STORIA HD classic 4

Doorstroomfinaliteit domeingebonden Dubbele finaliteit
![]()

Doorstroomfinaliteit domeingebonden Dubbele finaliteit
Kristel Bekers
Gorik Goris
Senne Hendrickx
Kris Merckx
Wim Moreau
Jacky Philips
Bert Struyve
Luc Van den Broeck
Jos van Dooren
o.l.v. Katleen Dillen
Via www.ididdit.be heb je toegang tot het onlineleerplatform bij Storia HD 4
Heb je nog geen account?
Ga naar myvanin.be en registreer je.
Registreer je via een Smartschool-account? Koppel dan je e-mailadres aan je account.
Heb je je account aangemaakt?
Meld je aan op myvanin.be
Activeer onderstaande code.
Klik op het geactiveerde leermiddel om ermee aan de slag te gaan op iDiddit . Lukt het niet om de code te activeren? Neem dan contact op met onze klantendienst.
Doorstroomfinaliteit domeingebonden
Dubbele finaliteit
Help, de activatiecode hierboven is al gebruikt!
LET OP:
DEZE CODE IS UNIEK, EENMALIG TE ACTIVEREN EN GELDIG VOOR EEN PERIODE VAN 12 MAANDEN NA ACTIVATIE
!Krijg je bij het activeren van de bovenstaande code de melding dat de activatiecode reeds in gebruik is? Dan ben je wellicht niet de eerste leerling die met dit leerboek aan de slag gaat. Op http://vanin.be/leerboeklicentie kun je terugvinden welke stappen je kunt ondernemen of hoe je een nieuwe licentie kunt aankopen.
Tip: Normaal gezien mag je niet schrijven in een leerboek. Per uitzondering mag jij na activatie de bovenstaande activatiecode doorstrepen.
Dit leermiddel is onderdeel van de lesmethode Storia HD van Uitgeverij VAN IN. Het is ontwikkeld met de intentie dat iedere leerling zich herkent en thuis voelt in beeld en tekst. Heb je op- of aanmerkingen, dan kun je contact opnemen met Uitgeverij VAN IN.
Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën.
Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken.
In België beschermt de auteurswet de rechten van die mensen. Wanneer u van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneemt u hun dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers u beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen.
Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be.
Ook voor het digitale lesmateriaal gelden deze voorwaarden. De licentie die toegang verleent tot dat materiaal is persoonlijk. Bij vermoeden van misbruik kan die gedeactiveerd worden. Meer informatie over de gebruiksvoorwaarden leest u op www.ididdit.be.
© Uitgeverij VAN IN, Wommelgem, 2026 . Alle rechten voorbehouden. Tekst- en datamining (TDM) niet toegestaan.
De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden.
Cover- en lay-outconcept: Peer bvba
Coverbeeld: Koningin Elizabeth I, door George Gower, 1588
Opmaak: Zyncke
Eerste druk 2026
ISBN 978-94-651-4374-3
D/2026/0078/35
Art. 611668/01
NUR 130
Tekeningen: Katrien Davans
Cartoons: Steven Degryse (Lectrr)
Cartografie: Van Dijk Vormgeving & Kartografie, Van Oort redactie en kartografie, Almere, Rerink kartografie & Vormgeving, Eindhoven
Onderzo ek 1: de vroegmoderne tijd 9
Ontdekplaat – Welkom in de vroegmoderne tijd
Les 2 Even je geheugen opfrissen 12
B De vroegmoderne tijd breekt aan 16
Les 3 De b oekdrukkunst en het humanisme 17
Ontdekplaat – De boekdrukkunst
Les 4 De renaissance 21
Onderzo ek 2: Leonardo da Vinci
Ontdekplaat – De school van Athene 27
Les 5 De lange reformatie 32
Ontdekplaat – Het ware en het valse geloof
Ontdekplaat – Het laatste oordeel
Les 6 De barok 39
Onderzo ek 3: kunst, een Vlaams exportproduct 43
Ontdekplaat – Jan van Eyck, portret van Arnolfini en zijn vrouw
Les 7 De West-Europese ontdekkingen 50
Ontdekplaat – Nova Zembla
Les 8 De Mexica en de conquistadores 57
Ontdekplaat – Inca’s
Les 9 Slavernij in de vroegmoderne tijd 64
Les 10 Handel en handelstechnieken 72
Ontdekplaat – Venetië
Onderzo ek 4: sociale hulp in de middeleeuwen en de vroegmoderne
Les 11 Karel V en het Habsburgse Rijk
Ontdekplaat – Karel V
Les 12 Eenheid en scheiding van de Nederlanden
Onderzo ek 5: terreur en tolerantie in de Nederlanden
Les 13 Absolutisme en parlementaire
14 Verlichte denkers
Les 15 Revoluties op basis van verlichte ideeën
Onderzo ek 6: de Franse Revolutie, een symbool
Les 16 Hedendaagse demo cratie in België
– Democratie
Storia HD Classic Ddg - D/A bestaat uit een leerboek en digitaal materiaal dat je op iDiddit terugvindt.
Dit overzicht geeft je inzicht in welke onderdelen je waar kunt vinden.
Storia HD Classic Ddg - D/A bestaat uit 7 thema’s. Een thema start met een themapagina en eindigt meestal met een overzicht. Een thema kan uit meerdere lessen en/of onderzoeken bestaan.
Een onderzoek vertrekt van enkele historische vragen en een reeks bronnen met opdrachten. Een les bevat ook lesteksten en is steeds op dezelfde manier opgebouwd:
1 Inleiding met historische vragen
2 Lestekst
3 KENNEN en KUNNEN
4 Bronnen met opdrachten
Op iDiddit vind je alle informatie uit je boek. Dat wil zeggen dat alle teksten, bronnen en opdrachten op papier ook een digitale vertaalslag kregen. Je kunt dus kiezen hoe je met Storia HD aan de slag wilt gaan.
VERDER OEFENEN vind je uitsluitend online.
Op iDiddit vind je ook:
• het schema van elke les;
• adaptieve oefeningen;
• het e -book;
• extra bronnen;
• kennisclips historisch denken;
• ontdekplaten en hun takenbladen.
Wie wil, kan op iDiddit eigen notities bijhouden.
Een les of onderzoek start altijd met een krachtige INLEIDING.
In het blauw staan telkens de historische vragen of probleemstellingen opgelijst waarrond deze les of dit onderzoek is opgebouwd.
• De icoontjes links van de inleidende tekst geven aan welke domeinen in de les aan bod komen. Meer info vind je op blz. 14.
• Het kaartje vertelt over welk gebied de les gaat.
• De tijdlijn situeer t de les in de tijd.
Ondertitels leiden de verschillende delen van de les in. In de LESTEKST krijgen moeilijke woorden een ander kleurtje. Ze worden verklaard in de woordenlijst vanaf blz. 132.
Bij sommige lessen hoort een ONTDEKPLAAT. Die vind je alleen op iDiddit. Je ontdekt en verkent aan de hand van een interactieve afbeelding een historisch fenomeen. De bijbehorende opdrachten kun je digitaal maken.

Bij de BRONNEN vind je bijna altijd opdrachten. De contextinformatie die je steeds onder de bron terugvindt, helpt je om de bron te begrijpen.


Nadat je de les hebt geleerd, moet je deze zaken KENNEN en KUNNEN. De begrippen die je moet kennen, staan altijd bovenaan.
KENNEN KUNNEN 1
OEFENEN vind je:
• extra bronnen en opdrachten;
• adaptieve oefeningen: ze helpen je om bepaalde kennis en historische vaardigheden op jouw niveau in te oefenen.
Bij elke les vind je op iDiddit een schema dat je makkelijk kunt bewerken. Het vormt de ideale start voor jouw samenvatting. De woordenlijst vind je achteraan in het boek op papier. Op iDiddit kun je de betekenis van een begrip handig raadplegen bij ‘Extra materiaal’.

1
| Op verkenning in Storia HD Classic 3
Je vindt de inhoud van dit leerboek op blz. 3. Kijk eens hoeveel lessen er gepland zijn. In hoeveel groepen of onderdelen kun je ze onderverdelen? Elk onderdeel heeft een titel. Als je die leest, weet je welke onderwerpen je dit schooljaar bestudeert.
Bijna elke les in Storia HD heeft dezelfde structuur, zowel in je leerboek als op iDiddit. Het overzicht op de vorige bladzijden maakt dat duidelijk.
2 | Geschiedenis studeren: in de klas en thuis
Welkom in de geschiedenislessen van het derde jaar van het secundair onderwijs. Je ontdekte in de vorige schooljaren al dat geschiedenis veel meer is dan feiten en datums uit het hoofd leren.
Geschiedenis is niet zo moeilijk, als je de lessen op de juiste manier aanpakt. Luister daarom naar de raadgevingen van je leraar. Goed opletten in de klas brengt je al een hele stap vooruit. Je leraar zal je ook uitleggen hoe je de leerstof thuis kunt herhalen en instuderen.
In de klas
Als je aandachtig luistert en actief meewerkt in de klas, zul je thuis gemakkelijker de leerstof kunnen instuderen. In de klas doe je het volgende:
- onthoud de titel van de les;
- let op de onder titels: ze vatten de hoofdlijnen van de les samen;
- het is b elangrijk dat je alles begrijpt: woorden of onderdelen die je niet begrijpt, kun je immers moeilijk onthouden;
- probeer te antwoorden op vragen die je leraar stelt;
- b estudeer de bronnen en de opdrachten aandachtig;
- zorg ervoor dat je notities ordelijk, volledig en foutloos zijn.
Thuis
Voorbereiden
Neem wat je nodig hebt om je les in te studeren: je agenda, je leerboek, notities, een te verbeteren test ... Studeer op een rustige en ordelijke plaats, zodat je geconcentreerd kunt werken.
Verkennen
Bestudeer eerst de opbouw van de les. Lees de inleiding en bekijk het kaartje, de maatschappelijke domeinen en de tijdlijn. Daarna noteer je de titels en de ondertitels. Zo ken je de hoofdlijnen al.
Lezen en begrijpen
Neem de hele les grondig door en controleer of je alles echt begrijpt. De teksten en de bronnen brengen het verhaal van de les. Om het verhaal te begrijpen, moet je ook alle woorden begrijpen. Bij het vak geschiedenis horen heel wat specifieke begrippen. We onderscheiden historische begrippen en structuurbegrippen. Die structuurbegrippen gaan over het vak geschiedenis. Je vindt ze in het oranje in de woordenlijst. Maak per les een woordenlijst met de begrippen die je moet kennen. De uitleg kun je meestal kopiëren uit de woordenlijst of uit de les. Bekijk vervolgens het schema . Dat vind je bij het onlinelesmateriaal op iDiddit. Het schema bevat de hoofdzaken en de kernwoorden. Probeer nu aan de hand van het schema de inhoud van de les op te zeggen. Als je op die manier de les verkent, wordt er heel wat informatie in je geheugen opgeslagen. Je zult dus heel wat tijd besparen bij het instuderen.
Oefenen
Tijdens de geschiedenislessen leer je ook historische vaardigheden . Je leert hoe je historische informatie ontdekt, onderzoekt en structureert. Je zult bijvoorbeeld leren om informatie te halen uit bronnen, tijdlijnen en kaarten. Je leert ook om kritisch om te gaan met je bronnen. Vaardigheden
verwerf je door te oefenen. Maak de opdrachten opnieuw en kijk na of je antwoorden juist zijn. De vaardigheden zijn minstens even belangrijk als de inhoud van de les.
Studeren
Studeer de definities van de begrippen die je moet kennen. Leer het schema uit het hoofd en overloop nog eens alle opdrachten. Let daarbij extra op de titels, zodat je inzicht hebt in de opbouw van de les. Bij een toets of examen is het echter niet voldoende om enkel de informatie van je schema op te schrijven.
Controleren
Controleer of je het schema zelf opnieuw kunt samenstellen. Vergelijk met het schema dat je bij het onlinelesmateriaal op iDiddit kunt vinden. Ga na of je elk woord en elk verband tussen de woorden in het schema kunt uitleggen. Raadpleeg de lijst KENNEN en KUNNEN. KENNEN geeft weer wat je van de leerstof moet onthouden en uitleggen. KUNNEN somt op welke vaardigheden in de les aan bod zijn gekomen. De lijst is een prima controlemiddel om na te gaan of je de leerstof beheerst. Op iDiddit vind je interactieve opdrachten om KENNEN en KUNNEN verder in te oefenen.
| Historisch denken
Je leert in het vak geschiedenis niet alleen verhalen over het verleden, maar ook hoe die verhalen ontstaan. Je krijgt dus inzicht in het verleden én in de wetenschappelijke methode die geschiedkundigen gebruiken om over het verleden te vertellen: je leert historisch denken We geven je hier een overzicht van de vijf onderdelen van historisch denken. Dat hoef je niet uit het hoofd te leren.
Overloop de krachtlijnen van historisch denken en bespreek klassikaal wat ze betekenen.
Krachtlijn 1 Historische vragen stellen
Historisch denken start met een historische vraag. In het begin van elke les formuleren we de vragen die we tijdens die les zullen onderzoeken. Je vindt ze in het blauw in de inleiding. Alle vragen die je stelt over het verleden, over de relatie heden-verleden en over geschiedenis, zijn historische vragen.
Krachtlijn 2 Een geordend beeld van het verleden opbouwen
Geschiedkundigen ordenen stukjes geschiedenis in de tijd, de ruimte en het maatschappelijk domein (zie les 4). Zo krijg je een beter overzicht en inzicht. Tegelijkertijd leer je historische begrippen en structuurbegrippen (zie woordenlijst) om de kenmerken van de samenlevingen die je bestudeert juist te benoemen.
Krachtlijn 3 Kritisch redeneren met en over bronnen
Onze kennis over het verleden leiden we af uit bronnen: we redeneren met bronnen. Daarom is het heel belangrijk om goede bronnen uit te kiezen. Je leert controleren of een bron bruikbaar en betrouwbaar is: dat is redeneren over bronnen.
Krachtlijn 4 Tot historische beeldvorming komen
Het antwoord op een historische vraag is een samenhangende historische redenering.
Typische historische redeneerwijzen zijn: aanleiding – oorzaak – gevolg – toeval , evolutie – revolutie , gelijktijdigheid – ongelijktijdigheid en continuïteit – verandering . Zo vormen we ons een beeld van het verleden.
Krachtlijn 5 Reflecteren over de relatie verleden, heden en toekomst Iedereen kijkt met zijn ogen naar het heden en het verleden: vanuit het eigen perspectief . Dat heet dan standplaatsgebondenheid . We weten niet alles over het verleden en mythes kunnen ons beeld van het verleden vervormen.
Vorig schooljaar heb je de middeleeuwen bestudeerd. Dit schooljaar staat de vroegmoderne tijd op het programma. Je weet al dat je in het vak geschiedenis niet alleen verhalen over het verleden leert, maar ook hoe die verhalen ontstaan. Je krijgt dus inzicht in het verleden én in de wetenschappelijke methode die geschiedkundigen gebruiken om over het verleden te vertellen: je leert historisch denken . In dit eerste onderdeel maak je kennis met de vroegmoderne tijd en frissen we de historische vaardigheden nog eens op.

Je weet al dat je in het vak geschiedenis niet alleen verhalen over het verleden leert, maar ook hoe die verhalen ontstaan. Je krijgt dus inzicht in het verleden én in de wetenschappelijke methode die geschiedkundigen gebruiken om over het verleden te vertellen. Je leert historisch denken. We geven je hier een overzicht van de vijf onderdelen van historisch denken. Dat hoef je niet uit het hoofd te leren.
Overloop de krachtlijnen van historisch denken en bespreek klassikaal wat ze betekenen.
Krachtlijn 1: Historische vragen stellen. Historisch denken start met een historische vraag. In het begin van elke les formuleren we de vragen die we tijdens die les zullen onderzoeken. Je vindt ze in het groen in de inleiding. Alle vragen die je stelt over het verleden, over de relatie heden-verleden, over de manier waarop kennis over het verleden tot stand komt en over het beeld dat we van het verleden hebben, zijn historische vragen.
Krachtlijn 2: Een geordend beeld van het verleden opbouwen. Geschiedkundigen ordenen stukjes geschiedenis in de tijd, de ruimte en het maatschappelijk domein (zie les 3). Zo krijg je een beter overzicht en inzicht. Tegelijkertijd leer je historische begrippen en structuurbegrippen (zie woordenlijst) om de kenmerken van de samenlevingen die je bestudeert, juist te benoemen.
Krachtlijn 3: Kritisch redeneren met en over bronnen. Onze kennis over het verleden leiden we af uit bronnen: we redeneren met bronnen. Daarom is het heel belangrijk om goede bronnen uit te kiezen. Je leert controleren of een bron bruikbaar, betrouwbaar en representatief is: dat is redeneren over bronnen.
Krachtlijn 4: Tot historische beeldvorming komen. Het antwoord op een historische vraag is een samenhangende historische redenering. Typische historische redeneringen zijn: aanleiding- oorzaak- gevolgtoeval, evolutie -revolutie, gelijktijdigheid- ongelijktijdigheid en continuïteit-verandering. Zo vormen we ons een beeld van het verleden.
Krachtlijn 5: Reflecteren over de relatie verleden, heden en toekomst. Iedereen kijkt met zijn ogen naar het heden en het verleden: vanuit het eigen perspectief. Dat heet dan standplaatsgebondenheid. We weten bovendien niet alles over het verleden. Je leert ook nadenken over het gebruik van geschiedenis in de samenleving. Het gedeelde beeld van het verleden dat leeft binnen een samenleving of een groep mensen noemen we collectieve herinnering.
Dit schooljaar staan de gebeurtenissen en ontwikkelingen tussen ca. 1450 en 1750 centraal. Lange tijd wordt die periode beschouwd als een keerpunt in de Europese geschiedenis, als een bijna totale breuk met de vorige periode en dus als een nieuw begin. Maar de vroegmoderne tijd is lang niet zo ‘nieuw’ als men vroeger weleens liet uitschijnen. Toch hebben zich in die periode een aantal invloedrijke gebeurtenissen en evoluties voorgedaan. Welke belangrijke veranderingen doen zich voor in de vroegmoderne tijd?
OPDRACHTEN
1 O nderzoek aan de hand van de volgende bronnen en vragen waarom de vroegmoderne tijd in de Europese geschiedenis als een keerpunt beschouwd kan worden.
2 G ebruik alle bronnen om de historische vraag van deze les te beantwoorden. Welke belangrijke veranderingen doen zich voor in de vroegmoderne tijd?
BRON 1 Religieuze groepen in West-Europa, BRON 2 Religieuze groepen in West-Europa, ca. 1517 ca. 1600
a Welke belangrijke of opmerkelijke evolutie doet zich tijdens de 16e eeuw voor op godsdienstig vlak?
b No em twee landen of gebieden die rond 1600 niet meer katholiek zijn.

Deze kaart (op perkament, 2,4 x 2,4 m) is gemaakt door de Venetiaanse monnik Fra Mauro (ca. 1400-1464) in opdracht van de Portugese koning. Het was op dat moment een van de best gedocumenteerde en meest nauwkeurige voorstellingen van de wereld in Europa. Voor het maken van de kaart heeft Fra Mauro verschillende Europese en Arabische bronnen gebruikt. De originele kaart is verloren gegaan, maar een kopie uit diezelfde tijd is bewaard gebleven. Die wordt bewaard in het Museo Correr in Venetië.
a Wat is er opmerkelijk aan de oriëntatie van de kaart uit 1459 (in vergelijking met onze huidige wereldkaarten)?
b Beno em de continenten die op de kaart (bron 3) onder nummer 1, 2 en 3 staan afgebeeld.
c Wat is buiten de oriëntatie het meest opmerkelijke verschil met de kaart uit 1570 (bron 4)?
d Probeer een verklaring te geven voor dat verschil.
e Ho e blijkt uit de manier waarop de wereld op de kaart uit 1570 wordt voorgesteld, dat de maker ervan een Europeaan was?
f Waarom is het werk van Ortelius zo belangrijk?

Deze kaart komt uit het werk ‘Theatre, oft Toonneel des aerdt-bodems, (…)’ van Abraham Ortelius (1527-1598), een cartograaf uit de Nederlanden. In 1570 publiceert hij de eerste versie van dit werk in het Latijn. Al snel volgen er vertalingen, ook in het Nederlands.
Voor dit werk heeft Ortelius talrijke kaarten, ook van anderen, gebundeld, maar hij heeft ze wel allemaal hertekend op dezelfde grootte en geografisch geordend. In die zin kan zijn werk als de eerste ‘moderne atlas’ beschouwd worden. De versie waaruit deze kaart komt, is tot stand gekomen tussen 1571 en 1584 en wordt tegenwoordig bewaard in de Koninklijke Bibliotheek van Nederland in Den Haag. 1 3 2
BRON 5 Klassieke voorstelling van de kosmos

BRON 6 Copernicaanse voorstelling van de kosmos

a Wat is volgens bron 5 het centrum van het universum?
b En volgens bron 6?
Uit: Andreas Cellarius, Harmonia macrocosmica (…), 1661 Andreas Cellarius (ca. 1595-1665) is een Duitse kosmograaf. Over zijn leven is niet zoveel geweten. Hij is vooral bekend geworden met zijn hemelatlas, en dan vooral vanwege de prachtige afbeeldingen die erin staan. In die atlas vergelijkt hij onder andere de verschillende modellen voor de kosmos die er op dat moment bestaan. De afbeelding van bron 3A is het ‘klassieke’ model, dat in die tijd door de Kerk nog altijd als het juiste model wordt voorgesteld. Bron 3B is gebaseerd op een model ontwikkeld door de Poolse astronoom Nikolaas Copernicus (1473-1543). Die voorstelling, die ook steeds meer wordt verfijnd, krijgt in de loop van de vroegmoderne tijd steeds meer aanhang – vooral omdat er steeds meer bewijs voor wordt gevonden. De Kerk zal zich lang tegen dat copernicaanse model verzetten.
c Wat is een mogelijke reden waarom Cellarius naast het copernicaanse model nog andere modellen in zijn werk heeft afgebeeld?
1 informatie uit bronnen afleiden 2 bronnen vergelijken
1
De vorige schooljaren leerde je al heel wat over het geschiedkundige onderzoek. Je weet dat een geschiedkundige zich baseert op bronnen om historische vragen te beantwoorden en een beeld te krijgen van het verleden. In deze les frissen we de historische vaardigheden op. Wat zijn historische vragen? Hoe ordenen we het verleden in het historische referentiekader? Welke beperkingen hebben bronnen? Waarom is de geschiedenis niet hetzelfde als het verleden? Welke historische redeneerwijzen ken je al?
Historisch denken begint met het stellen van historische vragen
Geschiedkundigen stellen en beantwoorden historische vragen Die vragen gaan over het verleden, over de relatie tussen het heden en het verleden en over geschiedenis. Historische vragen horen bij het vak geschiedenis. De kennisclip over de historische vraag vind je online.
2
Het historische referentiekader
BRON 1-2-3-4-5 Om je weg te vinden in al die eeuwen geschiedenis, komt het erop aan dat verleden te ordenen in het referentiekader . Dat betekent situeren in de tijd , de ruimte en het maatschappelijk domein Op de volgende bladzijde kun je nog eens nalezen wat de verschillende domeinen betekenen.
3
Redeneren over bronnen
Bronnen zijn de basis van onze historische kennis. We maken een onderscheid tussen ‘ primaire ’ en ‘ secundaire ’ bronnen.
Om een antwoord te vinden op een historische vraag zoeken en selecteren we bronnen . Je weet al uit vorige schooljaren dat je daarmee voorzichtig moet omspringen. Bronnen hebben immers altijd bepaalde beperkingen . Die beperkingen zijn afhankelijk van de historische vraag die je stelt en kunnen te maken hebben met de bruikbaarheid en/of de betrouwbaarheid van de bron.
De betrouwbaarheid van een bron kun je beoordelen aan de hand van drie elementen: de standplaatsgeb ondenheid van de auteur, het doelpubliek en de functie of bedoeling van de bron. In de loop van het schooljaar zullen we dat regelmatig inoefenen.
Je moet er ook rekening mee houden dat de historische bronnen die in de lessen worden gebruikt, dikwijls zijn bewerkt . Dat betekent dat ze niet gelijk zijn aan de originele bron. Bronnen worden ingekort of vertaald, er wordt een titel toegevoegd ...
Die ingrepen kunnen de betekenis van de bron beïnvloeden. De kennisclips over bronnen beoordelen en standplaatsgebondenheid vind je online.
Geschiedenis is een beeld van het verleden
Geschiedenis is een reconstructie van het verleden. Over sommige periodes uit ons verleden weten we slechts weinig door het gebrek aan bronnen . Als er een nieuwe bron ontdekt wordt, kan onze kennis over het verleden veranderen. Dat gebeurt ook als de geschiedkundigen een bron anders gaan interpreteren . Dat wil dan zeggen dat ze om de een
of andere reden anders gaan denken over de informatie die ze uit een bepaalde bron halen. Het is dus belangrijk om zo veel mogelijk bronnen te gebruiken en te vergelijken om een nauwkeurig beeld te krijgen van het verleden.
Om feiten met elkaar in verband te brengen of om informatie te structureren gebruiken geschiedkundigen typische historische redeneerwijzen De kennisclip over historische redeneerwijzen vind je online
Domein
Politiek
Sociaal
Economisch
Cultureel
Omschrijving
Dit domein gaat over machthebbers zoals koningen en het grondgebied waarover ze heersen. Het gaat ook over machtsverhoudingen en over rechten en plichten.
Dit domein gaat over de verschillende groepen mensen in de samenleving. Die indeling kan gebeuren op veel manieren: volgens rijkdom, politieke macht, godsdienst ...
Dit domein gaat over wat mensen doen om te (over-)leven. Economische activiteiten zorgen voor voedsel, kleding, onderdak ... of voor een inkomen om dat aan te schaffen. We doen aan landbouw , handel , nijverheid
Dit domein gaat over kunst, godsdienst, wetenschap, techniek, onderwijs ... Ook onze dagelijkse gewoonten zoals eten, drinken, mode en ontspanning behoren tot dit domein.
1 de b egrippen ‘breuk’, ‘chronologie’, ‘lokaal’, ‘regionaal’, ‘globaal’, ‘mondiaal’, ‘stedelijke en rurale ruimte’, ‘continentale en maritieme ruimte’, ‘domein’, ‘politiek’, ‘sociaal’, ‘cultureel’ en ‘economisch’ uitleggen
2 de b egrippen ‘primaire bron’, ‘secundaire bron’, ‘tijdvak’ en ‘reconstructie’ uitleggen
3 de zeven tijden met begin- en eindjaar opnoemen
4 de geb eurtenissen waarnaar de scharnierdata 1450 en 1750 verwijzen, opnoemen
5 de vier verschillende maatschappelijke domeinen opnoemen en uitleggen
6 drie b eperkingen van bronnen opnoemen
7 de drie elementen waarvan de betrouwbaarheid van een bron afhankelijk is, opnoemen
8 het verschil tussen de geschiedenis en het verleden uitleggen
9 de b egrippen ‘open en gesloten ruimte’ en ‘centrum en periferie’ uitleggen
1 een historische vraag herkennen
2 een historische vraag in het referentiekader situeren
3 uitleggen waarom we niet altijd de indeling in zeven tijdvakken gebruiken
4 de historische redeneerwijzen benoemen
BRON 1 Het Verdrag van Verdun
Noordzee
WEST-FRANCIË
Karel de Kale
OOST-FRANCIË
Lodewijk de Duitser
MIDDEN-FRANCIË
Keizer Lotharius
grenzen Karolingische Rijk in 840 verdrag van Verdun (843)
Kerkelijke Staat invallen Vikingen invallen Hongaren invallen islamieten
Hoe wordt het Karolingische Rijk in 843 verdeeld?
BRON 3 Ramses II
BRON 2 De kerncentrale van Doel

De kerncentrale van Doel ligt in de haven van Antwerpen. Ze is gebouwd tussen 1969 en 1988.
Wanneer werd de kerncentrale van Doel gebouwd?
Het beeld maakt deel uit van de tempel van Aboe Simbel.

Welke kenmerken heeft de Egyptische kunst?
BRON 4 Keizer Augustus, 1e eeuw n.C.

Hoe maakt keizer Augustus zichzelf populair bij de gewone bevolking?
BRON 5 Jan Valckenburgh, opperkoopman van de WIC (ca. 1660)

De West-Indische Compagnie handelde aan de Afrikaanse Goudkust in goud en slaven. Op de achtergrond is Elmina, het grootste Europese fort aan de goudkust, te zien.
Wat zijn de belangrijkste activiteiten van de WIC?
1 Lees de historische vraag bij elke bron en situeer ze in het referentiekader. (Dikwijls passen meerdere domeinen. Eén juist antwoord is hier voldoende.) De kennisclip over het referentiekader vind je online.
2 Zijn deze vragen historische vragen?
1 Mo eten we de standbeelden van Leopold II uit het straatbeeld verwijderen?
2 Welke gevolgen heeft de opwarming van het klimaat?
3 Ho e evolueren de handelstechnieken in de vroegmoderne tijd?
4 Hebb en mannen en vrouwen gelijke rechten?
5 Geeft deze bron betrouwbare antwoorden op de historische vraag?
6 Klopt het b eeld dat de middeleeuwen een duistere periode is?
3 a Bekijk de tijdlijn op blz. 12 . Dat is de meest gebruikte indeling van de geschiedenis in West-Europa. De jaren waarin we de tijden laten eindigen of beginnen, zijn scharnierdata.
1 Wanneer begint en eindigt de vroegmoderne tijd? Naar welke ‘symbolische’ gebeurtenissen of ‘breukmomenten’ verwijzen deze jaartallen?
2 Ho e noemen we de wetenschap die zich bezighoudt met het rangschikken in de tijd van historische gebeurtenissen? TIP De naam is een samenstelling van de Griekse woorden voor tijd en wetenschap.
3 Welk woord is daarvan afgeleid?
b Ga eens kijken naar de tijdlijn op blz. 57
1 Waarom wordt daar een andere tijdlijn gebruikt?
2 Welke tijdrekening wordt in deze tijdlijn gebruikt? Verklaar.
4 Historische geb eurtenissen kun je vanuit verschillende invalshoeken bekijken. Weet je nog wat deze begrippen betekenen? Bespreek klassikaal. lokaal - regionaal - nationaal - continentaal - globaal - mondiaal - stedelijke ruimte - rurale ruimte - continentale ruimtemaritieme ruimte - open en gesloten ruimte - centrum - periferie
De kennisclip over ruimte vind je online.
a Wat wordt er bedoeld met bruikbaarheid en betrouwbaarheid van bronnen?
b Wat bedoelen we met representativiteit van bronnen? Leg uit met een voorbeeld.
Je hebt in het onderzoek al gelezen dat de vroegmoderne tijd niet zó nieuw is. Op veel vlakken zijn er weinig verschillen met de middeleeuwen en veranderingen gebeuren langzaam. Maar op cultureel vlak is de vernieuwing toch meer uitgesproken. De opvattingen van de intellectuelen over cultuur en wetenschap veranderen en door de uitvinding van de boekdrukkunst gaat de verspreiding van kennis en ideeën plots veel sneller.

BRON 1 Schrijfzaal in een middeleeuws klooster
BRON 2 Drukkerij in het Plantin Moretusmuseum


Links de letterkasten en rechts de drukpersen

1
Tijdens de vroegmoderne tijd wijzigen de opvattingen van de intellectuelen over cultuur en wetenschap. Wij noemen die intellectuelen humanisten . Welke rol speelt de boekdrukkunst in de verspreiding van de ideeën van de humanisten? Wat is het humanisme? Wie is Erasmus? Welke invloed heeft het humanisme op de wetenschap?

HUMANISME
De boekdrukkunst zorgt voor een kennisrevolutie
boekdrukkunst
BRON 1-2 Wij maken in onze tijd een kennis revolutie mee. We worden overspoeld door informatie, onder andere dankzij het internet. In de 15e eeuw gebeurt er iets gelijkaardigs. De uitvinding van de boekdrukkunst versnelt de verspreiding van kennis en ideeën.
Tijdens de middeleeuwen kopiëren vooral monniken teksten. Dat neemt veel tijd in beslag, waardoor er van vele teksten slechts enkele exemplaren bestaan.
Halverwege de 15e eeuw geeft de Duitse goudsmid Gutenberg (ca. 1397-1468) zijn eerste gedrukte boek uit. Hij maakt daarbij gebruik van losse metalen letters, die hij in een vorm plaatst en met inkt bestrijkt. De letters kunnen daarna opnieuw gebruikt worden.
2Het humanisme kijkt zowel naar het verleden als naar de toekomst
BRON 3 Het humanisme is een beweging van geleerden die in de 14e eeuw in Italië ontstaat en die zich in de 15e en 16e eeuw in heel Europa verspreidt.
Humanisten bestuderen de klassieke oudheid . Het bestuderen van Griekse en Romeinse auteurs gebeurt al sinds de 12e eeuw, maar humanisten gaan verder. Zij proberen zich een volledig en correct beeld te vormen van de klassieke oudheid . Daarom sporen zij oude manuscripten van klassieke auteurs op. Zij vergelijken de verschillende middeleeuwse versies van
één oorspronkelijke, verloren tekst met elkaar om zo de fouten te ontdekken en daarna die tekst in zijn oorspronkelijke vorm te herstellen. Dankzij de boekdrukkunst publiceren humanisten kritische tekstuitgaven van klassieke auteurs.
Humanisten ontwikkelen een persoonlijke visie op mens en maatschappij . Ze willen wantoestanden aanpakken en zij gebruiken teksten en citaten van klassieke auteurs om hun standpunten te verdedigen.
wil de maatschappij veranderen
BRON 4-6 Desiderius Erasmus van Rotterdam (ca. 1466-1536) is een belangrijke humanist uit de Nederlanden . In 1487 doet hij zijn intrede in het klooster. Later grijpt hij de kans om theologie te studeren in Parijs. Al snel bouwt hij een reputatie op als schrijver. Zo verzorgt hij een kritische uitgave van het Nieuwe Testament . Een van zijn meest verkochte boeken is de ‘Adagia’, een boek met duizenden spreekwoorden en citaten uit de klassieke oudheid. Erasmus voegt bij de citaten een verklaring. In Leuven is Erasmus vanaf 1517 betrokken bij de oprichting van het Collegium Trilingue, het Drietalencollege. Daar studeren studenten Grieks, Latijn en Hebreeuws, de talen van de Bijbel en van de klassieke oudheid.
Erasmus pleit voor vrede en verdraagzaamheid
Hij schrikt er niet voor terug om kritiek te leveren op machtsmisbruik en schijnheiligheid, bijvoorbeeld in
de Kerk. De kritische Erasmus wil ook hervormingen in de katholieke Kerk, maar van binnenuit.
In de 16e en 17e eeuw boekt de wetenschap snel vooruitgang
BRON 5-7 De kritische ingesteldheid van de humanisten beïnvloedt ook de vooruitgang van de
1 de b egrippen ‘humanisme’ en ‘gezagsargument’ verklaren
2 drie voordelen van de boekdrukkunst opsommen
3 vier kenmerken van het humanisme geven en uitleggen
4 de invlo ed van het humanisme en de boekdrukkunst op de wetenschap uitleggen
BRON 1 Handschrift op perkament

L’Abécédaire de Claude de France, 1505
De hertogin van Bretagne bestelt dit voor haar oudste dochter Claude bij de Italiaanse kunstenaar Claudio Mazzoni.
wetenschap in de 16e en de 17e eeuw. De meeste wetenschappers zijn niet meer tevreden met het herhalen van gezagsargumenten wanneer ze fouten ontdekken in de wetenschappelijke werken van klassieke auteurs. Ze willen zelf het bronnenmateriaal bestuderen en zich baseren op eigen onderzoek en waarneming. De boekdrukkunst versnelt de vooruitgang in de wetenschap.
1 de inhoud van bronnen analyseren
2 kenmerken van het humanisme herkennen in bronnen
3 verklaren waarom er bijna geen vrouwelijke humanisten bekend zijn
4 Een historische vraag formuleren
2 Boekdruk op papier

Erhard Ratdolt, Psalterium puerorum, 1486 of vroeger
Ratdolt combineert drukken met losse letters en houtsnedes.
a Welke soort bronnen zijn dit als je meer wilt weten over de boekdrukkunst?
b Ho e kun je zien dat deze boeken voor (rijke) kinderen bedoeld zijn?
c Welke gelijkenissen zijn er nog in de boekdruk in vergelijking met het handschrift?
d Geef drie voordelen van boekdrukken in vergelijking met handschriften.
BRON 3 Brief van Laura Cereta
Waar kwam alle grote wijsheid van Tritons dochter Pallas vandaan, die haar in staat stelde zoveel Atheners in de kunsten op te leiden, als het niet was dat ze erin slaagde de mysteries van de geschriften van Apollo, de arts, te ontrafelen tot grote vreugde van iedereen?
Die kleine Griekse vrouwen Phyliasia en Lasthenia waren prachtige bronnen van licht in de wereld van de letteren. Ze vulden me met nieuw leven omdat ze de studenten van Plato belachelijk maakten, die vaak in de knoop raakten over hun argumenten vol verzinsels en met valstrikken. (…)
De hele geschiedenis staat vol met zulke voorbeelden. Mijn punt is dat je niet in staat bent om toe te geven dat de natuur één vrijheid verleent aan alle mensen om – in gelijke mate – te leren.
Uit: Laura Cereta, Brief aan Bibolo Semproni, 1488, in 1640 gepubliceerd
Laura Cereta (1469-1499) uit Brescia krijgt basisonderwijs in een klooster en wordt door haar vader, een humanist, verder onderwezen. Dat een meisje in die tijd zo goed onderwezen wordt, is een uitzondering. In deze brief in het Latijn reageert de schijfster op de (waarschijnlijk verzonnen) man Bibilus die weigert toe te geven dat vrouwen intellectueel kunnen zijn en vindt dat ze geen onderwijs moeten krijgen.
De figuren Apollo, Phyliasia en Lasthenia komen uit de Griekse mythologie en literatuur.
a Uit welke periode komen de bronnen die Laura Cereta zelf heeft gebruikt?
b Geef twee kenmerken van het humanisme die je in deze brief vindt.
c Welke mening verdedigt Laura Cereta?
d Waarom is het werk van Laura Cereta uitzonderlijk?
e Formuleer twee historische vragen die deze bron bij je oproepen. Bespreek klassikaal.
Hans Holbein de Jonge, olieverf op hout, 73 x 51 cm, 1523


