De troonopvolger - Rebecca Armitage

Page 1


1 1 januari 2023

Ik stond op het punt mijn beste vriend te zoenen toen de helikopter aankwam.

Het was nieuwjaarsdag en voor de derde keer waren Jack en ik wakker voordat de zon opkwam. Ik had ’s nachts de buitentent opgerold zodat ik naar de gigantische sterrenhemel kon kijken. Nu zag ik alleen de eerste gloed van de vroege ochtend.

Toen ik naar buiten kroop, was Jacks tent al opengeritst en zat hij bij de smeulende resten van het vuur, verfrommeld, slaperig en glimlachend naar mij.

‘Koffie?’ fluisterde hij.

Finn lag nog te slapen in zijn met dauw bedekte tent. We lieten hem liggen en liepen het zanderige pad vanaf de kampeerplek af.

Er gaat niets boven de ochtenden in de Australische wildernis. Het is magisch.

De prachtige eucalyptusbomen staken donker af tegen een bleke hemel.

De eerste vogels begonnen te fluiten.

Buideldieren scharrelden rustig om ons heen terwijl we naar de watertank liepen.

Deze traditie was per ongeluk ontstaan.

De eerste keer waren we met z’n drieën op een oudjaarsfeest in een bar in Japan, waar we dronken instemden met de uitnodiging van een snowboardleraar om bij zonsopgang van de berg af te dalen. Toen de volgende ochtend de wekker ging in onze ryokan, was Jack in eerste instantie diep onder zijn enorme donsdeken gedoken. De kater sloeg ons meedogenloos in het gezicht. Het was na-

tuurlijk het makkelijkst geweest om ons om te draaien en onze roes uit te slapen, maar Finn sliep met zijn zussen op een ander adres. En als hij dan in zijn eentje bij de skilift zou staan, fris en nuchter, en zou merken dat wij niet kwamen opdagen, zou hij razend zijn. Dus hadden we in stilte onze dekens van ons afgeslagen, onze klamme skikleding aangetrokken en waren we door de inktzwarte sneeuwvelden naar hem toe gesjokt.

Pas toen we met z’n drieën de top hadden bereikt en de zon boven de bergen uit spatte, keken Jack en ik elkaar aan en glimlachten – onze kater verdwenen, de nieuwe dag als een onbeschreven blad. We spraken af om voortaan elk jaar op nieuwjaarsdag samen de zonsopgang te bekijken, voor de rest van ons leven.

Waarschijnlijk een wat vreemde belofte tussen twee vrienden, als iemand de moeite had genomen ernaar te vragen. Maar dat had niemand. En wij al helemaal niet.

Vorig jaar had ik dienst in het ziekenhuis, dus keken we vanaf het dak van het ziekenhuis in Hobart. En nu waren we gaan kamperen en hing er een nieuwsgierige spanning tussen ons in.

‘Als we nu gaan, kunnen we de zonsopgang waarschijnlijk nog net zien vanaf het strand,’ zei Jack.

Ik liet de jerrycan bij de tank en we liepen in stilte door het hoge gras. Toen mijn laars vast kwam te zitten achter een boomstronk pakte ik zonder nadenken Jack bij zijn pols en gleed mijn hand in zijn hand. Ik liet hem liggen. Zo’n gek gevoel, de hand van je beste vriend vasthouden, alsof je met je teen over de rand van een diepe afgrond schuift, of in één teug een glas champagne achterover tikt.

Jack en ik draaiden al weken om elkaar heen. Een maand geleden, toen ik het net uitgemaakt had met Ben, had hij me in de keuken een kietelaanval bezorgd tot ik buiten adem en totaal hysterisch deed alsof ik het niet heerlijk vond dat hij tegen me aan gedrukt stond terwijl ik zijn sterke onderarmen vastgreep.

Dus toen hij eventjes in mijn hand kneep toen we boven op de

rotsen boven het strand stonden en de lucht roze kleurde, kneep ik terug. Zonnestralen braken in deeltjes af in de lucht. Het was doodgewone wetenschap, maar toen de zon de hemel in vuur en vlam zette leek het net alsof dat alleen voor ons gebeurde.

Dat was het ideale moment geweest voor Jack om te zeggen: ‘Niet gek, hè?’ Of misschien: ‘Oké, ik heb die koffie echt nodig.’ Maar hij zweeg, sloeg een arm om mijn middel en drukte me tegen zich aan. Hij rook naar kampvuur en dons.

De naderende propeller van de helikopter hoorde ik nauwelijks toen hij naar me keek. Hij streek een blaadje uit mijn haar, ik staarde naar zijn prachtige volle lippen, zijn donkere ogen. Maar het geluid werd harder, het gras om ons heen begon te ritselen en toen tegen onze kuiten te wapperen. We draaiden ons naar de helikopter en zagen hoe die landde op een hellend stuk grond.

Ik herkende Stewart amper toen hij tevoorschijn kwam, bukkend onder de rotoren alsof hij geen een meter vijfenzestig was. Toen ik besefte dat hij het was, wist ik meteen dat er iemand was overleden. Zijn mond stond strak, zijn schouders waren opgetrokken en zijn vuisten gebald, precies zoals twaalf jaar geleden, toen hij van de Italiaanse reddingsboot was gesprongen en zei dat mijn moeder nog ergens moest zijn.

