen als metropool
de geuzen: een allegaartje
Zeven provincies van Noordelijke Nederlanden worden een zelfstandige republiek.
1648: Vrede van Munster: De Republiek wordt internationaal erkend.
ca. 1585: begin gouden eeuw van Amsterdam
Historische begrippen
Je leerde in de vorige jaren en in de vorige hoofdstukken al volgende historische begrippen: adel, ambachtslui, calvinisme, centralisatie , dynastie, graafschap, handel, handelaar, hertog, hertogdom, Inquisitie, ketter, kolonie, koninkrijk, kunst , lakennijverheid, landbouw, metropool, migratie , multiculturele samenleving, oorlog, privilege, propaganda, protestantisme, rechtbank, republiek , stand, Staten-Generaal, technologie , territorium, traditie , vrede en wereldbeeld
In dit hoofdstuk leerde je de volgende historische begrippen:
• cultureel: bisdom
• economisch: groeiseizoen
• politiek: Beeldenstorm, gewest, landvoogd, opstand, repressie, standenvergadering
• sociaal: geuzen
Structuurbegrippen
Je gebruikte in dit hoofdstuk ook de volgende structuurbegrippen: analogie, argument, beeldvorming, interpretatie, impact, oorzaak, verandering, verband en verleden.
Gebruik bij het studeren van dit hoofdstuk de leerdoelen aan het einde van elke les of bekijk op iDiddit welke doelen je leerkracht voor jou heeft geselecteerd.
Albrecht Dürer, houtsnede Het Mannenbad, (1496 - 1497) (Rijksmuseum, Amsterdam). Zes mannen, elk met slechts een klein slipje aan, praten, drinken en maken muziek in een badhuis. Mannen die openlijk een seksuele relatie met elkaar hadden, werden in de vroegmoderne tijd weleens beschuldigd van sodomie of tegennatuurlijke seksuele handelingen.

In deze doorloper ga je op zoek naar het antwoord op drie historische vragen:
1
2
3
Had homoseksualiteit in de vroegmoderne tijd dezelfde betekenis als degene die wij er vandaag aan geven?
Hoe evolueerde de benadering van homoseksualiteit in de Republiek der Nederlanden tijdens de vroegmoderne tijd?
Hoe kan discriminatie van homoseksuelen in de toekomst vermeden worden?
Homoseksualiteit
1 Sodomie en homoseksualiteit
Historisch onderzoek naar sodomie is vrij jong. Recent onderzoek van bronnen maakt duidelijk dat ook in het verleden op veel verschillende manieren werd omgegaan met seksualiteit en identiteit. Je leerde in Sapiens 2 al over de opvattingen van mensen in de Griekse wereld tijdens de klassieke oudheid. Het is niet eenvoudig om het begrip ‘sodomie’ te definiëren. De term is afgeleid van het Bijbelse verhaal over Sodom en Gomorra, twee steden die door Gods toorn werden vernietigd omdat mannen er seks met elkaar hadden. De hele gemeenschap werd dus gestraft omwille van het ‘verderfelijke’ gedrag van een kleinere groep.
Je zou kunnen stellen dat met het begrip ‘sodomie’ in de middeleeuwen en vroegmoderne tijd elke vorm van geslachtsverkeer werd bedoeld die niet binnen een huwelijk tussen man en vrouw plaatshad, bijvoorbeeld: seks met iemand van hetzelfde geslacht, masturbatie, incest, prostitutie en overspel. Sodomie werd toen als ‘onnatuurlijk’ seksueel gedrag beschouwd. In de 17e en 18e eeuw verwees sodomie steeds vaker specifiek naar homo-erotische relaties of homoseksualiteit.
Volgens de Kerk moest seksualiteit in functie van voortplanting staan en niet van genot. Men geloofde dat God de hele gemeenschap kon straffen als een individu sodomie had gepleegd. Daarom werd die ‘zonde’ in sommige gebieden van Europa en in sommige periodes zwaar bestraft, zelfs met de brandstapel. Zelfs praten over sodomie werd vaak al als zondig beschouwd. Niet overal werd op dezelfde manier op die ‘onuitspreekbare’ zonde gereageerd. De context, tijd en ruimte waren heel bepalend.
2 Homoseksualiteit tijdens de vroegmoderne
In de Noordelijke Nederlanden waren er bijvoorbeeld tussen 1400 en 1600 opmerkelijk weinig sodomieprocessen en amper bestraffingen. Dat stond in schril contrast met de Zuidelijke Nederlanden tijdens dezelfde periode. Volgens sommige onderzoekers werden homoseksuele handelingen in de middeleeuwen en vroegmoderne tijd wel als zondig beschouwd, maar werd seks tussen een ondergeschikte en een hogergeplaatste van hetzelfde geslacht eerder beschouwd als een kwestie van respect dan van homoseksueel verlangen. Doorgaans voerden de overheden een gedoogbeleid zolang de homoseksuele relatie niet openlijk werd vertoond en de ondergeschikten instemden met de seks.
In de 17e eeuw, de Gouden Eeuw van de Republiek, ontstonden in de steden homoseksuele subculturen. Het algemene klimaat in de steden werd vrijer. Het individu veroverde steeds meer zijn plaats ten aanzien van de groep (stand, klasse). De bevolking werd ook meer divers: er kwamen tal van buitenlandse bezoekers, zeelui, kooplui en migranten. Homo’s kwamen meer openlijk uit voor hun seksuele voorkeuren en verlangens en spraken af op publieke plaatsen.
Dat had ingrijpende gevolgen: rond 1730 kwam er een einde aan het gedoogbeleid in de Republiek en ontstond er een golf van vervolgingen van homoseksuelen. Rechtbanken lieten ‘netwerken van sodomie’ opsporen en ongeveer 350 mensen werden veroordeeld. Voor de verklaring van die ommekeer zijn er verschillende hypothesen. Wellicht ligt een combinatie van factoren aan de oorzaak ervan.
Was de mentaliteit in de steden veranderd en voelde seksuele ‘losbandigheid’ aan als een bedreiging voor de stedelijke eenheid? Speelden socio-economische factoren een cruciale rol? De Republiek was in de 18e eeuw immers haar economische aantrekkingskracht kwijtgeraakt en was over haar ‘Gouden Eeuw’ of economische hoogtepunt heen. Veroorzaakte dat onrust in de samenleving? Zocht men daarom een schuldige of zondebok? Was er een verandering in de seksuele moraal? De afkeer ten aanzien van homoseksualiteit vanuit traditionele en religieuze hoek en ook vanuit het buitenland werd door de
boekdrukkunst via pamfletten en boeken snel en wijd verspreid. Die mentaliteit bepaalde nog eeuwen de onverdraagzaamheid en discriminatie ten aanzien van homoseksualiteit in West-Europa.
Vandaag wordt homoseksualiteit in België niet meer als onnatuurlijk beschouwd, maar wordt het erkend als een van de vele mogelijke aangeboren geaardheden. Discriminatie in het algemeen is vandaag strafbaar, ook discriminatie op basis van iemands seksuele geaardheid. In de praktijk komt discriminatie op basis van geaardheid echter nog wel voor. Daarom doen de verschillende overheden op nationaal en Europees vlak aanbevelingen om discriminatie uit te bannen. In België is bijvoorbeeld Unia opgericht, een organisatie die discriminatie op basis van seksuele geaardheid bestrijdt. Vanuit de LGBTQ+-gemeenschap wordt de soms hardnekkige discriminatie van homo-erotische relaties aangeklaagd.
In de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens staan gelijkheid en vrijheid van alle mensen, ongeacht hun geslacht. Maar specifieke artikels over de vrijheid van seksualiteit, het recht op homoseksualiteit of over gendergelijkheid zijn nog niet aan de orde.
Historisch denken: veralgemenen en stereotyperen
Een veralgemening is een redenering waarbij een aantal gegevens duidelijk maakt hoe iets in het algemeen is. Wanneer bijvoorbeeld de meeste mensen tijdens de vroegmoderne tijd in WestEuropa christelijk waren, dan veralgemenen we die stelling tot: West-Europa was toen christelijk. Die veralgemening helpt ons om de kenmerken van de cultuur te begrijpen. Een vaak herhaalde veralgemening is een stereotype. Soms zijn die stereotypes terecht, maar vaak zijn stereotypes onjuiste veralgemeningen. Stereotypes hoeven dus niet noodzakelijk een probleem te zijn. Stereotypes worden wel een probleem als ze ertoe leiden dat mensen buitengesloten worden. Het onderzoek naar veralgemeningen en stereotyperingen over gender en seksualiteit in de geschiedschrijving zorgt dat we het verleden steeds beter leren te begrijpen.
Had homoseksualiteit in de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd dezelfde betekenis als degene die wij er vandaag aan geven?
Opdrachten
1 Bepaal wat de middeleeuwers onder het begrip ‘sodomie’ verstonden aan de hand van bron 1.
a Definieer het begrip ‘sodomie’ in de middeleeuwse context.
b Waarom werden homoseksuele relaties in de middeleeuwen soms heel streng bestraft? Leid twee verklaringen of oorzaken uit de bron af en bepaal of het incidentele of structurele oorzaken zijn.
c Je kunt impliciet afleiden uit de bron dat homoseksualiteit vandaag anders wordt benaderd en omschreven. Analyseer hoe jouw standplaatsgebondenheid een rol speelt in je opvatting over homoseksualiteit.
2 Leid uit bron 2 en 3 af waarom sodomie niet altijd als problematisch werd bevonden in sommige Europese gebieden tijdens de vroegmoderne tijd.
3 Volgens bron 4 bestaat homoseksualiteit pas sinds de 19e eeuw. Vind jij dat een aannemelijke theorie als je de hedendaagse omschrijving van homoseksualiteit en de actuele visie op genderverschillen in acht neemt? Beargumenteer met behulp van argumenten uit de lestekst en de bronnen.
Bron 1
Sodomie was [in de late middeleeuwen] al eeuwenlang geëvolueerd tot een breed containerbegrip dat gebruikt werd om een hele reeks seksuele handelingen te omschrijven. Die handelingen hadden met elkaar gemeen dat ze niet op voortplanting gericht waren: masturbatie, bestialiteit, kindermisbruik, ‘heteroseksueel’ anaal geslachtsverkeer, volgens sommige bronnen ook necrofilie. Maar de term werd toch eerst en vooral geassocieerd met seks tussen mensen van hetzelfde geslacht. Andere seksuele uitspattingen, zoals prostitutie of overspel, werden natuurlijk ook als zondig en fout beschouwd, maar de ophef die deze misdrijven opriepen kwam niet eens in de buurt van de horror die sodomie in een vijftiende-eeuwse gemeenschap teweegbracht. Sodomie was immers een ‘tegennatuurlijk’ misdrijf waaruit geen kinderen konden voortkomen en ontwrichtte bijgevolg de goddelijk gewilde orde. Van een aangeboren geaardheid was volgens juristen nog geen sprake. Het was ieders individuele keuze om ‘goede’ of ‘slechte’ seks te plegen. En die individuele keuze kon verwoestende gevolgen hebben voor de hele gemeenschap. Daarom moest sodomie streng bestraft worden. In onze contreien, de Zuidelijke Nederlanden, werd daarvoor de brandstapel toegepast, een straf die symbolisch verwijst naar het lot van Sodom en Gomorra [het verhaal in de Bijbel].
Uit: Roelens, J. (2024). De onuitspreekbare zonde Sodomie in de Zuidelijke Nederlanden (1400-1700). Sterck & Devreese.
Bron 2
In de kleine leefgemeenschappen van de agrarische samenleving van de middeleeuwen en vroegmoderne tijd werd eeuwenlang nauwelijks ruchtbaarheid gegeven aan lichamelijke bevredigingen die buiten het gangbare patroon lagen. Niet iedereen had een eigen bed in die tijd. Kinderen en ouders, ouderen en jongeren sliepen vaak bij elkaar. Sodomie werd beschouwd als een stomme zonde: kerkelijke overheden ontkenden zo veel mogelijk het bestaan ervan en zwegen ze liever dood. Het bekendmaken zou andere mensen op gedachten kunnen brengen. Openlijke sodomie kon bestraft worden. Volgens de kerk was het lichaam een noodzakelijk kwaad dat was gescheiden van de geest. De mens kon niet over zijn eigen lichaam beschikken. Het was enkel gemaakt voor de voortplanting en niet om van te genieten, zelfs niet binnen het huwelijk.
Naar: Van der Helm, F.J.A.M. (2011). Gesodemieter in den Haag. Kirjaboek.
In de 16e en 17e eeuw waren openlijke homoseksuele relaties tussen mannen die (nog) niet met een vrouw waren getrouwd, een bekend fenomeen in de katholieke Noord-Italiaanse republieken. Zelfs pausen en kardinalen van de 16e eeuw pleegden openlijk sodomie, wat sterk werd veroordeeld door Duitse protestanten. Maar in de rest van Europa en zeker in de protestantse landen van Noordwest-Europa was openlijke homoseksualiteit ongebruikelijk. Toch was het voor de jeugd een hele eer om het bed te delen met iemand die men respect hoorde te betonen. Zolang de jongeren met seksuele handelingen van hun oversten instemden, was er geen probleem. Enkel als ze zich misbruikt voelden en het aan het licht brachten, werden vooral de ouderen vervolgd. Ook bij zeelieden en soldaten werden homoseksuele handelingen pas problematisch als ze aan het licht werden gebracht. Maar de meeste homoseksuele handelingen in de vroege 17e eeuw vonden onopgemerkt plaats.
Naar: Roberts, B. (2014). Seks, drugs en rock 'n roll in de gouden eeuw. Amsterdam University Press.
Voor het einde van de 17e eeuw kon een individu niet autonoom over zijn lichaam beschikken. Seksuele verlangens functioneerden binnen een systeem gebaseerd op hiërarchie en eer. In dat systeem was je geen vrij en zelfstandig individu, maar een lid van de groep. Iemand van een hogere klasse, rang of stand kon de seksuele handelingen met zijn ondergeschikten bepalen. Een kind was ondergeschikt aan zijn vader, een vrouw aan haar man, een knecht aan zijn meester, een leerling aan zijn schoolmeester, een horige aan zijn heer, een gewone soldaat aan zijn militaire overste. Ook als je eer werd aangetast, was het niet de eer van het individu die was aangetast, maar wel die van de familie. Bij een verkrachting van een vrouw was bijvoorbeeld niet haar eer aangetast, maar die van de familie. Pas aan het einde van de 17e eeuw is in WestEuropa een volwaardig autonoom individu tot leven gekomen met eigen seksuele verlangens.
Autonome individuele seksuele verlangens zijn een voorwaarde om van homoseksualiteit te spreken. In die tijd [18e eeuw] werd God als centrum van het universum onttroond, en werd het individu centraal gesteld. Dit proces wordt aangeduid als ‘moderniteit’. Homoseksualiteit als keuze van het individu is dus pas in de vroegmoderne tijd ontstaan.
Naar: Van der Meer, T. (1995). Sodoms zaad in Nederland, het ontstaan van homoseksualiteit in de vroegmoderne tijd. Boom uitgevers.
Hoe evolueerde de benadering van homoseksualiteit in de Republiek der Nederlanden tijdens de vroegmoderne tijd?
Opdrachten
1 Voorbeelden van hedendaagse subculturen zijn gamers, ravers, thrifters, skaters, hiphoppers …
In de vroegmoderne tijd ontstond in de Republiek der Verenigde Nederlanden ook een subcultuur.
a Leid uit bron 1 af welke subcultuur ontstond en wat er de oorzaken van waren.
b Beargumenteer of die oorzaken incidenteel of structureel waren.
2 In bron 2 en 3 krijg je informatie over veranderingen in het beleid rond homoseksualiteit in de Republiek.
a Beschrijf wanneer die zich voordeden. Welke veranderingen stel je vast? Waren ze geleidelijk of plots? Of kun je van een breuk spreken? Beargumenteer.
b Wat was het gevolg van die veranderingen? Was het gevolg bedoeld of onbedoeld?
3 Onderzoek de oorzaak van de veranderingen in het beleid in de 18e eeuw ten aanzien van sodomie.
a Welke veranderende context speelde daarin een rol volgens bron 4?
b Welke rol speelden de media toen ook al in het maatschappelijke debat volgens bron 5?
c Hoewel de historische context in de vroegmoderne samenleving heel verschillend was vergeleken met onze tijd, vertoont de omgang van de samenleving met minderheidsgroepen toch gelijkenissen met onze samenleving. Welke gelijkenissen merk je op in bron 1 tot en met 5?
Bron 1
Einde 17e eeuw ontstonden in de grote steden van de Republiek (der Verenigde Nederlanden) voor het eerst homoseksuele netwerken die leidden tot het ontstaan van een ‘homosubcultuur’. Mensen werden zich bewuster van hun identiteit en seksuele gevoelens. Homo’s werden in die tijd zichtbaarder doordat zij zich gingen verenigen. Op diverse plekken en met behulp van bepaalde codes wisten homoseksuele mannen met elkaar in contact te komen. Het was mogelijk om ongedwongen op kamers met elkaar te verkeren. Diverse feesten en bals werden gehouden zonder dat er aanstoot werd gegeven. Verschillende herbergen stonden bekend als lokalen waar liefhebbers van gelijkgeslachtelijk verkeer elkaar ontmoetten. Er waren openlijk rendez-voushuizen voor heren die met elkaar de liefde wilden bedrijven. Zolang ze de openbare orde niet stoorden, werd in Den Haag of in andere steden weinig aanstoot gegeven aan sodomieten. De verwijfdheid waarmee ze in vele gevallen te koop liepen, deerde de bevolking nauwelijks. Een verklaring voor het ontstaan van een dergelijke subcultuur wordt onder meer gezocht in het relatieve tolerante klimaat in de Republiek. Ook de welvaart van de Gouden Eeuw zal hebben meegespeeld bij het meer openlijke leven dat homo’s gingen leiden. (...) In steden als den Haag, een bestuurlijk centrum, waren ook hooggeplaatste lieden actief in homoseksuele omgang en vertoefden ook veel vreemdelingen zoals buitenlandse diplomaten, zeelui en militairen, onder wie de zeden vaak losser waren. Van vervolging van gelijkgeslachtelijke lijfelijke omgang was op het einde van de 17e eeuw en in de eerste twee decennia van de 18e eeuw nog geen sprake in de Republiek.
Naar: Van der Helm, F.J.A.M. (2011). Gesodemieter in Den Haag. Kirjaboek.

Helsche boosheit of grouwelyke zonde van Sodomie (1731). Dit is een pamflet van een calvinistische dominee. Die hoopte er de publieke opinie mee te beïnvloeden tijdens de sodomieprocessen in Groningen in 1731 en de rechter te overhalen om 22 mensen die verdacht werden van homoseksualiteit te laten ophangen.
In de 17e eeuw, de Gouden Eeuw van Holland, vonden er relatief weinig sodomieprocessen plaats in de Republiek. Tussen 1570 en 1679 zijn er slecht 24 zaken bekend. Bij een veroordeling werden de schuldigen meestal verbannen of gegeseld. De doodstraf was eerder een uitzondering. Tussen 1730 en 1733 is er ineens een golf van homovervolgingen in de Republiek. Rond 1730 keerde in de Republiek het tij! Weg was de tolerantie en het gedoogbeleid! Overheden vaardigden plakkaten uit waarin stond dat sodomie op allerlei wijzen diende te worden bestreden en bestraft met de doodstraf. Sodomie werd schandelijk genoemd, een zondige misdaad. Er werd benadrukt dat God de Nederlanden zou straffen als er niet zou worden opgetreden. Van Groningen tot den Haag, van Amsterdam tot Delft ontstond een heuse jacht op sodomieten, volgden arrestaties en processen en werden homo’s in het openbaar geëxecuteerd. Netwerken werden tijdens de processen blootgelegd. Verdachten werden door middel van marteling verhoord, en noemden zo namen van nieuwe verdachten. In drie jaar tijd werden er zo’n 366 mannen veroordeeld.
De oorzaak van deze plotse intolerantie wordt vaak gezocht in de stagnerende economie in sectoren als buitenlandse handel en scheepvaart einde 17e eeuw. Dit verval trof vooral de stedelingen, die hiervoor de homoseksuelen als zondebok aanduidden. Een andere oorzaak kan het toenemende belang zijn dat aan het huwelijk werd toegekend. Maar de oorzaak moet vooral gezocht worden in de betere organisatie van de homoseksuelen, waardoor zij zichtbaarder werden voor de rest van de samenleving.
Naar: Van der Helm, F.J.A.M. (2011). Gesodemieter in Den Haag. Kirjaboek.
Bron 4
Opmerkelijk genoeg stellen we een gelijksoortige dynamiek vast (als in Spanje) in de achttiende-eeuwse Republiek. De voorgaande eeuw was nochtans een ‘gouden eeuw’ geweest. De Hollandse handelsvloot domineerde de wereldzeeën en Amsterdam werd gekroond tot het financiële centrum van de wereld: thuishaven voor handelaars, kunstenaars en enkele van de meest exclusieve en exotische goederen die er op de markt te vinden waren. Rond de eeuwwisseling treffen we echter een samenleving in onrust aan. De 18e eeuw luidde immers het einde in van de Republiek als belangrijkste mercantiele natie. De Amsterdamse beurs kende een sterke neergang en handelsstromen verminderden aanzienlijk, wat de republiek tot contemplatie noopte. Net als in Spanje lag de verklaring voor de hand: luxe en losbandigheid hadden de natie ‘ontmand’. Dit was een bezorgdheid die de Republiek stevig in de ban hield, want al decennia eerder schreven theologen verhitte traktaten over de geschikte haarlengte voor jongemannen. Die lieten namelijk steeds vaker hun lange lokken groeien, tot ongenoegen van oudere generaties, die dit als teken van decadentie, verval en verwijfdheid zagen. Het hoeft dan ook weinig verbazing te wekken dat de Hollandse oplossing voor de ‘economische crisis van de mannelijkheid’ gelijk was aan die van Spanje. De repressie van sodomie bereikte ongeziene pieken in de hele Republiek. Zoals we al eerder zagen, werd sodomie zelden of nooit bestraft in de Noordelijke Nederlanden tijdens de late middeleeuwen. Al in de 17e eeuw is er een lichte stijging vast te stellen, maar het is opvallend dat de vervolgingsijver pas volop zijn hoogtepunt bereikte op het moment van de economische neergang van de Republiek.
Uit: Roelens, J. (2024). De onuitspreekbare zonde Sodomie in de Zuidelijke Nederlanden (1400-1700). Sterck & Devreese.
Bron 5
Masturbatie en sodomie werden met elkaar geassocieerd en verworpen als zeer grote zonden. Sodomie was het ergste kwaad en werd als zeer verderfelijk voor de jeugd beschouwd. Het is geen toeval dat het boek De Groote Zonden van een anonieme Engelse schrijver in het Nederlands uitkwam in 1730, op het hoogtepunt van de eerste vervolging van sodomieten in de Republiek. De Groote Zonden, waarin allerlei ziekten werden beschreven als gevolg van ‘zondig’ seksueel gedrag, sloeg in als een bom en had een enorme impact, niet alleen op de mentaliteit in de 18e eeuw, maar zelfs op de westerse seksualiteit van de laatste 300 jaar. Het kwam uit op een moment dat de boekdrukkunst haar hoogdagen beleefde. In kranten over het hele land verschenen advertenties van het boek. Het onderwerp werd druk besproken. Betaalbare boeken waren een nieuw massamedium. Het was een van Europa’s eerste mediahypes waarvan veel mensen de dupe werden, want men ging zich schamen voor zelfbevrediging en homoseksuele voorkeur.
Naar: Roberts, B. (2014). Seks, drugs en rock 'n roll in de gouden eeuw. Amsterdam University Press.
Hoe kan discriminatie van homoseksuelen in de toekomst vermeden worden?
In het verleden kon de tolerantere houding ten aanzien van minderheidsgroepen als homoseksuelen door omstandigheden of een veranderende context onverwachts omslaan in vervolging. Vandaag zijn homoseksuelen in België in theorie gelijk aan heteroseksuelen, toch krijgen ze in het dagelijks leven af te rekenen met discriminatie, vooroordelen en stereotyperingen. Zichtbaar jezelf zijn heeft toch nog risico’s.
Opdrachten
1 Onderzoek discriminatie van homoseksuelen vandaag. Gebruik bron 1.
a Wat is homofobie en wat is de betekenis van de regenboogkleuren? Zoek eventueel op.
b De boodschap van deze affiche is nog steeds actueel en de LGBTQ+-gemeenschap voert geregeld acties (ook ludieke acties zoals de Pride Parade) om gelijke rechten met hetero’s te bekomen. Welke discriminatie ondervindt die minderheid nog altijd in het dagelijks leven? Zoek eventueel op in recente krantenartikels online.
c Lees het kader historisch denken op p. XX. Toon per klasgroep aan de hand van drie voorbeelden dat veralgemeningen over en stereotyperingen van homoseksuelen ook vandaag de wereld nog niet uit zijn.
2 Vandaag zetten democratische overheden zich in om discriminatie ten aanzien van minderheden en homoerotische relaties te bestrijden en te bestraffen.
a Bestudeer bron 2 tot en met 4. Beargumenteer of de homogemeenschap, en ruimer de hele queergemeenschap, vandaag die garanties op bestraffing van discriminatie voldoende krijgt.
b Herlees het fragment van bron 4. Vind je dat gendergelijkheid in de mensenrechten voldoende expliciet wordt geformuleerd? Beargumenteer.
3 Reflecteer over je eigen verantwoordelijkheid bij discriminatie. Kies een van de drie opdrachten.
a Illustreer aan de hand van een concreet voorbeeld hoe jij, als individu, zou handelen wanneer je getuige bent van een situatie van discriminatie of pestgedrag op basis van seksuele geaardheid.
b Illustreer aan de hand van een recent voorbeeld welke acties organisaties als Unia en de Pride Parade ondernemen om onrechtvaardigheid aan te pakken.
c De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) formuleert gelijkheid van alle mensen, maar specifieke artikelen over seksualiteit en gendergelijkheid zijn nog niet aan de orde.
Dat creëert een leemte in de bescherming van mensenrechten wereldwijd. Stel je voor dat je een afgevaardigde bent bij een internationale mensenrechtenorganisatie bij de Verenigde Naties (VN).
Formuleer een gemotiveerd voorstel (inclusief argumenten en context) voor een nieuw of aangepast artikel in de UVRM dat expliciet de rechten en vrijheden van mensen op basis van hun seksuele geaardheid garandeert.