Portret van Andreas Vesalius in zijn boek ‘De humani corporis fabrica’, 1543
Er zijn gierige mensen die aarzelen om een goede leraar in dienst te nemen. Bij hen ontvangt de stalknecht meer loon dan de man die hun zoon vormt. Intussen wordt wel veel geld uitgegeven aan grootse feesten. Dag en nacht speelt men het verderfelijke dobbelspel en er gaat veel geld naar jachtpartijen en narren. Alleen daar waar ze een reden zouden kunnen vinden om geld uit te geven, zijn ze gierig. Waren er maar niet zoveel mensen die meer aan weerzinwekkende meiden uitgeven dan aan de opvoeding van hun zoon.
Wanneer men iemand vraagt of hij de dood van zijn zoon zou aanvaarden wanneer hij er honderd paarden voor in de plaats krijgt, dan zal deze, denk ik, tenzij hij helemaal in de war is, antwoorden: zeker niet. Maar waarom zijn paarden dan belangrijker en waarom besteedt men er meer aandacht aan dan aan de eigen zoon? Waarom geeft men meer uit aan een nar dan aan de leraar? Bij andere dingen mag er reden zijn om zuinig te zijn, hier is zuinigheid niet verstandig, maar waanzin.
Uit: Over de opvoeding van kinderen (Libellus novus et elegans D. Erasmi Roterodami de pueris statim ac liberaliter instituendis, 1529)
a Waaraan verspillen gierige mensen soms veel geld volgens Erasmus?
b Waaraan spenderen ze te weinig geld?
c Ben je het eens met de mening van Erasmus?
d Welk kenmerk van het humanisme herken je in deze bron?
BRON 7 Vesalius over de onderkaak van de mens
Bij de meeste dieren bestaat de kaak, aan het uiteinde van de kin, uit twee beenderen, die onderling door een verbinding verenigd zijn waar de kaak scherp eindigt. Bij de mens echter is het been uit één enkel stuk gemaakt en het ziet er aan het uiteinde van de kin breed uit en niet scherp zoals bij de andere dieren. (…) Trouwens wanneer ik vooral op het Cimetière des Innocents van Parijs, maar ook elders, zeer veel onderkaken (…) heb bekeken, heb ik er nooit één aangetroffen die in twee delen verdeeld was. Bij honden echter, runderen en ezels valt de kaak, ook zonder koken, dikwijls uiteen daar zij zwak aaneengehecht is. (…) Galenus en de meeste anderen na Hippocrates die ervaring hadden in de ontleedkunde, beweerden dat de kaak niet uit één been bestaat, maar na koken loskomt aan de uiterste punt van de kin, en dat dit een duidelijke aanwijzing is dat zij samengesteld is.
Andreas Vesalius, De Humanis Corporis Fabrica, boek 1, uitgebracht in het Latijn in 1543, Bazel
Andreas Vesalius of Andreas Van Wesele (1514-1564) bestudeert in zijn medische opleiding de werken van de Romeinse arts Galenus. Galenus haalde zijn kennis vaak uit de ontleding van dieren. Het ontleden van mensen was niet toegestaan. Vesalius ontleedt mensen, meestal veroordeelde misdadigers, en merkt dat er fouten in het werk van klassieke auteurs zitten. Dat hij Galenus in twijfel trekt, is voor die tijd heel vernieuwend. Het werk van Vesalius wordt gedrukt en verspreid en zorgt voor een revolutie in de medische wetenschap.
a Ho e is de onderkaak van de mens volgens Galenus opgebouwd?
b Ho e is de onderkaak van de mens volgens Vesalius opgebouwd?
c Vesalius haalt zijn waarnemingen uit een ‘cimetière’ in Parijs. Welke soort plek is dat?
d Bewijs met dit fragment dat Vesalius het gezag van Galenus kritisch bekijkt.
e Welk ander kenmerk van het humanisme herken je in deze bron?
f Waarom boekt de wetenschap in de 16e en 17e eeuw snel vooruitgang?
Mode is veranderlijk. Ook kunststijlen evolueren met de tijd. Vorig jaar leerde je hoe in de middeleeuwen de romaanse stijl overgaat in de gotiek. Met torens en andere verticale elementen moeten de gotische kathedralen de aandacht richten naar God en de hemel. Vanaf de 14e eeuw beginnen verschillende kunstenaars een andere kijk op schoonheid te krijgen. Welke visie hebben die renaissancekunstenaars? Wat zijn de kenmerken van de bouwkunst? Wat zijn de typische elementen van de beeldende kunsten?
RENAISSANCE
BRON 1-2-3-4-5-6 Rome is een van de meest bezochte toeristische steden. De meeste toeristen willen de indrukwekkende overblijfselen van het antieke Rome bewonderen. Een soortgelijke fascinatie voelen een aantal Italiaanse kunstenaars in de 14e en 15e eeuw. Ze leven in de tijd van het humanisme: schrijvers en intellectuelen bestuderen en bewonderen klassieke teksten (zie les 3).
De kunstenaars worden daardoor beïnvloed en willen de kunst van de klassieke oudheid doen herleven. Ze noemen hun project de renaissance : een wedergeboorte van de klassieke kunst
De zelfbewuste renaissancekunstenaars kijken neer op de kunst van de middeleeuwen. Vanuit hun visie op kunst noemen ze die kunst zelfs barbaars. Zij bedenken ook de naam ‘middeleeuwen’. Vandaag benadrukken we naast de veranderingen ook de continuïteit. Naast een grotere aandacht voor de mens en zijn emoties, blijven bijvoorbeeld middeleeuwse religieuze thema’s belangrijk. Zo is de renaissancekunst het resultaat van een evolutie in de middeleeuwen. Italië en de Nederlanden zijn in de 15e en 16e eeuw belangrijke centra van de renaissance.
BRON 5-6-7-8 In het eerste deel van de les zag je al dat de bouwkunst heel wat elementen uit de klassieke kunst overneemt , zoals zuilen, friezen, frontons en rondbogen. De gebouwen zijn symmetrisch en evenwichtig , volgens meetkundige verhoudingen, opgebouwd. De horizontale lijnen overheersen.
3
De beeldende kunsten: beeldhouw- en schilderkunst
BRON 9-10-11-12-13-14-15 De beeldende kunsten verheerlijken de mens . De schilders en beeldhouwers hebben, net als in de klassieke oudheid, een voorkeur voor mooie, naakte mensenlichamen. De kunstenaars gaan op een wetenschappelijke manier te werk. Ze willen dat hun kunstwerken er levensecht uitzien. Ze doen hun uiterste best om de mens anatomisch juist voor te stellen, met juiste verhoudingen en herkenbare emoties. Het resultaat is mooier dan in werkelijkheid: de kunstwerken zijn geïdealiseerd
In de beeldhouwkunst kiezen de kunstenaars voor de contrapos t houding. In de schilderkunst maakt men
de schilderijen realistischer door het gebruik van allerlei technieken om diepte weer te geven, zoals bijvoorbeeld het lijnperspectief. Schilders hebben een voorkeur voor een symmetrische en/of geometrische opbouw.
Het landschap en het portret ontstaan als apart thema. In middeleeuwse schilderijen wordt de mens afgebeeld als figurant of als opdrachtgever op de zijpanelen. In de renaissance laten (rijke) mensen zich vereeuwigen op schilderijen waarop zij het enige onderwerp zijn.
Lees punt 1 van de lestekst.
1 Waarom bedenken de renaissancekunstenaars de naam ‘middeleeuwen’, denk je?
2 Bij renaissance is er ook continuïteit ten opzichte van de middeleeuwse kunst. Bewijs.
1 de b egrippen ‘continuïteit’, ‘evolutie’, ‘revolutie’ en ‘verandering’ uitleggen
2 de b egrippen ‘contrapost’, ‘dynamisch’, ‘natuurgetrouw’, ‘statisch’, ‘geïdealiseerd’ en ‘realistisch’ uitleggen
3 de renaissancekunst vergelijken met kunst uit vroegere periodes: klassieke oudheid en middeleeuwen
4 uitleggen waarom de renaissance in Italië ontstaat
5 de b elangrijkste centra van de renaissancekunst opnoemen
6 aantonen dat de renaissancekunst ook het resultaat is van interculturele contacten
7 het ontstaan en het ho ogtepunt van de renaissance situeren in de historische context en in de tijd
8 vier kenmerken van de bouwkunst geven en uitleggen
9 vier kenmerken van de beeldhouwkunst geven en uitleggen
10 vier kenmerken van de schilderkunst geven en uitleggen
11 twee nieuwe genres in de schilderkunst opnoemen


1 kunstwerken nauwkeurig observeren en beschrijven
2 typische kenmerken van de renaissance aanduiden op een kunstwerk
3 een kunstwerk herkennen als renaissancekunst
4 argumenteren waarom een kunstwerk tot de renaissance behoort
5 de historische redeneerwijzen ‘oorzaak’, ‘gevolg’, ‘continuïteit’, ‘evolutie’, ‘revolutie’ en ‘gelijktijdigheid’ benoemen
6 de historische redeneerwijzen ‘perspectief’, ‘historische inleving’, ‘bedoelde handeling’ en ‘bewijs’ benoemen


Bekijk de afbeeldingen bij bron 1 tot en met 4. Welke kunststijlen herken je? Kies uit: Grieks – Romeins – romaans – gotisch.

Pantheon, Romeinse tempel, Rome
In haar huidige vorm dateert de constructie uit het begin van de 2e eeuw.
a Beno em de cijfers in bron 5 en 6.
b Trek op bron 5 en 6 een denkbeeldige lijn vanaf de bovenste punt van het fronton naar beneden. Vergelijk beide helften. Wat zie je?
c Vergelijk beide gebouwen. Wat besluit je over de voorgevel van de Santa Maria Novella?
d Bewijs met concrete elementen dat dit geen slaafse navolging is, maar dat er ook creatief gedacht is.

a Beno em de cijfers in bron 7 en 8.
Santa Maria Novellabasiliek, Firenze, Italië
De voorgevel is uitgevoerd in wit en donkergroen marmer. Het onderste gedeelte dateert grotendeels uit het midden van de 14e eeuw. Het centrale portaal en de hogere delen zijn vooral het werk van Leon Battista Alberti uit 1460/1470. Achter die façade schuilt een middeleeuwse, gotische kerk.

b Het Tempietto wordt weleens het toppunt van de renaissancebouwkunst genoemd. Alle stijlkenmerken zijn overduidelijk in de verf gezet. Argumenteer met concrete verwijzingen naar bron 7 en 8.

BRON 9 Christus van Michelangelo

Christus aan het kruis (uitsnede), ca. 1493, beschilderd hout, 139 x 135 cm Michelangelo Buonarotti (1475-1564) maakt dit beeld uit dankbaarheid voor de overste van het klooster van Santo Spirito in Firenze. Tot 1492 woont de kunstenaar in het stadspaleis van zijn sponsor Lorenzo de Medici. Wanneer die sterft, verleent het klooster hem onderdak. De overste geeft Michelangelo ook de toestemming om lichamen te ontleden van patiënten die in het hospitaal van het klooster overleden zijn. In 1999 onderzoeken artsen het beeld en vergelijken het met het lichaam van een pas overleden veertienjarige jongen. De anatomische gelijkenissen zijn treffend.
a Welke leeftijd heeft Michelangelo wanneer hij het beeld maakt?
b Bewijs dat Michelangelo op een wetenschappelijke manier te werk gaat.
c Ho e ervaar jij de manier waarop Christus is voorgesteld? Let ook op de gelaatsuitdrukking. Kies uit: eerder dynamisch –heldhaftig – kwetsbaar – eerder statisch – lijdend – uitdrukkingsloos.



Michelangelo Buonarotti (1475-1564) is een van de grootste Italiaanse renaissancekunstenaars: schilder, beeldhouwer én architect.
a Wat maakt dit beeld levensecht?
b Waarom is het toch niet realistisch? Leg uit.
c Bewijs met twee kenmerken dat dit beeld is geïnspireerd op werken uit de klassieke oudheid.

Leonardo da Vinci, Mona Lisa (waarschijnlijk tussen 1503-1507), olieverf op hout, Museum Louvre, Parijs Door de bijzondere schildertechniek, maar zeker ook vanwege de geheimzinnige glimlach is dit het beroemdste portret ter wereld.

a Welke kenmerken herken je in deze portretten? Kies uit: aders – anatomisch juist – geïdealiseerd – halfreliëf – houterig – karakter – onbewogen – natuurgetrouw –persoonlijkheid – uitdrukkingsloos – weinig emotie.
b Bron 12 is het resultaat van interculturele contacten. Bewijs.
c Ho e creëren de kunstenaars diepte in hun schilderij? Kies uit: duidelijk afgelijnde figuren – landschap op de achtergrond – opeenstapeling van figuren –schaduwen.
Pierro della Francesca, Portret van Federico da Montefeltro (ca. 1465), olieverf op hout, 47 x 66 cm, Galleria degli Uffizi, Firenze Federico da Montefeltro is hertog van Urbino. In een toernooi heeft hij een houw op zijn neus gekregen en verloor hij zijn rechteroog. Aan zijn hof leven en werken ook kunstenaars uit de Nederlanden. Zij schilderen met trager drogende olieverf en kunnen daardoor meer details schilderen. Dit is het eerste schilderij waarbij Pierro della Francesca die techniek volledig overneemt.

Dirk Bouts, Portret van een man (1462), olie en tempera op hout, 31,6 x 20,5 cm, National Gallery, Londen

Joachim Patinir, Landschap met de vlucht naar Egypte (1516-1517), olieverf op hout, 17 x 21 cm, KMSKA, Antwerpen
a Vergelijk de twee schilderijen. Welke plaats nemen het landschap en de personages in?
b Welke evolutie zie je?
BRON 15 De sleuteloverdracht van Petrus

Pietro Perugino, De sleuteloverdracht van Petrus, 1481-1482, fresco , 335 x 550 cm, Sixtijnse Kapel, Vaticaanstad Pietro Perugino schildert het moment waarop Jezus de sleutels van de kerk aan de apostel Petrus geeft. Hij beeldt zichzelf ook af als vijfde persoon rechts op de voorgrond. De voegen tussen de tegels zijn de vluchtlijnen van het lijnperspectief. Die lijnen creëren diepte in het fresco. De vluchtlijnen komen samen in het zogenaamde vluchtpunt
a Volg de voegen en trek de lijnen denkbeeldig verder door tot ze ergens in een punt samenkomen. Waar bevindt zich het vluchtpunt?
b Geef nog twee andere elementen die een driedimensionaal effect creëren.
c Welke twee zaken bevinden zich op de symmetrieas? Waarom?
d Bekijk de volledige groep personen op de voorgrond. Binnen welke geometrische figuur bevinden ze zich?
e Zo ek nog drie andere typische kenmerken van de renaissancekunst op dit fresco.
f De renaissancekunstenaar is zelfbewust. Bewijs.
OPDRACHTEN
1 Welke historische redeneerwijzen zijn op volgende stellingen van toepassing? Soms kun je twee begrippen combineren bij één uitspraak. Kies uit: continuïteit – verandering – evolutie – revolutie – oorzaak – gevolg – toeval –gelijktijdigheid – ongelijktijdigheid
- Vanaf het einde van de middeleeuwen wordt de beeldende kunst steeds meer natuurgetrouw.
- Ook in de renaissancekunst blijven religieuze thema’s belangrijk.
- Italië en de Nederlanden zijn in de 15e en 16e eeuw b elangrijke centra van de renaissance.
- Een grotere wetenschappelijke kennis van de anatomie stelt kunstenaars in staat het menselijk lichaam correct weer te geven.
- Brunelleschi slaagt erin om in Firenze een koepel met een doorsnede van 45,5 m te bouwen, een geniale prestatie die sinds de Romeinse tijd niet meer vertoond is.
- In de middeleeuwen zijn de kunstenaars anonieme ambachtslui.
- De landschapp en nemen steeds meer plaats in op het schilderij.
2 Welke historische redeneerwijzen zijn op volgende stellingen van toepassing? Kies uit: perspectief – historische inleving – bedoelde handeling – onbedoelde handeling – bewijs
- In 1999 onderzo eken artsen het kruisbeeld en vergelijken het met het lichaam van een pas overleden veertienjarige jongen. De anatomische gelijkenissen zijn tre ff end.
- De renaissancekunstenaars vinden de middeleeuwse kunst barbaars.
- Michelangelo ontleedt lijken om zijn kennis van het menselijk lichaam te vergroten.
- Wij moeten begrijpen dat godsdienst en geloof in de vroegmoderne tijd heel belangrijk zijn.
Velen beschouwen Leonardo da Vinci als een van de grootste ingenieurs en kunstenaars van de vroegmoderne tijd. Ze beschrijven hem vaak als een genie dat zijn tijd op technisch vlak honderden jaren vooruit was. Hij bedenkt vliegtuigen, tanks, duikpakken en zelfs een heuse robot. Wie is Leonardo da Vinci? Wat maakt hem zo bijzonder? Is hij echt zo uniek in zijn tijd?
VROEGMODERNE TIJD
LEONARDO DA VINCI
1 Bekijk de bronnen op de volgende bladzijden aandachtig en los de opdrachten op.
a Situeer Leonardo da Vinci in het referentiekader.
b No em vier zaken die aantonen dat Leonardo heel veelzijdig is.
c Welk begrip gebruiken we voor de kunstenaars-ingenieurs van de renaissance ?
d Welke kunstwerken maken Leonardo ‘onsterfelijk’?
e Welk beeld hebben Leonardo’s tijdgenoten van hem?
f Is bron 5 een betrouwbare bron over Leonardo da Vinci? Bespreek auteur, functie en doelpubliek.
g Heeft Leonardo al zijn uitvindingen helemaal zelf bedacht?
h Waar haalt Leonardo zijn technische kennis vandaan?
i No em één auteur uit de vroegmoderne tijd op wie Leonardo da Vinci zich baseert.
j No em drie auteurs uit de klassieke oudheid die Leonardo hebben geïnspireerd.
k Geef een voorbeeld van een geleerde die ook gebruikmaakte van de kennis van automaten uit de klassieke oudheid. Wanneer leefde hij en wat heeft hij onder andere gemaakt?
l De kunstenaars-ingenieurs en humanisten van de renaissance helpen elkaar. Leg uit.
m In p opulaire media wordt Leonardo da Vinci voorgesteld als een genie dat zijn tijd honderden jaren vooruit was. Klopt dat beeld? Leg kort uit.
n Welke historische redeneerwijze past het best bij de uitvindingen en tekeningen van Leonardo da Vinci? Kies uit: continuïteit – evolutie – breuk
2 Los volgende opdrachten op met behulp van bron 11 en 12.
a Wat is de boodschap van bron 11?
b Vergelijk bron 11 met bron 12. Wat kun je besluiten?
BRON 1 Zelfportret van Leonardo da Vinci

BRON 2 Leonardo da Vinci, studie van het been en de knie

Leonardo da Vinci (1452-1519) is een ingenieur en renaissancekunstenaar uit Firenze. Zijn schilderijen zoals de ‘Mona Lisa’ en ‘Het Laatste Avondmaal ’ zijn vandaag wereldberoemd. Zelf houdt hij zich liever bezig met mechanica. Hij ontwerpt allerlei machines en voorziet zijn teksten van uitgebreide technische tekeningen in perspectief . Omdat hij zo veelzijdig is, noemen we hem een uomo universale . Leonardo da Vinci heeft zijn teksten en tekeningen nooit gepubliceerd. Ze zijn terechtgekomen in allerlei verzamelingen en worden pas in de 19e eeuw herontdekt.
BRON 3 Telescopische schokdemper

Dit toestel kan gebruikt worden om een mens toe te laten van een grote hoogte naar beneden te vallen.
Leonardo da Vinci voert dissecties uit op lijken om de werking van de menselijke organen en spieren te bestuderen. Daardoor raakt hij ervan overtuigd dat het mogelijk moet zijn om organen of werkende organismen na te bouwen.
Hij was hoofdzakelijk een schilder. Hij zag zichzelf graag als ingenieur en architect, wat hij ook met veel passie deed. Maar zijn eerste job was die van theaterproducent. Daar leerde hij trucjes met perspectief, omdat het toneel in een theater dieper lijkt dan het is. Zelfs een tafel op het toneel wordt dan een beetje gekanteld zodat je ze kunt zien, wat we ook zien in ‘Het Laatste Avondmaal’. (…) Leonardo da Vinci vulde zijn notitieboeken met schetsen van uitvindingen, waaronder vliegmachines. Zijn theaterproductie leidde hem naar mechanische rekwisieten , zoals vliegmachines en een helikopterschroef. Hij ontwierp die om engelen naar beneden te brengen in sommige van de voorstellingen. Leonardo vervaagde soms de grens tussen fantasie en werkelijkheid toen hij probeerde om echte vliegmachines te maken! Dus wat hij in het theater oppikte, bracht hij zowel over naar zijn kunst als naar zijn ingenieursberoep.
Vrij vertaald uit: Een interview van National Geographic met Walter Isaacson, 2017 Walter Isaacson (1952-heden) is een Amerikaanse auteur. Hij schreef een biografie over Leonardo da Vinci. Leonardo is in zijn eigen tijd niet in de eerste plaats bekend als schilder, maar als architect en zelfs als wat wij vandaag een maker van ‘speciale effecten’ zouden noemen.
In die tijd kwam de koning van Frankrijk naar Milaan, en men vroeg Leonardo iets bijzonders te maken, waarop hij een leeuw vervaardigde die een flink aantal stappen deed, vervolgens zijn borst opende en een massa lelies liet zien.
Uit: Giorgio Vasari, De levens van de grootste schilders, beeldhouwers en architecten van Cimabue tot onze tijd, 1550 Giorgio Vasari (1511-1574) is een schilder en architect uit Firenze. Hij schrijft dit boek met biografieën van bekende kunstenaars, onder wie Leonardo da Vinci. Vasari doet geen archiefonderzoek en vooral de biografieën van middeleeuwse kunstenaars zijn gedeeltelijk gefantaseerd. Over zijn (bijna) tijdgenoten heeft hij wel jarenlang informatie verzameld.
Het algemene beeld van Leonardo da Vinci als een zelfopgeleid genie dat plotseling opduikt in Firenze tijdens de renaissance is zeer fascinerend en romantisch, maar helaas ver van de werkelijkheid. Dit populaire beeld houdt geen rekening met de buitengewoon vruchtbare omgeving van die tijd, toen veelzijdige kunstenaars en architecten op veel verschillende gebieden konden innoveren (…) een belangrijk deel van Leonardo’s werk over mechanica en machines is grotendeels afgeleid of ontwikkeld uit de studies van zijn voorgangers, die reeds de basis hadden gelegd voor een wetenschappelijke en technologische renaissance.
Uit: Plinio Innocenzi, De uitvinders achter Leonardo. De ware geschiedenis van de wetenschappelijke en technische renaissance, 2019 Plinio Innocenzi (1960-heden) is hoogleraar materiaalwetenschappen en materiaaltechnologie aan de universiteit van Sassari. Hij studeerde natuurkunde, klassieke talen en kunst. Hij heeft een grote interesse voor het verband tussen kunst en wetenschap, vandaar zijn passie voor het werk van Leonardo da Vinci.


Tekening van Leonardo da Vinci, ca. 1490
De ‘Man van Vitruvius’ is een tekening of beeltenis van de mens met de door de Romeinse militair en ingenieur Vitruvius (1e eeuw v.C.) opgestelde ideale lichaamsverhoudingen. In 1511 verschijnt een gedrukte versie van ‘De architectura’ door Vitruvius in het Latijn. De kunstenaars-ingenieurs van de renaissance voorzien de klassieke teksten van extra uitleg en technische illustraties. Op hun beurt helpen de humanisten hen bij het correct vertalen van Latijnse teksten. Vooral het boek ‘De architectura’ krijgt veel aandacht, omdat er uitgebreide beschrijvingen van ‘machines’ en bouwtechnieken uit de klassieke oudheid in staan.
Francesco di Giorgio Martini (1439-1502) is een Italiaanse kunstschilder, beeldhouwer, architect en ingenieur. Rond 1480 publiceert hij een rijkelijk geïllustreerd werk over architectuur: ‘Trattato di Architettura’. Het behandelt niet alleen ‘bouwkunst’, maar ook hoe je bepaalde machines, oorlogswapens, molens, kranen en transportmachines moet ‘bouwen’. Leonardo da Vinci heeft dit boek gelezen.
9 Reconstructie van de programmeerbare, mechanische robot van Da Vinci (1478)

Leonardo slaagt er zelfs in om de eerste ‘robot’ te bouwen die zich ‘zelfstandig’ kan bewegen. Voor de bouw van zijn
robot laat Leonardo zich inspireren door teksten van klassieke auteurs zoals Ctesibius (3e eeuw v.C.), Heron van Alexandrië (1e eeuw v.C.) en Vitruvius (1e eeuw v.C.). Daarin staan automaten die gebruikt worden in het theater, nauwkeurig beschreven.


Leonardo is niet de enige die vruchtbaar gebruikmaakt van de kennis van automaten die via vertalingen van klassieke werken doorsijpelt. Veel islamgeleerden zoals Al-Jazari (12e eeuw) doen dat al eerder. Het meest tot de verbeelding spreekt zijn boot met vier ‘robotmusici’ (twee drummers, een fluit- en een harpspeler, zie bron 9a). De drumrobot van Leonardo (bron 9b) werkt volgens hetzelfde principe.
10 Originele tekening Leonardo
Leonardo’s originele tekening voor de rollager tekende hij rond het jaar 1500 (...). Alleen al deze uitvinding stelt onze moderne beschaving in staat te functioneren. Kogellagers (of rollagers) zijn te vinden in uw PC, laptop, auto’s, vliegtuigen, elektriciteitsgeneratoren, fietsen en nog veel meer. Zonder deze uitvinding zouden de machines van de industrie tot stilstand komen, zou het wereldwijde elektriciteitssysteem worden uitgeschakeld en zou er geen water meer in onze huizen stromen. (...) Volgens opzoekingen op het internet vond Philip Vaughan het kogellager uit in het jaar 1794 – 294 jaar na Leonardo’s ontwerp.
Uit: www.da-vinci-inventions.com, eigen vertaling
12 Kogellager

Uit: Wilhelm Sandermann, Uitvindingen en ontdekkingen uit het verleden, 1991
Rollagers in een Keltische praalwagen uit Dejbjerg in Denemarken (ongeveer 100 n.C.)
1 historische bronnen analyseren en daarmee aantonen wat Leonardo al dan niet uniek maakt
2 gevraagde informatie uit aangeboden bronnen halen
3 de b etrouwbaarheid van een bron evalueren, in functie van een historische vraag
4 verschillen tussen populaire en wetenschappelijke beeldvorming over Leonardo aantonen
5 met b ehulp van bronnen historische vragen beantwoorden
6 de historische redeneerwijzen continuïteit, verandering of breuk benoemen
7 historische b eeldvorming over Leonardo beoordelen
8 bronnen vergelijken en zo de onbetrouwbaarheid van een bron aantonen
In de 15e eeuw heeft de katholieke Kerk nog altijd een grote invloed op het kerkelijke leven in West-Europa. Maar die invloed krijgt een flinke deuk in de 16e eeuw. Luther en Calvijn spelen daarbij een belangrijke rol. Sindsdien bestaan naast de katholieke en de orthodoxe
Kerken verschillende protestantse
Kerken. Hoe komt er een einde aan de overheersende plaats van de katholieke
Kerk? Wat houdt de protestantse
reformatie in? Hoe heeft de katholieke
Kerk daarop gereageerd?
PROTESTANTSE REFORMATIE
KATHOLIEKE REFORMATIE

1650 1563
95 stellingen Luther CONCILIE VAN TRENTE
BRON 4 Rond 1500 z ijn de meeste mensen in West-Europa katholiek . In de godsdienstbeleving speelt angst voor zonde , dood en hel een grote rol.
De Kerk leert dat gelovigen hun hemel kunnen verdienen door goede werken, de biecht en aflaten
Toch zijn zij heel bang om na de dood in het vagevuur terecht te komen.
Op kerkelijk vlak zijn er veel wantoestanden
De gewone man weet niet veel over het geloof.
De levenswijze van de geestelijken is vaak geen voorbeeld voor de gelovigen: ze leven onder andere het celibaat niet na en verwaarlozen de zorg voor de gelovigen. Bovendien is het gezag van de paus ondermijnd door het Westers Schisma (zie STORIA HD 3). Om de kosten voor de bouw van de nieuwe
Sint-Pieterskerk in Rome te bekostigen, verkoopt de paus aflaten
KATHOLIEKE REFORMATIE
2
De lange protestantse reformatie (16e-17e eeuw)
BRON 1-2-3-4-5-6-7 I n de 16e eeuw komt het tot een breuk binnen het christendom. Het protestantisme wordt een nieuwe belangrijke stroming. Daarbinnen zijn de lutherse Kerk en de gereformeerde Kerken ( calvinisme ) de twee hoofdrichtingen. Daarnaast ontstaat in Engeland het anglicanisme, dat een tussenpositie inneemt tussen katholicisme en protestantisme.
De monnik Maarten Luther is zoals veel mensen uit zijn tijd bezorgd over hoe hij later in de hemel kan komen. Hij ergert zich aan de aflatenhandel en in 1517 schrijft hij 95 stellingen tegen de aflaten. Luther erkent alleen de Bijbel als richtinggevend. Volgens hem kan de mens in de hemel komen door op God te vertrouwen. De paus veroordeelt in 1520 een aantal stellingen van Luther, die daarna uit de Kerk wordt gezet. Het onbedoelde gevolg van het conflict met de paus is het ontstaan van de lutherse Kerk
Toch zijn er in de late middeleeuwen en de eerste helft van de 16e eeuw veel pogingen om de Kerk van hoog tot laag te hervormen . Zo streven de humanisten (zie les 3) vanuit hun belangstelling voor de klassieke oudheid naar een vernieuwing van het christendom gebaseerd op de Bijbel. Daarnaast worden ook kloosterorden opgericht, zoals de jezuïeten in 1534.
Johannes Calvijn is na Luther de belangrijkste kerkhervormer uit de 16e eeuw. Hij wordt beïnvloed door de nieuwe lutherse leer , maar is veel radicaler Ook hij erkent alleen de Bijbel als richtinggevend voor het geloof. Hij predikt dat de redding van de mens alleen van God afhangt. God bestemt vrij wie in de hemel of de hel komt. 1517 ±1500 1545
De Engelse koning Hendrik VIII is gehuwd en wil scheiden , maar dat gaat niet in de katholieke Kerk. Hendrik ziet maar één oplossing: hij roept zichzelf in 1534 uit tot hoofd van de nieuwe anglicaanse Kerk en breekt zo met de katholieke Kerk. Nu kan hij doen wat hij wil. De koning is een tegenstander van het protestantisme, maar na zijn dood komen er protestantse invloeden in de anglicaanse Kerk.
(16e-18e eeuw)
BRON 8-9-10 Binnen de katholieke Kerk zijn er altijd al hervormingspogingen geweest, al dan niet met succes. Het Concilie van Trente (1545-1563) verandert de Kerk diepgaand. Die kerkvergadering wil de Kerk herenigen, misbruiken aanpakken en duidelijkheid scheppen over de geloofsleer. Op dat concilie erkent de katholieke Kerk dat zij mee schuldig is aan de wantoestanden in de Kerk, maar de herenigingspogingen leveren niets op. Het concilie beklemtoont naast de Bijbel ook het belang van de kerkelijke traditie . Tot die kerkelijke traditie behoren onder andere de zeven sacramenten , de aflaten, het pauselijk gezag en de heiligenverering.
Om misbruiken tegen te gaan, moeten bisschoppen voortaan een degelijke universitaire vorming hebben. Ze krijgen de verplichting om in hun bisdom te verblijven. De nieuwe priesters moeten voortaan
opgeleid worden in seminaries (school voor opleiding van priesters). Hun leven moet een voorbeeld zijn voor de gelovigen. Een belangrijke taak is het geven van onderwijs over het geloof ( catechismus , prediking) aan de gewone gelovigen . Daarnaast worden de oude kloosterorden hervormd en worden er nieuwe opgericht. De belangrijkste nieuwe religieuze orde is die van de jezuïeten. Zij richten zich vooral tot de jeugd en organiseren degelijk (godsdienst)onderwijs.
De besluiten van het Concilie van Trente worden in de decennia en eeuwen daarna in de praktijk omgezet. De uitvoering van de nieuwe regels en structuren wordt een proces van lange duur. Een grote rol is weggelegd voor de bisschoppen: zij moeten erover waken dat die besluiten ook in de praktijk worden toegepast.
wereldlijke vorsten en de reformatie
BRON 9-11 Ten aanzien van de reformatie kiezen de wereldlijke vorsten voor het principe één staat , één vorst , één geloof . Het hangt van vorst tot vorst af welke godsdienst in zijn vorstendom toegelaten is. Het Europa van de 16e-17e eeuw kent talrijke godsdienstoorlogen : het is dan nog niet doorgedrongen dat verschillende godsdiensten in respect met elkaar kunnen leven.
1 de b egrippen ‘religieuze hervorming’, ‘religieuze breuk’ en ‘traditie’ uitleggen
2 de b egrippen ‘reformatie’, ‘katholieke reformatie’, ‘celibaat’, ‘aflaat’, ‘vagevuur’ en ‘catechismus’ uitleggen
3 de situatie van de katholieke Kerk vóór de protestantse reformatie beschrijven
4 kort de ideeën van Luther en Calvijn uitleggen
5 het ontstaan van het anglicanisme verklaren
6 de houding van de vorsten ten aanzien van de godsdienst uitleggen
7 de twee sporen van het Concilie van Trente uitleggen
8 de drie do elen van het Concilie van Trente uitleggen
1 informatie uit een historische bron afleiden
2 het onb edoelde gevolg van de 95 stellingen van Luther benoemen
3 met een voorbeeld aantonen dat mythes de historische beeldvorming kunnen vervormen
4 een voorbeeld van mythevorming van historische gebeurtenissen geven
5 met een voorbeeld de invloed van standplaatsgebondenheid op historische beeldvorming aantonen
6 de b etrouwbaarheid van een historische bron beoordelen in functie van een historische vraag
7 de functie van collectieve herinnering uitleggen
8 de historische redeneerwijzen ‘structurele en incidentele oorzaken’ benoemen


Atelier van Lucas Cranach de Oude, portret van Maarten Luther (1529, uitsnede), olieverf op hout, Galleria degli Uffizi, Firenze De kunstenaar Lucas Cranach is een aanhanger en vriend van Maarten Luther. In zijn atelier worden vele kunstwerken gemaakt met als doel het lutheranisme te verspreiden.
Luther is professor aan de universiteit van Wittenberg. Op 31 oktober 1517 zou hij met een hamer eigenhandig een document met 95 stellingen over de aflaten aan de deur van de kerk van Wittenberg hebben bevestigd.
Hij doet dat uit protest tegen de verkoop van aflaten. Zo wordt het verhaal eeuwenlang tot op vandaag verteld.
De dag krijgt een grote symbolische betekenis in de protestantse wereld: 31 oktober 1517 wordt gezien als het begin van de reformatie. Tot vandaag is ‘Hervormingsdag’ een van de belangrijkste kerkelijke dagen voor de protestanten. Maar historisch onderzoek heeft intussen aangetoond dat het verhaal hoogstwaarschijnlijk niet klopt. Daarvoor zijn goede argumenten, zoals: 1. Luther heeft tijdens zijn leven nooit over die gebeurtenis gesproken; 2. Luther heeft alleen genoteerd dat hij die stellingen op 31 oktober 1517 per brief aan enkele mensen heeft gestuurd;
3. Het aanhangen van zo’n document was niet de taak van een professor, maar wel van een medewerker van de universiteit; 4. Pas dertig jaar later vermeldt een medewerker het verhaal, maar die was geen ooggetuige.
Ferdinand Pauwels, Luther nagelt de 95 stellingen aan de kerkdeur in Wittenberg (1872, uitsnede), olieverf op doek, Wartburgstichting, Eisenach
De Vlaming Ferdinand Pauwels schildert een reeks schilderijen over het leven van Luther.

19e-eeuwse deur met de 95 stellingen aan de kerk van Wittenberg
a Wat heeft Luther volgens de traditie op 31 oktober 1517 gedaan?
b Wat heeft historisch onderzoek intussen aangetoond? Wat zegt dat over bron 2?
c Wie zou het meeste moeite hebben met de nieuwe visie: katholieken of lutheranen? Argumenteer.
d Bewijs met een fragment uit de contextinformatie dat de mythe de historische beeldvorming vervormt.
e Welke functie heeft deze collectieve herinnering voor de lutheranen?
f Geef een voorbeeld van een andere herdenking waar de eigen identiteit wordt gevierd.
BRON 4 Een aflaat

BRON 5 Houtsnede
Aflaatbrief uit 1418 waarin 100 dagen aflaat wordt verleend aan de bezoekers van het klooster van de Grand-Saint-Bernardpas
a Wat is een aflaat?
TIP Raadpleeg de woordenlijst.
b Waarmee kun je een ‘volle aflaat’ vergelijken?
c Waarom kochten veel mensen in die tijd aflaten?
Geef twee argumenten.
d Zijn die o orzaken structureel of incidenteel ?

