2-jährige Ausgabe
VO
B R O
L E E
TEXTARBEITSBUCH 2 HAVO(V) Name: Klasse:
K D
E T A
N R
A1/A2
Inhalt
INHALT Landeskunde Herzlich willkommen in Deutschland!
2
Schritt 1-5 Schritt 1 Hören Schritt 2 Lesen Schritt 3 Hören Schritt 4 Gespräche führen Schritt 5 Schreiben Zwischenstufe Schritt 1-5 D-Prüfung Sprachfest - Plakat-Alarm! Lernecke
Hallo! Ich komme aus … Deutsche Stars Das ist meine Familie Schön, dich kennenzulernen! Der Ball liegt bei dir je in korte Schritte Met ZugSpitze werk oment. De toe naar een toetsm n hierbij centraal. vaardigheden staa altijd receptief en Leerlingen beginnen f. Dit geeft houvast eindigen productie en duidelijkheid.
1
10 17 27 34 43
51 53 56
Landeskunde
Herzlich willkommen in Deutschland!
Landeskunde: Herzlich willkommen in Deutschland! LEERDOELEN
• Je kunt je eigen interesses en doelen verkennen voor het leren van en over de doeltaal, doeltaalculturen en doeltaalsprekers. (Kerndoel 8)
• Je kunt onderscheiden waar, door wie en in welke contexten de doeltaal wordt gebruikt. (Kerndoel 9)
• Je kunt overeenkomsten en verschillen op het gebied van gewoontes, omgangsvormen en perspectieven benoemen binnen en tussen culturen. (Kerndoel 9)
Landeskund e isZugspitze, een belaneen Welkom in Duitsland! En welkom bij de beklimming de Duitsland. gijk berg ondein de methvan rdeel in ode. ZugSpit ze bienet In dit boek ga je snel heel veel Duits leren. Dat soms wat moeite, beklimmen dt als zo ehet op kost en ve de Duitstalig nster e landat denbetekent van een berg. Daarom heet ieder hoofdstuk in dit boek Schritt, ‘stap‘. en Duitse cult In iedere u ur. In dnaar e Lande de Zugspitze. Schritt leer je wat Duits en zet je dus een stap detop skunvan de-h oofdstukken woen extover rdtde Op deze en de volgende bladzijden lees jeoalokiets Duitse taal ra aaDuitsland, ndacht bede steed aan de ke rn doemerken nieuwe Duitsers. Je hoeft nog niet alles te weten. En je zult best veel weet! len Taal-dat en cjeual ltuurbewustzi jn.
1
Deutsch? Je gaat vanaf vandaag op school Duits leren. Maar waarom? Je kunt natuurlijk zeggen: “Omdat Duits op het rooster staat. Het zal wel moeten.” Maar probeer eens een antwoord op de volgende vraag te bedenken.
Beantwoord de volgende vraag. Waarom kan het voor jou nuttig zijn om Duits te leren?
2
Landeskunde
2
Herzlich willkommen in Deutschland!
Deutsch! Duits is de officiële taal in:
Daarnaast spreken mensen ook Duits in delen van:
· Duitsland · Oostenrijk · Zwitserland
· België (in het oosten) · Italië (in Zuid-Tirol, een streek in het noorden) · Oost-Europa (onder andere Polen, Hongarije, Roemenië, Tsjechië)
(naast Frans en Italiaans) · Liechtenstein · Luxemburg (samen met Frans en Luxemburgs)
In Duitsland spreken meer dan 80 miljoen mensen Duits. In heel Europa ongeveer 100 miljoen. Duitsland is voor Nederland een belangrijk buurland. Duitsland heeft de grootste economie in Europa. Duitsland is de grootste handelspartner van Nederland. De Rotterdamse haven speelt daarin een grote rol. En doordat Duitsland een buurland is, zijn er ook veel vriendschappelijke relaties tussen Nederlanders en Duitsers. Het kan de moeite waard zijn om Duits te leren. In welke situaties wordt er waarschijnlijk Duits gesproken? A Lees de informatie over de Duitse taal. In welke situaties kan er Duits worden gesproken? Kruis goed of fout aan. goed fout 1 Tussen een Nederlandse familie en de Duitse buren.
2 Tussen de verkoopmanager van een Nederlands bloembollenbedrijf en de Duitse klant.
3 Tussen de receptioniste van een Nederlands hotel of vakantiepark en Duitse gasten.
4 Tussen een Nederlandse vrachtwagenchauffeur en de Duitse medewerker van een wegrestaurant.
B Maak de volgende opdracht. Bedenk zelf nog twee praktijksituaties waarin Duits wordt gesproken.
3
Landeskunde
3
Herzlich willkommen in Deutschland!
Deutschlands Hauptstadt Berlin: Der Bär und das Ampelmännchen
Je ziet hier de Berliner Bär, de (1) .
De beer is het symbool van de stad Berlijn, de (2) van Duitsland.
Ook het Ampelmännchen, het mannetje op de verkeerslichten voor voetgangers, is heel bekend, binnen en buiten Berlijn. Berlijn is ook de (3) stad van Duitsland. Er wonen 3,7 miljoen
mensen. Vroeger was de stad in (4) helften verdeeld: Oost-Berlijn
en West-Berlijn. Maar nu is er weer één Berlin! Berlijn heeft veel (5) : het Brandenburger Tor, de Reichstag (het parlement) en de Fernsehturm. Ieder jaar komen er veel toeristen naar Berlijn, omdat het een (6) stad is. Vorig jaar hebben 250.000 toeristen uit (7) Berlijn bezocht.
De hoofdstad van Nederland is Amsterdam. Maar wat weet je over de hoofdstad van Duitsland? A Lees de tekst en vul de ontbrekende woorden in. Kies daarbij uit de volgende woorden. Let op: Er blijven drie woorden over! Andorra | Berlijnse beer | bezienswaardigheden | grootste | hoofdstad | interessante | Nederland | problemen | twee | vijf B In de tekst worden drie bezienswaardigheden van de Duitse hoofdstad genoemd. Op welke drie foto’s zie je telkens één van die bezienswaardigheden? Kruis de drie juiste foto’s aan.
A
B
C
4
D
Landeskunde
Herzlich willkommen in Deutschland!
C In dit boek kom je vaak een beer en een rood en groen mannetje tegen. Lees de tip en beantwoord de vragen.
T I P P
Der Bär und das Ampelmännchen in diesem Buch Als je de beer ziet, krijg je informatie over Duitsland. Dat heet Landeskunde. Als je het rode Ampelmännchen ziet, krijg je een quizvraag over Duitsland. Fantastisch als je het antwoord al weet! En anders is het iets wat de moeite waard is om te onthouden. Zie je het groene Ampelmännchen, dan krijg je een tip. Dat kan een tip zijn hoe je woordjes goed kunt leren of hoe je bijvoorbeeld een tekst met vragen kunt aanpakken.
1 Hoe kan je ‘Ampelmännchen’ vertalen naar het Nederlands (denk eraan dat ze rood en groen zijn en bij elkaar horen)?
2 De Berlijnse beer is het symbool van Berlijn. Waar kom je die bijvoorbeeld tegen? A op pleinen
B in souvenirwinkels
C op stations
3 Sinds wanneer denk je dat Duitsland weer één land is?
4
Deutschland und die Niederlande Nederland
Deutschland
taal
Sprache
Nederlands
Deutsch
grenst aan
grenzt an
2 landen
9 Länder
staatsvorm
Staatsform
koninkrijk
Republik
staatshoofd
Staatsoberhaupt
koning
Bundespräsident
provincies
Bundesländer
12
16
grenst ook aan
grenzt auch an
de Noordzee
die Nordsee
hoofdstad
Hauptstadt
Amsterdam
Berlin
munt
Münze
euro
Euro
oppervlakte
Fläche
41.543 km²
357.121 km²
Wat zijn de overeenkomsten tussen Duitsland en Nederland? En wat zijn de verschillen? A Lees de informatie in de tabel over Nederland en Duitsland. B Lees de zin. Vul het ontbrekende woord in. Gebruik de tabel uit opdracht A. 1 Duitsland grenst aan landen meer dan Nederland. 2 Duitsland en Nederland grenzen allebei aan de . 3 Het Duitse woord voor ‘taal’ is .
4 In Nederland en Duitsland betaal je met de .
5 Het Duitse woord voor ‘hoofdstad’ is .
6 Het Duitse staatshoofd is geen koning maar een . 5
Landeskunde
5
Herzlich willkommen in Deutschland!
Deutsche Gewohnheiten Verschillen tussen Duitsers en Nederlanders
Duitsland en Nederland zijn buurlanden. Maar er zijn veel kleine verschillen in cultuur en het dagelijks leven! Jij of u? In Nederland zeggen veel mensen snel du (jij). Ze zeggen ook vaak du tegen leraren of bazen. In Duitsland is het anders. Daar zeggen mensen vaak Sie (u) als ze iemand niet goed kennen. Recht voor zijn raap Nederlanders zijn erg direct. Ze zeggen snel wat ze denken. Ze zeggen het ook als ze iets niet leuk vinden. In Duitsland zijn mensen vaak wat voorzichtiger. Veel Duitsers vinden directe taal soms onbeleefd. Verjaardag Als er in Duitsland iemand jarig is, zeg je alleen Gratuliere of Alles Gute tegen de persoon die jarig is. In Nederland feliciteer je ook de familie en vrienden van de jarige! Op tijd of te laat? In Duitsland vindt men het belangrijk dat je op de afgesproken tijd ergens bent. Vooral als het om het werk gaat. In Nederland is dat op het werk ook wel belangrijk, maar kun je in de vrienden- en de familiesfeer wordt het niet zo nauw genomen. Rode verkeerslichten In Duitsland stop je altijd als een verkeerslicht op rood staat, ook als fietser of voetganger. Duitse automobilisten houden er dan ook geen rekening mee als fietsers of voetgangers door rood rijden of lopen. In Nederland is men daarin wat slordiger, op het gevaarlijke af. Veel voetgangers en fietsers steken bij rood over als het veilig lijkt. Zijn Duitsers heel anders dan Nederlanders? Of lijken we allemaal heel erg op elkaar. In dit artikel lees je iets over een paar verschillen. A Lees de tekst. Noteer welke verschillen tussen Duitsland en Nederland jou het meest opvallen. Vul op nummer 1 het meest opvallende verschil en op nummer 2 het minst opvallende verschil in. 1
2
B Leg je keuze uit.
6
Landeskunde
6
Herzlich willkommen in Deutschland!
Neuschwanstein Neuschwanstein (het kasteel van Doornroosje)
Koning Ludwig II. van Beieren liet kasteel Neuschwanstein dichtbij het kasteel van zijn ouders bouwen. Het werd gebouwd tussen (1) en (2) . Het wordt jaarlijks bezocht door ongeveer
(3) bezoekers uit de hele wereld. Het is belangrijk om
entreekaartjes vooraf op internet te bestellen. Anders sta je urenlang in de rij voor de kassa! Voordat Disneyland in Anaheim in de VS in (4) werd geopend, bezocht Walt Disney kasteel Neuschwanstein in Duitsland om inspiratie op te doen voor het kasteel van Doornroosje in zijn park. Met koning Ludwig II. liep het overigens slecht af. Hij heeft al tijdens de bouw van het kasteel (5) dagen in het kasteel gewoond. Omdat hij nog meer prachtige kastelen had laten bouwen, moest hij enorme schulden maken. Hij werd daarom voor gek verklaard. Nog voordat het kasteel klaar was, werd Ludwig dood aangetroffen in de Starnberger See, een meer in de buurt. Al (6) weken na de afronding van de bouw werd het kasteel voor toeristen opengesteld om daarmee de schulden van Ludwig af te lossen. Je ziet hier een foto van het kasteel van Doornroosje in het Disneypark in Anaheim in de VS. En je ziet een foto van kasteel Neuschwanstein in het zuiden van Duitsland. Wat hebben die twee kastelen met elkaar te maken? Lees de tekst ‘Neuschwanstein (het kasteel van Doornroosje)’. Vul de ontbrekende getallen in de tekst in. Kies daarbij uit de volgende mogelijkheden. 6 | 172 | 1869 | 1886 | 1955 | 1,3 miljoen
7
Landeskunde
7
Herzlich willkommen in Deutschland!
Deutsch und Niederländisch Soms betekenen Duitse woorden die op Nederlandse woorden lijken iets heel anders! Lees de zin onder de foto. Vul de vertaling van het onderstreepte woord in.
1 Das ist eine herrliche Tafel.
8
2 Das ist mein Büro.
3 Der Hund kann laut bellen.
Ein Quiz über Deutschland Wat weet je al over Duitsland? Kruis de juiste antwoorden aan. 1 De kleuren van de Duitse vlag zijn … A groen, paars, bruin. B rood, zwart, geel C zwart, rood, goud.