Discriminatie is in België bij wet verboden en is strafbaar. Iemand discrimineren is iemand schade toebrengen. Een rechter kan een discriminerende persoon veroordelen tot het vergoeden van het slachtoffer voor de geleden schade. In België is er een wet die discriminatie verbiedt op grond van verschillende criteria. Het slachtoffer moet niet bewijzen dat hij gediscrimineerd wordt, de dader moet bewijzen dat hij niet gediscrimineerd heeft. De rechten van het slachtoffer zijn dus beter beschermd. De antidiscriminatiewet is een strafwet. Ze bestraft ook het aanzetten tot discriminatie, haat of geweld. Door de wet is het mogelijk om haatmisdrijven strenger te bestraffen.
Uit: Rubriek op de informatiesite van de Belgische federale overheid aan de bevolking. www.belgium.be Wanneer haat, misprijzen of vijandigheid vanwege de origine, seksuele oriëntatie, handicap of een ander beschermd criterium een van de motieven van een vergrijp of een misdaad is, gelden verzwarende omstandigheden (en strengere straffen). In dat geval spreekt men van een haatmisdrijf.
Uit: Website van het federale gelijkekansencentrum www.unia.be
Unia, opgericht in 1993, is het Gelijkekansencentrum in België, een onafhankelijke instelling die discriminatie bestrijdt en gelijke kansen bevordert in België.
De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens is een verklaring die op 10 december 1948 is aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties om de rechten van de mens te omschrijven.
Artikel 1: Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Zij zijn begiftigd met verstand en geweten, en behoren zich jegens elkander in een geest van broederschap te gedragen.
(…)
Artikel 2: Eenieder heeft aanspraak op alle rechten en vrijheden, in deze Verklaring opgesomd, zonder enig onderscheid van welke aard ook, zoals ras, kleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.
(…)
Artikel 9: Niemand zal onderworpen worden aan willekeurige arrestatie, detentie of verbanning.
Uit: Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. www.amnesty-international.be
Hyacinthe Rigaud, Lodewijk XIV (Parijs, 1701). De koning draagt voorwerpen die zijn macht uitstralen: een blauwe mantel met de Franse lelie en een scepter in zijn rechterhand. Daarmee maakte de koning duidelijk hoe de verhouding tussen hem en zijn onderdanen was. De voeten van de koning kwamen immers op ooghoogte van de bezoekers. In de vroegmoderne tijd werden vorsten in West-Europa steeds machtiger en probeerden ze hun macht verder te centraliseren. Toch kwam er ook kritiek. Filosofen dachten na over hoe het anders kon. De verlichte principes die zij bedachten, vormden een inspiratiebron voor hoe macht in onze samenleving ook nu nog wordt georganiseerd. In dit hoofdstuk bestudeer je de kenmerken van absolute macht en de kritiek van 'verlichte' filosofen op dat systeem.

2 3 4 1 Koningen met absolute macht in de vroegmoderne tijd
De beeldvorming over absolutisme in historische films en series
De verlichtingsfilosofen stellen het absolutisme in vraag
Uitbreiding: Gelijkheid volgens de verlichtingsfilosofen
Over de machtsverhouding tussen de vorst en het volk leerde je al in de eerste graad. Weet je nog wie inspraak kreeg in Athene en Rome en hoe Romeinse keizers, zoals Augustus, de macht naar zich toe trokken? En herinner je je hoe in de middeleeuwen koningen hun macht meestal moesten delen met hun onderdanen, die niet zomaar belastingen wilden betalen zonder inspraak, bepaalde vrijheden of een duidelijke wetgeving? Vergelijk bron 1 met de afbeelding op de titelpagina van dit hoofdstuk. Welke gelijkenissen zie je? En welke verschillen? Hoe kun je die verschillen verklaren?

Hendrik VIII (1491 - 1547), koning van Engeland en stichter van de Anglicaanse Kerk. Hij zette op die manier de paus buitenspel.

Karel V (1500 - 1558), keizer van het grootste rijk sinds Karel de Grote. Hij probeerde zijn rijk helemaal katholiek te maken.

Willem van Oranje (1533 - 1584), voormalig raadsman van Karel V die vocht voor de onafhankelijkheid van de Nederlanden.

← Standbeeld Lodewijk XIV (Caen, 1685). Op de Place Royale in Caen (Frankrijk) werd in 1685 een standbeeld voor koning Lodewijk XIV (1638 - 1715) opgericht. Op een van de zijden van het voetstuk kon men lezen: ‘Herinner u, toekomstige Fransen, hier voor u staat Louis de eerlijke en de veroveraar. De geschiedenis zal u leren door welke avonturen hij de naam de “Grote” heeft verdiend.’ Lodewijk was op dat moment ongeveer met alle Europese landen in oorlog. Tijdens de Franse Revolutie die later uitbrak, werd het beeld omvergetrokken en verbrijzeld. De Place Royal veranderde van naam en werd de Place de la République. In de 19e eeuw werd een nieuwe versie geplaatst, omdat er toen weer meer werd opgekeken naar de oude Franse monarch.
Absolutisme en verlichting (Europa, ca. 1650 - 1800)


Catharina de Grote (1729 - 1796) zette haar man, de tsaar, af en werd zelf tsarina. Ze nodigde filosofen zoals Voltaire uit in Rusland. Paus Urbanus VIII (1568 - 1644). Hij breidde de macht van zijn familie uit door leden ervan te bevoordelen. Hij bestreed het protestantisme.
Kaart 1: Staten in Europa ca. 1650


Maria Theresia van Oostenrijk (17171765), keizerin van het Duitse rijk die haar invloed in Europa door huwelijkspolitiek uitbreidde.
Leonardo Loredan (1436 - 1521) was de doge van de Republiek Venetië, een functie waarvoor je levenslang verkozen werd door de aristocratie van de stad.

Süleyman I (1520 - 1566), sultan die het Ottomaanse rijk uitbreidde, o.a. in Oost-Europa. Hij liet zich assisteren door raadslieden en bracht de cultuur tot bloei.
Vandaag ligt in België, en in enkele andere monarchieën, de macht van de koning grondwettelijk vast, maar dat was lang niet altijd het geval. In de vroegmoderne tijd was de macht bij de meeste vorsten niet door de wet beperkt. Ze streefden naar absolute macht. Je onderzoekt in deze les de machtsverhoudingen tussen vorsten en hun onderdanen in de vroegmoderne tijd in Europa, en in het bijzonder in Frankrijk. En je bekijkt welke invloed dat had op de territoriale kaart, en dus op de grenzen, van West-Europa.
1.1 Waarom kregen Europese vorsten vanaf de 16e eeuw veel macht?
Europese vorsten streefden al sinds de volle middeleeuwen naar centralisatie: ze probeerden het bestuur meer in eigen handen te krijgen zonder het te moeten delen met hun vazallen. In Frankrijk slaagden de koningen er vanaf de 12e eeuw in om steeds meer macht naar zich toe te trekken. Dat streven naar meer macht noemen we absolutisme. Dat betekent niet dat de koning willekeurig mocht kiezen wie hij wel of niet strafte. Wetten en gebruiken moesten in het belang van de staat genomen worden én in overeenstemming zijn met Gods wil. Omdat dat twee zaken zijn die ruim geïnterpreteerd kunnen worden, stond de deur open voor willekeur en machtsmisbruik. De bestuurlijke organisatie onder Lodewijk XIV (regeerperiode: 1643 - 1715) betekende het hoogtepunt van het absolutisme in Frankrijk. Hij verwierf macht op vrijwel alle maatschappelijke domeinen.
1.2 De adel aan de leiband: centralisatie en militaire hervormingen
In de middeleeuwen waren de koningen voor de bescherming en het bestuur van hun rijk afhankelijk van hun vazallen uit de adel. Vroegmoderne vorsten probeerden de macht van die vazallen te breken. Ze wilden de macht die verspreid lag over de vazallen centraliseren. De Spaanse koning Filips II regeerde vanuit zijn paleis El Escorial in de buurt van Madrid. De Franse koningen deden dezelfde beweging en regeerden vanuit één centrale hoofdstad: Parijs.
Voor het bestuur van hun rijk stelden Lodewijk XIV en de Engelse koning Hendrik VIII geschoolde ambtenaren aan in de plaats van vazallen. Ambtenaren werden aangeworven uit de stedelijke burgerij. Ze keken nauwgezet toe op de inning van belastingen en op de naleving van de koninklijke wetten.
Dankzij de Chinese uitvinding van het buskruit werd de adellijke ruiterij minder noodzakelijk om een oorlog te kunnen winnen. Al in de late middeleeuwen werden steeds vaker huurlingen ingezet. Omdat die niet altijd even betrouwbaar waren, bouwde Lodewijk XIV een beroepsleger van betaalde soldaten uit. Daar was handenvol geld voor nodig. De dure oorlogen zetten de schatkist zwaar onder druk.
1.3 Nieuwe economische systemen: slimme belastingen en overheidsregulering
Om absolute macht te bereiken had een koning dus veel geld nodig. In de middeleeuwen rekenden koningen daarvoor op de opbrengsten van tol, boetes en hun koninklijk domein. In de vroegmoderne tijd brachten de overzeese territoria in Midden- en Zuid-Amerika geleidelijk aan meer rijkdom op.
Maar de vele oorlogen en overzeese veroveringstochten zorgden ervoor dat de koningen toch weer op zoek moesten naar extra inkomsten. Als de koning te weinig geld had, moest hij onderhandelen met de Staten-Generaal: de vertegenwoordiging van adel, clerus en het volk, de drie standen. Die stond tijdelijk extra belastingen toe, maar vroeg in ruil wel meer voordelen of inspraak, waardoor de macht van de koning ingeperkt dreigde te worden. Verschillende vroegmoderne vorsten, zoals in Frankrijk of Spanje, stonden in de
16e en 17e eeuw financieel sterk genoeg om de Staten-Generaal niet meer te laten samenkomen. Zo hoefden ze geen kritiek te verdragen of inspraak te verlenen aan hun onderdanen.
1.4 Cultureel: één geloof, één taal, een en al bewondering
Op cultureel vlak streefden de meeste Europese vorsten naar eenheid. Lodewijk XIV ging uit van het ‘droit divin’: hij beschouwde zich als de plaatsvervanger van God op aarde. Eén geloof telde voor hem: het katholieke geloof. Dat was gemakkelijker te controleren dan een samenleving waarin verschillende religies een plaats hadden. Het katholieke geloof werd in verschillende staten, waaronder Frankrijk, de staatsgodsdienst. De minderheid van protestantse christenen, zoals de hugenoten, werd gediscrimineerd. Velen migreerden naar regio’s waar ze wel welkom waren.
Naast één geloof probeerde Lodewijk ook het Frans in zijn hele rijk in te voeren als bestuurstaal. Dat werd weliswaar pas in de 19e eeuw echt gerealiseerd. Absolute vorsten gebruikten kunst- en cultuuruitingen als propagandamiddel. Kunst diende dus om de onderdanen te overtuigen van hun boodschap. Lodewijk XIV liet zich bijvoorbeeld afbeelden als de Zonnekoning: het centrum van het heelal, waarrond alle andere hemellichamen cirkelen.
1.5 Hoe machtig waren koningen in de vroegmoderne tijd?
De vroegmoderne vorsten slaagden erin om hun macht te vergroten, maar toch zou hun macht nooit volledig absoluut worden. Ze moesten rekening houden met de lokale rechtspraak, het gewoonterecht dat al eeuwenlang in gebruik was. Koninklijke wetten konden die regels niet zomaar afschaffen. De omvang van het rijk en de verschillende talen maakten communicatie en dus controle moeilijk. Tot slot maakten absolute vorsten tal van vijanden. Protest van de adel, de protestanten, de paus en later van de verlichte denkers verhinderde de weg naar absolute macht.
Opdrachten
1 Bestudeer de tijdlijn, de kaart en de staatsportretten op p. XXX.
a Een staatsportret is een plechtig portret van een heerser, vaak met attributen die zijn macht en belang laten zien. Aan de hand van de portretten uit hun eigen tijd onderzoek je wie die personen waren. Situeer elke heerser in tijd en ruimte.
b Noem een persoon die niet thuishoort in het rijtje en leg uit waarom dat volgens jou zo is.
c Situeer het absolutisme in de tijd. Was absolutisme een tijdelijk fenomeen in de vroegmoderne tijd? Kun je spreken van continuïteit op politiek vlak of juist niet? Gebruik één of meerdere structuurbegrippen voor verandering om je antwoord vorm te geven.
2 Zoek aan de hand van bron 5 de gelijkenissen en verschillen tussen de macht van Europese vorsten in de middeleeuwen en in de vroegmoderne tijd. 09a
Bron 1

↑
Hendrik Vroom, Slag met de Armada (1601).In 1588 werd in een beroemde zeeslag het Spaanse leger verslagen door Engelse troepen. Op de afbeelding zie je de slag bij Grevelingen, een havenstadje in het graafschap Vlaanderen. De Engelse koningin Elizabeth I versterkte daardoor haar macht, en slaagde erin om stevig aan het hoofd te blijven van het bestuur in de Engelse monarchie. Tegelijk bleef ze hoofd van de Anglicaanse Kerk en overbrugde ze zo de verschillen tussen katholieken en protestanten.
Bron 2

← Anonieme maker, fragment van een grotere tekening (Ottomaanse rijk, 16e eeuw).
De Hongaarse koning Johan Zapolya knielt voor Sultan Suleyman I. Voor West-Europese vorsten was overzeese expansie een manier om hun territorium uit te breiden. De Ottomaanse dynastie deed hetzelfde in Oost-Europa en rondom de Middellandse Zee. De Turkse sultans lieten de veroverde gebieden hun eigen wetten en godsdienst volgen.
Bron 3

Bron 5
← Titelpagina uit de King James Bijbel (1613). Gedrukt door Robert Barker. Absolute vorsten gebruikten religie om hun macht te vergroten. In hoofdstuk 4 leerde je al dat dat leidde tot langdurige godsdienstoorlogen.
Bron 4
← Franse expansie naar het noorden, 1659 - 1713.
↑ Bekijk de interactieve kaart.
‘De prins mag niet (...) zonder reden één van zijn dienaren ontslaan uit zijn ambt, want de wil van de prins behoort gestuurd te zijn door het recht, eerlijkheid en deugd, en is niet absoluut.’
Aan het woord is Antoon van der Vichte, een vijftiende-eeuwse Vlaamse edelman en de schout van Brugge. (...) In 1479, twee jaar na de Blijde Inkomst van Maria van Bourgondië in Brugge, werd Antoon plotseling uit zijn ambt ontzet. Dat vond hij niet kunnen. Antoon stapte naar de Grote Raad, de centrale rechtbank van de Bourgondische Nederlanden, en legde een klacht neer. Volgens hem waren er niet voldoende redenen om hem te ontslaan en was de benoeming van zijn opvolger niet volgens de heersende gewoontes. (...) Net als Antoon waren de inwoners van de laatmiddeleeuwse Nederlanden van twee zaken overtuigd: (1)dat er een landsheer/-vrouw moest zijn en (2) dat zijn/haar macht niet absoluut was. Absolutistische vorsten zoals de beroemde zeventiende-eeuwse Franse koning Lodewijk XIV (1638-1715) (...) bestonden nog niet in de middeleeuwen. Als 'mannen van dialoog’, zoals historici ze wel eens durven beschrijven, moesten middeleeuwse heersers overleggen met hun onderdanen. (...) De lokale 'overheden' of bestuurders werden in de laatmiddeleeuwse periode bemand en/of beïnvloed door edellieden, geestelijken, vorstelijke functionarissen, stedelijke elitaire families en de sociaal diverse populatie. Deze verdeling van de macht was een gevolg van de grote afhankelijkheid van middeleeuwse vorsten, die zowel voor hun inkomen als militaire macht moesten rekenen op hun onderdanen. (...) Daarnaast werd de invloed van de heerser ook omlijnd door het zeer wijdverspreide idee dat politieke macht gebaseerd was op een contract tussen bestuurders en bestuurden. (…)
In sterk verstedelijkte gebieden, zoals de Lage Landen, moest de landsheer/-vrouw ook rekening houden met stedelijke centra. In de loop van de twaalfde en dertiende eeuw ontwikkelden Nederlandse steden zich dankzij hun economisch en demografisch potentieel tot machtige politieke spelers. Om hun beleid te kunnen financieren, waren de landsheren/-vrouwen van de verschillende gewesten van de Lage Landen immers afhankelijk van de steden. Telkens wanneer hun vorst hen om geld vroeg, eisten de steden politieke inspraak en verregaande rechten van zelfbestuur in de plaats. Op deze manier wisten steden niet alleen voldoende politieke macht te verzamelen om zichzelf te besturen, maar slaagden ze er ook regelmatig in het bestuur van het land naar hun hand te zetten. (...)
Naast de onafgebroken dialoog rond het landsheerlijke bestuur woedde er ook een machtsstrijd binnen lokale gemeenschappen. Bijvoorbeeld in steden, waar sociale groepen met uiteenlopende economische en politieke interesses elkaar voortdurend ontmoetten. Bovenaan de stedelijke hiërarchie stonden elitaire families, vaak geslachten of goede lieden genoemd. Deze elitaire groepen haalden hun rijkdom voornamelijk uit de (langeafstands)handel en hun grondbezit. Tot aan de dertiende en veertiende eeuw slaagden ze er bovendien in om het bestuur van de stad volledig te domineren. Dit machtsmonopolie zou evenwel steeds vaker op de korrel genomen worden door de ambachten. (...) Aangezien het stadsbestuur de ambachten officieel erkende, bezaten hun leden meer rechten dan anderen die in dezelfde sector werkzaam waren. Na verloop van tijd verkregen de ambachten niet alleen een zekere vorm van autonomie, maar konden ze zich ook ontwikkelen tot invloedrijke politieke spelers.
De ambachten slaagden erin om een stempel op het beleid te drukken door afwisselende coalities te vormen met de stedelijke elite en de landsheer/-vrouw of door zich collectief te organiseren. (…) Vanaf de veertiende en vijftiende eeuw zetelden ambachtelijke vertegenwoordigers ook regelmatig in de stadsbesturen zelf. (...) Middeleeuwse vorsten of bestuurders die zomaar alles alleen konden beslissen, behoren dus tot het domein van het cliché. Landsheren, edellieden, geestelijken, vorstelijke ambtenaren, boeren, stedelijke elites, ambachten en dagloners moesten samen voortdurend op zoek naar een politiek evenwicht.
Uit: Roelens, J. & van Kleij, N. (red.) (2023). Middeleeuwse mensen. De clichés over de middeleeuwen voorbij. Ertsberg.
Zelfevaluatie
• Ik interpreteer afbeeldingen en/of beschrijvingen van heersers.
• Ik beschrijf gelijkenissen en verschillen over macht en bestuur tijdens de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd.
Historisch denken: beeldvorming in historische films en series
Historisch denken vereist dat we historische personen in hun historische context plaatsen. Daarbij houden we rekening met hun standplaatsgebondenheid. Hoewel de historische films of series die over hen verschijnen een krachtig en meeslepend verhaal vertellen, zijn die vaak niet zo historisch correct. Om de historische waarde van een film of serie te beoordelen moeten we het onderscheid maken tussen historische kennis zoals die door wetenschappelijke historici ontwikkeld wordt en de artistieke verbeelding van de regisseurs. De film of serie slaagt er misschien wel in om een bepaalde emotionele waarheid over te brengen, maar vertekent de historische werkelijkheid door fouten in de chronologie, anachronismen of bepaalde inhoudelijke keuzes van de scenarioschrijvers om het verhaal helder te houden. Daarbij ontbreekt de vereiste nuancering in een historisch werk. Historisch denken helpt ons dus niet alleen om die verschillen te herkennen, maar ook om te begrijpen waarom filmmakers ervoor kiezen om de geschiedenis op een bepaalde manier te presenteren. Dat doen ze vaak om een meeslepend verhaal te vertellen of een bepaalde boodschap over te brengen.
In deze les onderzoek je de historische beeldvorming over Hendrik VIII, koning van Engeland, en over het leven aan het hof van Lodewijk XIV, koning van Frankrijk.
Opdrachten
1 Onderzoek de beeldvorming in The Other Boleyn Girl
a Vergelijk het beeld dat je in de film (fragment 1) krijgt van huwelijkspolitiek met het beeld dat je krijgt in bron 1 en 4. Lees eerst het kader historisch denken op p. XXX.
Bekijk de fragmenten.
b Vergelijk de beeldvorming over het 16e-eeuwse proces tegen Catharina van Aragon in het 19e-eeuwse schilderij (bron 2) met die in de film uit de 21e eeuw (fragment 2).
c Bekijk het filmfragment over de bevalling van Anne (fragment 3) en vergelijk het met de afbeelding uit de Westminster Tournament Roll uit bron 3.
d Gebruik bron 5 om de historische beeldvorming in de film The Other Boleyn Girl te beoordelen.
2 Onderzoek de beeldvorming over Versailles.
a Hoe betrouwbaar is de beeldvorming over Lodewijk XIV in de serie Versailles? Bepaal welke soort bronnen (bron 6 tot en met 8) je ter beschikking hebt om die historische vraag te beantwoorden. Benoem het soort bron zo specifiek mogelijk.
b Bekijk eerst het fragment uit Versailles. Formuleer drie verschillende historische vragen bij het filmfragment: een beschrijvende, een vergelijkende en een verklarende vraag.
c Bekijk bron 6 en 7. Het zijn recensies over Versailles. Evalueer welke recensies bruikbaar en betrouwbaar zijn om de beeldvorming over Lodewijk XIV in Versailles te beoordelen.
d Vergelijk de informatie uit het historische werk Versailles (zie bron 8) van Johan Op de Beeck met het fragment uit de serie Versailles. Welke gelijkenissen en verschillen merk je op?
Bron 1
Henry VII 1457 - 1509
Elizabeth of York 1466 - 1503
Arthur Tudor 1486 - 1502
Catherine of Aragon 1485 - 1536
Henry VIII 1491 - 1547
Anne Boleyn 1501 - 1536
Mary I 1516 - 1558 1553 - 1558
Elizabeth I 1533 - 1603 1558 - 1603
Jane Seymour 1508 - 1537
Anne of Cleves 1515 - 1557
Catherine Howard 1520 - 1542
Catherine Parr 1512 - 1548
↑
Stamboom van de Tudor-dynastie.
Bron 2

↑
Laslett John Pott, Catharina van Aragon aangeklaagd door koning Hendrik VIII (Verenigd Koninkrijk, 1880).
Toen na twintig jaar huwelijk bleek dat Catharina Hendrik geen mannelijke opvolger zou schenken, vroeg Hendrik de scheiding aan bij de paus. De Kerk moest zich buigen over die zaak, maar weigerde. De scheiding toestaan zou immers kwaad bloed zetten bij overige bondgenoten.
Edward VI 1537 - 1553 1547 - 1553
Welk doel had Hendrik VIII toen hij zich liet scheiden van Catharina van Aragon?