Lucas Cranach, houtsnede, 1521, British Library, Londen
De boekdrukkunst speelt een belangrijke rol bij het verspreiden van het protestantisme. De ‘Passional Christi und Antichristi’ is een vroegluthers boekje uit 1521. Het bestaat uit dertien paar houtsneden met commentaar.
De houtsneden zijn gemaakt door Lucas Cranach de Oudere en voorzien van tekst door een medewerker van Luther. Het boekje contrasteert het lijden van Christus met het leven van de paus: de antichrist.
a Wat is de bedoeling van het boekje? Kies uit:
- De tegenstelling tussen het leven van Christus en de paus in de verf zetten
- Aantonen dat de paus een go ede volgeling van Jezus is
- Beklemtonen dat het lutheranisme juist is
- Beklemtonen dat de katholieke Kerk fout is
b Vanuit welk perspectief is het boekje geschreven? Kies uit: lutheranisme – katholicisme – calvinisme – anglicanisme.
c Naar welk evangelieverhaal verwijst de afbeelding links? Kies uit:
- Jezus geselt zichzelf als b oetedoening.
- Jezus jaagt de kooplui uit de tempel.
d Ho e wordt de paus genoemd?
BRON 6 Calvijn over de predestinatie
Wij noemen de predestinatie het eeuwige raadsbesluit van God, waarin Hij bepaalde wat Hij met ieder mens zou doen. Want Hij schept hen niet allemaal in dezelfde toestand, maar voorbestemt sommigen tot het eeuwige leven en anderen tot de eeuwige verdoemenis.
Dus volgens het doel waarvoor de mens geschapen is, zeggen wij dat hij voorbestemd is tot de dood of tot het leven (...) Volgens wat de Schrift duidelijk aantoont, zeggen wij dus, dat de Heer eens in zijn eeuwige en onveranderlijke raadsbesluit heeft bepaald, wie Hij tot het heil wilde brengen en wie Hij tot het verderf wilde laten.
Uit: Johannes Calvijn, L’Institution de la religion chrétienne. De la prédestination, Genève, 1541, eigen vertaling De Fransman Johannes Calvijn (1509-1564) wordt door de Franse koning verbannen nadat hij zich afkeert van het katholicisme. Hij wijkt uit naar Zwitserland, waar hij zijn ideeën neerschrijft en in Genève in de praktijk toepast. Het boek verschijnt eerst in het Latijn en enkele jaren later in het Frans.
a Wat bedoelt Calvijn met de term ‘predestinatie’?
b Kan de mens de beslissing van God beïnvloeden?
BRON 7 Antwerpenaren luisteren naar calvinistische preken in Lillo-Fort
[Aanvankelijk] was de opkomst nog klein, maar geleidelijk groeide het aantal aanwezigen tot vijf- à zeshonderd. De opkomst varieert wel naargelang van de weersomstandigheden aangezien men per schip naar ginder trekt. Op zondagen is hun aantal zeker niet kleiner dan driehonderd. Onder hen bevinden zich ook mensen die in dienst staan van de aartshertogen of van de stad (Antwerpen), zoals: tollenaars van de rekenkamer, dekens van de ambachten en gildebroeders. Bij de Antwerpse burgers die aanwezig zijn op de ketterse preken of voor de kerk van Lillo staan, houdt men een omhaling [geldinzameling]. Met de opbrengst worden drie schippers betaald om gratis arme Antwerpenaars mee te voeren. Die armen verdienen bovendien nog zes stuivers wanneer ze naar de preek gaan. Het totale aantal schepen liep op tot dertien à vijftien. Op deze vaartuigen worden gedurende bijna de ganse tocht psalmen gezongen. Ook verspreidt men er ketterse boekjes die ter plaatse gelezen konden worden, maar die men ook mee naar huis mocht nemen om ze daar door te nemen of in Antwerpen te verspreiden. In Lillo wordt zowel in de Franse als in de Nederlandse taal gepredikt. Sommige inwoners van Antwerpen laten in Lillo hun kinderen dopen, huwen er of nemen er deel aan het calvinistisch avondmaal.
Uit: De verslagen van Joannes Miraeus aan de paus, 1609
Joannes Miraeus is bisschop van Antwerpen van 1604 tot 1611. De katholieke aartshertogen Albrecht en Isabella regeren dan over de Zuidelijke Nederlanden (zie les 12). Het kleine Fort van Lillo ligt aan de Schelde, dicht bij de Nederlandse grens, en is op dat moment nog in handen van de opstandelingen (calvinisten). Voor de kleine kerk van Lillo is er een haventje met een pleintje.
a Wie maakte dit verslag en met welke bedoeling?
b Is hij een voor of tegenstander van de calvinistische predikanten?
c Zijn er redenen om aan te nemen dat de informatie van de bisschop niet betrouwbaar is?
d Wie gaat er allemaal luisteren naar de predikanten? Kies uit: arme mensen – rijke mensen – zowel arme als rijke mensen.
e Ho e proberen de predikanten arme mensen naar de preken te lokken? Waarom doen die predikanten al die moeite, denk je?
BRON 8 Het Concilie van Trente (1543-1565)

Vindt u het goed tot lof en eer van de heilige en onverdeelde Drie-eenheid, Vader en Zoon en Heilige Geest te beslissen en te verklaren dat het heilige en algemene Concilie van Trente begint en is begonnen en heeft genomen, voor de groei en verheerlijking van het christelijk geloof en de christelijke godsdienst; voor de uitroeiing van ketterijen; voor de vrede en eenheid van de Kerk; voor de hervorming van de geestelijkheid en het christelijke volk; voor de onderdrukking en uitroeiing van de vijanden van de christelijke naam? Zij antwoordden: het is goed.
Uit: Canones, Et Decreta Sacrosanti Oecumenici Et Generalis Concilii Tridentini, Antwerpen, 1565, eigen vertaling
Het Concilie van Trente wordt plechtig geopend in de kathedraal van Trente op 13 december 1545. Tijdens die plechtigheid wordt aan de deelnemers gevraagd of zij akkoord gaan met het programma van het concilie. De echte inhoudelijke samenkomsten beginnen het jaar daarop.
a In welke taal wordt het concilie gehouden? Weet je ook waarom?
b Wat zijn de drie doelstellingen van het concilie?
BRON 9 De catechismus

a Wat is een catechismus?
TIP Raadpleeg de woordenlijst.
b Wat is de bedoeling van deze catechismus?
c Is dit een katholieke of protestantse catechismus? Argumenteer.
Gravure en voorblad van een catechismus uit 1756, Aartsbisschoppelijk archief, Mechelen
Om de mensen vertrouwd te maken met de inhoud van het christelijke geloof stellen zowel katholieken als protestanten catechismussen samen. Er bestaan verschillende soorten: beknopte en uitgebreide catechismussen, en ook uitgaven speciaal voor kinderen en volwassenen.
De gravure bij deze catechismus toont extra aan waar het om gaat: door het godsdienstonderwijs de kinderen dichter bij God brengen.
BRON 10 De aanstelling van een dorpsschoolmeester te Ekeren in 1626
• Dat voor muziek en zang enkel de kinderen in aanmerking zullen komen, welken door de schoolmeester daarvoor nuttig en bekwaam worden geoordeeld (…)
• Dat de scho olmeester gehouden is de H. Geestkinderen [arme kinderen] voor niets te onderwijzen (…)
• Dat de scho olmeester door de kinderen geen andere boeken zal laten leren dan deze, welke de heilige katholieke roomse Kerk toelaat en beveelt.
Uit: Schepenbrief met de aanstellingsakte van Herman De Hollander, 1626
In de vroegmoderne tijd legt het dorpsbestuur de voorwaarden voor de betrekking als schoolmeester vast.
Herman De Hollander (ca. 1595-1640) is een 17e-eeuwse Nederlandse componist. Hij is ook schoolmeester en organist geweest, eerst in Eindhoven en daarna ook in Ekeren bij Antwerpen. Later is hij actief in Breda.
a Welke beroepen oefende Herman De Hollander uit?
b Vanwaar is hij blijkbaar afkomstig?
c Waaruit blijkt de invloed van de katholieke reformatie?
d Zou dit punt in de akte staan omdat hij afkomstig is uit het huidige Nederland? Vind je daarover iets in de contextinformatie?
e Ho e zou je kunnen achterhalen of dit punt speciaal voor hem is toegevoegd?
BRON 11 De godsdiensten in Europa na de hervormingen, ca. 1700
Concilie van Trente 1545-1563
a No em vijf gebieden die katholiek zijn gebleven.
b No em vier gebieden die de leer van Luther volgen.
c Welk verband is er tussen politiek en godsdienst? Raadpleeg punt 4 van de lestekst.
Je hoeft niet ver te lopen om barokkunst te bewonderen. Ook in onze gewesten is het de toonaangevende stijl tussen ca. 1600 en ca. 1720. In die periode stijgt de vraag naar kunst als nooit tevoren. Waarom stijgt de vraag naar kunst? Wat zijn de kenmerken van de barokbouwkunst? Wat typeert de beeldhouwkunst? Hoe herken je een barokschilderij?

Rond 1600 nemen kardinalen en pausen in Rome het voortouw om kunstenaars opdrachten te geven voor grote bouwprojecten en voor de decoratie van hun paleizen en kerken. In het kader van de katholieke reformatie willen zij de grootsheid van de katholieke Kerk zichtbaar maken (zie les 5). Elders in Europa volgen bisschoppen en kloosterordes hun voorbeeld. Imposante kerken, beelden en schilderijen moeten tonen dat de katholieke Kerk er staat als nooit tevoren. Met de weelderige en emotionele barokkunst willen geestelijken de mensen (opnieuw) warm maken voor het katholieke geloof. Het Concilie van Trente benadrukt dat, in tegenstelling tot het protestantisme, kunstwerken godsdienstige thema’s kunnen verduidelijken voor de vaak ongeletterde gelovigen. In de kerken verschijnen ook nieuwe, rijkversierde meubels zoals biecht - en preekstoelen. In onze streken staan de kerken er bovendien door de Beeldenstorm vaak leeg bij. Rijke organisaties , zoals gilden, laten barokkunstenaars grote schilderijen maken voor de versiering van hun altaren en kapellen. In de 17e eeuw streven de vorsten naar meer macht (zie les 13). Met barokkunst willen die absolute vorsten hun onderdanen imponeren. Ze willen hen overtuigen dat zij hun titel, positie en macht verdienen. De Kerk en de vorsten gebruiken de kunst dus als propaganda : ze willen er iets mee bereiken.
Rijke burgers decoreren hun huizen met schilderijen. De vraag naar kunst is zo groot dat schilders niet
alleen meer in opdracht werken. Ze verkopen hun schilderijen nu ook via kunsthandelaars. Mythologische en historische verhalen, markttaferelen, scènes uit het dagelijks leven en stillevens bieden stof tot nadenken of een gespreksonderwerp voor wanneer er bezoek is: deugden (goede eigenschappen), ondeugden (slechte eigenschappen) en/of de eindigheid van het leven op aarde.
De bouwkunst
BRON 1-2-3-4 De kerken zijn rijkelijk versierd met beelden en schilderingen in de gevels en de muren. Ook de verticale lijnen in de gevels en de grootse koepels moeten indruk maken op de gelovigen. De paleizen zijn op het eerste gezicht soberder, maar ze imponeren door hun grootte. De architecten passen de omgeving en het gebouw aan elkaar aan. Zo ontwerpen ze rond de paleizen meestal uitgestrekte parken versierd met bouwwerken, beelden en schilderingen.
De beeldhouwkunst en de schilderkunst
BRON 5-6-7-8 Ook bij de beeldhouwkunst zijn er gelijkenissen met de renaissancekunst (= continuïteit ). Beeldhouwers blijven op een wetenschappelijke manier werken: de beelden zijn anatomisch correct en lijken levensecht. Maar er zijn ook verschillen (= evolutie , verandering ).
De barokke beelden zitten vol beweging. De draaiende beweging (schroefvorm) en de wapperende kledij maken de beelden extra dynamisch . De gevoelens worden overduidelijk benadrukt in de gelaatsuitdrukkingen, de gebaren en de houding van de beelden. De schilders hebben een voorkeur voor felle kleuren en scherpe contrasten tussen licht en donker. Tegen een donkere achtergrond steken de figuren duidelijk af. Vaak brengen diagonale lijnen enige orde in de op het eerste gezicht chaotische weergave.
Zoek in punt 1 van de lestekst: a de do elstellingen van de geestelijken en van de vorsten b een onb edoeld gevolg van de Beeldenstorm c twee redenen waarom rijke burgers kunst kopen d een verandering in de kunsthandel
1 de b egrippen ‘continuïteit’, ‘verandering’, ‘evolutie’, ‘onbedoeld gevolg’ en ‘periode’ uitleggen
2 de b egrippen ‘dynamisch’, ‘propaganda’, ‘realistisch’ en ‘statisch’ uitleggen
3 met drie voorbeelden uitleggen waarom barokkunst populair is
4 drie op drachtgevers en het doel van de barokkunst geven
5 drie kenmerken van de bouwkunst geven en uitleggen
6 twee kenmerken van de beeldhouwkunst geven en uitleggen
7 twee kenmerken van de schilderkunst geven en uitleggen
8 barokkunst vergelijken met renaissancekunst en klassieke kunst
BRON 1 Santa Maria Novellabasiliek, Firenze (Italië) – renaissance

1 3 5 4
Deze kerk ken je al uit les 4. De voorgevel is uitgevoerd in wit en donkergroen marmer. Het onderste gedeelte dateert grotendeels uit het midden van de 14e eeuw. Het centrale portaal en de hogere delen zijn vooral het werk van Leon Battista Alberti uit 1460/1470. Achter die façade schuilt een middeleeuwse, gotische kerk.
1 kunstwerken nauwkeurig observeren en beschrijven
2 typische kenmerken van de barok aanduiden op een schilderij, beeld, gebouw
3 een kunstwerk herkennen als barok
4 argumenteren waarom een kunstwerk tot de barok behoort
BRON 2 Sint-Carolus Borromeuskerk, Antwerpen – barok

a Uit welke eeuw dateert de Sint Carolus Borromeuskerk? b De barok vloeit voort uit de renaissance kunst: er zijn gelijkenissen, maar ook verschillen.
1 Beno em de cijfers uit de afbeeldingen met de juiste term.
2 Vergelijk beide gebouwen. Noem twee gelijkenissen en drie verschillen.
De kerk is gebouwd in zes jaar tijd (1615-1621) in opdracht van de Antwerpse jezuïeten. Architecten zijn de jezuïeten François d’Aguilon en Pieter Huyssens. De voorgevel is geïnspireerd op de gevel van de Gesù, een jezuïetenkerk in Rome (ca. 1575). De gevel van de kerk past in een vierkant van 33,20 bij 33,20 meter.

Dit stadspaleis ken je al uit les 4. Het werd in Rome gebouwd tussen ca. 1541 en 1580 in opdracht van kardinaal Alexander Farnese. Het is ontworpen door Antonio da Sangallo de Jonge. Na zijn dood neemt Michelangelo zijn plaats als architect in. De voorgevel is 57 meter breed en 29 meter hoog.

Het paleis van Versailles is grotendeels gebouwd in opdracht van de Franse koning Lodewijk XIV tussen ca. 1741 en 1715. Het middelste gedeelte op de afbeelding is ongeveer 70 meter breed.
a Vergelijk beide gebouwen. Zoek vier verschillen.
b Welke stijl heeft elk gebouw?
Galleria dell’Accademia, Firenze
Dit beeld ken je al uit les 4. Michelangelo maakt het tussen 1501 en 1504 in marmer. Het is 4,20 meter hoog.


Galleria Borghese, Rome
Gian Lorenzo Bernini maakt dit werk in 16231624. Het is gemaakt in marmer en is 1,70 meter hoog.
a Vergelijk beide beelden. Noem twee gelijkenissen en vier verschillen.
b Welke stijl heeft elk beeld?
BRON 7 De kruisafneming door Peter Paul Rubens

BRON 8 Het melkmeisje door Johannes Vermeer
Tussen 1611 en 1614 maakt Peter Paul Rubens een drieluik in opdracht van het Antwerpse gilde van de kolveniers, een schuttersgilde dat instaat voor de verdediging van de stad. Het moet hun altaar in de O.L.V.-kathedraal versieren.
Het middelste paneel (zie afbeelding) meet 4,21 m bij 3,11 m en is geschilderd met olieverf op hout. Het beeldt af hoe de overleden Jezus van het kruis wordt gehaald.

a Bespreek de opbouw en het kleurgebruik van het schilderij.
b Beschrijf de emoties op de gezichten.
Johannes Vermeer schildert dit werk ca. 1660. Het meet 45,5 cm bij 41 cm en is geschilderd in olieverf op doek. Het is een van de topstukken van het Rijksmuseum in Amsterdam.
a Welke voorwerpen herken je op dit schilderij?
b Wat is nieuw aan dit onderwerp?
c Welk kenmerk van de barok herken je?
Vanaf de 15e eeuw spelen onze gewesten een heel belangrijke rol in de Europese kunst. ‘Vlaamse’ kunstenaars worden overal in Europa gevraagd. Die meesters zijn tot op vandaag in de hele wereld bekend. Verschillende Europese en Amerikaanse musea hebben een collectie ‘Vlaamse’ kunst. Welke waarde heeft de Vlaamse kunst voor de tijdgenoten?
Naar welke landen worden de kunstwerken uitgevoerd? Hoe komen ze daar terecht?

Bekijk de bronnen op de volgende bladzijden aandachtig.
1 Zijn de uitspraken juist of fout? Verbeter indien nodig en noteer ook telkens welke bron(nen) bruikbaar is (zijn) om de stellingen te beoordelen.
1 De Vlaamse primitieven gebruiken een gedetailleerde schildertechniek.
2 Vlaamse kunstenaars staan in Europa bekend om de grote kwaliteit van hun werk.
3 Het Vlaamse schilderij in het hospitaal van Firenze oefent in de 15e eeuw veel invloed uit op de Italiaanse barokkunstenaars.
4 In de vroegmoderne tijd wordt Vlaamse kunst naar alle windstreken van Europa uitgevoerd.
5 Vorsten en Kerken kopen graag Vlaamse kunstwerken aan.
6 Uit respect voor de kwaliteit van de kunstwerken worden die nooit gestolen.
2 De Vlaamse kunstwerken worden in de middeleeuwen en in de vroegmoderne tijd naar heel Europa geëxporteerd.
a In welke landen zijn ze precies terechtgekomen?
b Ho e kwamen die kunstwerken daar terecht? Kies uit: aankoop – erfenis – geschenk – diefstal.
3 Vergelijk bron 2 met bron 9.
a We weten vandaag maar van drie schilderijen min of meer zeker dat ze door Rogier van der Weyden zijn geschilderd. Waarom is dit dus een belangrijke bron?
b Ho e beoordeelt de kunstschilder Karel van Mander (1548-1606) het schilderij?
c Vergelijk de tekst nauwkeurig met het schilderij. Waaruit kun je opmaken dat de schrijver het schilderij waarschijnlijk zelf niet heeft gezien?

Hugo van der Goes, De aanbidding van de herders (ca. 1476-1479), olieverf op paneel, middenpaneel 253 x 304 cm, Galleria Degli Uffizi, Firenze
Hugo van der Go es (ca. 1440-1482) is na Van Eyck een van de belangrijkste vernieuwers van de schilderkunst van de 15e eeuw. Hij behoort tot de Vlaamse primitieven . In opdracht van Tomasso Portinari, een Italiaanse bankier in Brugge, maakt hij het drieluik
‘De aanbidding van de herders’. Het schilderij is bedoeld voor de kapel van het hospitaal van Santa Maria Novella in Firenze. Op dat ogenblik is Firenze het centrum van renaissance kunst, maar de Italianen hebben grote bewondering voor het altaarstuk van Van der Goes. Zij zijn onder de indruk van de compositie, de kleurenpracht en het oog voor detail. Onder andere de kunstenaar Botticelli is door hem beïnvloed.

Rogier van der Weyden, De kruisafneming (ca. 1432-1435), olieverf op paneel, 220,5 x 259,5 cm, museum Prado, Madrid Rogier van der Weyden (Doornik ca. 1399-Brussel 1464) is afkomstig uit Doornik en heet oorspronkelijk Roger de la Pasture. Hij is een belangrijke vertegenwoordiger van de kunst van de ‘Vlaamse primitieven’. Hij trekt naar Brussel en om zich in die Nederlandstalige stad te integreren, verandert hij zijn naam in Van der Weyden. Rogier wordt de stadsschilder van Brussel en krijgt ook opdrachten van het Bourgondische hof. De figuren op het schilderij worden bijna levensgroot afgebeeld. Het schilderij is eeuwenlang toonaangevend voor het afbeelden van gevoelens in religieuze kunst. Rond 1548 koopt Maria van Hongarije het werk. Zij is landvoogdes over de Nederlanden en tante van de Spaanse koning Filips II. Filips II leert het schilderij kennen bij een bezoek aan zijn tante en is onder de indruk van de schoonheid ervan. Na de dood van Maria in 1558 erft hij het schilderij.
BRON 3 Brussels wandtapijt

BRON 4 Antwerps retabel (middenpaneel)
Tapijt uit wol en zijde met goud- en zilverdraad, ca. 1555, 245,5 x 225 cm, Krakau, Wawelburcht
De Poolse koning Sigismund Augustus II is een groot kunstliefhebber en koopt verschillende reeksen wandtapijten voor zijn paleis.
In de 16e eeuw kent de tapijtkunst een grote bloei, met Brussel als toonaangevend centrum. Brusselse wandtapijten staan bekend om hun hoge kwaliteit.
Het renaissancetapijt komt uit een reeks van vijf en is een sierlijk omlijst vlak. In het midden staat een monogram, een figuur met kunstig in elkaar gevlochten beginletters S en A. Dat monogram wordt omringd door twee saters, halfgoden uit de oudheid met het bovenlichaam van een mens en bokkenpoten. Daarboven staat de koningskroon.

Onbekend Antwerps kunstenaar, ca. 1490-1500, gepolychromeerde eik, 198,5 x 143,5 x 30,5 cm, Sint-Nikolaaskerk, Folkärna (Zweden)
Vlaamse retabels worden op grote schaal in de 15e en 16e eeuw op bestelling uitgevoerd naar heel Europa. Vlaanderen staat bekend voor zijn houtsnijwerk van grote kwaliteit.
Een retabel is het achterstuk van een altaar en is onderverdeeld in vakken. Daarin worden uit hout gesneden beeldjes geplaatst. Vaak worden die beschilderd en verguld, wat een feestelijk en kleurrijk uitzicht geeft.
De bedoeling was vooral om de Bijbelverhalen aanschouwelijk te maken voor de ongeletterde gelovigen.
Vlaamse retabels uit de 16e eeuw zijn nog gotisch van stijl. Op het middenpaneel van het Zweedse retabel staat Jezus centraal met rechts de apostel Johannes en links de heilige Nicolaas. De zijpanelen bevatten de beelden van de twaalf apostelen.

Peter Paul Rubens, Visioen van Sint-Dominicus (ca. 1618-1620) olieverf op doek, 565 x 365 cm, Museum voor Schone Kunsten, Lyon
De Antwerpenaar Peter Paul Rubens (1577-1640) is een van de beroemdste barokschilders. Bij zijn opdrachtgevers zitten vorsten, religieuze orden en rijke burgers. Rond 1618-1820 schildert Rubens dit schilderij in opdracht van de Antwerpse dominicanen. Het is bestemd voor hun kloosterkerk, toegewijd aan de apostel Paulus.
Het zeer grote kunstwerk wordt achter het hoofdaltaar opgesteld. Op die manier hebben de kloosterlingen een goed zicht op het schilderij. Het werk stelt een gebeurtenis uit het leven van Dominicus voor.
Tijdens de Franse Revolutie eist het Franse leger op vele plaatsen belangrijke kunstwerken op. Ook uit de Antwerpse kloosterkerk worden kunstwerken geroofd, zoals dit schilderij.
Het schilderij komt eerst in Parijs terecht en wordt later overgebracht naar het museum van Lyon, waar het zich nog altijd bevindt. Het schilderij is een voorbeeld van roofkunst.

François Duquesnoy, De heilige Andreas (1629-1633), marmer, 450 cm, Sint-Pietersbasiliek, Vaticaanstad François Duquesnoy (1597-1643) is een belangrijke beeldhouwer die het grootste deel van zijn leven in Italië gewerkt heeft. Daar wordt hij ‘il Fiammingo’ genoemd. In de Sint-Pietersbasiliek te Rome ondersteunen vier grote pijlers de koepel van de kerk. Duquesnoy krijgt de opdracht om voor een van die pijlers een beeld van de heilige Andreas te maken. Dat wijst op de grote faam die de Vlaamse kunstenaar dan geniet in Rome. De apostel Andreas wordt voorgesteld met het X-vormige kruis (andreaskruis) waarop hij volgens de traditie wordt vastgebonden. Rubens was een groot bewonderaar van Duquesnoy.

Artus Quellin, Vier kariatiden (ca. 1650), terracotta, hoogte tussen 84 en 86 cm, Rijksmuseum, Amsterdam De beeldhouwer Artus Quellin (1609-(?)1668) wordt zoals vele andere kunstenaars ook in Italië opgeleid. Hij krijgt de opdracht de gebeeldhouwde versiering van het nieuwe Amsterdamse stadhuis te maken. Tussen de reliëfs van de ‘vierschaar’, de zogenoemde rechtbank in het stadhuis, plaatst Quellin vier steunende vrouwenbeelden –kariatiden –als symbolen van berouw (met de handen voor het gezicht) en boete (met vastgebonden handen). Die afgebeelde figuren zijn voorstudies voor de marmeren exemplaren in het nieuwe stadhuis van Amsterdam, nu het Paleis op de Dam. De calvinistische Noordelijke Nederlanden doen graag een beroep op katholieke kunstenaars uit de Zuidelijke Nederlanden vanwege hun grote bekwaamheid.

Antoon van Dyck, Portret van koning Karel I (1636), olieverf op doek, 84,5 x 99,7 cm, Royal Collection, Windsor Castle
Antoon van Dyck (1599-1641) is als schilder een natuurtalent. Na zijn opleiding werkt hij een tijd in het atelier van Rubens. Van Dyck trekt naar Italië en vooral naar Engeland. Daar werkt hij voor de adel. Koning Karel I, een hevige fan, verheft hem in de adelstand. Van Dyck is gespecialiseerd in godsdienstige taferelen en portretten. Dit schilderij van de Engelse koning Karel I in drie verschillende posities werd naar de Italiaanse kunstenaar Bernini gestuurd om een buste van de koning te laten maken.
Van Rogier is oock gheweest te Loven [Leuven] in een Kerck, gheheeten Onse Vrouwe daer buyten [Onze-LieveVrouw-van-Ginderbuiten], een afdoeninghe des Cruycen, daer twee op twee leeren stonden, en lieten t’lichaem afdalen met eenen lijnen doeck oft dwael: beneden stonden Ioseph van Aromathia, en ander, die het ontfinghen. Beneden saten de Marien seer beweeghlijck, en weenden: alwaer Maria, als in onmacht wesende, was van Ioanne, die achter haer was, opghehouden. Dit principael stuck van Meester Rogier wiert aen den Coningh nae Spaengien gesonden.
Uit: Karel Van Mander, Het schilder-boeck, Haarlem, 1604 De hedendaagse vertaling vind je online.
1 informatie afleiden uit historische bronnen in functie van een historische vraag
2 aangeven welke bronnen bruikbaar zijn om een historische vraag te beantwoorden
3 bronnen vergelijken om een historische vraag te beantwoorden
BOEKDRUKKUNST snellere verspreiding ideeën
HUMANISME (Erasmus) kritische ingesteldheid
Het humanisme beïnvloedt de wetenschap. Sommige wetenschappers willen zelf waarnemen en geloven niet langer de klassieke geleerden en de Kerk.
16e-18e eeuw: katholieke reformatie
16e eeuw: protestantse reformatie


symmetrie, klassieke stijl, horizontale lijn
RENAISSANCE (15e-16e eeuw)
realistisch, anatomisch juist
klassieke stijl, groots, horizontale en verticale lijnen
BAROK (17e-18e eeuw)
beweging, gevoelens


Vlaamse schilderkunst
Vlaamse primitieven (15e eeuw)
Rubens, Van Dyck (17e eeuw)
Jij weet dat de wereld zes werelddelen of continenten omvat: Europa, Azië, Afrika, Amerika, Oceanië en Antarctica. Je zag waarschijnlijk al ruimtefoto’s van de aarde. Al die wetenschappelijke kennis is echter vrij recent. In bron 1 zie je de kaart van de Griekse geleerde Eratosthenes (ca. 285 v.C.-205 v.C.). Tot in het begin van de vroegmoderne tijd dachten veel Europese geleerden dat de wereld er zo uitzag. De ontdekkingen veranderen dat beeld van de wereld.


a Situeer b eide kaarten in het referentiekader.
b Welke continenten ontbreken op elke kaart?
c Wat stel je vast als je het Afrika van de Griekse kaart vergelijkt met dat van een moderne kaart?
verkenning
Afrikaanse kust
Vandaag komen we gemakkelijk in contact met andere landen en samenlevingen. In een groot deel van het verleden blijven de verplaatsingen meestal beperkt tot de eigen omgeving. Af en toe trekken er mensen op ontdekkingstocht. In WestEuropa nemen dergelijke tochten vanaf het einde van de middeleeuwen steeds meer toe. Wat zijn de oorzaken van de Europese ontdekkingen? Hoe verlopen die ontdekkingen? Wat zijn de gevolgen van de ontdekkingen? Hoe zullen ze de wereld veranderen?
1De West-Europese ontdekkingen hebben verschillende oorzaken
BRON 1-2-3-4-5 Vorsten willen met de opbrengsten van ontdekkingen en kolonies hun macht en invloed uitbreiden . De Portugezen en Spanjaarden hebben met succes grote delen van hun land heroverd op de islamitische Moren. Zij willen die strijd tegen de islamieten verder zetten in Noord-Afrika. De Moren zijn daar te talrijk en te machtig. Daarom zoeken de Portugezen en Spanjaarden naar bondgenoten Zij hopen ergens in Afrika het legendarische rijk van ‘Pape Jan’ (priester Jan) te vinden. Dat zou een machtige christelijke priester-koning zijn met een groot leger. De Portugezen zijn ook op zoek naar goud en andere rijkdommen om hun oorlogen tegen de islamieten te kunnen betalen.
Naast die politieke redenen zijn er ook economische oorzaken voor de ontdekkingen. West-Europese handelaars kopen bij Arabische kooplui in het Midden-Oosten allerlei dure luxeproducten.
De Arabieren halen die in Indië en China. Om zelf meer winst te kunnen maken proberen de Europeanen die tussenhandelaars te vermijden en zelf naar Indië te varen.
De Portugezen maken een nieuw scheepstype dat beter geschikt is voor verre zeereizen: het karveel.
Meetinstrumenten helpen om op open zee de weg te vinden . Een kompas wijst altijd naar het (magnetische) noorden. Met een astrolabium bepaal je op welke breedtegraad je zit. Je meet daarvoor het verschil tussen de horizon en de zon op haar hoogste punt (’s middags).
De kennis over de winden en de zeestromingen in de Atlantische Oceaan neemt toe. Die zorgen ervoor dat men gemakkelijker over de oceaan kan varen. Spaanse en Portugese vissers spelen daar in het begin een belangrijke rol in.
De meeste middeleeuwse Europeanen geloven dat de aarde een bol is . Ze zijn dus niet bang om van de aarde te vallen. Vele geleerden en zeelui vrezen echter dat de oceanen te groot zijn om over te steken Sommigen denken dat er bij de evenaar een vreselijke hitte heerst die mens en schip doet opbranden. In de 14e-15e eeuw vertrekken toch enkele avonturiers op reis. Zij geloven geleerden die beweren dat de aarde niet zo groot is en dat je de oceanen kunt oversteken . Ze willen ook de gebieden verkennen waarover in wonderlijke verhalen verteld wordt, verhalen ook van reizigers uit andere tijden. Veel avonturiers hopen ook schatten te vinden. Sommigen keren terug en zorgen er met hun verhalen voor dat weer anderen op ontdekkingstocht vertrekken.
Het verloop van de ontdekkingen
BRON 6-7 Portugezen , Italianen en Spanjaarden spelen een belangrijke rol in de ontdekkingen van de 14e tot de 16e eeuw. De Portugezen verkennen de Atlantische Oceaan en de kusten van Afrika Ze hopen langs Zuid-Afrika een zeeweg naar Indië te vinden. De Spanjaarden hopen dan weer Indië of China te bereiken door westwaarts te varen
De gevolgen van de ontdekkingen
BRON 8-9-10 De ontdekkingen leiden tot kolonialisme : Europese landen stichten in de nieuw ontdekte gebieden kolonies en onderwerpen de plaatselijke bevolking . In de 15e en 16e eeuw verdelen Portugal en Spanje de wereld onder elkaar . De paus regelt dat onder andere in het Verdrag van Tordesillas (1498). Een deel van de wereld is voor Portugal en een ander deel is voor Spanje.
Beide landen vinden dat enkel zij de zee en het land buiten Europa in bezit mogen nemen. Buitenlandse handelaars en verkenners beschouwen zij als piraten . Andere landen aanvaarden dat niet.
Engeland , Frankrijk en de Noordelijke Nederlanden vinden dat de zeeën voor iedereen zijn . Maar zij durven geen oorlog met het machtige Spanje en Portugal te beginnen. Ze beroven wel hun volgeladen schepen en voeren smokkelhandel met de Spaanse en Portugese kolonies. Hun ontdekkingsreizigers verkennen andere nog onbekende gebieden (o.a. NoordAmerika) en zoeken daarbij tevergeefs naar noordelijke doorgangen naar Azië
Portugal richt op belangrijke plaatsen (meestal langs de kusten) vooral versterkte handelsnederzettingen op en drijft handel met de plaatselijke bevolking. In sommige gebieden komen er ook plantages Spanje , dat over meer inwoners dan Portugal beschikt, palmt zo veel mogelijk
grondgebied in. Ze richten in hun kolonies uitgestrekte plantages op waar allerlei koloniale producten (katoen, tabak, suikerriet, specerijen …) gekweekt worden. In ertsrijke gebieden (goud, zilver, koper ...) komen er mijnen.
Op het einde van de 16e eeuw neemt de Spaanse macht af. Engeland, Frankrijk en de Noordelijke Nederlanden worden de nieuwe koplopers. Zij richten kolonies op in Noord-Amerika, Azië en Oceanië
Ook zij proberen zo veel mogelijk grondgebied in te nemen. In de 18e eeuw verkent de Engelse zeeman en wetenschapper James Cook Australië. Hij neemt het in bezit voor de Britse kroon. Nederlandse zeevaarders hebben wellicht het gebied eerder verkend, maar vonden het niet interessant genoeg.
De ontdekkingen en de kolonisaties veranderen de wereld
De ontdekkingen zorgen ervoor dat de Europeanen een ander beeld van de wereld krijgen: in de 18e eeuw beseft men dat de aarde zes continenten telt. Er blijken ook nog meer samenlevingen te bestaan. Nieuwe planten en dieren worden ontdekt. De Europese handel maakt kennis met nieuwe producten (suikerriet, aardappelen, tomaten, tabak, cacao ...) en groeit uit tot een heuse wereldhandel De koloniale machten gebruiken de inheemse volkeren als goedkope arbeidskrachten . Portugal en Spanje, en later ook de andere Europese landen, brengen slaven uit West-Afrika naar hun Amerikaanse kolonies. De kolonies en hun opbrengsten maken de Europese landen machtig Als ze oorlog voeren, proberen ze dan ook kolonies van elkaar af te pakken. Enkele West-Europese landen zullen zo een groot koloniaal rijk uitbouwen. Omdat het land via zeewegen met de kolonies contact houdt, spreekt men ook wel van een maritiem rijk. Andere landen zoals Rusland en het Ottomaanse Rijk koloniseren grotendeels over land. Omdat die verbindingen over land en rivieren verlopen, spreekt men over continentale rijken.
1 de b egrippen ‘maritiem’, ‘continentaal’ en ‘kolonialisme’ uitleggen
2 de b egrippen ‘kolonie’ en ‘plantage’ uitleggen
3 de West-Europese ontdekkingen in tijd en ruimte situeren
4 de strijd van Spanje en Portugal tegen Engeland, Frankrijk en Nederland verklaren
5 een Portugese en een Spaanse ontdekkingsreiziger opnoemen
6 het verschil tussen de Spaanse en Portugese kolonies uitleggen
7 p er maatschappelijk domein een oorzaak en gevolg van de ontdekkingen geven
1 vijf ontdekkingsto chten met behulp van een kaart beschrijven
2 de b etrouwbaarheid van bronnen in functie van een historische vraag onderzoeken
3 de historische redeneerwijzen ‘toeval’ en ‘onbedoeld gevolg’ benoemen
4 een historische vraag formuleren
5 de historische redeneerwijzen ‘bedoelde en onbedoelde handelingen’ benoemen
Uit het land van Callicut of Alta India komen de specerijen die in het Oosten en het Westen, in Portugal en waar ook ter wereld gebruikt worden, samen met vele soorten edelstenen. Kruidnagels worden vanuit een eiland, met de naam Malakka, naar deze stad gebracht. De Mekkaschepen vervoeren deze specerijen (…)
Uit: Verslag van de eerste reis van Vasco da Gama, 1497-1499
De auteur van dit handgeschreven verslag is niet bekend. Het verslag werd in de 19e eeuw ontdekt in de bibliotheek van Porto. Sommigen denken dat Alvaro Velho, een soldaat die meereisde met Vasco da Gama, het geschreven heeft. Anderen denken dat ridder João de Sá de schrijver is. Die is secretaris van de expeditie van Vasco da Gama naar Indië. Hij wordt een belangrijke figuur van de Portugese koninklijke organisatie die de koloniale handel regelt. Hij sterft in 1514.
BRON 2 De handel in specerijen
Deze kaart is gemaakt op basis van het verdere verslag van Vasco da Gama.
De karavaanweg is een weg waarlangs grote groepen van reizende mensen – meestal handelaars – trekken.

a Welke twee groepen hebben de specerijenhandel grotendeels in handen?
b Welke Europeanen brengen de specerijen naar Europa?
c Geef drie redenen die de specerijen voor de Europeanen zo duur maken.
d Ho e zouden de Europese handelaars zelf meer winst kunnen maken?

De foto toont een nagebouwd karveel. Tot op vandaag weet men niet zeker hoe een karveel eruitzag. De recon structie is gemaakt op basis van enkele onvolledige wrakken.
a Welke voordelen heeft een schip met grote zeilen en een groot ruim?
b Is de bron helemaal betrouwbaar als je wilt weten hoe het karveel eruitzag? Leg uit.

Een astrolabium, 16e eeuw
Zoek in punt 1 van de lestekst wat de functie is van een astrolabium.
a Wie bereikt als eerste Indië? Wanneer gebeurt dat? Voor welk land doet hij dat?
b Wanneer heeft de eerste reis van Columbus plaats? Voor welk land vaart hij?
c Magelhaes, een Portugees in Spaanse dienst, zou als eerste om de aarde gevaren zijn. Magelhaes sterft echter op de Filippijnen. Wie zet zijn tocht verder en is werkelijk als eerste om de aarde gevaren?
d Welke ontdekkingsreiziger neemt Brazilië in bezit voor Portugal? In welk jaar gebeurt dat?
e Geef drie andere Europese landen dan Spanje en Portugal, die ontdekkers uitsturen.
f In welk continent heeft Spanje de meeste kolonies? Waar heeft Portugal vooral kolonies?
Op woensdag 20 november 1520 verlieten we de zeestraat en voeren we de Stille Oceaan op, waar we drie maanden en twintig dagen verbleven zonder proviand of andere verversingen aan boord te nemen. We aten slechts verpulverde beschuit vol wormen die stonk naar de urine van ratten die ervan hadden gevreten. En we dronken verontreinigd, geel water. We aten ook runderhuiden, die door de zon, regen en wind zeer hard waren geworden. We dompelden ze eerst vier tot vijf dagen in zee, braadden ze kort op kolen en aten ze zo op. En van de ratten, die voor een halve dukaat per stuk werden verkocht, konden sommigen van ons niet genoeg krijgen.
Afgezien van de genoemde kwalen was nog het ergste dat het tandvlees in boven- en onderkaak van de meeste mannen opzette, zodat ze niet konden eten. En zo stierven 29 van onze mannen (…) Maar afgezien van de doden kregen 25 of 30 van onze mannen allerlei kwalen in de armen, benen of andere lichaamsdelen, zodat er nog maar weinig gezonden overbleven. Dankzij de Heer werd ik echter niet ziek.
Uit: Antonio Pigafetta, Magelhaes’ Reis om de wereld. Verslag van een ooggetuige, ca. 1522
Antonio Pigafetta (1491-1534) is een Italiaanse edelman en geleerde uit Vicenza. Hij neemt als assistent van Magelhaes deel aan de expeditie. Hij verzamelt tal van gegevens over de streken die zij bezoeken. Hij behoort tot 18 van 250 bemanningsleden die de wereldreis overleven. Hij schrijft een verslag voor keizer Karel V. Dat wordt overgeschreven en verspreid naar andere Europese hoven. Het verschijnt in 1536 zelfs in druk.
a Verklaar waarom er aan boord ziekten uitbreken.
b Beo ordeel de betrouwbaarheid van deze bron om vragen over het leven aan boord van een ontdekkingsschip te beantwoorden.
1 Is dit een primaire of secundaire bron over de ontdekkingsreizen?
2 Is de auteur een o oggetuige?
3 Wat is het doel van de bron?
4 Voor wie is het verslag aanvankelijk bedoeld?
5 Besluit: is de bron eerder betrouwbaar of eerder onbetrouwbaar?
c De zeelui lijden aan scheurbuik. Zoek informatie over die ziekte op.
1 Geef twee symptomen van de ziekte.
2 Wat is de oorzaak van de ziekte?
d Ho eveel bemanningsleden van Magelhaes overleven de tocht rond de wereld?
e Ho e kun je aan de hand van deze bron verklaren dat Magelhaes beroemd wordt als de eerste die om de wereld is gevaren en dat terwijl hij onderweg is gestorven?