5 Duitsland is … A groter dan Nederland. B kleiner dan Nederland. C net zo groot als Nederland.
2 In Duitsland wonen … A ongeveer 20 miljoen mensen. B ongeveer 50 miljoen mensen. C meer dan 80 miljoen mensen.
6 Een beroemde Duitse worst heet … A Currywurst. B Hanswurst. C Mettwurst.
3 De hoofdstad van Duitsland is … A Berlijn. B Hamburg. C München.
7 Het Oktoberfest in München vindt grotendeels plaats in de maand … A september. B oktober. C november.
4 Een bekende Duitse voetbalclub heet … A Bayern München. B Borussia Bremen. C KSV Hessen Kassel.
8 Het huidige Duitsland bestaat sinds … A 1918. B 1948. C 1990.
8
Landeskunde
9
Herzlich willkommen in Deutschland!
Ein Spiel Tijd voor een spel! Dit boek, ZugSpitze, is genoemd naar de hoogste berg van Duitsland, de Zugspitze. Over die berg ga je nog meer horen en lezen. Nu ga je het ZugSpitze-Spiel spelen.
Aanwijzingen 1 Speel dit spel met twee of drie leerlingen. 2 Op Arbeitsblatt 1 op Seite XXX staat het ZugSpitze-Spiel. Knip het uit. 3 Gebruik als speelfiguur een muntje of een voorwerp uit je etui. 4 Gebruik een dobbelsteen. 5 De jongste speler begint. 6 Kom je op een getal met een opdracht? Dan moet je die opdracht meteen doen. 7 De speler die als eerste op de top van de Zugspitze staat, wint. A Lees de ‘Aanwijzingen’ goed door. B Speel nu het spel. Gebruik de ‘Bord-aanwijzingen’. Bord-aanwijzingen
10
4
Je hebt je bagage in een ravijn laten vallen. Ga terug naar startI
7
Een berggeit duwt je naar boven. Ga naar plek 10!
11
Je hebt je verslapen in een berghut. Sla een beurt over!
16
Je hebt een kop koffie op en krijgt een energieboost. Gooi nog een keer!
22
Je hebt een jodelconcert gegeven, iedereen is enthousiast! Ga vijf plekken vooruit!
23
Je hebt staan kletsen met een andere bergbeklimmer. Sla een beurt over!
28
Storm, sneeuw en hagel in aantocht! Loop maar gauw door! Ga twee plekken vooruit!
31
Je glijdt uit op een rots. Gevaarlijk hoor! Ga twee plekken terug!
34
Ben je nou echt op een bankje in slaap gevallen? Sla een beurt over!
36
Je staat op de top van de Zugspitze. Gefeliciteerd!
Rückschau Je bent nu bijna aan het einde van een aantal opdrachten over Duitsland en de Duitse taal. Wat heb je geleerd over Duitsland en de Duitse taal, wat is je opgevallen? Maak de volgende opdracht. Noteer in vijf of zes zinnen wat je in deze opdrachten: · over Duitsland en Duits hebt geleerd; · wat je daarbij het meest is opgevallen.
Veel plezier en succes met het leren van Duits! Heb je er al zin in? 9
Hören
Schritt 1 Hallo! Ich komme aus…
Schritt 1 Hallo! Ich komme aus… LEERDOEL
• ERK / Hören: Je kunt woorden en korte zinnen in een eenvoudig gesprek begrijpen, mits er • Aussprache:
1
zeer langzaam en duidelijk wordt gecommuniceerd. (A1) Het gebruik van de Umlaut en de ringel-s. (Mede)klinkers die in het Duits en het Nederlands ongeveer hetzelfde klinken.
In deze Schritt maak je kennis met Duitse mensen. Ze stellen zich in heel eenvoudige gesprekken aan elkaar voor. Je hoeft nog geen ge Duitse woorden te K. leren. Maar je zult zien dat het ER gSpitze is op zet vanuit veel woorden op het NederlandsZulijken! En dat jewo daarom een Duits gesprek al voor een groot s gewerkt korte Schritte rdt steed In deel kunt verstaan. Je gaat ook leren hoe de uitspraak van sommige rdoel. Zo woorden is. aan één communicatief lee taal snel eigen maken leerlingen zich de ze iets kunnen. Hören en ervaren ze al snel dat eert! kennismaakt? Wat kan je in het Duits zeggen alsDa jetmet iemand motiv
A Lees de Nederlandse en Duitse zinnen. Welke zinnen horen bij elkaar? Vul de letter van de juiste Duitse vertaling bij het nummer van de Nederlandse zin in.
B H
G
1 Heb jij broers of zussen?
A Es war nett, dich kennenzulernen.
2 Het was leuk om je te leren kennen.
B Hast du Geschwister?
3 Hoe heet jij?
C Ich bin vierzehn Jahre alt.
4 Hoe oud ben jij?
D Ich habe eine Schwester.
5 Waar kom jij vandaan?
E Ich komme aus Berlin.
6 Wat doe jij graag?
F Ich spiele gern Fußball.
7 Ik ben veertien jaar oud.
G Was machst du gern?
8 Ik heb een zus.
H Wie heißt du?
9 Ik kom uit Berlijn.
I
Wie alt bist du?
10 Ik voetbal graag.
J
Woher kommst du?
10
Hören
Schritt 1 Hallo! Ich komme aus…
B Paul en Sofia ontmoeten elkaar in een berghut in Duitsland. Ze stellen zich kort voor. Luister naar ‘In einer Berghütte’, het gesprek tussen Sofia en Paul. Je leest acht beweringen over Paul of Sofia. Kruis telkens A, B of C aan. Lees eerst de tip.
T I P P
1 2 3 4 5 6 7 8
2
Geen paniek! In de komende tijd hoor je vooral Duitse woorden die erg op het Nederlands lijken. • Blijf daarom rustig als je hier en daar wat woordjes misschien niet goed verstaat. • Concentreer je alleen maar op de gevraagde informatie in de opgave.
Paul komt uit Sofia komt uit Paul is Sofia is Pauls hobby is Sofia’s hobby is Paul heeft Sofia heeft
A Berlijn. B Haarlem. A Berlijn. B Haarlem. Er is veel aandacht besteed A 12 jaar. B 13 jaar. aan taalleerstrategieën, deze A 12 jaar. B 13 jaar. zijn te herkennen aan het A gamen. B gitaar spelen. groene Ampelmännchen. A gamen. B gitaar spelen. A een broer. B een broer en een zus. A een broer. B een broer en een zus.
C München. C München. C 14 jaar. C 14 jaar. C voetballen. C voetballen. C een zus. C een zus.
Aussprache Veel medeklinkers (h, m, k, n, b) en klinkers (a, o, e) spreek je in het Duits en in het Nederlands ongeveer hetzelfde uit. A Lees de volgende zinnen. Vul het nummer van elke zin bij de bijbehorende tekening in.
A
B
C
D
E
F
G
H
1 2 3 4
Jarno liebt die Katze. Mia spielt Klavier. Ich spiele Fußball. Sie spielt Basketball.
5 6 7 8
11
Das ist ein Saxofon. Joel spielt gern Computerspiele. Das ist die Gitarre von Ilse. Jakob will Hockey spielen.
Hören
Schritt 1 Hallo! Ich komme aus…
B Luister twee keer naar de acht zinnen. Let goed op de uitspraak van de klinkers: a, o, u, i, e, ie. Onderstreep de enige klinker die totaal anders uitgesproken wordt dan in het Nederlands. C Lees de acht zinnen nu hardop aan een klasgenoot voor. Let goed op die ene klinker die anders klinkt dan in het Nederlands.
3
Lesen Auf der Zugspitze
Die Zugspitze ist der höchste Berg in Deutschland. Sie liegt auf der Grenze zu Österreich. Sie ist ungefähr dreitausend Meter hoch. Viele Menschen wandern zu Fuß nach oben. Oder sie fahren mit der Zugspitzbahn nach oben. Es ist sehr kalt dort oben auf der Bergspitze! Es ist angenehm, dass dort ein kleines Restaurant ist. Dort kannst du ein Eis essen und gleichzeitig im Schnee stehen. Das ist wirklich komisch (vreemd, raar), oder? Dit boek heet ‘ZugSpitze’. Het is genoemd naar de hoogste berg van Duitsland, de Zugspitze. Waar ligt die berg en hoe hoog is die eigenlijk? Lees de tekst. Hier staan een paar beweringen over de tekst. Kruis bij elke bewering aan of die wel of niet met de tekst overeenkomt. wel niet 1 Op de Zugspitze kan je soms op het ijs staan. 2 De Zugspitze is precies 3000 meter hoog. 3 De Zugspitze ligt op de grens met Oostenrijk. 4 De Zugspitze is de hoogste berg van Oostenrijk.
4
Aussprache: de Umlaut In het Duits komen vaak woorden met ’een klinker met puntjes’ voor, bijvoorbeeld: höchste, Österreich en ungefähr. Hoe noem je die ‘puntjes’ op een klinker? • De ’puntjes’ op een klinker heten Umlaut. • Een Umlaut kan op de a, de o, de u en de au staan. • Bij de au komt de Umlaut op de a: aufräumen, Bäume. • De a, u en o zijn de klinkers van het woord Auto. Lees de informatie over de Umlaut. Noteer een Umlaut bij de volgende woorden, maar alleen op de klinkers waar dat mogelijk is. 1 Munchen 2 Schweiz 3 Zurich
4 Niederlandisch 5 Gebaude 6 Madchen
12
7 Tschus 8 Schwester 9 fur
Hören
5
Schritt 1 Hallo! Ich komme aus…
Lesen Max aus Hamburg Hallo! Ich heiße Max und ich bin vierzehn Jahre alt. Ich wohne in Hamburg. Das ist eine Hafenstadt im Norden von Deutschland. Ich habe eine Schwester, sie heißt Lisa und sie ist zwölf Jahre alt. Meine Mutter heißt Anna und mein Vater heißt Tom. Wir haben auch einen Hund, er heißt Bello. Bello ist sehr lustig, er liebt Würstchen. Einmal hat er Papas Wurst vom Grill geklaut! Mein Vater fand (vond) das nicht super, aber wir haben alle gelacht. In Hamburg gibt es viele schöne Orte. Wir haben den Hafen, der ist riesig! Manchmal gehe ich mit meinem Vater dahin und wir sehen die großen Schiffe (schepen). Das ist cool! Es gibt auch die Elbphilharmonie. Das ist ein großes, modernes Gebäude (gebouw), wo man Konzerte hören kann. Meine Schwester sagt immer, sie möchte da mal ein Konzert hören. Hamburg hat auch viele Parks. Ich spiele gern Fußball im Stadtpark. Das macht Spaß! So, das ist meine Familie und meine Stadt. Hamburg ist super, komm doch mal vorbei! Max is een jongen die in de Duitse havenstad Hamburg woont. Hij vertelt over zijn ouders, zijn zus en zijn hond. En natuurlijk ook over Hamburg … A Lees het verhaal van Max. Wat betekenen de vetgedrukte woorden in de tekst? Kruis de juiste vertaling aan. 1 2 3 4 5 6 7 8
er liebt Würstchen A hij houdt van worstjes De instruActieta al is in de eerste geklaut gejat lee rja ren Ne de rla ndde s enmensen gibt es wordt A hebben ge leid elij k op gebouw d naar de oren schöne Orte A schone doeltaal.ALeerl ingheel en mo eten wel schattig riesig echt be gri jpe n wa t ze moeten doen. immer A altijd Das macht Spaß! A Dat is balen! komm doch mal vorbei A blijf alsjeblieft weg
B hij mag alleen worstjes eten B laten aanbranden B zijn er B mooie plaatsen, plekjes B reusachtig groot B nooit B Dat is leuk! B kom eens langs
B Lees de tekst nog een keer. Welke zinsdelen horen bij elkaar? Vul de juiste letter voor het eerste deel van de zin in.
Q U I Z
1 Hamburg heeft een haven en…
A een keer een concert bezoeken.
2 Max heeft een hond die…
B een keer ondeugend is geweest.
3 De Elbphilharmonie is een groot gebouw…
C ligt in het noorden van Duitsland.
4 De zus van Max zou graag…
D waar muziek wordt gemaakt.
Je ziet hier de ingang van Legoland Duitsland. Ben je er nog nooit geweest? Dan wordt het hoog tijd voor een bezoekje! Maar waar ligt het ongeveer in Duitsland?
A In het noorden tussen Hamburg en Denemarken. B In het oosten tussen Berlijn en Polen. C In het zuiden tussen Stuttgart en München. 13
Hören
6
Schritt 1 Hallo! Ich komme aus…
Aussprache: de ringel-s Er is in het Duits een letter die in het Nederlands niet voorkomt: de ß. • In de tekst over de ZugSpitze stond het woordje Fuß. • De letter ß wordt op Nederlandse scholen meestal ‘ringel-s’ genoemd. Fuß spreek je dus uit als ‘Foes’ en niet als ‘Foeb’. • Hoe maak je een ß? Schrijf een stokje met daaraan vast een 3. Lees de informatie over de letter ß. Oefen het schrijven van de ß. Schrijf er minimaal vier op.
7
Hören Michael en Arjenne ontmoeten elkaar voor het treinstation van Keulen.
