Zugspitze 2 vmbo-gt(h) Voorbeeldkatern

Page 1


2-jährige Ausgabe

2 VMBO-GT(H) (2-jährige Ausgabe)

Arrangement ZugSpitze

Bij start in leerjaar 1 met Duits:

Bij start in leerjaar 2 met Duits:

Auteurs

Gert Baas, Heleen Blok, Carine Ettema, Marcel den Hollander

Vormgeving

Crius Group, Hulshout, België

Omslag

Eduardo Media, Stampersgat, Nederland

Over ThiemeMeulenhoff

ThiemeMeulenhoff is een educatieve uitgeverij die zich inzet voor het voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs. De mensen van ThiemeMeulenhoff zijn er voor onderwijsprofessionals – met ervaring, expertise en doeltreffende leermiddelen. Ontwikkeld in doorlopende samenwerking met de mensen in het onderwijs om samen het onderwijs nog beter te maken. We ontwikkelen lesmethodes die goed te combineren zijn met andere leermiddelen, naar eigen inzicht aan te passen en bewezen effectief zijn. En natuurlijk worden al onze lesmethodes zo duurzaam mogelijk geproduceerd. Zo bouwen we samen met de mensen in het onderwijs aan een mooie toekomst voor de volgende generatie.

Samen leren vernieuwen.

www.thiememeulenhoff.nl

ISBN 978 90 06 50990 8

Eerste druk, eerste oplage, 2026

© ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2026

Alle rechten voorbehouden. Tekst- en datamining, AI-training en vergelijkbare technologieën niet toegestaan. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl.

De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd.

INHALT

 Landeskunde Herzlich willkommen in Deutschland! 4

 Schritt 1-4

Schritt 1 Hören Hallo! 11

Schritt 2 Lesen Bekannt, berühmt, beliebt 18

Schritt 3 Hören Eine schöne Familie! 26

Schritt 4 Gespräche führen Wie geht‘s? 33

 Zwischenstufe Schritt 1-4

D-Prüfung 41

Sprachfest Plakat-Alarm! 43

 Schritt 5-8

 Zwischenstufe Schritt 13-16

D-Prüfung x

Sprachfest Verkehrsschild x Lernecke x

 Landeskunde Willkommen in den Bergen!

 Schritt 17-20

Schritt 17 Hören Achtung, Achtung! x

Schritt 18 Lesen Wir gehen ins Kino! x

Schritt 20

Schritt 19 Hören Wo ist der Bahnhof? x Gespräche führen Wann hast du Mathe? x

Met ZugSpitze werk je in korte Schritte toe naar een toetsmoment. De vaardigheden staan hierbij centraal.

Schritt 5 Lesen Spaß und Action x

Schritt 6 Hören Shoppen macht Spaß x

Schritt 7 Lesen Im Kaufhaus

Schritt8 Schreiben Hast du Lust auf Freizeit? x

Leerlingen beginnen altijd receptief en eindigen productief. Dit geeft houvast en duidelijkheid.

D-Prüfung Sprachfest Lernecke

Zwischenstufe Schritt 17-20 x Im Kino x x

 Zwischenstufe Schritt 5-8

D-Prüfung x

Sprachfest Krimi x

Lernecke x

 Schritt 9-12

Schritt 9 Hören Gute Reise! x

Schritt 10 Lesen Hallo, neue Wohnung! x

Schritt 11 Hören Ein Ausflug mit der Familie x

Schritt 12 Sprechen Hallo zusammen! x

 Zwischenstufe Schritt 9-12

D-Prüfung x

Sprachfest Sprache erfinden x

Lernecke x

 Schritt 13-16

Schritt 13 Lesen Bist du dabei? x

Schritt 14 Hören Nachrichten und Werbung x

Schritt 15 Lesen Musik macht Spaß x

 Schritt 21-24

Schritt 21 Hören Das beste Pferd im Stall x

Schritt 22 Lesen Nachrichten für dich! x

Schritt 23 Schreiben Willkommen in meinem Zimmer! x

Schritt 24 Lesen Ab in den Urlaub! x

 Zwischenstufe Schritt 21-24

D-Prüfung x

Sprachfest Was ist passiert? x Lernecke x

 Grammatik-Übersicht x

 Leerstofoverzicht x

 Geografische en staatkundige kaart Duitsland x

 Geografische en staatkundige kaart Oostenrijk x

 Arbeitsblätter x x Hast

Schritt 16 Gespräche führen Was darf es sein? x

Landeskunde: Herzlich willkommen in Deutschland!

LEERDOELEN

• Je kunt je eigen interesses en doelen verkennen voor het leren van en over de doeltaal, doeltaalculturen en doeltaalsprekers.

• Je kunt onderscheiden waar, door wie en in welke contexten de doeltaal wordt gebruikt.

• Je kunt overeenkomsten en verschillen op het gebied van gewoontes, omgangsvormen en perspectieven benoemen binnen en tussen culturen.

Welkom in Duitsland! En welkom bij de beklimming van de Duitsland. In dit boek ga je snel heel veel Duits leren! Dat kost soms wat moeite, net als het beklimmen van een berg. Daarom heet ieder hoofdstukje in dit boek ‘stap‘. In iedere Schritt leer je een beetje meer Duits en zet je dus een nieuwe stap naar de top van de Zugspitze

1 Deutsch?

Zugspitze, de hoogste berg in Schritt, dat betekent leer je een beetje meer Duits en zet je dus een nieuwe stap naar de top

Landeskunde is een belangijk onderdeel in de methode. ZugSpitze biedt zo een venster op de Duitstalige landen en Duitse cultuur. In de Landeskunde-hoofdstukken wordt ook extra aandacht besteed aan de nieuwe kerndoelen Taal- en cultuurbewustzijn.

Op deze en de volgende bladzijden lees je al iets over Duitsland, de Duitse taal en de Duitsers. Je hoeft nog niet alles te weten. Maar je zult merken dat je al best veel weet!

In heel Europa spreken ongeveer 100 miljoen mensen Duits!

A Beantwoord de volgende vraag.

Je gaat vanaf vandaag op school Duits leren. Maar waarom? Je kunt natuurlijk zeggen: “Omdat Duits op het rooster staat. Het zal wel moeten.” Maar probeer eens een antwoord op de volgende vraag te bedenken.

Waarom kan het voor jou handig zijn om Duits te leren?

B Het kan echt de moeite waard zijn om Duits te leren. In welke situaties wordt er waarschijnlijk Duits gesproken?

Lees de volgende tekst.

Duits is de officiële taal in:

· Duitsland

· Oostenrijk

· Zwitserland (naast Frans en Italiaans)

· Liechtenstein

· Luxemburg (samen met Frans en Luxemburgs)

Daarnaast spreken mensen ook Duits in delen van:

· België (in het oosten)

· Italië (in Zuid-Tirol, een streek in het noorden)

· Oost-Europa (onder andere Polen, Hongarije, Roemenië, Tsjechië)

Duitsland is voor Nederland een belangrijk buurland. Duitsland heeft de grootste economie in Europa. Duitsland is de grootste handelspartner van Nederland. De Rotterdamse haven speelt daarin een grote rol. En doordat Duitsland een buurland is, zijn er ook veel vriendschappelijke relaties tussen Nederlanders en Duitsers.

In welke situaties kan er Duits worden gesproken? Kruis goed of fout aan.

goed fout

1 Tussen een Nederlandse familie en de Duitse buren.

2 Tussen de verkoopmanager van een Nederlands bloembollenbedrijf en de Duitse klant.

3 Tussen de receptioniste van een Nederlands hotel of vakantiepark en Duitse gasten.

4 Tussen een Nederlandse vrachtwagenchauffeur en de Duitse medewerker van een wegrestaurant.

C Maak de volgende opdracht.

Bedenk zelf nog twee situaties waarin Duits wordt gesproken.

 A Als ik bijvoorbeeld hier in Nederland

 B Als ik bijvoorbeeld op vakantie

 C Iets anders, namelijk

2 Deutsch und Niederlä ndisch

Hoeveel weet je over Duitsland en Nederland?

A Wat denk je, A, B, C of D? Kruis het juiste antwoord aan.

1 Hoeveel mensen wonen er in Duitsland?

Ongeveer …

 A 52 miljoen

 B 68 miljoen

C 84 miljoen

D 100 miljoen

2 En hoeveel mensen wonen er in Nederland? Ongeveer …

 A 8 miljoen

 B 18 miljoen

3 Wat denk jij? Leren Duitsers ook Nederlands?

 C 28 miljoen

 D 38 miljoen

 A Ja, op ongeveer 20 scholen in Duitsland kun je Nederlandse les krijgen.

 B Ja, op ongeveer 200 scholen in Duitsland kun je Nederlandse les krijgen.

 C Nee, Duitsers leren alleen Engels.

 D Nee, Duitsers leren allemaal verplicht Engels, Frans en Spaans.

B Wat denk je? Kruis telkens ja of nee aan.

Misschien heb je wel eens mensen horen klagen dat Duits moeilijk is. En andere mensen

zeggen dat Duits juist lekker veel op het Nederlands lijkt. Zijn de volgende woorden Duitse woorden?

1 Auto  ja /  nee

2 Bank  ja /  nee

3 Hotel  ja /  nee

4 ja  ja /  nee

5 filmen  ja /  nee

6 kosten  ja /  nee

3 Deutsch auf der Straße

7 landen  ja /  nee

8 blond  ja /  nee

9 modern  ja /  nee

10 super  ja /  nee

11 Computer  ja /  nee

12 Hobby  ja /  nee

Ben je al eens in Duitsland geweest? Ja? Misschien heb je toen al gemerkt dat je best veel

Duitse woorden kunt begrijpen, ook al zijn ze anders dan het Nederlands. Duits op straat, Deutsch auf der Straße, hoeft niet moeilijk te zijn.

Bekijk de foto’s. Schrijf eronder wat het Duitse woord volgens jou in het Nederlands betekent.