Nu hadden ze Stewart helemaal naar Australië gestuurd. En niet eens naar Sydney. Hij had het vliegtuig naar Hobart genomen en Jacks moeder gevonden, die hem waarschijnlijk had verteld dat we aan het kamperen waren op Maria Island. Toen had hij in de vroege ochtend een helikopter geregeld om me te gaan zoeken.

Stewart was de enige die me nog niet had opgegeven. Zelfs toen Louis’ berichten afnamen van eens per maand naar eens per kwartaal, en uiteindelijk helemaal stopten, bleef Stewart trouw contact met me houden. Zijn berichten kwamen binnen via Signal. Vervelend, dit verhaal rondom die koffiebeker in de recycling. Hou er rekening mee dat de pers altijd meekijkt. Maar ik had nu al in geen drie jaar iets van hem vernomen.

Nu hijgde hij van het lopen door het hoge gras, wat hem er niet van weerhield een strakke buiging te maken.

‘Is het de koningin?’ vroeg ik.

Hij droeg een donker pak met stropdas. Ze hadden allemaal een zwart pak achter de hand voor als het eindelijk zou gebeuren. Ik vroeg me af wiens idee het was geweest om mij hier te komen zoeken. Waarschijnlijk had Stewart het voorgesteld en had papa direct geweigerd. ‘Laat haar de kranten maar lezen, net als iedereen,’ had hij waarschijnlijk gezegd. En dan had Stewart tactisch opgemerkt dat de kranten meer sympathie zouden hebben voor een vader die zijn uiterste best had gedaan zijn verloren dochter op te sporen om haar dit nieuws te brengen. Maar Stewart had een vreemde uitdrukking op zijn gezicht toen hij voor Jack en mij was komen staan en zijn adem was schokkerig en zwaar.

‘Het spijt me, Uwe Koninklijke Hoogheid,’ fluisterde hij. ‘Het spijt me vreselijk. Nee, het is niet de koningin.’

Het was op zijn minst tien jaar geleden dat ik privé had gevlogen. De familie probeerde het als het even kon te vermijden. Aanvankelijk was dat omdat we eruitzagen als luie katten als we in een sliertje over de kleine trappetjes het vliegtuig betraden. Luie, ondankbare en misschien wel gewoon erg nutteloze katten. Later was het omdat de jongere familieleden eindeloze preken afstaken over klimaatverandering om vervolgens in een luxe Cessna van een rijke vriend zesduizend kilo kooldioxide de lucht in te pompen voor een reisje naar Mustique.

Maar mijn vader was in de sneeuw overleden.

Mijn broer Louis was nog in leven, maar het zag er niet goed uit. Niemand had de moeite genomen me te vertellen wat Kris’ situatie was, onze oudste vriend, maar er gingen fluisterende geruchten over ‘hersendood’.

De koningin had een aanbod geaccepteerd van een telecommiljardair om me naar Engeland te halen in zijn Dassault Falcon. Er waren zes mensen aan boord die ik niet kende, allemaal jong en in het zwart gekleed. Junior werknemers van papa’s kantoor, nam ik aan.

Op het moment dat ik ging zitten, kwam een van de werknemers naast me zitten en pakte mijn hand vast. Ik dacht dat ze me wilde troosten, maar ze haalde een flesje aceton tevoorschijn en begon mijn donkere nagellak weg te poetsen. Zelfs na al die jaren kon ik er een kick van krijgen kleurtjes te kiezen met namen als Barbaric Burgundy of Poison Ivy. Nog magischer was het om te zien hoe het langzaam afbrokkelde aan de randjes door er wekenlang niets aan te doen. Nu zag ik mijn pas vier weken oude Courgette Coquette-nagels verdwijnen.

‘Dank je,’ zei ik.

‘Geen dank, Uwe Koninklijke Hoogheid,’ fluisterde ze. Ze keek even om zich heen en toen ze zeker wist dat niemand ons kon horen boog ze zich naar me toe. ‘Ik weet dat het belachelijk is, deze regel over donkere nagellak. Niet bepaald modern. Als ik het voor het zeggen had, mocht u dragen wat u wilde.’

Ik was in een Patagonia-fleecejack en bergschoenen het vliegtuig in gestapt, maar ik wist zeker dat ik van het trapje af zou lopen alsof er in de afgelopen elf jaar niets veranderd was. Ik vroeg me af of ze extensions in mijn haren zouden naaien, of mijn wilde krullen zouden stylen naar het pre-Australische tijdperk. Het zou ze in elk geval niet lukken me onder de vijftig kilo te krijgen in één vliegreis, daar was ik vrij zeker van. Stewart ging in de stoel tegenover me zitten en begon te typen op zijn telefoon. Het was gek om hem op een iPhone te zien. De laatste keer dat we samen waren, probeerde ik hem nog zover te krijgen Snake te spelen op zijn Nokia. Hij was al dertig jaar grootmoeders persoonlijke assistent, maar hield zich regelmatig met de rest van de familie bezig.