Luister naar ‘Vor dem Hauptbahnhof in Köln‘, het gesprek tussen Arjenne en Michael. Onderstreep de juiste woorden in de samenvatting. Arjenne woont in Heerlen, haar adres is (1) Frankenlaan 1 / Frankenstraat 1. Michael woont in Aken, zijn huisadres is (2) Frankenallee 1 / Frankenstraße 1. Dat is toevallig! En er is nog iets toevalligs. Arjenne en Michael zijn allebei (3) twaalf / dertien jaar oud. Arjenne zwemt en (4) fotografeert / volleybalt graag in haar vrije tijd. Michael heeft als hobby’s voetballen en (5) boeken lezen / chillen. Arjenne heeft een zus, haar ouders zijn (6) gescheiden / getrouwd. Arjenne vraagt aan Michael of hij haar in (7) Aken wil rondleiden / Heerlen wil bezoeken. Dat wil Michael (8) wel / niet.
14
Hören
8
Schritt 1 Hallo! Ich komme aus…
Rätsel In dit raadsel zijn de namen van de volgende Duitse steden verstopt: Aachen | Berlin | Bonn | Bremen | Dortmund | Dresden | Duisburg | Düsseldorf | Essen | Frankfurt | Hamburg | Hannover | Köln | Kiel | Leipzig | Leverkusen | Mainz | München | Stuttgart | Ulm A Markeer de namen van de Duitse steden met een kleurenstift.
L
D
Ü
S
S
E
L
D
O
R
F
K
M
E
O
D
T
H
S
E
U
L
E
R
I
Ü
V
R
B
U
A
S
I
B
O
N
N
E
N
E
T
E
T
L
C
R
M
R
Z
H
K
U
L
T
E
U
N
I
N E P N S T D Er is ook tijd om op een sp eelse Tmanie N r meNt de taa Z M A I N l bezig te zijn. Er zijn daarom veel gevarieerd Gop O E I U Ue en leu L ke M drachten in de methode te vinden. knipbSladenGen spKelletjeÖs! L AZelfs V N
C
N
S
D
N
R
E
H
H
A
M
B
U
R
G
E
M
I
T
R
B
R
E
M
E
N
T
Z
N
U
G
F
R
A
N
K
F
U
R
T
S
A
A
C
H
E
N
D
R
E
S
D
E
N
P
I
D
U
I
S
B
U
R
G
T
Z
E
B Noteer welke Duitse zin in de overgebleven vakjes ontstaat. De eerste twee overgebleven vakjes zijn al ingevuld.
Du
__ __ __ __ __ __ __ __ __ __ __ __ __ __ __ __ __ __ __ __ __ __ __ __ __ !
Dat betekent: Je leert Duits met ZugSpitze!
15
Hören
Schritt 1 Hallo! Ich komme aus…
Teste dich selbst! LEERDOEL ERK / Hören – Kun je nu woorden en korte zinnen in een eenvoudig gesprek begrijpen, mits er zeer langzaam en duidelijk wordt gecommuniceerd? (A1) Doe de test! De jongens Erkan, Mike en Emil ontmoeten elkaar in een jeugdherberg inritt München. Ze komen Een sch wordt alt ijd formatief uit verschillende landen. Ze stellen zich aan elkaar voor. afgesloten. Zo kan een lee rling testen of en hij/zij het Vul ERK-d Luister naar ‘In einer Jugendherberge in München‘, naar Erkan, Mike Emil. deoel beheerst. Er is altijd de mogelijkheid tabel verder in het Nederlands in. om online een herkansing te maken . leeftijd woonplaats hobby broers / zussen lievelingseten Erkan Mike Emil
13
Salzburg
zwemmen gitaar
1 zus
pizza
Kijk je antwoorden na. Zes of meer antwoorden goed? Je hebt de test goed gedaan! Minder dan zes antwoorden goed? Maak de herkansing. Deze is te vinden in de online omgeving.
Hauptbahnhof Je ziet hier het station van de Duitse stad Keulen. Hier komen elke dag ook treinen uit Nederland aan. Wist je dat men in Duitsland Hauptbahnhof ndeskundehoofdstukken ast deEnLadat Nazegt? voor ‘Centraal Station‘ nis van er ook aandacht aan ken wordt afgekort? dat woord als Hbf. wordt en en en volk besteed in quizvrag landheet ‘Keulen Centraal Station‘ dus Köln tjes. Deze kun je als Landeskunde-wee Hauptbahnhof. over de Duitse docent inzetten om meer cultuur te delen.
16
Lesen
Schritt 2 Deutsche Stars
Schritt 2 Deutsche Stars LEERDOELEN
• ERK / Lesen: Je kunt zeer korte, eenvoudige teksten zinsdeel voor zinsdeel begrijpen door • Vokabeln: • Grammatik: • Aussprache:
vertrouwde namen, woorden en elementaire combinaties te herkennen en indien nodig te herlezen. (A1) Woorden over het thema ‘Familie’. Het gebruik van hoofdletters. De klinker u.
Ken jij bekende Duitsers? In deze Schritt lees je over bekende en beroemde Duitsers en hun families. Je ontdekt dat je niet alle Duitse woorden hoeft te kennen om een tekst te begrijpen. Ook leer je hoe je Duitse woorden makkelijker kunt onthouden. Sommige klanken lijken niet op het Nederlands, zoals de ‘u’, die je in deze Schritt leert.
1
Lesen
Wincent Weiss Der Popsänger Wincent Weiss kommt aus Deutschland. Seine Mutter sorgt allein für Wincent und seine Schwester. Er (Hij) kennt seinen Vater nicht. Nach der Schule geht er nach München. Dort schreibt Wincent seine ersten Lieder. 2013 macht er bei der Show ‘Deutschland sucht den Superstar‘ mit. Wincent gewinnt nicht, aber er gibt (geeft) nicht auf. Im Jahr 2015 kommt 5 sein erster Hit. Das Lied heißt ‘Regenbogen‘. Viele Leute hören seine Musik. So wird Wincent ein bekannter Sänger. Wincent liebt seine Fans. Bei einem Konzert singt er für eine Oma ein Geburtstagslied. Die Oma ist 74 Jahre alt (oud) geworden. Wincent Weiss is een populaire zanger. In het Duitse jongerentijdschrift Bravo lees je een artikel over hem. A Lees de tekst ‘Wincent Weiss’. B Wat betekenen de vetgedrukte woorden in de tekst? Kruis de juiste vertaling aan. 1 2 3 4 5 6
Dort macht aber heißt Leute bekannter
A Daar A doet A daarom A heet A mensen A bekende
B Overal B maakt B maar B klinkt B vrienden B belangrijke
17
Lesen
Schritt 2 Deutsche Stars
C Wat hoort bij elkaar? Noteer de juiste letter in de tabel. Er blijven twee letters over. 1 2 3 4 5 6
Wincent Weiss komt uit ... Wincents … zorgt alleen voor hem. Wincent kent zijn … niet. Wincent schrijft zijn eerste liedjes in … Wincent houdt van zijn … In … komt zijn eerste hit uit.
1
2
3
4
A 2013 B fans C vader D München E moeder F 2015 G Duitsland H oma 5
6
D Beantwoord de volgende vragen. 1 Kende je alle Duitse woorden in de tekst? 2 Moet je alle Duitse woorden kennen om de tekst te begrijpen?
ja ja
nee nee
Vokabeln
LERNEN
2
Duitsland de broer de zus de ouders het gezin Ik ben jarig. de grootouders de opa de oma heten, ik heet de jongen het meisje
Deutschland der Bruder die Schwester die Eltern die Familie Ich habe Geburtstag. die Großeltern der Opa die Oma heißen, ich heiße der Junge das Mädchen
das Alter bekannt die Geschwister
de leeftijd bekend de broers en zussen
het kind das Kind de man der Mann de vrouw die Frau de oom der Onkel de tante die Tante de zoon der Sohn de dochter die Tochter der Vater de vader die Mutter de moeder enlijsten en Redemittel, ord wo als zo aber maar , Leerwerk en aan de blauwe daarzijn altijd te herkenndort leerlingen wat ze moeten niet opmaak. Zo wetennicht leren voor de toets. n de geslachten In de woordenlijsten worde een eigen kleur die Leute det mensen van de woorden me het leren. lpt bijmaken doen, machen aangegeven. Dit he wichtig
belangrijk
Woorden met een kleur In de woordenlijst staan vier kleuren: • blauwe woorden noem je mannelijk, ze hebben het lidwoord der; • rode woorden noem je vrouwelijk, ze hebben het lidwoord die; • groene woorden noem je onzijdig, ze hebben het lidwoord das; • zwarte woorden waar de voor staat, staan in het meervoud: ze hebben het lidwoord die: • alle andere woorden zijn ook zwart.
18
Lesen
Schritt 2 Deutsche Stars
A Lees de informatie in het kader. B Luister naar de uitspraak van de woorden. Lees mee en spreek na. C Lees de zinnen. Vertaal de Nederlandse woorden in het Duits en noteer ze. Gebruik de woordenlijst. Ich liebe meine !
1 gezin
Mein ist 80 Jahre alt.
2 opa 3 grootouders
Wohnen die von Tim in München?
4 oom Der von meiner Mutter ist ein Star in Deutschland. Das Mädchen ist hier.
5 niet
Wow! liegt die Zugspitze.
6 daar
Ich habe eine . Sie heißt Klara.
7 zus 8 jongen 9 Duitsland
Der singt und tanzt gerne.
Seine Großeltern wohnen in .
Das Kind singt gut, kann nicht tanzen.
10 maar
D Vertaal de woorden naar het Nederlands en vul ze in de puzzel in. De groene vakjes vormen de naam van een populair Duits roddelblad. In de puzzel staan geen spaties en de letter ’ij’ komt in één vakje.
1 bekannt 2 Geschwister 3 Leute 4 Alter 5 wichtig
is een Duits roddelblad, waarin je verhalen (en
schandalen!) over beroemdheden kunt lezen. E Lees de tip en pas hem toe.
T I P P
Hoe kan je woorden goed onthouden? Er zijn verschillende manieren om woorden te onthouden. Dit is de eerste manier: 1 Luister een paar keer naar alle woorden. Spreek na en lees mee. 2 Bedek de Duitse woorden; kijk alleen naar de Nederlandse woorden. 3 Zeg en schrijf de Duitse vertaling van de eerste vier woorden. Zet een kruisje voor de woorden die je goed uitspreekt en schrijft. 4 Zeg hardop de Duitse vertaling van de volgende vier woorden. Zet een kruisje voor de woorden die je goed uitspreekt en schrijft. Zo oefen je verder tot het laatste woord in de lijst. 5 Oefen op dezelfde manier de woorden die je Duits-Nederlands moet leren.
19
Lesen
Schritt 2 Deutsche Stars
Filmpark Babelsberg Wist je dat het Filmpark Babelsberg in Potsdam een spannende filmwereld biedt? Je kunt daar echte filmsets bekijken en stuntshows meemaken. Potsdam ligt tegen Berlijn aan. Het park ligt op het terrein van de oudste filmstudio’s ter wereld – een echt avontuur voor filmliefhebbers!
Grammatik: Hoofdletters
3
Hoofdletters schrijf je in het Duits, net als in het Nederlands: • Aan het begin van een zin. Ich bin Fatma. • Bij namen van landen, steden en personen: Ja, Peter wohnt in Köln, in Deutschland. Let op:
LERNEN
• In het Duits schrijf je zelfstandige naamwoorden ook altijd met een hoofletter: der Mann, die Frau, das Kind. Zelfstandige naamwoorden zijn woorden waar in het Nederlands ‘de’, ‘het’ of ‘een’ voor staat.
A Lees de informatie in het kader. B Onderstreep in de zinnen de woorden die hoofdletters krijgen.
1 willst du (jij) ein selfie mit dem fußballstar manuel neuer oder joshua kimmich? 2 dann geh zu madame tussauds in Berlin! 3 das museum ist von montag bis freitag geöffnet (geopend). 4 die stars finden ein selfie prima. 5 sie sind nämlich nicht echt. C Vergelijk jouw antwoorden met die van een klasgenoot. En verbeter je werk waar nodig.
4
Rätsel In dit raadsel is een zin verstopt. Kun jij de geheime code kraken? A Ontcijfer de geheime code. Elk cijfer is een letter uit het alfabet (A=1, B=2, C=3 etc.).
9
3
8
12
5
18
14
5
4
5
21
20
19
B Vertaal de zin die uit de geheime code ontstaan is in het Nederlands.
20
3
! 8
!
Lesen
5
Schritt 2 Deutsche Stars
Vokabeln
Name
Tim Bendzko 09.04.1985
Wohnort
Potsdam
Land: 39 Jahre Bruder Model Melina Martin Sohn
Beruf Tim Bendzko is een populaire Duitse artiest. A Bekijk de Steckbrief van Tim Bendzko en lees de tip.
T I P P
Steckbrief Een Steckbrief is een korte beschrijving van een persoon. Een Steckbrief geeft snel de belangrijkste informatie over iemand. Steckbriefe van beroemde mensen vind je bijvoorbeeld in tijdschriften, blogs en op sociale media.