4

Die Hauptstadt von Deutschland

De hoofdstad van Nederland? Amsterdam. Van Engeland? Londen. Van Frankrijk? Parijs. Maar van Duitsland?

A Kijk naar de foto’s en kruis aan wat de hoofdstad van Duitsland is: Berlijn, Hamburg of München.

 C München stadhuis stadion Engelse Tuin

B In dit boek kom je de Bär en het Ampelmännchen vaak tegen. De beer is het symbool van Berlijn. Het mannetje van de verkeerslichten is een bijzonder figuurtje bij zebrapaden in Berlijn, anders dan in de rest van Duitsland.

Schrijf onder de twee foto’s het juiste Duitse woord, Bär of Ampelmännchen. Lees daarna de tip.

T I P P

De Bär en het Ampelmännchen in dit boek

• Als je de beer ziet, krijg je informatie over Duitsland. Dat heet Landeskunde

• Als je het rode Ampelmännchen ziet, krijg je een quizvraag over Duitsland. Fantastisch als je het antwoord al weet! En anders is het iets wat de moeite waard is om te onthouden.

• Zie je het groene Ampelmännchen, dan krijg je een tip. Dat kan een tip zijn hoe je woordjes goed kunt leren of hoe je bijvoorbeeld een tekst met vragen kunt aanpakken.

 A Berlijn parlementsgebouw oude stadspoort televisietoren
 B Hamburg haven stadhuis dierentuin

Verschillen tussen Duitsers en Nederlanders

Jij of u?

In Nederland zeggen veel mensen snel ‘jij’ (in het Duits du). Ze zeggen ook vaak ‘jij’ tegen leraren of bazen. In Duitsland is het anders. Daar zeggen mensen vaak Sie (u) als ze iemand niet goed kennen.

Recht voor zijn raap

Nederlanders zijn erg direct. Ze zeggen snel wat ze denken. Ze zeggen het ook als ze iets niet leuk vinden. In Duitsland zijn mensen vaak wat voorzichtiger. Veel Duitsers vinden directe taal soms onbeleefd.

Verjaardag

Als er in Duitsland iemand jarig is, zeg je alleen Gratuliere! of Alles Gute! tegen de persoon die jarig is. In Nederland feliciteer je ook de familie en vrienden van de jarige!

Op tijd of te laat?

In Duitsland vindt men het belangrijk dat je op de afgesproken tijd ergens bent. Vooral als het om het werk gaat. In Nederland is dat op het werk ook wel belangrijk, maar kun je vooral in de vrienden- en de familiesfeer best wat later aankomen dan afgesproken.

Rode verkeerslichten

In Duitsland stop je altijd als een verkeerslicht op rood staat, ook als fietser of voetganger. Duitse automobilisten houden er dan ook geen rekening mee als fietsers of voetgangers door rood rijden of lopen. In Nederland is men daarin wat slordiger, op het gevaarlijke af. Veel voetgangers en fietsers steken bij rood over als het veilig lijkt.

Duitsland en Nederland zijn buurlanden. Maar er zijn veel kleine verschillen in cultuur en in het dagelijks leven.

A Lees de tekst. Schrijf op welke verschillen tussen Duitsland en Nederland jou het meest opvallen. Schrijf op nummer 1 het meest opvallende verschil en op nummer 2 het minst opvallende verschil.

1 2

B Leg uit waarom je jouw nummer 1 zo’n bijzonder verschil met Nederland vindt.

6

Ein Quiz über Deutschland

Wat weet je al over Duitsland? Maak de quiz!

A Wat weet je al over Duitsland? Kruis antwoord A, B of C aan.

1 De kleuren van de Duitse vlag zijn …

 A groen, paars, bruin.

 B rood, wit, blauw.

 C zwart, rood, goud.

2 Duitsland heeft 9 buurlanden. Welk land is geen buurland van Duitsland?

 A Frankrijk

 B Italië

 C Polen

3 Hoe hard mag je op de Duitse snelwegen rijden?

 A 130 kilometer per uur.

 B Op een groot deel zo hard als je wilt.

 C Overal zo hard als je wilt.

4 Hoeveel goed onderhouden kastelen heeft Duitsland nog?

 A 150

 B 1500

 C 15000

5 Hoeveel personenauto’s worden er elk jaar in Duitsland ongeveer gemaakt?

 A 400.000

 B 4 miljoen

 C 40 miljoen

6 In welk rijtje staan alleen maar Duitse automerken?

 A Audi, Honda, Porsche

 B BMW, Mercedes, Volkswagen

 C Mazda, Mercedes, Porsche

7 Veel Duitsers eten graag worst. Hoeveel verschillende soorten worst zijn er in Duitsland?

 A Ongeveer 100.

 B Ongeveer 500.

 C Meer dan 1000.

8 Welke (extra) straf krijgt een Duitse crimineel als hij uit de gevangenis is ontsnapt en weer gevonden wordt?

 A Doodsstraf.

 B Geen straf.

 C Levenslange gevangenisstraf.

B Kijk je antwoorden na en tel hoeveel goede antwoorden je hebt.

0-4 antwoorden goed? Fijn! Je gaat in dit boek echt lekker veel over Duitsland leren! 5-6 antwoorden goed? Complimenten! Je bent al aardig op weg om een echte Duitslandkenner te worden!

7-8 antwoorden goed? Wow! Kom jij misschien uit Duitsland?

7 Ein Spiel

Tijd voor een spel! Dit boek, ZugSpitze, is genoemd naar de hoogste berg van Duitsland, de Zugspitze. Over die berg ga je nog meer horen en lezen. Nu ga je het ZugSpitze-Spiel spelen.

Aanwijzingen

1 Speel dit spel met twee of drie leerlingen.

2 Op Arbeitsblatt 1 op Seite XXX staat het ZugSpitze-Spiel. Knip het uit.

3 Gebruik als speelfiguur een muntje of een voorwerp uit je etui.

4 Gebruik een dobbelsteen.

5 De jongste speler begint.

6 Kom je op een getal met een opdracht? Dan moet je die opdracht meteen doen.

7 De speler die als eerste op de top van de Zugspitze staat, wint.

A Lees de ‘Aanwijzingen’ goed door.

Bord-aanwijzingen

4 Je hebt je bagage in een ravijn laten vallen. Ga terug naar startI

7 Een berggeit duwt je naar boven. Ga naar plek 10!

11 Je hebt je verslapen in een berghut. Sla een beurt over!

16 Je hebt een kop koffie op en krijgt een energieboost Gooi nog een keer!

22 Je hebt een jodelconcert gegeven, iedereen is enthousiast! Ga vijf plekken vooruit!

23 Je hebt staan kletsen met een andere bergbeklimmer. Sla een beurt over!

28 Storm, sneeuw en hagel in aantocht! Loop maar gauw door! Ga twee plekken vooruit!

31 Je glijdt uit op een rots. Gevaarlijk hoor! Ga twee plekken terug!

34 Ben je nou echt op een bankje in slaap gevallen? Sla een beurt over!

36 Je staat op de top van de Zugspitze. Gefeliciteerd!

B Speel nu het spel. Gebruik de ‘Bord-aanwijzingen’.

8 Rückschau

Je hebt veel gelezen over Duitsland en de Duitse taal. Wat heb jij geleerd over Duitsland en de Duitse taal, wat is je opgevallen?

Schrijf in vijf of zes zinnen op wat je:

• over Duitsland en Duits hebt geleerd;

• daarbij het meest is opgevallen.

Veel plezier en succes met het leren van Duits! Heb je er al zin in?

Schritt 1 Hallo!

LEERDOELEN

• ERK/Hören: Je kunt woorden en korte zinnen in een eenvoudig gesprek begrijpen, mits er zeer langzaam en duidelijk wordt gecommuniceerd. (A1)

• Grammatik: Telwoorden van 0-20 (passief).

• Vokabeln: De kleuren.

• Aussprache: De ringel-s + klanken die hetzelfde zijn als in het Nederlands.

In deze Schritt maak je kennis met de Duitse taal, maar ook met jonge Duitsers! Mensen dus, die Duits spreken. Je zult merken dat je meteen al veel begrijpt. Want Duits en Nederlands lijken gelukkig best veel op elkaar. Je leert dat veel klanken in het Duits en het Nederlands op dezelfde manier worden uitgesproken. En je leert iets over een letter, die we in het Nederlands niet kennen: De ß. Ook leer je de getallen van 0 tot en met 20 te verstaan. En kun je al bedenken, welke kleuren er bedoeld worden met

1 Hören

ZugSpitze is opgezet vanuit het ERK. In korte Schritte wordt steeds gewerkt aan één communicatief leerdoel. Zo maken leerlingen zich de taal snel eigen en ervaren ze al snel dat ze iets kunnen. Dat motiveert!

blau en rot?

In het Duits zijn er verschillende manieren om iemand te begroeten. Welke begroeting kan absoluut niet in het Duits?

A Lees de begroetingen. Kruis de begroeting aan, waarin het vaakst de letter ‘t’ staat. Die begroeting bestaat niet in het Duits. Welke is het? Guten Morgen

B Emilia en Finn wonen in Duitsland. Ze vertellen onder andere over hun huisdier en hun lievelingsschoolvak.

Lees de tip. Luister dan naar ‘Emilia und Finn’. Kloppen de zinnen? Kruis goed of fout aan.

Geen paniek!

In de komende tijd hoor je vooral Duitse woorden die erg op het Nederlands lijken.

• Blijf daarom rustig als je hier en daar wat woordjes misschien niet goed verstaat.

• Concentreer je alleen maar op de gevraagde informatie in de opgave.

Emilia

1 Emilia woont in Berlijn.

2 Emilia speelt basketbal.

3 Emilia heeft een hamster.

F

Finn G F

4 Finn woont in Hamburg.

5 Finns hond heet Max.

6 Finn vindt biologie niet leuk.

2 Vokabeln

blauw blau

bruin braun

geel gelb

grijs grau

groen grün

paars lila

oranje orange

roze rosa

rood rot

LERNEN

zwart schwarz wit weiß

A Bekijk de kleuren in het kader. Luister naar de Duitse uitspraak en spreek de woorden na.