Standbeeld van John Cabot, baai van Bonavista in Newfoundland, Canada, onthuld in 1970
De Italiaan Zuan Chabotto of John Cabot (ca.1450-1500) gaat op ontdekkingsreis voor de Engelse koning Hendrik VII. In 1497 keert hij terug. Hij zou het noorden van het huidige Canada bereikt hebben. Van die reis is echter geen verslag bewaard gebleven. We beschikken wel over vier brieven van tijdgenoten. Deze bron is een stuk uit een ervan. Het beeld staat waar Cabot voor het eerst aan land zou zijn gegaan, al is die plaats niet echt gekend.
Verschillende monumenten in Canada, Engeland en Venetië eren John Cabot. Het laatste monument werd opgericht in 1997. Hij wordt telkens voorgesteld als de ontdekker van Noord-Amerika.
a Waarom gaan sommige mensen daarmee niet akkoord, denk je?
b Voor welke historische vraag/vragen zijn bronnen 8 en 9 betrouwbare bronnen? Kies uit:
1 Ho e kijkt men in de 20e eeuw naar de ontdekkingsreizigers?
2 Ho e heeft John Cabot eruitgezien?
3 Ho e worden de ontdekkingsreizigers herdacht in de 20e eeuw?
4 Heeft John Cabot Noord-Amerika ontdekt?
Aan mijn zeer doorluchtige en voortreffelijke Heer (…)
Zijn Engelse gezellen vertelden dat zij zoveel vis vingen dat dit koninkrijk niet langer IJsland nodig heeft.
Met dat land is er een uitgebreide handel in vis, in wat ze stokvis [gedroogde en gezouten kabeljauw] noemen.
Maar meester Zoanne heeft zijn gedachten op belangrijkere zaken gericht. Hij denkt (…) dat als hij verder (…) trekt, hij tegenover een eiland Cipango komt, gesitueerd bij de evenaar. Hij gelooft dat daar zich alle specerijen en juwelen van de wereld bevinden. Hij verklaart dat hij ooit in Mekka was waar de specerijen met karavanen uit verre landen arriveren. Hij had geïnformeerd van waar ze kwamen en waar ze geteeld werden. Ze zeiden dat ze het niet wisten want dat zo’n goederen met andere karavanen van verre landen naar hen werden gebracht (…) Daaruit leidde hij af dat als oosterse mensen vertellen dat die zaken uit verre streken komen en als je ervan uit gaat dat de aarde rond is je via het noorden en het westen daar ook moet geraken. Die route zou niet meer kosten dan wat er nu betaald wordt, en ik geloof dat ook (…)
Zijne Majesteit (…) heeft zoveel vertrouwen in hem omdat hij al veel bereikt heeft, dat hij hem zeer goed beloond heeft, zoals meester Zoanne me zelf heeft verteld. Er wordt verteld dat Zijne Majesteit enkele schepen voor hem gaat uitrusten en hem naar dat land gaat sturen om een kolonie te stichten, zo hopen zij een grotere depot van specerijen op te richten in Londen dan in Alexandrië (…)
Ik heb ook gesproken met een Bourgondiër die meester Zoanne vergezeld heeft en opnieuw met hem wil vertrekken omdat de Admiraal (de titel die de meester gekregen heeft) hem een eiland gegeven heeft, een ander eiland heeft hij gegeven aan zijn barbier die hem ook vergezelde (…)
Uit: Brief van Raimondo da Soncino aan Ludovico Sforza, hertog van Milaan, 1497 Raimondo da Soncino verblijft als vertegenwoordiger van de hertog van Milaan aan het Engelse hof. Hij houdt zijn baas op de hoogte van wat zich daar afspeelt. Iets wat elke diplomaat doet. De brief is oorspronkelijk in het Noord-Italiaans geschreven.
a Onderzo ek hoe betrouwbaar bron 10 is om vragen over de Europese ontdekkingen te beantwoorden.
1 Wie is de auteur van de bron?
2 Aan wie en met welke bedoeling is de brief geschreven?
3 De auteur no emt vier bronnen die hij heeft geraadpleegd. Welke?
4 Besluit: is de bron eerder betrouwbaar of eerder onbetrouwbaar?
b Waarom is dit in elk geval een belangrijke bron over de ontdekkingsreis van John Cabot?
c Geef drie voordelen die Cabot en de Engelsen hopen te krijgen met de ontdekkingsreizen.
d Ho e wil John Cabot in Azië geraken?
e Welk deel van Amerika heeft John Cabot ontdekt?
1 Beluister online het verhaal ‘De oversteek’ van Dirk Bracke en beantwoord de vragen.
a Naar welke windrichting varen ze?
b Welk land hopen ze te vinden?
c Na ho eveel weken varen bereiken ze land?
d Was het plan van Columbus in theorie mogelijk?
e Waarom is het in de praktijk toch mislukt?
f Welke historische redeneerwijzen zijn hier van toepassing?
g Wat is de belangrijkste bekommernis van Miguel?
2 a Geschiedkundigen onderscheiden ‘bedoelde’ en ‘onbedoelde’ handelingen. Zoek in de woordenlijst de betekenis van die historische redeneerwijzen op.
b Geef voor beide historische redeneerwijzen een voorbeeld uit deze les.
3 Formuleer zelf twee historische vragen over de gevolgen van de ontdekkingsreizen. Bespreek klassikaal.
Ontdekkingsreizigers noemen de autochtonen die ze in Amerika aantreffen ‘indianen’. Ze denken immers dat ze in Indië zijn aanbeland. De oorspronkelijke inwoners noemen zichzelf ‘de mensen’, ‘het volk’ ... Het gaat om verschillende volkeren, waarvan sommige goed georganiseerde rijken uitbouwen. Deze les gaat grotendeels over de Mexica in Midden-Amerika. Hoe komen de ‘indianen’ in Amerika terecht? Wie zijn de Mexica? Hoe is hun rijk georganiseerd? Wat gebeurt er met hen na de Spaanse verovering?
1
De ‘indianen’ komen als eersten naar Amerika
BRON 1-2 De eerste ‘indianen’ trekken ongeveer 24 000 jaar geleden van Siberië (Azië) naar Alaska (Amerika). Geleidelijk aan verspreiden die nomaden zich verder over Amerika . Omstreeks 7000 v.C. schakelen sommige stammen van jacht en voedselpluk over op landbouw . Ze worden ook sedentair. De boeren ontwikkelen verschillende groenten en fruit (tomaten, pompoenen, aardappelen …). Vooral de maïsplant is heel belangrijk. Maïs kan voor alles en nog wat gebruikt worden (brood, bier, hoofdmaaltijd …) en is gemakkelijk in gedroogde toestand te bewaren.
2
De Mexica stichten een stad
BRON 3 In streken waar de boeren veel voedsel produceren, groeit de bevolking aan en ontstaan er stadstaten . In Midden-Amerika gebeurt dat vanaf 1400 v.C. Een stadstaat bestaat uit een woonkern met daarrond landbouwgronden . Sommige steden worden groot en machtig en proberen andere stadstaten te onderwerpen. In de Mexicaanse geschiedenis zijn er zo verschillende steden en volkeren die achtereenvolgens grote delen van Mexico controleren.
De Mexica stichten in de 14e eeuw bij het Texcocomeer de stad Tenochtitlan . Van daaruit starten ze een heuse veroveringstocht . Ze werken daarvoor samen met twee andere steden.
3Het rijk en de samenleving van de Mexica
Verslagen vijanden moeten een jaarlijkse schatting betalen: een hoeveelheid producten (huiden, edelstenen, katoen, voedsel, koper, goud ...) en een aantal mensen. Die mensen worden als slaaf ingezet of aan de goden geofferd. Uit angst voor zware straffen en nog zwaardere schattingen gehoorzamen de meesten . Steden en stammen die volgzaam zijn, kunnen beloond worden met een vermindering van de schatting . De stadstaten mogen zichzelf blijven besturen. Omstreeks 1519 bestaat het rijk van de Mexica uit drie hoofdsteden (onder andere Tenochtitlan) en 370 onderworpen steden.
De samenleving is gelaagd: ze bestaat uit verschillende standen (familie van de gebieder , edellieden, gewone mensen, slaven) en beroepen (krijgers, priesters, handelaars, ambachtslieden, kunstenaars, boeren ...). Gewone mensen kunnen opklimmen door zich moedig op het slagveld te gedragen of priester te worden. De meeste slaven zijn krijgsgevangenen of maken deel uit van de
jaarlijkse schatting . Ze hebben nog een redelijke vrijheid . Ze mogen zich bijvoorbeeld vrijkopen en hebben recht op privébezit. De kinderen van een slaaf zijn vrij.
De ‘gebieder ’ staat aan het hoofd van het rijk . Een ‘eerste minister’ en vier legeraanvoerders helpen hem bij het bestuur. Een hele reeks van ambtenaren (rechters, politie, belastinginners, opzichters ...) voert de bevelen uit. De hoogste functie van het rijk is niet volledig erfelijk . Als de gebieder sterft, kiest een raad van priesters , krijgers en edelen uit zijn familie een opvolger . Die familie bestaat uit honderden leden. Heel dikwijls probeert een gebieder via omkoping en afpersing ervoor te zorgen dat zijn favoriete zoon hem na zijn dood kan opvolgen. Vaak bepaalt de gebieder ook wie er opvolgt in andere stadstaten Afgewezen kandidaten , in Tenochtitlan en elders, organiseren soms opstanden . Historici denken daarom dat de mensenoffers ook een politieke functie hadden: om mogelijke tegenstanders en hun aanhangers uit de weg te ruimen.
4
De Spanjaarden stichten
Nieuw-Spanje
BRON 11-12-13-14 Spaanse avonturiers zoeken naar schatten en rijkdommen . Op vrij korte tijd slagen die conquistadores erin om grote gebieden in Amerika te veroveren . In twee jaar tijd verovert Hernan Cortez zo het rijk van de Mexica (1519-1521). Hij beschikt over niet meer dan duizend soldaten. De Spanjaarden hebben daarbij enkele voordelen
(zie bron 7). De veroveringsoorlogen van de conquistadores maken veel slachtoffers De ‘indianen’ blijken ook niet opgewassen tegen Europese ziekten zoals de mazelen, de pokken, de griep en de pest. Volledige steden en stammen sterven uit . Dat versnelt de nederlaag tegen de Spanjaarden.
De Spanjaarden stichten in Midden-Amerika een nieuwe kolonie : Nieuw-Spanje . De vicekoning en zijn medewerkers komen in de plaats van de gebieder. Het Spaans wordt de bestuurstaal. Missionarissen bekeren de onderworpen volkeren tot het katholicisme . De conquistadores roven alle goud en zilver . De beste landbouwgronden gaan naar Spaanse grootgrondbezitters. ‘Indianen’ moeten dwangarbeid verrichten op plantages en in mijnen . Een aantal missionarissen verzet zich daartegen met succes
De ‘indianen’ worden weer vrij en krijgen vooral de slechtere landbouwgronden. Op de plantages en in de mijnen worden zwarte slaven ingezet. De macht en rijkdom in de kolonie zijn vooral in handen van de Spanjaarden en hun afstammelingen. De meeste ‘indianen’ zijn arm. In 1821 wordt de kolonie onafhankelijk van Spanje. Het nieuwe land noemt zich ‘Mexico’, daarmee verwijzend naar de Mexica.
Vergelijk voor elk domein een kenmerk van de samenleving van de Mexica met de Europese samenlevingen in de vroegmoderne tijd.
1 het b egrip ‘gelaagde samenleving’ uitleggen
2 de b egrippen ‘indiaan’, ‘gebieder’ en ‘conquistadores’ uitleggen
3 het ontstaan van stadstaten uitleggen
4 het b elang van maïs aantonen
5 p er domein kenmerken van de samenleving van de Mexica geven
6 kenmerken van verschillende samenlevingen vergelijken
7 verklaren waarom de conquistadores Midden-Amerika kunnen veroveren
8 p er domein een kenmerk van Nieuw-Spanje geven
9 drie gevolgen van de contacten tussen de Mexica en de Spanjaarden opnoemen
1 het rijk van de Mexica en de Spaanse veroveringen in tijd en ruimte situeren
2 op drachten bij historische kaarten oplossen
3 bronnen ontleden om een historische vraag te beantwoorden
4 historische bronnen beoordelen op hun betrouwbaarheid in functie van een historische vraag
5 historische b eeldvorming over ‘indianen’ beoordelen en vergelijken met vandaag
BRON 1 Ontstaan van landbouw en steden
Nabije Oosten
BRON 2 De materiaaltijden
Sommige ‘indianen’ kennen na verloop van tijd koper, maar gebruiken het vrijwel niet.
Nabije Oosten
Centraal-Europa
Onze gewesten
Midden-Amerika
steentijd kopertijd bronstijd ijzertijd
a Bestudeer de tijdlijnen.
b Welke gelijkenissen en verschillen zie je tussen de ‘indianen’ van Midden-Amerika en andere samenlevingen?
c Welke historische redeneerwijze is hier van toepassing? Gelijktijdigheid of ongelijktijdigheid? Leg uit waarom.
BRON 3 De Mexica stichten Tenochtitlan

Uit: Codex Mendoza, ca. 1542
De ‘Codex Mendoza’ bestaat uit beeldschrift met commentaar in het Spaans ernaast geschreven. Hij wordt gemaakt door Mexica onder toezicht van geestelijken. Het boek is bedoeld voor keizer Karel V, maar bereikt hem nooit. Franse piraten kapen het schip waarin het zich bevindt. Het boek komt in de 17e eeuw uiteindelijk in Engeland terecht.
a Volgens de legende stichten de Mexica de stad op de plaats waar de goden hun een voorteken geven. Bovenaan in het midden staat dat voorteken. Wat hebben de Mexica gezien?
b Heeft de bron haar doelpubliek bereikt?
c Beo ordeel de bron op haar betrouwbaarheid om vragen over de Mexica te beantwoorden.
d Een verslagen stad krijgt een brandende tempel als symbool. Hoe wordt een overwinning van de Mexica ook nog afgebeeld?
BRON 4 A B C D E





Bovenstaande afbeeldingen komen uit boeken zoals de ‘Codex Mendoza’. Noem bij elke afbeelding de juiste groep. Kies uit: boer –edelman –handelaar –krijger –slaaf.
BRON 5 Het rijk van de Mexica in 1519
a Opzo ekopdracht: op de plaats van Tenochtitlan ligt de huidige hoofdstad van Mexico. Hoe heet die stad en hoeveel inwoners telt ze vandaag?
b Is het rijk van de Mexica kleiner of groter dan het huidige Mexico?
c Welk ander ‘indianenvolk’ woonde ook nog op het grondgebied van het huidige Mexico?
BRON 6 Drijvende landbouweilanden

De Mexica irrigeren niet alleen droge stukken land, maar maken in het meer drijvende landbouweilanden (‘chinampas’). Op rieten vlotten die in de meerbodem verankerd zijn, gooien ze vruchtbaar slib uit het meer.
Eén gezin dat zeven weken boert, heeft genoeg eten voor een heel jaar. De Mexica hebben dus veel tijd om te oefenen als ambachtsman of krijger.

a Welk belangrijk voordeel hebben de landbouweilanden?
b Waarvoor hebben de Mexica dus veel tijd?
BRON 8 Mensenoffers voor de goden
De indianen brachten de ongelukkigen naar de top van de grote tempel (...) We zagen dat ze pluimen op de hoofden van veel van onze mannen zetten en ze dwongen ze te dansen voor Huitzilopochtli (zonne- en oorlogsgod) met een soort waaiers in hun hand en toen ze hadden gedanst, werden ze op hun rug over een of andere smalle steen gelegd die als offerplaats diende. Met stenen messen sneden ze hun borstkas open, trokken hun kloppend hart eruit en hielden het op voor hun afgodsbeelden daar, en de lichamen schopten ze de trap af. De indiaanse slagers die beneden stonden te wachten, hakten hun armen en voeten af.
Uit: Bernal Diaz del Castillo, De ware geschiedenis van de verovering van Nieuw-Spanje, 1568
De conquistador Del Castillo (1492-1581) neemt deel aan de beslissende veldslag om Tenochtitlan. Hij wordt later gouverneur van Guatemala. In 1568 schrijft hij een werk over de verovering omdat hij vindt dat er veel onwaarheden worden verteld. Hij publiceert het echter niet. Het wordt in de 17e eeuw in zijn archief ontdekt.
Het geldt als een belangrijke bron voor de Spaanse verovering van Mexico.
BRON 9 Illustraties uit de 16e eeuw, gemaakt op vraag van de Spanjaarden


BRON 10 Schedelmuur in Mexico-Stad

a Wie is Huitzilopochtli?
De schedelmuur wordt ontdekt bij opgravingen in de buurt waar de grote tempel van de Mexica stond. Archeologen ontdekken de laatste decennia bij opgravingen op oude sites van de Mexica steeds meer menselijke resten van geofferden.
b Bekijk bron 9. Waar gaat het hart van een geofferde naartoe? Wat gebeurt er met een ander gedeelte van het lichaam?
c Hedendaagse b ewonderaars van de ‘indianen’ zeggen soms dat bronnen 8 en 9 niet juist zijn.
d Waarom zou je kunnen twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze bronnen?
e Met welke bedoeling zouden de Spanjaarden onwaarheden vertellen?
f De laatste decennia is er meer duidelijkheid gekomen. Leg uit.
BRON 11 Een gevecht tussen Spanjaarden en Mexica (rechts)

BRON 12 Brief aan de franciscanen
De bewoners van dit land zijn tamelijk goed van karakter en gedrag, een feit dat ze zeer geschikt en geneigd maakt om ons geloof te aanvaarden. (…) Het is onmogelijk iets van hen te bekomen door vriendelijkheid of goedheid. Dit kwaad is niet zozeer aan hun karakter maar eerder aan hun gewoonten toe te schrijven: ze hebben nooit geleerd te handelen uit liefde voor de deugd, maar alleen uit schrik en door dwang. Alle offers die ze doen, zoals hun eigen kinderen doden of verminken, doen ze uit angst en niet uit liefde voor hun godheden. (…) Deze goden hadden ook een groot aantal geestelijken of priesters, die zich alleen met het vlees van kinderen voedden en hun bloed dronken (…) De meeste van die priesters leidden een leven van ontucht. (…) Maar God zij dank, een menigte indianen hebben dit pad al verlaten en zich tot het christendom bekeerd.
Uit: Pieter van Gent, Brief aan de franciscanen in Vlaanderen, 1529, vertaald uit het Spaans
Uit: De codex van Lienzo de Tlaxcala, ca. 1552 De Tlaxcala zijn vijanden van de Mexica. Het document komt ca. 1552 in Spanje terecht.
De tekening laat vier voordelen zien die de Spanjaarden op hun tegenstanders hebben. Welke? TIP L et onder andere op de dieren.

Standbeeld van Pieter van Gent, 1976, Mexico-Stad Het standbeeld wordt in 2020 weggehaald, zogezegd voor restauratie.
BRON 14 Brief aan keizer Karel V
Aangezien deze indianen uit Nieuw-Spanje uw onderdanen zijn, past het en is het rechtvaardig dat ze als zodanig beschermd worden. Nu sterven ze van honger en worden ze uitgeroeid. De Spanjaarden die hier aangeland zijn, hebben hen van hun eigendommen beroofd, ze tot slaven gemaakt. Uwe Majesteit zelf heeft daar groot voordeel uit getrokken (…) Als dienaar van uwe Majesteit en als degene die de indianen het best kent, (…) waarschuw ik uwe Majesteit dat, als hij er niet over waakt dat de belasting betaald wordt zoals in Spanje, alleen op basis van eigen bezit, en indien men de indianen niet vrijstelt van verplichte karweien, het land verloren is. Binnen de dertig jaar zal deze streek zo ontvolkt zijn als de eilanden. Als men hun daarentegen de vrijheid terug schenkt en de vrijstelling van dienst, dan zal het land herleven.
Uit: Pieter van Gent, Brief aan keizer Karel V, 1552, vertaald uit het Spaans Pieter van Gent (ca. 1480-1572) is geboren in Idegem of Aaigem en waarschijnlijk verwant aan keizer Karel V. Hij studeert in Leuven of Parijs. In Gent treedt hij toe tot de kloosterorde van de franciscanen. In 1522 gaat hij als missionaris naar het pas veroverde Mexico. Hij leert de taal van de Mexica. Hij richt een school, ziekenhuizen en kunstateliers op. Pieter verdedigt de inheemse bevolking tegen de uitbuiting door de Spanjaarden. Pieter is populairder bij de ‘indianen’ dan bij de kolonisten. Hij heeft contact met keizer Karel V en diens opvolger, Filips II. Nadat ook andere geestelijken de uitbuiting aangeklaagd hebben, verbiedt de keizer dwangarbeid voor de ‘indianen’. Pieter weigert de functie van aartsbisschop van Mexico. Hij wordt in 1988 zalig verklaard.
a Beoordeel de standplaatsgebondenheid van Pieter van Gent om vragen over de Mexica te beantwoorden. Welke zaken hebben op hem betrekking? Kies uit: missionaris – ooggetuige – contact met het Spaanse hof – Vlaming – buit ‘indianen’ uit –schrijft geruime tijd na de feiten – geleerde – avonturier – overtuigd christen – ‘indiaan’ – onderdrukt.
b Welk beeld hebben de geestelijken van de ‘indianen’ in de 16e eeuw? Verklaar dat beeld. In welke mate verschilt dat met het beeld dat we vandaag hebben?
c Do et Pieter van Gent in bron 14 een beroep op mensenrechten of op iets anders? Waarom zou hij dat doen?
d Naar aanleiding van de 500e verjaardag van de Spaanse verovering van Tenochtitlan werd in 2020 in Mexico-Stad het standbeeld van Pieter van Gent verwijderd. Is dat terecht? Haal uit de bronnen en de contextinformatie zowel argumenten voor als tegen.
In de Verenigde Staten hebben veel zwarte burgers het tegenwoordig nog steeds niet gemakkelijk in de samenleving. Vooral racisme en discriminatie bemoeilijken hun kansen. Die zaken vinden grotendeels hun oorsprong in het slavernijverleden van het land. Waarom bestaat er eeuwenlang slavernij op het Amerikaanse continent? Wat is de rol van de Europeanen in dit verhaal? Hoe zijn die zwarte slaven in Amerika geraakt? Wanneer is er een einde aan die praktijken gekomen? Hoe zit het op dat moment met slavernij en slavenhandel bij andere samenlevingen?
VROEGMODERNE TIJD
MODERNE TIJD SLAVENHANDEL
1Europese slavenhandel in de vroegmoderne tijd
BRON 2 Slavernij is iets van alle tijden en culturen
Zowel in de periode van het oude nabije oosten als in de klassieke oudheid zijn slavenarbeid en slavenhandel wijdverspreid, ook in Europa. Tijdens de middeleeuwen – onder invloed van het christendom – verdwijnt de slavernij geleidelijk in West-Europa, tenminste officieel. In Zuid- en Oost-Europa blijft slavernij wel voortbestaan (al dan niet op beperkte schaal). De slaven in kwestie zijn doorgaans leden van volkeren die door anderen zijn onderworpen (net zoals bijvoorbeeld bij de Romeinen). I n de vroegmoderne tijd zullen sommige West-Europese landen (opnieuw) slavernij gaan tolereren. Hoe komt dat?
Aan het einde van de 15e eeuw en het begin van de 16e eeuw koloniseren de Spanjaarden en de Portugezen grote delen van het nieuw ontdekte continent Amerika (zie les 7). Ze onderwerpen er de inlandse volkeren en starten met de ontginning van de Amerikaanse natuurlijke rijkdommen. Ze voeren er ook nieuwe teelten in (onder andere suikerriet) die heel arbeidsintensief zijn. Om in de mijnen en op de plantages te werken heeft men veel en goedkope werkkrachten nodig. Aanvankelijk wordt de lokale bevolking (‘indianen’) daarvoor tot slavernij
gedwongen. Die bevolking is echter niet alleen opstandig, maar ook heel verzwakt en sterk verminderd door allerlei ziekten die door de Europeanen zijn meegebracht. Bovendien moeten onder andere de Spaanse vorsten – onder druk van de Kerk – de indianen rechten verlenen. Ze blijven wel tweederangsburgers, maar kunnen toch niet meer schaamteloos uitgebuit worden.
2De ‘duivelse driehoekshandel’
BRON 1-3-4-5-6-7-8 De steeds groter wordende slavenhandel verloopt volgens een min of meer vast patroon. Europese kooplui brengen met hun zeilschepen goedkope massaproducten (textiel, wapens, metalen voorwerpen …) naar Afrika. In ruil voor die Europese goederen leveren plaatselijke (Afrikaanse) heersers de nodige slaven . Die worden meestal ontvoerd uit het binnenland. Zowel de Europeanen als die lokale heersers organiseren regelmatig rooftochten naar de ‘menselijke handelswaar’. Vol Afrikaanse slaven zeilen de Europese schepen vervolgens de Atlantische Oceaan over. Op de Amerikaanse slavenmarkten verkopen de handelaars hun levende waren. Met de opbrengsten kopen ze koloniale producten (suiker, katoen, tabak …) waarvoor in Europa een hoge prijs betaald wordt.
Die producten zijn uiteraard veel meer waard dan de goederen waarmee ze een aantal maanden eerder in Europa zijn vertrokken. Het systeem van ‘driehoekshandel’ (Europa-Afrika-Amerika) brengt op die manier de rijkdommen uit de kolonies naar Europa.
Hoewel velen in Europa de slavenhandel afkeuren, knijpt men een oogje dicht omdat de slavernij op dat moment gewoon onmisbaar is. Om de handel enigszins goed te praten begint men racistische argumenten te verzinnen en te gebruiken (Afrikanen zijn minderwaardig). Sommige van die racistische ideeën raken sterk ingeburgerd in de Europese en Amerikaanse samenleving. Door de grote winsten blijft de slavenhandel niet alleen een Portugese onderneming. Ook Franse, Britse en ‘Nederlandse’ handelsondernemingen starten met steun van hun regeringen een handel in Afrikaanse slaven. Omstreeks 1730 nemen de Britten de leiding. In de 18e eeuw bereikt de slavenhandel zijn hoogtepunt. Miljoenen slaven worden in die eeuw over de oceaan getransporteerd. De Afrikanen die als slaaf opgekocht worden, wacht een triestig lot. Weggerukt uit hun leefomgeving en gescheiden van hun familie worden ze als vee op de schepen gedreven naar een voor hen onbekende bestemming. Onderweg sterft gemiddeld één op vijf aan honger, uitputting of ziekte. Voor diegenen die aankomen, resten slechts armoede en levenslange dwangarbeid
In de loop van de 18e eeuw – onder andere onder invloed van de Verlichting (zie les 14) – gaan er steeds meer stemmen op om aan die onmenselijke praktijken een einde te maken . Vooral in GrootBrittannië, waar zich een beginnend ‘democratisch ’ systeem begint te vormen, laten de tegenstanders van de slavenhandel en de slavernij steeds luider van zich horen. Tijdens de Franse Revolutie (vanaf 1789 – zie les 15) worden de eerste wettelijke maatregelen tegen de slavenhandel en de slavernij genomen. Met de uitvoering van die maatregelen loopt het echter vaak mis en soms worden ze zelfs teruggedraaid.
In 1807 verbiedt Groot-Brittannië als een van de eerste landen ter wereld de handel in slaven (binnen het Britse Rijk). Geleidelijk volgen de andere Europese landen. De handel wordt aanvankelijk echter nog overgenomen door harde zakenlui en piraten. Wanneer later ook de slavernij meer en meer wordt verboden, valt die handel geleidelijk stil.
Niet alleen menslievendheid ligt aan de basis van het verbod op slavenhandel en slavernij, maar ook het feit dat slavenarbeid niet langer rendabel blijkt. Dankzij de bevolkingstoename zijn gewone arbeidskrachten goedkoper. Ook de uitvinding van allerlei machines maakt grootschalige slavenarbeid steeds meer overbodig.
Vandaag verbieden talrijke wetten en verklaringen (mensenrechten) de slavernij. Maar in de praktijk worden wel nog steeds miljoenen mensen in slavernij gehouden.
4Niet-Europese slavenhandel in de vroegmoderne tijd
Niet alleen de Europeanen hebben miljoenen Afrikaanse slaven geroofd, gekocht en weggevoerd. Onder andere in het Ottomaanse Rijk en de hele islamitische wereld bestaan in de vroegmoderne tijd ook bloeiende slavenmarkten waar op grote schaal Afrikanen worden gekocht en verkocht. Over de juiste omvang van die handel bestaan voorlopig weinig exacte gegevens. Voorzichtige schattingen komen voor die periode toch op enkele miljoenen uit.
Naast Afrikaanse slaven worden tussen de 16e en 19e eeuw ook heel wat Europeanen door islamitische slavenhandelaars verhandeld. Recent onderzoek stelt dat tussen 1530 en 1780 meer dan één miljoen Europeanen door hen zouden zijn ontvoerd en als slaaf verkocht. Daarnaast worden er ook honderdduizenden (miljo enen?) mannen, vrouwen en kinderen vanuit de Balkan, Rusland en de Kaukasus als slaaf naar het Ottomaanse Rijk afgevoerd.
Ook in Afrika , Azië en bij de niet-Europese samenlevingen in Amerika komt slavernij in die tijd vaak op grote schaal voor.
1 de b egrippen ‘slaaf’ en ‘slavernij’ uitleggen
2 het b egrip ‘driehoekshandel’ uitleggen
3 de werking van de driehoekshandel uitleggen
4 een manier no emen waarop men de slavenhandel goedpraat
5 twee redenen noemen – buiten elementaire mensenrechten –die mee verklaren waarom slavenhandel en slavernij door de Europeanen worden afgeschaft
6 drie gebieden no emen waar islamitische slavenhandelaars slaven gingen zoeken
7 het verhaal van de slavernij in een breder perspectief plaatsen (zowel voor als na de vroegmoderne tijd)
OPDRACHTEN
1 Welke stelling omschrijft het best het begrip ‘slaaf’?
1 de b etrouwbaarheid van historische bronnen beoordelen in functie van een historische vraag
2 gevraagde informatie uit bronnen halen
3 historische bronnen vergelijken
4 b espreken hoe we omgaan met collectieve herinnering
5 de opvattingen over slavernij in de vroegmoderne tijd vergelijken met de hedendaagse opvattingen
6 de representativiteit van historische bronnen beoordelen
- Een slaaf is een p ersoon die voor een heel laag loon werkt voor iemand anders en moeilijk van job kan veranderen.
- Een slaaf is een p ersoon die verbonden is aan de grond waarop hij woont, maar die hij niet bezit. In ruil voor het gebruik van die grond moet hij de eigenaar ervan van dienst zijn.
- Een slaaf is een p ersoon die niet vrij is, amper of geen rechten heeft en als eigendom wordt beschouwd van iemand anders.
2 In het hedendaagse debat over de slavernij stellen sommige mensen dat het woord ‘slaaf’ beter vervangen kan worden door de uitdrukking ‘tot slaaf gemaakte persoon’.
1 Waarom zal die uitdrukking voor hen de voorkeur wegdragen, denk je?
2 Wat is jouw mening over deze kwestie? Bespreek klassikaal.
3 Lees punt 3 en 4 van de lestekst en b eantwoord dan de vragen.
a Zo ek in de lestekst een algemene reden waarom mensen zich in de 18e eeuw tegen slavenhandel en slavernij beginnen te verzetten.
b Zo ek ook een specifieke reden waarom die tegenstanders aanvankelijk vooral in Groot-Brittannië van zich laten horen.
c De Britse overheid verbiedt in 1807 de slavenhandel. Maar wat is dan nog altijd niet verboden?
d Valt met het verbod op de slavenhandel die handel ook effectief stil? Argumenteer.
e Waarom wordt in de 19e eeuw slavenarbeid minder rendabel?
f Wie – naast de Europeanen – handelt er ook in Afrikaanse slaven?
g Onderzo ek naar artikels over de handel in Europese (christelijke) slaven door moslims zijn vaak omstreden. Waarom is aandacht voor dit onderwerp zo gevoelig, denk je?
BRON 1 De driehoekshandel
a Naar welk continent brengen de Europeanen de meeste slaven?
b In welke sectoren worden de meeste slaven tewerkgesteld? Kies uit: industrie – plantages –scheepsbouw – mijnbouw – visserij.
c Met welke producten keren de slavenhandelaars terug naar Europa?
d Welke oceaan is de draaischijf van die Europese slavenhandel?
e Bekijk de Europese handel tussen de continenten. Waarom spreekt men van driehoekshandel, denk je?
f Naar waar en door wie werden er ook veel Afrikaanse slaven vervoerd?
2 Black Lives Matter

Op 7 juli 2020 wordt in Bristol (Verenigd Koninkrijk) het standbeeld van Edward Colston omvergetrokken en in het water gegooid. Edward Colston (1636-1721) is een Engelse handelaar en politicus uit Bristol. Tijdens zijn carrière raakt hij ook betrokken bij de grootschalige Britse handel in zwarte slaven. Op die manier heeft hij zeker geld verdiend, al is het aandeel van die inkomsten in zijn fortuin onduidelijk. Tijdens zijn leven heeft Colston een deel van zijn fortuin geschonken aan allerlei goede doelen in zijn thuisstad (scholen, ziekenhuizen …). Later wordt hij gezien als een van de mensen die het Verenigd Koninkrijk mee groot gemaakt hebben. Om die redenen wordt in 1895 een standbeeld voor hem opgericht. Rond die tijd is het Verenigd Koninkrijk het machtigste en rijkste land ter wereld en heersen de Britten over een enorm wereldrijk. De actie tegen het standbeeld gebeurt door activisten in de nasleep van de dood van George Floyd in de Verenigde Staten. Floyd is een zwarte man die op 25 mei 2020 sterft na zijn arrestatie door een blanke politieagent. De gebeurtenissen zijn gefilmd door omstaanders en leiden tot een golf van protest. Het protest richt zich zowel tegen het geweld van de Amerikaanse politie tegenover zwarten als tegen het blijvende racisme in de hele Amerikaanse samenleving. Vooral de in 2013 opgerichte beweging Black Lives Matter (BLM) neemt daarbij het voortouw. De protesten blijven bovendien niet beperkt tot de Verenigde Staten alleen, maar verspreiden zich over de hele (westerse) wereld.
a In welk tijdvak krijgt Colston een standbeeld in Bristol?
b Haal uit de contextinformatie twee mogelijke redenen waarom Colston toen een standbeeld heeft gekregen.
c Waarom zal iemand als Colston in onze huidige westerse samenleving geen standbeeld meer krijgen?
d Bespreek klassikaal wat jouw mening is over hoe we moeten omgaan met dergelijke historische monumenten.
De Afrikanen (...) waren eraan gewoon geraakt die waren van de Europeanen te betrekken. Daarom probeerden ze zich andere waren te verschaffen om te ruilen, want geld hadden ze niet. Alle gevangenen van kleine oorlogen werden verhandeld ofwel aan zwarte slavenhandelaars, ofwel rechtstreeks aan de Europese slavenschepen. Als de stamhoofden echter gebrek hadden aan dergelijke oorlogsbuit, dan pakten zij eenvoudig die onderdanen op die zij het best konden missen. Het kwam ook voor dat de vader zijn kinderen, de man zijn vrouw en de ene broeder de andere broeder naar de slavenmarkt sleepte. Bij zulke rooftochten ontbrak het natuurlijk niet aan gruwelijkheden van allerlei aard. Maar het moet worden toegegeven dat de Europeanen met hun vraag naar dergelijke koopwaar de aanleiding vormden voor al deze ellende. BRON 3 Menselijke
De mensen werden beschouwd als koopwaar, die men ruilde voor Europese producten. Het kwam er dus op aan zulke waren uit te zoeken, die de zwarten nodig hadden of wensten. Dat waren in de eerste plaats alle soorten geweren en kruit, tabak, aarden pijpen, brandewijn, katoen en allerlei snuisterijen (spiegels, messen, naalden ...).
Uit: Joachim Nettelbeck, Memoires, 1821-1823
Joachim Nettelbeck (1738-1824) is een Duitse avonturier en zeeman. Als 11-jarige maakt hij – aanvankelijk als verstekeling – een reis mee aan boord van een Hollands slavenschip. Later, in de jaren 1770, maakt hij opnieuw een aantal van dergelijke reizen mee, maar ditmaal als eerste stuurman. In zijn ‘Memoires’ – geschreven nadat de meeste Europese landen de slavenhandel officieel hadden verboden – neemt hij afstand van die slavenhandel. Hij voegt er wel het volgende aan toe: ‘Vijftig jaar geleden was en gold deze kwaadaardige mensenhandel als een handel zoals een andere, zonder dat men veel nadacht over de wettigheid of onwettigheid ervan. Wie daarbij betrokken was, wachtte een harde en zware dienst, maar ook een acceptabele winst. Barbaarse wreedheid tegen de aangekochte mensenlading was daarbij geen noodzakelijke voorwaarde en vond waarschijnlijk slechts in geïsoleerde gevallen plaats; ook heb ik van mijn kant nooit daartoe geadviseerd of geholpen.’
a Waarom werken de Afrikanen zelf mee aan die slavenhandel?
b Wat doen sommige stamhoofden als ze geen krijgsgevangenen hebben?
c Wie heeft volgens de auteur de meeste schuld aan die handel: de Afrikanen of de Europeanen? Motiveer je antwoord met een tekstfragment.
d Lees de contextinformatie bij de bron. Nettelbeck heeft deze tekst bijna 50 jaar na de feiten geschreven. Welke evolutie (verandering) heeft zijn beschrijving beïnvloed?
e Ho e blijkt dat die evolutie een invloed heeft gehad?
BRON 4 Een winstgevende handel
Alleenlijk zal ik hier aanmerken, dat er vele bedryven plaats hebben, welke ongeoorloofd zouden schynen, indien er geen byzonder voordeel in te vinden was. Getuige zy hier van de slavenhandel, dien men alleen door het voordeel, ’t welke dezelve aan de kooplieden toebrengt, van onwettigheid kan vryspreken.
Uit: David Henri Gallandat, Noodige onderrichtingen voor de slaaf-handelaren, 1769
David Henri Gallandat (1732-1782) is een Zwitser van geboorte, maar verhuist op zijn 14e naar Vlissingen. Als scheepsdokter maakt hij een aantal reizen mee aan boord van Zeeuwse slavenschepen.
a Ho e zou Gallandat de slavenhandel normaal beoordelen?
b Waarom heeft hij er uiteindelijk toch geen probleem mee?
c Gallandat geeft in zijn werk de lezers allerlei adviezen voor hoe ze slaven onderweg moeten behandelen en verzorgen: voldoende eten en drinken (in de mate van het mogelijke), voldoende verse lucht …
d Geeft hij die adviezen alleen uit humanitaire overwegingen, denk je? Argumenteer.
Soo seg ick / dat de Inboorlingen of Negers, Negros soo als ick haar voortaan sal noemen (vermits het woord van Neger of Niger, Swart beteekend / en Negers, Swarten,) alle en geene uytgesonderd van een schelachtigen en bedriegelijken
Aart syn/ op wien men sig selden mag verlaten. Zy en sullen geen gelegentheyd om een Europiaan, ja om malkander te bedriegen, laten voorby gaan; (…)
Eten de negers des gering en weynig / zy suypen des te overvloediger (…)
In den beginnen van desen brief heb ik UE gesegt / dat de Negers geheel luy, en niet wel aan ’t werken te krijgen sijn / dies sy ook seer weynig Konsten en Handwerken onder haar hebben (…) BRON
Over ‘mulatten’, kinderen van Europeanen en Afrikanen:
Dit geele gebroed is / jong zijnde / niet seer mooy, en oud geworden sijnde / sou men’er de Kinders meede konnen na Bed toe jagen
Uit: Willem Bosman, Nauwkeurige Beschryving van de Guinese Goud- Tand- en Slaave-kust (…), 1703
Willem Bosman (1672-na 1703) is handelsagent van de West-Indische Compagnie (WIC). Dat is een ‘Nederlandse’ vennootschap die zich vooral met de handel van slaven bezighoudt. In dienst van de WIC verblijft hij 14 jaar in Fort Elmina, een belangrijke (slaven)handelspost in het huidige Ghana. In 1702 keert hij terug naar de Verenigde Provinciën, waar hij zijn boek publiceert. Van zijn verdere leven is niets geweten. De tekst is eigenlijk een bundeling van de vele brieven die hij aan zijn neef doorheen de jaren heeft geschreven. Bovenstaande fragmenten komen uit zijn negende brief. Het boek wordt in de 18e eeuw meermaals herdrukt en ook vertaald naar het Frans, het Duits, het Italiaans en het Engels. De meningen die in deze tekst verkondigd worden, zijn in die tijd geen uitzondering.
a Welk beeld hangt Bosman op van Afrikanen?
b Mag een dergelijke mening tegenwoordig nog verkondigd worden? Motiveer je antwoord.
c Bestaan dergelijke meningen nog?
d Waarom maakten opvattingen als die van Bosman de slavenhandel meer aanvaardbaar?
e Wat zou een mogelijke reden zijn waarom de tekst hier in zijn originele vorm is gebracht en niet in een hedendaagse vertaling, denk je?
f Is dit een representatieve bron voor het beeld dat de Europeanen in de vroegmoderne tijd hebben van Afrikanen?
BRON 6 De slavenhandel in cijfers
Regio 1451-16001601-17001701-18101811-1870Totaal
Noord-Amerika - - 496 51547
Spaans-Amerika 75 293 623 6061597
Caraïben - 4643366 963926
Brazilië 50 560191011453665
Atlantische eilanden 150 25 - - 175
Totaal 2751341639518989910 Jaarlijks gemiddelde 1,8 13,4 58,1 31,623,6
a In welke eeuw begint de handel in zwarte slaven naar Amerika?
b Tot in welke eeuw neemt de slavenhandel drastisch toe?
c In welke periode krijgt de handel af te rekenen met een scherpe daling?
De slavenhandel in cijfers
De cijfers zijn in duizendtallen.