B Vul de Steckbrief van Tim Bendzko aan met Duitse woorden uit het kader. Gebruik de woordenlijst. Zoek het beroep van Tim Bendzko op internet op. Geschwister | Frau | Alter | Kind | Geburtstag | Deutschland C Kies het Duitse woord dat in de zin past. Noteer dat woord in de zin. Gebruik de woordenlijst. 1 Eltern / Tochter
Eko Fresh ist ein deutscher Rapper. Seine heißt Mayla.
2 aber / nicht
Der Fußballspieler Jamal Musiala ist berühmt, er lebt ganz (heel) normal.
3 Großeltern / Leute
Der Formel-1-Rennfahrer Sebastian Vettel besucht oft (vaak) seine
.
4 Geburtstag / Mutter
Die deutsche Band Rammstein? Meine hört die Lieder jeden (elke) Tag.
5 Bruder / Eltern
Der Bam heißt Shawn.
6 Alter / Onkel
Die Schauspielerin Lisa Vicari ist 27. Ist das ihr
von dem bekannten YouTuber Julien
?
(haar) 21
Lesen
6
Schritt 2 Deutsche Stars
Aussprache: De letter ‘u’ De ‘u’ in het Duits wordt uitgesproken als ‘oe’ zoals in Bruder, Mutter, Hamburg. A Lees de informatie in het kader. Zute gSspreken. pitze besteedt veel aandac B Luister en spreek na. Na elk woord volgt een korte pauze om na ht aan uitspraak. De metho de be vat Bruder – Mutter – Hamburg – Uhr – rufen – Nummer een geheel eigen uitspraa klijn, waarbij in kleine stappen C Werk in tweetallen. Lees om de beurt een woord voor. wordt geoefend met de uitspraa k van het 1 Buch 3 Stunde 5 suchen 7 Hund Duits. Uiteraard wordt dit ve el en 2 Schuh 4 Junge 6 Tunnel 8 Bus vaak herhaald. D Luister naar de uitspraak van de woorden uit opdracht C. Zet een krulletje bij de woorden die je goed hebt uitgesproken.
7
Hören
Helena Familienname: Zengel Vorname:
Wohnort: Geburtstag: Alter: Familie: Beruf: Hobbys:
,
Helena Zengel is één van Duitslands jongste sterren. A Bekijk de Steckbrief over Helena Zengel. B Luister naar het ‘Interview mit Helena Zengel’ en vul de Steckbrief in het Nederlands verder in.
Q U I Z
Wat is het grootste jeugdtijdschrift van Duitsland?
A Bravo B Mädchen C Geolino
22
Lesen
8
Schritt 2 Deutsche Stars
Vokabeln A Lees het gesprek tussen Anna en Leon. Vul de ontbrekende Duitse woorden in. Gebruik de woordenlijst. Anna Hallo Leon! (1) Anna. Hast du Geschwister? Leon Hi Anna! Ja, ich habe eine (2) . Sie heißt Angelika. Und du? Anna
Ich habe einen kleinen (3) . Er heißt Max.
Leon Das ist schön! Ich habe am 3. Juni (4) . Und du? Anna Leider (5) im Sommer, sondern (maar) im Winter, im Dezember. Leon Ich muss gehen. Mein (6) Karl, der Bruder von meiner Mutter, kommt zu Besuch. Anna
Okay. Tschüs!
Leon
Tschüs!
B Vul de zinnen aan met woorden uit het kader. Vul de woorden in het Duits in. heten | Duitsland | daar | zus | zoon | tante | maar | niet
Meine Tante Adelheid 1 Meine Adelheid wohnt in Berlin. 2 Sie ist die von meinem Vater. Meine Tante ist reich und bekannt. 3 Viele Leute kennen Tante Adelheid, ihre (haar) Katzen sind noch berühmter! 4 Berlin ist die Hauptstadt von .
wohnen viele Stars. 6 Ich kenne die Stadt noch so gut. 7 Meine Tante hat einen . Er heißt Klaus-Dieter.
5
8 Tante Adelheid hat auch zwei Katzen. 9 Die Katzen Schnurrbert und Miezbert. 10 Meine Tante findet Tiere wichtig. C Noteer de Nederlandse vertaling van de vetgemaakte Duitse woorden in de tekst bij 8B. bekannt Leute
heißt wichtig
23
Lesen
9
Schritt 2 Deutsche Stars
Grammatik: Hoofdletters A Lees de regels voor hoofdletters op Seite 20 nog een keer. B Onderstreep in de zinnen de woorden die een hoofdletter krijgen.
1 stell dir (je) vor, du bist berühmt in den niederlanden. 2 am freitag machst du die tür auf. 3 viele kameras sind auf dich (jou) gerichtet. 4 alle fans rufen: “ja, endlich!“ 5 aber du willst nur (alleen maar) eine pizza holen!
10
Lesen www.alexanderzverevfoundation.com/
SEARCH
Alexander Zverev Hallo, ich heiße Alexander Zverev. Willkommen auf meiner Webseite! Ich bin ein bekannter Tennisspieler. Mein Geburtstag ist am 20. April. Meine Eltern kommen aus Russland, aber ich bin in Hamburg geboren. Ich 5 habe einen Bruder. Er heißt Mischa. Im Alter von vier Jahren hat der Arzt bei mir (mij)) Diabetes Typ 1 festgestellt. Ich muss Medikamente nehmen, um gesund zu bleiben. Mit der ‘Alexander Zverev Foundation‘ will ich etwas für kranke Kinder tun. Ich habe selbst ein Kind, eine Tochter. Das Mädchen heißt Mayla.
Alexander Zverev wil een voorbeeld zijn voor anderen. Check wat hij op zijn website schrijft! A Lees de tekst ‘Alexander Zverev’. Onderstreep woorden die je niet kent. B Heb je woorden onderstreept die ook in de woordenlijst staan? Controleer! Lees daarna de tip.
T I P P
Hoe meer woorden je kent, hoe beter Als je een Duitse tekst leest, hoef je niet elk woord te kennen om de tekst te begrijpen. Maar hoe meer Duitse woorden je kent, hoe makkelijker het is om een tekst te lezen en te begrijpen. Een goede reden dus om je Vokabeln te leren!
24
Lesen
Schritt 2 Deutsche Stars
C Kruis juist of onjuist aan. 1 2 3 4
11
Alexander Zverev is een bekende tennisser. Alexander heeft een broer met diabetes type 1. Alexander wil met zijn stichting zieke kinderen helpen. Alexanders dochter Mayla is ziek.
juist
onjuist
Spiel Wist je dat er veel beroemde Duitsers zijn? Kun jij raden wie wie is?
Zo wordt het spel gespeeld: • Maak groepjes van 4 leerlingen. • Eén leerling gebruikt de kaartjes uit zijn / haar boek op Seite XXX. • Knip de foto’s én de beschrijvingen uit. • Koppel de foto’s aan de juiste beschrijvingen. • Wacht op het startsein van de docent. • De groep die als eerste alle foto’s en beschrijvingen correct heeft gekoppeld, wint. • Bespreek met de klas wat deze beroemde Duitsers bijzonder maakt. Speel samen het spel Wer bin ich?
25
Lesen
Schritt 2 Deutsche Stars
Teste dich selbst! LEERDOEL ERK / Lesen – Kun je nu zeer korte, eenvoudige teksten zinsdeel voor zinsdeel begrijpen door vertrouwde namen, woorden en elementaire combinaties te herkennen en indien nodig te herlezen? (A1) Doe de test!
Mutter-Tochter-Duo
Leni Klum wurde am 4. Mai 2004 in New York geboren. Dort wohnt sie auch. Leni ist die Tochter von Heidi Klum und dem Formel-1-Manager Flavio Briatore. Heidi Klum ist ein berühmtes Model aus Deutschland. Als Kind besuchte Leni oft (vaak) ihre Großeltern in Deutschland. Sie spricht gut Deutsch. Leni hat eine Halbschwester, Lou, und drei Halbbrüder: 5 Henry, Johan und Nathan Falco. Leni macht nicht nur (alleen) Karriere als Model. Sie interessiert sich auch für die Natur. Sie hat ein Stück Land gekauft! Für jeden (elke) geschenkten Euro pflanzen Leni und ihre Mutter einen Baum. Der Wald heißt ´Klum-Wald´. Sie machen das, um der Natur zu helfen. Lees de tekst ‘Mutter-Tochter-Duo’. Beantwoord de vragen. 1 Waar woont Leni? 2 Hoe heet de beroemde moeder van Leni? 3 Noem een reden waarom Leni vloeiend Duits spreekt. 4 Hoeveel broers en zussen heeft Leni? 5 Welk beroep heeft Leni? 6 Wat doen Leni en haar moeder voor de natuur?
Kijk je antwoorden na. Vier of meer antwoorden goed? Je hebt de test goed gedaan! Minder dan vier antwoorden goed? Maak de herkansing in de online omgeving.
26
Hören
Schritt 3 Das ist meine Familie
Schritt 3 Das ist meine Familie LEERDOELEN
• ERK / Hören: Je kunt enkele uitdrukkingen begrijpen als mensen over zichzelf, hun familie, • Grammatik:
school, hobby’s of de omgeving praten, mits ze dat langzaam en duidelijk doen. (A1) Je kent de bepaalde lidwoorden.
In deze Schritt leer je over familieleden en hoe je over jouw familie en die van anderen kunt praten. Je leert nieuwe woorden die te maken hebben met familie, zoals Geschwister, Cousin en Großeltern. Ook oefen je het begrijpen van eenvoudige gesprekken over familie. Daarnaast leer je belangrijke grammatica, zoals lidwoorden. Is het der of die Vater? Na deze Schritt weet jij wat de ander bedoelt als hij over zijn familie in het Duits vertelt. Los geht’s!
1
Hören Lukas woont in Berlijn, hij vertelt over zichzelf en zijn gezin. Ook hoor je wat zijn hobby’s zijn en wat zijn lievelingsvak is op school. Lees de zinnen en luister daarna naar ‘Lukas’. Maak de opdracht. juist onjuist 1 2 3 4 5
2
Lukas is 12 jaar oud. Lukas heeft 1 zus en 1 broer. Lukas houdt van voetbal. Zijn moeder houdt van zwemmen. Zijn lievelingsvak is Duits.
Vokabeln: Wiederholung Schritt 2 A Zet de woorden in de juiste kolom. De betekenis van sommige woorden ken je al, zonder dat je ze geleerd hebt. Voorbeeld: Mutter is moeder en hoort dus bij Familie. Mutter | Lehrer | Fußball | Vater | schwimmen | Schüler | Bruder | Klasse | lesen | singen | Schwester | Buch Familie
Schule
Hobbys
Mutter
27
Hören
Schritt 3 Das ist meine Familie
B Vertaal de woorden naar het Nederlands.
2 Lehrer 3 Fußball 4 Vater 5 schwimmen 6 Schüler 1 Mutter
7 Bruder 8 Klasse 9 lesen 10 singen 11 Schwester 12 Buch
Grammatik: Bepaalde lidwoorden
3
LERNEN
Er zijn in het Nederlands twee bepaalde lidwoorden, de en het. In het Duits zijn dat er drie. De Nederlandse lidwoorden de en het kun je op drie manieren vertalen. Je vertaalt de en het met der, die en das. Je hebt al geleerd, dat je: • blauwe (mannelijke) woorden de en het vertaalt met der; • rode (vrouwelijke) woorden de en het vertaalt met die; • groene (onzijdige) woorden de en het vertaalt met das; • woorden in het meervoud de vertaalt met die.
A Lees de informatie in het kader. Zet de volgende woorden in de juiste kolom: mannelijk, vrouwelijk, onzijdig of meervoud. Als je het niet weet, probeer dan te bedenken of het om een mannelijk of vrouwelijk persoon of dier gaat, of dat je in het Nederlands ‘het’ kunt zeggen. Weet je het echt niet, kijk dan in de woordenlijst van de vorige Schritt.
Familie | Bruder | Kind | Haus | Eltern | Großmutter | Tochter | Mädchen | Junge | Onkel | Schwestern | Geschwister mannelijk
vrouwelijk
onzijdig
28
meervoud
Hören
Schritt 3 Das ist meine Familie
B Vul het juiste lidwoord (der, die, das) op de lege plekken in. Let op de kleuren!
4
1
Buch liegt auf dem Tisch (tafel).
2
Mann geht zur Arbeit.
3
Katze schläft auf dem Sofa (bank).
4
Hund spielt im Garten.
5
Schwimmbad ist neu.
6
Bild (schilderij) hängt an der Wand.
7
Blumen blühen im Frühling (lente).
8
Haus ist schön.
9
Frau kauft ein Kleid (jurk).
10
Kinder spielen im Park.
Vokabeln: Wiederholung Schritt 2 Yasmin heeft een Duitse moeder en een Turkse vader. Haar opa en oma wonen in Turkije. A Hoe noemt Yasmin haar familieleden? Noteer onder elke afbeelding het juiste Duitse woord mét het juiste lidwoord (der, die of das).
Ur
Han
Fat
Ali
der Opa
Meh
Der
Es
Ley
Cem
29
Ste
Ic
Hören
Schritt 3 Das ist meine Familie
B Vertaal de woorden in het Duits en zoek ze op in de woordzoeker. De woorden staan van voor naar achter, van achter naar voor en schuin. let op: ß = ss in de woordzoeker.