B Lees de zinnen. Probeer te bedenken wat ze betekenen. Let goed op overeenkomsten tussen het Duits en het Nederlands. Vul de juiste kleur in de zin in het Duits in.

Elke kleur uit de woordenlijst komt een keer voor in deze zinnen.

1 geel Die Sonne ist warm und

De instructietaal is in het eerste leerjaar altijd in het Nederlands. Leerlingen moeten wel begrijpen wat ze moeten doen.

2 rood Tomaten sind lecker. Sie sind

3 groen Die Kühe (koeien) fressen Gras. Das Gras ist

4 wit Der Schnee ist gut zum Skifahren. Der Schnee ist

5 grijs Mein Opa ist 95 Jahre alt. Seine Haare sind

6 blauw Am Himmel sind keine (geen) Wolken. Der Himmel ist

7 zwart In der Nacht ist der Himmel

8 Oranje ist die Farbe für die niederländischen Sportler (sporters).

9 bruin Im Juli bin ich drei Wochen in Spanien. Dann werde ich schön (mooi)

10 roze / paars Das Babyzimmer (babykamer) ist und Je ziet hier de ingang van Legoland Duitsland. Ben je er nog nooit geweest? Dan wordt het hoog tijd voor een bezoekje!

Q U I Z

Waar ligt Legoland ongeveer in Duitsland?

 A In het noorden.

 B In het oosten.

 C In het zuiden.

3

Grammatik: Telwoorden van 0 tot 20

null 0

eins 1

zwei 2

drei 3

vier 4

fünf 5

sechs 6

sieben 7

acht 8

neun 9

zehn 10

elf 11

zwölf 12

dreizehn 13

vierzehn 14

fünfzehn 15

sechzehn 16

siebzehn 17

achtzehn 18

neunzehn 19

zwanzig 20

A Luister naar de getallen van nul tot en met twintig. Lees mee en spreek na.

B Kijk en luister naar het filmpje over de getallen.

C Luister naar ‘Die Zahlen von null bis zwanzig’. Noteer de getallen die daarin genoemd worden.

1 2 3 4 5 6

Zweimal Berlin

Berlijn, de hoofdstad van Duitsland, was na de Tweede Wereldoorlog in twee stukken gesplitst, Oost- en West-Berlijn. Van 1961 tot 1989 stond er zelfs een 160 kilometer lange muur om West-Berlijn heen. Veel mensen uit het oosten van Duitsland wilden namelijk liever in West-Berlijn wonen. Of vanuit WestBerlijn naar het westen van Duitsland gaan. Om dat te voorkomen liet de regering van Oost-Duitsland een muur dwars door de stad en om West-Berlijn heen bouwen.

LERNEN

4

Lesen

Berlin, Deutschlands tolle Hauptstadt

Hallo, ich heiße Sascha und ich wohne in Berlin. Ich schreibe jetzt (nu) etwas über meine Stadt. Berlin ist die Hauptstadt von Deutschland. In Berlin wohnen mehr als vier Millionen Menschen. Es ist eine tolle (leuke) Stadt!

Du kannst oben (boven) im Fernsehturm die ganze Stadt sehen. Der Turm ist 368 Meter hoch!

Du kannst auch zum Strand an der Spree gehen, in der Sonne liegen und sehen, wie die Boote vorbeifahren. Und wir haben ein spannendes Spionagemuseum! Noch spannender ist das Berlin Dungeon, da braucht man starke Nerven (heb je sterke zenuwen nodig): eine Folterkammer, ein Serienmörder (seriemoordenaar), brrrr…

Sascha woont in Berlijn. Hij vertelt over plekken in zijn stad waar je beslist eens heen moet gaan.

A Lees de tekst eerst helemaal.

B Lees de tekst nog een keer. Noteer de ontbrekende woorden in de samenvatting.

Berlijn is de 1 van Duitsland. Er wonen meer dan vier 2 mensen in Berlijn. Er zijn veel leuke bezienswaardigheden.

De televisietoren met een hoogte van 3 biedt een prachtig

uitzicht over de stad. Je kan ook naar een 4 aan de rivier de Spree gaan en lekker zonnen en bootjes kijken. Of naar het spannende 5 museum. Nog veel spannender is het Berlin Dungeon waar je een 6 en een seriemoordenaar tegenkomt.

C Welke foto hoort bij welk stukje tekst? Noteer het nummer van de foto achter het stukje tekst.

A ‘Du kannst oben … hoch!’ foto

B ‘Du kannst auch … vorbeifahren.’ foto

C ‘Und wir … Spionagemuseum!’ foto

D ‘Noch spannender … brrrr…’ foto

5 Aussprache: De ‘ß‘

Er is in het Duits een letter die in het Nederlands niet voorkomt: de ß (Eszett).

• In de lijst met de namen van de kleuren stond het woord weiß. Dat woord wordt niet als ‘weib’ uitgesproken, maar als ‘weiss’.

• De letter ß wordt op Nederlandse scholen meestal ‘ringel-s’ genoemd.

• Hoe maak je een ß? Maak een stokje met daaraan vast een 3

Lees de informatie over de letter ß. Oefen het schrijven van de ß.

6 Vokabeln

A Vertaal de kleuren naar het Nederlands.

1 grün =

2 schwarz =

3 rot =

4 blau =

5 gelb = 6 lila = 7 grau = 8 rosa = 9 braun = 10 orange =

B Welke kleur uit de woordenlijst staat niet bij opdracht A? Noteer in het Duits.

C Je ziet hier een kleurplaat. Geef de nummers de juiste kleur.

1 = braun

2 = rosa

3 = gelb

4 = orange

5 = grün

6 = schwarz

Er is ook tijd om op een speelse manier met de taal bezig te zijn. Er zijn daarom veel gevarieerde en leuke opdrachten in de methode te vinden. Zelfs knipbladen en spelletjes!

7 = lila

8 = rot

9 = blau

7 A ussprache

Albatros Affe Biene Ente Kater Wespe

A Luister naar de uitspraak van de zes woorden. Spreek ze na.

B Luister naar de uitspraak van de zinnen. Spreek ze na.

1 Hans hat Probleme.

2 Was fressen Hamster?

3 Karima kann laut lachen.

4 Herr Braun trifft Frau Blau.

5 Hier darf man essen.

6 Wann kommt Peter?

C Hoe het komt dat je opdracht A en B zo goed hebt gedaan? Kruis het juiste antwoord of de juiste antwoorden aan.

 A Veel (mede)klinkers spreek je in het Duits en in het Nederlands ongeveer hetzelfde uit.

 B Ik ben een talentalent! Ik word een kei in Duits!

8 Grammatik: Telwoorden van 0 tot en met 20

Olivia woont in Duitsland. Ze stelt zich aan je voor. Daarbij gebruikt ze een paar getallen die je inmiddels hebt gehad.

Luister twee keer naar ‘Olivia stellt sich vor’. Zet een kruisje bij de elf cijfers die in haar verhaal voorkomen.

Soms is een getal in een ander woord ’verborgen’!

9 Hören

Tom, Leyla en Murat hebben afgesproken bij de McDonald’s in Bremen. Ze vinden dat ze coole hobby’s hebben.

Luister twee keer naar ‘Tom, Leyla und Murat’. Vul de tabel in het Nederlands in. Noteer de leeftijd in cijfers.

Je moet hier nogal wat informatie opschrijven. Daarom is er telkens een pauze nadat een jongere alles over zichzelf verteld heeft.

leeftijd:

woont in: Keulen Hamburg huisdier: kameleon hobby:

Teste dich selbst!

LEERDOEL

ERK / Hören - Kun je nu woorden en korte zinnen in een eenvoudig gesprek begrijpen, mits er zeer langzaam en duidelijk wordt gecommuniceerd? (A1) Doe de test!

Lara, Mustafa en oma Weber ontmoeten elkaar in Hamburg. Ze raken met elkaar aan de praat.

Een Schritt wordt altijd formatief afgesloten. Zo kan een leerling testen of hij/zij het ERK-doel beheerst. Er is altijd de mogelijkheid om online een herkansing te maken.

Luister naar ‘Hallo, das bin ich’!

Vul de tabel verder in het Nederlands in.

leeftijd woonplaats hobby lievelingseten

Lara

Mustafa Keulen

Oma Weber 78

Kijk je antwoorden na. Zeven of meer antwoorden goed? Je hebt de test goed gedaan! Minder dan zeven antwoorden goed? Maak de herkansing.

Hören
Tom Leyla Murat

Schritt 2 Bekannt, berühmt, beliebt

LEERDOELEN

• ERK / Lesen: Je kunt zeer korte, eenvoudige teksten zinsdeel voor zinsdeel begrijpen door vertrouwde namen, woorden en elementaire combinaties te herkennen en indien nodig te herlezen. (A1)

• Vokabeln: Woorden over het thema ‘mensen’.

• Grammatik: Het gebruik van hoofdletters.

Hoeveel beroemde Duitsers ken jij eigenlijk? In deze Schritt leer je er een paar kennen! Beroemde Duitsers van nu en van een aantal jaar geleden. Je leert Duitse woorden die met het thema ‘mensen’ te maken hebben, zoals Vater en Mutter. Zie je dat die woorden met een hoofdletter worden geschreven? Daar leer je ook iets over.

1 Lesen

… wird (wordt) am 11. Februar 1997 geboren.

… kommt aus München (Deutschland).

… ist eine berühmte Schauspielerin (actrice). hat dunkelblonde Haare und grüne Augen.

… spielt ab (vanaf) 2009 in Filmen und Serien.

… hat auch eine Rolle in einer Netflix-Serie.

… studierte Medienwissenschaften.

… isst (eet) keine (geen) tierischen Produkte.

… wird am 20. April 1997 geboren.

… kommt aus Hamburg.

… ist ein bekannter Tennisspieler.

