Moord onder de kersenbloesem - Dora Maas

Page 1


Proloog

In een heuvelachtige tuin in Ōtsuchi, aan de noordoostkust van Japan, bloeit tussen hoog gras een wilde bloemenzee. Gele brem geurt en verschillende zangvogels fluiten hun deuntjes. De lucht is zwanger van pollen en de lentezon brandt fel voor de tijd van het jaar. De wind voert het geruis van de golven en een zilte lucht mee; in de verte is de Stille Oceaan zichtbaar. Uitbundig bloeit er de sakura: kersenbomen vol witte en roze bloesem staan juichend prachtig te wezen en strooien achteloos serpentines, die dwarrelend op de bodem belanden.

In deze tuin staat een ouderwetse, witte telefooncel: vierkant, van metaal, met zes keer drie kleine ruitjes aan elke kant, een deur, ook met achttien ruitjes, en een klein puntdak van groen uitgeslagen koper. Op het dak wijst een koker naar de hemel.

Het object behoort toe aan de eigenaar van dit microparadijs, een tuinier die het, nadat hij te horen kreeg dat zijn neef ziek was en niet meer beter zou worden, op deze plek heeft neergezet. De tuinman zocht een manier om ook na diens dood met zijn geliefde familielid te kunnen communiceren. Hij was ervan overtuigd dat zijn woorden via de telefoon ergens in het universum zijn neef zouden bereiken.

Sinds de plaatsing van de telefooncel vijftien jaar geleden hebben meer dan dertigduizend rouwenden er een pelgrimstocht naar ondernomen en hun woorden met de wind laten meevoeren. Kaze no denwa, oftewel: Telefoon van de wind.

De sereniteit in de tuin wordt doorbroken door een vrouw

van middelbare leeftijd die in de verte de heuvel op komt lopen. Hijgend en zwetend volgt ze het pad omhoog. De glazen van haar bril zijn beslagen. Haar handtas hangt aan een schouderriem om haar nek en zwaait bij elke stap heen en weer, en haar rugzak lijkt haar terug te willen trekken. Toch geeft ze niet op. Met een vuurrood hoofd houdt ze haar blik gericht op de telefooncel. Wanneer ze die bereikt blijft ze even staan om uit te puffen. Ze neemt het uitzicht in zich op en vangt met platte hand een kersenbloesemblaadje op. Ze haalt nog één keer diep adem, dan trekt ze de deur open.

In de telefooncel staat op een houten plank een bakelieten telefoon, met daarnaast een zwart notitieschrift en een pen. De telefoon is niet aangesloten: het rafelige uiteinde van het snoer bungelt in het luchtledige.

De vrouw sluit de deur achter zich, neemt de hoorn van de haak en draait aan de draaischijf. Wanneer ze de hoorn tegen haar oor houdt hoort ze haar bloed ruisen, als bij het luisteren in een schelp. Buiten klinkt gedempt de roep van een meeuw.

‘Met mij,’ zegt ze, starend naar de oceaan. ‘Ik weet wie jullie vermoord heeft. En wie mij wil vermoorden.’

1

Mary Stuart is foetsie. Minder dan een uur geleden lag ze nog op de vensterbank te slapen, zich koesterend in de prille lentezon. Hannie had de was uitgezocht en koffie voor zichzelf gezet, Arnold proberen te bellen, drie bladzijden uit het nieuwe boek van Chimamanda Ngozi Adichie gelezen, een onderzetter gehaakt, Arnold weer geprobeerd te bellen, en was vervolgens op zoek gegaan naar haar kat.

Katten hechten zich aan huizen en vertrekken nooit echt. Dochters en zonen verlaten op een dag voorgoed de ouderlijke woning, echtgenoten trekken blijkbaar de deur achter zich dicht om, let wel, in hun eentje de wereld te verkennen, maar een kat, die blijft.

‘Ik wil ruimte,’ had Arnold vorige maand gezegd, toen hij na een jarenlang ziekbed een donornier had ontvangen en daar reuze van was opgeknapt.

‘We kunnen de muur tussen jouw werkkamer en de kinderkamer uitbreken?’ stelde Hannie voor.

‘Ik wil geen kamer, ik wil de wereld. Ik ga een cruise maken. De Galapagoseilanden, Paaseiland, Micronesië.’ De ogen van haar echtgenoot begonnen te stralen.

Micronesië… Als er iets níét ruimtelijk klonk.

‘Verrassend idee,’ had Hannie na een korte aarzeling geantwoord. ‘We zijn natuurlijk nooit ver weggeweest, dus we kunnen denk ik het beste een groepsreis…’

Arnold legde haar met een handgebaar het zwijgen op. ‘Hannie, ik ga alleen.’

‘Eh, je bedoelt… zonder mij?’

‘Ik wil mezelf vinden.’

‘In Micronesië?’

Hij keek haar triest aan met zijn trouwe hondenogen.

Een angstig voorgevoel maakte zich van haar meester. ‘Wanneer ga je?’ fluisterde ze. ‘En… wanneer kom je terug?’