2 broer 3 gezin 4 grootouders 5 hobby 6 moeder 7 oma 8 oom 9 opa 10 oud 1 boek
Fussball
11 school 12 stad 13 tante 14 vader 15 verjaardag 16 vriend 17 voetbal 18 wonen 19 zoon 20 zus
R
E
T
A
V
S
U
S
A
N
G
O
N
K
E
L
C
O
P
H
R
R
H
L
N
E
N
H
O
W
O
D
E
E
C
L
W
N
U
I
S
B
E
T
T
I
U
A
H
L
S
R
B
F
S
T
D
L
B
B
E
E
E
Y
R
E
I
A
A
I
L
S
S
T
T
E
W
S
M
N
T
M
T
S
T
L
U
H
O
D
E
T
S
A
U
U
A
N
C
B
R
U
D
E
R
F
M
F
D
S
N
G
E
B
U
R
T
S
T
A
G
C De overgebleven letters vormen een vraag. Schrijf de vraag op en geef antwoord. ? Het antwoord op deze vraag is :
30
Hören
5
Schritt 3 Das ist meine Familie
Hören Julian vertelt zijn beste vriend Omar over zijn familie in Nederland.
Lees de vragen en de tip. Luister dan naar het gesprek ‘Opa und Oma zu Besuch’. Omcirkel het juiste antwoord.
T I P P
1 2 3 4 5 6 7 8
Lies zuerst die Aufgabe Lees eerst de opdracht, voordat je naar het fragment gaat luisteren. Zo weet je waarop je tijdens het fragment moet letten.
Waar wonen de opa en oma van Julian? Hoe heten de grootouders van Julian? Wat doet de opa van Julian graag? Wat doet de oma van Julian graag? Hoe heten de oom en tante van Julian? Waar wonen de oom en tante van Julian? Hoe heten de neven van Julian? Hoe oud zijn de neven van Julian?
Rotterdam / Amsterdam Ellen en Johan / Jan en Marie In de tuin werken / wandelen Lezen / tv-kijken Alice en Jan / Ellen en Frans Rotterdam / Amsterdam Julian en Leon / Thomas en Leon 14 en 11 / 15 en 12
Hey du! Wist je dat in Duitsland familieleden met du aangesproken worden? Ook opa’s en oma’s spreek je met du aan. Je kunt dus tegen je oma in Duitsland zeggen: “Hallo Oma, wie geht es dir? Hast du einen schönen Tag gehabt?”
31
Hören
6
Schritt 3 Das ist meine Familie
Lesen Yusef aus Berlin
Hallo, ich heiße Yusef. Ich bin 12 Jahre alt und wohne in Berlin. Mein Vater ist 46 Jahre alt und kommt aus der Türkei. Meine Mutter ist 42 Jahre alt und kommt aus Berlin. Ich habe zwei Schwestern, sie sind 9 Jahre alt. Mein Bruder ist 14 Jahre alt. Meine Großeltern wohnen in der Türkei, in der Stadt Antalya. Antalya ist bekannt für seine schönen Strände, es liegt an einem Meer. In den Sommerferien fliegen wir oft dorthin. Ich freue mich schon darauf, wieder schwimmen zu gehen und das leckere türkische Essen zu genießen. Meine anderen Großeltern wohnen auch in Berlin. Berlin ist die Hauptstadt von Deutschland und hat viele Sehenswürdigkeiten wie das Brandenburger Tor und den Fernsehturm. Ich liebe es, durch die Stadt zu spazieren und ins Kino (bioscoop) zu gehen. Ich finde es super, Großeltern in der Türkei und Deutschland zu haben. Yusef vertelt over zijn grootouders in Turkije en in Berlijn. A Lees de tekst. Wat betekenen de vetgedrukte woorden? 1 2 3 4
Strände water / stranden Meer meer / zee Sehenswürdigkeiten waardevolle spullen / bezienswaardigheden spazieren plezier maken / wandelen
B Lees de tekst nog een keer. Zijn de volgende beweringen juist of onjuist? 1 2 3 4 5
Yusefs vader komt uit Berlijn. Yusefs zussen zijn 14 jaar oud. De opa en oma in Turkije wonen in een stad aan de zee. Yusef bezoekt zijn Turkse opa en oma vaak in de kerstvakantie. In Berlijn bezoekt Yusef graag een bioscoop.
Kaffee und Kuchen Wist je dat in Duitsland op zondag Kaffee und Kuchen een typisch Duitse gewoonte is? Kaffee und Kuchen is een gezellige familietraditie waarbij iedereen samenkomt om koffie of iets anders te drinken en verschillende soorten taart en gebak te eten. Vaak bakt iemand een zelfgemaakte Kuchen (zoals Apfelkuchen of Schwarzwälder). En neem gerust meer dan één stuk Kuchen! 32
juist / onjuist juist / onjuist juist / onjuist juist / onjuist juist / onjuist
Hören
7
Schritt 3 Das ist meine Familie
Hören
Familienlied Mein kleiner Bruder Leo Mein alter Onkel Theo Er wohnt mit Tante Gabi Weit weg in Abu Dhabi Meine große Schwester Trude Wohnt jetzt in Buxtehude Mit ihrem Partner Kai, Geboren in Shanghai
Xavis Eltern sind auch nett ja, sie singen ein Duett, ihre Kinder (zwölf und zehn) wollen gleich ins Studio geh‘n
Refrain: Vater, Mutter, Tochter, Sohn brauchen jetzt ein Mikrofon Oma, Opa singen mit In diesem Familienlied
Refrain
A Luister naar het Familienlied en lees mee. B Kleur in de tekst ten minste acht woorden die over familie of gezin gaan.
Teste dich selbst! LEERDOEL ERK / Hören – Kun je nu enkele uitdrukkingen begrijpen als mensen over zichzelf, hun familie, school, hobby’s of de omgeving praten, mits ze dat langzaam en duidelijk doen? (A1) Doe de test! Esra, Ben en Mia ontmoeten elkaar op een camping. Ze stellen zich aan elkaar voor. Luister naar ‘Esra, Ben und Mia’. Vul de tabel verder in het Nederlands in. leeftijd Esra Ben
13
woonplaats
hobby
Berlin
broers/zussen
zwemmen
Mia
Kijk je antwoorden na. Zes of meer antwoorden goed? Je hebt de test goed gedaan! Minder dan zes antwoorden goed? Maak de herkansing in de online omgeving.
33
Gespräche führen
Schritt 4 Schön, dich kennenzulernen!
Schritt 4 Schön, dich kennenzulernen! LEERDOELEN
• ERK / Gespräche führen: • Vokabeln: • Grammatik: • Redemittel: • Aussprache:
Je kunt jezelf voorstellen en elementaire uitdrukkingen ter begroeting en ten afscheid gebruiken. (A1) Woorden, die met begroeten, jezelf voorstellen en afscheid nemen te maken hebben. Wiederholung bepaalde lidwoorden. Vragen en antwoorden, die met kennismaken te maken hebben. De klanken ä, ö, ü.
Een goed begin is het halve werk. Om een goede eerste indruk te maken, leer je in deze Schritt hoe je Duitsers, Oostenrijkers en Zwitsers in hun moedertaal begroet en hoe je op de juiste manier afscheid neemt. Met standaardvragen en -zinnen kun je ook al gauw een kort gesprek voeren, bijvoorbeeld om kennis te maken met nieuwe vrienden. Ook leer je hoe je de ä, ö en ü uitspreekt.
1
Gespräche führen Schön, dich kennenzulernen! Mila
Hey! Ich bin Mila!
Finn
Hallo, Mila. Ich heiße Finn.
Mila
Du bist neu hier, oder?
Finn
Stimmt. Ich komme aus Eindhoven.
Mila
Du bist Niederländer? Cool! Bist du PSV-Fan?
Finn
Nein, ich bin Bayern-Fan. Und du?
Mila
Ich auch!
Finn
Oh, super!
Mila
Ich muss jetzt gehen! Die Pause ist vorbei.
Finn
Bis morgen!
Mila
Tschüs!
Op de eerste schooldag na de vakantie komt Mila een nieuwe jongen tegen op het schoolplein. A Luister naar de tekst en lees mee. Beantwoord de vragen in het Nederlands. 1 Wie is nieuw op school? A Finn B Mila 2 Waar komt Finn vandaan? 3 Welke voetbalclub vindt Finn leuk? 4 En Mila?
34
Gespräche führen
Schritt 4 Schön, dich kennenzulernen!
B Voer het gesprek tussen Mila en Finn in tweetallen. C Voer het volgende gesprek met een klasgenoot in het Duits. Gebruik daarbij woorden en zinnen uit het gesprek tussen Mila en Finn. Wissel daarna van rol.
2
Leerling A (Simon)
Leerling B (Leila)
Hoi, ik heet Simon. En jij?
Ik ben Leila. Hoi!
Ben je nieuw hier?
Ja, ik kom uit Hamburg. En jij?
Ik kom uit Deventer.
Schön, dich kennenzulernen, aber ik moet nu gaan.
Ik ook. De pauze is afgelopen.
Tot morgen!
Tot morgen!
Doei!
Vokabeln
Ben je fan van ...? Duits Duitsland de vriend de vriendin met vrienden afspreken voetballen de gitaar hockeyen in Oostenrijk in Zwitserland jaar (oud)
Bist du ...-Fan? deutsch Deutschland der Freund die Freundin Freunde treffen Fußball spielen die Gitarre Hockey spielen in Österreich in der Schweiz Jahre (alt)
kommen, ich komme der Name Sport machen sprechen, ich spreche und wie alt? wohnen, ich wohne Guten Morgen! Guten Tag! Auf Wiedersehen! Bis morgen! Tschüs!
neu nieuw Stimmt! Klopt! Woher kommst du? Waar kom je vandaan?
A Luister naar de uitspraak van de woorden uit de woordenlijst. Lees mee en spreek na. B Lees de volgende zinnen. Kruis telkens aan of het om een begroeting of afscheid gaat. Begroeting 1
Hallo, wie geht’s?
2
Gute Nacht. Schlaf gut!
3
Guten Morgen. Kommst du mit uns mit?
4 Tschüs! Bis morgen! 5
Ich muss jetzt gehen. Auf Wiedersehen!
35
Afscheid
LERNEN
Computerspiele spielen gamen jetzt nu Na klar! Zeker (weten)!
komen, ik kom de naam sporten spreken, ik spreek en hoe oud? wonen, ik woon Goedemorgen! Goedendag! Tot ziens! Tot morgen! Doei!
Gespräche führen
Schritt 4 Schön, dich kennenzulernen!
C Welke groet, die je in het Nederlands vaak gebruikt, ontbreekt in de woordenlijst en in deze opdracht? Zet de letters in de juiste volgorde: D D I G M E E O A D G = G __ __ __ __ __ __ __ __ __ G! Let op: Deze groet bestaat niet in het Duits! Er wordt dan ‘Guten Tag’ gezegd.
D Vertaal naar het Nederlands. 1 Schlaf gut! 2 Tschüs! 3 Bis morgen! 4 Ich muss jetzt gehen. 5 Auf Wiedersehen!
E Vind de juiste combinaties. Vul de letter van het juiste woord bij het nummer in. 1 Auf
A kommen
2 aus Deutschland
B machen
3 Freunde
C Tag!
4 Guten
D treffen
5 in Köln
E Wiedersehen!
6 Sport
F wohnen
F Vertaal de woorden tussen haakjes en vul in. (1) (Goedemorgen), (2) Wie geht’s? (hoe gaat het)? Mein (3) (naam)
ist Alex und ich bin vierzehn (4) (jaar oud). Ich bin
(5) (nieuw) hier. Ich komme (6) (uit)
der Ukraine. Ich spreche ein bisschen (7) (Duits), das habe ich in der
Schule gelernt. Meine Hobbys sind (8) (gamen) und (9) (gitaar) spielen. Ich möchte gerne viele neue (10) (vrienden) kennenlernen und zusammen
(11) (sporten). Bis morgen! (12)
(Doei)
Alex
36
Gespräche führen
3
Schritt 4 Schön, dich kennenzulernen!
Redemittel Je vraagt / zegt
Je zegt
1
Hallo! Ich bin Ben. Und wie heißt du? Hallo, ik ben Ben. En hoe heet jij?
Ich heiße Nina. / Mein Name ist Nina. Ik heet Nina. / Mijn naam is Nina.
2
Ich bin zwölf. Wie alt bist du? Ik ben twaalf. Hoe oud ben jij?
Ich bin dreizehn Jahre alt. Ik ben dertien jaar oud.
3 steIch aus Hamburg. Und du? De Redemittel zijn edkomme s in Ik kom de vorm van een gesp rek uit Hamburg. En jij? opgezet. Dit biedt houvas t. De zinnen sluiten4 aanWo du? bij wohnst het ERK-leerdoel en zijn pra Waar woon je? ktisch en communicatief van aa 5 Was rd. machst du gerne? Wat vind je leuk om te doen? 6
Ich komme aus Groningen. Das ist in den Niederlanden. Ik kom uit Groningen. Dat is in Nederland. Ich wohne in Wien. Das ist in Österreich. Ik woon in Wenen. Dat is in Oostenrijk. Volleyball spielen und Freunde treffen. Volleyballen en met vrienden afspreken.