… hat viele Turniere gewonnen.

… spielt in seiner Freizeit gern Golf.

… isst am liebsten Sushi.

… hat eine Tochter.

… hat einen Bruder (Mischa).

BRAVO en BRAVO Sport zijn Duitse tijdschriften. In BRAVO staan teksten over filmsterren en pophelden. In BRAVO Sport staan artikelen over sport en sporters. Je ziet hier twee teksten uit de BRAVO en de BRAVO Sport.

Lees de teksten. Noteer achter elke zin over wie het gaat. Over Lisa (noteer een L) of Alexander (noteer een A).

1 Heeft donkerblond haar.

2 Is het jongst.

3 Eet geen vlees en eieren.

4 Heeft een broer.

5 Doet ook nog een studie.

6 Heeft als hobby golf.

Lisa Vicari
Alexander Zverev

2 Grammatik: Hoofdletters

Hoofdletters

Hoofdletters schrijf je in het Duits, net als in het Nederlands:

• Aan het begin van een zin. Ich bin Fatma.

• Bij namen van landen, steden en personen: Ja, Peter wohnt in Köln, in Deutschland.

Let op!

• In het Duits schrijf je zelfstandige naamwoorden ook altijd met een hoofdletter: der Mann, die Frau, das Kind Zelfstandige naamwoorden zijn woorden waar in het Nederlands ‘de’, ‘het’ of ‘een’ voor staat.

A Lees de informatie over de hoofdletters.

B Kleur in elke zin twee woorden die je met een hoofdletter moet schrijven.

1 Das ist anja aus berlin.

2 opa sitzt auf einem sofa.

3 Der junge wohnt in köln.

4 Die frau kommt aus italien.

5 yusuf kauft ein eis.

6 ich bestelle eine cola.

3 Vokabeln die Eltern maar die Großeltern ook de familie, het gezin die Familie de broer heißen, ich heiße de zus ja de opa, de grootvader das Kind nein de oma, de grootmoeder und de jongen het meisje das Mädchen geschieden gescheiden de man der Mann die Geschwister de broers en zussen de vrouw die Frau du hast jij hebt de oom der Onkel du bist jij bent de tante die Tante lieben houden van de zoon der Sohn verheiratet getrouwd de dochter die Tochter sich gut verstehen goed met elkaar omgaan de vader der Vater de moeder die Mutter zusammen samen

Leerwerk, zoals woordenlijsten en Redemittel, zijn altijd te herkennen aan de blauwe opmaak. Zo weten leerlingen wat ze moeten leren voor de toets.

De geslachten van de woorden worden met een eigen kleur aangegeven. Dit helpt bij het leren.

aber de grootouders auch der Bruder heten, ik heet die Schwester ja der Opa, der Großvater het kind nee die Oma, die Großmutter en der Junge

LERNEN

A Lees de tip.

Hoe kan je woorden goed onthouden?

Er zijn verschillende manieren om woorden te onthouden. Dit is de eerste manier:

1 Luister een paar keer naar alle woorden. Spreek na en lees mee.

2 Bedek de Duitse woorden; kijk alleen naar de Nederlandse woorden.

3 Zeg en schrijf de Duitse vertaling van de eerste vier woorden. Zet een kruisje voor de woorden die je goed uitspreekt en schrijft.

4 Zeg hardop de Duitse vertaling van de volgende vier woorden. Zet een kruisje voor de woorden die je goed uitspreekt en schrijft. Zo oefen je verder tot het laatste woord in de lijst.

5 Oefen op dezelfde manier de woorden die je Duits-Nederlands moet leren.

4 Zeg hardop de Duitse vertaling van de Er wordt veel aandacht besteed aan taalleerstrategieën. Deze zijn te herkennen aan het groene Ampelmännchen.

B Luister naar de uitspraak van de woorden en spreek de woorden na.

C Vertaal de Nederlandse woorden en vul ze in. Let op hoofdletters!

1 de broer Franz ist von Hans.

2 de vrouw Emma ist von Lars.

3 de man Lars ist von Emma.

4 Het meisje auf dem Foto heißt Meryem.

5 de dochter Meryem ist von Frau Aydin.

6 de zoon Und Orkan ist von Frau Aydin.

7 De grootouders sind nicht auf dem Foto.

8 De moeder von Lara ist nicht verheiratet.

9 De kinderen lieben Computerspiele.

10 de zus Katrin ist von Sabine.

Q U I Z

Je hebt al gezien dat ‘Goedendag‘ in Duitsland Guten Tag is. Maar hoe is dat in Zwitserland en Oostenrijk?

Onderstreep het antwoord dat volgens jou juist is.

In Oostenrijk zegt men meestal Grüß Gott / Grüezi In Zwitserland zegt men meestal Grüß Gott / Grüezi

4 Lied

Familienlied

Mein kleiner Bruder Leo Mein alter Onkel Theo Er wohnt mit Tante Gabi weit weg in Abu Dhabi

Meine große Schwester Trude wohnt jetzt in Buxtehude Mit ihrem Partner Kai, geboren in Shanghai

Refrain:

Vater, Mutter, Tochter, Sohn brauchen jetzt ein Mikrofon Oma, Opa singen mit in diesem Familienlied

Xavis Eltern sind auch nett ja, sie singen ein Duett, ihre Kinder (zwölf und zehn) wollen gleich ins Studio geh‘n

Refrain

Hoe goed ken je de woorden uit de woordenlijst? In dit lied hoor je er veel voorbijkomen.

A Luister naar het Familienlied en lees mee.

B Kleur in de tekst ten minste acht woorden die over familie of gezin gaan.

5 Vokabeln

A Noteer de ontbrekende woorden in de zinnen. Kies woorden uit het kader.

Frau | Oma | Opa | Junge | Mädchen | Mutter | Schwester | Vater

1 Ich heiße Philipp. Ich bin ein . Ich bin 11 Jahre alt.

2 Das ist Daniela. Sie ist meine . Sie ist 8 Jahre alt. Sie ist ein

3 Mein heißt Rainer. Er ist 42 Jahre alt.

4 Rainer ist verheiratet mit Lisbeth. Lisbeth ist meine

5 Mein heißt Wolfgang. Er ist 80 Jahre alt.

6 Meine heißt Gertrude. Sie ist auch 80 Jahre alt. Sie ist die von Wolfgang.

B Vertaal de zinnen naar het Nederlands.

1 Die Kinder heißen Sonja und Jan.

2 Nein, Onkel Karim ist verheiratet.

3 Ja, die Familie ist groß.

4 Die Eltern verstehen sich gut.

5 Aber die Großeltern sind geschieden.

6 Mein Vater hat (heeft) eine Tante.

7 Hier wohnt meine Oma.

8 Ein Junge und ein Mädchen.

9 Hast du Geschwister?

10 Bist du auch in Berlin?

6 Hören

Nikola uit Frankfurt stelt zichzelf en haar familie aan je voor.

Luister naar ‘Nikolas Familie’.

Kruis na elk fragment aan of de beweringen juist of onjuist zijn.

Fragment 1

1 Nikola is 16.

2 Nikola woont meestal bij haar moeder.

Fragment 2

3 Nikola heeft vier broers en zussen.

4 Nikola’s zussen heten Lotte en Anne.

Fragment 3

5 Nikola heeft vaak ruzie met haar broers en zussen.

6 Nikola zit in hetzelfde volleybalteam als Anne.

Fragment 4

7 Nikola krijgt vaak bezoek van haar grootouders.

8 Haar grootouders zijn niet gescheiden.

Fragment 5

9 Nikola’s oom heet Peter.

10 Nikola’s tante is vorig jaar overleden.

Fragment 6

11 Nikola vindt dat ze geen leuke familie heeft.

12 Haar grootouders vieren dit jaar een bruiloftsfeest.

7 Grammatik: Hoofdletters

Neem de volgende zinnen over en gebruik hoofdletters waar dat nodig is.

In elke zin komen drie hoofdletters voor.

1 mein großvater heißt karl.

2 sein bruder ist 19 jahre alt.

3 mein onkel wohnt in aachen.

4 wie alt ist die mutter von emma?

5 wohnt deine tante in deutschland?

6 sie hat zwei söhne und eine tochter.

8 Aussprache: De ß

A Weet je nog hoe je de ß uitspreekt? Noteer, hoe je de ß uitspreekt.

B Luister naar de volgende zinnen en spreek ze na.

1 Wie heißt deine Großmutter?

2 Meine Großmutter heißt Hilde Strauß.

3 Die Wolken sind groß und weiß.

4 Ich spiele oft Fußball.

5 Grüße deine Großeltern von mir!

6 Die Straßenbahn (tram) fährt durch die Straße.

7 Ich gehe zu Fuß von Dresden nach Meißen.

8 Wir essen gerne heiße Klöße.

9 Rätsel

In meiner Familie sind vier Personen.

Mein Vater hat eine Tochter und einen Sohn.

Meine Mutter hat einen Sohn und eine Tochter.

Meine Schwester heißt Claudia. Wer (wie) bin ich?

Lees het raadsel. Beantwoord de vraag in het Nederlands.

De ik-persoon is de Jamal Musiala

Op de foto zie je een van Duitslands beste en dus beroemdste voetballers van de laatste jaren. Jamal Musiala is in 2003 in Stuttgart geboren. Toen hij zeven jaar was, verhuisde hij naar Engeland. Maar in 2019 kwam hij terug naar Duitsland om voor Bayern München te voetballen. Toen hij 17 jaar was, scoorde hij zijn eerste competitiedoelpunt. Een jaar later mocht hij al in het Duitse nationale elftal spelen, waar hij snel opviel door zijn acties en zijn goals.

Naast de Landeskunde- hoofdstukken wordt er ook veel aandacht aan kennis van land en volk besteed in quizvragen en Landeskunde-weetjes.

Deze kun je als docent inzetten om meer over de Duitse cultuur te delen

10

Lesen

Interview mit Mark Forster

Interviewer Hallo Mark! Wann hast du Geburtstag?