↑
Westminster Tournament Roll (1511). Catharina van Aragon kijkt naar de koning, Hendrik VIII, die ter ere van haar, na de geboorte van hun zoon, deelneemt aan een steekspel. De pasgeborene bleef echter niet leven.
1 Wat was de reden van het steekspel?
2 Waarom werd daar zoveel belang aan gehecht?
‘Van het Salische land zal geen deel van de erfenis aan een vrouw komen; maar de hele erfenis van het land zal aan het mannelijke geslacht komen.’ De wet van de Salische Franken die vanaf de 6e eeuw tot ver in de 19e eeuw in de meeste Europese landen het erfrecht bepaalde.
Uit: Pactus legis Salicae LVIIII, 5.
↑
Fragment uit de Salische wet, het Frankisch gewoonterecht, opgetekend in het begin van de 6e eeuw tijdens het bestuur van de Merovingische koning na de val van het West-Romeinse rijk.
5
Van de zes vrouwen van Hendrik VIII is Anna Boleyn altijd veruit de beroemdste geweest. Ze gaf het leven aan Elizabeth, Engelands grootste koningin. En ze leidde rechtstreeks tot de historische afscheuring van de Church of England. Op het witte doek is dat al vaak verteld (…).
The Other Boleyn Girl is heel andere koek. Vergeet de bedachtzame, klasserijke stijfdeftigheid van Brits kostuumdrama: de filmversie van deze roman van Philippa Gregory uit 2002 (…) is pure kasteelsoap. (…) De beroemde hoofdrolspelers Johansson, Portman en Bana mogen dan nog zo hard geoefend hebben op een ouderwets Engels accent, ze kunnen onder hun toegesnoerde korsetten niet verstoppen dat deze productie zo Amerikaans is als McDonald's. (…) Ook Eric Bana Hendrik VIII laten vertolken is zo'n giller: hebt u wel eens het beroemde portret gezien dat Holbein van de man schilderde? De koning was een pafferige kale dikkerd. (…) Maar zodra het verhaal echt op gang komt, blijkt het toch allemaal reuze mee te vallen. Ten eerste is het bestaan van een andere Boleyn-dochter, Mary, die eerst in de gunst van de koning viel, gewoon authentiek. Bovendien bevat het scenario (…) genoeg verraad, lust, verrassende wendingen en drama om te entertainen. En ten slotte acteren de twee zussen met het enthousiasme dat een hoogstaand verhaal waardig is. (…)
Naar: (20 november 2012). Recensie van The Other Boleyn Girl. De Standaard.
6
Reviews
Overzicht van publieksbeoordeling 5 4 3 2 1 Jane Clay
4.7
1089 publieksbeoordelingen
JC
Ik ben helemaal weg van de show Versailles! Ik ben dol op films/series uit die tijd en deze show heeft het allemaal! Een beetje (losse) geschiedenis legt de decadentie van hoe de Fransen in de 17e en 18e eeuw leefden vast ... Het paleis (imperium) van Versailles zelf, met al zijn extravagante en verbluffende details, is een perfect voorbeeld van hoe vraatzuchtig Lodewijk XIV en zijn hofhouding, koningen vóór en na hem, tot Lodewijk XVI en de Franse Revolutie, leefden ten koste van zijn (meestal arme) burgers! Ik heb urenlang Versailles gebinged. Als ik buiten was/werkte, kon ik niet wachten om thuis te komen en meer Versailles te kijken (op Amazon)! Iedereen die aan deze show meewerkte, heeft fantastisch werk geleverd: de schrijvers, producenten, regisseur(s?), de verbluffende acteerprestaties (en wat een prachtige cast!). (…) Ik wil nog een serie met deze knappe mannen! Nog een kostuumdrama zou geweldig zijn! Wat dacht je van een serie over Louis XVI en Marie Antoinette en de Franse Revolutie? Ik heb de film Marie Antoinette van Sophia Coppola gezien en die was fantastisch!
↑ Google-review uit 2019 die door Google Translate uit het Engels werd vertaald.
Bron 7
De geschiedenis van Lodewijk XIV is complex, maar wordt hier bedolven onder bijzaken in het script. De serie hanteert enkele platgetreden elementen die altijd voorkomen in het genre: martelingen, spionage, overspel, en zelfkastijding. Het zijn de intriges uit The Tudors en de religieuze verwijzingen van The Borgias, aangevuld met soms goedkoop ogende kostuums (…). Het lijkt erop dat Versailles geen accurate vertaling geeft van het verleden, maar wellicht is waarheid vreemder dan fictie: van de koninklijke belastingadviseur die een fraudeur in een bordeel terechtwijst, tot aan de Spaanse koningin die verstrikt zit in een liaison [affaire] met haar dwergnar. (…) Veel expositie, matige dialogen en glanzende pruiken. De serie probeert moderniteit te verenigen met historische feiten, maar slaagt daar maar deels in. Versailles is gewoon een kleurrijke fantasie.
Uit: Defares, G. (25 december 2018). Versailles S01E01-02: doorsnee historisch drama. www.bnnvara.nl
Recensie van de serie Versailles op de website van BNNVARA, een publieke omroep in Nederland.
Bron 8
Versailles, een onophoudelijk, hoogstaand theaterstuk met duizenden acteurs en slechts één onder hen die er echt toe deed: de Zonnekoning, zonder wiens licht niemand kon bestaan. (...) Eerst en vooral bleek het op het schouwtoneel van Versailles onontbeerlijk om gezien te worden door de koning. Gezien worden betekende een kans op communicatie met de almachtige vorst, een mogelijkheid om bij hem in de gunst te komen, een stapje hogerop misschien. (...) 'Al bij de grand lever keek hij van links naar rechts, net zoals bij het slapengaan, bij de maaltijd, bij het wandelen door zijn vertrekken, in de tuinen van Versailles, waar alleen de leden van het hof het recht hadden om hem te volgen; maar steeds merkte hij eenieder op, niemand ontsnapte aan zijn aandacht, zelfs niet degene die daar geen hoop op kon stellen.' (...) Groot was de consternatie wanneer de koning dan inderdaad iemand aansprak of een kort hoofdknikje gaf. Hier was een carrièrestap op komst, misschien zelfs een fortuin in de maak, zo wist men. Het omgekeerde kon je ook overkomen. Wie naar de mening van de vorst een blunder had begaan, kon dat merken aan zijn ogen. (...) Louis' ijskoude blik hield je dan even in zijn greep, liet je weer los en gaf zoveel te kennen als dat je misstap niet vergeten, maar wel vergeven was. Of juist niet. (...) Gezien worden door de vorst was immens belangrijk, maar gezien worden mét de vorst was dat nog meer. Wanneer de koning zijn dagelijkse wandeling door de kasteeltuinen maakte, vaak rond de klok van drie, deed hij dat meestal alleen. Een select groepje volgelingen moest een afstand van een tiental meter bewaren. Behalve zijn lijfwachten stond hij echter geregeld het gezelschap toe van een uitverkorene aan zijn zijde. Een unieke kans om zich langere tijd met de Zonnekoning onder vier ogen te onderhouden over allerlei aangelegenheden, suggesties en wensen. Het uitgelezen moment waarop carrières werden gemaakt en gekraakt.
Uit: Op de Beeck, J. (2023). Versailles: vier eeuwen in het beroemdste kasteel ter wereld. Horizon.
• Ik denk kritisch na over de beeldvorming over historische personages in films of romans.
• Ik evalueer de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van recensies over historische films.
In dit onderzoek kom je te weten wat de filosofische stroming van de verlichting inhield en waarom die denkers het absolutisme in vraag stelden.
3.1 Het rationalisme van de 18e eeuw
Je weet al dat de humanisten (15e - 16e eeuw) de mens en zijn kritisch denken centraal stelden. De basis daarvan was het geloof in de eigen waarneming en het eigen verstand, ook wel rede of ratio genoemd. Vroegmoderne onderzoekers en denkers vonden inspiratie in de teksten van klassieke filosofen zoals Plato en Aristoteles. Er ontstonden in de 17e eeuw twee filosofische stromingen die invloed zouden hebben op de verlichting.
Aan de ene kant had je het rationalisme. De Franse filosoof René Descartes vatte de essentie ervan mooi samen: Je pense, donc je suis (Ik denk, dus ik ben). Anders gezegd: enkel het verstand kan tot ware kennis leiden. Aan de andere kant had je het empirisme. Ook die stroming wilde de kennis over de werkelijkheid helder krijgen. Volgens empiristen zoals John Locke en David Hume kwam alle kennis voort uit zintuigelijke waarneming. Denk aan de proeven die je doet om tot een wet in de fysica te komen. In de vroegmoderne tijd werd de wetenschappelijke methode steeds verder ontwikkeld.
Voor de ontwikkeling van de wetenschappen waren beide inzichten erg belangrijk. Ook de verlichting vond er zijn oorsprong. Centraal in die filosofische stroming stond de opvatting dat onwetendheid, bijgeloof en vooroordelen verdreven zouden worden als mensen een beroep deden op de rede (het gezond verstand). De ratio zou dus figuurlijk voor licht zorgen in de duisternis.
3.2 Van welke wereld droomden verlichtingsfilosofen?
Verlichte denkers in de 18e eeuw droomden van een staat waarin er gelijkwaardigheid was (gelijkheidsbeginsel) en ieder vrij zijn mening kon uiten. Ze droomden van een staat waarin de koning zijn macht niet misbruikte. Volgens de Britse denker John Locke beschikt de mens over een natuurlijke vrijheid (vrijheidsbeginsel). Die vrijheid moest bewaakt worden door de overheid. Locke pleitte daarom voor een rechtstaat die de burgerrechten garandeerde in een grondwet. Burgerrechten zijn rechten die niet kunnen afgenomen worden en die voor iedereen gelden, los van afkomst of rijkdom. Ook pleitten meerdere verlichte filosofen voor godsdienstvrijheid.
Charles de Montesquieu bouwde verder op dat idee van volkssoevereiniteit. Al de macht aan het volk geven was echter niet haalbaar. Daarom pleitte hij in de eerste plaats voor de oprichting van een parlement Hij pleitte ook voor een democratische staatsvorm met verkiezingen waardoor iedereen met burgerrechten inspraak kreeg in het bestuur. Maar Montesquieu vond dat niet iedereen in staat was om aan die verkiezingen deel te nemen. Zo sloot hij vrouwen uit omdat hij die niet als volwaardige burgers beschouwde. Ook mensen die niet gestudeerd hadden, waren volgens hem incapabel. Voor hem moest het parlement samengesteld worden door invloedrijke (witte) mannen.
Ten tweede pleitte Montesquieu voor een scheiding der machten: de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht. Alleen op die manier was er volgens hem politieke vrijheid. Bij absolute vorsten waren alle machten verenigd. Daardoor dreigde het gevaar van machtsmisbruik. Elk van die machten controleerde elkaar en samen hielden ze elkaar in evenwicht. Die ideeën lagen aan de basis van de latere politieke revoluties waarover je leert in hoofdstuk 6.
Adam Smith stelde dat individueel eigenbelang in een vrije markt leidt tot collectief welzijn. Hij pleitte, anders dan de absolute vorsten, voor een minimale rol van de overheid en geloofde dat concurrentie en specialisatie de economische welvaart zouden verhogen.
Niet iedereen ging akkoord met de verlichte ideeën. De meeste koningen waren radicaal tegen. De verlichting zorgde er immers voor dat de oude maatschappelijke orde in vraag werd gesteld. Ook de Katholieke Kerk was de verlichting liever kwijt dan rijk. God werd in vraag gesteld en dat zagen de meeste vorsten en de paus als een bedreiging van hun macht. Zij waren geen fan van de voorgestelde godsdienstvrijheid en tolerantie
Sommige heersers waren wel bereid tot hervormingen. Zij wensten hun macht te gebruiken in het voordeel van het volk, zonder het volk echt inspraak te geven. Die staatsvorm noemde men het verlicht despotisme.
Niettemin verspreidden de ideeën zich in een snel tempo over heel Europa. De kennis werd verzameld in encyclopedieën en door de boekdrukkunst konden de nieuwe opvattingen snel verspreid worden.
Opdrachten
1 Onder zoek de hedendaagse en historische betekenis van de verlichtingsidealen.
a Zoek in de bronnen van verlichte filosofen (bron 1 tot en met 4) naar de verlichte idealen. Soms zijn meerdere begrippen tegelijk van toepassing.
b Zoek daarna een antwoord op de vraag wat de verlichte filosofen hoopten te bereiken en vat dat samen (bv. volgens de Cornell-methode).
c Onder zoek waar je verlichte ideeën herkent in de hedendaagse bronnen (bron 8 tot en met 10). Soms zijn meerdere begrippen tegelijk van toepassing.
2 Ga in de lestekst op zoek naar groeperingen die niet te vinden waren voor de verlichting en zoek uit waarom.
3 Onder zoek de verlichtingsidealen in onze huidige democratie.
a Bekijk het filmfragment (bron 5) en onderzoek welke verlichtingsidealen je herkent in de manier waarop democratie vandaag werkt in België.
b Lees bron 7. Analyseer het spanningsveld van de ‘scheiding der machten’ tussen de rechterlijke en de politieke (meer bepaald de uitvoerende) macht. Waarom krijgt de minister kritiek op haar standpunt?
Historisch denken: historische gebeurtenis
Sommige gebeurtenissen of fenomenen zijn belangrijker dan andere. Zo wordt de verlichting bijvoorbeeld door veel mensen beschouwd als een van de belangrijkste veranderingen van hoe mensen gingen denken. De historische betekenis van een fenomeen staat echter niet vast. Ze wordt mee bepaald door de waarden en normen die we vandaag hanteren.
Wanneer de uitoefening van de wetgevende macht en van de uitvoerende macht aan één persoon of aan één instantie toebehoort, dan is er geen vrijheid, omdat men kan vrezen dat de alleenheerser of de instantie naar willekeur wetten kunnen geven die zij naar willekeur kunnen uitvoeren. Evenmin bestaat er vrijheid waar de rechterlijke macht niet gescheiden is van de wetgevende en de uitvoerende macht. Als de rechterlijke macht met de wetgevende macht verbonden zou zijn, dan zou daarmee een onbeperkte macht opgericht worden over leven en vrijheid van de burgers, want een rechter zou zelf wetten kunnen opstellen. Als de rechterlijke macht met de uitvoerende macht verbonden zou zijn, zou de rechter zijn besluiten met de macht van een onderdrukker kunnen uitvoeren.
In een vrije staat moet het hele volk de wetgevende macht uitoefenen. In grote staten is dat onmogelijk. Het grote voordeel van de uitoefening van de wetgeving door vertegenwoordigers bestaat hierin, dat deze de nodige bekwaamheid bezitten tot de beraadslaging. Het volk is daartoe in geen geval bekwaam; hierin ligt juist een van de bijzonderste wantoestanden van de democratie.
Naar: de Montesquieu, C. (1748). De l'esprit des lois.
2
Verlichting is de bevrijding van de mens uit zijn eigen onmondigheid. Onmondigheid is het onvermogen om zich van zijn verstand te bedienen zonder de leiding van iemand anders. Het is zijn eigen schuld wanneer deze onmondigheid niet het gevolg is van een gebrek aan verstand, maar van een gebrek aan moed om zich, zonder de leiding van een ander, van het eigen verstand te bedienen. Sapere aude (durf te weten) is de kernspreuk van de verlichting. Heb de moed om u van uw eigen verstand te bedienen! Nu hoor ik van alle kanten roepen: 'Redeneer niet!' De belastingontvanger zegt: 'Redeneer niet, betaal!' De geestelijke zegt: 'Redeneer niet, geloof!' … Overal wordt de vrijheid beknot.
Uit: Kant, I. Wat is Verlichting? In: (1784). Beantwortung der Frage: Was ist Aufklärung?
3
De natuurlijke vrijheid van de mens (onvervreemdbare rechten) in de maatschappij bestaat erin dat hij op aarde geen enkel gezag erkent dat boven hem staat, dat hij aan niemands wil of wet onderworpen is en slechts de natuurwet als leefregel erkent. De maatschappelijke vrijheid van de mens bestaat erin dat hij maar aan die wetgevende macht onderworpen is, die met algemene toestemming werd ingesteld.
In alle dingen waar de wet niets bepaalt, kan ik mijn eigen wil volgen en ben ik niet onderworpen aan de veranderlijke, onzekere, onbekende, willekeurige wil van een ander persoon.
Wanneer de gezagsdragers door een slecht ambtsvoeren hun recht en hun macht verbeuren, dan keert de hoogste macht bij de gemeenschap terug.
Het volk heeft het recht soeverein te handelen en de wetgevende macht zelf uit te oefenen of een nieuwe regeringsvorm op te richten en de hoogste macht, die het volledig en onbeperkt bezit, in nieuwe handen te leggen, geheel zoals het volk belieft.
Bijgevolg is het duidelijk dat de absolute monarchie, voor sommigen de ene en enige regeringsvorm op aarde, in feite onverenigbaar is met de burgerlijke maatschappij.
Waar de vorst alleen de macht heeft - én de wetgevende, én de uitvoerende - is er geen rechter te vinden en staat er geen beroep open voor iemand die redelijk en onpartijdig en met gezag kan beslissen, en van wie men hulp en herstel van een onrecht kan verwachten dat men van de vorst of op zijn bevel heeft geleden.
Uit: Locke, J. (1690). Second Treatises of Government.

← Portret van John Locke (1632 - 1704). De Engelse filosoof beargumenteerde dat machtshebbers hun macht niet van God gekregen hebben, maar van het volk. Dat idee vat je vandaag samen met het begrip 'volkssoevereiniteit'.
↑
Bekijk het filmpje.
↑ De democratie vandaag in België.
Il faut que les hommes commencent par n’être pas fanatiques pour mériter la tolérance.
Uit: Voltaire. (1763). Traité sur la tolérance.
↑
In dit werk pleit Voltaire krachtig voor religieuze verdraagzaamheid naar aanleiding van de gerechtelijke dwaling in de zaak Calas, een protestante koopman die het slachtoffer werd van godsdienstvervolging.
↑
Il faut cultiver notre jardin.
Uit: Voltaire. (1759). Candide, ou l’Optimisme.
↑
De slotzin van deze satirische roman vat Voltaires pragmatische levensvisie samen: in plaats van te filosoferen over het kwaad moet men actief werken aan het verbeteren van de wereld.
Je ne suis pas d’accord avec ce que vous dites, mais je défendrai jusqu’à la mort votre droit de le dire.
Uit: Voltaire. (1734). Lettres philosophiques.
↑
In deze brieven prijst Voltaire de Engelse vrijheid van meningsuiting en religie.
De teksten van Voltaire (1694 - 1778), waaruit je hier enkele bekende citaten krijgt over tolerantie, rationaliteit en empirische wetenschap, vormden een belangrijke bijdrage aan de verlichting.
Bron 7
Op de vraag over waarom de Belgische overheid structureel dwangsommen weigert te betalen wegens het niet opvangen van asielzoekers, terwijl ze daarvoor al duizenden keren is veroordeeld, antwoordt de minister:
"Ik heb een situatie geërfd waar ik niet voor gekozen heb (een verwijzing naar de veroordelingen onder de vorige minister). Ik ben niet bereid om de dwangsommen te betalen. Voor mij is het belangrijker dat dit geld wordt gebruikt om het probleem structureel op te lossen."
Dat stuit de rechterlijke macht tegen de borst. "Rechterlijke beslissingen zijn bindend voor alle burgers én voor alle overheden. Het niet uitvoeren van gerechtelijke beslissingen en het weigeren van betaling van opgelegde dwangsommen, betekent een rechtstreekse aantasting van de rechtsstaat en van de scheiding der machten."
"Het argument dat het geld van een definitief opgelegde dwangsom beter voor andere doeleinden kan worden aangewend, mag nooit dienen als rechtvaardiging om gerechtelijke uitspraken naast zich neer te leggen", klinkt het. "Op die manier zou elke burger kunnen beslissen om een boete niet te betalen, omdat dit hem beter uitkomt." (...)
"Wanneer politieke overheden vinden dat de wetgeving die door de rechters wordt toegepast, niet langer is aangepast, kunnen zij in het parlement initiatieven nemen om een wetswijziging voor te stellen", stelt de brief van de verschillende rechtscolleges.
Uit: Van Chaze, S. (1 oktober 2025). Rechterlijke macht bezorgd over uitspraken minister Van Bossuyt (N-VA): “Ondermijnt fundamenten van rechtsstaat en scheiding der machten”. VRT NWS. www.vrt.be
Bron 8
Het blijft reacties regenen op de houding van minister Geens na het vonnis in een Gentse verkrachtingszaak vorige week. De beklaagde kreeg de gunst van opschorting van uitspraak, waarna de minister die rechterlijke beslissing openlijk in twijfel trok. In een brief die de krant De Morgen kon inkijken, laat nu ook het College van de hoven en rechtbanken zijn ongenoegen blijken.
(…) ‘De rechter beslist in eer en geweten, op basis van een grondige studie van en een beraadslaging over de concrete gegevens van elk dossier, of de beklaagde schuldig is en welke straf of maatregel hem moet worden opgelegd.’
Het is zeker niet aan de minister om de opgelegde straf of maatregel publiek af te keuren, klinkt het verder. ‘Aansturen op een wetswijziging om dit soort vrije appreciatie van rechters in bepaalde specifieke zaken aan banden te leggen, geeft enkel blijk van zin voor steekvlampolitiek, die een coherente wetgeving en dito toepassing ervan, niet ten goede komt.’
'Het College is dan ook van oordeel dat het u (minister Geens, red.) zou sieren om zich in de toekomst te onthouden van commentaar op uitspraken in individuele dossiers, zeker zolang de beslissing niet definitief is', zo besluit de brief.
Naar: Bauwens, D & Wauters, R. (10 februari 2016). 'Het is niet aan de minister om een opgelegde straf af te keuren.' De Standaard. www.standaard.be
Bron 9
(…) In het raam van uw verblijfsaanvraag verwachten wij daarom dat u deze verklaring ondertekent.
Ik, ondergetekende, verklaar hierbij dat ik mij engageer om ervoor te zorgen dat ikzelf, evenals mijn eventuele kinderen, gedurende ons verblijf in België, ons in de samenleving zullen integreren en er op actieve wijze aan zullen deelnemen.
Met het oog daarop verklaar ik het volgende:
-Dit land respecteert de mensenrechten zoals zij werden vastgelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. België onderschreef bovendien het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, wat ervoor zorgt dat de mensenrechten afdwingbaar zijn. Ik zal de wetgeving van dit land naleven en de democratische principes van dit land respecteren.
-Ik respecteer de vrijheid en de persoonlijke integriteit van iedereen. Ik begrijp en aanvaard dat in dit land iedereen recht heeft op de fundamentele vrijheden zoals zij liggen vervat in de grondwet.
Deze vrijheden zijn:
a) Vrijheid van meningsuiting: Iedereen mag vrij zijn overtuigingen mededelen, zowel gesproken als geschreven. Het aanzetten tot haat of geweld is echter een strafbaar feit en geeft aanleiding tot een veroordeling door de rechter.
b) Vrijheid van vereniging: (…).
c) Vrijheid van eredienst: (…)
d) Vrijheid van beleving van seksuele geaardheid: (…)
-Ik begrijp en aanvaard dat, in dit land, mannen en vrouwen dezelfde rechten en plichten hebben en dat zowel mannen als vrouwen in dit land hun bijdrage leveren aan de samenleving. Mannen en vrouwen hebben dus dezelfde rechten op onderwijs en werk, mannen en vrouwen kunnen allebei deelnemen aan het democratisch proces, waaronder verkiezingen. Zowel mannen als vrouwen hebben de verplichting om belastingen te betalen. (…)
Naar: (2016). Letterlijk, de nieuwkomersverklaring. VRT NWS. www.vrt.be
Bron 10
Nu de Raad van State de overheid heeft teruggefloten omdat de coronamaatregelen de vrijheid van eredienst te zeer inperken, klinkt de vraag almaar luider of de politie zomaar kerstfeestjes kan stilleggen.
(…) Met het ministeriële besluit achter die maatregelen werd de collectieve uitoefening van de erediensten verboden. (…) Vanuit de Joodse gemeenschap werd dat verbod aangeklaagd, onder meer omdat bij een Joods huwelijk tien mannen aanwezig moeten zijn. De vrijheid van godsdienst is een door de grondwet beschermd recht, dat volgens de klagers niet zomaar kan worden ingeperkt.
De Raad van State is hen daarin gevolgd. Zeker nu de winkels weer open mogen, is het volgens de juridische waakhond ‘niet proportioneel’ dat de overheid de collectieve uitoefening van erediensten in een uiterst beperkt aantal gevallen laat doorgaan.
(…) Professor grondwettelijk recht Hendrik Vuye (Universiteit van Namen) juicht dat toe. ‘De vrijheid van godsdienst kan mij eerlijk gezegd gestolen worden, maar zolang wij met elkaar afspreken dat het een fundamenteel recht is, moet die vrijheid worden geëerbiedigd.’ (…)
Vuye benadrukt dat hij niet tegen coronamaatregelen is. ‘Maar het Amerikaanse Supreme Court heeft het onlangs mooi verwoord:
zelfs in tijden van een pandemie kan de grondwet niet worden opzijgeschoven en vergeten.’ Samen met 24 andere grondwetspecialisten ondertekende hij begin vorige maand een open brief, die de overheid oproept een tijdelijke coronawet in het parlement te stemmen. Die wet kan de coronamaatregelen dan opsommen.
Het voordeel van een coronawet is dat de gebruikelijke checks-and-balances erop toepasbaar zijn. Het is niet de regering, maar -zoals de grondwet vraagt - het parlement dat de grondrechten tijdelijk inperkt. Zo’n wet kan bovendien worden aangevochten bij het Grondwettelijk Hof, wat de juridische onzekerheid waarmee klagers nu worden geconfronteerd vermijdt. Bovendien is zo’n wet tijdelijk: zodra de coronacrisis achter ons ligt, verdwijnt de inperking van de grondrechten.
Uit angst voor het coronavirus vinden veel mensen dat de juridische bezwaren maar even moeten worden opzijgezet. Maar het grote risico van de huidige manier van werken is de precedentwaarde. ‘Nu is het voor corona, maar wat is het de volgende keer? Grondrechten worden zo ondermijnd, wat heel betreurenswaardig en gevaarlijk is’, zegt Vuye.
Naar: D'Hoore, J. (10 december 2020). De grondwet geldt ook tijdens een pandemie. De Tijd. www.tijd.be
Zelfevaluatie
• Ik kan de belangrijkste verlichtingsprincipes in eigen woorden uitleggen en ze gebruiken in een redenering.
• Ik kan hedendaagse en historische uitspraken over de verlichting interpreteren en kritisch beoordelen.
Er bestaat veel discussie over hoe belangrijk de verlichtingsidealen juist zijn voor onze samenleving vandaag. Sommige mensen vinden ze erg belangrijk. Toch zijn er vandaag ook stemmen die kritisch zijn voor de verlichtingsdenkers en van mening zijn dat de verlichtingsdenkers elitair en discriminerend dachten. In deze bronnenstudie ga je na in hoeverre die redenering klopt.
4.1 Gelijkheid tussen mensen
Filosofen uit de 18e eeuw pleitten voor gelijkheid tussen mensen. Maar tegelijkertijd deelden ze de mens voor het eerst op in rassen.
‘Mensen zijn niet elkaars gelijke.’ Tot aan de verlichting was dat het gangbare idee. De hiërarchie in de samenleving was door God bepaald. Het woord van iemand die boven je stond op de maatschappelijke ladder, had meer gewicht dan het jouwe. Discriminatie was de normaalste zaak ter wereld. Ongelijkheid en een leven vol lijden waren nu eenmaal het gevolg van de zondige aard van de mens en een straf van God. Ook in nietkatholieke regio’s werd de hiërarchie tussen mensen als een soort van evidentie gezien, een natuurlijk iets.
De verlichtingsfilosofen trokken die hiërarchie in twijfel. Hoewel ze van mening verschilden over wat ze onder gelijkheid verstonden - de meesten bedoelden gelijkheid onder mannen - waren ze wel van mening dat gelijkheid voor de wet noodzakelijk was voor een rechtvaardige samenleving.
Vandaag is de wetenschap het erover eens dat er geen verschillende rassen zijn. Er wordt maar één menselijk ras erkend. In de vroegmoderne tijd was dat anders. Op basis van empirisch onderzoek stelden wetenschappers een classificatie op van verschillende menselijke rassen. Die verlichte onderzoekers zagen mensen in de eerste plaats als onderdeel van de natuur en minder als Gods schepping. De uiterlijke verschillen tussen mensen waren volgens hen ontstaan door de verschillende klimaten waarin mensen al eeuwen leefden.
Met de verdeling van de mensheid in verschillende rassen probeerden de verlichte denkers de evolutie van de mens te verklaren. Hoewel die wetenschappers in de opdeling niet noodzakelijk een hiërarchie zagen, werd de rassenindeling door anderen misbruikt om primitieve en superieure rassen te onderscheiden. Racisme kreeg in hun ogen een wetenschappelijke basis.
4.2 Ongelijkheid tussen mensen
Racisme dat ervan uitgaat dat het ene ras minderwaardig is aan het andere, is een gevolg van het kolonialisme, de handel in slaafgemaakten en de slavernij.
Met de oprichting van de Verenigde Staten van Amerika werd voor het eerst het recht op vrijheid en gelijkheid vastgelegd in de grondwet van 1787. Het houden van slaafgemaakte mensen stond daar haaks op. Plantagehouders uit de zuidelijke staten van de VS zagen die werkkrachten echter als een noodzaak om de economie draaiende te houden. De Amerikaanse ‘founding fathers’, zoals Benjamin Franklin, gebruikten daarom uiterlijke kenmerken om de bestaande ongelijkheid in stand te houden. Mensen van Afrikaanse origine en native Americans werden als minderwaardig aan witte mensen beschouwd. De grondwet, met daarin vrijheid en gelijkheid voor allen, gold daarmee niet voor hen. De Amerikanen grepen terug naar de rassenclassificatie uit de verlichtingsperiode. Op grond van uiterlijke kenmerken zetten ze Afrikanen en de oorspronkelijke bevolking van Amerika buiten de groep waarvoor de gelijkheidsnormen golden.
Opdrachten
1 Lees bron 1 en analyseer het beeld dat je krijgt van de verlichte denkers. In hoeverre waren mensen tijdens de verlichting racistisch, zoals Sami Zemni beweert? Bewijs je antwoord aan de hand van bron 2 en 3.
2 Vond men tijdens de verlichting dat iedereen gelijk was? Beoordeel welke bronnen bruikbaar en betrouwbaar zijn om die historische vraag te beantwoorden. Gebruik je Histokit.
3 Bestudeer de tekst van Willem Bosman (bron 2). Beargumenteer of de uitspraak ‘Bosman is een racist’ een voorbeeld is van presentisme.
Bron 1
Veel van de verlichtingsdenkers spraken over vrijheid, gelijkheid en solidariteit in Europa, maar waren tegelijk onversneden racisten die bewust mee gestalte gaven aan de westerse politiek van slavernij en kolonisering. Hume schreef over ‘de negers’ (sic) die qua beschaving inferieur waren aan de witten en ook dat zelfs ‘de meest barbaarse witten meer aanzien verdienen dan andere rassen’. Voltaire betwijfelde of ‘negers (sic) geen overgangsras waren tussen mens en aap’. Pijnlijk. Gedurende twee eeuwen hebben we compleet genegeerd hoe slavernij en kolonialisme een onuitwisbaar ingrediënt zijn geweest voor de ontwikkeling van allerlei politieke, filosofische en economische ideeën. Al die tijd bepaalde een groep witte mannen de westerse canon. Sinds de opkomst van de dekolonisatiebeweging in de jaren 80 is dat witte monopolie beginnen af te brokkelen. Dat hebben we voor een groot deel te danken aan de Zuid-Amerikanen, Afrikanen en Aziaten die aan westerse universiteiten kwamen studeren en tot hun verbijstering vaststelden dat hun voorvaderen werden gereduceerd tot figuranten of tot mensen die ongestraft uitgebuit konden worden. Dat verlichtingsdenkers desondanks tot diep in de 20e eeuw onvoorwaardelijk als helden werden gevierd, leidde tot steeds meer pijn en irritatie.
Naar: Zemni, S. (23 oktober 2021). 'Veel van onze helden uit de verlichting waren onversneden racisten'. De Standaard. www.standaard.be
↑
De auteur is een politicoloog die werkt aan de universiteit Gent.
← Je leerde in Sapiens 3 de mechanismen te begrijpen die leidden tot de discriminatie van joden tijdens de middeleeuwen. Kun je die mechanismen ook in deze bronnen herkennen?
↑ Bekijk het schema.
Bron 2