Ich muss jetzt gehen. Auf Wiedersehen! Ik moet nu gaan. Tot ziens!
Tschüs. Bis morgen! Doei! Tot morgen!
A Luister naar de zinnen en lees mee. B Voer het volgende gesprek in het Duits. Lees om de beurt een zin. Bij spreekopdrachten kun je de Redemittel en de woordenlijst gebruiken.
1 2 3 4 5 6 7
Hoi! Ik heet Mila. En jij? Mijn naam is Lars. Hoe oud ben jij? Ik ben 13 jaar oud. Waar woon jij? Ik kom uit Oostenrijk. Ik woon nu in Duitsland. Tot ziens!
C Lees de tip en voer hem uit.
T I P P
Wat ga je met de Redemittel doen? 1 Luister eerst nog een paar keer naar de zinnen. 2 Daarna oefen je met de uitspraak. Bedek de eerste Duitse vraag en het antwoord. Zeg de vertaling van de Nederlandse zinnen hardop. 3 Heb je het goed? Ga naar de tweede Duitse vraag en het antwoord. 4 Heb je het niet goed? Oefen de zin tot het goed gaat.
37
Gespräche führen
Q U I Z
Schritt 4 Schön, dich kennenzulernen!
In welk(e) land(en), gebruik je deze groet? Kruis aan. in Deutschland in Österreich in der Schweiz Guten Tag Grüß Gott Servus Grüezi
4
Aussprache: ä, ö, ü Je hebt eerder geleerd, dat er op de klinkers van het woord ‘Auto’ – dus op de a, de o, de u – een Umlaut kan staan. Hoe spreek je deze klinkers dan uit? De Umlaut zorgt ervoor dat de klinker een andere klank krijgt. De ä spreek je uit als ‘e’, bijvoorbeeld Käse. De ö spreek je uit als ‘eu’, bijvoorbeeld ‘schön’. De ü spreek je uit als het Nederlandse ‘uu’, bijvoorbeeld ‘für’. Vergeet nooit de Umlaut goed uit te spreken, want door de puntjes kan soms zelfs de betekenis van een woord compleet veranderen: ‘schon’ = al, ‘schön’ = mooi. A Lees de informatie in het kader. Luister dan naar de woorden en spreek na. 1 backen – der Bäcker 2 der Wolf – die Wölfe 3 der Kuss – die Küsse
das Glas – die Gläser schon – schön der Zug – die Züge
B Luister naar de uitspraak van de volgende aardrijkskundige begrippen en plaats een Umlaut, waar nodig. Let op: Eén woord blijft zonder Umlaut, bij de andere namen moet je steeds één Umlaut op de juiste plek zetten.
Koln – Dusseldorf – Munchen Kitzbuhel – Karnten – Hochkonig Monchengladbach – Nurnberg – Zurich Lubeck – Millstatter See – Zugspitze
Die Bundesliga In Duitsland noemen ze de ’Eredivisie’ Bundesliga. Bekende Duitse clubs zijn onder andere FC Bayern München, Borussia Dortmund, Werder Bremen, RB Leipzig en Eintracht Frankfurt.
38
Gespräche führen
Schritt 4 Schön, dich kennenzulernen!
C Voer het volgende gesprek. Let goed op de uitspraak van de klinkers. Bij Engelse woorden zoals het woord ‘Fan’ gebruik je de Engelse uitspraak.
Voorbeeld: Leerling A zegt: Leerling B antwoordt:
5
“Ich liebe Broccoli.” “Ich nicht. Ich liebe Döner.”
Leerling A
Leerling B
1 Ich komme aus Düsseldorf.
– Ich nicht. Ich … (Hamburg)
2 Ich höre gerne Hiphop.
– Ich nicht. Ich … (Rammstein)
3 Ich wohne in Berlin.
– Ich nicht. Ich … (Köln)
Leerling B
Leerling A
4 Ich bin Bayern-München Fan.
– Ich nicht. Ich bin … (Eisbären-Berlin Fan)
5 Ich mache gerne Musik.
– Ich nicht. Ich … (Sport).
6 Ich spiele Handball.
– Ich nicht. Ich mache (Geräteturnen).
Gespräche führen Met de Redemittel kun je nu al eenvoudige kennismakingsgesprekken voeren in het Duits. A Werk in tweetallen. Voer een kort gesprek met de volgende steekwoorden. Wissel daarna van rol. Leerling A vraagt / zegt
Leerling B zegt / antwoordt
Hoi, hoe heet jij?
Hoi, mijn naam is …
Hoe oud ben je?
…
Waar woon jij?
In …
Wat vind je leuk om te doen?
… En jij?
…
Schön dich kennenzulernen. Doei!
Doei! B Werk in viertallen. Kies of je Hanna, Noah, Theo of Jamilla bent. Voer een kort kennismakingsgesprek met elkaar, gebruik hierbij de vragen van de Redemittel en de volgende informatie. Begin met een groet en eindig door van elkaar afscheid te nemen.
Hanna 12 jaar Hamburg, Duitsland met vrienden afspreken
Theo
Noah
13 jaar Wien, Oostenrijk ien fan van Rapid W
13 jaar Zürich, Zwit serland volleybal
39
Jamilla 12 jaar Hengelo, Neder land gitaar
Gespräche führen
6
Schritt 4 Schön, dich kennenzulernen!
Hören Samira staat in de rij te wachten voor een concert. Omdat het nog lang gaat duren, voordat ze naar binnen mag, begint ze een gesprek met het meisje dat achter haar staat. Luister naar ‘Samira und Tanja’. Kruis aan wat je hoort.
7
1
A Wer bist du? B Wo bist du?
4
A Mein Hobby ist Reisen. B Mein Hobby ist Reiten.
2
A Ich freue mich, Sie kennenzulernen. B Schön, dich kennenzulernen.
5
A Ich schaue gerne Fußball. B Ich spiele gerne Fußball.
3
A Meine Eltern kommen aus Deutschland. B Sie kommen aus der Türkei.
6
A Ich bin auch Dortmund-Fan. B Ich bin kein Dortmund-Fan.
Vokabeln A Omcirkel het woord dat in de zin past. 1 2 3 4 5 6
Hast du Eltern / Geschwister? – Ja, ich habe einen Bruder. Ich möchte gerne neue Freunde kennenlernen / machen. Mein Bruder heißt / liebt holländische Musik. Was gehst / machst du gerne am Wochenende? Ich wohne jetzt / schon oft in Leiden. Wir kommen / sprechen Holländisch.
B Beantwoord de volgende vragen in het Duits. 1 Wat zeg je als je gaat ontbijten?
2 Wat zeg je als je op de gang je leraar tegenkomt om half drie?
3 Wat vraag je als je je vriend op het schoolplein tegenkomt en wilt weten hoe het met hem gaat?
4 Wat zeg je als je naar bed gaat en afscheid neemt van je ouders?
5 Wat zeg je tegen je leraar als de les afgelopen is en je langs hem / haar loopt?
6 Wat zeg je als je ’s avonds een restaurant binnenloopt?
7 Wat zeg je als je afscheid neemt van een vriendin die je de volgende dag weer ziet?
40
Gespräche führen
8
Schritt 4 Schön, dich kennenzulernen!
Spiel Speel ‘Wörterbingo’ met je klas. Voor deze opdracht maak je gebruik van de lijst met Vokabeln van deze Schritt. • Kijk naar de woordenlijst. Schrijf in elk vakje een Duits woord uit de woordenlijst. • Je docent leest nu Nederlandse woorden uit de woordenlijst voor. • Heb je op jouw bingokaart de Duitse vertaling van het voorgelezen woord staan, streep je deze door. • De eerste leerling die een rij van links naar rechts of van boven naar beneden vol heeft, roept “Bingo” en wint het spel.
9
Grammatik: Wiederholung bepaalde lidwoorden Kijk naar de kleur van het woord en omcirkel het juiste bepaalde lidwoord. 1 2 3 4 5 6
10
der / die / das Spiel der / die / das Freundin der / die / das Pause der / die / das Wohnort der / die / das Jahr der / die / das Dresdner Eislöwen Fanclub
Gespräche führen Werk in tweetallen. In het volgende gesprek ontbreekt een aantal woorden. Lees om de beurt een regel en vul tijdens het gesprek de ontbrekende woorden aan. 1 2 3 4 5 6
Hallo. Mein ... ist Jakob Meier. Wie ... bist du? Ich bin zwölf ... alt und ich komme ... Hengelo. Das ... in ... . Jetzt ... ich in Berlin. Das ist in ... . Und du? ... wohne in Frankfurt. Was machst du ...? Ich ... gerne Volleyball und ich treffe gerne ... . Ich muss jetzt gehen. Auf ... !
41
Gespräche führen
11
Schritt 4 Schön, dich kennenzulernen!
Rätsel: Wer oder was bin ich? Luister naar de aanwijzingen en kom erachter wie of wat de ik-figuur is.
• Luister naar de aanwijzingen. Na elke aanwijzing volgt een pauze. • Als je denkt, dat je de oplossing weet, steek je je hand op. • Heb je gelijk, dan heb je gewonnen. Zo niet, dan raadt de rest van de klas verder.
Teste dich selbst! LEERDOEL ERK / Gespräche führen – Kun je je nu voorstellen en elementaire uitdrukkingen ter begroeting en ten afscheid gebruiken? Doe de test. Werk in tweetallen. Voer het gesprek. Wissel daarna van rol. Leerling A vraagt / zegt
Leerling B zegt / antwoordt
Groet en noem je naam.
Groet terug en noem je naam.
Vraag hoe oud hij / zij is.
…
Vraag waar hij / zij woont.
Vertel waar je vandaan komt en waar je nu woont.
Vraag wat hij / zij leuk vindt om te doen.
Vertel dat je graag met vrienden afspreekt.
Vertel dat jij graag sport.
Zeg dat je nu moet gaan.
Zeg tot morgen!
Neem afscheid: doei!
Kruis aan hoe het gesprek ging.
Sehr gut! (3 Punkte)
Gut! (2 Punkte)
Nicht so gut! (1 Punkt)
Twee punten of meer? Je hebt de test goed gedaan! Minder dan twee punten? Oefen dan nog een keer met de Vokabeln en de Redemittel en maak de herkansing online.
42
Schreiben
Schritt 5 Der Ball liegt bei dir
Schritt 5 Der Ball liegt bei dir LEERDOELEN
• ERK / Schreiben Je kunt getallen en data, de eigen naam, nationaliteit, adres, leeftijd, • Vokabeln: • Grammatik: • Aussprache:
geboorte- of aankomstdatum en dergelijke invullen. (A1) Wiederholung Schritt 2 und 4 Wiederholung hoofdletters und bepaalde lidwoorden Wiederholung
In deze Schritt ben je met sport bezig! Je gaat je aanmelden voor een sportkamp ergens in Duitsland. Daarom ga je oefenen met schrijven. Als voorbereiding op de eerste toets over Schritt 1 tot en met 5 herhaal je de woorden, de grammatica en de uitspraakregels van de vorige Schritte.
1
Schreiben ANMELDEFORMULAR für Sommerferienlager Sport+, Todtmoos im Schwarzwald Name und Alter
Andrea Sommer, 14
Adresse, PLZ und Wohnort
Schulstraße 2, 60314 Frankfurt am Main
Für welchen Sport interessierst du dich?
Bergwandern Fahrradfahren Gruppensport
Reiten Tanzen Tennis
In welcher Woche?
7. – 14. Juli 14. – 21. Juli
21. – 28. Juli 28. Juli – 4. August
Bist du im Moment in einem Sportverein?
Nein / Ja, nämlich in einem
Fußballverein.
E-Mail-Adresse
andreasommer@web.de
Zahlst du die Kosten für diese Woche (€ 595) bar bei Ankunft oder über ein Bankkonto?
bar bei Ankunft über Bankkonto, Nummer:
Je ziet hier een ingevuld aanmeldformulier van Andrea Sommer voor een zomersportkamp (een Sommerferienlager) in het Zwarte Woud (Schwarzwald) in Duitsland. 43
Schreiben
Schritt 5 Der Ball liegt bei dir
A Lees het formulier. Kruis aan of de volgende zinnen ‘wel’ of ‘niet’ overeenkomen met de informatie in het formulier. wel niet 1 2 3 4 5 6 7
Andrea heeft ook ingevuld hoe oud ze is. Met ‘PLZ’ wordt naar de postcode gevraagd. Andrea meldt zich aan voor dansen en teamsporten. Andrea meldt zich aan voor de eerste week van het zomerkamp. Andrea is lid van een voetbalclub. Andrea gebruikt het mailadres van haar broer. Andrea gaat de deelnamekosten contant bij aankomst betalen.