Mark Forster Hallo! Ich habe am 11. Januar Geburtstag.

Interviewer Wo bist du geboren?

Mark Forster In Kaiserslautern. Das liegt im Westen von Deutschland.

Interviewer Und wo wohnst du?

Mark Forster Ich wohne in unserer Hauptstadt.

Interviewer Was sind deine Hobbys?

Mark Forster Ich mag Fußballspielen und Lesen.

Interviewer Welche Musik hörst du gern?

Mark Forster Popmusik und Hip-Hop.

Interviewer Was isst du am liebsten?

Mark Forster Kartoffelsuppe mit Champignons und Pizza.

Interviewer Hast du Lieblingstiere?

Mark Forster Ja, ich mag Katzen.

Interviewer Und magst du Sport?

Mark Forster Ja, vor allem Fußball und Handball.

Interviewer Zum Schluss, hast du Geschwister?

Mark Forster Ja, ich habe eine Schwester. Sie heißt Natalie. Über sie habe ich ein Lied geschrieben.

Mark Forster is een Duitse singer-songwriter. Hij heeft een lied geschreven over zijn zus.

A Lees het interview met Mark Forster.

Wat is een Steckbrief?

Een Steckbrief is een korte beschrijving van een persoon. Een Steckbrief geeft snel de belangrijkste informatie over iemand. Steckbriefe van beroemde mensen vind je in boeken, tijdschriften, op websites, blogs en sociale media.

B Vul de Steckbrief die bij deze tekst hoort in het Nederlands in.

Vorname:

Familienname:

Wohnort:

Lieblingsessen: aardappelsoep met champignons en ...

Sport:

Lieblingsmusik:

Geschwister:

Lieblingstiere:

Teste dich selbst!

LEERDOEL

ERK / Lesen - Kun je nu zeer korte, eenvoudige teksten zinsdeel voor zinsdeel begrijpen door vertrouwde namen, woorden en elementaire combinaties te herkennen en indien nodig te herlezen? (A1) Doe de test!

Louis Hofmann

Louis Hofmann ist ein bekannter Schauspieler aus Deutschland. Er ist am 3. Juni 1997 geboren.

Sein Sternzeichen ist also (dus) Zwillinge. Louis ist geboren in BergischGladbach. Das ist eine Stadt im Westen von Deutschland.

Louis beginnt seine Schauspielkarriere in jungen Jahren. Er spielt in vielen Filmen und Serien. Er hat unter anderem eine Rolle in der Netflix-Serie ‘Dark‘. Und in dem Film ‘Land of Mine‘.

Louis arbeitet (werkt) hart. Er liebt es, verschiedene Rollen zu spielen. Er interessiert sich auch für Musik und Sport.

Louis hat viele Fans auf der ganzen Welt.

Lees de tekst over Louis Hofmann. Onderstreep in elke zin het antwoord dat klopt met de tekst.

1 Louis’ sterrenbeeld is weegschaal / tweelingen

2 Louis is in het oosten / westen van Duitsland geboren.

3 Toen Louis met acteren begon, was hij jong / student

4 Louis heeft in een film / serie op Netflix gespeeld.

5 Louis’ hobby’s zijn muziek en sport / lezen

6 Louis heeft veel fans in Duitsland / op de hele wereld

Kijk je antwoorden na. Vier of meer antwoorden goed? Je hebt de test goed gedaan! Minder dan vier antwoorden goed? Maak de herkansing.

Schritt 3 Eine schöne Familie!

LEERDOELEN

• ERK / Hören: Je kunt enkele uitdrukkingen begrijpen als mensen over zichzelf, hun familie, school, hobby’s of de omgeving praten, mits ze dat langzaam en duidelijk doen. (A1)

• Grammatik: Je leert de bepaalde lidwoorden in het Duits.

• Vokabeln: Wiederholung Schritt 2.

• Aussprache: De u-klank.

Wat betekent jouw familie voor jou? In deze Schritt hoor je een aantal familieverhalen. Ga je ze herkennen of is je ervaring met jouw familie heel anders? Je hoort in elk geval een heleboel woorden voorbijkomen die daarmee te maken hebben. Je maakt in deze Schritt ook kennis met Duitse lidwoorden die ‘de’ of ‘het’ betekenen. En weet je trouwens al hoe de u in het Duits uitgesproken wordt?

1 Hören

Het is handig om eerst te oefenen met woorden die met deze Schritt te maken hebben!

A Noteer in elke kolom drie woorden uit het kader die met school, hobby’s of omgeving te maken hebben.

Berge | fotografieren | Klasse | Lehrer | lesen | Park | singen | Stadt | Test

Schule (school) Hobbys

Umgebung (omgeving)

Je hebt inmiddels al iets gelezen en gehoord over de grootste Duitse steden:

Berlijn, Hamburg, München en Keulen. Op een voetbalkanaal zie je een voetbalwedstrijd met de twee vlaggen van de betreffende clubs.

Kruis aan uit welke twee grote steden deze clubs waarschijnlijk komen.

 A Berlijn en München

 B Keulen en Hamburg

 C Keulen en München

B Lees de tip.

Lees eerst de opdracht

Lees eerst de opdracht, voordat je naar het fragment gaat luisteren. Zo weet je waarop je tijdens het fragment moet letten.

C Wat vertelt Esra over zichzelf en haar familieleden?

Lees de zinnen. Luister daarna naar ‘Esra Karakus’. Vul de ontbrekende woorden en getallen in het Nederlands in.

Fragment 1

1 Esra is jaar.

2 Het gezin bestaat uit personen.

Fragment 2

3 Esra’s vader komt uit

4 In Garmisch-Partenkirchen wonen de van Esra’s moeder.

Fragment 3

5 Zes kilometer van Garmisch-Partenkirchen vandaan ligt de

6 Bernd is de van Esra.

Fragment 4

7 Esra’s tante Elif woont in

8 Esra krijgt van Bernd altijd een gratis

2 Grammatik: Bepaalde lidwoorden

Bepaalde lidwoorden

Er zijn in het Nederlands twee bepaalde lidwoorden. In het Duits zijn er drie. De Nederlandse lidwoorden de en het kun je op drie manieren vertalen. Je vertaalt de en het met der, die en das

• blauwe woorden noem je mannelijk, ze hebben het lidwoord der;

• rode woorden noem je vrouwelijk, ze hebben het lidwoord die;

• groene woorden noem je onzijdig, ze hebben het lidwoord das;

• zwarte woorden waar de voor staat, staan in het meervoud: ze hebben ook het lidwoord die

A Lees de informatie in het kader.

B Vertaal de woorden voor de zin.

Van alle woorden heb je al geleerd of er der, die, das of die voor staat.

De zoon 1 von Michael heißt Mick.

De ouders 2 wohnen hier.

Het meisje 3 spielt oft bei uns.

De kinderen 4 spielen im Garten.

De grootouders 5 lachen.

de moeder 6 Sucht das Kind?

Het gezin 7 ist in Österreich.

de oom 8 Kauft das Geschenk?

3 Aussprache: u

De ‘u’

De letter ‘u’ spreek je uit als ‘oe’ Bruder

Luister naar de uitspraak van de volgende woorden en spreek ze na.

1 Bruder Mutter Hamburg Junge

2 gut Blut Januar Februar

3 Juni Juli Buch Fußball

4 Lesen

Emma aus München

Hi, ich heiße Emma. Ich habe eine Schwester und zwei Brüder. Jetzt erzähle ich etwas über meine Stadt.

München liegt im Süden von Deutschland, im Bundesland (in de deelstaat) Bayern. Die Stadt ist bekannt für ihre Geschichte und Kultur.

ZugSpitze besteedt veel aandacht aan uitspraak. De methode bevat een geheel eigen uitspraaklijn, waarbij in kleine stappen wordt geoefend met de uitspraak van het Duits. Uiteraard wordt dit veel en vaak herhaald.

In der Stadtmitte liegt der Marienplatz. Hier steht das Rathaus. Die Frauenkirche ist eine alte Kirche. Sie hat zwei hohe Türme München ist bekannt für das Oktoberfest. Es dauert ungefähr zwei Wochen. Es beginnt Ende September und endet Anfang Oktober. München ist eine tolle Stadt! Es gibt viel zu sehen und zu erleben!

A Lees de tekst. Wat betekenen de vetgedrukte woorden? Kies A of B.

1 Geschichte

 A verhaal  B geschiedenis

2 In der Stadtmitte  A In het centrum  B Vlak bij het centrum

3 hohe Türme

4 Anfang

5 zu erleben

 A hoge torens  B grote daken

 A eind

 A te beleven

 B begin

 B te kopen

B Lees de tekst nog een keer. Kloppen de zinnen? Kruis goed of fout aan. goed fout

1 De stad München ligt in Zuid-Duitsland.

2 Het raadhuis ligt aan de Marienplatz

3 Het Oktoberfest duurt ruim drie weken.

4 In München is veel te zien en veel te beleven.

5 Vokabeln: Wiederholung Schritt 2

Er zijn veel families die voor een deel in Turkije en voor een deel in Duitsland wonen. Özlem vertelt over haar familie in Turkije.

A Hoe noemt Özlem haar familieleden? Noteer onder elke afbeelding een Duits woord (zoals vader, moeder).

B Vertaal de zinnen.

1 Nein, Onkel Frank ist verheiratet.

2 Die Großeltern sind 50 Jahre zusammen.

3 Ja, aber ich liebe meine Geschwister.

4 Nein, Elsa ist nicht meine Tochter.

Wolfgang Monika Abdu ah
Olcay
Ahmet
Heinz
Inge Meral
Özlem

6 Aussprache: u

Luister naar de volgende zinnen en spreek ze na.

1 Ich bin Lukas Schulz aus Hamburg.

2 Mein Bruder heißt Darius.

3 Darius ist jung, er ist ein guter Bruder.

4 Fußball und Musik hören sind meine Hobbys.

5 Unsere Mutter heißt Julia Huber.

6 Großmutter Ursula ist hundert Jahre alt.

7 Unsere Wohnung ist in der Schulstraße.

8 Im Aquarium haben wir Kugelfische.

7 Rätsel

Veel Duitse en Nederlandse achternamen gaan over beroepen.