Het Britse slavenschip ‘Brookes’
Deze tekening wordt in 1788 gepubliceerd door de afdeling in Plymouth van de Maatschappij voor de Afschaffing van de Slavenhandel. Die vereniging is in 1787 mee opgericht door Thomas Clarckson (1760-1846), een van de belangrijkste stemmen tegen de slavenhandel in Groot-Brittannië. Voor zijn verzet tegen die slavenhandel wordt hij in Liverpool – een van de belangrijkste havens voor de Britse slavenhandel en de thuisbasis van het schip ‘Brookes’ – zelfs aangevallen en bijna vermoord door zeelui die betaald zijn door slavenhandelaars.
De tekening wordt vervolgens op grote schaal gekopieerd en verspreid. Tegenwoordig is het een van de meest gebruikte afbeeldingen om de gruwel en de onmenselijkheid van de slavenhandel aan te tonen. De tekening leert bijvoorbeeld dat het schip in theorie 454 slaven kon vervoeren, maar dat er in werkelijkheid soms meer dan 600 slaven aan boord waren.
a Ho e blijkt uit deze tekening dat winstbejag dé drijfveer was van de slavenhandelaars?
b Zowel in het verleden als tegenwoordig is er kritiek op de afbeelding omdat er fouten en onnauwkeurigheden in zouden zitten. Waarom was een volledig juiste voorstelling misschien niet het belangrijkste doel van de makers?
De volgende dag werden mijn zuster en ik gescheiden [nadat we door zwarte slavenjagers werden ontvoerd]. Zij werd van mij afgerukt en onmiddellijk weggedragen terwijl ik achtergelaten werd in een verwarring die niet te beschrijven is. [De auteur zou zijn zus nooit meer weerzien.] Ik huilde en jammerde voortdurend en gedurende een aantal dagen at ik niets behalve wat zij in mijn mond propten. (…)
[Na een aantal keer te zijn doorverkocht wordt uiteindelijk de kust bereikt.] Het eerste wat ik zag toen ik aankwam aan de kust was de zee met een slavenschip dat daar voor anker lag en wachtte op een lading. Dit vervulde mij met verbazing die weldra omsloeg in ontzetting toen ik aan boord werd gebracht. Ik werd onmiddellijk door een paar bemanningsleden beetgepakt en heen en weer geschud om te zien of ik gezond was en ik was er nu van overtuigd dat ik terecht was gekomen in een wereld van boze geesten die mij zouden doden. (…)
Toen ik het schip rondkeek (…) en een menigte zwarte mensen zag die aaneengeketend waren, terwijl elk van hun gelaatstrekken wanhoop en verdriet uitdrukte, twijfelde ik niet meer aan mijn lot. (…) Weldra was ik benedendeks gebracht, en daar kregen mijn neusgaten een begroeting zoals ik nog nooit in mijn leven had meegemaakt. Door de verfoeilijke stank samen met het huilen werd ik zo ziek en beroerd dat ik niet kon eten (…) Ik verlangde nu naar de laatste vriend, de dood, om mij te verlossen; maar spoedig boden twee witte mannen mij etenswaren aan, en toen ik weigerde te eten, hield een van hen mij vast bij de handen en legde mij over de windas, en bond mijn voeten terwijl de andere mij zwaar geselde. BRON 8 Het verhaal van Gustavus Vassa
Uit: Olaudah Equiano, Het interessante verhaal over het leven van Olaudah Equiano of Gustavus Vassa, de Afrikaan, 1789 Olaudah Equiano (ca. 1745-1797) is volgens zijn eigen zeggen geboren in het huidige Benin als zoon van een lokale leider. Zijn vader houdt en verkoopt ook slaven. Die slaven zijn ‘krijgsgevangen, of eigen mensen die waren veroordeeld voor ontvoering, of overspel, of misdaden die we afschuwelijk achten’. Ze worden verkocht voor zaken als geweren, buskruit … Equiano wordt evenwel als kind ontvoerd en zelf als slaaf verkocht. Hij belandt eerst in Amerika. Daar wordt hij niet tewerkgesteld op een plantage of in de mijnen, maar dient hij persoonlijk zijn meester. Hij krijgt ook de kans om te leren lezen en schrijven. Na daar nog een paar maal te zijn doorverkocht, en ondertussen de naam Gustavus Vassa te hebben gekregen, weet hij zich vrij te kopen – iets wat eerder uitzonderlijk is. Hij vestigt zich vervolgens in Londen, waar hij mee campagne zal voeren tegen slavenhandel en slavernij. Om die campagne kracht bij te zetten publiceert hij zijn levensverhaal, een van de eerste werken geschreven door een Afrikaan dat in Europa is gepubliceerd.
a Wat is het belangrijkste verschil tussen het getuigenis in deze bron en de vorige bronnen?
b Geef twee voorbeelden uit de tekst die duidelijk maken dat de slavenhandel onmenselijk en gruwelijk was.
c Lees het eerste deel van de contextinformatie bij de bron en vergelijk dat met de tekst van Nettelbeck (bron 3). Spreken de teksten elkaar tegen of niet? Argumenteer.
d Kun je de tekst van Equiano als een representatieve bron beschouwen als je meer wilt weten over het lot van de meeste slaven? Haal twee argumenten voor je antwoord uit de contextinformatie bij de bron.
1
Een degelijke Hollandse fiets wordt gemaakt uit Turks staal, krijgt wielen uit Duitsland, banden uit Indonesië, verlichting uit Taiwan en een bel uit Bulgarije. Wij drijven dus handel met zowat de hele wereld. Dat was in de middeleeuwen wel anders. Veel hedendaagse handelstechnieken bestaan al verschillende eeuwen. Ze zijn dikwijls ontstaan om concrete problemen op te lossen. Hoe evolueert de handel tot de 13e eeuw? Hoe gaat die evolutie verder tussen 1200 en 1600? En daarna tussen de 16e tot de 18e eeuw?
Handel tot de 13e eeuw
BRON 1 In de vroege middeleeuwen was de langeafstandshandel beperkt tot enkele luxeproducten zoals specerijen, stoffen en zout. Vanaf de 12e eeuw herleeft die handel door de opkomst van de steden en de jaarmarkten . De jaarmarkten van Champagne groeien uit tot het belangrijkste handelscentrum. In de jaarmarktsteden Bar-sur-Aube, Troyes, Provins en Lagny-sur-Marne ontmoeten kooplieden uit Vlaanderen en Brabant Italiaanse kooplieden. Maar ook Duitse en Engelse handelaars komen met hun producten naar die jaarmarkten. Elke jaarmarkt duurt 3 tot 7 weken. De handelaars reizen van de ene naar de andere jaarmarkt.
2
Maritieme handel neemt de rol van de jaarmarkten over (13e-16e eeuw)
BRON 2-3 In de 13e eeuw neemt de maritieme handel de rol van de jaarmarkten over. In de laatste decennia van de 12e eeuw varen Duitse kooplieden Brugge binnen. Duitse kooplieden en steden verenigen zich in de Duitse Hanze om samen veilig te reizen en gunstige prijzen af te dwingen. Vanaf eind 13e eeuw lossen en laden schepen uit Genua en
Venetië goederen in Brugge , de noordelijke wereldhaven . Brugge is het kruispunt tussen de Duitse Hanze, Italië en Engeland, dat wol levert voor de steden. Eind 15e eeuw neemt Antwerpen die rol over.
De handel wordt wereldhandel (16e-18e eeuw)
BRON 4-5 Door de ontdekkingen en de kolonisaties verandert de handel grondig. Spanje, Portugal en later Nederland, Frankrijk en Engeland halen producten uit hun kolonies in Azië, Amerika en Afrika.
De Atlantische Oceaan wordt de draaischijf van die handel. In de 16e eeuw is Antwerpen het centrum van de intercontinentale handel . Later nemen Amsterdam (17e eeuw) en Londen (18e eeuw) de fakkel over. De mondialisering brengt nieuwe uitdagingen en nieuwe oplossingen.
Lange reizen waren heel duur (aankoop en uitrusting van het schip) en niet zonder risico (schipbreuk, piraterij). Om die risico’s te beperken en spreiden, bedenken de ondernemers allerlei systemen. Eerst is er de ‘commissiehandel’ : handelaars gaan samenleggen om één expeditie te bekostigen. De eventuele winst wordt dan verdeeld onder diegenen die hebben samengelegd. Na verloop van tijd streeft men naar vormen van meer langdurige
samenwerking. Zo ontstaat de naamloze vennootschap (nv): een organisatie waarbij verschillende mensen elk een deel van het startkapitaal van een onderneming betalen. Ze kopen een of meer aandelen. Hoe meer aandelen je hebt, hoe meer inspraak, en vooral, hoe meer (eventuele) winst. Aangezien je de andere aandeelhouders meestal niet persoonlijk kent, noemt men dat een ‘naamloze’ vennootschap. Je mag trouwens je aandelen vrij verkopen aan andere geïnteresseerden.
(De aandelen staan niet op naam.) Hoe meer winst de vennootschap maakt, hoe meer je aandeel waard wordt. De bekendste nv in de vroegmoderne tijd is de (Nederlandse) Verenigde Oost-Indische Compagnie.
Meer en meer spreekt men van ‘handelskapitalisme’: de winst die men uit de handel boekt, zal men herinvesteren om nog meer winst te boeken. Dat doet men in ondernemingen of bedrijven waarmee men meestal zelf geen persoonlijke band heeft.
1 de b egrippen ‘handel’, ‘kapitalisme’, ‘maritiem’ en ‘mondialisering’ uitleggen
2 de b egrippen ‘jaarmarkt’, ‘wisselbrief’, ‘intercontinentale handel’, ‘maritieme handel’, ‘commissiehandel’, ‘wereldhandel’, ‘nv’ en ‘handelskapitalisme’ uitleggen
3 de evolutie van de langeafstandshandel van jaarmarkten tot intercontinentale handel schetsen
4 twee voordelen van de maritieme handel opnoemen
5 twee voordelen van de wisselbrief noemen en uitleggen
6 de invlo ed van de ontdekkingen op de handel uitleggen
7 de rol van de beurs uitleggen
8 het ontstaan en de werking van een nv uitleggen
9 voor de 16e, 17e en 18e eeuw het centrum van de wereldhandel geven
BRON 1 Handel in het middeleeuwse
1 een historische kaart lezen en interpreteren
2 geschreven en getekende bronnen ontleden
3 een voorbeeld geven van hedendaagse handelstechnieken die in de middeleeuwen en vroegmoderne tijd zijn ontstaan
a Twee streken in Europa tellen veel steden en handelaars. Welke?
b Waar halen de Italianen hun producten?
c Over welke producten gaat het?
d Waarom is de keuze voor de Champagnestreek relatief logisch?
e Wat verhandelen Vlamingen en Brabanders in Champagne?
f Wat verhandelen de Engelsen?
g Ho e geraken handelaars en goederen in de Champagnestreek?
h Welke handelaars, buiten de Vlaamse, komen er nog naar de jaarmarkten van Champagne? TIP Raadpleeg de lestekst.
i Met welke gebieden over zee heeft Brugge handelsrelaties?
j Welke voordelen biedt de handel over zee?
BRON 2 De geldwisselaar en zijn vrouw

a Ho e stelt de geldwisselaar de waarde van de verschillende munten vast?
b Wat doet een geldwisselaar nog? Noem twee andere diensten.
c De geldwisselaar do et dat niet gratis. Hoe laat hij zich betalen?
d Tot welke klasse behoort de wisselaar? Hoe zie je dat op het schilderij?
BRON 3 De wisselbrief
Aan Franciscus van Prato en Co in Barcelona.
In naam van God
Quinten Metsijs, De geldwisselaar en zijn vrouw, 1514, olieverf op paneel, 70 x 67 cm, Louvre, Parijs
In de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd zijn er veel verschillende munten in omloop. De waarde ervan wordt bepaald door het gewicht aan edelmetaal waaruit ze zijn vervaardigd. De geldwisselaar wisselt geld, leent geld, bewaart geld en schrijft geld over naar andere rekeningen. Hij laat zich betalen door interest te vragen op de som die hij wisselt, leent of overschrijft. Zo wordt de basis van het moderne bankieren gelegd.
Vandaag, 3 december 1399
Betaal op vertoning van deze brief onmiddellijk volgens het bankgebruik* aan Johannes Gharone** 550 schilden tegen 1035 denieren per schild voor de rekening van Antonio Solella. Zet de betaling en de kosten op onze rekening op het moment van betaling. Albert en Bernard Alberti en Co. te Brugge
Ontvangen vandaag 11 januari 1400
* binnen de 30 à 60 dagen
** handelsp artner van Solella
a Wie betaalt het bedrag cash uit? Waar gebeurt dat?
b Wie ontvangt het cash geld?
c Welke twee munten worden vermeld?
d Waarom maakt zo’n wisselbrief de handel en het geldverkeer veiliger?
e Welk extra voordeel biedt de wisselbrief nog?
f De wisselbrief is gebaseerd op onderling vertrouwen. Van welk hedendaags betaalmiddel is het bijgevolg de voorloper?
BRON 4 In Antwerpen verhandelde goederen in de 16e eeuw
Land of streek van herkomstBelangrijkste producten
Portugal + kolonies
Spanje + kolonies
Frankrijk
Specerijen, edelstenen, suiker
Goud, zilver, edelstenen, verfstoffen, specerijen, wijn …
Wijn, graan, zout, textiel, verfstoffen …
Engeland Wol, laken
Duitse Rijk
Baltische landen
Italië
BRON 5 De Antwerpse beurs
Textiel, wijn, koper, kwik
Graan, hout, pelzen, vis
Zijde, wijn, specerijen

De Antwerpse beurs is gebouwd in 1531-1532 en dat, zoals de tekst links vermeldt, ‘ten dienste van alle naties en taalgebieden’.
a Samen met de naamloze vennootschappen ontstaan ook de beurzen. Wat kunnen handelaars allemaal doen in die beursgebouwen?
b Je ziet en ho ort op het nieuws dikwijls informatie over de beurzen. Over welke soort informatie gaat het dan meestal?
c Ho e noemt men de 20 belangrijkste Belgische aandelen?
Welke begrippen horen bij elkaar?
1 lokale handel
2 betalingsopdracht
3 naamloze vennootschap
4 maritieme handel
5 jaarmarkt
6 commissiehandel
7 kapitalisme
8 intercontinentale handel
a aandelen
b Champagne
c wisselbrief
d e conomisch systeem dat streeft naar winst
e p laatselijke markten
f wereldhandel
g handelaars financieren samen een expeditie
h handel over zee
Sociale hulp biedt steun aan mensen die dat nodig hebben. Meestal gaat het om armen, zieken, werklozen, bejaarden, andersvaliden ... De hulpverlening kan verschillende vormen aannemen: voedsel, medische verzorging, onderdak, geld ... In deze les vergelijk je de hedendaagse sociale hulp met die van de middeleeuwen en vroegmoderne tijd. Wie zorgt er voor sociale hulp? Hoe bestrijdt men armoede? Hoe verlopen de opname en de verzorging in een ziekenhuis?

BRON 1-2 Vandaag heeft België een sociale zekerheid : armen, zieken, gehandicapten, werklozen, bejaarden ... kunnen een beroep doen op verschillende organisaties: OCMW , ziekenfondsen, VDAB ... De overheid organiseert of betaalt de meeste van die instellingen en organisaties. Zij haalt haar geld bij de burgers die belastingen en sociale bijdragen betalen. Elke Belg mag een beroep doen op die hulpverlening. Dat geldt ook voor vreemdelingen, behalve wanneer ze zonder papieren in België verblijven. Zij hebben echter wel recht op onderwijs en dringende medische hulp.
Vóór de 12e-13e eeuw is er nauwelijks sprake van een georganiseerde hulpverlening. Familie, buren of vrienden helpen de behoeftigen. Kloosters delen voedsel uit aan armen en zieken. Vanaf de 12e-13e eeuw trekken steeds meer mensen van het platteland naar de steden . Velen moeten er voor een heel laag loon werken. Bovendien zijn de prijzen van (voedings) producten er aan de hoge kant. Ziekten, ongevallen, werkloosheid, stijgende prijzen ... duwen hen nog verder in de ellende. De kloosters willen of kunnen niet langer als enige aan sociale hulp doen. In de steden komt de hulpverlening daardoor in handen van geestelijken, privépersonen, ambachten en stadsdiensten. De hulp wordt bijna uitsluitend met schenkingen gefinancierd. Als er weinig schenkingen
binnenkomen, draait de hulpverlening op een laag pitje. Enkel bij ernstige problemen zoals een zware epidemie of een grote hongersnood springt de overheid financieel bij. Men waakt erover dat er geen vreemdelingen ‘misbruik maken’ van de hulpverlening. Je bent al een vreemdeling als je van een ander dorp of andere stad komt. In de 12e-18e eeuw beschouwt men hulpverlening als een gunst, niet als een recht.
BRON 3-4 De armen ontvangen af en toe steun van ‘armentafels’ , een organisatie geleid door enkele vrijwilligers uit de rijkere klassen. Die ‘armenmeesters’ verdelen giften onder de armen . Tot in de 15e eeuw kopen de armenmeesters met de schenkingen vooral brood . Af en toe krijgen de armen ook wat vlees of nieuw schoeisel. In de daaropvolgende eeuwen deelt men geld uit of krijg je een penning waarmee je een brood kunt afhalen. Al die schenkingen stellen weinig voor. De giften gaan meestal naar arme familieleden van de schenkers of naar verarmde stedelingen. De allerarmsten krijgen zelden steun.
3De opname en het verblijf in een ziekenhuis
BRON 5-6-7-8-9-10 De eerste gasthuizen ontstaan in de 12e-13e eeuw om de groeiende groep van arme reizigers en pelgrims op te vangen. Die krijgen voor een beperkte tijd (meestal drie dagen) voedsel, onderdak en verzorging . Na verloop van tijd komen ook gewonde en zieke stedelingen naar het gasthuis.
Het personeel, meestal geestelijken, heeft geen echte medische opleiding gekregen. Zij verwerven hun kennis in de praktijk. Een universitair geschoolde geneesheer laat zich nauwelijks zien. De arme
patiënten kunnen hem toch niet betalen. Een chirurgijn verricht de meeste operaties. Je wordt chirurgijn door jarenlang een meester-chirurgijn te assisteren en na het afleggen van een meesterproef (een soort van examen). De ziekenzusters en -broeders bereiden, vooral op basis van kruiden , zelf de medicijnen . Elk hospitaal heeft daarom een kruidentuin. In de vroegmoderne tijd beperkt de dagelijkse wasbeurt zich tot de handen van de zieke . De geringe medische kennis en de gebrekkige verzorging zorgen ervoor dat de overlevingskans vrij klein is. Het gasthuispersoneel wil vooral de ziel van de patiënt redden . Die moet meermaals per dag bidden. Hij doet dat zowel voor zijn eigen ziel als voor de zielen van de weldoeners van het gasthuis.
1 Vergelijk sociale hulp vandaag met de sociale hulp in de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd.
TIP L ees de lestekst bij punt 1 en bekijk bron 1 aandachtig.
a Wie geeft de hulp?
b Ho e wordt de hulp betaald?
c Voor wie is de hulp NIET bestemd?
d Heb je in de meeste gevallen recht op hulp?
2 Wat is dat, arm zijn?
a Over de definitie van armoede bestaat veel discussie. Je leest hier een aantal definities. Bespreek ze klassikaal.
1 Je b ent arm als bijna je hele inkomen naar voedsel, onderdak, kleding en verwarming gaat.
2 Je b ent arm als je je geen luxe kunt veroorloven.
3 Je b ent in België ‘arm’ als je minder dan 60 % verdient van het gemiddelde inkomen van alle Belgen. (In 2018 geldt dat voor 16,4 % van de Belgen. Ze hebben een maandelijks netto-gezinsinkomen dat lager ligt dan 1 230 euro.)
4 Armo ede is het gebrek aan vrijheid om het soort leven te leiden dat je wilt.
b Welke van die vier definities zou jij toepassen om de armoede in het verleden te onderzoeken?
3 Nadenken over bronnen
a Welke bronnen uit dit onderzoek zijn geen primaire bronnen over sociale hulp in de middeleeuwen en vroegmoderne tijd?
b Welke soort bronnen zijn het wel?
c Welke bedoeling hebben die bronnen in dit onderzoek?
4 Ho eveel armen waren er?
TIP Tel bij de berekening de onbewoonde haarden niet mee en tel bij de berekening de mensen zonder grond en die leven van de armendis bij elkaar op.
a Bereken voor bron 3 bij elk van beide alinea’s hoeveel procent van de bevolking arm is.
b Zijn er tijdens de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd meer of minder armen dan vandaag in België?
5 De armentafel
L ees de lestekst bij punt 2 en geef dan aan of de uitspraak juist of fout is.
1 De armentafels b estrijden met succes de armoede.
2 Iedereen mag deelnemen aan de armentafels.
3 De armentafels krijgen elk jaar een som geld van de overheid.
4 De allerarmsten krijgen bij de armentafel voorrang.
6 Voorwaarden tot opname in een gasthuis in de 12e-18e eeuw en vandaag
Lees bronnen 6 en 7 en antwoord of de stellingen van toepassing zijn op een gasthuis uit de 12e-18e eeuw of op een ziekenhuis van vandaag.
1 Mag patiënten weigeren.
2 Patiënt moet over identiteitspapieren beschikken.
3 Er mo et enkel bij overlijden betaald worden.
4 Het ziekenfonds betaalt grotendeels voor de patiënt.
5 De patiënt mo et uit de eigen stad komen.
6 De patiënt mo et biechten.
7 Een ar ts speelt een belangrijke rol bij de opname.
7 Het verblijf
a ‘In de hospitalen van de middeleeuwen en vroegmoderne tijd heeft men soms een tekort aan bedden’. Juist of fout? Motiveer je antwoord.
TIP Kijk go ed naar bron 8.
b Beschrijf met je eigen woorden wat je ziet. Let daarbij op de zaal, de bedden, het personeel en de zieken.
8 De verzorging in het gasthuis van de 12e-18e eeuw
c Geef twee voorbeelden van gebrekkige verzorging.
d Wat wil men in een gasthuis vooral redden?
e Uit welke mensen bestaat het personeel van een gasthuis? Bekijk ook bron 10.
f Het gedichtje in bron 10 geeft ook wat kritiek op de chirurgijn. Leg uit.
9 Schrijf zelf met b ehulp van de bronnen en de antwoorden een korte tekst waarin je de sociale hulp uit de 12e-18e eeuw vergelijkt met die van vandaag. Je hebt daarbij aandacht voor de hulpverleners, de armoedebestrijding en de opname in een ziekenhuis.
BRON 1 Monniken delen brood uit

BRON 2 Hedendaagse armoede
Middeleeuwse versiering van een document uit 1354
In België leeft 14,8 % van de bevolking in armoede. Voor Vlaanderen is dat 9,8 %. In Wallonië gaat het om 18,3 % en in Brussel om 31,4 % van de bevolking.
Uit: Het ‘Jaarboek over armoede en uitsluiting’ van de Universiteit Antwerpen, 2020
BRON 3 Armoede in de 15e eeuw
In 1469 liet Karel de Stoute in de meeste gewesten van de Bourgondische staat haardtellingen uitvoeren. Volgens deze haardtelling uit 1469 telde Steenkerke 58 haarden: 4 ‘hiritiers’ (haarden van mensen die grond hadden geërfd), 11 haarden van mensen zonder grond, 11 van armen die leefden van de armendis en 32 haarden van pachters.
(...)
Volgens een haardtelling uit 1496 telde de Brusselse wijk Sint-Pieters ter Ziekelieden 79 bewoonde haarden, 31 onbewoonde en 35 arme haarden.
Uit: Algemeen Rijksarchief, Rekenkamers, registers, 45795, Brussel Het gaat om ‘haardtellingen’. Men telde letterlijk hoeveel haarden een dorp of wijk bezat. Een gebouw kon verschillende haarden hebben.


Gasthuis met gebouwen van de 15e tot de 20e eeuw, Geel Vandaag is het een museum.
BRON 6 Statuten van het Geelse gasthuis
Over de soort zieken die men zal ontvangen (...), gebaseerd op de oude statuten van Willem van Henegouwen (1286) (...):
- Wanneer men zieken ontvangt, zal men hen doen biechten (...) Wie zich daar niet aan wil onderwerpen, hoeft men niet te aanvaarden en te verzorgen.
- De zieken moeten aan de moeder (overste van de zusters) al hun bezittingen overhandigen: kleding, geld en aanverwanten. Zij krijgen die terug als ze genezen. Wanneer ze sterven, krijgt het gasthuis die bezittingen (...) Wanneer een zieke niet in het gasthuis, maar elders wil sterven, dan moet hij zijn onkosten betalen. Zij worden van zijn bezittingen afgetrokken. De rest krijgt hij terug.
- Het gasthuis stond o orspronkelijk open voor allerlei zieken van verschillende dorpen en heerlijkheden (...) Vanaf nu staat het gasthuis enkel open voor de inwoners van de Geelse Vrijheid.
Uit: De statuten van het Geelse gasthuis, 1553
Robert de Croy, bisschop van Kamerijk, voert dit reglement op 20 februari 1553 in. Het volledige document bestaat uit 84 puntjes en is geschreven in het Nederlands van die tijd.
BRON 7 Ziekenhuisopname in de 21e eeuw
Wat je nodig hebt om opgenomen te worden in een ziekenhuis:
- identiteitskaart of geldige verblijfsvergunning;
- verwijsbrief arts;
- naam en adres van je huisarts;
- blo edgroepkaartje;
- medische do cumenten en lijst medicijnen die je neemt (indien nodig).
- Woon je in het buitenland? Als je in de EU woont, moet het ziekenhuis je ziekteverzekeringskaart en/of garantieverklaring hebben. Voor overige landen is een formulier van het buitenlandse ziekenfonds of verzekering en/of een garantieverklaring nodig.
De kosten van een ziekenhuisopname worden verdeeld onder jou en je ziekenfonds. Het ziekenhuis rekent de kosten die de verplichte ziekteverzekering (verzekering voor geneeskundige verzorging) draagt, rechtstreeks aan je ziekenfonds aan.
Naar: www.azsintjan.be en www.inami.fgov.be
BRON 8 Een Parijs gasthuis

Miniatuur uit 1482 die de opvang in het hospitaal van Parijs voorstelt
BRON 9 Het Brugse Sint-Janshospitaal in de 18e eeuw

Schilderij van de Brugse schilder Jan van Beerblock (1739-1806), olie op doek, 82 x 153 cm, 1778

Uit: Jan en Caspar Luyken, Spiegel van het Menselyk Bedry f, ca. 1690
Jan (1649-1712) en Caspar (1672-1708) Luyken, vader en zoon, zijn Amsterdamse etsers en dichters. Ze maken een boek met prenten van beroepen en zetten daar telkens een rijm bij.
De hedendaagse vertaling vind je online.
1 een definitie van armo ede bespreken
2 het aantal armen b erekenen
3 bronnen met elkaar vergelijken
4 een tab el aanvullen op basis van informatie uit bronnen
5 een tekening beschrijven
6 de so ciale hulp in de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd vergelijken met die in de hedendaagse tijd
7 op basis van een onderzo ek van bronnen een korte synthese schrijven
VOOR HET JAAR 1000: weinig handel
NA HET JAAR 1000: bevolkingsstijging heropleving handel

Italiaanse steden Vlaamse en Brabantse steden (luxeproducten) (lakennijverheid)
jaarmarkten van Champagne (12e -13e eeuw) maritieme handel (13e -16e eeuw)

15e-16e eeuw Spanje en Portugal
17e-18e eeuw Engeland, Frankrijk, Nederland stichting van kolonies in Amerika, Afrika en Azië MIJNEN EN PLANTAGES

Gevolgen: 1 nieuwe handelsproducten
2 no od aan arbeidskrachten SLAVENHANDEL
3 wereldhandel (16e-18e eeuw) ho ofdplaats: Antwerpen (16e eeuw) Amsterdam (17e eeuw) Londen (18e eeuw)

ONDERGANG VAN DE ‘INDIANENRIJKEN’

Als je naar het buitenland gaat, steek je een staatsgrens over. Europa telt verschillende landen, regio’s en grenzen . Die laatste vallen dikwijls niet samen met een rivier of gebergte. Ze lopen kriskras door Europa. Dat komt omdat ze het resultaat zijn van afspraken door de geschiedenis heen . In heel veel gevallen leiden oorlogen ertoe dat de verliezers grondgebied moeten afgeven aan de winnaars. In de middeleeuwen was er de machtsstrijd tussen de vorst en de lokale heren, die uiteindelijk door de vorsten werd gewonnen. In de vroegmoderne tijd zullen de vorsten hun macht verder versterken. Maar dat lukt niet overal even goed.


Stadhouder Willem II wilde van de Noordelijke Nederlanden een monarchie maken met hemzelf als koning. Na zijn dood kwamen de Staten-Generaal in 1651 bij elkaar in de ridderzaal in Den Haag. Het gewest Holland wilde niets weten van opvolging. De machtige Hollandse burgers kregen hun zin.
Wat zijn de Staten-Generaal?
In de vroegmoderne tijd zijn de Habsburgers een van de machtigste adellijke families in Europa. De in Gent geboren Karel V zal over een gigantisch groot rijk regeren. Hoe bouwen de Habsburgers en Karel V hun rijk in Europa uit? Hoe probeert Karel V zijn rijk te besturen? Wat gebeurt er daarna met het rijk?
1
Karel V en zijn rijk waar de zon nooit ondergaat
BRON 1-2-3-4-5 Karel V wordt in 1500 in Gent geboren. Zijn ouders noemen hem naar zijn overgrootvader, de Bourgondische hertog Karel de Stoute. Zijn overgrootmoeder, Margaretha van York, draagt de kleine Karel in haar handen naar de kerk om gedoopt te worden. Karel zal door zijn afstamming vele gebieden erven . De Nederlanden worden zo een uithoek van het grote Habsburgse Rijk
2
Karel V probeert zijn gebied te besturen
BRON 6-7-8 Na de dood van zijn grootvader Maximiliaan is Karel kandidaat om keizer te worden van het Heilige Roomse Rijk . Zeven Duitse keurvorsten moeten daarover beslissen. Ook de Franse koning Frans I wenst keizer te worden en stelt zich kandidaat. Karel V probeert, net zoals Frans I, de keurvorsten om te kopen. Uiteindelijk stuurt Karel V ook een leger naar de omgeving van Frankfurt, waar de zeven vorsten verzamelen. In 1519 kiezen de Duitse keurvorsten Karel V als keizer.
Karel V probeert in zijn rijk een centralisatiepolitiek te voeren. Het bestuur en de wetgeving van het rijk worden daarbij zo veel mogelijk verenigd. Op die manier wil Karel V meer macht naar zich toe trekken. Dat heeft ook gevolgen voor de Nederlanden.
De afzonderlijke provincies worden door de centralisatiepolitiek van Karel V stilaan één staat
BRON 9-10-11 Jarenlang voert Karel V oorlog om zijn macht te versterken en opstanden te onderdrukken. In 1555 doet hij vermoeid troonsafstand en verdeelt hij zijn bezittingen. Zijn zoon Filips II krijgt onder andere Spanje, de Nederlanden, zijn Italiaanse gebieden en vooral de Amerikaanse kolonies Ferdinand, de broer van Karel, bestuurt de Oostenrijkse gebieden (eigenlijk al sinds 1522) en krijgt later ook de keizerstitel. Daardoor splitst de Habsburgse familie zich in een Spaanse en een Oostenrijkse tak.
De Spaanse Habsburgers voeren in de 17e en de 18e eeuw oorlogen tegen protestantse vorsten, Engeland, Frankrijk en het Ottomaanse Rijk. Die oorlogen betalen ze met zilver uit Amerika, maar de uitgaven zijn veel groter dan de inkomsten. In de 17e eeuw brokkelt de Spaanse macht af. In 1700 overlijdt de mentaal en lichamelijk gehandicapte Karel II kinderloos. Zo sterven de Spaanse Habsburgers uit.
De Oostenrijkse Habsburgers bouwen vooral in Centraal-Europa een sterk rijk op. Dat rijk blijft voortbestaan tot het einde van de Eerste Wereldoorlog in 1918.
1 het b egrip ‘centralisatiepolitiek’ uitleggen
2 drie er fgebieden van Karel V opnoemen
3 met twee verklaringen aantonen dat er weinig samenhang is tussen de gebieden van Karel V
4 twee vijanden van Karel V opnoemen
5 een binnenlands en buitenlands probleem voor Karel V bij het bestuur opnoemen
6 het verdwijnen van de Spaanse Habsburgers verklaren
1 informatie uit kaarten halen
2 kaarten vergelijken
3 informatie uit geschreven en visuele bronnen afleiden
4 de b etrouwbaarheid van een bron inschatten in functie van een historische vraag
5 de b edoelingen van de maker van een bron inschatten
6 een argumentatie opbouwen
Bestudeer de historische kaart hiernaast. Kijk goed naar de legende en vergelijk die met de stamboom van Karel V in bron 2. Van welke grootouder erft
Karel V de verschillende delen van zijn rijk?







BRON 3 Titels van Karel V bij oorkonden
De officiële titel van keizer Karel V in 1521 geeft enig idee van de verspreiding van de Habsburgse bezittingen: Karel, bij de gratie Gods, gekozen Heilige Roomse keizer, voor altijd Vergroter van het Rijk etc., Koning in Duitsland, van Castilië, Aragón, León, beide Siciliën, Jeruzalem, Hongarije, Dalmatië, Kroatië, Navarra, Granada, Toledo, Valencia, Galicië, de Balearen, Sevilla, Sardinië, Córdoba, Corsica, Murcia, Jaén, de Algarve, Algeciras, Gibraltar en de Canarische Eilanden, en ook de Eilanden van de Indiën, en het vasteland van de Oceaan etc; Aartshertog van Oostenrijk, Hertog van Bourgondië, Lorreinen, Brabant, Stiermarken, Karinthië, Krain, Limburg, Luxemburg, Gelre, Württemberg, Calabrië, Athene, Neopatras etc., Graaf van Vlaanderen, Habsburg, de Tirol, Gorizia, Barcelona, Artois en Bourgondië; Paltsgraaf van Henegouwen, Holland, Zeeland, Ferrette, Kiburg, Namen, Roussillon, Cerdagne, en Zutphen; Landgraaf in de Elzas, Markgraaf van Oristano, Goceano, en van het Heilige Roomse Rijk; vorst van Zwaben, Catalonië, Asturias etc; Heer van Friesland, van de Windische Mark, of Pordenone, Vizcaya, Molins, Salins, Tripoli, en Mechelen …
Uit: Martyn Rady, De Habsburgers. De opkomst en ondergang van een wereldmacht, 2020 In de middeleeuwen en vroegmoderne tijd maakt men oorkonden. Dat zijn schriftelijke documenten of bewijsstukken van een afspraak. Bij het begin van de oorkonden van Karel V worden steeds zijn titels opgesomd, al bestaan er wel regionale en tijdsgebonden verschillen. Bron 3B toont je hoe zo’n oorkonde eruitziet.

Oorkonde waarbij Karel V de geneesheer Cornelis van Baersdorp en zijn broer Willem in de adelstand verheft, 1556, 65 x 85 cm, Universiteitsbibliotheek, Gent

Willem de Pannemaker, 201 x 172 cm, ca. 1540-1555, Rijksmuseum, Amsterdam Willem de Pannemaker (actief 1535-1578) is een tapijtwever in Brussel en voert opdrachten uit voor verschillende pausen en talloze vorstenhuizen, waaronder ook dat van de Habsburgers. Op het tapijt zie je tussen een groot aantal planten en bloemen een gekroonde, tweekoppige adelaar die het wapenschild van Karel V draagt. De tweekoppige adelaar refereert aan het Heilige Roomse Rijk, waarvan Karel V de keizer is. Het wapenschild verwijst onder meer naar zijn heerschappij over het hertogdom Brabant en het graafschap Vlaanderen. Tapijten als deze worden waarschijnlijk gebruikt bij feestelijkheden.
a Waarom zou Karel V een enorme opsomming van titels in zijn oorkonden opnemen en zijn wapenschild tonen op een tapijt?
b Karel V omschrijft zichzelf als ‘Koning van de Indiën’. Welk gebied wordt daar eigenlijk mee bedoeld?
TIP Denk aan de lessen over de ontdekkingsreizen.
c Beargumenteer waarom het rijk van Karel V ook wel ‘het rijk waar de zon nooit ondergaat’ wordt genoemd.