Volgens Willem Bosman: “ Alle negers zijn zonder uitzondering sluw, schurkachtig, bedrieglijk en zelden te vertrouwen. Zij lijken werkelijk geboren en getogen schurken. Zij zijn traag, lui en hebben een hekel aan werken. Daarnaast zijn ze uitermate zorgeloos en dom. In hun jonge jaren zijn negers ver van knap en eenmaal oud, alleen nog geschikt als boeman om kinderen in bed te krijgen. Iedereen die iets met negers te maken heeft, is zonder uitzondering van mening dat ieder woord aan hen verspild is. "
Uit: van den Heuvel, A. (1981). Willem Bosman in goud en slaven. Meulenhoff.
← Portret van Willem Bosman, handelsagent van de WestIndische Compagnie.
1 Tot welke bevolkingsgroep behoorde Willem Bosman?
2 Waarom schreef hij op deze manier over de zwarte slaafgemaakten?
Bron 3

← Tekening van de dwarsdoorsnede van het slavenschip ‘Brookes’ uit Liverpool. In 1788 werd een nieuwe Britse wetgeving aangenomen die reguleerde hoeveel slaafgemaakten er aan boord van een schip mee mochten. Volgens die wetgeving werd volgende ruimte voorzien voor de slaafgemaakten: 183 bij 40,5 cm voor mannen, 177,5 bij 40,5 cm voor vrouwen, 152,5 bij 35 cm voor jongens, 137 bij 30,5 cm voor meisjes.
1 Op welke manier beeldt men de slaafgemaakten af?
2 Waarom probeerde men zoveel mogelijk mensen in de boot te krijgen?
• Ik kan met behulp van hedendaagse inzichten kritische vragen stellen bij de opvattingen van de verlichtingsfilosofen.
• Ik gebruik het begrip ‘presentisme’.
• Ik gebruik argumenten om de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van bronnen te beoordelen.
Samenvattend schema
absolutisme (16e - 17e eeuw)
BASIS
–centralisatie sedert middeleeuwen –le droit divin (goddelijk recht)
–uitschakeling adellijke macht
–beperking standenvergadering
–verdere centralisatie: bestuur vanuit één centrum (hoofdstad)
–hulp geschoolde ambtenaren uit burgerij –centraal belastingstelsel –centraal beroepsleger
en SOC POL
overheidsregulering
–inkomsten uit overzeese kolonies –mercantilisme
–staatsgodsdienst
–ver volging religieuze minderheden
–één bestuurstaal
–kunst: propaganda absolutisme
–adel –protestanten –filosofen
KRITIEK
verlichting
ca. 1700
verlichting (18e eeuw)
BASIS
–rationalisme (rede) – empirisme (proefondervindelijk onderzoek)
gelijkheidsbeginsel: afschaffing standen
–volkssoevereiniteit
–grondwet = sociaal contract tussen vorst en onderdanen –scheiding van machten –af vaardiging volk in verkozen parlement
vrije markteconomie
–vrije godsdienstkeuze + religieuze tolerantie –vrije meningsuiting –vrijheidsbeginsel
KRITIEK – Kerk
–machtige koningen –verlichte despoten maar rassenindeling
niet iedereen capabel geacht: geen vrouwen, geen mensen van kleur, enkel rijken
politieke revoluties
ca. 1800
Historische begrippen
Je leerde in de vorige jaren en in de vorige hoofdstukken al volgende historische begrippen: adel, ambtenaar, belastingen, beroepsleger, bestuurlijke organisatie , bestuurstaal, boekdrukkunst, centralisatie , clerus, economie , empirisme, filosofie , (on)gelijkheid, grens, handel, inspraak , Katholieke Kerk, kolonialisme , kunstuiting, migratie , minderheid, monarchie , overheidsregulering, parlement, propaganda, racisme, rechtspraak , religie, slavernij, staatsgodsdienst, stand, StatenGeneraal, vazal, vertegenwoordiging, vrijheid en wetenschappen..
In dit hoofdstuk leerde je de volgende historische begrippen:
• cultureel: cultuuruiting, discriminatie, rationalisme, verlichting, verlichtingsidealen, kunst , tolerantie
• economisch: wetenschappelijke methode, economisch systeem, vrije markt
• politiek: absolute macht, absolutisme , burgerrechten, grondwet , overzeese territoria, politieke revoluties, rechtstaat , scheiding der machten, staatsvorm, verkiezingen, volkssoevereiniteit
• sociaal: godsdienstvrijheid, vrijheids- en gelijkheidsbeginsel
Structuurbegrippen
Je gebruikte in dit hoofdstuk ook de volgende structuurbegrippen: continuïteit en revolutie.
Gebruik bij het studeren van dit hoofdstuk de leerdoelen aan het einde van elke les of bekijk op iDiddit welke doelen je leerkracht voor jou heeft geselecteerd.
Jacques-Louis David, Marie-Antoinette (1793) (Louvre, Parijs). Marie-Antoinette was de Franse koningin, de echtgenote van koning Lodewijk XVI. De tekenaar was niet zomaar een toeschouwer toen hij op 16 oktober 1793 deze schets maakte van de koningin op weg naar de guillotine in Parijs. David was een bondgenoot van Maximilien de Robespierre. Hij stemde mee voor haar dood. De laatste decennia van de 18e eeuw waren in allerlei opzichten een tijd van verandering en breuk. Wat was er in Frankrijk gebeurd? Waarom kwamen mensen in opstand tegen hun absolute vorsten?
In dit hoofdstuk bestudeer je de verschillende revoluties die een einde aan de vroegmoderne tijd maakten en onderzoek je hoe de tijdgenoten daarnaar keken.

Opstand tegen het absolutisme
Uitbreiding: De oorzaken en aanleiding van de Franse Revolutie volgens Oversimplified
Voor- en tegenstanders van het Franse regime
2 3 4 5 1 De overgang van een agrarische naar een industriële samenleving
Collectieve herinnering aan de Franse Revolutie
In Sapiens bestudeerde je vorige jaren al meermaals de sociale structuur van de samenleving. Je leerde in de eerste graad het begrip ‘standenmaatschappij’ en paste dat toe op de Griekse en Romeinse samenlevingen. Vorig jaar leerde je ook hoe de gelaagde samenleving in West-Europa eruitzag. Je zag hoe die veranderde doordat leden van de derde stand, de rijkste kooplui en ambachtslui, in steden steeds meer vrijheid kregen.
1 Je leerde vorige jaren over productie in de landbouw, ambacht en nijverheid. Welke technieken of gewoonten herinner je je nog? Gebruik eventueel de afbeeldingen op de tijdlijn.
2 Hoe worden de producten die jij koopt vandaag geproduceerd?


1111: Oogsttafereel van een monnik die met een sikkel korenhalmen afsnijdt. Het tafereel siert de letter Q.

ca. 1250: Deze miniatuur van een hijssysteem komt uit de Kruisvaardersbijbel. De illustratie toont ambachtslui. Metselaars brengen stenen aan en een mortelmaker gaat via de ladder omhoog.
eind 18e eeuw: Midden-Frankrijk, Île Madame, het Kruis van de Keien, luchtbeeld uit 2010. Bij wet riskeerden alle vijanden van de Franse Revolutie de guillotine. Weerspannige priesters werden door Franse revolutionairen afgevoerd om te worden verbannen naar Guyana. In Rochefort sloot men daarom achthonderd geestelijken op in oude slavenschepen. Na een jaar was een op de vier nog in leven. De meeste slachtoffers werden begraven op het naburige Île Madame.
vanaf ca. 1000: Introductie keerploeg in de landbouw. Nieuwe technologie maakt die in de volgende eeuwen stilaan efficiënter.

ontstaan in Frans-Vlaanderen.

13e eeuw: De oudste afbeelding van de lakenhallen van Ieper, een miniatuur uit 1363.
1699: Thomas Savery ontwerpt de eerste vacuümpomp.
Je kunt er mijnschachten met steenkool mee leegpompen.


1712: Thomas Newcomen
ontwerpt de eerste stoommachine, onder meer op basis van de pomp van Savery.
vanaf de 16e eeuw: Dutch husbandry of vruchtwisseling. Rapen, klaver, wortelgewassen en grassen wisselen de graanteelt af. De landbouwgrond ligt niet langer een deel van het jaar braak. De voedselproductie wordt zo efficiënter, waardoor meer mensen zich kunnen focussen op ‘industriële’ gewassen zoals vlas.

1779: Samuel Crompton ontwerpt de Mule Jenny, een automatisch spintoestel. Zo verbetert hij James Hargreaves' Spinning Jenny en het waterframe van Richard Arkwright.

1769: James Watt perfectioneert de stoommachine van Newcomen en laat ze werken onder stoomdruk.

1817: John Cockerill legt in Luik de basis van de staalindustrie met hulp van Willem I, Koning der Nederlanden.

1801: Lieven Bauwens legt de basis van de industrialisering in Gent. Bauwens laat honderden Mule Jennies bouwen.

ca. 1660: De eerste stoomauto wordt ontworpen door de Vlaamse jezuïet Ferdinand Verbiest aan het hof van de Chinese keizer.
vanaf 1670: De aardappel wordt in de Zuidelijke Nederlanden steeds meer geteeld. Dat betekent een revolutie in het voedingspatroon. Het legt mee de basis voor de enorme demografische groei: een belangrijke oorzaak voor de industriële revolutie.

1793: De Amerikaanse uitvinder Eli Whitney ontwerpt de Cotton Gin. Eén arbeider kon zo het werk van tien anderen doen.
Sinds het ontstaan van de landbouw leefden bijna overal mensen in een landbouwsamenleving: boeren werkten op het land, verbouwden hun eigen voedsel en/of produceerden voor de lokale markt. Daarnaast vervaardigden ze thuis producten die ze nodig hadden of konden verkopen. Zo vulden ze hun werk op het land aan met huisnijverheid, zoals bijvoorbeeld met spinnen en wol weven, om ook tijdens de wintermaanden inkomsten te hebben.
In de 17e eeuw was bijna overal in Europa het drieslagstelsel (waarbij er nog braak was) in de landbouw vervangen door een nieuw systeem. Daarbij werd graan afgewisseld met vruchten, zoals klaver en rapen, die de bodem ook rijker maakten. Onder meer daardoor stegen de landbouwopbrengsten langzaam, wat dan weer een langzame stijging van de bevolking tot gevolg had. En al die mensen moesten niet alleen gevoed maar ook gekleed worden. Ondernemers en overheden zochten naar manieren om de arbeid anders en vooral efficiënter te organiseren. Ze stichtten manufacturen. Dat waren gemeenschappelijke werkplaatsen zoals spinnerijen en (tapijt)weverijen waar mensen uit de vroegere huisnijverheid samenwerkten. Doordat de arbeid nu op één plaats geconcentreerd was, werd de productie efficiënter en goedkoper. Vooral in GrootBrittannië werd verder gezocht om de productie in de textielsector rendabeler te maken. Daar werd nu ook katoen uit Indië ingevoerd. Afgewerkte katoen was duur, maar ruwe katoen uit de kolonies invoeren en in Engeland verwerken zou goedkoper zijn. Dat stimuleerde de Engelsen om op zoek te gaan naar een manier om zelf katoendraad te spinnen.
In de 17e eeuw gingen ook meer mensen in de steden wonen. Recent historisch onderzoek toont aan dat in Engeland rond 1600 al veel minder mensen dan voorheen in de landbouw werkten, en dat het aantal ambachtslui toenam. Het proces van industrialisering kwam dus al in de 17e eeuw op gang, maar nog niet alle kenmerken van industrialisering waren al zichtbaar. Arbeiders werkten samen in manufacturen, steeds meer mensen verhuisden naar de steden en ondernemers wilden de nijverheid efficiënter organiseren. Dat alles was de voorbode van de doorbraak van de industrialisering. Daarom noemt men deze fase van de 17e eeuw de periode van proto-industrialisering.
1.2 De industriële ‘revolutie’
Ca. 1750 brak de industrialisering pas echt door. Dat proces werd nog versneld dankzij een aantal technologische innovaties, zoals de geautomatiseerde spin- en weeftoestellen, die aanvankelijk op waterkracht van watermolens werkten, en daarna de stoommachine, die overal ingezet kon worden. De eerste stoommachines werden gebruikt om het water uit de steenkoolmijnen te pompen. Steenkool had men nodig om ijzererts te smelten. In hoogovens werd het ijzererts verhit om ijzer te produceren. Dat was nodig voor het vervaardigen van de spin- en weefmachines bijvoorbeeld, maar ook voor de fabricage van stoomtreinen en voor de aanleg van spoorwegen. Later werden de spin- en weeftoestellen ook aangedreven door stoommachines.
De fabrieken met hoogovens verschenen - vooral in Engeland - dicht bij de ijzererts- en steenkoolmijnen en op plaatsen waar de afgewerkte producten direct vervoerd konden worden. De arbeid werd dus gecentraliseerd in fabriekssteden. Vanaf ca. 1750 was er een voortdurend en steeds sneller proces van nieuwe uitvindingen en meer industrialisering, een proces dat vandaag nog steeds doorloopt. Het woord
‘revolutie’ koppelen aan de industrialisering is dus enerzijds wat overdreven: het was eerder een geleidelijk proces dat in een stroomversnelling kwam, en dan vooral in Engeland vanaf het midden van de 18e eeuw. Anderzijds kwam er door de schaal en snelheid van het productieproces wel een breuk met het verleden. Toch bleef de landbouwsamenleving in veel gebieden van Europa nog lang overeind.
Maar ook in de landbouw ging het proces van innovaties verder. Dankzij de uitvinding van de zaaimachine en de Rotherham-ploegschaar stegen de opbrengsten en waren er minder mensen nodig om dezelfde hoeveelheid voedsel te produceren. Bovendien zou de teelt van de vitaminerijke aardappel (geïntroduceerd uit de Nieuwe Wereld) in de 18e eeuw algemener worden. Hoe efficiënter de landbouw verliep, des te meer boeren in de industrie ingezet konden worden.
1.3 Factoren die de industrialisering in de 18e
Dat de industrialisering vanaf het midden van de 18e eeuw in een stroomversnelling kwam, is te verklaren door een wisselwerking van factoren.
Ten eerste waren er culturele factoren. Met de verlichting en de wetenschappelijke revolutie van de 18e eeuw namen het vertrouwen in het menselijk verstand (de ratio), het experimenteren en het innoveren toe. Mensen dachten kritisch na over productiemethoden en over manieren om werk en arbeid efficiënter te organiseren. Voor de industrie was het essentieel dat ook de landbouw efficiënter werd. Het kapitalistische denken werd tijdens de verlichting algemeen.
Ten tweede waren er economische factoren die voor een doorbraak van de industrialisering zorgden. Sommige landen - in het bijzonder Engeland - hadden een aantal troeven in handen, zoals de toegang tot steenkool en ijzererts in eigen land. Maar er was ook koloniale rijkdom: grondstoffen uit kolonies (zoals katoen) en afzetmarkten in de kolonies.
Ook politieke stabiliteit speelde een rol: Engeland was relatief goed gespaard gebleven van oorlogsgeweld op eigen bodem, wat ruimte gaf voor investeringen in industrie en infrastructuur. Het jonge België was in het begin van de 19e eeuw een van de eerste landen van het Europese vasteland waar de industrialisering ook op het platteland werd geïntroduceerd.
Ten slotte was er de demografische groei. Er was een duidelijke wisselwerking tussen de bevolkingsgroei en de industrialisering in de 18e eeuw. De industrialisering zorgde voor een stijgende welvaart waardoor er minder kindersterfte was en de bevolking groeide. De groeiende bevolking stimuleerde dan weer verdere industrialisering.
Opdrachten
1 Hoewel we spreken van een industriële ‘revolutie’, was het eigenlijk een verandering in schokken: sommige regio’s industrialiseerden langzaam of pas veel later.
a Wanneer begon de proto-industrialisering of aanloop naar de industrialisering?
b Waar en wanneer begon de industrialisering?
2 De keuze van een startjaar van een historisch proces is vaak conventioneel, zodat er duidelijke lijnen getrokken kunnen worden. Maar de historische realiteit is complexer. Denk na over de gelijkenissen en verschillen tussen periodes van economische veranderingen en maak de opdrachten.
a Teken één tijdlijn op basis van de lestekst die de verschillende visies (erboven en eronder) over de start van de (proto-)industrialisering weergeeft.
b Voorzie jouw tijdlijn van tekeningen (of symbolen) die de overgang van de agrarische naar de (proto-)industriële samenlevingen illustreren.
c Vergelijk jouw tijdlijn met bron 1. Benoem de gelijkenissen en verschillen.
d Hoe bevestigt bron 1 de recente visie op de overgang naar een industriële samenleving?
3 Onder zoek het verband tussen het sociale, het culturele en het economische domein.
a Hoe bepaalden in de vroegmoderne tijd de agrarische revolutie en de wetenschappelijke methode mee de industriële revolutie?
b Kies één uitvinding op de tijdlijn op p. XXX en beschrijf hoe die uitvinding de arbeidsverdeling op het platteland veranderde. Hou daarbij rekening met de mate waarin de uitvinding het werk efficiënter maakte.
4 Bron 2 tot en met 6 gaan over de landbouw of het platteland in de vroegmoderne tijd tot vandaag.
a Orden de bronnen chronologisch.
b Welke bronnen zijn bruikbaar om te bestuderen hoe de landbouwsamenleving overging in een industriële samenleving? Welke niet? Beargumenteer jouw antwoorden.
c Welk structuurbegrip is het meest passend om de overgang naar een industriële samenleving aan te duiden? Beargumenteer je antwoord.
Bron 1 ↑
Agri 4.0 vierde agrarische revolutie
Deze grafiek geeft de vier agrarische revoluties weer. tijd gebruik van data
Agri 3.0 derde agrarische revolutie groene revolutie / mechanisatie / intensivering / consolidatie
Agri 2.0 tweede agrarische revolutie gewasrotatie / fokken van dieren / mechanisatie
Agri 1.0 eerste agrarische revolutie landbouw in nederzettingen / handmatig / eenvoudig gereedschap / lage productiviteit
10 000 jaar geleden 17e eeuw 1940 2013
2

Eugène Laermans, De landverhuizers (1896). Met van rechts naar links: Afscheid, Laatste blik en Naar de haven. Het schilderij De landverhuizers van Eugène Laermans toont een massale groep mensen, vermoedelijk boeren en arbeiders, die hun thuis achterlaten. Sommige van hen dragen weinig bezittingen of tassen. Er hangt een sfeer van zwaarmoedigheid en afscheid.
Bron 3

Bron 4
← Thomas Hewes Hinckley, Rotherham in Yorkshire (England) (1852). In het midden van de 19e eeuw industrialiseerde Rotherham snel door de opkomst van de ijzer- en staalindustrie. De stad profiteerde van haar ligging vlak bij de steenkoolmijnen en de rivier de Don, wat de energievoorziening en het vervoer vergemakkelijkte. Fabrieken namen sterk in aantal toe. Dat leidde ook tot een sterke bevolkingsgroei. Technologische vooruitgang en investeringen trokken arbeiders en ondernemers aan, waardoor Rotherham uitgroeide tot een belangrijk industrieel centrum.

← Reproductie van een Rotherham-ploeg (museum op het landgoed Mount Vernon, Virginia, VS) De Rotherham-ploeg werd ontwikkeld in 1730 door Joseph Foljambe in Rotherham. De metalen ploegschaar en rister sneden de grond niet alleen open, maar keerden die ook efficiënt om. In tegenstelling tot traditionele houten ploegen was deze lichter, duurzamer en gemakkelijker te hanteren. De lange boom verbond de ploeg met het trekdier, terwijl de dubbele handgrepen de ploeger controle gaven over de richting en de diepte. Door dieper te ploegen verhoogde de productiviteit. De ploeg verspreidde zich snel in Groot-Brittannië en later op het Europese vasteland.

← Jean-François Millet, De arenleesters (1857). Drie boerenvrouwen werken op een korenveld: ze lezen aren. Dat wil zeggen dat ze de korenaren die na de oogst op het veld zijn achtergebleven bijeenrapen. Op de achtergrond is de rest van het korenveld te zien, samen met stapels graan of hooibalen. Het schilderij legt de nadruk op het zware fysieke werk van het boerenleven en op het sociale contrast tussen de arme landarbeiders en de rijkere grootgrondbezitters

↑
Pieter de Bloot, Landschap met boerderij (ca. 1645). Op de website van het Museum voor Schone Kunsten (Gent) staat bij dit schilderij: ‘De sombere wolken en de oprukkende wind door de boomkruinen links voorspellen een naderend onweer. De voerman met zijn paardenkar doet alle moeite om zijn passagiers droog thuis te brengen. Te oordelen naar hun deftige kledij en hoeden gaat het om stedelingen die een uitstapje naar het platteland maken. Voor grootstadbewoners was het platteland met zijn ongerepte natuur, gezonde lucht en, althans in hun ogen, onbekommerd bestaan, een verademing en genot.’