A Zoek acht Duitse achternamen / beroepen in de woordzoeker. Ze staan van links naar rechts of van boven naar beneden.

1 Bauer (boer)

2 Zimmermann (timmerman)

3 Fischer (visser)

4 Bäcker (bakker)

5 Schmidt (smid)

6 Müller (molenaar)

7 Schuhmacher (schoenmaker)

8 Kaufmann (koopman)

B Noteer de letters die je overhoudt achter elkaar. Welke twee Nederlandse woorden staan er?

Duzen und siezen

Duzen, ‘jij’ en ‘jou’ zeggen tegen iemand, doen Duitsers niet zomaar. Familieleden worden wel met du aangesproken, ook oma van 100 jaar. Maar volwassenen die elkaar niet kennen, spreken elkaar met Sie aan. Ze siezen elkaar dus. Dat komt zelfs nog voor bij mensen die al 30 jaar elkaars collega’s of buren zijn!

8 Grammatik

Noteer der, die of das voor de zelfstandige naamwoorden.

1 Mädchen auf dem Foto ist Klara aus Köln.

2 Familie von Klara wohnt auch in Köln.

3 Aber Onkel von Klara wohnt in Berlin.

4 Geschwister von Klara heißen Lara, Sara und Finn.

5 Kind von Onkel Samuel aus Berlin heißt David.

6 David ist Sohn von Onkel Samuel.

7 Großeltern von Klara sind geschieden.

8 Mutter von Klara ist Schwester von Onkel Samuel.

9 Hören

Ilse Müller vertelt iets over haar werk en haar familie. Luister naar ‘Ilse Müller’. Kruis vier tekeningen aan waarover Ilse vertelt.

Teste dich selbst!

LEERDOEL

ERK / Hören - Kun je nu enkele uitdrukkingen begrijpen als mensen over zichzelf, hun familie, school, hobby‘s of de omgeving praten, mits ze dat langzaam en duidelijk doen? (A1) Doe de test!

Jamal gaat op bezoek bij zijn opa. Waar praten ze met elkaar over en waarom gaan ze naar buiten?

Luister naar ‘Jamal und Opa’. Kloppen de zinnen? Kruis goed of fout aan. goed fout

1 Het gaat heel goed met opa.

2 Jamal praat met opa over het weer.

3 Jamal en zijn opa vinden München een fijne stad.

4 Jamal en opa gaan straks tennissen.

5 Jamal en opa gaan twee keer een ijsje eten.

Kijk je antwoorden na. Drie of meer antwoorden goed? Je hebt de test goed gedaan! Minder dan vier antwoorden goed? Maak de herkansing.

Schritt 4 Wie geht‘s?

LEERDOELEN

• ERK / Gespräche führen: Je kunt jezelf voorstellen en elementaire uitdrukkingen ter begroeting en ten afscheid gebruiken. (A1)

• Grammatik: Wiederholung Schritt 1, 2 en 3

• Vokabeln: Wiederholung Schritt 1 en 2

• Aussprache: Wiederholung Schritt 1 en 3

Binnenkort krijg je je eerste toets voor Duits. En die ga je super goed maken! Daarom ga je in deze Schritt herhalen wat je in de vorige Schritte hebt geleerd. Zodat die woorden en grammatica goed in je hoofd zitten. Bovendien ga je in deze Schritt Duits spreken. Je leert namelijk hoe je jezelf kunt voorstellen en wat je zegt als je iemand tegenkomt en daarna weer afscheid neemt. En je maakt kennis met het geheim van een zangeres …

1 G espräche führen

Im Proberaum

Lukas Hey Tim! Wie geht’s? Das ist Ilyas.

Ilyas Guten Tag! Wie geht es euch?

Tim Hallo Ilyas, willkommen bei unserer Band.

Ilyas Das sieht hier super aus!

Tim Ja, wir spielen hier am Dienstag.

Lukas Spielst du ein Instrument, Ilyas?

Ilyas Ich spiele ein bisschen Gitarre.

Tim Schön! Spiel doch mal was!

Ilyas woont sinds een paar dagen naast Lukas. Lukas speelt in een band. Ilyas gaat mee als de band gaat oefenen.

A Luister naar ‘Im Proberaum’ (in de oefenruimte) en lees mee. Noteer drie woorden waarmee je iemand begroet.

B Voer in drietallen het gesprek.

C Voer met een klasgenoot het volgende gesprek in het Duits. Gebruik daarbij woorden en zinnen uit het gesprek tussen Lukas, Ilyas en Tim.

Schüler / in 1

Schüler / in 2 Hoi!

Hoe gaat het?

Hallo!

Super!

Speel jij een instrument? Ja, ik speel een beetje gitaar.

2 R edemittel

Je vraagt / zegt

1 Hallo! Wie heißt du?

Hallo! Hoe heet je?

2 Mein Name ist Amara.

Je zegt

Ich heiße Eva. Und wie ist dein Name? Ik heet Eva. En hoe is jouw naam?

Mijn naam is Amara. Schön, dich kennenzulernen. Leuk je te ontmoeten!

3 Wie alt bist du?

Hoe oud ben je?

4 Was ist dein Hobby?

Wat is je hobby?

5 Wer ist das?

Wie is dat?

Dit biedt houvast.

6 Ich muss jetzt gehen. Auf Wiedersehen!

Ich bin zwölf Jahre alt. Ik ben twaalf jaar.

De Redemittel zijn steeds in de vorm van een gesprek opgezet.

Ik moet nu gaan. Tot ziens!

B Lees de tip.

De zinnen sluiten aan bij het ERK-leerdoel en zijn praktisch en communicatief ingestoken.

A Luister naar de zinnen en lees mee.

Wat ga je met de Redemittel doen?

Ich höre gern Musik. Ik luister graag naar muziek.

Das ist mein Bruder. Dat is mijn broer.

Bis morgen! Tschüs! Tot morgen! Doei!

1 Luister eerst een paar keer naar de zinnen. Dan oefen je met de uitspraak.

2 Bedek de eerste Duitse vraag en het Duitse antwoord. Zeg de vertaling van de Nederlandse zinnen hardop.

3 Heb je het goed? Ga naar de tweede Duitse vraag en het antwoord.

4 Heb je het niet goed? Oefen de zin tot het goed gaat.

Je kunt dit jaar een paar keer een spreekvaardigheidstoets krijgen waarin je de geleerde Redemittel moet kunnen gebruiken.

C Werk samen met een klasgenoot. Voer het gesprek in de tabel met een klasgenoot. Wissel na het gesprek van rol.

Schüler / in A

Schüler / in B

1 Hallo! Hallo!

2 Hoe heet je?

3 Hoe oud ben je?

4 Wat is je hobby?

Ik heet … .

Ik ben … .

Ik …

5 Wie is dat? mein Lehrer

6 Ik moet nu gaan. Tot ziens! Tot morgen! Doei!

T I P P

Moet je de Redemittel kunnen opschrijven?

Nee! Om de Redemittel te oefenen moet je in opdrachten soms wel schrijven. Maar voor een toets over verschillende Schritte hoeft dat niet.

Voor een spreektoets moet je natuurlijk wel alle zinnen kunnen zeggen.

3 Vokabeln: Wiederholung Schritt 2

A Vertaal telkens een van de volgende Nederlandse woorden naar het Duits. Zoek de Duitse vertaling op in het raadsel en markeer deze vertaling met een kleur.

broer | dochter | ja (3x) | heten | maar | man | moeder | oom | ouders | tante | vader | vrouw

B Noteer de letters van de vakjes die je niet gemarkeerd hebt. Vul ze hieronder in. Welke zin lees je nu?

De overgebleven letters in het raadsel staan al in de goede volgorde van deze zin!

C Noteer nu wat deze zin volgens jou in het Nederlands betekent.

In het Nederlands kunnen we ’Tot ziens‘, maar ook ’Tot kijk‘ zeggen.

In het Duits is er ook een uitdrukking voor ’Tot kijk‘.

Kruis de juiste Duitse vertaling voor ’Tot kijk‘ aan.

 A Auf Wiederschauen!

 B Tote Hose!

 C Zum Wohl!

4 H ören

Olivier, der neue Mitschüler

Lehrerin Hallo! Du bist neu hier, oder? Kannst du dich bitte kurz vorstellen?

Olivier Hallo! Ich heiße Olivier. Ich wohne seit gestern in Berlin. Und ich bin 13 Jahre alt.

Lehrerin Hast du Geschwister, Olivier?

Olivier Ja, mein Bruder heißt Dennis. Wir sind oft zusammen.

Lehrerin Das ist schön, Olivier. Hast du ein Haustier?

Olivier Ja, eine Katze. Sie ist sehr süß (lief).

Lehrerin Und was sind deine Hobbys, Olivier?

Olivier Meine Hobbys sind Fußball und Musik. Ich spiele ein bisschen Klavier.

Lehrerin Spielt dein Bruder auch Fußball?

Olivier Nein, er spielt Tennis.

Lehrerin Du möchtest etwas sagen, Max?

Max Ja, Olivier spielt Klavier und Dennis spielt Tennis. Das reimt sich!

Lehrerin Und du spielst Sax, Max?

Vandaag gaat Olivier voor het eerst naar een nieuwe school. Welke grap maakt de lerares?

A Luister naar ‘Olivier, der neue Mitschüler’ en lees mee.

B Noteer onder de Nederlandse woorden de Duitse vertaling. Gebruik het gesprek dat je net gehoord en meegelezen hebt.

1 Ik woon 2 Ik ben 3 heb jij 4 Mijn hobby’s zijn

C Vul de Steckbrief over Olivier in.

Name Haustier Katze

Alter Wohnort

Geschwister Bruder Hobbys

D Maak de zinnen over Olivier af. Gebruik de antwoorden van opdracht B en C en de Redemittel.