Ets van Simon Fokke, ca. 17821784, 8,8 x 11 cm, Rijksmuseum, Amsterdam
In de 18e eeuw maakt de Nederlandse ontwerper en graveur Simon Fokke (1712-1784) een prent over de knieval van de Gentenaars voor keizer Karel na de opstand van 1539-1540. De aanleiding voor de opstand zijn de hoge belastingen die in 1537 worden opgelegd om de oorlogen van Karel V te financieren. De kopstukken van de Gentse opstand verontschuldigen zich in de hoop een straf te ontlopen en wijzen op hun oude privileges. Zij worden echter onthoofd.
Wij bevelen en verbieden: dat niemand (…) zal mogen drukken, schrijven, overschrijven, in zijn bezit hebben, ontvangen, dragen, bewaren, verbergen, verzwijgen, noch verkopen, kopen, schenken, uitdelen, of verspreiden in kerken, straten of op andere plaatsen, enig boek of geschrift van de hand van Maarten Luther, (…) Johannes Calvijn, of van andere ketters en slechte en valse sekten die veroordeeld zijn door de Heilige Kerk. (…) Eveneens verbieden wij alle leken en anderen om met elkaar de Heilige Schrift in het openbaar of in het geheim te bespreken, met name wat betreft twijfelachtige of moeilijke zaken, tenzij zij godgeleerden zijn.
Karel V, Bloed plakkaat , 1550
Met zijn Bloedplakkaat uit 1550 probeert Karel V niet-katholieke gelovigen in zijn rijk te vervolgen. Plakkaten zijn besluiten van de overheid die in de vorm van een aanplakbiljet of via een omroeper op de trappen van het stadhuis aan de bevolking worden bekendgemaakt. Ketters krijgen door het Bloedplakkaat de doodstraf. Als ze afstand doen van hun geloofsovertuiging, worden mannen gedood met het zwaard. Vrouwen worden levend begraven. Houden ze toch vast aan hun geloof, dan volgt de brandstapel. Op die manier zal volgens de katholieke Kerk de ziel schoongebrand worden.
a Met welke binnenlandse problemen wordt Karel V geconfronteerd?
b Ho e reageert Karel V op die problemen?
c Denk je dat bron 6 een betrouwbare weergave is van wat er zich dan afspeelt? Geef één argument.
BRON 8 De triomfen van Karel V

Miniatuur van Simonzio Lupi, 18 x 26 cm, ca. 1556-1575, British Library, Londen De bron maakt deel uit van een reeks van 12 miniaturen die de triomfen van Karel V tonen. Filips II, de zoon van Karel V, is de opdrachtgever. Op de miniatuur zie je in het midden Karel V op zijn troon zitten. Naast hem staan zijn voornaamste vijanden: de Ottomaanse sultan Süleyman I, paus Clemens VII, de Franse koning Frans I, de hertog van Kleef, de hertog van Saksen en de landgraaf van Hessen. Gedurende zijn regeerperiode voert Karel V geregeld oorlogen. Het zal de keizerlijke schatkist uiteindelijk ruïneren.
a Wie is de maker van de bron? In opdracht van wie schildert hij de miniatuur?
b Ho e geeft de maker van de bron de verhouding weer tussen keizer Karel V en zijn vijanden?
c Waarom zou de maker van de bron die verhouding zo weergeven?
d Wordt Karel V op een betrouwbare manier uitgebeeld door de maker van de bron? Geef één argument.
e Bekijk bron 1 opnieuw. Waarom zou de Franse koning zich bedreigd voelen door de macht van Karel V?
BRON 9 Het rijk van de Oostenrijkse Habsburgers aan het einde van de vroegmoderne tijd
Vergelijk deze kaart met een hedendaagse politieke kaart van Europa. Noem vijf landen die grotendeels in het rijk van de Oostenrijkse Habsburgers liggen.

Filips II 1527-1598
Filips III 1578-1621
Anna van Oostenrijk (achternicht) 1549-1580
Margaretha van Oostenrijk (achternicht) 1584-1611
Filips IV 1605-1665
Karel II 1661-1700
Maria Anna van Oostenrijk (nicht) 1634-1696
Karel II door Juan Carreño de Miranda Karel II heeft een enorm misvormd hoofd. Zijn Habsburgse kin steekt zo ver naar voren dat zijn twee rijen tanden elkaar niet kunnen raken. Daardoor kan hij moeilijk zijn eten kauwen. Zijn tong is zo groot dat hij ook niet normaal kan spreken. Karel II is b ovendien mentaal gehandicapt. Tijdens zijn korte leven evolueert hij in feite van een langdurige kinderlijkheid naar een voortijdige seniliteit. Zijn familie en omgeving willen in de eerste plaats zijn leven rekken en besteden weinig aandacht aan enige opvoeding of aangepaste begeleiding. Hij kan amper lezen of schrijven. Hij wordt gevoed door zoogsters totdat hij een jaar of vijf is en hij loopt pas wanneer hij al bijna volgroeid is. Zelfs dan kan hij niet normaal wandelen, waardoor hij vaak valt. Zijn moeder bestuurt daarom –ook na zijn meerderjarigheid het Spaanse Rijk. De hoop dat Karel ondertussen alsnog voor een opvolger zal zorgen, blijkt al snel ijdel te zijn. Hij trouwt wel tweemaal, maar beide huwelijken blijven kinderloos –ondanks verwoede pogingen van het hof om de koning bij zijn ‘taak’ te helpen. In de loop der jaren gaat de toestand van Karel er alleen maar op achteruit: hij raakt bijna helemaal verlamd, verliest al zijn haren en tanden en wordt uiteindelijk ook nog blind en doof. Karel sterft in 1700 op 38-jarige leeftijd.
Welk verband bestaat er tussen de stamboom van Karel II en de ziektes waaraan hij lijdt?
Je weet al dat de Nederlanden onder leiding van de Bourgondische hertogen in de 15e eeuw uitgroeien tot een statenbond. Van les 11 onthoud je dat de Habsburgers een centralisatiepolitiek voeren, ook in de Nederlanden. Op het einde van de 16e eeuw bestaan er echter twee staten: de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden. In deze les onderzoek je hoe Karel V de Nederlanden probeert te besturen en waarom dat niet zo eenvoudig is. Onder zijn zoon Filips II breekt een opstand uit. Hoe bestuurt Karel V de Nederlanden? Wat zijn de oorzaken van de opstand? Hoe verloopt de opstand? Welke gevolgen heeft die opstand voor de inwoners van de Nederlanden en voor de Nederlanden in het algemeen?
Karel V bestuurt de Nederlanden
BRON 1-2 Keizer Karel V van Habsburg regeert in de eerste helft van de 16e eeuw over de Nederlanden. Onze gebieden vormen nog geen hechte staat De Nederlanden bestaan uit een reeks gewesten (hertogdommen, graafschappen …) die allemaal eigen regels en manieren van besturen hebben. Keizer Karel V en andere vorsten proberen de macht te centraliseren, terwijl de geestelijkheid, de adel en de steden in de verschillende gewesten hun macht proberen te behouden. Dat leidt tot conflicten. De gewesten gehoorzamen wel dezelfde vorst en erkennen het gezag van enkele centrale instellingen zoals de Staten-Generaal. In die instelling zetelen de vertegenwoordigers uit de gewesten van de Nederlandse hoge adel, de steden en de geestelijkheid.
Wanneer de vorst belastingen wil heffen, moet hij daarvoor van de Staten-Generaal de goedkeuring krijgen. Karel V is dikwijls afwezig. Een landvoogd(es) vervangt hem dan als ‘Heer der Nederlanden’.
2De Nederlanden komen in opstand
BRON 3-4 Er zijn verschillende redenen waarom er in de Nederlanden een opstand uitbreekt. Keizer Karel wordt opgevolgd door zijn zoon Filips II. Hij verblijft vooral in Spanje en wil – nog meer dan zijn vader –zo veel mogelijk macht naar zich toe trekken: Filips streeft naar absolute macht. Hij zal dan ook proberen om de macht van de Staten-Generaal te breken.
Filips beschouwt zichzelf ook als de beschermer van het katholicisme. Daarom wil hij de protestanten streng vervolgen. Dat zorgt voor het grootste ongenoegen. Antwerpen bijvoorbeeld vreest dat belangrijke protestantse handelaars uit schrik zullen wegblijven.
De Nederlanden worden bovendien geteisterd door een economische crisis en hongersnood
In augustus en september 1566 raast de Beeldenstorm door de Nederlanden. In veel steden durven de bestuurders geen einde te maken aan de vernielingen. Filips II vindt dat de Nederlandse edelen
gefaald hebben. Hij stuurt de Spaanse hertog van Alva met een leger naar de Nederlanden. Alva richt een speciale rechtbank (de Raad van Beroerten) op om de beeldenstormers te veroordelen. Zij laat ruim 1 000 mensen terechtstellen en krijgt daarom de bijnaam Bloedraad. Alva lokt ook enorm protest uit wanneer hij nieuwe belastingen wil invoeren. De Nederlandse prins Willem van Oranje neemt de leiding van een opstand. Dat betekent de start van een oorlog die 80 jaar zal duren (1568-1648).
3De Tachtigjarige Oorlog (15681648) leidt tot de scheiding van de Nederlanden
BRON 5 De opstandelingen veroveren in 1572 een aantal steden. Filips II vervangt Alva, maar de Nederlanden lijken in 1576 aan de winnende hand. De protestantse en katholieke leiders in de Nederlanden sluiten met elkaar een vredesverdrag: de Pacificatie van Gent. Ze doen Filips II een vredesvoorstel: ze beloven de opstand te stoppen als de Spaanse troepen de Nederlanden verlaten en er een einde komt aan de godsdienstvervolging. Filips II aanvaardt dat niet en stuurt Alexander Farnese (1578) om de Nederlanden te heroveren. Farnese vindt steun bij veel katholieken die vinden dat de protestanten te machtig worden. De opstandige gewesten zeggen nu hun trouw aan de koning op. Farnese slaagt er nog in om de Zuidelijke Nederlanden, met onder andere
Antwerpen (1585), te heroveren, maar de noordelijke gewesten blijven onafhankelijk. De Nederlanden zijn nu in twee delen gescheiden. Veel mensen die in de Zuidelijke Nederlanden wonen, vluchten naar het noorden.
4 De Tachtigjarige Oorlog veroorzaakt migratie
BRON 6-7 Na de Val van Antwerpen in 1585 zijn de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden gescheiden. Veel mensen vluchten naar de Noordelijke Nederlanden. Daarvoor hebben zowel godsdienstige als economische redenen. In de Zuidelijke Nederlanden worden de protestanten vervolgd en ondervinden de handelaars moeilijkheden om handel te drijven vanuit het zuiden. De omvang van de migratie van de Zuidelijke naar de Noordelijke Nederlanden tussen het eind van de 16e en het begin van de 17e eeuw bedraagt ongeveer 150 000 mensen.
5 De scheiding van de Nederlanden
BRON 8 Filips II slaagt er niet in de Noordelijke Nederlanden te heroveren. Er komt pas een einde aan de vijandelijkheden wanneer Spanje vrede sluit met de nieuwe staat van de Verenigde Provinciën in 1648. Die vrede noemen we de Vrede van Münster
1 de b egrippen ‘staatsvorming’, ‘bestuurlijke organisatie’ en ‘migratie’ uitleggen met voorbeelden uit de les
2 de b egrippen ‘Beeldenstorm’, ‘calvinisten’, ‘Staten-Generaal’, ‘landvoogd(es)’ en ‘Raad van Beroerten/Bloedraad’ uitleggen
3 aantonen dat onze gewesten geen hechte staat vormen
4 voor elk domein een oorzaak van ontevredenheid over het beleid van Filips II geven
5 het uitbreken van de Beeldenstorm uitleggen
6 verklaren waarom Filips II troepen stuurt
7 twee redenen voor het verzet tegen Alva geven
8 het vredesvoorstel van 1576 uitleggen
9 de redenen voor migratie naar het noorden verklaren
10 het ‘Plakkaat van Verlatinghe’ verklaren
11 het uiteenvallen in twee gebieden verklaren
12 drie kenmerken van de Noordelijke Nederlanden in de 17e eeuw geven
13 drie kenmerken van de Zuidelijke Nederlanden in de 17e eeuw geven
1 informatie uit bronnen afleiden
2 informatie uit historische kaarten afleiden
3 de b etrouwbaarheid van een bron beoordelen in functie van een historische vraag
4 de historische redeneerwijzen ‘oorzaak’, ‘(onbedoeld) gevolg’, ‘aanleiding’ en ‘evolutie’, benoemen
5 de historische redeneerwijzen ‘bedoelde handeling’, ‘structurele en incidentele oorzaak’ benoemen
1 Filips II in de Nederlanden
In 1549 stelt keizer Karel zijn zoon Filips II voor aan zijn toekomstige Nederlandse onderdanen. Die ontvangen Filips II en zijn gevolg met grootse ceremonies en feesten. Er worden zelfs leeuwen- en stierengevechten gehouden. Twee Spaanse hovelingen beschrijven die gebeurtenissen. Zij schrijven over het enorme bierverbruik en over de korte rokken die ‘slechts’ tot de enkels komen.
In die periode vormen Vlaanderen, Brabant, Henegouwen en Artesië het economische hart van de Nederlanden, gevolgd door Utrecht, Holland en Zeeland. De Noordelijke Nederlanden zijn afgescheiden van het Zuiden door moerassen en grote rivieren.
Vanuit Brussel bereikt men sneller Parijs of Keulen dan Amsterdam. De Nederlanden tellen ca. drie miljoen inwoners en zijn het meest verstedelijkte gebied van Noordwest-Europa. 25 steden tellen meer dan 10 000 inwoners, waaronder Antwerpen met meer dan 80 000 mensen. Engeland heeft in die periode maar vier steden met meer dan 10 000 inwoners.
Uit: Geoffrey Parker, The Dutch Revolt, Harmondsworth, 1979, eigen vertaling
a Welke twee rivieren scheiden de Noordelijke Nederlanden van de Zuidelijke Nederlanden?
b Welke gewesten zijn volgens de bron het belangrijkst?
c No em vijf steden in de Nederlanden die in 1549 minstens 10 000 inwoners tellen.

Beluister en lees online het verhaal ‘Het altaar’ van Dirk Bracke en beantwoord de vragen.
1 Waarover is het volk ontevreden? Geef drie redenen.
2 Wie is volgens Floris verantwoordelijk voor de economische crisis?
3 Wat moet er volgens de predikant uit de kerken verwijderd worden?
BRON 4 De ambtenaar Viglius schrijft aan een vriend in Spanje:
Gravure van Frans Hogenberg, 1566
Ieper is, net als andere steden, in beroering omwille (...) van het gepeupel [het gewone volk] dat binnen en buiten de stad met duizenden naar hagenpreken [protestantse preken] gaat. Die mensen zijn bewapend alsof ze een grote militaire actie gaan ondernemen. Het is te vrezen dat de eerste klap zal vallen op het hoofd van de kloosters en de geestelijkheid en dat het vuur, eens aangestoken, zich zal verspreiden. Aangezien de handel begint te verminderen omwille van deze onlusten vrees ik dat een aantal werkmensen, gedreven door de honger, zich zal aansluiten, in de hoop een deel van de eigendommen van de rijken te verwerven.
Uit: Viglius, Brief van 2 augustus 1566
De Fries Viglius (Wigle van Aytta) is jurist. Van 1549 tot 1569 is hij een belangrijke katholieke ambtenaar in Brussel.
a Geef een culturele reden voor het oproer in Ieper.
b Geef een economische reden voor het oproer in Ieper.
c Geef drie correcte redenen waarom deze bron tamelijk betrouwbaar is.
BRON 5 De Staten-Generaal van de Verenigde Nederlanden
Iedereen weet dat een Prins van het land door God is aangesteld tot leider van zijn onderdanen. Hij moet hen beschermen tegen elke onrechtvaardigheid, overlast en geweld. (…) De onderdanen zijn niet door God gemaakt ten voordele van de Prins. Zij moeten hem niet altijd onderdanig gehoorzamen of als slaven dienen. De Prins is er voor zijn onderdanen. Hij moet ze rechtvaardig en redelijk regeren. Wanneer hij dat niet doet, (…) maar hen probeert te onderdrukken (…), hen commandeert en behandelt als slaven, dan is hij geen Prins meer. Hij moet dan beschouwd worden als een tiran. Zijn onderdanen hebben dan het recht (…) hem niet meer als een Prins te erkennen. Zij mogen hem verlaten. (…) Wij verklaren hierbij de koning van Spanje [Filips II] vervallen van zijn heerschappij (…) en bezittingen in deze [Neder]landen.
Uit: Het Plakkaat van Verlatinghe
De opstandige gewesten zeggen in 1581 hun trouw aan Filips II op. Zij vaardigen het ‘ Plakkaat van Verlatinghe’ uit.
a Geef twee eigenschappen van een goede vorst.
b Welk recht hebben de onderdanen als de vorst slecht regeert?
c Een ‘plakkaat’ is een wettekst. Omschrijf met je eigen woorden de betekenis van ‘Plakkaat van Verlatinghe’ in deze bron.
BRON 6 Hans Martens, een Antwerpse vluchteling

Abraham Vinck, Portret van Hans Martens (ca. 1555-1613) en zijn zoon David (1605-1665), olieverf op doek, 123 x 100 cm, 1612, Centraal Museum, Utrecht
Als een van de weinigen in zijn familie wordt Hans Martens protestant en daarom verlaat hij Antwerpen. In 1580 trouwt hij in Amsterdam met Mayken Provoost, de dochter van een Antwerpse koopman. Zij overlijdt in 1584 en hij hertrouwt in 1585 met Maycken Baccher, afkomstig uit Poperinge. In 1581 wordt hij burger in Amsterdam. Hij wordt een rijke handelaar. Ook zijn zoon David trekt weg om economische redenen. Hij zou in Marseille handel drijven in linnen en katoen en hij zou er in opdracht van de Staten-Generaal van de (Noordelijke) Nederlanden de functie van consul vervullen. Een andere zoon, Carel, verhuist naar Utrecht in 1628 en krijgt er een belangrijke bestuurlijke functie. Jacques Martens schrijft over zijn halfbroer Hans Martens dat hij ‘altijd aan zijn kinderen gezegd heeft dat hij tot de belangrijkste families van Antwerpen behoorde, maar dat de vervolging hem geleerd heeft om het belang van die afkomst onbelangrijk te vinden en zich bescheiden en stilletjes te gedragen’. In 1585 wordt Antwerpen ingenomen door het leger van de Spaanse koning Filips II. Voor handelaars wordt het een stuk moeilijker om via de Schelde en de Noordzee hun goederen in en uit te voeren. Men schat het aantal vluchtelingen uit het zuiden op meer dan 150 000. Die mensen geven de Noordelijke Nederlanden een enorme economische impuls.
BRON 7 Migratie naar het noorden
Stad JaartalBevolking Bevolking in 1622
Geschatte omvang van immigratie
van de totale bevolking
Voor de cijfers van de Hollandse steden beschikken we over een volkstelling uit 1622. Die cijfers zijn dus exact. De andere cijfers zijn schattingen. De totale bevolking in de Nederlanden in 1549 wordt geschat op ongeveer 3 miljoen mensen.
a No em twee redenen waarom mensen vluchten.
b Welke stad is in de 17e eeuw de belangrijkste stad van de Noordelijke Nederlanden?
c Ho eveel mensen zijn er tussen 1585 en 1622 naar deze stad gemigreerd?
BRON 8 Kaart van de Nederlanden in 1648
Het grootste deel van onze huidige provincie Limburg maakt deel uit van het Prinsbisdom Luik. Dat blijft zo tot de Franse Revolutie in de 18e eeuw.
a Beluister online het verhaal van Matthijs De Schutter. De personages in het verhaal zijn verzonnen, maar het verhaal zou echt gebeurd kunnen zijn.
b De scheiding van de Nederlanden heeft b elangrijke gevolgen. Horen deze kenmerken bij de Noordelijke Nederlanden of de Zuidelijke Nederlanden?
- republiek
- katholiek
- overwegend protestants, calvinistisch
- handelsmogendheid
- blijft onder gezag van de Spaanse koning
- economische achteruitgang na 1585
- veel macht voor de Staten-Generaal en dan vooral voor Holland
1 Welke historische redeneerwijzen zijn op volgende stellingen van toepassing? Soms kun je twee begrippen combineren bij één uitspraak.
1 Karel V is dikwijls afwezig. Hij laat zich vervangen door een landvoogd.
2 Filips II wil, nog meer dan zijn vader, zo veel mogelijk macht naar zich toe trekken.
3 Veel mensen uit het Zuiden vluchten naar het Noorden.
2 Welke historische redeneerwijzen zijn op volgende stellingen van toepassing?
1 Karel V probeert de macht te centraliseren.
2 Filips II wil de protestanten streng vervolgen.
3 In 1566 worden de Nederlanden bovendien geteisterd door een hongersnood.
Nog altijd berichten de kranten over terreur en vervolging, ook door overheden. In deze les onderzoeken we terreur en tolerantie in de Nederlanden in de 16e eeuw en vergelijken we met vandaag. Wie wordt er vervolgd, wie vervolgt en waarom? Is er verschil met terreur en vervolging vandaag? Zijn er in de 16e eeuw in de Nederlanden ook mensen die pleiten voor tolerantie?

1 Situeer de historische vragen van dit onderzoek in het referentiekader.
2 L ees bron 1, bron 2 en bron 3 over terreur en vervolging vandaag en beantwoord de vragen.
a Wat betekent ‘homofobie’?
TIP Raadpleeg de woordenlijst.
b Wat moet de Belgische overheid volgens bron 1 doen?
c Wat betekent lgbt?
d Wat is een lgbt-vrije zone? Welke mensen zijn daar niet welkom?
e Wat hebben de Poolse regio’s of provincies gedaan die hun gebied uitriepen tot lgbt-vrije zone? Waarom?
f Wie wordt er in deze bronnen vervolgd? Waar gebeurt dat?
g Welke overheden vervolgen in deze bronnen en welke overheden bestrijden die vervolging?
h Vermeldt artikel 21 van het handvest van de grondrechten van de Europese Unie (bron 3) letterlijk het verbod op discriminatie vanwege seksuele gerichtheid?
i Vermeldt de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens dat ook letterlijk?
Raadpleeg de beknopte versie online.
j No em minstens één mensenrechtenorganisatie die opkomt voor mensen die vervolgd worden vanwege hun geloof, hun politieke overtuiging of hun seksuele voorkeur.
TIP Raadpleeg het internet.
3 O nderzoek aan de hand van bron 4 tot en met 6 de situatie in de Nederlanden in de 16e eeuw. Lees de bronnen en beantwoord de vragen.
a Zo ek in de woordenlijst wat ‘ terechtstelling ’ betekent.
b Welke groep protestanten wordt het meest vervolgd? Kies uit: lutheranen – calvinisten – anabaptisten
c Ho e noemt men die meest vervolgde groep nog?
TIP Raadpleeg de woordenlijst.
d Wie vervolgt de protestanten?
4 Willem van Oranje komt op voor tolerantie . Lees bron 7 tot en met 9 en beantwoord de vragen.
a Over welke koning heeft Willem van Oranje het hier?
b Wanneer vergaderde het Concilie van Trente? TIP Raadpleeg les 5.
c Wat zijn die ‘plakkaten’?
d Juist of fout? Verbeter indien nodig.
- De plakkaten van Karel V en Filips II aanvaarden het protestantisme.
- Filips II is tegen vrijheid van geloof of godsdienst.
e Waarvoor pleit Willem?
f Wie bedoelt men met ‘die van de nieuwe gereformeerde religie’ en wie zijn ‘zij’ in de zin: ‘Voorlopig mogen zij de kerkhoven (...)’? Kies uit: katholieken – lutheranen – dopers – calvinisten.
g Wat is het Avondmaal bij de calvinisten?
h Geef een voorbeeld uit bron 9 dat aantoont dat er tussen katholieken en protestanten geen vrede was.
i Toon aan dat Willems eigen religieuze evolutie meegespeeld kan hebben om te pleiten voor religievrede en tolerantie. TIP Raadpleeg de contextinformatie bij bron 8.
5 B ekijk bron 10. Vergelijk de vervolging van homoseksuelen in de 16e eeuw in de Nederlanden met de vervolging vandaag in Polen. Wat is gelijk? Wat is verschillend?
a Worden homoseksuelen vervolgd?
b Wat is de straf?
c Wie vervolgt?
6 B esluit: formuleer op elke historische vraag een kort antwoord.
1 Historische vraag 1: Wie wordt in de 16e eeuw in de Nederlanden vervolgd, wie vervolgt en waarom?
2 Historische vraag 2: Is er verschil met terreur en vervolging vandaag?
3 Historische vraag 3: Zijn er in de 16e eeuw in de Nederlanden ook mensen die pleiten voor tolerantie?
BRON 1 Homofobie
Van de overheid verwacht je dat ze homofobie niet alleen in Polen of Hongarije bestrijdt, maar ook bij ons.
Uit: De Morgen, 13 september 2021
BRON 2 Lgbt-vrije zone
‘Lgbt-vrije’ Poolse regio’s trekken omstreden resolutie in nadat Europa tanden laat zien
Onder druk van de EU [Europese Unie] hebben nog eens drie Poolse regio’s de uitroeping van hun gebied tot ‘lgbt-vrije zone’ ingetrokken. De provincies besloten hiertoe omdat ze elk tientallen miljoenen euro’s Europees subsidiegeld dreigden mis te lopen wegens discriminatie.
Waarover gaat die lgbt-vrije zone?
In Polen verklaarden ongeveer honderd regio’s zichzelf twee jaar geleden vrij van invloeden van de lgbt-gemeenschap.
Lgbt staat voor lesbisch, gay (homoseksueel), biseksueel en transgender. De regio’s die de verklaring in eerste instantie ondertekenden, zijn voornamelijk streng katholieke conservatieve gebieden.
De Europese Commissie vindt dat discriminatie en heeft dus gedreigd met sancties.
Uit: De Morgen, 29 september 2021
In die lgbt-vrije zones zijn lesbische vrouwen, homo’s, biseksuelen en transgenders niet welkom. Soms worden ze verjaagd. Op school en in schoolboeken mag er niet over gesproken worden. Dat is beslist door de overheid.
BRON 3 Het handvest van de grondrechten van de Europese Unie
Artikel 21
Iedere discriminatie, met name op grond van geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid, is verboden.
Het handvest is sinds 2009 juridisch bindend voor de instellingen van de EU en voor de lidstaten van de EU.
BRON 4 Op de brandstapel

Ets van Jan Luyken (1649-1712), Antwerpen, Stedelijk Prenten kabinet Vier dopers worden naar de brandstapel geleid. Onder de tekening staat ‘Christiaan Langedul en drie anderen verbrand in Antwerpen in 1567’.
BRON 5 Enkele cijfers over terechtstellingen vanwege het geloof
In Antwerpen waren 231 van de in totaal 337 terechtgestelde protestanten aanhangers van het anabaptisme, in Gent 146 op 252, in Brugge 47 op 70, in Kortrijk 25 op 41, in Zeeland 33 op 55. (…)
Men vergeet vaak dat zowat twee derde van alle terechtgestelde protestanten in Vlaanderen, Antwerpen en Zeeland anabaptisten waren.
Uit: Johan Decavele, De eerste protestanten in de lage landen. Geloof en Heldenmoed, 2004
Johan Decavele is historicus, gespecialiseerd in de religieuze geschiedenis van de Nederlanden in de 16e eeuw.
BRON 6 Terechtstellingen in de Nederlanden
Het aantal, inclusief de niet-dopers, wordt tegenwoordig op ca. 2 000 becijferd. Het overgrote deel behoorde overigens tot de dopers.
Uit: Samme Zijlstra, Om de ware gemeente en de oude gronden. Geschiedenis van de dopersen in de Nederlanden 1531-1675, 2000
Slachtoffers van oorlogsgeweld, muiterijen, Beeldenstorm … zijn hier niet inbegrepen. Het gaat om mensen ‘veroordeeld tot de dood door een rechtbank’.
Ca. 1600 stopt de overheid het terechtstellen van protestanten. Ze worden vanaf de 17e eeuw gestraft met verbanning, gevangenisstraf of geldboetes.
BRON 7 De oudejaarsrede 1574 van Willem van Oranje
‘De koning bedriegt zichzelf als hij denkt dat hij de besluiten van het Concilie van Trente (…) hier zal kunnen doen aannemen. Hij zou veel beter de plakkaten intrekken of matigen.’
Willem verklaart [in zijn oudejaarsrede hierboven] openlijk dat hij voor de vrijheid van godsdienst is, hij wil katholiek blijven maar hij kan niet goedkeuren dat de vorsten willen heersen over het geweten van de mensen en hun de vrijheid van geloof en godsdienst afnemen.
Uit: Jan van Wagenaar, Vaderlandse historie, vervattende de geschiedenissen der nu Vereenigde Nederlanden, 1752
Jan van Wagenaar (1709-1773) is een doopsgezinde historicus. In de Nederlanden zorgt de vervolging van de protestanten voor groot ongenoegen (zie les 12). De Raad van State beslist om de graaf van Egmond naar de koning te sturen om hem op de hoogte te brengen van de gevaarlijke toestand. Op 31 december 1564 vergadert de Raad van State om de brief voor Egmond op te stellen. Willem van Oranje houdt daar deze beroemde toespraak. We kennen die toespraak omdat er een korte samenvatting van is gemaakt.

Adriaen Thomasz Key, Portret van Willem van Oranje (1580) Willem van Oranje (1533-1584) wordt geboren in Dillenburg (Duitsland). Zijn ouders worden luthers. Wanneer hij pas 11 jaar oud is, wordt hij erfgenaam van het kleine prinsdom Orange (in Frankrijk) en van het grootste bezit aan gronden en goederen in de Nederlanden. Hij wordt zo de voornaamste edelman in de Nederlanden. Daarom wordt hij (verplicht) katholiek opgevoed in Brussel aan het hof, ver weg van zijn protestantse ouders. Bij het aantreden van Filips II in 1556 wordt Willem van Oranje lid van de Raad van State en een van de raadgevers van de koning. Later wordt hij stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht. Hij maakt een einde aan de Beeldenstorm in Antwerpen en stopt de vervolging van de protestanten. Hij probeert vrede te sluiten tussen katholieken en protestanten. Die eerste religievrede mislukt. In 1573 wordt Willem calvinist
BRON 9 De tweede Antwerpse religievrede van 29 augustus 1578
Die van de nieuwe gereformeerde religie mogen in Antwerpen in alle vrijheid hun religie beleven. Prediken, zingen, het Avondmaal vieren, huwelijken, doopsels … zijn toegelaten. Dat mag alleen in: het huis met de naam ‘van Aken’, het huis met de naam ‘de Leguit’, en ‘’t Suikerhuis’ (…) en in de kapel van het kasteel. Voorlopig mogen zij de kerkhoven rond de parochiekerken gebruiken om hun doden te begraven zonder prediking of gezang en buiten de uren van de voornaamste kerkdiensten in die kerken (…) Het is verboden aan beide religies [calvinisten en katholieken] de diensten van de andere religie te beletten of te verstoren of andere geestelijke of gewijde plaatsen te plunderen of te beschadigen of beelden te breken of te beschadigen.
Uit: Pieter Christiaensz Bor, Oorsprongk, begin, en vervolgh der Nederlandsche oorlogen, beroerten, en borgerlyke oneenigheden, vrije vertaling
De auteur is de geschiedschrijver Pieter Bor (1559-1635). De kapel van het kasteel is de kapel van de citadel die Alva in het zuiden van de stad heeft gebouwd om Antwerpen te bedwingen.
Van 1578 tot 1585 zijn de calvinisten in Antwerpen aan de macht in de ‘calvinistische republiek’ . Willem probeert een tweede religievrede te sluiten. Enkele dagen later krijgen ook de lutheranen gebouwen toegewezen, de wederdopers vallen uit de boot, maar worden verder met rust gelaten. Ook deze religievrede mislukt. In 1581 wordt de katholieke religie verboden.

Frans Hogenberg, Brugse monniken op de brandstapel (1578)
Die monniken worden door de calvinisten, die in 1578 de macht hebben in Brugge, tot de brandstapel veroordeeld voor ‘sodomie’, zoals homoseksualiteit dan genoemd wordt. Heel waarschijnlijk is de echte reden voor de veroordeling van deze katholieke paters niet sodomie, maar hun verzet tegen de calvinisten. Tientallen homoseksuelen worden in de 16e eeuw in de Nederlanden op de brandstapel omgebracht.
In 1658 stopt men in de Zuidelijke Nederlanden met het terechtstellen van homoseksuelen, in de Republiek pas in 1803. Terechtstellingen ‘vanwege het geloof’ stoppen eind 16e eeuw in de Nederlanden.
1 historische vragen situeren in tijd, ruimte en domein
2 historische bronnen analyseren
3 met b ehulp van bronnen een verschil en een gelijkenis geven tussen de vervolging vandaag in de wereld en die in de 16e eeuw in de Nederlanden
4 met b ehulp van bronnen een verschil en een gelijkenis geven tussen de redenen voor vervolging vandaag in Polen en de Nederlanden in de 16e eeuw
5 met b ehulp van bronnen continuïteit en/of verandering aantonen in de houding van de overheid tegenover andersdenkenden en anders-zijn in de Nederlanden van de 16e eeuw en vandaag
6 bronnen vergelijken en informatie afleiden uit bronnen om historische vragen te beantwoorden
Wij leven in een democratie. In West-Europa heeft de bevolking inspraak en rechten. Dat is niet altijd zo geweest. In de vroegmoderne tijd streven de vorsten naar absolute macht. Wat bedoelen zij met absolute macht? Hoe verkrijgt de Franse koning Lodewijk XIV die macht? Waarom slagen de Engelse vorsten er niet in om evenveel macht te krijgen?
Een absolute vorst heeft alle macht
BRON 1-2 In de late middeleeuwen proberen de vorsten hun macht meer te centraliseren. Zij eisen respect voor hun besluiten, wetten en rechtspraak. Die evolutie zet zich door in de vroegmoderne tijd. Dan streven de koningen van Spanje, Frankrijk, Portugal en de Duitse vorsten zelfs naar absolute macht. Zij geloven dat ze hun macht van God gekregen hebben en beschouwen zich als zijn plaatsvervangers op aarde. Zij menen dat zij zich alleen moeten verantwoorden bij God. Een absoluut vorst maakt de wetten, bestuurt het land en spreekt recht. Er is dus geen scheiding der machten De koning staat boven de wet: hij moet zijn eigen wetten niet naleven. Alle onderdanen, ook de adel en de geestelijken, moeten de vorst gehoorzamen en dienen. Ze hebben geen inspraak. Kritiek geven is levensgevaarlijk. Er is geen vrije meningsuiting. Die staatsvorm noemt men de absolute monarchie of het absolutisme
2Lodewijk XIV verkrijgt absolute macht in Frankrijk
BRON 3-4-5 De Franse koning Lodewijk XIV (16431715) is het bekendste voorbeeld van een absoluut
vorst. In 1660 sterft zijn eerste minister en leermeester, kardinaal Mazarin. Vanaf dan begint hij te regeren als een absoluut vorst. Hij omringt zich met bekwame medewerkers. Minister Colbert zorgt voor een efficiëntere inning van de belastingen en investeert in de Franse nijverheid. Dat levert extra inkomsten op. Met dat geld financiert de koning een beroepsleger en de ambtenaren die voor hem werken. Zo maakt hij zich los van de adel, die voordien het leger en de administratie vormde en de koning onder druk kon zetten. Speciale ambtenaren controleren of de plaatselijke bestuurders overal in het land de koninklijke bevelen wel degelijk opvolgen.
Lodewijk ziet zichzelf als de zon, het centrum van het land. De ‘Zonnekoning’ verplicht de hoge adel om bij hem te komen wonen. Als hovelingen moeten ze een strikt hofceremonieel volgen. Alles draait rond de aanbidding van de koning. Wie in zijn gunst komt, wordt beloond met grote sommen geld en erefuncties: (wijn)schenker, drager van de koninklijke wandelstok … Voorrechten behoren dan ook tot de mogelijkheden: mogen zitten terwijl de koning eet, het ontwaken van de koning bijwonen …
De adel is afgeleid en verliest zo alle interesse voor de echte politieke macht. Voor zijn hofhouding laat Lodewijk XIV in Versailles een nieuw paleis bouwen.
De Engelse koningen moeten hun macht delen met het parlement
BRON 6-7-8
Ook de Engelse koningen willen absolute macht. Dat brengt hen in conflict met het parlement. In dat parlement zitten vertegenwoordigers van de adel, de geestelijkheid en de rijke burgerij. Er breekt een burgeroorlog uit tussen het leger van de koning en het leger van het parlement. In 1649 geeft het parlement de opdracht om koning Karel I Stuart te onthoofden De macht komt in handen van de aanvoerder van het parlementaire leger, Cromwell. Die regeert als een echte dictator.
Na zijn dood mogen de Stuarts terugkeren. Omdat zij opnieuw het absolutisme willen invoeren, komt het in 1688 tot een politieke revolutie: de Roemrijke Revolutie. De Stuarts worden van de macht verdreven. Willem III van Oranje wordt de nieuwe koning. Die moet in 1689 de Declaration of Rights ondertekenen. Daarin staat dat de koning zijn macht moet delen met het parlement. De koning bestuurt het land, maar het parlement maakt de wetten Deze staatsvorm noemt men de parlementaire monarchie. Een echte democratie is Engeland nog niet: alleen mensen met een groot inkomen of veel grond mogen stemmen. Het overgrote deel van de Engelsen heeft dus geen inspraak in het bestuur van het land.
1 de b egrippen ‘democratie’, ‘evolutie’, ‘politieke revolutie’ en ‘staatsvorm’ uitleggen
2 de b egrippen ‘absolutisme’ en ‘parlementaire monarchie’ uitleggen
3 vier kenmerken van de absolute monarchie opnoemen
4 vier b estuurlijke maatregelen opnoemen die Lodewijk XIV in staat stellen zonder de adel te regeren
5 uitleggen hoe Lodewijk XIV de adel afleidt
6 de titel ‘Zonnekoning’ verklaren
7 uitleggen waarom het absolutisme in Engeland problemen geeft
8 het ontstaan van de burgeroorlog in Engeland verklaren
9 de b etekenis van de Declaration of Rights uitleggen
10 aantonen dat Engeland in 1689 nog geen echte demo cratie is
11 de absolute monarchie en de parlementaire monarchie vergelijken
1 kenmerken van absolutisme en parlementaire monarchie in bronnen vinden
2 een schema ontleden
3 het do el en het doelpubliek van een bron geven
4 argumenten vinden voor stellingen
BRON 1 Absolute macht
De koninklijke macht is in de eerste plaats heilig, dan vaderlijk, dan onbeperkt. De vorsten handelen als dienaren van God en als zijn plaatsvervangers op aarde. Door hen oefent Hij zijn heerschappij uit. Wij zien dus dat de koninklijke troon niet de troon van een mens is, maar de troon van God zelf (...)
De koningen moeten hun macht in eerbied uitoefenen en deze uitsluitend uitoefenen in het belang van de algemeenheid. Want daar deze macht van de hemel komt, mogen zij daarom niet geloven dat ze erover kunnen beschikken als heren en dat ze naar willekeur mogen regeren (...)
Daarom past het dat de koningen het gezag dat God hun verleend heeft, met schroom uitoefenen en dat zij bedenken, welke vreselijke godslastering zij begaan, wanneer zij een gezag dat van Hem komt, misbruiken (...)
Het vorstelijk gezag is onbeperkt. De vorst hoeft aan niemand rekenschap te geven over hetgeen hij besluit. God alleen kan over de besluiten van de heersers en over hun persoon oordelen. De onderdanen zijn de vorst onvoorwaardelijke gehoorzaamheid verschuldigd (...)
De vorst moet zijn gezag aanwenden om de valse godsdiensten in zijn rijk uit te roeien. Men kan strengheid gebruiken, maar mildheid is te verkiezen.
Uit: Jacques Bénigne Bossuet, Politique tirée des propres paroles de l’Écriture Sainte, 1679, gepubliceerd in 1709
Jacques-Bénigne Bossuet (1627-1704) is bisschop, predikant en schrijver. Van 1670 tot 1680 verblijft hij aan het Franse hof. Daar is hij de privéleraar van het zoontje van Lodewijk XIV, ‘Le Grand Dauphin’. Hij onderwijst hem Frans, Latijn, filosofie en geschiedenis. Zijn leerling zal trouwens nooit koning worden. Nog tijdens de regeerperiode van Lodewijk XIV overlijdt hij op 49-jarige leeftijd aan de pokken.