Arnold zweeg.

‘Nol?’

‘Sorry.’ Arnold verborg zijn gezicht in zijn handen. ‘Sorry.’

Hannie begon te huilen. Arnold ging weg, voorgoed, naar het scheen. Niet naar iemand toe, maar van haar af. Als hij haar om een andere vrouw had verlaten, oké, dat zou akelig zijn geweest, maar dat zou tot de mogelijkheden kunnen behoren. Arnold verkoos echter ‘niets’ boven Hannie. Zij was minder dan niets. De tranen bleven stromen tot hij een week later zijn koffer pakte, haar een kus op haar voorhoofd gaf, zei dat ze de en/ of-rekening nog wel even konden aanhouden, haar eraan herinnerde dat ze ook een eigen spaarrekening had, en vervolgens met de taxi naar de haven vertrok om de cruise te maken die hij twee maanden eerder had geboekt. Een paar weken later stuurde hij nog een ansichtkaart van een schildpad; verder bleef het stil rond Arnold en nam hij zijn telefoon niet op.

De tranen zijn nu gedroogd, en het besef dat ze voor niemand reden is om te blijven steekt als een droge korst brood in haar keel. En dan is nu ook haar kat nog kwijt.

Terwijl ze onder de bank en onder het bed, in de voorraadkast en achter de gordijnen kijkt, zoemt op de achtergrond de motor van de wasmachine. Plotseling dringt dit geluid tot haar door en stokt ze in haar beweging. Het bloed trekt uit haar gezicht.

‘Mary Stuart,’ fluistert ze hees. Met knikkende knieën loopt ze naar de bijkeuken. Daar trilt en schudt de wasmachine op

volle toeren. Tussen de bonte was, in het sop dat met het water tegen het ronde glas van de deur klotst, draait iets slaps en harigs mee. Iets met een bruingrijze kop, witte poten en een doorweekte, gevlekte vacht. ***

‘Neem nog een bakkie.’ Buurvrouw Arlette zet een kop koffie voor haar neer op tafel. Op het schoteltje legt ze een zandkoekje.

‘Hartstikke dood,’ snikt Hannie.

‘Dat je haar niet gezien hebt.’

‘Ze moet er zijn gaan liggen voor ik de was erin stopte.’

‘Arm beest,’ zegt Arlette. ‘En arme, arme jij. Je was zo gek op haar.’

De tranen stromen over Hannies wangen. Mary Stuart, de poes die haar elke ochtend wakker miauwde en rondjes om haar enkels draaide als Hannie brokjes in haar bakje gooide en vers water gaf. Ze leek precies te begrijpen waar Hannie het over had, of het nou over het weer, de tuin of Arnold ging.

En nu is er niemand meer om voor te zorgen. Ze heeft alleen Arlette nog, haar buurvrouw, en die dopt haar eigen boontjes. Arlette, haar beste, haar enige vriendin.

Ze neemt een hap van het zandkoekje. Een kruimel schiet in haar keel, ze begint te hoesten.

‘Ach meid, toch.’ Arlette klopt op haar rug.

‘Ik ben… ik ben er weer.’ Rood aangelopen en happend naar adem neemt Hannie een slok koffie. ‘Al denk ik weleens…’

‘Wat?’

‘Nou ja…’

‘Geen gekke dingen doen, hoor.’

‘Nee.’

‘Je hebt je kinderen nog.’

‘Ja, maar August zit helemaal in Portland. Ze reizen niet graag met een baby, zegt Kennedy.’

‘Wie?’

‘Zijn vrouw.’

‘O ja. En Tove dan? Die belt toch regelmatig?’

‘Ze heeft het druk op de ambassade. En zeven uur tijdsverschil is niet ideaal.’

‘Niet ideaal, nee. Heel naar. Het raakt je, hè lieverd.’

Hannie slaat het laatste restje koffie achterover en komt overeind.

‘Zo, ik ga eens…’

Arlette kijkt haar vragend aan.

‘Lezen. Ik heb een mooi boek van een Afrikaanse schrijfster.’ Ze glimlacht op haar dapperst. ‘Zo kom ik nog eens in Afrika.’

Arlette kijkt haar meewarig aan. ‘Heel, héél diep vanbinnen ben je best een beetje avontuurlijk, volgens mij.’

Nadat ze afscheid heeft genomen van Arlette en naar de kantoorboekwinkel loopt om een mooie doos voor Mary Stuart te kopen, denkt Hannie aan de opmerking van Arlette. ‘Best avontuurlijk’. Het is waar, als kind hing ze altijd met haar neus boven een atlas en reisde ze met haar vinger langs naamloze eilandjes in verre oceanen. Ze wilde ontdekkingsreizigster worden, of kapitein op een groot schip, of tropenarts. Maar toen kwam Arnold. ‘Alles is al ontdekt,’ zei hij toen ze elkaar net kenden. En: ‘Het gras is overal groen.’ Arnold kocht een tweedehands Kip-caravan, wist via een collega een leuke camping in Frankrijk en bombardeerde

die tot hun jaarlijkse vakantiebestemming.