Du Olivier

1 Hallo Olivier! Wo wohnst du? Ich …

2 Wie alt bist du? Ich …

3 Hast du Geschwister? Ja, mein …

4 Hast du Haustiere? Ja, ich habe ...

5 Was sind deine Hobbys? … und Musik.

6 Du, ich muss jetzt gehen. Tschüs! Auf …

E Werk in tweetallen. Verdeel de rollen van opdracht D en voer het gesprek. Wissel na het gesprek van rol.

5 A us sprache: Wiederholung ß en u

A Luister naar de volgende woorden.

B Lees om de beurt een woord voor. Let goed op de uitspraak van de ß en de u.

1 jung Schwester groß Fuß

2 Taxi Tennis Opa Großvater

3 Auto draußen besuchen Musik

4 Mutter Gruß Tante du hast

6 Grammatik: Wiederholung

A Noteer de woorden in cijfers.

1 neun

2 sieben

3 zwölf

4 sechzehn

5 zwanzig

6 fünf

7 zehn

8 zwei

B Onderstreep in elke zin twee woorden die je met een hoofdletter moet schrijven.

1 Ein bruder von mir wohnt in berlin.

2 Ja, annika kauft eine tomate.

3 was kostet ein kilo Äpfel?

4 Der mann verkauft ein auto.

5 Das ist ein freund aus köln.

6 Hamburg ist eine stadt in deutschland.

C Noteer der, die of das voor het zelfstandig naamwoord.

1 Wie heißt Bruder von Esra?

2 Großeltern von Mesut kommen aus der Türkei.

3 Dort steht Kind von Yasmin und Michael.

4 Wie lange wohnt Onkel von Emma schon in Köln?

5 Tante von Mila wohnt in Aachen.

6 Mädchen hier ist meine Schwester.

Die Begrüßung

Hoe begroet jij iemand die je niet goed kent? En iemand die je wel goed kent? In Duitsland is het gebruikelijk om iemand die je niet (of niet goed) kent, een hand te geven. En iemand met wie je wel vertrouwd bent, kun je op elke wang een kus (bij voorkeur zonder de wang te raken!) geven.

7 Rätsel

Kun jij dit raadsel oplossen?

‘S

De letters van dit raadsel vormen samen een korte vraag. Deze vraag ben je al eens in deze Schritt tegengekomen.

Noteer de vraag. Noteer daarachter de Nederlandse betekenis.

W ‘_ ?

8 Vokabeln: Wiederholung Schritt 1 - 2

A Vertaal de woorden in de kantlijn naar het Duits en noteer ze in de zin.

1 geel / zwart

2 rood / blauw

Die Farben von Borussia Dortmund sind und

Die Tulpe ist und der Schmetterling ist

3 De zus von Ina heißt Anna.

4 De jongen / het meisje und verstehen sich sehr gut.

5 het gezin

6 kind

Wie groß ist von Frau Schmidt?

Frau Schmidt hat ein

7 De zoon / de dochter heißt Markus und heißt Viktoria.

8 ja / nee

Gehst du mit mir in die Stadt, oder ?

B Vertaal de vetgedrukte woorden naar het Nederlands en noteer ze achter de zin.

1 Wie viele Geschwister hast du?

2 Ich habe einen Bruder

3 Sind dein Onkel und deine Tante verheiratet?

4 Nein, sie sind nicht mehr zusammen

5 Wir lieben den Strand und die Sonne!

6 Du bist heute (vandaag) so fröhlich!

9 H ören

Mein Alter bleibt geheim

Wie heißt du? Ich heiße Hans.

Wer ist das? Mein Bruder Franz. Wie alt ist er? Wie alt bist du?

Er ist dreizehn! Und ich? Hör bitte zu! Luister alsjeblieft!

Refrain:

Hey, hey du, mein Alter bleibt geheim leeftijd Hey, hey du, raten darfst du, fein! raden mag je Nicht zehn, nicht zwölf, doch irgendwo dazwischen ergens daartussen

Hey du, mein Alter bleibt geheim.

Was ist dein Hobby? Ich tanze gern dans graag

Wo wohnt dein Opa? Er wohnt bei Bern, ganz fern ver weg Und wie alt ist er? Und wie alt bist du?

Er ist fast siebzig! Und ich? Hör bitte zu! bijna 70

Refrain

Es tut mir leid Stimmt, jetzt muss ich gehen. Het spijt me; Klopt Also: Tschüs! Das Treffen hier war toll! Dus; de ontmoeting Schön, dich hier schnell kennenzulernen.

Tschüs! Auf Wiedersehen!

Mein Alter bleibt geheim!

Refrain

De zangeres van dit lied heeft een geheim. Of toch niet?

A Luister naar het lied Mein Alter bleibt geheim en lees mee. Welke zinnen uit de Redemittel herken je?

B Klopt het dat de leeftijd van de ik-persoon geheim is? Leg je antwoord uit.

C Voer het volgende gesprek twee keer. Wissel na de eerste keer van rol. Gebruik de Redemittel en woorden uit het lied.

Schüler / in 1

Hallo, hoe heet jij?

Ik heet … . Hoe oud ben jij?

Dat is Anne. Wat is jouw hobby?

Hij woont in Hamburg.

Hij is bijna 70.

Schüler / in 2

Ik heet … . En hoe heet jij?

Mijn leeftijd blijft geheim! Wie is dat?

Ik dans graag. Waar woont jouw opa?

Hoe oud is hij?

Leuk je te ontmoeten!

Het spijt me. Ik moet nu gaan. Tot morgen! Tot ziens!

10 Grammatik: Wiederholung

Luister naar de bedragen die je hoort. Noteer ze in cijfers.

Teste dich selbst!

LEERDOEL

ERK / Gespräche führen - Kun je nu jezelf voorstellen en elementaire uitdrukkingen ter begroeting en ten afscheid gebruiken? (A1) Doe de test!

In de vakantie ontmoet je een meisje uit de Duitse stad Stuttgart. Jullie raken aan de praat.

A Werk in tweetallen en voer het gesprek in het Duits.

Mädchen aus Stuttgart Du

Hallo! Hoe heet je?

Hoe oud ben je?

Wat is je hobby?

Ik moet nu gaan.

Geef antwoord in een hele zin.

Geef antwoord in een hele zin.

Geef antwoord in een hele zin.

“Okay.“ Neem afscheid.

B Wissel van rol. Voer het gesprek nog een keer in het Duits.

Kruis aan hoe het gesprek ging.

 Sehr gut!

(3 Punkte)

 Gut!

(2 Punkte)

Twee punten of meer? Je hebt de test goed gedaan!

 Nicht so gut!

(1 Punkt)

Minder dan twee punten? Oefen dan nog een keer met de Redemittel en de Vokabeln en maak de herkansing.

Zwischenstufe Schritt 1-4

Deze Zwischenstufe bestaat uit drie delen:

1 D-PRÜFUNG: Als je deze toets hebt gemaakt, kun je zien wat je al goed kunt en wat je nog moet oefenen.

2 SPRACHFEST: Een taaltaak waarin je meerdere vaardigheden combineert.

3 LERNECKE: Dit moet je voor de toets leren!

1 D-PRÜFUNG

1 Vokabeln Schritt 1 und 2

In de Zwischenstufe kunnen leerlingen oefenen voor de toets. Hiervoor zijn steeds twee D-toetsen beschikbaar: zowel in het boek als online.

A Vertaal de woorden in de kantlijn naar het Duits en vul ze in. Let op hoofdletters en op lidwoorden.

1 oranje

Der Ferrari ist und schnell.

2 Het meisje hört gerne Musik.

3 het gezin Ist von Ingmar groß oder (of) klein?

4 ook

Opa ist hier. Oma ist hier.

5 Nee , das will ich nicht.

6 tante Meine Margarete wohnt in München.

7 De jongen auf dem Foto spielt Gitarre.

8 oom Ist dein geschieden?

9 geel

Bananen sind und süß.

10 oma Ich heiße Karoline, wie (zoals) meine

11 broer

12 ouders

13 wit

Mein ist elf Jahre alt.

Juhu, meine sind nicht da!

Ich schreibe auf das Papier. Das Papier ist

14 De man lacht laut.

15 Heten deine (jouw) Eltern Peter und Maria?

B Vertaal de vetgedrukte woorden naar het Nederlands. Noteer de vertaling achter de zin.

1 Ja, meine Schwester Lilli ist verheiratet

2 Herr Schmidt, lieben Sie (u) Ihre (uw) Frau?

3 Bist du die Schwester von Tim?

4 Die Mutter und das Kind verstehen sich gut

5 Mein Großvater ist nett (aardig), aber streng.

2 Grammatik

A Noteer de getallen in cijfers.

1 vier =

2 sechzehn =

3 zwei =

4 dreizehn = 5 eins = 6 zwölf =

7 siebzehn = 8 fünf =

B Onderstreep in elke zin drie woorden die je met een hoofdletter moet schrijven.

1 ich bin steffi aus hamburg.

2 ich bin vierzehn jahre alt und spiele tennis.

3 zusammen mit maria spiele ich gitarre.

4 das ist mein bruder lars.

5 meine schwester anna ist auch da.

6 dort steht mein freund samuel.

7 samuel wohnt in deutschland, aber er kommt aus syrien.

8 ich liebe musik und sport.

C Vul der, die of das of die (meervoud) in voor de zelfstandige naamwoorden.

1 Mädchen dort ist Selin.

2 Schwester von Selin heißt Yasmin.

3 Eltern von Selin wohnen in Deutschland.

4 Auch Onkel von Selin wohnt in Deutschland. Er heißt Mehmet.

5 Tante heißt Aylin. Sie ist verheiratet mit Mehmet.

6 Kind von Mehmet und Aylin heißt Tarkan.

7 Tarkan ist also (dus) Sohn von Mehmet und Aylin.

8 Selins Vater ist Bruder von Onkel Mehmet.

9 Großeltern von Selin wohnen in der Türkei.

10 Selin kommt aus der Türkei, aber Familie wohnt jetzt (nu) in Berlin.

Controleer nu je antwoorden.