Hyacinthe Rigaud schildert het portret (2,4 x 1,64 m) van Bossuet in 1702.
a Van wie krijgen de koningen hun macht?
b Bij wie mo et de koning zich verantwoorden voor zijn bestuur?
c Ho e groot is de vorstelijke macht?
d Ho e moeten de onderdanen zich gedragen tegenover de vorst?
e Juist of fout? Verklaar je antwoord met elementen uit bron 1.
1 De koning mag zijn macht misbruiken.
2 De koning moet rekening houden met het algemeen belang.
BRON 3 Schematische voorstelling


manufacturen * INVESTERINGEN DO OR DE ST AAT handelsvloot, kanalen, we gen


BURGERS NIJVERHEID HANDEL



ALLERLEI
o.a. kunst, wetenschappen
* Zie wo ordenlijst
a Wie betaalt de meeste belastingen? Tot welke stand behoren zij?
b Wie ontvangt het meeste belastinggeld?
c Waarin investeert de staat?
d Wat is het effect van die investeringen op de belastingontvangsten?
e Waar geeft de koning nog veel geld aan uit?
f Wie heeft er het meeste voordeel bij? Wie helemaal niet?
g Geef vier domeinen waarvoor de overheid vandaag belastinggeld gebruikt.
h Wie heeft daar voordeel bij?

Schilderij van Pierre-Denis Martin, 139 x 150 cm, 1722, The Met Fifth Avenue, New York Metalen hekken schermen het paleiscomplex met zijn drie voorpleinen af. Achteraan in het midden, centraal in het paleis, bevindt zich de slaapkamer van Lodewijk XIV.
a Beluister online het verhaal van Dirk Bracke over het leven aan het hof van Versailles.
b Geef argumenten voor volgende stellingen.
1 Het paleis van Versailles is rijkelijk versierd.
2 De hoge adel wordt elke avond beziggehouden met allerlei vertier.
3 In Versailles bestaan er allerlei erefuncties.
4 De koning wil de adel kalm houden met voorrechten en erefuncties.
5 Het paleis van Versailles heeft ook negatieve kanten.
c Verklaar: ‘Versailles is een gouden kooi voor de adel.’
BRON 5 Lodewijk verkleed als Apollo, de god van de zon

Anonieme tekening, 27,2 x 17,8 cm, niet gedateerd, Bibliothèque nationale de France, Parijs
Aan het Franse hof worden balletvoorstellingen gehouden. Ook leden van de koninklijke familie treden mee op. In zijn allereerste rol speelt Lodewijk op veertienjarige leeftijd in een gouden kostuum de zon. Later wordt het zijn symbool en noemt hij zich de ‘Zonnekoning’.
a Welke positie bekleedt de zon in het zonnestelsel?
b Waarom kiest Lodewijk XIV als koning de zon als symbool?
TIP Denk aan wat je weet over zijn politieke visie/macht.

Uitsnede van nieuwsprent, 42 x 52 cm, 1648, uitgegeven door Frans van Beusekom
Van deze gedrukte prent zijn verschillende exemplaren bewaard, onder andere in het Rijksmuseum van Amsterdam en in de Royal Collection Trust in Londen. De afbeelding is een uitsnede uit een nieuwsprent. Ze toont de onthoofding van de Engelse koning Karel I, voor het paleis van Whitehall in Londen, op 30 januari 1649.
Van Beusekom werkt in Amsterdam vanaf 1647. Daar geeft hij deze prent uit, waarschijnlijk op basis van ooggetuigenverslagen. Nieuwsprenten zijn afbeeldingen met onderschrift die in vrij grote oplagen worden gedrukt. Ze worden vrij goedkoop verkocht in winkels, markten en door rondreizende verkopers. Ze informeren over (recente) gebeurtenissen op een beeldende en verhalende manier.
Onder de prent staat deze tekst: ‘Het droevige schouwspel van de wrede dood en onthoofding van de grote en machtige Koning Karel Stuart, Koning van Engeland, Schotland en Ierland, beschermer van het geloof. In openlucht onthoofd voor zijn eigen Koninklijk Paleis in Londen op dinsdag 10 februari 1649 tussen twee en drie uur in de namiddag.’
a Slaagt Karel I Stuart, zoon van James I, erin de droom van zijn vader waar te maken? Verklaar je antwoord.
b Wat is het doel en het doelpubliek van de prent?
TIP Raadpleeg de contextinformatie bij de bron.
c Wat vindt de auteur van de bron over de gebeurtenis?
De monarchie is het hoogste goed op aarde. Want koningen zijn niet alleen Gods plaatsvervangers op aarde. Ze zitten op Gods troon en worden zelfs goden genoemd door God zelf. (…) Koningen worden terecht goden genoemd omdat ze een soort goddelijke macht op aarde uitoefenen. Wel beschouwd komen de aan God toegeschreven eigenschappen overeen met die van de persoon van de koning. God heeft de macht te scheppen of te vernietigen, voor zijn plezier te maken of ongedaan te maken, om leven te geven of ter dood te brengen, om allen te berechten. Hij moet door niemand berecht worden of aan niemand rekenschap geven. Voor zijn plezier kan Hij lage zaken op een hoger niveau brengen of hoge zaken verlagen. En aan God zijn [de mensen] lichaam en ziel verschuldigd. En diezelfde macht hebben koningen. Ze maken of kraken hun onderdaan. Ze hebben de macht om op te tillen of te verlagen, te oordelen over leven en dood, over al hun onderdanen en in alle gevallen. Ze moeten aan niemand rekenschap geven, alleen aan God. Ze hebben de macht lage zaken op een hoger niveau te tillen en hoge zaken te verlagen, en hun onderdanen te behandelen zoals mannen die aan het schaken zijn, als pionnen om een bisschop of een ridder te nemen. Zij kunnen hun onderdanen prijzen of kleineren.
Uit: Uittreksel uit een toespraak van James I, 1610, moderne vertaling
James I (koning van Engeland en Schotland 1603-1625) richt zich tot het Engelse parlement. In de 13e eeuw wordt in Engeland een parlement opgericht. In die instelling zetelen vertegenwoordigers van de adel, de geestelijken en de rijke burgerij. De Engelse koningen moeten rekening houden met dat parlement.
a Vergelijk deze uitspraak met de opvattingen van Bossuet en die van Lodewijk XIV. Wat stel je vast?
b Welk soort vorst wil James I zijn?
c Waarom leidt een dergelijke houding in Engeland tot problemen?
BRON 8 De Declaration of Rights
1 De koning mag geen wetten of de uitvoering van wetten tegenhouden zonder de toestemming van het parlement.
5 De onderdanen mogen de koning petities aanbieden en kunnen daarvoor niet vervolgd worden.
8 De verkiezing van leden van het parlement dient vrij te zijn.
9 Het parlement heeft de vrijheid van woord en parlementsleden kunnen niet vervolgd worden om wat ze in het parlement zeggen.
Bewerking van de Declaration of Rights, 1689
Deze tekst is een uittreksel en een vrije vertaling.
Bewijs met twee voorbeelden dat de Declaration of Rights het vorstelijk absolutisme in Engeland onmogelijk maakt.
Vergelijk het absolutisme met onze hedendaagse parlementaire monarchie.
HABSBURGSE RIJK machtigste Europese rijk in de 16e eeuw
Habsburgse vorsten huwen, erven en veroveren vorstendommen; ze bezitten kolonies in Amerika, Afrika en Azië.
Keizer Karel V en koning Filips II willen het katholieke geloof beschermen. Binnenlands + buitenlands verzet tegen de macht van de Habsburgers oorlog
VORSTEN
vanaf de 10e -11e eeuw macht bedreigd door leenstelsel 12e -15e eeuw: sommige vorsten krijgen meer macht. vanaf de 16e eeuw: vorsten streven naar absolute macht.
Absolutisme
De vorst heeft alle macht.
De vorst heeft zijn macht van God ontvangen.
De onderdanen zijn dienaars van de vorst.
Voorbeelden: Filips II van Spanje en Lodewijk XIV van Frankrijk
Tegenstand: de edellieden en de rijke burgerij (uit de steden) willen inspraak.
Engeland parlementaire monarchie
De macht wordt gedeeld tussen de koning en het parlement (adel en rijken).
maken deel uit van het Frankische Rijk (5e-9e eeuw). b estaan vanaf de 10e-11e eeuw uit verschillende vorstendommen. 15e eeuw: de Bourgondische hertog controleert de meeste vorstendommen en probeert een beetje meer eenheid te scheppen. 16e eeuw: keizer Karel V probeert van de Nederlanden één staat te maken.
GODSDIENSTOORLOG + VERZET TEGEN FILIPS II
17e eeuw: twee Nederlanden : Noord (protestants) en Zuid (katholiek)
Er komt stilaan een einde aan de Enkele revoluties brengen grondige in alle domeinen van de geschiedenis. Tijd om de hoofdkenmerken van dit tijdperk op een rijtje te zetten. We beginnen het overzicht in de middeleeuwen; je zult meteen begrijpen waarom.
OPDRACHT
Bespreek het overzicht per twee. Begrijp je alle woorden? Politiek
Middeleeuwen

Machtsstrijd tussen vorst en adel
Vroegmoderne tijd 16e eeuw
Standenmaatschappij
CentralisatieStandenmaatschappij
17e eeuw Absolutisme
18e eeuw
Franse & Amerikaanse Revolutie
Franse & Amerikaanse Revolutie
Landbouwmaatschappij
Landbouwmaatschappij
God en geloof
Humanisme
1 De Staten-Generaal, 1815

Industriële Revolutie
2 Zicht op Gent, 1837
Verlichting

1
In de hedendaagse westerse samenleving krijg je op achttienjarige leeftijd stemrecht. Je bent vrij te doen en laten wat je wilt, zolang je de vrijheid van anderen niet belemmert. Je kunt in discussie gaan met je leraars: ze waarderen je kritische houding en misschien haal je wel je gelijk. Al die ideeën komen uit de Verlichting. Wat is de Verlichting? Hoe verloopt dat in de praktijk? Welke invloed hebben de verlichte filosofen op hun en onze samenleving?

Wat is de Verlichting?
BRON 1-2
Tijdens de vroegmoderne tijd is de macht in handen van de koning, de adel en de Kerk. Gehoorzamen is voor iedereen belangrijker dan kritisch denken . In de 15e eeuw leggen de humanisten de basis van verandering . In de 18e eeuw willen de verlichte denkers een andere samenleving. Het woord Verlichting verwijst naar een nieuwe , ‘verlichte’ manier van denken die steeds meer opgang maakt.
De verlichte filosofen hebben een groot vertrouwen in het menselijk verstand (rationaliteit) . Alles wat niet met rationele argumenten uit te leggen is, vinden ze onaanvaardbaar. Ze leggen de klemtoon op het vrij kunnen gebruiken van het verstand en ze vinden dat alle mensen van nature gelijk zijn.
De Verlichting in de praktijk
BRON 3-4
Overal in Europa ontstaan ontmoetingsplaatsen waar mensen kennis uitwisselen en discussies voeren. Alle mogelijke onderwerpen komen aan bod en standenonderscheid speelt daarbij geen rol. Intelligentie en goede conversatie : daar gaat het om. De positieve wetenschappen , zoals fysica, scheikunde en biologie, kennen een grote
ontwikkeling. Ook de menswetenschappen, zoals geschiedenis en filosofie, maken zich los van de godsdienst.
De Verlichting omvat alle aspecten van het leven
BRON 5-6-7-8
De verlichte filosofen trekken zich het lot van de gewone mensen wel aan. Ze geloven dat de mens met de rede (ratio) de wereld kan veranderen en verbeteren . Ze denken na over alle aspecten van het leven.
Op politiek vlak willen ze machtsmisbruik uitschakelen door de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht te scheiden en (cijns)kiesrecht in te voeren. Ze willen ook een scheiding van Kerk en staat . Dat wil zeggen dat de Kerk en de politieke overheid zich niet met elkaar mogen bemoeien.
Op sociaal vlak pleiten ze voor juridische gelijkheid. Op economisch vlak ijveren ze voor een zo groot mogelijke vrijheid. Op cultureel vlak zien we het ontstaan van de eerste grote encyclopedieën. Daarin worden de resultaten van de wetenschappelijke vooruitgang gebundeld. De verlichte filosofen vinden dat ook het gewone volk onderwijs moet volgen. Daarom pleiten ze voor de oprichting van armenscholen. De Verlichting levert zo een belangrijke bijdrage aan onze ideeën over vrijheid, democratie , gelijkheid, rationaliteit ...
1 Wat vinden de verlichte filosofen onaanvaardbaar?
2 De verlichte filosofen analyseren hun (18e eeuwse) samenleving. Tegen welke ‘onredelijke’ situaties zullen ze zich verzetten? Geef twee belangrijke voorbeelden.
3 Wat zijn de drie belangrijkste uitgangspunten (kenmerken) van de Verlichting?
4 Maak een samenvatting van de verlichte ideeën op politiek, sociaal en economisch vlak.
5 Worden de ideeën van de Verlichting vandaag nog in de praktijk gebracht? Schrijf een korte tekst waarin je je antwoord motiveert.
1 de b egrippen ‘vrijheid’, ‘gelijkheid’ en ‘democratie’ uitleggen
2 de b egrippen ‘kritisch denken’, ‘rationaliteit’, ‘scheiding der machten’ en ‘scheiding van Kerk en staat’ uitleggen
3 de drie kenmerken van de Verlichting uitleggen
4 de Verlichting in de praktijk beschrijven
5 de invlo ed van de Verlichting op politiek, sociaal, economisch en wetenschappelijk vlak aantonen
BRON 1 Wat is Verlichting?
Verlichting is het bevrijden van de mens uit zijn onmondigheid, waaraan hij zelf schuld heeft. Onmondigheid is het onvermogen zijn verstand te gebruiken zonder leiding van een ander. Deze onmondigheid is eigen schuld wanneer de oorzaak ervan niet ligt in gebrek aan verstand, maar wel in gebrek aan moed en wilskracht, het zijne te gebruiken zonder leiding van een ander. ‘Heb de moed je eigen verstand te gebruiken! Durf te denken!’ is aldus de kernspreuk van de Verlichting (...) Voor deze Verlichting wordt niets anders geëist dan vrijheid en dan nog wel de onschadelijkste onder alle [vrijheden], wat alleen vrijheid kan heten, namelijk: in alle gevallen openbaar gebruik te maken van zijn verstand.
Uit: Immanuel Kant, Beantwortung der Frage: Was ist Aufklärung? In: Berlinische Monatsschrift, december 1784 Het begrip ‘Verlichting’ is niet uitgevonden door historici. De Duitse filosoof Kant en zijn tijdgenoten waren er zich sterk van bewust dat er zoiets bezig was als ‘de Verlichting’. In een artikel uit 1784 formuleert hij heel helder een antwoord op de vraag wat de Verlichting is.
1 heden en verleden met elkaar vergelijken
2 bronnen ontleden en vergelijken
3 de ideeën van een verlichte filosoof uit een bron afleiden
4 informatie uit grafieken afleiden
5 nadenken over de representativiteit van een bron in functie van een historische vraag
6 hedendaagse to epassingen van verlichte ideeën geven

Johan Gottlieb Becker, Portret van Immanuel Kant (1768), olieverf op doek, Schiller-Nationalmuseum, Marbach am Neckar
a Wat is volgens Kant de kernspreuk van de Verlichting?
b Aan wie richt Kant deze oproep?
c Wat is noodzakelijk voor deze Verlichting?
BRON 3 Bijeenkomst in een salon

Anicet Lemonnier, Lezing van een tragedie van Voltaire in de salon van Madame Geoffrin (1812), olieverf op doek, 129,5 x 196 cm, Château de Malmaison Adellijke en burgerlijke dames (en soms heren) ontvangen thuis in hun salons gasten om gesprekken op niveau te voeren.
a Wat valt je op aan de ruimte?
b Welke soort personen zijn aanwezig en wat doen ze?
c Wat is de taak van de vrouwen?
d Kun je op basis van dit schilderij zeggen dat mannen en vrouwen toen als gelijken werden behandeld? Is de bron met andere woorden representatief ? Leg uit.
BRON 4 De encyclopedie
De Encyclopédie van Diderot en D’Alembert (1751-1772) is de eerste grote encyclopedie zoals we die tot in de hedendaagse tijd kennen.
a Welke drie groepen tellen het grootste aantal kopers?
b Wie koopt de encyclopedie zeker niet? Geef daarvoor twee redenen.
BRON 5 John Locke over het bestuur
(...) van nature zijn alle mensen volkomen vrij en onderling gelijk, zonder rangverschil of onderschikking. Men kan niemand zijn vrijheid, gelijkheid en onafhankelijkheid ontnemen zonder zijn eigen instemming. (...) De vrijheid van mensen (...) houdt in dat ze alleen die wetten moeten respecteren die ze zelf ingevoerd hebben en dat ze niet eender wie moeten gehoorzamen. Telkens als de machthebbers (...) het volk proberen te onderwerpen aan willekeurig gezag, brengen ze zichzelf in een staat van oorlog met het volk. Het volk heeft dan het recht zich te verzetten.
Uit: John Locke, Two treatises of government, 1704 De Engelsman Locke (1632-1704) heeft filosofie, natuurwetenschappen en geneeskunde gestudeerd. Hij speelt een belangrijke rol in de vernietiging van het absolutisme in Engeland.

Gotfrey Kneller, Portret van John Locke (1697), olieverf op doek, 76 x 64 cm, Hermitage Sint-Petersburg
a Is John Lo cke een voor of tegenstander van de standensamenleving? Motiveer je antwoord.
b Wat kan men niemand ontnemen, zonder zijn eigen instemming?
c Aan welke wetten moet het volk gehoorzamen?
d Welk recht heeft het volk als zijn rechten en vrijheden niet gerespecteerd worden?
BRON 7 Montesquieu over de scheiding der machten
Er zijn in elke staat drie soorten machten: de wetgevende, de uitvoerende (...) en de rechterlijke aangaande de zaken die van het burgerlijk recht afhangen (...) Men noemt deze laatste de macht om recht te spreken (...) Als (...) in dezelfde persoon of instelling van de regering de wetgevende macht verenigd is met de uitvoerende, dan is er geen vrijheid (...) er is ook geen vrijheid als de macht om te oordelen niet gescheiden is van de wetgevende en de uitvoerende (...)
Uit: Charles-Louis de Secondat, graaf de Montesquieu, De l’esprit des Lois, 1748 Montesquieu (1689-1755) bekleedt in Bordeaux enkele politieke ambten. Hij neemt ontslag uit zijn functies om door Europa te reizen. De Britse parlementaire monarchie beïnvloedt zijn ideeën.
a Welke zijn de drie politieke machten?
b Waarom moeten die gescheiden zijn?

Anoniem portret van Charles de Montesquieu, gemaakt tussen 1753 en 1794, paleis van Versailles
Mensen die zich verzetten tegen het absolutisme, de standensamenleving, de voorrechten van de adel en geestelijkheid, de armoede ... maken dankbaar gebruik van de ideeën van de Verlichting (zie les 15). Soms gebruiken ze geweld om aan de macht te komen en veranderingen door te voeren. Men spreekt dan van een revolutie. Op het einde van de 18e eeuw breken er in NoordAmerika en Frankrijk revoluties uit. Waarom breekt de Amerikaanse Revolutie uit en hoe verloopt die verder? Waarom breekt de Franse Revolutie uit en welke gevolgen heeft ze in 1789?
1
De Britse kolonisten in Amerika wensen meer inspraak
BRON 1-2-3-4
In de 18e eeuw zijn er in Noord-Amerika
Spaanse, Franse en Britse kolonies . Vooral de dertien Britse kolonies , gelegen langs de oostkust, zijn redelijk dichtbevolkt. Zij spelen een belangrijke rol in de Britse handel en nijverheid . Groot-Brittannië legt de Noord-Amerikaanse handelaars strenge regels op en verhoogt bovendien de belastingen De kolonisten eisen daarom eigen vertegenwoordigers in het Britse parlement. De Britse regering gaat niet in op die eis van de kolonisten. De kolonies verklaren zich daarom op 4 juli 1776 onafhankelijk en vormen de Verenigde Staten van Amerika. Het komt tot een oorlog tussen de Amerikanen en de Britten. Met Franse steun winnen de VS die oorlog. De Amerikaanse grondwet maakt van de VS een federale republiek en organiseert de staat op basis van de scheiding der machten . De verkiezingen (o.a. voor het parlement) gebeuren op basis van cijnskiesrecht
2De Fransen wensen meer vrijheid en gelijkheid
BRON 5-6-7-8-9-10 Net als in Noord-Amerika ontstaat er ook in Frankrijk een revolutie . De ongelijkheid van de standensamenleving zorgt voor toenemend verzet.
Koning Lodewijk XVI roept in mei 1789 de StatenGeneraal bij elkaar om nieuwe belastingen te kunnen heffen. Omdat hij weigert een deel van zijn macht af
te staan, besluit de derde stand op eigen houtje de staat te hervormen. Ze stichten ‘de Nationale Vergadering ’. In de kaatsbaan van Versailles zweren ze niet uit elkaar te gaan voordat Frankrijk een grondwet heeft.
Op 14 juli 1789 bestormen woedende Parijzenaars de Bastille, een koninklijke gevangenis. Op het platteland plunderen boze boeren de paleizen van de adel.
Een machteloze Lodewijk XVI schikt zich naar de Nationale Vergadering. Op 4 augustus 1789 beslist men daar een einde te maken aan de standenmaatschappij . Enkele weken later volgt de ‘Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger’.
De monarchie blijft behouden, maar moet zich houden aan de nieuwe wetten. Ook de Kerk komt volledig onder controle van de Franse staat.
De Amerikaanse en Franse Revolutie zetten belangrijke stappen in de richting van de hedendaagse democratische rechtsstaat. In een democratie heeft het volk politieke macht via het kiesrecht. De burgers kiezen, door hun stem uit te brengen wie een zetel krijgt in het parlement. De scheiding der machten en de grondwet beschermen de democratie en de rechten en vrijheden van de burgers. Zij hebben bijvoorbeeld de vrijheid om hun mening te uiten en het recht om te betogen. In een rechtsstaat is iedereen gelijk voor de wet en ook de overheid moet de wetten respecteren.
1 de b egrippen ‘revolutie’, ‘republiek’, ‘monarchie’, ‘democratische rechtsstaat’ en ‘grondwet’ uitleggen
2 de b egrippen ‘cijnskiesrecht’ en ‘federale staat’ uitleggen
3 het jaar van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring en de begindatum van de Franse Revolutie opnoemen
4 het b elang van de kolonies voor Groot-Brittannië uitleggen
5 een o orzaak van het ongenoegen in de kolonies geven
6 met een concreet voorbeeld aantonen dat de Amerikanen zich baseren op de Verlichting
7 vier o orzaken van het ongenoegen in Frankrijk geven
8 met één concreet voorbeeld aantonen dat de Fransen zich baseren op de Verlichting
9 vier kenmerken geven van de democratische rechtsstaat
BRON 1 De wijze mannen van Gotham en hun gans
1 diagrammen, grafieken en afbeeldingen ontleden
2 in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring en de Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger de ideeën uit de Verlichting terugvinden
3 de b etrouwbaarheid van een bron onderzoeken in functie van een historische vraag
4 uitleggen hoe je zelf je verantwoordelijkheid kunt nemen binnen de democratische rechtsstaat
In de tweede helft van de 18e eeuw groeit de ontevredenheid in de Amerikaanse kolonies. Wat de oorzaak daarvan was, kun je onderzoeken aan de hand van onderstaande bron.




William Humphrey, De wijze mannen van Gotham en hun gans (1776), 36 x 25 cm, British Museum, Londen
Deze spotprent toont de Britse ministers die hun vette gans (de Amerikaanse kolonies) slachten. Op de achtergrond zie je een man met een mand eieren weglopen. Vooraan ligt een zak eieren met daarop ‘taxes’ geschreven. Verder zie je ook een hond plassen op de kaart van Noord-Amerika. De titel van de prent verwijst naar het dorpje Gotham. In een Britse legende worden de inwoners van het dorp afgeschilderd als gekken.
a Waarom worden de kolonies voorgesteld als een gans met gouden eieren?
b Wat doen de Britse ministers met de gans?
c Wat is de boodschap van de cartoonist?
d Een b elangrijke oorzaak van ontevredenheid in de Amerikaanse kolonies kun je van de zak op de voorgrond aflezen. Welke?
BRON 2 Het Noord-Amerikaanse continent in 1763
BRON 3 De slogan van de opstand
Wat eisen de kolonisten? Vertaal de slogan.
a Bekijk de kaart. Wie woont er vooral in de Britse kolonies? b Welke producten exporteren die kolonies? Welke producten importeren ze? Kies uit: katoen – textiel – tabak – suikerriet –meubels.
BRON 4 Onafhankelijkheidsverklaring Verenigde Staten (1776)
Wij beschouwen deze waarheden als vanzelfsprekend: dat alle mensen als gelijken zijn geschapen (...). Om die rechten te verzekeren, worden er regeringen onder de mensen aangesteld. Hun macht is gebaseerd op de toestemming van degene die zij besturen. Wanneer een regering geen rekening houdt met de rechten, mag het volk haar veranderen of afschaffen en een nieuwe regering aanstellen. Men wijzigt geen regering op basis van kleine redenen, maar na een lange reeks van misbruiken (...) Derhalve maken wij, vertegenwoordigers van de VS, in algemeen congres verenigd (...), bekend en verklaren wij plechtig, in naam en bij het gezag van het grote volk van deze koloniën, dat deze verenigde Koloniën zijn, en bij rechte behoren te zijn, vrije en onafhankelijke staten (...)

Uit: De onafhankelijkheidsverklaring van de Verenigde Staten van Amerika, 4 juli 1776 De advocaat, filosoof en planter Thomas Jefferson (1743-1826) schrijft in opdracht van een vergadering (congres) van de dertien kolonies de onafhankelijkheidsverklaring.
a Op welke ideeën is de tekst duidelijk gebaseerd?
b Geef daarvan twee voorbeelden.
c Zo ek de betekenis van deze woorden op in de woordenlijst: republiek – federale staat – cijnskiesrecht.
d Ondanks het feit dat volgens de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring ‘alle mensen gelijk geschapen zijn’, zijn er veel mensen die aanvankelijk geen stemrecht hebben. Ga op zoek naar drie voorbeelden.
BRON 5 De inkomsten en uitgaven van het koninkrijk Frankrijk
De andere uitgaven omvatten onderwijs, armenzorg, ziekenhuizen ...
a Ho e staat het Franse koninkrijk er financieel voor?
b Motiveer je antwoord met twee feiten.
c Waaraan besteedt men weinig geld?
d Voor welke standen zijn de hofuitgaven vooral bestemd, denk je?
e Wat zijn de voornaamste inkomsten?
f Welke stand zorgt voor die inkomsten, denk je?
BRON 6 Spotprent: de drie standen

Anoniem (1789), 18 x 14 cm, Musée Carnavalet, Parijs
Het onderschrift van de spotprent luidt: ‘We moeten hopen dat het spel snel zal eindigen’.
Wat is de boodschap van de cartoonist?

Jacques-Louis David, De
De Franse schilder David sloot zich aan bij de revolutionairen en werd zelfs de huisschilder van de Franse Revolutie.
a Ho e toont David dat er ook geestelijken en edellieden aan de grondwet meewerken?
b Geef twee elementen uit het schilderij die de opwinding die op dat moment heerst, moeten illustreren.
c Denk je dat het schilderij een waarheidsgetrouwe weergave is van wat er toen gebeurde? Verklaar je antwoord.
a Wat eisen de opstandelingen? Vertaal de slogan.
b Van welke ideeën herken je de invloed?
BRON 9 De graanprijs in Parijs
Uit: Jacques Godechot, La prise de la Bastille, 1985 Jacques Godechot (1907-1989) is een Frans historicus die zich specialiseert in de Franse Revolutie.
a Verklaar aan de hand van de grafiek waarom de opstand op 14 juli 1789 uitbreekt.
b Wat vieren de Fransen vandaag op 14 juli, ter herinnering aan het uitbreken van de Franse Revolutie?
BRON 10 De Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger
1 De mensen worden vrij en gelijk in rechten geboren en blijven dat.
2 De regering moet de volgende rechten beschermen: vrijheid, bezit, veiligheid en verzet tegen onderdrukking.
3 De o orsprong van alle soevereiniteit komt van het volk.
4 Vrijheid bestaat hierin dat men alles kan doen wat een ander niet schaadt.
6 De wetten worden geschreven door de vertegenwoordigers van het volk. (…) De wet moet voor iedereen op dezelfde wijze gelden.
7 Je mag alleen maar gearresteerd worden als je iets gedaan hebt dat volgens de wet niet mag.
Uit: De Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger, 26 augustus 1789
De Verklaring wordt in 1791 ook opgenomen in de Franse grondwet en dient als voorbeeld voor latere mensenrechtenverklaringen zoals de ‘Universele Verklaring van de Rechten van de Mens’ van de Verenigde Naties en het ‘Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens’ van de Raad van Europa.
a Bewijs met twee voorbeelden dat deze bron gebaseerd is op de verlichte ideeën.
b Waaruit bestaat de gelijkheid?
De Franse Revolutie maakt vanaf 1789 een einde aan allerlei eeuwenoude structuren en instellingen: het vorstelijk absolutisme, de standenmaatschappij, de resten van het leenstelsel, de gilden en ambachten, de katholieke staatsgodsdienst. Na 1789 volgt een periode van binnenlandse strijd tussen koningsgezinden, gematigde en radicale revolutionairen en buitenlandse oorlogen tegen de andere West-Europese landen. De revolutie eindigt pas tien jaar later met de staatsgreep van Napoleon. Hoe kijken tijdgenoten naar de Franse Revolutie? Hoe wordt de Franse Revolutie vandaag herinnerd?
OPDRACHTEN
1 Bestudeer bron 1.
a Welke mening kun je lezen in de Engelse kranten over de Franse Revolutie?
b Ho e komt dat, volgens de auteur van de bron?
c Gelo oft het Engelse volk die leugens volgens de auteur van de bron? Leg uit.
2 Bestudeer bron 2.
a Beschrijf wat je ziet op de tekening.
b Verklaar die elementen.
c Wat is de boodschap van de karikatuur?
d We hebben te weinig informatie om de precieze bedoeling van de bron te achterhalen. Welke drie belangrijke elementen ontbreken in de contextinformatie?
3 Bestudeer bron 3.
a Wat zie je op de tekening?
b Welke bedoeling heeft deze tekening?
c Is het opschrift onder de tekening eerder positief of eerder negatief over de koning?
d Tot welke partij behoort de tekenaar zeker niet? Kies uit: de koningsgezinden – de gematigde revolutionairen –de radicale revolutionairen.
e Waarom staan er zoveel soldaten rond het schavot, denk je?
4 Maak een synthese van de meningen van tijdgenoten over de Franse Revolutie. Geef telkens kort uitleg en noteer in welke bron(nen) je die mening hebt gevonden.
a Wat is de mening van de Fransen?
b Wat is de mening van het buitenland?
5 Bestudeer bron 4 en 5.
a Wanneer is de slogan ‘vrijheid, gelijkheid, broederlijkheid’ ontstaan?
b Wat gebeurt er met de slogan in de 19e eeuw?
c Wat gebeurt er met de slogan in de hedendaagse tijd?
6 Ho e kijken we vandaag terug naar de Franse Revolutie?
a Wat is de mening van de Fransen zelf?
b Wat is de mening in de rest van Europa?
7 a Op welke manieren blijft de Franse Revolutie vandaag aanwezig in het leven van de Fransen? Geef drie voorbeelden.
b Waarom verwijzen de Fransen vandaag nog naar de revolutie, denk je?
8 Bestudeer bron 4 tot en met 9.
a Waarom wordt de Franse Revolutie in 1989 uitgebreid herdacht?
Welke bedoelingen heeft Mitterrand met zijn speech op 20 juni 1989? Kies uit:
1 Hij wil dat de Fransen trots zijn op hun land.
2 Hij wil aantonen dat een parlementaire monarchie de beste staatsvorm is.
3 Hij wil dat de Fransen op nationalistische partijen stemmen.
4 Hij wil dat alle Fransen zich met de democratische waarden verbonden voelen.
5 Hij wil zichzelf en de ideeën van zijn par tij in het verlengde van de revolutie plaatsen.
b Welke uitspraak van Mitterrand is duidelijk overdreven?
c In welk tijdvak wordt de Franse Revolutie het meest in de verf gezet door de Fransen?
d Vat de oorsprong, functie en vorm van de collectieve herinnering aan de revolutie in het hedendaagse Frankrijk samen.
De Fransen moeten weten dat de meeste Engelse kranten de mening van de Engelse regering verkondigen: ze hebben ofwel directe banden met de regering, ofwel moeten ze de bevelen van de regering opvolgen. Ze moeten ook weten dat die kranten de Franse Revolutie voortdurend aanvallen, omdat ze het Engelse volk willen bedriegen. Maar omdat de waarheid altijd bovenkomt, hebben die leugens nu al niet langer het gewenste effect.
Uit: Thomas Paine, The Rights of Man, 1791
Thomas Paine (1737-1809) is een Engels-Amerikaanse filosoof, die een belangrijke rol heeft gespeeld in de Amerikaanse en de Franse Revolutie. Wanneer de Engelse regering hem vanwege zijn revolutionaire ideeën wil arresteren, vlucht hij naar Frankrijk. Daar verzet Paine zich tegen het bloedvergieten en de terechtstelling van Lodewijk XVI. In 1793 wordt hij daarom door de radicale revolutionairen gevangengezet en enkele maanden later ter dood veroordeeld. Thomas Paine ontsnapt op het nippertje aan de guillotine
BRON 2 Nederlandse karikatuur

De soldaat met het spit, anonieme Nederlandse karikatuur (ca. 1795), Musée de l’Histoire vivante, Montreuil De Europese absolute vorsten kijken verbijsterd naar de gebeurtenissen in Frankrijk. Ze vrezen dat de revolutionaire ideeën zich verder door Europa zullen verspreiden. Ook Frankrijk stuurt aan op een oorlog. In 1792 nemen de Fransen de wapens op tegen een bondgenootschap van Europese landen: Oostenrijk, Pruisen en vanaf 1793 ook Nederland, Groot-Brittannië, Spanje en nog enkele andere kleinere landen. De Fransen hopen op steun (voor de revolutie) van het volk uit die landen, maar die komt er maar in beperkte mate. Na een moeizame start boekt Frankrijk toch snel belangrijke overwinningen, zoals de verovering van de Oostenrijkse Nederlanden (het latere België) in 1794 en de onderwerping van Nederland in 1795. In 1797 komt Frankrijk als grote winnaar uit de strijd.
BRON 3 De terechtstelling van Lodewijk XVI


De terechtstelling van Lodewijk XVI, ingekleurde anonieme gravure (1793), Musée Carnavalet, Parijs Eerst hebben de gematigde revolutionairen de macht: zij willen een parlementaire monarchie , met politieke macht voor de rijke burgerij. In 1792 grijpen meer radicale revolutionairen de macht. Zij willen dat de revolutie meer macht geeft aan het volk: ze stichten een republiek en veroordelen Lodewijk XVI ter dood. De terechtstelling vindt plaats op 21 januari 1793. Onder deze gravure kun je lezen dat de koning vastberaden en moedig het schavot is opgestapt en dat hij heeft geprobeerd om het volk toe te spreken. Overstemd door luid tromgeroffel kunnen enkel de mensen op de voorste rijen nog horen: ‘Burgers, ik vergeef mijn vijanden, ik sterf onschuldig.’