Hannie was gestopt met over haar dromen praten. Zoals ze gestopt was met haar werk als verpleegkundige toen ze Tove kreeg. Zoals ze gestopt was met haar studie Engels toen Arnold hun eerste huis kocht. Zoals ze gestopt was met autorijden omdat Arnold dat beter kon. Zoals ze gestopt was met het uiten van haar gevoelens. Zoals ze gestopt was met het stampen in plassen. Zoals ze gestopt was met leven. Ze stapt naar binnen bij de kantoorboekhandel en pakt een doos uit het rek. Die is nog plat, maar ze zal hem straks uitvouwen, de kat erin leggen en haar in de tuin begraven. Bij het afrekenen ziet ze een rek sleutelhangers op de toonbank staan. Op het moment dat de verkoper zich even omdraait legt ze er een met een alpaca in de palm van haar hand, vouwt haar vingers eromheen en laat hem in haar jaszak glijden.

De volgende dag voert ze drie telefoongesprekken. Eigenlijk twee en een poging.

De eerste die belt is haar zoon August, vanuit Amerika.

‘Hoe gaat het?’ vraagt hij.

‘Wat lief dat je belt, jongen. Hoe laat is het nu bij jou?’

‘Twee uur ’s nachts. Maar hoe gaat het met je?’

‘Twee uur ’s nachts? Slaapt Hunter nog steeds niet door?’

Er klinkt een zucht, helemaal vanuit Portland, over de Atlantische Oceaan, als een briesje richting Haarlem.

‘Het gaat goed, hoor,’ zegt ze. ‘Ik ben een placemat aan het haken. Alleen is Mary Stuart dood.’

‘Nee! Hoe kan dat?’

‘Hartstilstand.’

‘Ach. Je was zo gek op die pluizenbol. Ben je heel verdrietig?’

Vragen naar gevoel zijn de lastigste. Als je zegt dat je verdrietig bent, heb je het niet over de boosheid die er ook is. En als je zegt dat je geschrokken bent, sluit je berusting uit. Mensen verwachten een antwoord in primaire kleuren, dat maakt het wel zo duidelijk. Een emotioneel palet als een Rietveldstoel. Hannie voelt zich verlaten na het verscheiden van Mary Stuart: gestraft, in de steek gelaten, wanhopig en murw. Probeer dat maar eens uit te leggen.

Op de achtergrond klinkt het gehuil van een baby.

‘Mam, ik moet…’

‘Natuurlijk, jongen. Geef Hunter een knuffel van me.

Wanneer…?’

De verbinding wordt verbroken.

‘… komen jullie naar Nederland?’ maakt Hannie de zin af als een schaatser die niet meteen kan afremmen. Dan haakt ze verder aan de placemat, één oog gericht op het boek van de Afrikaanse schrijfster.

De telefoon gaat opnieuw. Dat is Tove, weet ze. August heeft zijn zus geïnformeerd.

‘Is Mary Stuart dood?’ vraagt haar dochter.

‘Dag, lieverd. Hoe laat is het bij jou?’

‘Zes uur ’s avonds. August appte me net. Nu Mary Stuart er niet meer is, kun je naar Japan komen.’

‘Ik ben in de rouw.’

‘Dat kan hier ook. Bovendien zijn hier kattencafés. Goed voor het verwerkingsproces.’

‘Ik red het wel. Heus.’

‘Mam, je bent alleen.’

Hannie slikt.

‘Kom hierheen,’ dringt Tove aan. ‘Ik regel een ticket voor je.’

‘Lieverd, ik heb nog nooit gereisd. En hoewel ik het heel lief van August en jou vind dat jullie bezorgd zijn, ga ik niet goed op medelijden. Ik heb mijn boeken, ik heb mijn haakwerk, mijn vriendinnen…’

‘Vriendinnen?’

Je hoeft Tove niets wijs te maken. Ze dóét niet eens alsof ze haar moeder gelooft.

‘Ik moet ophangen, schat,’ zegt Hannie. ‘Katinka staat voor de deur.’

‘Kat…?’

‘Dag, lieverd.’

Hannie verbreekt de verbinding. Naar Japan komen, het idee alleen al. Rillingen lopen over haar rug. Heel vroeger zou

ze meteen ja gezegd hebben. Nu is Japan een boot die ze gemist heeft, of beter gezegd een vliegtuig dat ze gemist heeft, en in de dienstregeling van haar leven komt er geen meer. In een volgende reïncarnatie wellicht, die ze wil overwegen als haar het haar van Katja Schuurman, de talenknobbel van Ruben Terlou en de moed van Floortje Dessing beloofd wordt.

Ze pakt het haakwerk op en legt het weer neer. Werktuiglijk toetst ze het nummer in dat ze de afgelopen dagen al tig keer heeft proberen te bellen. Ze weet niet eens wat ze zou willen zeggen. Als Arnold zou opnemen zou ze met haar mond vol tanden staan. Ze verbreekt de verbinding en begint een staand halfstokje te haken.

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.