↑
In januari 2024 protesteerden veel boeren in België omwille van de dalende inkomsten en de strenge Europese regels rond landbouwbeleid (onder andere voor stikstof). Door de protesten lag het verkeer op veel snelwegen plat.
• Ik beoordeel veranderingen tijdens de industriële revolutie met passende structuurbegrippen.
• Ik leg verbanden tussen de maatschappelijke domeinen bij het redeneren over de industriële revolutie.
• Ik interpreteer visuele bronnen en grafieken.
2.1 Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd tegen de Britse kolonisatie (ca. 1750 - ca. 1787)
In de 17e eeuw lagen er aan de oostkust van Noord-Amerika dertien Britse kolonies. Die kwamen rond 1750 in opstand tegen het Britse koloniale bestuur.
Verschillende motieven verklaren de opstand. De inwoners van de Amerikaanse kolonies hadden geen enkele vorm van inspraak in het bestuur van de kolonies en waren evenmin vertegenwoordigd in het Britse parlement. Nochtans moesten ze belastingen betalen aan hun kolonisator. Daarom lieten de opstandelingen zich leiden door het principe: no taxation without representation. Ze wilden dus geen belastingen meer betalen zonder inspraak. De overheidsregulering vanuit Groot-Brittannië moest aan banden worden gelegd.
Naast die politieke motieven hadden de opstandelingen ook economische eisen. Ze hadden genoeg van het feit dat alle handel tussen Amerika en Europa via Britse handelsmaatschappijen moest verlopen.
In 1774 werd in de kolonies de Declaration of Rights aangenomen. In die verklaring stond dat alle mensen van nature vrij en onafhankelijk zijn en bepaalde burgerrechten hebben die niet zomaar weer afgenomen kunnen worden. De Britse koning George III werd daarin nog wel als vorst erkend zolang hij zich maar niet als een autocraat zou gedragen. Een jaar later (1775) begon de gewapende strijd tegen de Britten, die uitgroeide tot een politieke revolutie. De toenemende spanningen leidden tot de onafhankelijkheidsverklaring in 1776 van de dertien Britse kolonies en het uitroepen van ‘de Verenigde Staten van Amerika’.
Elk van de dertien Amerikaanse staten kreeg daarbij zijn eigen grondwet. Daarin kreeg de wetgevende macht of de volksvertegenwoordiging zijn volwaardige bevoegdheid met de bedoeling om de uitvoerende macht van de regering te beperken. Na het uitroepen van ‘de Verenigde Staten van Amerika’ (1776) duurde het nog enkele jaren tot de strijdende partijen een vredesverdrag tekenden.
In 1787 werd een nieuw congres bijeengeroepen in Philadelphia, met afgevaardigden van de dertien staten om samen één overkoepelende federale grondwet op te stellen. In die grondwet werd beslist dat de Verenigde Staten een federale staat werden. Dat betekent dat er een overkoepeld bestuur kwam dat alle dertien deelstaten aan elkaar federeerde of verbond. Het federale parlement (het Congres) bestond uit twee kamers: het Huis van Afgevaardigden en de Senaat. Het bevolkingsaantal per deelstaat bepaalde het precieze aantal zetels in het Huis van Afgevaardigden. In de Senaat kreeg iedere deelstaat een gelijk aantal vertegenwoordigers. George Washington, die een belangrijke rol in de onafhankelijkheidsstrijd had gespeeld, werd de eerste (federale) president. Die besliste alleen over de uitvoerende macht. De scheiding der machten moest voorkomen dat de president een soort van autocraat zou worden die te veel macht naar zich toe trok.
Ongeveer gelijktijdig met de Amerikaanse Revolutie ontstond ook in Frankrijk een politieke revolutie. Door verschillende omstandigheden kwam de revolutie in 1789 tot uitbarsting.
De directe aanleiding waren nieuwe belastingen. Die waren hoognodig om de Franse hulp aan de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog te betalen. De goedkeuring voor nieuwe belastingen moest in principe gestemd worden door de standenvertegenwoordiging of de Staten-Generaal. Maar die vergadering was al meer dan 150 jaar niet meer bijeengeroepen door de absolutistische koningen. Oude voorrechten,
zoals de lage belastingen voor de bevoorrechte standen, zorgden steeds meer voor spanningen. Voor de derde stand was de nieuwe vraag om belastingen niet evident zonder goedkeuring van de onderdanen. Net als in Amerika wilden ook de Fransen inspraak in ruil voor belastingen. In mei 1789 heropende de Franse koning Lodewijk XVI de Staten-Generaal. Hij hoopte dat daardoor de rust zou terugkeren. Maar het had onbedoelde gevolgen: het werd de start van de Franse Revolutie.
Samen met de toegenomen politieke onrust zorgden de sterk gestegen broodprijzen en de kwistigheid van het koningspaar voor nog meer onvrede bij de bevolking.
Ook de verlichtingsidealen hadden ongetwijfeld hun impact op het uitbarsten van de Franse Revolutie. Over hoe groot die impact was, bestaat discussie onder historici. De enen relativeren die invloed, aangezien de meeste revolutionairen geen letter hadden gelezen van de geschriften van Rousseau en andere verlichte filosofen. Andere historici stellen dan weer dat de revolutie er niet gekomen zou zijn zonder de verlichte ideeën.
Ten slotte sprak ook de geslaagde Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog tot de verbeelding van de Fransen: daarin had men van onderuit gestreden voor meer inspraak. Een invloedrijke groep mensen was ervan overtuigd dat Frankrijk - net zoals het gegaan was in Amerika - anders en beter zou kunnen worden dan voor de revolutie.
Toch was de situatie in Frankrijk aan de vooravond van de revolutie niet dezelfde als in de dertien kolonies van Amerika. Daar brak men met een koning en parlement in het verre Londen. Voor de meeste revolutionairen was het zonneklaar dat in Frankrijk met het ancien régime gebroken moest worden, maar dat betekende nog niet automatisch dat iedereen het einde van de monarchie wenste. De adel en de clerus wilden geen radicale hervormingen en hoopten vooral hun bevoorrechte positie te behouden. Maar de derde stand wilde meer politieke inspraak en eiste dus een radicaal einde aan de voorrechten van de eerste en tweede stand. Een deel wilde zelfs van geen koning meer weten.
2.3 Verloop van de Franse Revolutie (1789 - 1791)
In 1789 vond het bestuur in Frankrijk geen antwoord op de stijgende graanprijzen. Daarom bestormde een woedende groep mensen op 14 juli de Bastille, de Parijse koninklijke gevangenis en het symbool van het vorstelijk absolutisme. De Bastille werd in brand gestoken en afgehakte hoofden van gevangengenomen gezagsdragers werden op pieken door de stad gedragen. Daarna stemde de Staten-Generaal de Déclaration des droits de l’homme et du citoyen (Verklaring van de rechten van de mens en de burger, augustus 1789), een basisdocument voor alle verdere wetgeving. Vrijheids- en gelijkheidsbeginselen, zoals het recht op persoonlijke vrijheid, politieke gelijkheid, vrije meningsuiting en pers, en eigendomsrecht, werden voortaan burgerrechten voor alle volwassen mannelijke burgers van Frankrijk. Al bleek later dat de theorie wel eens van de praktijk zou verschillen.
Zoals de Engelse koning George III de ontwikkelingen in Amerika had moeten ondergaan, zo kon ook Lodewijk XVI in Frankrijk de revolutie niet meer stoppen. In 1791 moest Lodewijk een constitutionele monarchie aanvaarden: een koninkrijk met een grondwet waarin de rechten van de onderdanen duidelijk omschreven stonden.
2.4 De Terreur (1792 - 1795)
Toch bracht ook de nieuwe grondwet geen rust. Een deel van de revolutionairen was uit op grondige vernieuwingen voor Frankrijk, zoals dat ook in de VS was gebeurd. Een nieuw bestuur - de Nationale Conventie - riep in 1792 de republiek uit.
Maar voor wie hoopte dat het nieuwe bestuur verbetering zou brengen, kwam al snel een teleurstelling. Wie de revolutie niet zoals de radicalen zag, werd naar de guillotine geleid. Omwille van het vele geweld in die fase van verandering spreken historici over ‘de Terreur’. Het Comité van Algemeen Welzijn, met als een van zijn bekendste leden Maximilien de Robespierre, joeg duizenden burgers de dood in met de guillotine. Ook de voormalige (katholieke) koning Lodewijk XVI in 1793, en later Marie-Antoinette, werden naar het schavot geleid. Symbolisch voor de radicalisering en het antiklerikalisme tijdens de Terreur was de nieuwe kalender die op 22 september 1993 werd ingevoerd en de oude ‘christelijke’ kalender verving: er kwamen periodes van tien dagen in plaats van de oude weken van zeven dagen, en de naam 'zondag' werd afgeschaft. Een nieuw decimaal stelsel van maten en gewichten werd ingevoerd. Er kwam zelfs een soort nieuwe ‘republikeinse’ religie gebaseerd op de rede: de Cultus van het Opperwezen. De samenleving veranderde, maar de chaos en de honger bleven.
Na de Terreur volgde het Directoire (1795 - 1799), een instabiele republiek.
Opdrachten
1 Zowel in de Amerikaanse kolonies als in Frankrijk kwam men in opstand tegen de absolute vorst. Vergelijk die twee revoluties aan de hand van de lestekst.
a Bestudeer de oorzaken van de revoluties op economisch vlak.
Welke gelijkenissen en verschillen zie je?
b Bestudeer de (on)bedoelde gevolgen van de revoluties op politiek vlak.
Welke gelijkenissen en verschillen zie je?
c Bestudeer bron 1 tot en met 4. Welke bronnen tonen een oorzaak van de revoluties?
Welke bronnen tonen een (on)bedoeld gevolg? Beargumenteer jouw antwoorden.
2 Onder zoek aan de hand van kaart 1 hoe ver de Franse revolutionairen tijdens de eerste revolutiejaren (1789 - 1795) de grenzen van het 18e-eeuwse Frankrijk uitbreidden. Bestudeer tot welke territoriale verandering de pogingen tot verovering van grondgebied leidden. Naar waar breidde de Franse Republiek zijn grenzen uit?
3 De grenzen van de Franse Republiek kwamen tijdens de Franse Revolutie ook onder druk te staan. Waar werden de grenzen van Frankrijk bedreigd?
Bron 1

← Paul Revere, The Bloody Massacre in King-Street March 5, Washington DC, Library of Congress (1770). Deze tekening illustreert het perspectief van de opstandelingen in Boston waarbij de Britten doelbewust agressief werden uitgebeeld. Die beeldvorming bepaalde voor heel lang de kijk op het begin van de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog. Op de voorgrond uiterst links ligt Crispus Attucks, volgens de overlevering de ‘eerste gesneuvelde tijdens de Amerikaanse Revolutie’.
In Tourse pond en in de setier (oude maateenheid) van Parijs van 156 liter
← Deze grafiek toont de maandelijkse prijs van graan en rogge van 1786 tot 1790. De stijgende graan- en roggeprijzen droegen na een mislukte oogst bij tot het revolutionaire klimaat in Frankrijk.
Bron 3

Bron 4
← Jacques-Louis David, De dood van Marat (1793) (Museum voor Schone Kunsten van België, Brussel). Jean-Paul Marat was samen met Maximilien de Robespierre aan de macht tijdens de Terreur. Op het toppunt van zijn macht stelde Marat de dodenlijsten op voor de guillotine. Marat werd in 1793 in bad vermoord. David schilderde Marat als iemand die stierf voor zijn revolutionaire idealen. Je kunt het topstuk gaan bekijken in Brussel. Kun je je inbeelden waarom het werk niet door iedereen werd gewaardeerd? Bron 2

Uit: Neumann, J. & Dettwiller, J. (1990). Great historical events that were significantly affected by the weather, part 9, the year leading to the revolution of 1789 in France (II). Bulletin of the American Meteorological Society.
← Thomas Charles Naudet, Fête de l'Être suprême au Champ de Mars le 20 prairial an II (8 juin 1794), (1794) (Musée Carnavalet, Parijs). Dit Feest van het Opperwezen werd georganiseerd om een nieuwe ‘republikeinse’ religie in te luiden: de Cultus van het Opperwezen.
Kaart 1: Frankrijk in Europa (1789 - 1795)
Zelfevaluatie
• Ik vergelijk de Franse en de Amerikaanse Revolutie met elkaar.
• Ik beschrijf zelfstandig of met bronnen de oorzaken en gevolgen van de Amerikaanse of Franse Revolutie.
• Ik gebruik een kaart om territoriale veranderingen mee te beschrijven.
Stuart Webster post sinds 2016 regelmatig filmpjes op zijn YouTube-kanaal Oversimplified. Het kanaal heeft miljoenen abonnees en de filmpjes worden veelvuldig bekeken. Webster beweert dat hij de geschiedenis helder uitlegt. De titel van zijn kanaal duidt erop dat hij zijn verhaal ‘te eenvoudig’ probeert te maken. Is dat werkelijk ook zo? Blijf je beter bij jouw leerboek of kun je elders ook je licht opsteken over de geschiedenis? Vergelijk Oversimplified met het werk van historici.
Historisch denken: verbanden
Je onderzocht al vaak het verband tussen twee historische fenomenen: het verband tussen oorzaak en gevolg. Bij causale verbanden (oorzaak en gevolg) maken we een onderscheid tussen verschillende soorten oorzaken en gevolgen, bijvoorbeeld bedoelde en onbedoelde gevolgen, toeval, incidentele oorzaken (een plotselinge gebeurtenis), oorzaken met een menselijke factor, structurele oorzaken (zaken waar individuele mensen weinig invloed op hebben) ...
↑ Bekijk het instructiefilmpje.
1 Vat met behulp van het filmpje bij bron 1 samen wat de aanleiding en de oorzaken van de Franse Revolutie waren.
2 Analyseer met behulp van bron 2 tot en met 4 de aanleiding en de oorzaken van de Franse Revolutie.
3 Benoem de gelijkenissen en verschillen tussen bron 2 tot en met 4 en het filmpje van Oversimplified. 09b 09b
↑
Bekijk het filmpje.
↑
French Revolution:
Oversimplified.
Bijna elke poging om de Franse Revolutie te precies te omschrijven, zal hoe dan ook tendentieus [bevooroordeeld] blijken te zijn, en veel van de complexiteit ervan niet vatten. Wat het zéker niet was, was één enkele gebeurtenis. Het was een serie van ontwikkelingen. Een proces dat voor de tijdgenoten, uitgestrekt over verschillende jaren, verbijsterend was. Het was een gestage periode van onzekerheid, wanorde en conflict, die tot ver voorbij de grenzen van Frankrijk weerklank kende. Het begon allemaal tussen 1787 en 1789. (…)
Wanneer de Britse troepen zich in Yorktown overgaven in 1781 was de overwinning eerder Frans dan Amerikaans. Frankrijk breidde territoriaal niet uit wanneer de vrede werd getekend in 1783, en de pas onafhankelijk geworden Amerikanen gaven geen blijk van het verlaten van hun traditionele Britse handelsbelangen. Ondertussen was de oorlog betaald, eerder met grotendeels nieuwe leningen dan met nieuwe
belastingen. Qua financiële impact eindigde de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog voor de Fransen geen moment te vroeg, maar het massale lenen ging gewoon door in vredestijd. Vanaf 1786 brachten een te voorziene terugval in belastinginkomsten en een geplande terugbetaling van kortetermijnleningen een financiële crisis met zich mee.
Uit: Doyle, W. (2019). The French Revolution - A Very Short Introduction. Oxford University Press.
Bron 3
In de jaren 1780 woedt er in Frankrijk een ernstige economische crisis. Een van de oorzaken is de sterke bevolkingsgroei. (…) Die aangroei is in Frankrijk weliswaar minder spectaculair dan in Engeland en vele andere Europese landen, maar toch groeit de bevolking van het koninkrijk aan, van ongeveer 20 miljoen in 1700 tot 25 of zelfs 26 miljoen aan de vooravond van de revolutie. De landbouw zal echter nog lang weinig productief blijven, en dus kan de productie van bijvoorbeeld essentiële voedingswaren de bevolkingsgroei niet aanhouden, wat leidt tot hogere voedingsprijzen. (…) Niet de boeren, de bewerkers van het land, profiteren daarvan, wél de adellijke en kerkelijke landeigenaars, evenals de burgerlijke kooplui die de waren in de steden aan de man brengen.
Bovendien zetten de stijgende prijzen de landeigenaars ertoe aan om de productiviteit te verhogen door middel van mechanisering en een (…) herverdeling van de grond. Dat zal uiteindelijk ook in Frankrijk leiden tot een soort agrarische revolutie die in Engeland al eerder op gang kwam. De landeigenaars palmen de gemeenschappelijke gronden in waarop de boeren tot dan toe hun dieren lieten grazen, en ook met betrekking tot het vruchtgebruik van bossen eisen de seigneurs [feodale heren] steeds meer voorrechten ten nadele van de boeren.
Bovendien eisen de aristocraten van ‘hun’ volk opnieuw allerlei betalingen en karweien waar ze traditioneel recht op hebben, maar die ze lang als onbelangrijk beschouwden en dus verwaarloosd hebben. Ze laten die in onbruik geraakte rechten opsporen en innen door gespecialiseerde personen; (…) De Franse boeren, die ondertussen behalve koninklijke belastingen ook nog hogere pacht en tienden moeten betalen, geraken in de jaren (…) 1780 almaar meer onder druk. Ze worden ook geplaagd door enkele ongewoon slechte oogsten en door droogte.
Uit: Pauwels, J.R. (2007). Het Parijs van de sansculotten. Epo.
Bron 4
Zoals zoveel revoluties begon het [de Franse Revolutie] met een financiële crash. Frankrijk had met trots Amerika geholpen om onafhankelijk te worden, maar dat had enorm veel geld gekost. Om een bankroet te voorkomen moesten er meer belastingen op zout worden geïnd. Toen kwamen er allerlei pijnlijke vragen op over waarom de clerus en de adel grotendeels buiten schot bleven, terwijl de armen geacht werden hun zakken te legen. Zaten ze toch als natie niet in hetzelfde schuitje? De natie? Dat was een nieuw idee. En nu we toch bezig zijn, waarom geen verkozen volksvertegenwoordigers? Het stond buiten kijf dat Frankrijk nog altijd een monarchie zou zijn. De koningin had nogal een gat in haar hand en had enige bijsturing nodig, maar de koning was een goede vent. Geen reden om te vermoeden dat er een sociale apocalyps op til was. (…)
Uit: Schama, S., (Scen.), Beavan, C., Condle, S., et al. (Prod. en Reg.). (10 november 2006), The Power of Art. Jacques-Louis David. The death of Marat (tv-uitzending). BBC.
• Ik beoordeel beeldvorming over de Franse Revolutie in een filmfragment.
• Ik beschrijf het verband tussen twee historische fenomenen met passende structuurbegrippen.
In een periode van veranderingen en revoluties ontstaan er vaak heel uiteenlopende visies op die veranderingen. Voor sommigen gaan de wijzigingen te snel of te ver, voor anderen net te traag en niet ver genoeg. Dat is vandaag zo en dat was ook vroeger zo.
In deze les neem je twee historische figuren uit onze regio onder de loep. Allebei namen ze een duidelijk standpunt in ten aanzien van het revolutionaire klimaat waarin ze leefden. Je onderzoekt het belang van die twee mensen. De eerste figuur is de Gentenaar en ondernemer Lieven Bauwens. De tweede is de Antwerpenaar en schilder Pierre Goetsbloets.
4.1 Lieven Bauwens (1769 - 1822)
Een cocktail van elementen leidde tot de doorbraak van de eerste industriële revolutie (ca. 1750 - ca. 1870) in Engeland. Het land beschikte over relatief eenvoudig op te graven grote hoeveelheden steenkool. Er werd gezocht naar een machinale manier om het water op te pompen uit volgelopen mijnschachten. De uitvinders van onder andere de stoommachine behoorden tot de absolute wetenschappelijke top. Vernieuwingen in de textielindustrie, zoals het spintoestel de Mule Jenny (zie tijdlijn van dit hoofdstuk op p. XX), maakten van Engeland, met industriesteden als Manchester, de koploper van de industriële revolutie. Het rendement van het gesponnen en afgewerkte katoen ging spectaculair vooruit. En al liep men in de Engelse fabrieken qua productie en ook qua kwaliteit aan het einde van de 18e eeuw ruim achter op de katoenproductie in Afrika, Latijns-Amerika én India, waar de loonkost veel lager was, toch hadden de Engelse fabrieken en hun technologie de toekomst.
Al gauw begon de menselijke factor een rol te spelen: ondernemers uit andere regio’s, zoals Lieven Bauwens (1769 - 1822) uit Gent, lieten grote interesse in de Mule Jenny blijken. Bauwens zou het toestel massaal in gebruik nemen en zo, naar eigen zeggen, van Gent ‘een tweede Manchester’ maken. Met de bronnen in dit bronnenonderzoek kun je zelf oordelen over het belang van die historische figuur.
4.2 Pierre Goetsbloets (1765 - 1816), een kunstenaar
Op 24 juli 1794, precies vier dagen voor Robespierre in Parijs onder de guillotine stierf, trokken Franse troepen Antwerpen binnen. Ook de Zuidelijke Nederlanden kwamen vanaf dan rechtstreeks in aanraking met de vernieuwingen die Frankrijk op zijn kop hadden gezet. De aquarellen van Antwerpenaar Pierre Goetsbloets (1765 - 1816), verzameld in zijn Tydsgebeurtenissen, geven je een uniek beeld van hoe tijdgenoten naar de revolutie keken. De familiale banden van Goetsbloets gingen terug tot het Oostenrijkse keizershuis. Hij was erg kritisch voor de Franse Revolutie. Aan jou om te onderzoeken hoe hij en anderen kritiek gaven op de Franse Revolutie.
1 Zoek online informatie op over de historische figuur Lieven Bauwens.
a Maak kennis met Bauwens en zijn tijdgenoten in het filmpje.
b Gebruik de tijdlijn op p. XXX als hulpmiddel om je te oriënteren in de tijd. In welke tijdvak en in welke eeuw leefde en werkte Bauwens?
2 Onderzoek bron 1 tot en met 9 over Lieven Bauwens.
a Hoe verhield Lieven Bauwens zich tot het Franse regime?
b Bestudeer hoe Gentenaars in het midden van de 20e eeuw naar Lieven Bauwens keken. Selecteer daarvoor de bronnen op p. XX die je bruikbaar vindt.
c Hoe beïnvloedt de presentatie van Lieven Bauwens je beeld van hem? Beoordeel dat met behulp van bron 5 tot en met 7.
d Beoordeel hoe bij bron 4, 6 en 7 het bijschrift de interpretatie van de bron kan beïnvloeden.
3 Onderzoek de Britse kijk op de Franse Revolutie.
a Ver zamel gegevens over de auteurs van de Britse spotprenten. Gebruik daarvoor bron 10 en 11.
b Bestudeer en interpreteer zo veel mogelijk onderdelen van de Britse spotprenten. Hoe verhielden de Britten zich tot het Franse revolutionaire regime? Gebruik je Histokit op p. XX en XX om de spotprenten te duiden.
4 Onderzoek de prenten van Goetsbloets in bron 12 tot en met 14.
a Hoe verhield Goetsbloets zich tot het Franse regime? Vergelijk dat met de positie van Lieven Bauwens tegenover het Franse regime.
b Bestudeer en interpreteer zo veel mogelijk onderdelen op de aquarellen van Goetsbloets.
Gebruik je Histokit op p. XX en XX om de spotprenten te duiden.
5 Vergelijk de spotprenten van Goetsbloets met de Britse spotprenten.
a In hoeverre komt de boodschap over het Franse regime van Goetsbloets en de Britten overeen?
b Waar zie je verschillen?
(…) uit zuivere vaderlands- en volksliefde, want eigenbelang en baatzucht bleven hem [Lieven Bauwens] altijd onbekend. Hij stelde integendeel zijn leven te pand, offerde zijn vermogen op voor het welgelukken van een ontwerp dat ons zooveel weldaden moest verschaffen. (…) Door den invoer der katoenspinnerijen en hare zoo spoedige ontwikkeling zijn noodzakelijk alhier vele andere nijverheidsgestichten, die daarmede verbonden zijn, tot stand gekomen. (…) Aan onze afstammelingen zullen wij leeren wat de groote man voor stad en volk gedaan heeft en telkens wij met onze kinderen dit standbeeld zullen voorbijgaan, zullen wij er eenen erkentelijken oogslag op werpen en hun met overtuiging zeggen: daar staat de man die het geluk van uwen vader en het uwe verzekerd heeft, wees hem altijd dankbaar en eerbiedigt zijne nagedachtenis. De geur, de glans onzer bloemen en kroon moeten, eilaas!, vergaan en verdwijnen, maar de erkentelijkheid, de dank van den gentschen werker, nooit! nooit!
Uit: Maatschappij der Gedecoreerde Werkers van Gent. (1885). Redevoering ter gelegenheid der inhuldiging van het standbeeld van Lieven Bauwens, Gent.
Hoe keken de 'Gedecoreerde Werkers' van de stad Gent naar (het leven en de daden van) Lieven Bauwens?

Geo Pieters, hulde aan Lieven Bauwens door de stad Gent (1922) (Huis van Alijn, Gent). Honderd jaar na zijn dood werd er een optocht doorheen Gent gehouden ter ere van Lieven Bauwens.
← De officiële inhuldiging van het standbeeld van Lieven Bauwens vond plaats op 13 juli 1885, waarbij redevoeringen werden gehouden om Bauwens te eren. Textielarbeiders droegen kransen met huldeteksten.
Op welke manier werd Lieven Bauwens herdacht in een optocht door Gent honderd jaar na zijn dood?
Onder het napoleontisch regime kenden we een zekere economische welvaart. Napoleon zelf moedigde onze inspanningen aan. Lieven Bauwens vestigde in zijn geboortestad Gent de eerste mechanische weverijen, waarvan hij het uitvindingsgeheim, op gevaar van zijn leven, uit Engeland had binnengesmokkeld.
Uit: Huens, J.-L. & Schoonjans, J. (1949 - 1961). 's Lands glorie album IV - deel 2. Racine.


↑
Schoolplaat, Lieven Bauwens door de Engelsche politie verrast. (1925 - 1931) (Industriemuseum, Gent).
Aan het einde van de 18e eeuw ontdekt Gentenaar Lieven Bauwens dat in Engeland de Mule Jenny gebruikt wordt om katoen te spinnen. Hij laat zo’n machine naar het vasteland smokkelen en richt fabrieken op, eerst in Passy (Parijs) en kort daarna in Gent. ‘J’ai crée un second Manchester’, zegt hij er in 1803 zelf over. Een geniaal zakenman of een gewiekst zakkenvuller die zijn werkvolk uitbuitte? De ondernemer en ‘zijn’ Mule Jenny hebben alleszins hun plek veroverd in de geschiedenisboeken én het Industriemuseum.
Uit: Industriemuseum. (2022). Lieven Bauwens: ondernemer en spion www.industriemuseum.be (geraadpleegd op 15 mei 2022)

↑
Lieven Bauwens bij ‘zijn’ Mule Jenny in een grote zaal (vanaf midden jaren 1990) in het toenmalige MIAT, nu Industriemuseum (in Gent). Merk het kind rechts op de afbeelding op.. Kinderarbeid was op dat moment de norm. In Engeland begon men kinderarbeid aan banden te leggen vanaf 1833, in België gebeurde dat veel later.

Bron 8

Hedendaagse afbeelding van het standbeeld van Lieven Bauwens in Gent.
‘Deze pop van Lieven Bauwens maakte deel uit van de vorige hoofdtentoonstelling van het MIAT. Wassen poppen moesten de geschiedenis tot leven wekken. Collectie Industriemuseum.’ Dat staat bij de pop van Lieven Bauwensvergezeld van een bronzen afgietsel van zijn standbeeld - in 2022 in het Industriemuseum te Gent. Boven het afgietsel zie je de schoolplaat van bron 4.
Bron 9
Lieven Bauwens wordt - overigens terecht - als een spilfiguur van de continentale industriële revolutie gezien, en zijn levensverhaal vindt internationale weerklank. (…) Mede dankzij Lieven Bauwens namen de spinnerij en weverij in de Belgische gewesten een erg hoge vlucht. Hij was niet zozeer een geweldige industrieel, maar had een neus voor technologie. In Engeland zocht hij niet de Spinning Jenny van Hargreaves, niet het Water Frame van Arkwright, niet het mechanische weefgetouw van Cartwright, maar wél Cromptons Mule Jenny: de spinmachine voor katoenstof die de sterktes van de voorgaande machines combineerde. Zijn smokkel van machineonderdelen (techniek) en arbeidskrachten (knowhow) was overigens niet uitzonderlijk: industriële spionage is namelijk van alle tijden. Maar hij liet de grote risico's wel over aan Gentse en Londense stromannen. Toen enkele van zijn handlangers werden betrapt en in het voorjaar van 1799 door de Engelse (…) rechtbank hun veroordeling kregen, was Lieven Bauwens in alle veiligheid begonnen aan de uitbouw van zijn machinepark op Frans grondgebied. Het verhaal dat hij in Engeland bij verstek ter dood werd veroordeeld, blijft een hardnekkige mythe. (…) In januari 1801 kreeg Lieven Bauwens van de toenmalige Gentse burgemeester de toestemming om gevangenen van de gevangenis in Gent als goedkope arbeidskrachten in te zetten in zijn katoenfabriek ingericht in het kartuizerklooster in diezelfde stad.
Uit: De Reu, P. In: Beyen, M., Boone, M., De Wever, B., Huet, L., Meijns, B., Polis, H. et al. (2018). Wereldgeschiedenis van Vlaanderen. Pelckmans Uitgevers.
Hoe schat historicus Pieter De Reu in 2018 Bauwens in?