B Je hebt op internet een website gevonden van een Duits sporttijdschrift, dat je zes maanden gratis kunt ontvangen. Je bent natuurlijk erg geïnteresseerd. Vul jouw gegevens in. Spiek eventueel ook in het aanmeldformulier van Andrea Sommer.
ANMELDEFORMULAR für gratis Halbjahresabonnement Sport-Bild Name Adresse, PLZ und Wohnort Alter Für welchen Sport interessierst du dich?
Fußball Handball
Bist du im Moment in einem Sportverein?
Nein / Ja, mein Verein heißt
E-Mail-Adresse
Dirk Nowitzki Wist je dat de basketballer Dirk Nowitzki de grootste Duitse sporter in de geschiedenis is? Hij is namelijk 2 meter 13 lang. Hij heeft 21 jaar (1998 – 2019) in de Verenigde Staten in de competitie gespeeld. Als je zo lang in de Verenigde Staten hebt gebasketbald, moet je echt heel goed zijn!
44
Basketball Motorsport
Schreiben
2
Schritt 5 Der Ball liegt bei dir
Wiederholung: Aussprache Als iemand woorden in het Nederlands niet goed uitspreekt, begrijp je hem / haar misschien niet zo goed. Ook in het Duits is een goede uitspraak dus heel belangrijk! Luister naar de volgende zinnen en spreek ze zo precies mogelijk na. 1 2 3 4 5 6 7 8
3
Hallo, mein Name ist Anna. Ich bin zwölf Jahre alt. Ich wohne in Österreich, in Wien. Ich bin im Sommer in einem Sportlager (sportkamp). Das Sportlager ist in der Nähe von München. Ich spiele da Handball im Sand. Ich hoffe (hoop), das Wetter (het weer) ist dort sehr gut. Im Tor (In het doel) halte ich bestimmt (zeker) viele Bälle.
Lesen Sommercamp an der Ostsee
Möchtest du Spaß (plezier) haben und neue Freunde treffen? Dann komm zu unserem Sportsommercamp an der Ostsee! Das Camp ist für Jugendliche von 13 bis 15 Jahren. Es ist wichtig, Sport zu machen, sich zu bewegen. Bei uns kannst du zum Beispiel Fußball oder Hockey spielen. Wir bieten viele Aktivitäten an, aber Fußball ist besonders beliebt. Viele 5 Aktivitäten sind am Strand! Dort kannst du auch Volleyball spielen, surfen und im Meer schwimmen. Leider haben wir nur wenige Plätze, also melde dich schnell an! Du wirst viele neue Freunde kennenlernen und tolle Erfahrungen sammeln. Abends machen wir zusammen ein Lagerfeuer. Willst du einen unvergesslichen Sommer am Meer (zee) erleben? Dann komm zu uns und 10 melde dich an. Der Ball liegt bei dir, tschüs! Op zoek naar een leuke actieve vakantie met andere jongeren kom je deze tekst op een Duitse website tegen. Lees de tekst en kruis de juiste antwoorden aan. 1 Wat is er volgens de tekst belangrijk? A Dat je aan sport doet. B Dat je nieuwe vrienden ontmoet. C Dat je plezier hebt. 45
Schreiben
Schritt 5 Der Ball liegt bei dir
2 Welke bewering is juist? In dit zomerkamp … A is het logisch dat je vooral voetbalt en hockeyt. B kan je voetballen, hockeyen of aan andere sporten doen. C moet je kiezen tussen voetballen en hockeyen. 3 Welke zin past het beste bij de foto bij de tekst? A Abends machen wir zusammen ein Lagerfeuer. (regel 8) B Dort kannst du auch Volleyball spielen, surfen und im Meer schwimmen. (regel 5-6) C Wir bieten viele Aktivitäten an, aber Fußball ist besonders beliebt. (regel 4) 4 Wat wordt er bedoeld met ‘einen unvergesslichen Sommer’ (regel 9)? A Een heel vermoeiende zomer. B Een zomer die je je altijd blijft herinneren. C Een zomer met veel lekker eten, mooi weer en luieren aan het strand.
4
Schreiben De tekst over het ‘Sommercamp an der Ostsee’ in de vorige opgave spreekt je erg aan en dus wil je je aanmelden. Vul het aanmeldformulier met je eigen gegevens in.
ANMELDEFORMULAR für Sommercamp an der Ostsee Vorname Familienname Adresse PLZ und Wohnort Alter Für welchen Sport interessierst du dich?
Fußball Hockey Volleyball Surfen
Schwimmen Reiten Leichtathletik Tennis
In welcher Woche?
10. – 17. Juli 17. – 24. Juli
24.- 31. Juli 31. Juli – 7. August
E-Mail-Adresse
46
Schreiben
5
Schritt 5 Der Ball liegt bei dir
Grammatik: Wiederholung bepaald lidwoord Vul der, die of das in de zin in. 1 Das ist
Familie von Natalja.
2
Vater von Natalja heißt Boris.
3
Mutter heißt Maja.
4 Alina ist 5 Und Klemens ist 6
Schwester von Natalja. Bruder. beiden Schwestern sind gute
Freundinnen.
6
7
Eltern sind schon zwanzig Jahre verheiratet.
8
Haus (o) von Nataljas Familie ist sehr groß.
Hören Adam en Elias zijn twee neven. Op een familiefeestje praten ze – zoals altijd – met elkaar over sport. Luister naar ‘Bossaball’. Kruis in de pauze na elk fragment aan of de bewering juist of onjuist is. voor de In de laatste Schritt mmatieve su Zwischenstufe (het dt er extra smoment)1:wor toetFragment Adam kent bossaball nog niet, Elias wel. steed aan aandacht2:beBossaball veelFragment is een combinatie van twee sporten. g van Vokabeln en in al rh de he Fragment 3: Elias heeft al vaak een bossaballwedstrijd gezien. mittel. 4: Elias zou zelf ook wel eens een keer willen bossaballen. Rede Fragment Fragment 5: Volgens Elias hoef je niet snel en atletisch te zijn. Fragment 6: Bossaball wordt al in Duitsland en Zwitserland gespeeld. Fragment 7: Elias vindt een familiewedstrijd met opa en oma een goed idee.
7
Vokabeln: Wiederholung Schritt 2 und 4 Omcirkel het woord dat het beste in de zin past. 1 2 3 4 5 6 7 8
Ich habe morgen Geburtstag / Großeltern, ich werde vierzehn. Emma ist ein Junge / ein Mädchen. Sie ist der Sohn / die Tochter van Frau Müller. Hast du Eltern / Geschwister? Ja, ich habe eine Schwester. Wie alt / Woher bist du? Ich bin dreizehn. Gabriela wohnt in Berlin, in Deutschland / in der Schweiz. Machst du Sport? Nein, ich spiele Gitarre / Fußball. Meine Freunde / Diese Leute kenne ich nicht.
47
juist
onjuist
Schreiben
8
Schritt 5 Der Ball liegt bei dir
Schreiben Je ouders werken allebei voor Volkswagen. Daarom zijn jullie naar Wolfsburg verhuisd, waar de Volkswagens gebouwd worden. Omdat je in Nederland ook al lid was van een voetbalclub, meld je je nu aan bij VfL Wolfsburg voor een jeugdteam. Vul het aanmeldingsformulier in. Gebruik je eigen gegevens, maar let op: je adres in Wolfsburg is Vivaldistraße 1, postcode 38444.
ANMELDEFORMULAR neue Mitglieder Jugendmannschaften VfL Wolfsburg Familienname, Vorname Adresse PLZ und Wohnort Alter Hast du schon in einem anderen Fußballverein gespielt?
ja nein
E-Mail-Adresse oder Telefonnummer
9
Rätsel Welcher Sport wird gemeint? Man macht diesen Sport in einer Halle. In der Halle hängt ein Netz. Auf beiden Seiten des Netzes steht ein Team. So ein Team besteht aus sechs Spielerinnen oder Spielern. Es ist ein Ballsport. Man kann diesen Sport auch auf dem Campingplatz oder am Strand machen. Welke sport wordt in de Duitse tekst bedoeld? Kruis de letter bij de juiste foto aan.
A
B
48
C
Schreiben
10
Schritt 5 Der Ball liegt bei dir
Grammatik: Wiederholung Hoofdletters Onderstreep in de volgende zinnen de letters die hoofdletters moeten zijn. Neem de zinnen daarna over en zet op de juiste plaatsen hoofdletters. 1 guten morgen! wie heißt du? ich heiße anna.
2 guten tag! wie geht‘s dir? danke, es geht mir sehr gut.
3 auf wiedersehen! bis morgen, ich gehe jetzt schlafen.
4 ich treffe heute meine freunde, wir wollen fußball spielen.
5 meine großeltern kommen aus österreich, aber wir wohnen in der schweiz.
6 mein name ist paul, ich habe zwei brüder und eine schwester.
11
Vokabeln: Wiederholung Schritt 2 und 4 Vul de ontbrekende woorden in het Duits in. Let op: Er blijft één woord over. ben ik jarig | broer | broers en zussen | Doei | de gitaar | maar | het meisje | oom | spreken | voetballen | met vrienden afspreken | ik woon | in Zwitserland 1 Ich wohne in den Alpen, ich wohne
. 2 Du kannst echt gut Deutsch . 3 Morgen , dann werde ich 14. 4 Wenn die Schule aus ist, will ich immer (altijd) . 5 Rosa sagt: “ .” Ilse: “Bis morgen.” 6 Herr Kosem ist der Bruder von Yasmins Vater, Herr Kosem ist Yasmins . 7 Ich liebe viele Sportarten, Boxen finde ich nicht interessant. 8 Omars heißt Ali. 9 , das da steht, ist meine Schwester. 10 Am Freitagabend will ich immer und in die Stadt gehen.
11 Meine heißen Hugo, Carlos, Carmen und Elena.
12 Wo wohnst du?
in Hamburg.
49
Schreiben
Schritt 5 Der Ball liegt bei dir
Teste dich selbst! LEERDOEL ERK / Schreiben – Kun je nu getallen en data, de eigen naam, nationaliteit, adres, leeftijd, geboorte- of aankomstdatum en dergelijke invullen? (A1) Doe de test! Je hebt op internet leuke informatie gelezen over een zomerkamp met veel paardrijlessen voor beginners en gevorderden, voor alle leeftijden tussen 4 en 16. Het is dichtbij de Oostenrijkse grens, het plaatsje Füssen, dichtbij de bergen! Na overleg met je ouders heb je besloten om je aan te melden. Vul het aanmeldformulier met je eigen gegevens in.
ANMELDEFORMULAR für Reitcamp bei Füssen Vorname Familienname Adresse PLZ und Wohnort Alter Wieviel Erfahrung hast du mit dem Reitsport?
keine Erfahrung weniger als ein Jahr
ein bis drei Jahre mehr als drei Jahre
In welcher Periode?
30. Juni – 14. Juli 14. – 28. Juli
28. Juli - 11. August
E-Mail-Adresse Haben deine Eltern eine Reiseversicherung für dich?
ja nein
De docent beoordeelt of je het goed hebt gedaan of dat je nog een herkansing nodig hebt. Die herkansing staat altijd in de online omgeving.
Sportvereine in Deutschland Wist je dat er in Duitsland ongeveer 85.000 sportclubs zijn met zo’n 23 miljoen leden? En dat mensen die niet aan sport doen ‘Sportmuffel’ worden genoemd? Zij zeggen: “Sport ist Mord!” 50
Zwischenstufe Schritt 1-5
D-Prüfung
Zwischenstufe Schritt 1-5 Deze Zwischenstufe bestaat uit drie delen: 1 D-PRÜFUNG: Als je deze toets hebt gemaakt, kun je zien wat je al goed kunt en wat je nog moet oefenen. nnen ku fe tu In de Ziwschens 2 SPRACHFEST: Je gaat aan de slag met Duitse aankondigingen op posters en gaat er zelf een or vo de leerlingen oefenen maken. steeds twee toets. Hiervoor zijn3 LERNECKE: Dit moet je leren voor de toets. aar. D-toetsen beschikb
1 D-PRÜFUNG 1
Vokabeln Schritt 2 und 4 A Vertaal de woorden tussen haakjes naar het Duits. Let op hoofdletters en op de lidwoorden. 1 Mein (broer)
heißt Stephan.
2 (Het meisje)
ist vierzehn (jaar oud)
.
3 Meine Hobbys sind (met vrienden afspreken) (voetballen)
.
4 (In Zwitserland) (Duits)
und
sprechen die Leute auch .
5 (Ik ben jarig)
und bekomme viele Geschenke!
6 Meine (grootouders)
wohnen in (Duitsland)
7 Meine beste (vriendin)
ist Amira.
8 (De oom) Ralf und Selma.
und (de tante)
9 (Ik spreek)
sehr gut Englisch und Niederländisch.
10 Ich gehe nach Hause! (Doei) morgen)
heißen
und (tot !
B Vertaal de vetgedrukte woorden naar het Nederlands. 1 Hast du Geschwister? Ja, ich habe eine Schwester und zwei Brüder. 2 Magst du Computerspiele spielen? Klar! Ich liebe Fortnite! 3 Woher kommst du? Ich komme aus Zwolle. 4 Diese Fußballschuhe sind neu. 5 Kennst du diese Leute? Sie sind sehr bekannt.