Je hebt al geleerd dat de slogan ‘vrijheid, gelijkheid, broederlijkheid’ zijn oorsprong vindt in de Verlichting Tijdens de Franse Revolutie bestaan er verschillende versies van, maar de link met de Franse republiek wordt dan al gelegd. In de 19e eeuw zal de slogan daarom regelmatig uit het straatbeeld verdwijnen en weer opduiken naargelang de Franse staatsvorm –keizerrijk, republiek, monarchie – van gedaante verwisselt. In de hedendaagse tijd is de slogan officieel een van de belangrijkste symbolen van de Franse republiek: je vindt hem terug op de gevels van officiële gebouwen, op de munten van 1 en 2 euro, en in het logo van de Franse Republiek.
BRON 6 Officieel logo van de Franse Republiek BRON 7 Nationale feestdag


Vuurwerk aan de Eiffeltoren op 14 juli 2018 in Parijs
De Fransen herdenken op hun nationale feestdag de bestorming van de Bastille. Overal in Frankrijk wordt op die dag vuurwerk afgestoken en natuurlijk ook aan de Eiffeltoren, die gebouwd werd in 1889 voor de honderdste verjaardag van de Revolutie. 14 juli 1789 is de geschiedenis ingegaan als een belangrijke mijlpaal op de weg naar democratie . Ook in de rest van Europa is de Franse Revolutie een symbool geworden van vrijheid en mensenrechten. In de Engelstalige wereld wordt 14 juli ‘Bastille Day’ genoemd.
Allons enfants de la Patrie, le jour de gloire est arrivé !
Contre nous de la tyrannie
L’étendard sanglant est levé.
L’étendard sanglant est levé :
Entendez-vous dans les campagnes
Mugir ces féroces soldats ?
Ils viennent jusque dans vos bras
Égorger vos fils, vos compagnes !
Aux armes, citoyens, Formez vos bataillons.
Marchons, marchons !
Qu’un sang impur
Abreuve nos sillons !
BRON 9
Eerste strofe en refrein van het Franse volkslied
La Marseillaise wordt geschreven in 1792, als strijdlied van de Franse soldaten. Het lied is meteen een groot succes en wordt van 1795 tot 1799 en daarna vanaf 1879 het nationale volkslied. In 2005 is het volkslied verplichte leerstof geworden.
De vertaling van de Marseillaise vind je online.
Geïnspireerd door de ideeën van de Verlichting, maar verplicht om stap voor stap antwoorden te bedenken op onvoorziene situaties, heeft de Grondwetgevende vergadering (…) de basis gelegd van de Republiek, waarvan wij de erfgenamen zijn. (…) De republiek is geen lege vorm. Ze bevat een geheel van instellingen, rechtsregels en verplichtingen die wij de democratie noemen (…) Overal waar mensen vechten voor onafhankelijkheid, voor zelfbeschikkingsrecht , voor de opkomst van de arme landen, voor de vrijheid om te denken, voor de gelijkheid van de rechten, horen we de boodschap van de Franse Revolutie en iedereen in de wereld weet dat.
François Mitterrand, toespraak ter gelegenheid van de 200e verjaardag van de eed van de kaatsbaan, op 20 juni 1989 François Mitterrand (1916-1996) is een Franse politicus van de socialistische partij en president van Frankrijk tussen 1981 en 1995. In 1989 wordt de 200e verjaardag van de Franse Revolutie uitgebreid gevierd. Mitterrand houdt deze toespraak in de kaatsbaan in Versailles, precies 200 jaar nadat de Staten-Generaal op die plek hebben gezworen dat ze niet uit elkaar zullen gaan voor het land een grondwet heeft.
De uitgebreide versie van deze toespraak vind je online.
1 aangeven welke bronnen bruikbaar zijn om een historische vraag te beantwoorden
2 informatie uit bronnen afleiden
3 de invlo ed van standplaatsgeb ondenheid op de historische beeldvorming inzien
4 de functie van een bron achterhalen
5 de b etekenis die vandaag aan de Franse Revolutie wordt gegeven, uit bronnen afleiden
6 de o orsprong, functie en vorm van de collectieve herinnering aan de Franse Revolutie uitleggen
DOC 1-2
De Boerenkrijg wordt in de Belgische patriottische literatuur omschreven als een heldhaftige strijd. Alle mogelijke superlatieven worden aangewend om de moed en dapperheid van de strijders te onderstrepen. Wat gebeurt er precies in deze Boerenkrijg en vanwaar al die heisa?
België is vandaag net zoals alle andere lidstaten van de Europese Unie een parlementaire democratie. Ook de andere Belgische bestuursniveaus (regio’s, provincies, gemeenten) vertrekken vanuit dat principe. Wat zijn de kenmerken van een parlementaire democratie in België? Waarop is die gebaseerd? Hoe werkt dat op de verschillende niveaus?
Het Franse revolutionaire beleid wekt onrust
1De hedendaagse parlementaire democratie in
Onze gewesten worden in de 18e eeuw bestuurd door de Oostenrijkse Habsburgers (zie D3 en D4). De Franse revolutionairen komen in conflict met Oostenrijk, een belangrijke tegenstander van de revolutie . Die strijd wordt grotendeels in de Zuidelijke Nederlanden beslecht. In 1792 behalen de Fransen de overwinning. Een aantal Zuid-Nederlandse burgers en edellieden beschouwen de Franse troepen aanvankelijk als bevrijders. Tijdens de Brabantse Omwenteling (1789) hebben ze al eerder een poging gewaagd om een onafhankelijke staat te stichten. Onenigheid en de inval van een Oostenrijks leger hebben daar een einde aan gemaakt (zie ook het onlinelesmateriaal). Ze hebben nu hun hoop gesteld op de Franse revolutionairen. Die lijven in 1795 onze gewesten echter bij Frankrijk in. Ze schaffen de oude instellingen en wetten af en voeren allerlei revolutionaire hervormingen door. De oude vorstendommen worden bijvoorbeeld vervangen door negen departementen. Niet iedereen staat huiverig tegenover die veranderingen. De stedelijke burgerij hoopt op een uitbreiding van haar economische en politieke macht. Progressieve intellectuelen juichen het nieuwe tijdperk toe. Velen ergeren zich echter aan de antiklerikale politiek van de Fransen. Die zien de machtspositie van de Kerk als een bedreiging die moet verdwijnen. Priesters die weigeren een ‘eed van trouw aan de republiek en haat aan het koningschap’ af te leggen, worden opgepakt en zelfs gedood. Kerken, abdijen en kloos -
BRON 1-2 In een democratie vertrekt men vanuit het principe van de volkssoevereiniteit. Het volk van een staat bepaalt wie welke macht heeft. Een lid van het volk noemt men in het staatsrecht een burger. De hedendaagse democratieën zijn grotendeels indirect. De burgers kiezen in dat geval vertegenwoordigers die wetten maken, die bestuurders aanstellen of zelf besturen, die ambtenaren benoemen … In een directe democratie beslissen de burgers zelf. De polis Athene uit de klassieke oudheid is daar het schoolvoorbeeld van. In de hedendaagse landen en gebieden leven echter heel veel mensen, waardoor een rechtstreekse democratie moeilijk te organiseren valt. Ook wil niet iedereen voortdurend met politiek bezig zijn. Sommige landen, zoals Zwitserland, houden wel regelmatig referenda of volksraadplegingen.
In Vlaanderen kan dat in beperkte mate in een gemeente of een provincie.
De parlementaire democratie baseert zich grotendeels op het Engelse parlementarisme en ideeën van de verlichte filosofen. Het systeem ontstaat en evolueert gedurende de moderne tijd.
In België schrijft de grondwet voor wat de rechten van de burgers zijn en hoe de staat werkt.
verbeurdverklaard en openbaar verkocht om de Franse schatkist te spijzen. Het ongenoegen neemt verder toe als de oogsten mislukken en er een hongersnood dreigt. Ook andere Franse maatregelen kunnen op niet veel sympathie rekenen: het afschaffen van oude voorrechten, de stijgende belastingdruk en vooral de conscriptie wet doen het gemor toenemen. Die laatste wet roept alle mannen van 20 tot 25 jaar op voor een verplichte legerdienst die ten minste vijf jaar kon duren. De al door belastingen en misoogst geteisterde plattelandsbevolking verliest daardoor broodnodige arbeidskrachten aan het Franse leger. Dat complexe geheel van factoren zorgt ervoor dat er een gewapende opstand tegen de Franse bezetter uitbreekt: de ‘Boerenkrijg’.
2
Brigands tegen Fransen
De oorspronkelijke grondwet stamt uit 1831, maar is nadien verschillende keren aangepast. De staat diende beter georganiseerd te worden of nieuwe rechten werden erin geschreven. De gelijkheid tussen man en vrouw komt bijvoorbeeld in 2002 in de grondwet. De rechten noemt men ook de grondrechten of mensenrechten. Die kunnen en mogen nooit aangetast worden. De oorspronkelijkste zijn de vrijheden (vrije mening, vrije pers, vrij vergaderen …) en de gelijkheid voor de wet. Dat laatste betekent dat iedereen in gelijke gevallen een gelijke behandeling krijgt. Beperkingen van de grondrechten zijn bij wet geregeld en zijn slechts in bepaalde omstandigheden mogelijk, zoals ter bescherming van de openbare orde , veiligheid en gezondheid. Aan de ene kant voorziet de grondwet in vrijheid van eredienst. Gelovigen zijn vrij in het beleven van hun geloof en mogen daarvoor samenkomen. Langs de andere kant is er scheiding tussen Kerk en staat. De staat bemoeit zich niet met de erediensten zolang die zich aan de wetten houden en de grondrechten respecteren.
DOC 3-4 Sommige onderzoekers beweren dat de opstandelingen steun uit het buitenland beloofd was. Britten en Oostenrijkers, vijanden van de Fransen, zouden hen te hulp komen. Op 25 oktober zou een Britse vloot als startschot van de opstand bij Oostende aanmeren. Harde bewijzen voor dat internationale complot zijn er echter niet. De vijandelijkheden breken bovendien twee weken eerder uit. Op 12 oktober 1798 worden in Overmere de bezittingen van iemand die weigert de nieuwe belastingen te betalen in beslag genomen. Dat leidt
België is een grondwettelijke parlementaire monarchie . De grondwet vertrekt vanuit het principe van de scheiding der machten . De wetgevende macht is in handen van het Belgische federale parlement. Die zorgt voor de wetten en controleert de andere machten. De Belgische federale regering is de
conscriptie: het oplijsten van jongens die in aanmerking komen voor legerdienst
uitvoerende macht die het land bestuurt.
De verschillende rechtbanken vormen de rechterlijke macht. Zij moet ervoor zorgen dat België functioneert als een rechtsstaat: een staat waarin iedereen op een gelijke manier voor een rechtbank behandeld wordt en waarin de rechtbanken erover waken dat de grondrechten en de wetten door iedereen, ook door de overheid, gerespecteerd worden. De ‘Koning der Belgen’ is het staatshoofd, dat zowel tot de wetgevende als de uitvoerende macht behoort. Officieel is hij het hoofd van de regering. Hij bekrachtigt wetten door ze te handtekenen.
De koning mag echter niets officieel doen zonder toestemming van een minister. Hij kan ook niet weigeren om een wet te ondertekenen.
De Belgische regering en het Belgische parlement zijn niet voor alles bevoegd. Bevoegdheden zoals cultuur en onderwijs zijn bijvoorbeeld naar de regio’s (gewesten en gemeenschappen) gegaan. Voor Vlaanderen heeft de Vlaamse regering de uitvoerende macht en het Vlaamse parlement de wetgevende macht. De Vlaamse wetten worden decreten genoemd en worden door de Vlaamse regering zelf bekrachtigd.
De provincies en vooral de gemeenten krijgen van de federale en regionale overheid de bevoegdheid om beslissingen te nemen voor zaken op hun grondgebied. De uitvoerende macht in een provincie heet bestendige deputatie en de provincieraad vormt de wetgevende macht. In een gemeente zijn de burgemeester en het schepencollege de uitvoerende macht. De gemeenteraad is de wetgevende macht. Een wet van een provincie of een gemeente noemt men een besluit. De beslissingen in een parlement en een raad worden minstens met een democratische meerderheid genomen: de helft plus één van de vertegenwoordigers moet dan akkoord zijn.
Ook heeft België een aantal bevoegdheden afgestaan aan de Europese Unie. Het bestuur is in handen van commissarissen. Het Europese parlement controleert de commissarissen en maakt de Europese wetten. De regeringen van de lidstaten hebben echter nog veel macht. Zij benoemen de commissarissen, bepalen mee het bestuur en maken mee de wetten. Een echte scheiding tussen wetgevende en uitvoerende macht is er in de EU dus niet echt. Het Europees Hof van Justitie waakt er als rechtbank over dat iedereen zich aan de Europese regels houdt.
Vrije verkiezingen zijn belangrijk binnen
moeten regelmatig gehouden worden, bijvoorbeeld om de vijf jaar. Een kiezer moet ongehinderd en in het geheim kunnen kiezen. Niemand mag je dwingen tot een bepaalde keuze of komen kijken op wie je stemt. De verkiezingen gebeuren daarom in een lokaal met afgeschermde stemhokjes. De rechterlijke macht houdt toezicht op het correcte verloop van de verkiezingen.
Burgers kunnen zich kandidaat stellen bij de verkiezingen. Ze horen meestal bij een politieke partij. Die organisatie verzamelt een groep mensen die min of meer dezelfde ideeën hebben. Elke partij heeft een programma waarin die ideeën staan en dat gedeeltelijk verschilt van dat van de andere partijen. De ideeën gaan over de belastingen, de economie, de macht van de regio’s, de energievoorziening, het milieu, de sociale hulp … Bij verkiezingen dient elke politieke partij een lijst met kandidaten in. Die verschillende lijsten komen dan op de stembrief. De kiezer duidt tijdens de verkiezingen op zijn stembrief aan welke lijst of welke kandidaten van één lijst zijn voorkeur genieten. In Vlaanderen gebeurt dat grotendeels digitaal.
In een parlement of raad zetelt een aantal vertegenwoordigers. Men spreekt ook over een aantal zetels. In de meeste gevallen moet je als partij meer dan 5 % van de stemmen halen om recht te hebben op een zetel. Naarmate een partij bij verkiezingen meer stemmen behaalt, krijgt ze meer zetels. Wie meer dan de helft van de zetels behaalt, mag besturen en dus de uitvoerende macht zijn. Heel zelden behaalt een partij echter dat aantal. Daarom gaan verschillende partijen samenwerken. Ze vormen een coalitie waarmee ze samen meer dan de helft van de zetels hebben. Dat wordt de meerderheid genoemd. De coalitie- of meerderheidspartijen sluiten een bestuursakkoord waarin staat wat ze de komende jaren gaan doen. De andere partijen die samen minder dan de helft van de zetels hebben, vormen de oppositie of de minderheidspartijen.
Via verkiezingen duidt het volk zijn vertegenwoordigers aan in de wetgevende instellingen (de parlementen en de raden). Die verkiezingen
1 Zo ek op welke politieke partijen er allemaal in het Vlaamse parlement zitten.
2 Orden ze volgens het aantal stemmen dat ze in de recentste verkiezingen gehaald hebben van groot naar klein.
3 Zo ek op welke partijen de Vlaamse regering vormen.
1 de b egrippen ‘monarchie’, ‘democratie’, ‘grondwet’ en volkssoevereiniteit’ uitleggen
2 de b egrippen ‘rechtsstaat’, ‘scheiding van Kerk en staat’, ‘grondrecht’, ‘vrije verkiezingen’, ‘coalitie’, ‘meerderheid’, ‘oppositie’, democratische meerderheid’, ‘politieke partij’ en ‘grondwettelijke parlementaire monarchie’ uitleggen
3 drie kenmerken van een parlementaire democratie opnoemen
4 de rol van elke macht in een parlementaire democratie geven
5 p er bestuursniveau in België de verschillende machten geven
6 uitleggen wat vrijheid en gelijkheid volgens de grondwet betekenen
1 een schema analyseren en er opdrachten bij oplossen
2 het kiesproces in België uit een schema afleiden
Het doel van dit essay is om op te komen voor één heel eenvoudig principe ... Dat principe is dat het slechts in één geval aan een groep of aan een individu toegestaan is om zich met iemands vrijheid van handelen te bemoeien, en dat is om zichzelf te beschermen (…) Individuele vrijheid moet in zoverre haar grenzen kennen: het individu mag niet tot overlast voor anderen zijn.
Uit: John Stuart Mill, On Liberty, 1859
John Stuart Mill (1806-1873) is een Engelse filosoof en econoom. In zijn interpretatie gaat de individuele vrijheid heel ver. Een belangrijke bron voor zijn visie is zijn tweede echtgenote, Harriet Taylor Mill (1807-1858), die net zoals hij opkomt voor de vrouwenrechten.
a Welke grens is er volgens Stuart Mill aan de individuele vrijheid?
b Welke andere grenzen zijn er in een land aan de individuele vrijheid?
Een aanpassing van de grondwet wordt een herziening genoemd.
De grondwet stamt uit 1831 en is in het Frans geschreven. Tussen 1893 en 2019 is ze ongeveer 58 maal herzien. Soms gaat dat over ingrijpende zaken zoals het stemrecht (1893, 1921, 1981,1998), de organisatie van de staat (1970, 1980, 1988, 1993, 2001, 2012, 2014) of de gelijkheid tussen man en vrouw (2002). In 1967 komt er een Nederlandstalige grondwettekst. Daarvoor heeft enkel de Franse tekst rechtsgeldigheid. In 1991 volgt een Duitstalige tekst van de grondwet.
De Belgische grondwet kan niet gewijzigd worden in oorlogstijd. Ze kan enkel gedeeltelijk worden gewijzigd. Bepaalde zaken die de grondwet afschafte, kunnen nooit meer terug ingevoerd worden (bijvoorbeeld de censuur). Een herziening moet volgens een vast bepaalde procedure verlopen. Ook moet de wijziging een 2/3 meerderheid halen in het parlement.
Uit: www.dekamer.be
a Een grondwet kun je niet zomaar veranderen. Juist of fout? Motiveer je antwoord.
b Voor welke zaken herziet men vooral de grondwet?
BRON 3 De verschillende bestuursniveaus en de scheiding der machten voor wie in Vlaanderen woont
Wetgevende macht
EU Europees parlement + ministers lidstaten
België federaal of nationaal Belgisch parlement
Uitvoerende macht
Rechterlijke macht
Commissarissen + ministers lidstaten Europees Hof van Justitie
Belgische regering
België regionaal Vlaams parlement Vlaamse regering
België provinciaal
Provincieraad
België gemeentelijk Gemeenteraad
De vertegenwoordigers worden via vrije verkiezingen aangeduid.
Belgische rechtbanken
Bestendige deputatie
Burgemeester en schepenen
De bestuurders worden aangesteld door de meerderheidspartijen in een wetgevende raad.
De rechters worden aangesteld door de nationale regeringen.
De rechterlijke macht wordt voor alle Belgische bestuursniveaus door dezelfde rechtbanken uitgeoefend.
De rechtbanken zijn grotendeels wel per provincie georganiseerd.
a Wie is de wetgevende en uitvoerende macht op regionaal niveau?
b Welke macht is in België niet verder opgedeeld in beleidsniveaus?
c De schep enen van een gemeente worden rechtstreeks verkozen. Juist of fout? Motiveer je antwoord.
d Welke uitvoerende macht wordt rechtstreeks verkozen?
e Europa kent een volledige scheiding der machten. Juist of fout? Motiveer je antwoord.

Vlaams Gewest Waals Gewest Brussels Hoofdstedelijk Gewest 1 2 3 4
Vlaamse gemeenschap Franse gemeenschap
Duitstalige gemeenschap 0 50 km
Bij welke gemeenschap of welk gewest hoort elk logo?
BRON 7 Het kiesproces (vereenvoudigd schema)
POLITIEKE PARTIJ
• Kiest kandidaten
• Maakt een kiesprogramma
LIJST MET KANDIDATEN
OVERHEID
KIESBRIEF
• Lijsten van verschillende partijen
• Volgorde wordt per loting bepaald.
• Niet alle par tijen hebben voldoende kandidaten.

VERKIEZINGEN (op vooraf bepaalde dag en binnen een bepaalde tijd)
• Keuze is geheim
• Kiezers kiezen voor een partij of voor één of meer kandidaten van één partij. Niets of niemand aanduiden mag ook.

Stemhokjes
• De stemmen worden geteld.

H et stemmen gebeurt dikwijls per computer
• Het resultaat wordt vastgesteld en meegedeeld.
Het resultaat in zetels voor het Vlaamse parlement in 2019
De politieke partijen starten onderhandelingen om een coalitie te vormen en zo een bestuur te vormen.
Ze vormen daarbij een meerderheid in een parlement of raad.
Meerderheidspartijen in het Vlaamse parlement die de Vlaamse coalitieregering in 2019 steunen
OVERZICHT
BEVOLKINGSTOENAME (vanaf 1450)
VERLICHTE IDEEËN
- vrijheid - gelijkheid - tegen absolutisme - tegen standen - scheiding Kerk en staat
BEVOLKINGSEXPLOSIE
INDUSTRIALISATIE
REVOLUTIES
NoordAmerika Frankrijk VS (1776) 1789-1799
MODERNE SAMENLEVING (1800-1945)
Hedendaagse democratie in België
In dit onderdeel vind je naar goede ‘Storia-gewoonte’ enkele opdrachten die de belangrijkste historische vaardigheden opnieuw onder de aandacht brengen. Als je de antwoorden niet onmiddellijk weet, raadpleeg dan je leerboek. Veel succes!

1 Lees de historische vragen. Welke bronnen zijn bruikbaar om ze te beantwoorden?
1 Welk beeld schetst Adriaen Pietersz van de Venne van de protestanten?
2 Welke bronnen hebben we over de reizen van Vespucci?
3 Ho e verliep de ondertekening van de Vrede van Münster?
4 Ho e zag Karel V eruit?
5 Waarom noemen wij Amerika ‘Amerika’?
2 Analyseer of bron 4 en bron 5B ook betrouwbaar zijn om die historische vragen te beantwoorden.
3 In bron 1 zegt Vespucci dat de lucht rond de evenaar fris en gematigd is. Is dat inzicht representatief voor die tijd?
4 Zo ek in je leerboek voor elke bron op - bij welke les(sen) ze thuishoort;
- bij welke domeinen je ze kunt onderbrengen.
Het dunkt mij, zeer vereerde Lorenzo, dat door mijn reis de opvatting van het merendeel der filosofen weerlegd wordt, die beweren dat niemand kan leven in de tropische streken vanwege de verzengende hitte, want op deze reis ontdekte ik het tegendeel. De lucht is frisser en gematigder in dit gebied en er leven zoveel mensen dat hun aantal groter is dan dat van hen die erbuiten wonen. In alle redelijkheid, laat het fluisterend gezegd worden, is ervaring stellig meer waard dan theorie.

Uit: Een brief van Amerigo Vespucci
In 1499 voer Amerigo Vespucci (Firenze 1454-Sevilla 1512), langs de oostkust van Zuid-Amerika. In enkele brieven vertelt hij over zijn reizen in ‘de nieuwe wereld’. Die brieven worden in heel Europa beroemd, maar blijken al snel gedeeltelijk verzonnen.

3 De zielenvisserij
Uitsnede van ‘De Universalis Cosmographia’, 1507 Geïnspireerd door de brieven van Vespucci, gebruikt de Duitse cartograaf Martin Waldsee-müller op deze kaart als eerste de naam ‘America’. Maar op de uitgave van 1513 haalt Waldseemüller alle verwijzingen naar Amerigo Vespucci weer weg. Er doen immers vermoedens de ronde dat Vespucci een deel van zijn verhalen gewoon heeft verzonnen. Toch blijft hij de man naar wie Amerika wordt genoemd.

Adriaen Pietersz van de Venne, De zielenvisserij (1614), 98,5 x 188 cm Op de rivier vissen protestanten (links) en katholieken (rechts) naar aanhangers. In de oorspronkelijke versie waren de netten van de katholieke vissers leeg. Maar ook in deze versie toont de schilder duidelijk zijn voorkeur. Let bijvoorbeeld maar eens op de bomen. Het schilderij verwijst ook naar de politieke kant van de Tachtigjarige Oorlog. Op de rechteroever zien we de Spaanse gezaghebbers en op de linkeroever de Nederlandse stadhouder.

Gerard ter Borch, olieverf op koper, 45,4 cm × 58,5 cm
De vrede van Münster maakt een einde aan de Tachtigjarige oorlog tussen de opstandige Nederlanden en hun Spaanse koning. De Nederlandse kunstschilder Gerard ter Borch, de Jonge (1617-1681) vergezelt de Amsterdamse diplomaat Pauw naar Münster. Op 15 mei 1648 wordt de vrede ondertekend door de Nederlandse en Spaanse gezanten en met hun eed bekrachtigd. Dit plechtige moment wordt op het schilderij vastgelegd. Links: de Nederlandse delegatie, rechts de Spaanse. De katholieke Spanjaarden zweren met de rechterhand op de Bijbel. De protestantse Nederlanders steken wijs- en middenvinger omhoog. Op de tafels: de kistjes met de vredesverdragen voor beide partijen. Op de achtergrond: het publiek dat met veel belangstelling toekijkt. Ter Borch vraagt zoveel geld voor het schilderij, dat het hem niet lukt het te verkopen. Maar hij maakt wel indruk: een van de Spaanse diplomaten neemt de kunstschilder mee naar Spanje, waar hij onder andere koning Philips IV schildert. In 1654 keert Gerard ter Borch terug naar Nederland.


Titiaan, Portret van keizer Karel V met een hond (1533), 192 x 111 cm
Dit portret is een kopie van het portret dat Jakob Seisenegger, de hofschilder van Ferdinand I, een jaar eerder heeft gemaakt. Op vraag van Karel V verandert Titiaan de compositie en de kleuren, waardoor de keizer groter en mooier lijkt dan op het origineel.
We onderscheiden twee soorten begrippen: structuurbegrippen en historische begrippen. Structuurbegrippen gaan over het vak geschiedenis: ze staan in deze woordenlijst in het oranje. Historische begrippen gaan over het verleden. De belangrijkste historische begrippen of sleutelbegrippen staan in het groen.
aanleiding: historische redeneerwijze: gebeurtenis die een feit of fenomeen het meest rechtstreeks doet ontstaan; ze verklaart waarom een feit of fenomeen op dat bepaalde moment plaatsvindt.
absolutisme: onbeperkte vorstelijke macht
aflaat: kwijtschelding van straf voor de zonde die men hier of in het hiernamaals nog zou moeten ondergaan
ambtenaar: iemand die werkt voor en betaald wordt door de overheid
anabaptisten: dopers of wederdopers = doopsgezinden. Protestantse geloofsgroep die onder andere de doop voor volwassenen voorstaat.
anatomie: opbouw van het menselijk lichaam
argument : historische redeneerwijze: een reden of uitleg voor iets
avondmaal: in de protestantse Kerken een van de twee sacramenten. Tijdens het avondmaal worden het lijden en het sterven van Jezus Christus herdacht door het eten van brood en het drinken van wijn, zoals Jezus deed op de dag voor zijn lijden en sterven (het Laatste Avondmaal).
bedoelde gevolgen: historische redeneerwijze: de gevolgen zijn met opzet veroorzaakt.
bedoelde handeling : historische redeneerwijze: de actie gebeurt met opzet.
Beeldenstorm: in 1566 plunderen vooral calvinisten kerken en kloosters en vernielen zij religieuze voorwerpen, die ze beschouwen als afgoderij.
Bloedraad: de Raad van Beroerten; uitzonderingsrechtbank ingesteld door Alva, voor de vervolging van protestanten
bewijs : feit of redenering waaruit blijkt dat iets waar of juist is
biecht: sacrament in de katholieke Kerk waarbij de priester de zonden vergeeft
breedtegraad: dient om de positie op de aarde te bepalen. Het gaat om een denkbeeldige lijn die horizontaal over de aarde loopt of een denkbeeldige horizontale cirkel die dwars door de aardbol gaat. De evenaar is de bekendste breedtegraad.
breuk: (symbolisch) moment waarop belangrijke veranderingen gebeuren
calvinisten: volgelingen van Calvijn, die zich van de katholieke Kerk hebben afgescheurd
calvinistische republiek: in heel wat steden in Vlaanderen kwamen in de jaren 1576-1585 de calvinisten aan de macht. Zij regeerden zonder de toestemming van de koning, vandaar ‘republiek’. Veel calvinisten wilden ook geen koning meer, zij waren republikeins gezind.
catechismus: overzicht van de christelijke leer in vragen en antwoorden
celibaat: het ongehuwd zijn van priesters en kloosterlingen
centralisatiepolitiek: de vorst probeert zo veel mogelijk macht naar zich toe te trekken.
centraliseren: zie centralisatiepolitiek
ceremonie: plechtige gebeurtenis
chronologie: de wetenschap die zich bezighoudt met het rangschikken in de tijd van historische gebeurtenissen
cijns: belasting op het gebruik van landbouwgrond, molen … door de boer te betalen aan de heer
cijnskiesrecht: kiesstelsel waarbij enkel de rijken stemrecht hebben.
commissiehandel: handelaars gaan samenleggen om een (eenmalige) expeditie te bekostigen en zo het risico te spreiden. Later wordt dat permanent met de oprichting van de naamloze vennootschap.
concilie: belangrijke vergadering van kerkleiders
conquistadores: letterlijk ‘veroveraars’, naam voor de avonturiers die delen van Amerika voor de Spaanse koning veroveren.
Zij hopen heel rijk te worden en hebben vooral interesse in het edelmetaal van de ‘indianen’. Hun leiders zijn dikwijls verarmde edellieden.
continentaal: verwijst naar het werelddeel
continuïteit: historische redeneerwijze: wat wezenlijk hetzelfde blijft, niet verandert.
contrapost: typische houding in de beeldhouwkunst; een staande persoon heeft het bekken licht gekanteld, het rechterbeen is gestrekt, het linkergebogen, de linkerarm is gebogen, de rechterarm gestrekt.
democratie: het volk heeft de meeste macht.
directe belastingen: belastingen op inkomen
directe oorzaak: feit/fenomeen dat een ander feit/ fenomeen rechtstreeks doet ontstaan
doopsgezinden: zie anabaptisten
dopers: zie anabaptisten
Duitse Hanze: samenwerkingsverband van Duitse kooplieden en steden om hun handelsactiviteiten te beschermen en uit te breiden
dynamisch: in de kunst, een uitdrukking van beweging
evolutie: historische redeneerwijze: (geleidelijke) ontwikkeling in de tijd, zie verandering
exporteren: uitvoeren
gelijktijdigheid: historische redeneerwijze: kenmerken zijn dezelfde op hetzelfde moment.
geometrisch: met aandacht voor, opgebouwd volgens meetkundige vormen (driehoek, rechthoek …)
gereformeerde religie: geloof van de calvinisten
federale staat: staat waarin de macht verdeeld wordt tussen een nationale regering en de regeringen van verschillende deelstaten (regio’s)
fresco: muurschildering; de verf wordt aangebracht op natte muurbepleistering.
gebieder: hoofd van het Mexicarijk
gewest: gebied met een (gedeeltelijk) eigen bestuur
gezagsargument: argument waarbij je verwijst naar personen met gezag, om het argument geloofwaardig te maken
grondwet: wet die bepaalt wie de macht heeft in een staat en vaak de rechten en plichten van de burgers weergeeft
guillotine: valbijl, onthoofdingswerktuig ingesteld tijdens de Franse Revolutie; genoemd naar de Franse arts J.J. Guillotin
handel: het kopen en verkopen van producten
hel: bevindt zich in het middeleeuwse wereldbeeld in het middelpunt van de aarde. Dat is de plaats waar mensen voor altijd afgescheiden zijn van God.
hemel: bevindt zich in het middeleeuwse wereldbeeld ver boven de aarde. Het is de plaats waar God woont. In de hemel zijn betekent bij God zijn.
hofceremonieel: geheel van rituelen, regels en gebruiken aan het hof
hofhouding: alle mensen die aan het hof van een vorst wonen en een taak hebben op het vlak van het huishouden, het onderhoud van de gebouwen, de medische en godsdienstige zorg en de ontspanning van de vorst
homofobie: angst (fobie) voor (homo)seksuelen, maar wordt ook wel gebruikt als synoniem voor homohaat
idealiseren: iets mooier/beter voorstellen dan in werkelijkheid
importeren: invoeren
incidentele oorzaak : historische redeneerwijze: een eenmalige gebeurtenis, zoals een handeling van mensen (bv. een moordaanslag of een demonstratie) of een natuurverschijnsel (bv. een misoogst, een overstroming of een epidemie). Incidentele oorzaken werken op korte termijn.
indirecte belastingen: belastingen op producten
indirecte oorzaak: feit/fenomeen dat een ander feit/ fenomeen onrechtstreeks doet ontstaan
innoveren: vernieuwingen invoeren om vooruit te komen, vernieuwen
intercontinentale handel: de handel tussen verschillende continenten (werelddelen); ontstaat vanaf de vroegmoderne tijd, ten gevolge van de ontdekkingen en kolonisaties
jaarmarkt: jaarlijks terugkerende markt, die enkele weken kon duren
kapitalisme: investeringen (in de handel) zijn gericht op het boeken van zo veel mogelijk winst.
katholieke reformatie: de hervormingen van de katholieke Kerk in de vroegmoderne tijd
kolonialisme: proberen om in andere gebieden kolonies te stichten om er zelf voordeel uit te halen
kolonie: een gebied dat onderworpen is aan een ander land
koloniseren: een gebied tot een kolonie maken
kritisch: onafhankelijk van anderen, op een wetenschappelijke manier denkend en oordelend
kritisch denken: onafhankelijk van anderen denken en oordelen
landbouw: akkerbouw en veeteelt
landvoogd: vertegenwoordiger (plaatsvervanger) van de vorst
lijnperspectief: techniek om een driedimensionaal gegeven op een plat vlak realistisch weer te geven. Lijnen die in realiteit evenwijdig lopen, laat men samenkomen in een vluchtpunt aan de horizon.
lutheranen: volgelingen van Luther die zich van de katholieke Kerk hebben afgescheurd
meerderheidspartijen: partijen die in een coalitie samen de meerderheid vormen in een parlement of raad. Zij hebben samen minstens de helft plus één van de zetels.
missionarissen: zendelingen, dikwijls geestelijken die proberen mensen tot het christendom te bekeren
manufactuur: werkplaats, waar op grotere schaal producten worden gemaakt, bijvoorbeeld kant; voorloper van de fabriek
maritiem: aan of op zee
maritieme handel: handel over de zee
monarchie: staat met aan het hoofd een koning (erfelijk, regeert tot zijn dood)
mondialisering: proces waarbij de economie op wereldwijde schaal plaatsvindt
naamloze vennootschap: samenwerkings verband tussen (anonieme) vennoten die een deel van het kapitaal van de onderneming hebben betaald, door het aankopen van aandelen
nijverheid: het geheel van de ambachtelijke productie van gebruiks- en luxevoorwerpen
OCMW: Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn. Verleent financiële steun, huisvesting, verzorging, opvang ...
onbedoelde gevolgen: historische redeneerwijze: de gevolgen zijn niet met opzet veroorzaakt.
onbedoelde handeling : historische redeneerwijze: de actie gebeurt toevallig.
ongelijktijdigheid: historische redeneerwijze: kenmerken zijn verschillend op hetzelfde moment.
oorzaak: historische redeneerwijze: feit/fenomeen dat een ander feit/fenomeen doet ontstaan
openbare orde: er heerst rust en alles is zodanig veilig dat men vreedzaam kan samenleven. Rellen, opstanden, vandalisme, hinderlijk lawaai ... zijn inbreuken op de openbare orde.
oriëntatie: je positie of plaats bepalen ten opzichte van een vast punt, bijvoorbeeld een bepaalde windrichting (doorgaans het noorden)
palazzo: letterlijk ‘paleis’; een heel grote woning voor de rijke burgers in de Italiaanse steden
parlementaire monarchie: de vorst deelt zijn macht met een parlement.
periode: bepaalde tijdsduur die duidelijk of minder duidelijk is afgebakend
perspectief : historische redeneerwijze: standpunt waaruit iemand naar iets kijkt; beïnvloed door de standplaatsgebondenheid
pionier: persoon die als eerste iets doet, onderneemt of uitvoert
plakkaat: affiche met wetteksten die in de 16e eeuw en later door de overheid in de Nederlanden aangeplakt wordt om zo wetten bekend te maken. De geletterden kunnen die dan voorlezen aan de analfabeten.
plantage: een hoeve met uitgestrekte landerijen
politieke revolutie: verandering in het politieke systeem, bijvoorbeeld meer inspraak voor het volk of het afzetten van de vorst, meestal als gevolg van een (gewelddadige) opstand
primaire bron: bron gemaakt door iemand die rechtstreeks betrokken is, bijvoorbeeld een ooggetuige
propaganda: middel om mensen te beïnvloeden; om ze te overtuigen van bepaalde ideeën
Raad van Beroerten: zie Bloedraad
rationaliteit: rede; logisch (wetenschappelijk) nadenken
realistisch: overeenkomstig met de werkelijkheid
rechtsstaat: staat waarin iedereen op een gelijke manier voor een rechtbank behandeld wordt en waarin de rechtbanken erover waken dat de grondrechten en de wetten door iedereen, ook door de overheid, gerespecteerd worden
reconstructie: re (her) / constructie (bouw): iets wat nagebouwd, nagetekend of nagespeeld is; het verleden dat op basis van bronnen wordt verteld
rekwisiet: voorwerp dat acteurs in een toneelspel, film of televisieproductie nodig hebben
religievrede: toestand van vrede op het vlak van religie. Een overeenkomst die de vrede tussen de verschillende religies moest verzekeren. In de Nederlanden en Duitsland werden religievredes gesloten in de 16e en 17e eeuw.
referendum: volksraadpleging waarin burgers een vraag met ja of nee beantwoorden of een keuze maken uit enkele voorstellen. Vooraf wordt bepaald hoeveel deelnemers minstens moeten opdagen en hoeveel stemmen het winnende voorstel moet halen. Volksraadplegingen worden op dezelfde manier georganiseerd als verkiezingen.
reformatie: kerkhervorming in de 16e eeuw onder leiding van Maarten Luther en Johannes Calvijn
renaissance: letterlijk ‘wedergeboorte’; beweging die de cultuur/kunst van de klassieke oudheid wil doen herleven. Hoogtepunt: 15e en 16e eeuw in Italië en de Nederlanden
representativiteit: een bron is representatief als ze algemeen geldend is voor die periode.
republiek: staat met aan het hoofd een president (gekozen voor een bepaalde periode)
revolutie: historische redeneerwijze: de veranderingen gebeuren snel
sacramenten: bepaalde rituelen in de katholieke Kerk (doopsel, vormsel, huwelijk, priesterwijding, biecht, ziekenzalving, eucharistie)
scheiding der machten: de uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht zijn verdeeld over verschillende personen of politieke instellingen.
secundaire bron: bron gemaakt door iemand die niet rechtstreeks betrokken is; vaak in een andere tijd
staat: land
staatsrecht: wetten die bepalen hoe een staat functioneert en hoe die zich organiseert
staatsvorm: manier waarop de staat georganiseerd wordt, hoe de bevoegdheden/taken verdeeld zijn
standplaatsgebondenheid: tijd, ruimte, maatschappelijke positie en persoonskenmerken beïnvloeden de blik op (historische) gebeurtenissen.
Staten-Generaal: vergadering met vertegenwoordigers uit de drie standen (edelen, geestelijken en steden) uit de meeste Nederlandse provincies
statisch: in de kunst: weinig of geen uitdrukking van beweging
structurele oorzaak : historische redeneerwijze: diepliggender kenmerken van een samenleving. Structurele oorzaken werken op lange termijn.
symmetrisch: beide helften van een voorwerp zijn gelijk.
terechtstelling: het uitvoeren van de doodstraf op bevel van een rechtbank
terreur: schrikbewind; onrechtmatig gebruik van geweld
tijdrekening: manier om de tijd voor te stellen vanaf een bepaald vertrekpunt
toeval: historische redeneerwijze: iets wat plaatsvindt zonder bedoeling
tolerantie: verdraagzaamheid, het toestaan van anders-zijn, anders-denken
traditie: gebruiken en gewoonten die van de ene generatie op de andere worden doorgegeven
uomo universale: universele mens: de kunstenaars-ingenieurs van de renaissance. Ze streven ernaar om zich in zo veel mogelijk takken van de kunsten en de wetenschappen te ontplooien.
vagevuur: wachtplaats voor wie niet onmiddellijk in de hemel mag
VDAB: Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, helpt werkzoekenden aan werk.
verandering: historische redeneerwijze: iets wat op een bepaald moment wijzigt, meestal minder geleidelijk
Verlichting: filosofische beweging in de 18e eeuw, met als belangrijkste principes vrijheid, gelijkheid en rationaliteit
verstekeling: persoon die illegaal en vaak verborgen meereist aan boord van een schip of een ander transportmiddel
Vlaamse primitieven: groep ‘Vlaamse’ kunstschilders in de 15e, begin 16e eeuw. Hun werk wordt tot de noordelijke renaissance gerekend.
vluchtlijnen: lijnen die in de realiteit evenwijdig lopen, laat men in een tekening naar een punt samenkomen om diepte te creëren.
vluchtpunt: punt aan de horizon waar lijnen die in realiteit evenwijdig lopen, visueel samenkomen
wederdopers: zie anabaptisten
wisselbrief: betalingsopdracht van een persoon (of bedrijf) om een andere persoon (of een ander bedrijf) geld te betalen. Het systeem vermijdt dat cash geld over een lange afstand moet worden getransporteerd.
zelfbeschikkingsrecht: volkeren mogen zelf bepalen door wie en hoe ze bestuurd worden.
zonde: het vrijwillig en bewust kiezen voor het kwade.
Credits blz. 10 Wereldkaart uit 1459 © akg images; Wereldkaart uit 1570 © Science Source blz. 11 Klassieke voorstelling van de kosmos © Imageselect/Science Source Import RM/New York Public Library Science Source; Copernicaanse voorstelling van de kosmos © akg images/F1 online blz. 18 Handschrift op perkament © The Picture Art Collection/Alamy blz. 22 Vaas © Azoor Photo/Alamy blz. 23 Het Pantheon © Sergey Borisov/Alamy blz. 24 Christus van Michelangelo © Gianni Pasquini/ Alamy blz. 25 Portret van een man © Album/Fine Art Images; Landschap © Magite Historic/Alamy blz. 55 Standbeeld John Cabot in Newfoundland (Canada) © SJ Images/Alamy; Standbeeld John Cabot in Bristol © Glenn Harper/Alamy blz. 59 Afbeeldingen uit Codex Mendoza © The Art Archiv/Shutterstock, © Granger, © The Picture Art Collection/Alamy blz. 61 Schedelmuur in Mexico-Stad © Kristin Cato/Alamy blz. 67 Black Lives Matter © NurPhoto via Getty Images blz. 70 Een slavenschip © incamerastock/Alamy blz. 74 De geldwisselaar en zijn vrouw © Erich Lessing/Album blz. 85 Tapijt Karel V © Artokoloro/Alamy blz. 86 De Gentenaars door keizer Karel gestraft © Art World/Alamy blz. 87 De triomfen van Karel V © Artokoloro/Alamy blz. 110 Immanuel Kant © Science Source blz. 112 Charles de Montesquieu © Erich Lessing/Album blz. 121 Een gevel in Parijs © Alex Segre/Alamy; De Franse euromunt © Gunter Kirsch/Alamy; Officieel logo van de Franse Republiek © Eric D ricochet69/Alamy blz. 127 Stemhokjes © HOLLANDSEHOOGTE blz. 131 Karel V © PRISMA ARCHIVO/Alamy