Wat is de boodschap van deze allegorie van Cruikshank over het Franse regime dat Engeland bedreigde?
Ingekleurde ets door George Cruikshank, een Engelse karikaturist, gepubliceerd door George Humphrey (Londen, 1819). De Britten vreesden lang een Franse invasie. Nadien kwam Napoleon en werden ze helemaal meegesleurd in zijn oorlogen. Zelfs na zijn nederlaag bij Waterloo (1815) tekenden ze nog steeds hun afkeer voor de Franse Revolutie en alles wat dat met zich meebracht. Politieke karikaturen waren populair. Ze werden gebruikt om aan propaganda te doen en het publiek ervan te overtuigen dat het ‘Brits’ was om niet mee te doen aan de Franse Revolutie. In tegenstelling tot hun Franse collega-tekenaars hadden de Britten de gewoonte om veel tekst aan te brengen. Ook die kan je helpen om de bedoelingen van George Cruikshank te achterhalen. Het onderschrift begint met: 'Dood of vrijheid!'.
Bron 11

Thomas Rowlandson vergelijkt de Britse ‘vrijheid’ met de Franse ‘vrijheid’. Kun je uit het bijschrift afleiden dat de titel ironisch bedoeld is?
← Thomas Rowlandson, ingekleurde ets (1792) Rowlandson was een Engelse kunstschilder en karikaturist, bekend om zijn politieke observaties.
Bron 12

Vat samen hoe Franse revolutionairen voor 1793 hun vorstenpaar afbeeldden.
Maker onbekend, spotprent (Frankrijk, einde 18e eeuw). De koning krijgt het lichaam van een vuil varken. De horens zijn een verwijzing naar de vele geruchten over de affaires van zijn vrouw. De koningin krijgt het lichaam van een listige hyena. Zij heeft een kleurrijke hoofdtooi van slangen, een verwijzing naar de verleidelijke Medusa, en struisvogelveren. Dat laatste is een verwijzing naar haar Oostenrijkse afkomst.
Bron 13

Wat is de boodschap van de maker van deze aquarel over het Franse regime in de Zuidelijke Nederlanden?
← Pierre Goetsbloets, aquarel (Antwerpen, 1796). Hij spot met de Fransen. Gewapend met zijn penseel neemt Goetsbloets het op tegen het door hem vervloekte regime. De vertaling van het bijschrift van Goetsbloets bij deze aquarel luidt: ‘De geveinsdheid in de gedaante van de vrijheid troont op wat men roofde in de Nederlanden en zet het masker af en laat na verloop van tijd geen spaander heel van de hoop, enkel een kwaadaardige regering, de dood en het bed van de armoede resten er ons nog.’
Bron 14

Onderzoek met welke symboliek en hoe Goetsbloets in deze allegorie het oude regime en het Franse regime afweegt.
Zelfevaluatie
← Pierre Goetsbloets, aquarel (Antwerpen, 1796)
Ondanks de leuze van vrijheid voerde de Franse overheid een tamelijk repressief beleid, inclusief een strenge censuur. In 1796 werd de Brusselse uitgever Antonius De Braeckenier door de politie gearresteerd. De conservatieve De Braeckenier publiceerde een artikel van Augustin Barruel, een Franse geestelijke met antirevolutionaire standpunten. Barruel verspreidde samenzweringstheorieën, waarin hij stelde dat de Franse Revolutie een complot was met als doel het christendom van de aarde te doen verdwijnen. Goetsbloets ergerde zich eraan dat een bewind dat zo hoog opliep met grondwettelijke vrijheden wel de persvrijheid met de voeten trad. Uit kwaadheid maakte Goetsbloets er een allegorie over met de titel ‘Gewigtmaetige afbelding tusschen de goude en de eyzere eeuwe. Zinnespreuk.’
• Ik selecteer kritisch bronnen en informatie uit bronnen om een historische vraag te beantwoorden.
• Ik reflecteer kritisch over bronnen om ze te interpreteren, bijvoorbeeld over het standpunt en het doel van de maker.
5.1 Collectieve herinnering
De Franse Revolutie (1789 - 1799) maakt vandaag nog steeds deel uit van de collectieve herinnering van veel Fransen en blijft een gebeurtenis waarnaar mensen ook vandaag nog vaak terugverwijzen. ‘1789 continues to be now’ schreef literatuurwetenschapper George Steiner tweehonderd jaar later in 1989.
De invloed op de collectieve herinnering blijkt op verschillende niveaus: de Franse Revolutie was het begin van het moderne Frankrijk en van de waarden die nog steeds centraal staan in de Franse identiteit. De leuzen Liberté, Égalité, Fraternité werden het fundament van de Franse Republiek. Ze keren terug in de grondwet, op openbare gebouwen en in politieke toespraken. De Revolutie symboliseert het idee van burgerrechten, volkssoevereiniteit en gelijkheid voor de wet.
5.2 Ruimte voor discussie
Figuren als Robespierre en vooral Marianne, symbool van de Republiek, werden iconen. Ze leven door in symbolen, literatuur, kunst ... De Revolutie wordt vaak voorgesteld als een heroïsche strijd tegen tirannie, ondanks de gewelddadige realiteit, zoals tijdens de fase van de Terreur. Nationale feestdagen zoals 14 juli, de dag van de bestorming van de Bastille, versterken de collectieve herinnering. Het is niet enkel een historische herdenking, maar ook een viering van hedendaagse waarden. Zo’n moment van herinnering gaat dus niet alleen over het verleden. Het gaat ook over wat mensen vandaag belangrijk genoeg vinden om te herinneren. Tegelijk blijft er debat over de interpretatie: was de Revolutie een bevrijding of een periode van chaos en geweld?
Historisch denken: collectieve herinnering
Je leerde in Sapiens 3 al dat collectieve herinnering ontstaat wanneer niet alleen historici, maar ook andere mensen bepaalde historische gebeurtenissen kennen en onthouden. Collectieve herinnering heeft verschillende functies in de samenleving. Bijvoorbeeld een gezamenlijke identiteit creëren, of de samenhang in de samenleving of binnen een groep stimuleren. Ook wordt collectieve herinnering gebruikt om fierheid te tonen of te stimuleren, of om te benadrukken dat een groep slachtoffer was van de daden van een andere groep. Zo tonen mensen wat (een deel van) de samenleving wel en niet goed vindt.
Opdrachten
1 Fris enkele voorbeelden van collectieve herinnering op uit Sapiens 3 (Godfried van Bouillon) en Sapiens 4. Kijk op p. XXX naar de titelpagina van hoofdstuk 2 voor een voorbeeld.
2 Bestudeer bron 1 tot en met 3. Welke symbolen die naar het verleden verwijzen herken je? Gebruik de kijkstrategieën om de afbeeldingen te bestuderen: neem de tijd om eerst te observeren en dan te interpreteren. 08b
3 Leg een verband tussen de bronnen en wat je over de Franse Revolutie las in de lestekst (les 2). Zoek waar nodig bijkomende informatie online op.
4 Leg in je eigen woorden uit hoe de Franse Revolutie en haar historische belang vandaag in de Franse samenleving gebruikt worden. Hoe bepaalt de beeldvorming rond de Franse Revolutie de collectieve herinnering eraan?
Bron 1

Bron 2
← Foto verschenen in Paris Match, een Frans tijdschrift (Parijs, 15 december 2018). Een politieagente tegenover een als Marianne verklede performance-artieste. Marianne werd een van de symbolen van de Franse Revolutie: zij verbeeldde de Vrijheid. De actie van artieste Deborah de Robertis gebeurde in het kader van de protesten van de gilets jaunes (genoemd naar de door hen vaak gedragen gele fluohesjes). In Frankrijk blokkeerden zij dat jaar brandstofdepots uit onvrede met de hoge brandstofprijzen. De beweging kreeg in België en elders snel navolging.

← Foto verschenen in het webmagazine Tribune Juive (Joodse Tribune), dat zichzelf omschrijft als ‘republikeins’ en ‘bewonderaar van de staat Israël’ (9 maart 2020). Bovenaan staat: ‘8 maart, de dag van het schandelijke: “Laat ons Polanski castreren!” Een vrouw draagt een guillotine uit bordkarton. Bovenaan staat: ‘De man van de artiest onderscheiden. In Frankrijk hebben we de oplossing’. Onderaan staat: ‘De Dag van de Vrouw (= 8 maart), editie van 2020 te Parijs, men heeft zijn zondebok gevonden in de persoon van Roman Polanski’. Twaalf vrouwen beschuldigden de Joods-Franse filmregisseur Roman Polanski van seksueel misbruik in het verleden.
Bron 3

Foto van een manifestatie tegen de coronapas (Marseille, 14 juli 2021). Op het kartonnen bord staat: ‘Macron, Leg ons de coronapas op, en wij, het volk, veroordelen jou tot de guillotine, Vergeet niet wie wij zijn, Herinner je 1789’. De manifestatie vond plaats op 14 juli, de Franse nationale feestdag. Emmanuel Macron is een Franse politicus. In 2017 werd hij president van Frankrijk. Nous Le Peuple is een Franse film uit 2019 over een nieuwe grondwet waarin burgers meer politieke inspraak hebben. ‘We the People’ is tevens de openingszin van de inleiding op de Amerikaanse Grondwet (1787).
Zelfevaluatie
• Ik doorloop het stappenplan van de bronnenstudie om een historische vraag te beantwoorden.
• Ik leg uit hoe mijn eigen standplaatsgebondenheid mijn mening over bepaalde historische gebeurtenissen bepaalt.
Samenvattend schema
revoluties
(West-Europa, ca. 1750 - 1800)
proto-industrialisering (ca. 1600 - ca. 1750)
al een aantal kenmerken industrialisering
van een landbouwsamenleving naar een industriële samenleving factoren die industrialisering hebben versneld
–landbouw: systeem van vruchtwisseling wordt algemeen.
–dalend aantal boeren, stijgend aantal ambachtslui
–verstedelijking
–van huisnijverheid naar manufactuur –zoektocht naar efficiëntere arbeidsorganisatie
18e eeuw
CUL - verlichting - wetenschappelijke revolutie
ECO - binnenlandse rijkdom (ijzererts en steenkool) - koloniale rijkdom
POL stabiliteit
SOC demografische groei
industriële revolutie (ca. 1750, vooral Engeland)
stroomversnelling industrialisering door: –innovaties:
• automatisering spin- en weeftoestellen
• stoommachine –steenkool- en ijzerertsontginning –transportrevolutie: spoorwegen (stoomtrein) en waterwegen (stoomboot)
–van manufactuur naar fabrieksarbeid –ontstaan fabriekssteden bij mijnen, hoogovens en transportmogelijkheden
politieke revoluties
Amerikaanse Revolutie (1750 - 1787)
voedingsbodem
–autocratische Engelse koning George III –geen inspraak dertien kolonies in Britse parlement
POL
Revolutie (1789 - 1799)
voedingsbodem
–autocratische koning Lodewijk XVI –geen inspraak standen in Staten-Generaal
–hoge belastingdruk, nieuwe belastingen
–alle koloniale handel via Groot-Brittannië
–invloed verlichting
–eis om onafhankelijkheid, vrijheid, burgerrechten
–onafhankelijkheidsstrijd
–Koning George was ver van de kolonies verwijderd.
–hoge belastingdruk, nieuwe belastingen
–kwistigheid koningspaar
–hoge broodprijzen
–invloed verlichting – invloed geslaagde Amerikaanse Revolutie
–afschaffing standenmaatschappij: eis om vrijheid, gelijkheid, burgerrechten
–strijd tegen eigen bestuur
–Koning Lodewijk XVI was dichtbij.
–adel en clerus gematigd, derde stand radicaler: monarchie of republiek?
verloop
1774: Declaration of Rights: burgerrechten en basis grondwet
1775: geweld (gewapende strijd tegen Britse metropool)
1776: onafhankelijkheidsverklaring ‘Verenigde Staten van Amerika’
1787: VS wordt een constitutionele republiek. –federale staat
–President deelt zijn macht met verkozen parlement (Congres).
–Grondwet: scheiding van machten
president = uitvoerende macht
VS = federale staat
onafhankelijke rechterlijke macht wetgevende macht:
CONGRES:
–Huis van Afgevaardigden – Senaat
1789: Koning roept Staten-Generaal bijeen: eis hoofdelijke stemming.
1789: Déclaration des droits de l’homme et du citoyen: burgerrechten en basis grondwet
1789: geweld (op straat: Bestorming van Bastille)
1791: Frankrijk wordt constitutionele monarchie. –Koning deelt zijn macht met verkozen parlement (Assemblée).
–Grondwet: scheiding van machten
Frankrijk koning = uitvoerende macht
onafhankelijke rechterlijke macht wetgevende macht: ASSEMBLÉE NATIONALE verloop
1792: Nationale Conventie: Frankrijk wordt een republiek.
1793 - 1795: de Terreur
1795 - 1799: het Directoire: gematigder en onstabiel collectieve herinnering
Historische begrippen
Je leerde in de vorige jaren en in de vorige hoofdstukken al volgende historische begrippen: absolutisme , adel, afzetmarkt, ambachtslui, belastingen, burgerrechten, clerus, filosofie , (on)gelijkheid, geweld, grondwet , handel, innovatie , inspraak , invoer, kapitalisme , kolonie, koninkrijk, kunst , landbouw, monarchie , overheidsregulering, parlement, politieke revoluties, religie, republiek , scheiding der machten, stand, Staten-Generaal, technologie , verlichting, verlichtingsidealen, vertegenwoordiging, volkssoevereiniteit, vrijheid en vrijheids- en gelijkheidsbeginsel.
In dit hoofdstuk leerde je de volgende historische begrippen:
• cultureel: spintoestel, stoommachine
• economisch: huisnijverheid, industrie
• politiek: antiklerikalisme, constitutionele monarchie, federaal, guillotine
• sociaal: voorrecht
Structuurbegrippen
Je gebruikte in dit hoofdstuk ook de volgende structuurbegrippen: breuk, continuïteit, revolutie, gevolg, structurele oorzaak en perspectief.
Zelfevaluatie
Gebruik bij het studeren van dit hoofdstuk de leerdoelen aan het einde van elke les of bekijk op iDiddit welke doelen je leerkracht voor jou heeft geselecteerd.
Jacques Louis David, Napoleon (1812). Na de Franse revolutie in 1789 werd Frankrijk een constitutionele monarchie. De standensamenleving werd afgeschaft en de Fransen kregen voor het eerst burgerrechten. De revolutie mondde echter al snel uit in binnenlandse terreur en buitenlandse oorlogen. De Franse generaal Napoleon, die van eenvoudige komaf was, greep daarop in 1799 de macht in Frankrijk. In 1804 kroonde hij zich tot keizer. Op dit schilderij van Jacques Louis David uit 1812 staat Napoleon Bonaparte afgebeeld in zijn studeerkamer. Dit schilderij werd gemaakt toen hij op het toppunt van zijn macht was. In dit hoofdstuk bestudeer je de invloed van Napoleon in zijn eigen tijd, maar ook de beeldvorming over hem nadien.

2 3 4 1 Kenmerken van de vroegmoderne tijd
De weg naar de moderniteit
De historische betekenis van Napoleon
De 19e-eeuwse beeldvorming over Napoleon
Bestudeer afbeelding D (zie ook p. XXX van hoofdstuk 5).
a Welke politieke begrippen kun je linken aan het schilderij?
b Zijn dezelfde politieke begrippen van toepassing op de Franse en Amerikaanse samenleving in de 18e eeuw? Waarom wel of niet? Kijk terug naar hoofdstuk 6.
c Is hier sprake van breuk of continuïteit? Op welk vlak?
VROEGMODERNE
PROTO-INDUSTRIËLE

Theodoor de Bry, Aankomst van Columbus in Amerika (ca. 1594).

Leonardo Da Vinci, Mens van Vitruvius (ca. 1490).

Frans Hogenberg, Vernieling van OnzeLieve-Vrouwekathedraal te Antwerpen (Brabant, 16e eeuw).



In Sapiens 4 maakte je kennis met verschillende structuurbegrippen en kenmerken van de vroegmoderne samenleving. In deze opdracht breng je die met elkaar in verband.
1 Geef een voorbeeld van continuïteit en verandering tussen de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd. Gebruik zo nodig de lesteksten om je voorkennis op te frissen.
2 Breng twee of meer kenmerken met elkaar in verband aan de hand van elk van de structuurbegrippen: bedoelde en onbedoelde gevolgen - evolutie en revolutie - structurele en incidentele oorzaakgelijktijdigheid en ongelijktijdigheid.


H3: wetenschappen en techniek H3: humanisme

drukkunst

reformatie
Structuurbegrippen die je gebruikte in de tweede graad in Sapiens structurele en incidentele oorzaak, verbandbedoelde en onbedoelde gevolgen evolutie, revolutie, breuk continuïteit, verandering gelijktijdigheid, ongelijktijdigheid argument, bewijs bedoelde en onbedoelde handelingen aanleiding, toeval

H2: kolonisatie





H2: kapitalisme

H6: industriële revolutie


H5: absolutisme


H5: absolutisme
H6 politieke revoluties
Het tijdvak dat je dit jaar bestudeerde, heet de vroegmoderne tijd. In Sapiens 5 leer je meer over de moderne tijd. Maar wat bedoelen historici met de term ‘modern’? En waarom wordt die term gebruikt voor die tijdvakken?
Om het verleden te begrijpen proberen we er orde in aan te brengen. Vorige jaren leerde je te situeren in de tijd door middel van de zeven periodes. We gaan ervan uit dat samenlevingen min of meer dezelfde typerende kenmerken hebben in een bepaalde periode. Wanneer we een periode benoemen als ‘modern’ of ‘vroegmodern’, dan zegt dat iets over de kenmerken van die tijd. Die namen van periodes zijn pas veel later door historici bepaald. Ze zijn een veralgemening die we waar nodig moeten nuanceren.
Opdrachten
1 Onder zoek aan de hand van bron 1 wat men bedoelt met het begrip ‘modern’. Zoek online nog een tweede definitie bij hetzelfde begrip en vergelijk de twee definities met elkaar.
2 Zoek in Sapiens 4 naar voorbeelden van wat de vroegmoderne tijd ‘modern’ maakte. Gebruik de afbeeldingen van bron 2 tot en met 5 als startpunt van je zoektocht.
3 Zoek in Sapiens 4 naar voorbeelden waaruit blijkt dat de vroegmoderne tijd nog niet (volledig) modern was.
4 De periode van de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd worden soms samen het ancien régime genoemd. Leg op basis van je antwoorden op opdracht 1 tot en met 3 uit welke argumenten er daarvoor zijn.
Bron 1
Historisch denken: periodisering ↑
Wat moeten we precies verstaan onder ‘modern’? In het alledaagse taalgebruik lijkt het begrip min of meer vanzelfsprekend te verwijzen naar ‘bij de tijd zijn’, naar ‘hedendaags’ of ook naar ‘nieuw’ of ‘vernieuwend’, terwijl we een moderne levensstijl vaak relateren aan en een grote vertrouwdheid met techniek, met een rationele levenshouding of met een humanistische, seculiere wereldbeschouwing. Bij nader inzien komen we met dergelijke alledaagse definities al snel in de problemen. Wat immers gisteren modern was, is dat morgen al niet meer. (…) Misschien kunnen we het woord modern of modernisme best gebruiken als aanduiding van een bepaalde historische periode of stroming. (…) Sinds de 18e eeuw raakte het woord ‘modern’ stilaan verbonden met het idee van rationaliteit en vooruitgang. Die nieuwe betekenis van het woord associëren wij sindsdien met de Verlichting. (…) Moderniteit is het tijdperk dat in economisch opzicht wordt gekenmerkt door de dominantie van het kapitalisme, in politiek opzicht door de opkomst van de nationale staat, en in cultureel opzicht door het succes van de wetenschappen.
Naar: Boomkens, R. (2011). Erfenissen van de Verlichting. Boom.
René Boomkens is hoogleraar cultuurgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam.

↑
Hendrik van Schuylenburgh, tekening van de Verenigde Oost-Indische Compagnie in Hooghly, Bengalen, India (1665). De Nederlandse VOC was een van de eerste kapitalistische bedrijven ter wereld. Ze speelde een belangrijke rol in de kolonisatie van Oost-Azië in de vroegmodere tijd. In hoofdstuk 2 leerde je over het begin van de mondialisering vanaf de ontdekkingsreizen.
Bron 4

↑
Lemonnier, schilderij van het salon van madame Geoffrin (1812). Iemand las De wees van China voor, een werk van Voltaire. De luisteraars kwamen uit diverse lagen van de standenmaatschappij. Ze bekritiseerden de maatschappelijke orde en pleitten voor verschillende verlichtingsidealen.
Bron 5

↑

↑
Andreas Vesalius, anatamische studie, oorspronkelijk gepubliceerd in De Humani Corporis Fabrica, Libri Septem (1543). Hoewel wetenschappen en technologie ook tijdens de middeleeuwen niet stilstonden, maakten ze ook een enorme ontwikkeling door tijdens de vroegmoderne tijd. In hoofdstuk 3 vind je heel wat voorbeelden.
Anonieme ets van de dramatische gebeurtenissen in Parijs (Amsterdam, 1791). De Franse Revolutie zorgde voor een breuk in de bestuurlijke organisatie in West-Europa. Staten zouden voortaan op een nieuwe manier bestuurd worden. De verlichtingsidealen waren daarbij vaak het uitgangspunt. Toch waren er meestal ook tegenstanders.
Na de chaos van de eerste jaren van de Franse Revolutie bracht generaal Napoleon Bonaparte orde in het land vanaf ca. 1799. Hij eigende zich geleidelijk meer macht toe en kon daardoor grotere veranderingen doorvoeren in het land. Toch is zijn erfenis niet onbetwist. Oordeel zelf over zijn historische betekenis met behulp van de bronnen. Is Napoleon een moderne historische figuur of niet?
Opdrachten
1 Vandaag hechten nog steeds veel mensen belang aan wat Napoleon Bonaparte gedaan en veranderd heeft. Voor sommigen is hij een held die blijvend geëerd en herinnerd moet worden. Toch krijgt hij ook kritiek.
Bekijk bron 1.
2 Beoordeel hoe bruikbaar en betrouwbaar de bronnen en de kaart zijn om de historische betekenis van Napoleon te onderzoeken.
3 In welke mate valt Napoleon ‘modern’ te noemen? Zoek argumenten in de bronnen en de kaart die je standpunt ondersteunen.


Adolphe Northen, Napoleons terugtrekking uit Moskou (1812). De terugtocht uit Moskou was verschrikkelijk. Napoleon was al 400 000 mensen en 100 000 paarden verloren op de weg ernaartoe. De terugweg eiste nog meer slachtoffers. ↑
L.F. Labrousse, houtsnede over de invoering van het metrieke stelsel in Frankrijk (1800). Maten en gewichten werden onder de heerschappij van Napoleon geuniformiseerd om te zorgen voor gelijkheid bij het afhandelen van transacties.

← Akte van Burgerlijke stand, Frankrijk (ca. 1804). Een van Napoleons belangrijkste verwezenlijkingen is wellicht dat hij de burgerlijke stand invoerde. Geboorten, huwelijken, echtscheidingen en overlijdens moesten geregistreerd worden. Op 18 augustus 1811 verplichtte hij iedereen een vaste familienaam te kiezen. Toch waren achternamen op dat moment al in gebruik. Napoleon verplichtte iedereen om een definitieve spellingswijze te kiezen voor hun naam, zodat er geen verwarring meer mogelijk was. De reden dat Napoleon de achternamen invoerde, was dan weer dat hij zo mensen gemakkelijker belasting zou kunnen laten betalen en beter dienstplicht af kon dwingen.
Bron 4

← De Code Napoleon of Code Civil, geschreven door Napoleon tussen 1804 en 1807. Het is het Franse wetboek van de burgerlijke rechten. In dit boek wou Napoleon het Franse recht voor eens en voor altijd vastleggen. De Code Napoleon heeft een grote invloed gehad op zowat alle latere nationale wetgevingen. Napoleons liberale ideeën verspreidden zich over heel Europa. Ook onze Belgische wetgeving is afgeleid uit Napoleons Code Civil. Het doel van het wetboek was ten eerste dat de wet duidelijk zou zijn voor iedereen en dat de hele bevolking zijn rechten zou kennen. Ten tweede wou Napoleon het huwelijk onttrekken aan het kerkelijk recht en ten derde wou hij de eigendom van onroerende goederen zonder allerlei feodale rechten mogelijk maken. Kernpunten van het wetboek waren het vastleggen van de persoonlijke vrijheid van iedere burger en waarborgen dat iedereen gelijk was voor de wet. Ook werd de macht van de Kerk ingeperkt. Toch was de Code Civil nog lang geen hedendaags wetboek. Zo mochten vrouwen niet stemmen, moest er gehoorzaamd worden aan de man, had een ongetrouwde vrouw amper rechten en mocht een man wel een vrouw vermoorden als zij hem bedroog, maar werd dat omgekeerd afgestraft.
← Alle donkerpaarse gebieden maakten deel uit van het rijk van Napoleon. De lichtpaarse gebieden waren vazalstaten en de oranje gebieden waren bondgenoten. Napoleon verbood hen alle handel met Groot-Brittannië na zijn nederlaag tegen dat land bij de zeeslag van Trafalgar in het zuiden van Spanje. Hij hoopte op die manier de Engelse economie te ontwrichten, maar zorgde zo ook voor problemen in zijn eigen rijk. Voor de Nederlanden, van oudsher gericht op handel via de zee, was die maatregel een catastrofe.
Wanneer historici, of andere mensen, een beeld vormen van het verleden, dan doen ze dat niet altijd even correct. Historische beeldvorming leidt daardoor soms tot een verkeerd beeld van het verleden: dat beeld is dan bijvoorbeeld onnauwkeurig, eenzijdig of onevenwichtig. Bij historische figuren die later als een held beschouwd worden, stellen we vaak dat soort beeldvorming vast. Het wordt dan de taak van historici om die beeldvorming te onderzoeken.
1 Beoordeel de beeldvorming over Napoleon Bonaparte. Zoals je kunt lezen in bron 1, werd hij bijzonder populair tijdens de Franse Revolutie. Beoordeel de rol van Napoleon tijdens de veldslag bij Arcole in 1796.
a Onderzoek bron 2. Beoordeel hoe betrouwbaar de beeldvorming in de tekening is met behulp van bron 3 en 4.
b Welke van de stellingen is volgens jou het meest correct? Zoek argumenten in bron 2 tot en met 4. c Formuleer een nog juistere stelling door bijkomende informatie over de veldslag op het internet op te zoeken.
2 Zoek online naar een ander voorbeeld van meer recente beeldvorming over Napoleon, bijvoorbeeld een boek, film, podcast ... Zoek zelf online naar bronnen die je kunnen helpen om die beeldvorming kritisch te evalueren.
09a ↑ Beluister het fragment.
Welke stelling is de meest juiste?
1Napoleon leidde bij Arcole in Noord-Italië een Franse aanval. Zijn leger werd in de pan gehakt.
2Napoleon leidde bij Arcole in Noord-Italië een Franse aanval. Hij probeerde zijn soldaten aan te vuren om te vechten, maar slaagde er toch niet in om de overwinning te behalen.
3De beeldvorming over de veldslag bij Arcole in het schilderij is onjuist. Dat komt wellicht doordat de maker van de bron niet probeerde om de historische feiten correct weer te geven.
4Napoleon Bonaparte is een heldhaftige generaal die op gevaar van zijn eigen leven probeerde het Oostenrijkse leger aan te vallen tijdens de slag bij Arcole.
Napoleon Bonaparte werd geboren op het eiland Corsica en werd noch gezien als een echte Fransman, noch als een echte Italiaan, ook al stamde zijn vader af van Genuese adel. Op 9-jarige leeftijd werd hij weggestuurd om te studeren, eerst in de Bourgogne, nadien aan de militaire school van Parijs. Op zijn 16e studeerde hij af en werd luitenant in het Franse leger. Hij was 19 toen de Franse Revolutie uitbrak en hij steeds actiever werd in dit leger. Al snel stapelde Napoleon de militaire successen op en werd hij op handen gedragen door het volk. In 1799 pleegde hij een staatsgreep en werd 1 van de 3 consuls die het land moesten leiden. Bonaparte trok geleidelijk aan de macht naar zich toe en benoemde zichzelf tot keizer van Frankrijk in 1804. Het streven naar grond en macht deed hem echter de das om in 1815. Ontevreden met de reeds behaalde resultaten ondernam hij een veldtocht tegen de Britten die werd bezegeld met een Franse nederlaag in Waterloo. Napoleon werd verbannen en stierf in 1821 in ballingsschap op het eiland Sint-Helena in de Atlantische Oceaan.
Uit: Biografische gegevens over Napoleon Bonaparte