51
Zwischenstufe Schritt 1-5
2
D-Prüfung
Grammatik (hoofdletters en bepaalde lidwoorden) A Onderstreep de woorden die met een hoofdletter moeten beginnen. 1 2 3 4 5 6
hallo, ich bin lara und ich bin dreizehn jahre alt. ich wohne in berlin und habe einen bruder. ich lese gern und höre musik von taylor swift. sie ist eine sehr bekannte sängerin. ich will sehr gerne ein konzert von Shakira besuchen. ich bin ein wahrer swiftie!
B Vul het juiste lidwoord in, kies uit der, die, das of die (meervoud). 1
Frau singt gern unter der Dusche.
2
Mutter bestellt einen Kaffee und ein Croissant.
3
Onkel tanzt auf dem Tisch – alle lachen!
4 Heute kommt
Tochter zu Besuch mit einem Geschenk.
5 Ich glaube, 6
Kind isst schon das dritte Eis! Sohn spielt Fußball im Regen.
7 Ich besuche 8
Freundin aus Köln. Eltern machen Urlaub in Spanien.
9 Am Sonntag besuchen wir
Großeltern gehen auf ein Konzert.
Controleer nu je antwoorden. Vokabeln Schritt 2 + 4
Minder dan 10 antwoorden goed?
Leer de woorden van Schritt 2 en 4 nog een keer.
Grammatik
Minder dan 10 antwoorden goed?
Maak de **- en ***-opdrachten vanaf pagina XXX.
11 of meer antwoorden goed?
Maak de ***-opdrachten vanaf pagina XXX.
Heb je extra geoefend? Online kun je dan nog een D-toets maken om te kijken of je de stof voldoende begrijpt voor de toets.
D
um
m y
D
um
m y
10
Oma.
52
Zwischenstufe Schritt 1-5
Sprachfest
Sprachfest: Plakat-Alarm! Opdracht: ERK-niveau: Vaardigheden: Duur: Werkvorm(en):
Het Sprachfest is een taa ltaak, waarmee je leerlingen kunt laten oe fenen met de Je gaat een poster uitleggen aan een medeleerling. vaardigheden in combina tie met de nieuwe A1 kerndoelen. Lezen, luisteren, schrijven Hiermee kun je een taalpo 1-2 lesuren rtfolio per leerling op bouwen en is direct inzich Tweetallen, groepjes telijk hoe en aan welke kerndoelen een lee rling heeft gewerkt. LEERDOEL
• Je kunt (in het Nederlands) eenvoudige, voorspelbare informatie van direct belang overbrengen • • • • •
die wordt verstrekt op korte, zeer eenvoudige borden en kennisgevingen, posters en programma‘s (in het Duits). (ERK A1 / Mediation) Je kunt verschillende soorten korte, eenvoudige teksten over concrete en vertrouwde alledaagse zaken begrijpen. (Kerndoel 3: Leesvaardigheid) Je kunt passende leesstrategieën gebruiken (Kerndoel 3: Leesvaardigheid) Je kunt overeenkomsten en verschillen tussen het Engels en andere talen ter bevordering van het taalleerproces benoemen. (Kerndoel 8: Taalleerproces en meertaligheid) Je kunt je eigen taalleerstrategieën beschrijven. (Kerndoel 8: Taalleerproces en meertaligheid) Je verkent wat je eigen meertaligheid betekent voor het leren van talen (Kerndoel 8: Taalleerproces en meertaligheid).
Situatie Je bent met je klas op uitwisseling bij een Duitse school en ziet daar de volgende posters op het prikbord hangen. Je bent nieuwsgierig wat er precies op staat. Samen met je medeleerlingen zoek je het uit.
Koch-Workshop
GitarrenWorkshop Am Samstag, den 12. März, findet im m Jugendzentru in e t‘ k n u ‘Treffp p o sh rk o Gitarren-W m u t is n in statt. Beg ringt 14 Uhr. Bitte b it. eine Gitarre m f s au Wir freuen un er! m h e iln alle Te
Nächsten Donnerstag, den 8. Juni, findet in der Schule (Raum A2-1) ein Koch-Workshop statt. Der Start ist um 15 Uhr. Bitte bringt frische Zutaten (ingrediënten) mit. Alle sind herzlich eingeladen!
Der große Schulflohm arkt beginnt am 2. Oktobe r 10 Uhr. Bit um te bringt Kleidung, Bücher un d Spiele z um Verkauf m it . Wir freue n uns auf viele Gäste !
SALE
50%
Schulflohm
arkt
53
Zwischenstufe Schritt 1-5
1
Sprachfest
Raten (raden) Bekijk de informatie op de posters. Kun je op basis van de plaatjes of woorden die je snel herkent, raden waar de poster over gaat? Op poster 1 staat een aankondiging over
Op poster 2 staat een aankondiging over
Op poster 3 staat een aankondiging over
2
Vergleichen (vergelijken) Lees de teksten op de posters goed door. Welke woorden lijken op het Nederlands? Noteer per poster drie woorden. Poster 1 Duits Nederlands
Gitarren
gitaren
Poster 2 Duits Nederlands
Poster 3 Duits Nederlands
3
Schreiben Schrijf in het Duits op welke informatie er op de posters staat. Gebruik hiervoor de volgende W-vragen: Wat (gaat er plaatsvinden?), Wanneer (is het?), Wat (moet je meenemen?) Poster 1 Wat: Wanneer: Meenemen:
54
Zwischenstufe Schritt 1-5
Sprachfest
Poster 2 Wat: Wanneer: Meenemen:
Poster 3 Wat: Wanneer: Meenemen:
4
Sprechen Vergelijk jouw antwoorden bij vraag 3 met die van twee medeleerlingen. Stappenplan: • Maak groepjes van drie. • Een leerling kiest één van de drie posters uit en vertelt aan de andere twee in het Nederlands waar de poster over gaat. • De andere twee vergelijken dit met de antwoorden die ze bij vraag 3 hebben gegeven. • Zijn jullie het met elkaar eens, of zijn er verschillen? Bespreek dit met elkaar. • Ga daarna door met de volgende poster en wissel van rol.
5
Reflektieren (even terugkijken en nadenken) Je kennis van het Nederlands kun je, zoals je nu hebt gezien, gebruiken bij het begrijpen/leren van het Duits. Ook plaatjes bij een tekst kunnen je helpen bij het begrijpen van een tekst. Wat heb je geleerd? Met andere woorden: Wat kun je als eerste doen als je een tekst in een vreemde taal (nog) niet helemaal begrijpt? Schrijf dit in je eigen woorden op.
6
Machen (maken) Maak op basis van de drie posters, die je hebt bekeken, nu zelf een eigen poster. Denk bijvoorbeeld aan een poster voor een schoolfeest, boekenmarkt, filmavond of gamemiddag. Gebruik eventueel een woordenboek. De poster moet in ieder geval bevatten: • Wanneer: een datum (in het Duits). • Wat: een titel en een korte een omschrijving wat er gaat gebeuren (in het Duits). • Een bijpassende tekening.
7
Präsentieren Deel je poster met je medeleerlingen en laat ze raden wat er op de poster staat aan de hand van de W-vragen: Wat gaat er gebeuren en Wanneer?
55
Zwischenstufe Schritt 1-5
Lernecke
3 LERNECKE LERNEN
VOKABELN – SCHRITT 2
Duitsland de broer al het leerwerk voor In de Lernecke isde zusmen op een rij sa de toets nog even de ouders j rlingen. Dit helpt bi gezet voor de lee hetdu gezin . t idelijkheid het leren en geef Ik ben jarig. de grootouders de opa de oma heten, ik heet de jongen het meisje
das Alter bekannt die Geschwister
Deutschland der Bruder die Schwester die Eltern die Familie Ich habe Geburtstag. die Großeltern der Opa die Oma heißen, ich heiße der Junge das Mädchen
het kind de man de vrouw de oom de tante de zoon de dochter de vader de moeder maar daar niet
das Kind der Mann die Frau der Onkel die Tante der Sohn die Tochter der Vater die Mutter aber dort nicht
de leeftijd bekend de broers en zussen
die Leute machen wichtig
de mensen doen, maken belangrijk
komen, ik kom de naam sporten spreken, ik spreek en hoe oud? wonen, ik woon Goedemorgen! Goedendag! Tot ziens! Tot morgen! Doei!
kommen, ich komme der Name Sport machen sprechen, ich spreche und wie alt? wohnen, ich wohne Guten Morgen! Guten Tag! Auf Wiedersehen! Bis morgen! Tschüs!
VOKABELN – SCHRITT 4
Ben je fan van ...? Duits Duitsland de vriend de vriendin met vrienden afspreken voetballen de gitaar hockeyen in Oostenrijk in Zwitserland jaar (oud)
Bist du ...-Fan? deutsch Deutschland der Freund die Freundin Freunde treffen Fußball spielen die Gitarre Hockey spielen in Österreich in der Schweiz Jahre (alt)
Computerspiele spielen gamen jetzt nu Na klar! Zeker (weten)!
56
neu nieuw Stimmt! Klopt! Woher kommst du? Waar kom je vandaan?
Zwischenstufe Schritt 1-5
GRAMMATIK: HOOFDLETTERS – SCHRITT 2
Lernecke
LERNEN
Hoofdletters schrijf je in het Duits, net als in het Nederlands: • Aan het begin van een zin. Ich bin Fatma. • Bij namen van landen, steden en personen: Ja, Peter wohnt in Köln, in Deutschland. Let op:
• In het Duits schrijf je zelfstandige naamwoorden ook altijd met een hoofletter: der Mann, die Frau, das Kind. Zelfstandige naamwoorden zijn woorden waar in het Nederlands ‘de’, ‘het’ of ‘een’ voor staat.
GRAMMATIK: BEPAALDE LIDWOORDEN – SCHRITT 3 Er zijn in het Nederlands twee bepaalde lidwoorden, de en het. In het Duits zijn dat er drie.
D
um
m y
D
um
m y
De Nederlandse lidwoorden de en het kun je op drie manieren vertalen. Je vertaalt de en het met der, die en das. In Schritt 2 heb je geleerd dat je: • blauwe (mannelijke) woorden de en het vertaalt met der; • rode (vrouwelijke) woorden de en het vertaalt met die; • groene (onzijdige) woorden de en het vertaalt met das; • woorden in het meervoud de vertaalt met die.
Leerlingen kunnen altijd en zo vaak als nodig, ex Wil je extra oefenen met de woordenschat? Gebruik dan de online woordentrainer. tra oefenen met de slim me online woordenscha t-trainer.
Snap je de theorie nog niet helemaal? Of wil je extra oefenen met de grammatica? Gebruik dan het online grammaticamaatje.
57
58
Arbeitsblatt 1 – Landeskunde – Aufgabe 9
Arbeitsblatt 1 – Landeskunde – Aufgabe 9
59
Arbeitsblatt 1 – Landeskunde – Aufgabe 9
60
Arbeitsblatt 1 – Landeskunde – Aufgabe 9
61
Arbeitsblatt 1 – Landeskunde – Aufgabe 9
62
Arbeitsblatt – Schritt 2 – Deutsche Stars, Aufgabe 11
Arbeitsblatt – Schritt 2 – Deutsche Stars, Aufgabe 11
Lisa Vicari
Albert Einstein
Wincent Weiss
Darja Varfolomeev
Helene Fischer
Kai Havertz
Ludwig van Beethoven
Capital Bra
Alexander Zverev
63
Arbeitsblatt – Schritt 2 – Deutsche Stars, Aufgabe 11
“Ich spiele in Filmen und Serien. Im Film ´Isi und Ossie´ arbeite (werk) ich in einem Fast-Food Restaurant. Ich trage eine rote Cap.“
“Ich hatte weiße Haare und viele Ideen, aber ich lebe nicht mehr.“
“Ich mache Videos auf YouTube und tolle Clips.“
“Ich bewege mich (mij) elegant. Ich spiele mit einem Band oder (of) einem Ball.”
“Ich bin eine Frau. Ich habe eine schöne Stimme. Ich bin bekannt für viele Hits.”
“Ich spiele in einem großen Stadion. Ich schieße den Ball ins Tor.”
“Ich schreibe Musik, aber ich höre nichts. Ich bin taub (doof).”
“Ich spreche schnell zur (op het rimte van) Musik. Auf Fotos trage ich oft (vaak) eine Cap.“
“Ich spiele in Wimbledon und habe viele Titel gewonnen.”
64
ZugSpitze is dé methode Duits waarmee uw leerlingen op een leuke en uitdagende manier de Duitse taal snel onder de knie krijgen. Leerlingen werken met ZugSpitze stap voor stap heel gericht toe naar concrete leerdoelen, waardoor ze snel het vertrouwen krijgen iets te kunnen. Het ERK vormt de rode draad van de onderbouw tot en met de bovenbouw. Hierdoor worden leerlingen ook meteen voorbereid op de Goethe-examens A1 tot en met B2.
Heleen Blok Jitske van den Bovenkamp Carine Ettema Marcel den Hollander Barbara Lauwerens