Vokabeln Schritt 1 en 2

Grammatik opdracht 1A (Telwoorden 1-20, receptief)

Grammatik opdracht 1B (Hoofdletters)

Grammatik opdracht 1C (Eerste naamval bepaalde lidwoorden)

Minder dan 10 antwoorden goed?

Minder dan 5 antwoorden goed?

5 of meer antwoorden goed?

Minder dan 4 antwoorden goed?

4 of meer antwoorden goed?

Minder dan 5 antwoorden goed?

5 of meer antwoorden goed?

Leer de woorden van Schritt 1 + 2 nog een keer.

Maak de * en **-opdrachten online.

Maak de **-opdrachten online

Maak de * en **-opdrachten online.

Maak de **-opdrachten online

Maak de * en **-opdrachten online.

Maak de **-opdrachten online

Heb je extra geoefend? Online kun je dan nog een D-toets maken om te kijken of je de stof voldoende begrijpt voor de toets.

Sprachfest: Plakat-Alarm!

Opdracht: Je gaat een poster uitleggen aan een medeleerling.

ERK-niveau: A1

Vaardigheden: Lezen, luisteren, schrijven

Duur: 1-2 lesuren

Werkvorm(en): Tweetallen, groepjes

LEERDOEL

Het Sprachfest is een taaltaak, waarmee je leerlingen kunt laten oefenen met de vaardigheden in combinatie met de nieuwe kerndoelen. Hiermee kun je een taalportfolio per leerling opbouwen en is direct inzichtelijk hoe en aan welke kerndoelen een leerling heeft gewerkt.

• Je kunt (in het Nederlands) eenvoudige, voorspelbare informatie van direct belang overbrengen die wordt verstrekt op korte, zeer eenvoudige borden en kennisgevingen, posters en programma‘s (in het Duits). (ERK A1 / Mediation)

• Je kunt verschillende soorten korte, eenvoudige teksten over concrete en vertrouwde alledaagse zaken begrijpen. (Kerndoel 3: Leesvaardigheid)

• Je kunt passende leesstrategieën gebruiken (Kerndoel 3: Leesvaardigheid)

• Je kunt overeenkomsten en verschillen tussen het Engels en andere talen ter bevordering van het taalleerproces benoemen. (Kerndoel 8: Taalleerproces en meertaligheid)

• Je kunt je eigen taalleerstrategieën beschrijven. (Kerndoel 8: Taalleerproces en meertaligheid)

• Je verkent wat je eigen meertaligheid betekent voor het leren van talen (Kerndoel 8: Taalleerproces en meertaligheid).

Situatie

Je bent met je klas op uitwisseling bij een Duitse school en ziet daar de volgende posters op het prikbord hangen. Je bent nieuwsgierig wat er precies op staat. Samen met je medeleerlingen zoek je het uit.

Koch-Workshop Koch-Workshop

GitarrenWorkshop

Der große Schulflohmarkt beginnt am 2. Oktober um 10 Uhr. Bitte bringt Kleidung, Bücher und Spiele zum Verkauf mit. Wir freuen uns auf viele Gäste!

Am Samstag, den 12. März, findet im Jugendzentrum ‘Tre punkt‘ ein Gitarren-Workshop statt. Beginn ist um 14 Uhr. Bitte bringt eine Gitarre mit. Wir freuen uns auf alle Teilnehmer!

Nächsten Donnerstag, den 8. Juni, findet in der Schule (Raum A2-1) ein Koch-Workshop statt. Der Start ist um 15 Uhr. Bitte bringt frische Zutaten (ingrediënten) mit. Alle sind herzlich eingeladen!

Schulflohmarkt

1 Raten ( raden )

Bekijk de informatie op de posters. Kun je op basis van de plaatjes of woorden die je snel herkent, raden waar de poster over gaat? Schrijf op.

Op poster 1 staat een aankondiging over

Op poster 2 staat een aankondiging over

Op poster 3 staat een aankondiging over

2 Vergleichen ( vergelijken )

Lees de teksten op de posters goed door. Welke woorden lijken op het Nederlands?

Schrijf per poster drie woorden op.

Poster 1

Duits Nederlands

Gitarren gitaren

Poster 2

Duits Nederlands

Poster 3

Duits Nederlands

3 Schreiben

Schrijf in het Duits op welke informatie er op de posters staat. Gebruik hiervoor de volgende W-vragen: Wat (gaat er plaatsvinden?), Wanneer (is het?), Wat (moet je meenemen?)

Poster 1

Wat:

Wanneer:

Meenemen:

Poster 2

Wat:

Wanneer:

Meenemen:

Poster 3

Wat:

Wanneer:

Meenemen:

4 Sprechen

Vergelijk jouw antwoorden bij vraag 3 met die van twee medeleerlingen.

Stappenplan:

• Maak groepjes van drie.

• Een leerling kiest één van de drie posters uit en vertelt aan de andere twee in het Nederlands waar de poster over gaat.

• De andere twee vergelijken dit met de antwoorden die ze bij vraag 3 hebben gegeven.

• Zijn jullie het met elkaar eens, of zijn er verschillen? Bespreek dit met elkaar.

• Ga daarna door met de volgende poster en wissel van rol.

5 Reflektieren ( terugkijken en nadenken )

Je kennis van het Nederlands kun je, zoals je nu hebt gezien, gebruiken bij het begrijpen/leren van het Duits. Ook plaatjes bij een tekst kunnen je helpen bij het begrijpen van een tekst.

Wat heb je geleerd? Met andere woorden: Wat kun je als eerste doen als je een tekst in een vreemde taal (nog) niet helemaal begrijpt? Schrijf dit in je eigen woorden op.

6 Machen ( maken )

Maak op basis van de drie posters, die je hebt bekeken, nu zelf een eigen poster. Denk bijvoorbeeld aan een poster voor een schoolfeest, boekenmarkt, filmavond of gamemiddag. Gebruik eventueel een woordenboek.

De poster moet in ieder geval bevatten:

• Wanneer: een datum (in het Duits)

• Wat: een titel en een korte een omschrijving wat er gaat gebeuren (in het Duits)

• Een bijpassende tekening

7 Präsentieren

Deel je poster met je medeleerlingen en laat ze raden wat er op de poster staat aan de hand van de W-vragen: Wat gaat er gebeuren en Wanneer?

3 LERNECKE

VOKABELN – SCHRITT 1

blauw blau

bruin braun geel gelb grijs grau groen grün paars lila oranje orange roze rosa rood rot zwart schwarz wit weiß

In de Lernecke is al het leerwerk voor de toets nog even samen op een rij gezet voor de leerlingen. Dit helpt bij het leren en geeft duidelijkheid.

VOKABELN – SCHRITT 2

LERNEN

de ouders die Eltern maar aber de grootouders die Großeltern ook auch de familie, het gezin die Familie de broer der Bruder heten, ik heet heißen, ich heiße de zus die Schwester ja ja de opa, de grootvader der Opa, der Großvater het kind das Kind nee nein de oma, de grootmoeder die Oma, die Großmutter en und de jongen der Junge het meisje das Mädchen geschieden gescheiden de man der Mann die Geschwister de broers en zussen de vrouw die Frau du hast jij hebt de oom der Onkel du bist jij bent de tante die Tante lieben houden van de zoon der Sohn verheiratet getrouwd de dochter die Tochter sich gut verstehen goed met elkaar omgaan de vader der Vater de moeder die Mutter zusammen samen

Wil je extra oefenen met de woordenschat? Gebruik dan de online woordentrainer.

LERNEN

GRAMMATIK – SCHRITT 1

null 0

eins 1

zwei 2

drei 3

vier 4

fünf 5

sechs 6

sieben 7

acht 8

neun 9

zehn 10

GRAMMATIK – SCHRITT 2

Hoofdletters

LERNEN

elf 11 zwölf 12

dreizehn 13

vierzehn 14

fünfzehn 15

sechzehn 16

siebzehn 17

achtzehn 18

neunzehn 19

zwanzig 20

Hoofdletters schrijf je in het Duits, net als in het Nederlands:

• Aan het begin van een zin. Ich bin Fatma.

• Bij namen van landen, steden en personen: Ja, Peter wohnt in Köln, in Deutschland.

Let op!

• In het Duits schrijf je zelfstandige naamwoorden ook altijd met een hoofdletter: der Mann, die Frau, das Kind

Zelfstandige naamwoorden zijn woorden waar in het Nederlands ‘de’, ‘het’ of ‘een’ voor staat.

GRAMMATIK – SCHRITT 3

Bepaalde lidwoorden

Er zijn in het Nederlands twee bepaalde lidwoorden. In het Duits zijn er drie. De Nederlandse lidwoorden de en het kun je op drie manieren vertalen. Je vertaalt de en het met der, die en das

• blauwe woorden noem je mannelijk, ze hebben het lidwoord der;

• rode woorden noem je vrouwelijk, ze hebben het lidwoord die;

• groene woorden noem je onzijdig, ze hebben het lidwoord das;

• zwarte woorden waar de voor staat, staan in het meervoud: ze hebben ook het lidwoord die

Snap je de theorie nog niet helemaal? Of wil je extra oefenen met de grammatica?

Gebruik dan het online grammaticamaatje.

ZugSpitze is dé methode Duits waarmee uw leerlingen op een leuke en uitdagende manier de Duitse taal snel onder de knie krijgen. Leerlingen werken met ZugSpitze stap voor stap heel gericht toe naar concrete leerdoelen, waardoor ze snel het vertrouwen krijgen iets te kunnen. Het ERK vormt de rode draad van de onderbouw tot en met de bovenbouw. Hierdoor worden leerlingen ook meteen voorbereid op de Goethe-examens A1 tot en met B2.

Gert Baas

Heleen Blok

Carine Ettema

Marcel den Hollander

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.