G.Pellerin, Passage du Pont d’arcole (Frankrijk, 1880). Vertaling bijschrift: ‘Op 15 november 1796 wilde de Augerau-divisie de rivier de Adige oversteken, maar ze werd tegengehouden door een grote groep Oostenrijkers. Ze stelden zich verdekt op achter huizen, en hadden een formidabele vuurkracht bij zich waarmee ze de Fransen ongestraft onder vuur namen. Tevergeefs probeerden de moedige Fransen aan te vallen, maar het vuurwerk deed de moed van zelfs de grootste durvers wegzinken. Bonaparte merkte dat op, en met zijn typerende enthousiasme sprong hij op zijn paard en greep een vlag terwijl hij met een donderende stem riep: “Soldaten, wat er is geworden van uw oude waarden? Zijn jullie niet de overwinnaars van Lodi? Volgen jullie je generaal niet?” Bij die woorden werd elke soldaat beschaamd voor zijn aarzeling, en allen antwoordden ze met de kreet ‘Vive la liberté’.
Bron 3
Augerau en vervolgens Lannes probeerden de troepen naar de brug te leiden, maar zonder succes. Toen stapte Bonaparte van zijn paard en greep een vlag. Hij daagde de mannen uit om te laten zien dat ze nog steeds de helden van Lodi waren, maar ze volgden hem niet, zelfs niet toen hij oprukte, vergezeld door zijn adjudanten en een kleine groep soldaten. Nadat ze een korte afstand hadden afgelegd en nog steeds een paar honderd meter van de brug verwijderd waren, kregen ze een salvo te verwerken die enkele mannen rondom Bonaparte doodden, onder wie zijn adjudant Muiron. Snel zochten ze dekking en stootten daarbij Bonaparte van de dijk af. Hij belandde in een greppel en stond tot zijn nek in het water. Uiteindelijk trokken ze hem eruit, maar het was uitgesloten dat ze de brug nog konden innemen.
Uit: Zamoyski, A. (2018). Napoleon, de man achter de mythe. Balans.
Bron 4
Bonaparte voerde de propaganda tot nieuwe hoogten. (…) Tussen het moment waarop in 1796 Bonaparte het commando van het Italiëleger op zich nam en het einde in 1798 verschenen er maar liefst zevenendertig verschillende prenten van Bonaparte op de markt. Sommige daarvan waren in opdracht gemaakt, andere spontaan. Sommige daarvan waren gebaseerd op echte afbeeldingen van hem, andere gaven een volkomen fictief beeld van zijn uiterlijk. Allemaal presenteerden ze hem als een held.
Uit: Zamoyski, A. (2018). Napoleon, de man achter de mythe. Balans.
Gebruik bij het studeren van dit hoofdstuk de leerdoelen aan het einde van elke les of bekijk op iDiddit welke doelen je leerkracht voor jou heeft geselecteerd.
Hier vind je jouw gereedschapskist voor het vak geschiedenis. Deze strategiefiches en hulpmiddelen kun je gebruiken bij moeilijke opdrachten.
Strategiefiches helpen je stapsgewijs te werk te gaan. Je zet ze bijvoorbeeld in als je redeneert met en over bronnen of als je moeilijke teksten of afbeeldingen bestudeert. Na verloop van tijd heb je ze zo vaak gebruikt dat je de stappenplannen niet meer nodig hebt. Dat is ook de bedoeling: we streven ernaar om je op het einde van het schooljaar zo veel mogelijk zonder de geheugensteuntjes te laten werken. In je Histokit vind je verder ook hulpmiddelen zoals begrippenregisters. Ook die kun je inzetten als je moeilijke opdrachten zelfstandig moet uitvoeren.
01 Tijdlijn X XX
02 Kaarten X XX
03 Maatschappelijke domeinen X XX
04 Historische beeldvorming X XX
05 Historische vragen X XX
06 Soorten bronnen X XX
07 Bronnenstudie: stap 1 X XX
08 Bronnenstudie: stap 2 X XX
08a Leesstrategieën X XX
08b Kijkstrategieën X XX
09 Bronnenstudie: stap 3 X XX
09a Kritisch bronnen evalueren X XX
09b Historische redeneerwijzen X XX
09c Bronnen contextualiseren X XX
10 Bronnenstudie: stap 4 X XX
11 Begrippen X XX
11a Historische begrippen X XX
11b Structuurbegrippen X XX
12 Online opzoeken X XX
12a Gericht online zoeken X XX
12b AI verstandig gebruiken X XX
13 Kunst en cultuur X XX
1 01
Tijdlijn
Waar op de tijdlijn kan ik dit situeren?
Periodes van het westers historisch referentiekader
PREHISTORIE
OUDE NABIJE OOSTEN
1 02
Waar in de ruimte kan ik dit situeren?
KLASSIEKE OUDHEID MIDDELEEUWEN
GESCHIEDENIS
↑ Bekijk het instructiefilmpje.
↑ Bekijk de kaarten en het instructiefilmpje.
1 03
In welk(e) maatschappelijk(e) domein(en) kan ik dit situeren?
↑ Bekijk de domeinen en het instructiefilmpje.
Hoe komt ons beeld van het verleden tot stand? 1 04
STROOMSCHEMA
bronnenstudie
beeldvorming
geschiedenis
stap 2: observeren stap 1: verzamelen
stap 3: interpreteren
stap 4: vraag beantwoorden
historische vragen
bronnen identificeren
lees- en kijkstrategieën toepassen
redeneerwijzen toepassen bronnen evalueren bronnen contextualiseren
historische vraag beantwoorden
HISTORISCHE VRAGEN BEANTWOORDEN
Ik heb nu alle stappen van het onderzoek doorlopen. In deze laatste stap moet ik een antwoord formuleren op de onderzoeksvraag. Schrijfkaders helpen me om mijn antwoord correcter te formuleren. Ik hou me aan volgende richtlijn om mijn antwoord gestructureerd op te bouwen:
✓ Ik begin mijn antwoord met een duidelijke uitspraak.
✓ Ik verwijs in mijn antwoord naar de bronnen die ik gebruik om de vraag te beantwoorden.
✓ Als ik meerdere argumenten of voorbeelden heb, dan noteer ik die gestructureerd na elkaar en gebruik ik signaalwoorden.
✓ Als dat nodig is, geef ik weer waarover ik twijfel (bv. hoe betrouwbaar, bruikbaar of representatief de bron is).
✓ Ik gebruik historische redeneerwijzen om de historische vraag te beantwoorden.
Bv. Wat was het belang van de Arabische wetenschappen?
Het belang van de Arabische wetenschappen was erg groot. Door de grote expansie van het rijk kwamen de Arabieren in contact met kennis uit bijvoorbeeld de Griekse, Byzantijnse en Perzische cultuur. Omdat Bagdad het centrum van de internationale handel was, kwam er ook veel kennis samen uit verschillende culturen, zoals bijvoorbeeld die van
1 05
China en India. Vervolgens bundelden de Arabische geleerden die kennis. Ze bewaarden en vertaalden de kennis naar het Arabisch en deden verder onderzoek, waaruit nieuwe inzichten kwamen. Die kennis kwam vooral via het kalifaat van Cordoba naar Europa. De Arabische wetenschappers vormden zo een sterke vorm van continuïteit met de latere wetenschappelijke ontwikkelingen in het Westen.
1 06
Hoe stel en onderzoek ik historische vragen? Welke soorten historische vragen bestaan er?
Er bestaan historische vragen over het verleden, over de relatie tussen heden, verleden en toekomst, over de totstandkoming van historische kennis en over representaties van het verleden.
↑ Bekijk het instructiefilmpje.
BeschrijvendVergelijkendVerklarendBeoordelend
Wat?
Wie?
Welke?
Wanneer? Waar? Hoe?
Welke gelijkenissen? Welke verschillen? Waardoor? Waarom? Welk doel of functie? Goed of fout? Beter of slechter? Juist of onjuist? Wat is typisch?
HOE BETROUWBAAR IS EEN BRON?
Stap 1: Ik orden en onderzoek de bronnen die ik heb.
✓ Ik maak een onderscheid tussen de soorten bronnen of werken.
✓ Ik situeer de bronnen in tijd en ruimte.
✓ Ik situeer de bronnen in een maatschappelijk domein.
Stap 2: Ik sorteer de bronnen, bv. per thema, per tijdvak, per ruimte.
Stap 3: Ik formuleer een historische vraag waarop de bronnen een antwoord zouden kunnen bieden. Ik zorg dat de vraag goed afgebakend is in tijd, ruimte en domein.
Stap 4: Ik beoordeel of de vraag onderzoekbaar is.
✓ Ver tellen de bronnen over de tijd, de ruimte en het domein dat ik wil onderzoeken?
✓ Heb ik de juiste bronnen en heb ik voldoende bronnen om de vraag te beantwoorden?
✓ Hoe bruikbaar, betrouwbaar en representatief zijn de beschikbare bronnen?
✓ Hoeveel tijd heb ik om de vraag te onderzoeken?
Soorten bronnen
Hoe maak ik onderscheid tussen soorten historische bronnen, en tussen soorten werken van historici?
↑ Bekijk de soorten bronnen en het instructiefilmpje.
1 07
Bronnenstudie: stap 1
Ik leerde in Sapiens 1, 2 en 3 welke vragen ik stel bij het begin van een bronnenstudie. Omdat ik er al vaak mee oefende, wordt ervan uitgegaan dat ik de nodige hulpvragen ondertussen ken. Ik kan ondertussen al goed situeren in tijd en ruimte. Zo nodig vind ik op p. XXX-XXX nog een tijdlijn, een hedendaagse Europese kaart en een wereldkaart.
BRONNEN IDENTIFICEREN
De bronvermelding van een boek ontleden.
auteur titel boek uitgever
Diamond, J. (1997). Paarden, zwaarden en ziektekiemen. Spectrum.
De bronvermelding van een tijdschrift, krant of website ontleden.
auteur titel tijdschrift, website of krant datum van uitgave jaar uitgave titel artikel
Rothschild, B. (15 mei 2005). History of syphilis. Clinical Infectious Diseases.
HET BIJSCHRIFT BIJ EEN BRON INTERPRETEREN
uit: Dit is een letterlijk citaat uit een primaire bron.
naar: De tekst werd aangepast (bv. in functie van leesbaarheid, relevantie …). vertaald: De auteurs hebben de oorspronkelijke tekst (zelf) vertaald. bron: de plaats waar deze tekst of dit beeld gevonden werd (...) een stuk van de oorspronkelijke tekst werd weggelaten
1 08
1 08a
Bronnenstudie: stap 2
Leesstrategieën
Hoe lees ik een tekstbron of een geschreven historisch werk? Wat kan ik doen om een tekst of bron grondig te begrijpen?
Oriënterend lezen: Ik lees de tekst scannend.
✓ Ik let op signaalwoorden en/of structuurbegrippen.
✓ Ik let op tussentitels en/of vetgedrukte begrippen en op basis daarvan voorspel ik de inhoud.
✓ Ik vat tussentijds samen en bepaal de hoofdgedachte per alinea.
✓ Ik behoud het overzicht door een rode draad doorheen de tekst te zoeken.
Intensief lezen: Ik lees de tekst volledig en grondig.
✓ Ik denk na welke begrippen of zinnen ik onvoldoende begrijp.
✓ Ik zoek moeilijke woorden op:
—Ik leid de betekenis af uit de context.
—Ik zoek historische begrippen op in de Histokit.
—Ik gebruik een woordenboek of het internet.
✓ Ik analyseer in lange zinnen wat de kerngedachte is: ik onderscheid hoofdzin en bijzin(nen).
✓ Ik herlees zinnen waarin de auteur iets moeilijks beschrijft. Ik zoek naar concrete voorbeelden om de betekenis van de zin te interpreteren.
✓ Ik ontcijfer beeldspraak:
—Ik bespreek het met een klasgenoot.
—Ik gebruik het internet.
—Ik vraag hulp aan mijn leerkracht.
Kritisch lezen: Ik denk na over de tekst.
✓ Ik zoek of de auteur trucs gebruikt die wijzen op onbetrouwbaarheid (bv. drogredenering, anachronisme …).
✓ Ik onder zoek de presentatie van de bron:
—Is de bron volledig weergegeven?
—Zijn er zaken weggelaten of toegevoegd?
—Is de bron vertaald, overgeschreven, samengevat of geparafraseerd?
Hoe kijk ik naar een visuele bron? Hoe lees ik een tabel of grafiek in een historisch werk? Hoe bestudeer ik een historische kaart?
Oriënterend kijken: Ik bekijk de bron scannend.
✓ Ik zoek een titel en/of een legende. Ik bekijk de schaal.
✓ Ik lees een bijschrift.
✓ Ik oriënteer me op het ‘grote plaatje’: wat of wie staat er op de afbeelding? Wat is het thema?
✓ Ik ga na wat er op de voor- of achtergrond staat en wat er centraal of aan de zijkant staat.
✓ Ik zoek naar compositie: is er een schikking of een lijn?
Gedetailleerd kijken: Ik bekijk de bron grondig en in detail.
✓ Ik neem een blad en dek een deel van de afbeelding af (bv. de boven-, onder-, linker- of rechterkant). Ik kijk opnieuw en let op details.
✓ Ik zoek symbolen. Als ik de betekenis van de symbolen niet meer weet, zoek ik die op.
Kritisch kijken: Ik denk na over wat ik zie.
✓ Ik zoek of de maker trucs gebruikt die wijzen op onbetrouwbaarheid (bv. drogredenering, anachronisme …).
✓ Ik vergelijk met andere bronnen die ik ken.
✓ Ik onderzoek de presentatie van de bron:
—Op welke schaal is de bron weergegeven?
—Zijn er zaken weggelaten of toegevoegd?
—Is de bron bewerkt?
Kritisch bronnen evalueren
Er zijn drie kernvragen die ik kan stellen om een bron te evalueren. Meestal hangt het antwoord op de vragen af van de historische vraag die ik onderzoek.
Bijna altijd zijn de antwoorden op die vragen een schaal, bv. zeker weleerder welmin of meereerder nietzeker niet
HOE BRUIKBAAR IS EEN BRON?
Helpt de bron me om een antwoord te vinden op de historische vraag?
Hoe meer de bron me daarbij helpt, hoe bruikbaarder ze is.
De bruikbaarheid beoordelen kan ik met de volgende hulpvragen:
✓ Is de bron volledig bewaard?
✓ Is de bron vertaald in een taal die ik begrijp?
✓ Is de bron in de juiste tijd/periode/plaats gesitueerd?
↑
Bekijk het instructiefilmpje.
✓ Geeft de bron me een volledig of slechts een gedeeltelijk antwoord op de vraag?
Om de bruikbaarheid van een bron te beargumenteren gebruik ik steeds: een uitspraak over hoe betrouwbaar de bron is, en combineer ik die met een signaalwoord (bv. omdat, doordat, hoewel, aangezien …) en een argument.
Bv. Ik vind deze uitspraak eerder bruikbaar omdat ik er een deel van het antwoord op de onderzoeksvraag in vind.
Gebruik bijvoorbeeld deze schrijfkaders hiervoor:
De bron is (eerder) wel / niet bruikbaar om meer te weten te komen over … omdat …
De bron gaat over … Ik kan ze daarom (eerder) wel / niet gebruiken om … te onderzoeken.
De bron is gesitueerd in de periode … Ze is daarom (eerder) wel / niet bruikbaar om een antwoord te geven op …
De bron geeft me enkel informatie over … Ik kan daardoor slechts een deel van de historische vraag met de bron beantwoorden. De bron is (eerder) bruikbaar.
HOE BETROUWBAAR IS EEN BRON?
Betrouwbaarheid gebruik ik om in te schatten of de bron geloofwaardig is. De bronnen die ik gebruik en de argumenten die daaruit voortkomen, moeten geloofwaardig zijn.
De betrouwbaarheid beoordelen kan ik met deze vier argumenten:
↑ Bekijk het instructiefilmpje.
✓ de origine van de maker of het soort bron (bv. Is de maker eerder wel of niet goed geïnformeerd?);
✓ het perspectief van de maker (bv. Is de maker eerder wel of niet een betrokken partij?);
✓ het motief of doelpubliek (bv. Waarover wordt het publiek eerder wel of niet goed geïnformeerd?);
✓ de context (bv. Is de bron eerder kort of lang na de feiten gemaakt?).
Om de betrouwbaarheid van een bron te beargumenteren gebruik ik steeds: een uitspraak over hoe betrouwbaar de bron is en combineer ik die met een signaalwoord (bv. omdat, doordat, hoewel, aangezien …) en een argument.
Bv. Ik vind deze uitspraak eerder betrouwbaar omdat ze in een boek staat dat door een professor aan de universiteit werd geschreven.
Gebruik bijvoorbeeld deze schrijfkaders hiervoor:
De maker van de bron is goed / slecht geïnformeerd over … en dus is de bron wel / niet betrouwbaar.
De maker van de bron weet er veel / weinig over, dus is de bron wel / niet betrouwbaar om … te beantwoorden.
De maker van de bron kiest partij voor … Hij geeft dus onbetrouwbare informatie.
De maker van de bron wil het publiek infomeren / misleiden. Daarom is de informatie die hij geeft wel / niet betrouwbaar.
Het doel van de maker is … Daarom is de bron wel / niet betrouwbaar om … te onderzoeken.
HOE REPRESENTATIEF IS EEN BRON?
Representativiteit gebruik ik om in te schatten of bewijs uit de bron veralgemeend kan worden. Dat helpt me om in te schatten hoe uniek of typisch iets is.
De representativiteit beoordelen kan ik met de volgende hulpvragen:
✓ Bestaan er meerdere gelijkaardige bronnen of voorbeelden?
✓ Zijn gelijkaardige voorbeelden bewaard?
✓ Is de bron een uitzondering op de regel?
✓ Geeft de maker een uniek idee of standpunt weer?
✓ Hebben nog andere mensen in de samenleving een ander idee of standpunt?
↑ Bekijk het instructiefilmpje.
✓ Komt wat ik ontdek in de bron overeen met de algemene kenmerken van een samenleving in de periode die ik bestudeer?
1 09b
Om de representativiteit van een bron te beargumenteren gebruik ik steeds: een uitspraak over hoe representatief de bron is en combineer ik die met een signaalwoord (bv. omdat, doordat, hoewel, aangezien …) en een argument.
Bv. Ik vind dit kunstwerk eerder niet representatief voor de samenleving in deze periode omdat in de lestekst staat dat in deze periode de kunst eerder de volgende kenmerken had …
Om de representativiteit van een bron te beargumenteren gebruik ik deze schrijfkaders:
Als … zegt dat …, dan geldt dat enkel voor … want andere mensen denken er anders over, bv. …
Het standpunt van … over … wordt waarschijnlijk (niet) gedeeld door … want … … is kenmerkend voor de periode van … tot … Uit … weet ik namelijk dat … niet kenmerkend was voor …
CAUSAAL REDENEREN: AANLEIDING, OORZAKEN, TOEVAL, GEVOLGEN
Historische fenomenen hebben meestal meerdere oorzaken en/of gevolgen. Als er geen oorzakelijk verband is, dan is iets toeval.
INCIDENTELE
OORZAAK
STRUCTURELE
OORZAAK
↑ Bekijk het instructiefilmpje.
GEVOLG OORZAAK TOEVAL
Om een oorzaak-gevolgrelatie te beschrijven gebruik ik deze schrijfkaders:
De oorzaak of het gevolg van … is dat …
De gebeurtenis werd veroorzaakt door …
Er zijn verschillende oorzaken voor …, namelijk ten eerste …, ten tweede … en ten derde …
Het (on)bedoelde gevolg van … is dat … veranderde.
Toen … gebeurde, had dat (on)bedoelde gevolgen voor …
… had verschillende gevolgen, namelijk ten eerste …, ten tweede … en ten derde …
Er is geen oorzakelijk verband tussen … en … De gebeurtenis is daarom toeval.
DOEL, FUNCTIE EN EFFECT
DOEL
FUNCTIE
ONBEOOGD EFFECT
BEOOGD EFFECT
Om een doel-effectrelatie te beschrijven gebruik ik deze schrijfkaders:
Het doel van … is dat … De maker wil op die manier bereiken dat …
De functie van … is dat …
Dat was de bedoeling: het (beoogde) effect dat hij daarmee nastreefde was dat …
Dat was niet de bedoeling: het (onbeoogde) effect van … was dat … gebeurde.
CONTINUÏTEIT EN VERANDERING, EVOLUTIE EN REVOLUTIE
EVOLUTIE geen verandering
CONTINUÏTEIT
geleidelijke verandering plotse verandering verandering in schokken ↑ Bekijk het instructiefilmpje.
REVOLUTIE/BREUK
Om verandering te beschrijven gebruik ik deze schrijfkaders:
Tijdens de periode van … tot … bleef … onveranderd. Het is dus een voorbeeld van continuïteit in het … domein.
Tijdens de periode van … tot … vond er een plotse / geleidelijke verandering plaats: na … hebben we plots bronnen die wijzen op …
Tijdens de periode van … tot … vond er een plotse / geleidelijke verandering plaats: de kenmerken van het … domein veranderden.
In de periode … was … kenmerkend voor de … samenleving. Later werd … kenmerkend voor die samenleving.
STANDPLAATSGEBONDENHEID EN MULTIPERSPECTIVITEIT
Door een fenomeen vanuit verschillende perspectieven te bestuderen krijg ik meer begrip voor hoe en waarom mensen iets doen: voor hun standplaatsgebondenheid dus. Bij elk maatschappelijk domein horen verschillende deelperspectieven die me helpen om te redeneren vanuit meerdere perspectieven.
DOMEIN ↑ Bekijk het instructiefilmpje.
CULTUREEL
(normen, religie, ethiek, wetenschap …)
SOCIAAL
(stand, klasse, gender …)
ECONOMISCH (financiën …)
POLITIEK
(macht, recht, nationaal, internationaal …)
RUIMTE
(regionaal, nationaal, westers, niet-westers …)
TIJD (hedendaags, historisch)
Om bronnen te kunnen interpreteren moet ik ze in hun historische context plaatsen. Als ik interpreteer in welke historische context de bron is gemaakt, begrijp ik beter de bedoelingen van de maker en/of de betekenis van de bron voor het doelpubliek.
Deze hulpvragen kunnen me daarbij helpen:
✓ Voor welk doelpubliek is de bron gemaakt?
✓ Welk perspectief toont de maker? Welke andere perspectieven zijn er mogelijk? 1 09c
↑ Bekijk het instructiefilmpje.
✓ Welke boodschap had de auteur/maker voor ogen? Waarom werd de bron gemaakt?
✓ Wat kan ik bewijzen met de bron?
✓ Welke verbanden worden in de bron gelegd?
Ik heb nu alle stappen van het onderzoek doorlopen. In deze laatste stap moet ik een antwoord formuleren op de onderzoeksvraag. Schrijfkaders helpen me om mijn antwoord correcter te formuleren. Ik hou me aan volgende richtlijn om mijn antwoord gestructureerd op te bouwen:
✓ Ik begin mijn antwoord met een duidelijke uitspraak.
✓ Ik verwijs in mijn antwoord naar de bronnen die ik gebruik om de vraag te beantwoorden.
✓ Als ik meerdere argumenten heb, dan noteer ik die gestructureerd na elkaar en gebruik ik signaalwoorden.
✓ Als dat nodig is, geef ik weer waarover ik twijfel (bv. hoe betrouwbaar, bruikbaar of representatief de bron is).
✓ Ik gebruik historische redeneerwijzen om de historische vraag te beantwoorden.
Bv. Door de grote expansie van het rijk kwamen de Arabieren in contact met oude kennis uit bijvoorbeeld de Griekse, Byzantijnse en Perzische cultuur. Zo vormden interculturele contacten van de Arabische wereld een bron van continuïteit met de klassieke oudheid. Omdat Bagdad het centrum van de internationale handel was, kwam er ook veel kennis uit verschillende culturen samen, zoals bijvoorbeeld die in China en India. Bovendien bundelden de Arabische geleerden die kennis. Ze bewaarden en vertaalden de kennis naar het Arabisch en deden verder onderzoek, waaruit nieuwe inzichten kwamen. Later kwam die kennis via het kalifaat van Cordoba naar Europa. Ze beïnvloedde sterk de latere wetenschappelijke ontwikkelingen in het Westen.
Begrip
Betekenis
aanbod
aandeel
aandeelhouder
[wordt later aangevuld –> Laat deze pagina’s voorlopig leeg.]
Kernbegrip
Hulpbegrip
Hoofdstuk
hoeveelheid producten en diensten die te koop zijn. Soms is het aanbod producten en diensten groter of kleiner dan de vraag. 2, DE
bewijs dat iemand bijdraagt aan het kapitaal van een onderneming 2, DE
mede-eigenaar van een onderneming 2
absolute macht volledige macht over alle domeinen van de samenleving5 absolutisme staatsvorm geleid door een onbeperkte alleenheerschappij 5, 6
adel
aflaat
afzetmarkt
ambacht
ambachtslui
ambtenaar
anatomie
anglicanisme
antiklerikalisme
artistieke stroming
astronomie
middeleeuwse stand waarvan de leden (edelen) een bevoorrechte positie innamen. Ze hadden bijvoorbeeld recht op grondbezit. 3, 4, 5, 6
document dat de kerk verkocht aan gelovigen om hun zonden af te kopen 3
groep mensen die interesse heeft in het gebruik van een product of dienst 2
vak of beroep van handwerkslui gespecialiseerd in een bepaald product, bv. het ambacht van mandenmaker, pottenbakker … DE
handwerkslui gespecialiseerd in één vak. Ze verenigden zich per vak in een ambacht. DE, DC, 4
iemand die werkt in dienst van de overheid, zoals bv. in het onderwijs, bij de gemeente, bij de politie ... 5
wetenschap die de bouw van het (menselijk) lichaam onderzoekt 3, DC
strekking binnen het christendom die gebaseerd is op de afscheiding door de Engelse Kerk 3
houding of overtuiging waarbij mensen uit de geestelijke stand (clerus) en hun ideeën bestreden worden 6
kenmerken van een kunstuiting uit een bepaalde tijd en plaats 3
wetenschap die het zonnestelsel en de sterrenstelsels in het heelal bestudeert 2, 3
Begrip
barok
Beeldenstorm
Betekenis
Hoofdstuk
artistieke stroming uit de 17e eeuw, gekenmerkt door beweging en emotionaliteit, die tot een hoogtepunt kwam tijdens de contrareformatie 3, DC
gebeurtenis (1566) waarbij een groep protestantse mensen met geweld kunstvoorwerpen die volgens hen zondig waren vernielden in katholieke kerken 4
belastingen door de wet opgelegde betaling aan de overheid DP, 5 beroepsleger leger van gespecialiseerde soldaten die opgeleid en betaald worden door de overheid en permanent in dienst van die overheid staan 5
bestuurlijke organisatiewijze waarop een samenleving ingericht en bestuurd wordt 3, 5 bestuurstaal officiële taal in een land die wordt gebruikt door machtshebbers. Die is niet altijd dezelfde als de voertaal. 5 bisdom
gebied dat bestuurd wordt door een bisschop. Vandaag heeft de bisschop enkel religieuze taken. In het verleden waren dat soms ook politieke taken. 4
boekdrukkunst
burgerrechten
calvinisme
cartografie
vaardigheid om handschriften om te zetten in gedrukte boeken, zodat ze in meerdere exemplaren kunnen worden uitgegeven 2, 3, DS, 5
persoonlijke vrijheden die toebehoren aan het burgerschap van een land of gemeenschap en door de Grondwet gegarandeerd worden 5, 6
strekking binnen het christendom die gebaseerd is op de ideeën van Maarten Luther 3, 4
wetenschap die geografische informatie bestudeert en zo duidelijk mogelijk zichtbaar maakt op een (papieren of digitale) kaart 2
celibaat bewuste keuze om ongehuwd te blijven 3 centralisatie proces waarin de macht of het bestuur in handen van centrale instellingen komt
christendom
clair-obscur
monotheïstische religie gebaseerd op de gedachte dat Jezus van Nazareth de menselijke zoon van God is
DP, 3, 4, 5
DP, 2, 3
schildertechniek waarbij donkere en lichte kleuren met elkaar in contrast gecombineerd worden DC
Begrip
clerus
Betekenis
middeleeuwse stand waarvan de leden (geestelijken zoals bisschoppen, monniken, kloosterzusters …) een bevoorrechte positie innamen. Ze hoefden bv. geen belastingen te betalen. 3, 5, 6
Columbiaanse uitwisseling
commerciële revolutie
concilie
uitwisseling van planten, dieren, ziektes en culturen tussen de Oude en Nieuwe Wereld vanaf 1492 1, 2
periode van intense veranderingen in de manier waarop handel gedreven wordt 2, DE
belangrijke vergadering van christelijke leiders waarin kerkelijke aangelegenheden worden besproken 3
conquistador (Spaanse) veroveraar, militair die dienst doet bij het veroveren van gebied voor de Spaanse vorsten 2
constitutionele monarchie monarchie waarbij de positie van de koning in een grondwet geregeld is 6
contrareformatie reactie van de Rooms-Katholieke Kerk op de reformatie in de tweede helft van de 16e en in de 17e eeuw 3, DC
cultuuruiting product van culturele identiteit 5 demografische catastroferamp die leidt tot de ineenstorting van een bevolking1
demografische processen veranderingen in het aantal of de samenstelling van de bevolking 1 discriminatie
het ongelijk of minder gunstig behandelen van mensen op basis van bv. afkomst, religie, geslacht, seksuele geaardheid of beperking DS, 5 driehoekshandel
vroegmoderne handel tussen Europa, Afrika en AmerikaDP, 2 drukkunst vaardigheid om boeken, afbeeldingen of andere producten te drukken 3 dynastie familie van opeenvolgende heersers 4 economisch systeem manier waarop een samenleving de productie, handel of consumptie van goederen organiseert 5 effectenbeurs plaats waar aandelen verkocht worden 2 empirisme wetenschappelijke en filosofische benadering waarbij kennis gebaseerd wordt op wat waarneembaar is 1, 5 epidemie ziekte die bij een groter aantal individuen dan normaal in een gebied voorkomt 2
Begrip
eurocentrisme
Europese expansie
federaal
filosofie
gedoogbeleid
gelaagde samenleving
gelijkheid
geocentrisme
geografie
geuzen
geweld
Betekenis
Hoofdstuk
wereldbeeld dat Europa en de Europese cultuur centraal stelt 2
uitbreiding van de invloed van Europese staten tijdens de vroegmoderne en moderne tijd 1
bestuursvorm waarbij meerdere regio's samenwerken in een groter geheel 6
wijsbegeerte, (wetenschappelijke) activiteit met als doel het verkrijgen van kennis en wijsheid over levensvragen
DP, 3, DC, 6
beleid waarbij iets wat officieel verboden is toch niet wordt bestraft DS
samenleving waarbij niet alle mensen dezelfde kansen of rechten hebben (bv. standenmaatschappij) DP
toestand waarin mensen in de samenleving dezelfde kansen en rechten hebben
3, DS, 5, 6
wereldbeeld dat ervan uitgaat dat de zon en de planeten rond de aarde draaien 3
aardrijkskunde, wetenschap die het aardoppervlak en de invloed ervan op mens, dier, plant en milieu bestudeert 2
groep opstandeling die streed tegen het Spaanse gezag in de Nederlanden 4
uitoefening van macht waarbij mentale of fysieke schade aan anderen wordt berokkend 2, 6
gewest deel van een land of gebied, soms synoniem voor provincie4 gewoonte handeling die men gewend is om uit te voeren DP, 2, 3, 5 gilde beroepsvereniging van kooplui of van ambachtslui DE godsdienstvrijheid vrijheid om gelijk welke godsdienst openlijk te belijden5 gouverneur functie van iemand die een deel van het rijk bestuurt namens de vorst 2 graafschap grondgebied bestuurd door een graaf, een vazal van een koning of keizer 4 grens afbakening, bv. scheiding tussen twee gebieden DP, 5 grondwet document waarin de rechten en plichten van elke burger en de werking van de staatsorganen staan beschreven 5, 6 guillotine toestel gebruikt voor het onthoofden van mensen 6
Begrip
handel
handelaar
handelsmonopolie
handelsnetwerk
handelspost
heliocentrisme
hertog
hertogdom
Homo universalis
homoseksualiteit
Betekenis
Hoofdstuk
economische activiteit waarbij goederen worden uitgewisseld tegen betaling 1, DP, 2, 3, 4, 5, 6
persoon die handel drijft 2, 4
situatie waarbij één bedrijf als enige een markt in handen heeft DE
groep met elkaar verbonden nederzettingen met verbonden vaste handelsroutes DP
plaats, nederzetting of kantoor, vaak in een ander land of kolonie, waar handel wordt gedreven met andere volkeren of groepen 2
wereldbeeld dat ervan uitgaat dat de zon het centrum van het planetenstelsel is 3
adellijke titel in het Frankische rijk van een kroonvazal die een leengebied (een hertogdom) bestuurde 4
grondgebied bestuurd door een hertog, een vazal van een koning of keizer 4
ideaal van een mens met een goed ontwikkeld lichaam en een veelzijdige, intelligente geest DC
seksuele gerichtheid op mensen van hetzelfde geslachtDS huisnijverheid manier van produceren van goederen bij mensen thuis6
humanisme
huwelijkspolitiek
filosofische beweging van kritische denkers en taalkundigen in de 15e en 16e eeuw die zich inspireerden op de klassieke teksten en die geloofden in de kracht van het individu en de maakbare mens 3, DC
politieke strategie waarbij het sluiten van huwelijken gebruikt wordt om het grondgebied, de erfenis, de macht of de invloed te vergroten DP imperialisme streven naar gebiedsuitbreiding 2 imperium groot en machtig rijk 1 industrie
activiteiten gericht op het maken of verwerken van grondstoffen tot producten, meestal met behulp van machines 6
innovatie
proces van vernieuwing als gevolg van nieuwe inzichten en wetenschappelijk onderzoek 3
Begrip
Inquisitie
inspraak
interculturele contacten
invoer
Betekenis
door de Rooms-Katholieke Kerk georganiseerde rechtbank die personen met afwijkende opvattingen vervolgde 3, 4
betrekken van belanghebbenden bij beslissingen 3, 5, 6
contacten tussen mensen uit verschillende culturen met verschillende achtergronden, normen, waarden en gebruiken 1, 2
het in het land brengen van handelswaar uit het buitenland 5 jezuïeten
kapitalisme
karveel
Katholieke Kerk
religieuze orde van monniken opgericht tijdens de contrareformatie, sterk gericht op scholing en missie 3
economisch systeem gebaseerd op het investeren van geld met de verwachting winst te maken 2, DE
type schip dat geschikt is voor langere zeereizen 2
christelijke Kerk gebonden aan de christelijke leer zoals de Kerk van Rome onder leiding van de paus ze voorschrijft 3, 5
ketter gelovige die afwijkt van de officiële leer van de Katholieke Kerk 4
kolonialisme
kolonie
politiek die erop gericht is om nieuwe gebieden te stichten, te overheersen, te veroveren of uit te buiten 2, 5
nederzetting of (overzees) gebied dat onder dwang door een ander land (moederland) bestuurd wordt 2, 4, 6 kolonisatie het onder dwang onderwerpen van (overzeese) gebieden2
koninkrijk gebied waarvan een koning het staatshoofd is 4, 6 kooplui
handelaars die producten kopen en verkopen op de lokale of internationale markt DE, 3, DS
kunstuiting product van menselijke creativiteit 3, 5
lakennijverheid
landbouw
nijverheidstak (vooral in Vlaanderen en Brabant) die zich bezighield met het maken van wollen lakenstoffen die internationaal erg gegeerd waren 4
economische activiteit waarbij land wordt gebruikt om granen en groenten te kweken 1, 2, 4, 6
landvoogd persoon die een gebied bestuurt in naam van de officiële vorst, synoniem voor regent 4
Begrip
levensbeschouwing / levensbeschouwelijke organisatie
lutheranisme
Betekenis
Hoofdstuk
wijze waarop mensen met eenzelfde geloof of met dezelfde visie op het leven zich organiseren 3
strekking binnen het christendom die gebaseerd is op de ideeën van Johannes Calvijn 3
macht de mogelijkheid hebben om je invloed op mensen of gebeurtenissen te gebruiken
1, DP, 2, 3, 4, 5, 6
manuscript XXX 3
Mare Clausum
Mare Liberum
Gesloten Zee (Latijn) 2
Open Zee (Latijn) 2 mensbeeld
kijk op of kennis van de mens in een bepaalde historische periode
mercantilisme
DP, 3
economische theorie waarbij de rijkdom van een staat vergroot wordt door actieve overheidsregulering 2, DE
metropool grote stad met haar omgeving, ook gebruikt in de Griekse betekenis 'moederstad' 2, 4
middeleeuwse warme periode
migratie
minderheid
tijdelijke wereldwijde klimaatverandering (ca. 800 – 1000) die zorgde voor een droger en warmer klimaat in Europa 1
verplaatsing van groepen mensen van de ene naar de andere plaats 4
sociale groep die zich door een eigen cultuur en/of religie onderscheidt en slechts een beperkt deel van een bevolking uitmaakt 5
miniatuur XXX 3
monarchie
staatsvorm waarbij de vorst door erfopvolging wordt aangeduid DP, 5, 6 mondialisering
proces waarbij steeds meer mensen op aarde steeds meer contacten hebben met elkaar DP, 2
monopolie marktvorm waarbij er slechts één aanbieder is 2, DE multiculturele samenleving
samenleving in een bepaald gebied van mensen met verschillende culturele achtergronden (zoals taal, tradities en levensbeschouwing) 4
natuurwetten
wetmatigheden die voorkomen bij verschijnselen in de natuur en die door waarnemingen en experimenten worden vastgelegd en geformuleerd 3
Begrip
neobarok
neoclassicisme
onderwijs
Betekenis
Hoofdstuk
periode van hernieuwde interesse in de barok (19e en 20e eeuw) DC
periode van hernieuwde interesse in de klassieke schilderen bouwkunst (18e en 19e eeuw) DC
overdracht van kennis, vaardigheden en attitudes, vaak binnen een school, met als doel de ontwikkeling van individuen 3
onderzoeksmethodemanier waarop je een (wetenschappelijk) onderzoek voert3
oorlog
gewapend conflict DP, 2, 4, 5 opstand
overheidsregulering
overzeese territoria
pandemie
parlement
politieke revoluties
politieke wetenschappen
precolumbiaans
verzet tegen het gezag 4
De overheid beheerst de markt door het uitvaardigen van gebods- en verbodsregels. 2, 5
ver weg gelegen veroverde gebieden, doorgaans te bereiken via scheepvaart 1, 2, 5
epidemie van een besmettelijke ziekte op wereldwijde schaal 1
volksvertegenwoordiging, een vergadering van afgevaardigden die wetten maakt en de regering controleert 5, 6
plotselinge opstand van het volk die tot een blijvende politieke verandering leidt 5, 6
menswetenschap die onderzoek doet naar politieke stelsels, instellingen en opvattingen 3
adjectief dat gebruikt wordt om de cultuur van Amerika voor Columbus en de Spaanse kolonisatie te omschrijven 2 privilege voorrecht of recht dat niet elke burger geniet 4 propaganda eenzijdige communicatie of informatie gericht op het overtuigen van een groep mensen 3, 4, 5
protectionisme beleid waarbij de overheid van een bepaald gebied de handel of productie in dat gebied beschermt tegen buitenlandse concurrentie 2, DE
protestantisme religieuze stroming binnen het christendom, ontstaan tijdens de reformatie van de 16e eeuw, die brak met de Rooms-Katholieke Kerk en de Bijbel als belangrijkste bron van het geloof beschouwde
3, DC, 4, 5
Begrip
racisme
rationalisme
rechtbank
Betekenis
Hoofdstuk
opvatting dat er verschillende mensenrassen bestaan. Meestal houdt die opvatting ook in dat het ene ras superieur is aan het andere. 2, 5
filosofische stroming waarin de rede als middel tot kennis en waarheid centraal staat 5
instelling waar rechters schuld en straf bepalen bij een misdrijf en geschillen oplossen 4, DS
rechtspraak beoordelen en eventueel bestraffen van wetsovertredingen 2, 5
rechtstaat
staat waarin de burgers dankzij de grondwet en de wetten van het land beschermd worden tegen mogelijke willekeur van de machtshebbers 5
reconquista de verovering van het Iberisch Schiereiland door Spaanse vorsten (8e - 15e eeuw) 2
reformatie
christelijke beweging van kritische denkers in de 16e eeuw die verlangden naar een herbronning van het geloof en een hervorming binnen de Katholieke Kerk 3, 4
religie godsdienst 3, 5
religieuze hervorming
diepgaande herbronning op het vlak van het geloof, de geloofsbeleving, de religieuze tradities en organisatie 3 renaissance
artistieke stroming in de 15e en 16e eeuw die zich inspireerde op de klassieke kunst en de mens centraal stelde 3, DC
repressie onderdrukking 4 republiek
staatsvorm waarbij het staatshoofd niet door erfopvolging, zoals in een monarchie, maar via verkiezing of benoeming wordt aangewezen
1, DP, 2, 4, DS, 6 sacrament
christelijk ritueel toegediend door de Kerk op belangrijke momenten van het leven van een christen waarbij de mens de genade van God kan ontvangen en meer spirituele kracht krijgt. Er zijn zeven sacramenten: het doopsel, het vormsel, de eucharistie, de biecht, het huwelijk, de ziekenzalving en de priesterwijding.
3 scheiding der machten opsplitsen van de politieke macht in uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht 5, 6 schisma scheuring, bijvoorbeeld binnen een religieuze gemeenschap3 scriptorium XXX 3
Begrip
seminarie
slavernij
sodomie
Betekenis
Hoofdstuk
(religieuze) instelling die gericht is op scholing of (religieuze) ontwikkeling 3
sociale ongelijkheid waarbij mensen het bezit zijn van andere mensen 2, 5
term die verwijst naar seks die buiten de traditionele normen valt. Omdat die normen vaak veranderen, verandert de betekenis van sodomie ook.
DS spintoestel
toestel waarmee losse vezels van materialen als wol, vlas en katoen tot een draad worden gedraaid of gesponnen 6
staatsgodsdienst officiële religie van een land 5 staatskerk
officiële religie van een land of gebied en de bijbehorende religieuze structuren 3
staatsvorm
manier waarop de staat ingericht is en geleid wordt, bv. monarchie, republiek, democratie 5
staatsvorming proces waarbij een bestuur over een afgebakend grondgebied en zijn inwoners vorm krijgt DP stand laag van de bevolking waarin je door geboorte terechtkomt4, DS, 5, 6 standenvergadering bijeenkomst waarbij afgevaardigden van de verschillende standen overleggen met elkaar om de vorst advies te geven 4
Staten-Generaal
(late middeleeuwen) standenvergadering of voorloper van het moderne parlement, in bijvoorbeeld Frankrijk en het Bourgondische rijk 2, 4, 5, 6
statussymbool voorwerp of gebruik dat wijst op iemands sociale statusDP, 3 stoommachine machine die onder druk van stoom mechanische arbeid levert 6
subcultuur groep mensen met interesse, gebruiken of tradities die afwijken van een grotere groep of cultuur DS subsidiëren ondersteunen van een activiteit met overheidsgeld 2, DE technologie toepassing van de wetenschappen in een techniek 2, 4, 6 territorium grondgebied, bv. een gebied waarover bestuurd wordt1, DP, 4 tolerantie verdraagzaamheid 5
traditie gewoonte die van generatie op generatie wordt doorgegeven DP, 2, 3, 4
Begrip
uitvoer
vazal
verdeel- en heersstrategie
verkiezingen
verlichting
verlichtingsidealen
Betekenis
Hoofdstuk
handelswaar naar het buitenland brengen (meestal om te verkopen) 5
vertrouweling van een heer. De vazal kreeg een ambt of een grond van een heer in ruil voor zijn trouw en diensten. 5
manier van besturen waarbij je groepen in een land tegen elkaar opzet 5
methode waarbij kiesgerechtigden stemmen op kandidaten om bestuursorganen zoals bv. het parlement samen te stellen 5
filosofische stroming in Europa in de 18e eeuw, waarin het gebruik van de rede en het geloof in het individu centraal stonden DE, 5, 6
verzameling ideeën over vrijheid en gelijkheid die ontstonden tijdens de verlichting 5
vertegenwoordiging afvaardiging, bv. van burgers in een parlement 3, 5, 6
Vlaamse Primitieven
volkssoevereiniteit
voorrecht
vraag
groep schilders uit de 15e en 16e eeuw in de Lage Landen die beroemd werd door het gebruik van olieverf, detail en vernieuwende onderwerpen DC
principe waarbij het hoogste politieke gezag bij het volk ligt, het basisprincipe van een democratie 5
(ook: privilege) recht waarvan slechts een beperkte groep kan genieten zoals bv. het recht op grondbezit 6
(economie) hoeveelheid producten en diensten die mensen willen kopen. Soms is de vraag naar producten of diensten groter of kleiner dan het aanbod. 2, DE, 3
vrede afwezigheid van gewapende conflicten 4
vrije markt
systeem waarbij handelaars concurreren zonder veel overheidsregels DE, 5
vrijheid toestand waarin mensen in de samenleving niet onderworpen of afhankelijk zijn
vrijheids- en gelijkheidsbeginsel
DE, 3, DS, 5, 6
principe dat iedere burger gelijke rechten en een gelijke behandeling toekent en waarbij men vrij is te doen en laten wat men wil, zolang men anderen geen schade berokkent 5, 6
wereldbeeld manier waarop mensen de wereld en de samenleving om zich heen verklaren
DP, 2, 3, DC, 4
Begrip
wetenschappelijke methode
wetenschappelijke tekstkritiek
wetenschappen
wij-zij-denken
Betekenis
voeren van onderzoek en experimenteren om tot begrip te komen 5
wetenschappelijke studie van teksten waarbij verschillende versies nauwkeurig met elkaar vergeleken worden 3
geheel van kennis over mens, samenleving, natuur, wereld en heelal waarop men kan voortbouwen om nieuwe kennis te ontwikkelen
1, DP, 2, 3, DC, 5, 6
denken in groepen en tegenstellingen, zwart-witdenken over groepen in de samenleving 2
Tijd
anachronismepersoon of zaak die niet in een bepaald tijdvak thuishoort
chronologie ordening in de tijd eeuw periode van 100 jaar historische periodetijdvak. We verdelen het verleden in zeven tijdvakken met een verschillende duur.
jaar periode waarin een planeet rond haar ster draait. De aarde heeft 365 dagen, 6 uren, 9 minuten en 10 seconden nodig om rond de zon te draaien.
millennium periode van 1 000 jaar periode afbakening in de tijd
symbolische datum datum of jaartal dat verwijst naar een verandering die eigenlijk langer duurde, verwijst naar één belangrijke gebeurtenis in een langere keten van gebeurtenissen
tijdrekening manier om te situeren in de tijd. We gebruiken meestal de tijdrekening
Verandering
breuk plotse verandering continuïteit periode waarin iets voortduurt (niet verandert)
evolutie periode van geleidelijke verandering gelijktijdig wanneer twee zaken zich op hetzelfde moment voordoen ongelijktijdigwanneer twee zaken zich op verschillende momenten voordoen revolutie periode van plotse en/of grote verandering scharniermoment moment van grote maatschappelijke verandering, overgang tussen twee periodes verandering wijziging, het anders worden
Verband
doel
reden waarom iets gedaan, gezegd of geschreven wordt factor bijdrage tot een gebeurtenis of fenomeen menselijke factorbijdrage van individuele mensen tot een gebeurtenis of fenomeen
structurele factor bijdrage van groepen, afspraken, normen en instituties tot een gebeurtenis of fenomeen
gevolg resultaat van feiten en/of gebeurtenissen
(on)bedoeld gevolg(niet) gepland resultaat van feiten en/of gebeurtenissen
(on)beoogd effect (niet) gepland resultaat van een handeling oorzaak reden waarom iets gebeurt
incidentele oorzaak oorzaak die op korte termijn verklaart waarom iets gebeurt. Het gevolg ervan is direct.
structurele oorzaak oorzaak die op lange termijn verklaart waarom iets gebeurt. Het gevolg ervan is indirect.
toeval gebeurtenis waarvoor geen oorzaak te vinden is
Bewijs
aanwijzing bron die we kunnen gebruiken om iets te bewijzen argument motief of reden waarmee je iets aantoont
argumentatieredenering waarbij je met behulp van een aantal argumenten iets aantoont bewijs datgene waarmee iets met zekerheid aangetoond wordt drogredeneringargumenten en/of redeneringen die niet juist zijn, maar wel juist lijken feit iets waarvan de waarheid vaststaat hypothese veronderstelling, mogelijk antwoord op een onderzoeksvraag dat (nog) niet (helemaal) bewezen is interpretatie proces van het zoeken van betekenis en verklaring mening overtuiging of opvatting representativiteitmate waarin een bron typisch is voor een bepaalde groep of samenleving veralgemeningsamenvatten van aparte gevallen onder één algemene noemer vooroordeel mening waarvoor geen bewijs is geleverd, bv. op basis van traditie of intuïtie
stereotypering beschrijving van een groep of individu op basis van een overdreven of onterechte veralgemening
Ruimte
centrum
voornaamste gebied, plaats waar macht van uitgaat continent grote landmassa die (bijna) niet met andere landmassa’s is verbonden (bv. Europa, Afrika …)
Europees uit Europa
West-Europees uit regio in Europa waartoe de huidige Benelux, Frankrijk en Duitsland horen continentaal van het vasteland lokaal plaatselijk, van beperkte geografische schaal of invloed maritiem behorend tot de zee periferie randgebied, plaats die afhankelijk is van een centrum platteland landelijk gebied met beperkte bevolkingsdichtheid ruraal behorend tot het platteland regio streek
regionaal op een grotere schaal dan lokaal ruimte regio of continent
gesloten ruimte geïsoleerde regio of geïsoleerd continent, zonder of met minimaal contact met andere regio’s
open ruimte regio of continent dat in contact staat met andere regio’s stad grotere plaats waar mensen wonen stedelijk behorend tot de stad
(niet-)westers
wel of niet behorend tot het Westen. Dit is een verwijzing naar de cultuur, politiek en economie van West-Europese samenlevingen en bij uitbreiding van andere regio’s die die gebruiken hebben overgenomen.
Standplaatsgebondenheid
analogie overeenkomst
beeldvorming
Wanneer we het verleden bestuderen vormen we ons een beeld van het verleden. Dat beeld is niet noodzakelijk een correct beeld. Daarom moeten we kritische vragen stellen aan historische bronnen en werken. contextualiseringhet analyseren van kennis (over het verleden) vanuit verschillende perspectieven geschiedenis wetenschap die probeert een beeld te vormen van het verleden door de studie van historische bronnen perspectief gezichtspunt
verleden dat wat voorbij is
Hoe zoek ik informatie op het internet?
Stap 1: Ik bepaal welke zoekstrategie ik moet toepassen.
✓ Ik kies een geschikte zoekmachine (bv. Google, website bib, databank …).
✓ Ik brainstorm over de geschikte zoektermen.
Stap 2: Ik voer mijn zoekstrategie uit.
✓ Ik voer de zoektermen in de zoekmachine in en noteer of kopieer tussentijds de resultaten.
✓ Ik gebruik synoniemen voor mijn zoektermen als ze onvoldoende resultaat opleveren.
Stap 3: Ik beoordeel of de informatie geschikt is voor mijn onderzoek.
✓ Is de informatie voldoende actueel? Of is ze (te) verouderd?
✓ Helpt de informatie om mijn onderzoeksvraag te beantwoorden?
✓ Heeft de schrijver of maker voldoende autoriteit? Weet hij er veel over?
✓ Is de informatie nauwkeurig, volledig en betrouwbaar?
Stap 4: Ik herhaal stap 1 tot en met 3 zolang ik onvoldoende of ongeschikte informatie vind.
Hoe gebruik ik de hulp van AI om een historische vraag te onderzoeken?
Stap 1: Ik bepaal welke zoekstrategie ik moet toepassen.
✓ Ik kies een geschikte AI-tool (bv. Bard, ChatGPT …).
✓ Ik brainstorm over een geschikte vraag.
✓ Ik brainstorm over parameters die de vraag meer sturing geven (bv. hoeveel woorden, wat voor soort schrijfstijl, welk leespubliek …).
Stap 2: Ik voer mijn vraagstrategie uit.
✓ Ik stel mijn vraag in de chatrobot en noteer of kopieer tussentijds de resultaten.
✓ Ik filter daarbij wat nuttig is en wat niet nuttig is.
✓ Ik stel een vervolgvraag om het antwoord verder te verfijnen (bv. een antwoord dat meer wetenschappelijk of geschiedkundig onderbouwd is, gebruikmaken van een bepaalde bron …).
Stap 3: Ik beoordeel of de informatie geschikt is voor mijn onderzoek.
✓ Is de informatie voldoende actueel? Of is ze (te) verouderd?
✓ Helpt de informatie om mijn onderzoeksvraag te beantwoorden?
✓ Is de informatie nauwkeurig, volledig en betrouwbaar?
Stap 4: Ik herhaal stap 1 tot en met 3 zolang ik onvoldoende of ongeschikte informatie vind.
Kunst en cultuur
Welke stappen volg ik bij het redeneren met en over kunst- en cultuuruitingen?
↑ Bekijk de stappen.