‘Is er nog nieuws over Louis?’ vroeg ik hem.

Hij keek even op van zijn scherm. ‘Nee, mevrouw. Het spijt me. Ze geven het door aan de piloot als ze iets horen.’

We wisten allebei dat we het niet zouden hebben over wat er in het huis was gebeurd. Nadat de helikopter in Hobart was geland, had Stewart me meegenomen naar de wijngaard om een tas met spullen te pakken. Ik zat onder het prieel van druivenbladeren terwijl hij mijn kamer overhoophaalde. En ineens kwam dat vreemde gevoel weer opzetten, een gevoel dat ik eerder had gehad, alsof een zwarte golf steeds groter werd en over me heen sloeg. De randen van mijn zicht begonnen op te lossen en ik herinnerde me, in snelle flarden, hoe mama’s vingers mijn haren vlochten, de keer dat ik van mijn paard viel en papa over het uitgestrekte groene gazon van het Schotse landgoed kwam aanrennen met angst in zijn ogen, en hoe Louis en ik ooit een ster tekenden op een beslagen raam, een voor hem en een voor mij. Zelfs nu we niet meer met elkaar spraken, betrapte ik mezelf er nog steeds op dat ik op koude winteravonden twee sterren op het beslagen glas tekende en me, terwijl ze weer vervaagden, afvroeg of hij ooit nog aan me dacht.

Tegen de tijd dat Stewart het huis uit kwam om te vragen waar ik mijn paspoort bewaarde, zat ik dubbelgevouwen op mijn stoel. Het voelde alsof hete klauwen zich in mijn longen hadden vastgezet, en ik deinsde achteruit toen hij een hand op mijn schouder legde.

‘Haal adem, mevrouw,’ zei hij. ‘Haal maar even rustig adem.’

Het was voor paleisbediendes verboden om leden van de koninklijke familie aan te raken. Maar Stewart was er al sinds mijn vroege jeugd, om me snoepjes te geven of op een paard te helpen, en ik was altijd dol op hem geweest. Hij had me voortdurend gesmeekt hem niet meer te omhelzen, maar we wisten allebei dat ik de touwtjes in handen had en dat als ik mijn kleine armpjes om zijn knieën wilde slaan en hem stevig wilde vasthouden, ik dat toch wel deed. Het was fijn om zijn aanraking weer te voelen. Bijna genoeg om te voorkomen dat de wanden van mijn brein weer instortten.

‘Hier, mevrouw,’ zei hij. Zijn hand lag nog op mijn schouder. ‘Hier wordt u kalm van.’ Ik keek op en zag dat hij een flesje amberkleurige vloeistof vasthad. Zo’n flesje had ik niet meer gezien sinds de week dat mama overleed, toen de fotografen in bootjes op de golven dobberden net achter de steiger van de villa. Stewart had de gordijnen dichtgetrokken terwijl ik trillend op de rand van het bed zat. Hij kwam naar me toe terwijl hij de vloeistof in het pipetje zoog. Het zou naar zwarte bessen moeten smaken, maar het brandde in mijn keel en ik wilde hem zeggen dat ik het niet lekker vond. Maar toen kwam die koudegolf weer terug, alsof de vloer onder me openschoof, en ik viel, viel door het zwarte niets.

Ik griste het flesje uit Stewarts handen en smeet het zo hard als ik kon voor me uit. Het kwam ergens tussen de pinotranken terecht, en ik stelde me voor hoe Jack het dagen of weken later zou vinden en zich zou afvragen hoe een flesje diazepamelixer op zijn terrein was beland. ‘Raak me niet aan, Stewart,’ zei ik hijgend. Mijn borst bewoog zwaar op en neer.

Ik was bijna weer mezelf op het moment dat het vliegtuig opsteeg vanaf Hobart Airport. Stewart legde zijn telefoon neer en plaatste zijn ellebogen op zijn knieën, waardoor zijn broekspijpen omhoogtrokken en ik zijn steunkousen kon zien. Hij werd oud.

‘U moet zich voorbereiden, mevrouw. Ze hebben meer dan twintig minuten onder de sneeuw gelegen. Prins Louis had een kleine luchtzak, waardoor hij het overleefd heeft, maar het is niet… het was waarschijnlijk niet genoeg,’ zei hij.

We hebben 3,3 milliliter zuurstof nodig per honderd gram hersenweefsel. Ik herinnerde me dat ik die formule keer op keer opschreef tijdens het leren voor de examens: 3,3 milliliter per honderd gram. Ik had er zelfs een rijmpje van gemaakt: drie komma drie per honderd gram, drie komma drie per honderd gram. Als dat getal daalt, begint het lichaam de bloedtoevoer om te leiden naar de hersenen om die te redden. Na vijf minuten zonder voldoende zuurstof beginnen de hersencellen af te sterven. Dat is het moment

dat permanente hersenschade intreedt, en dat proces zet zich voort tot het brein ermee stopt.

Het brein van mijn broer.

‘Het was wel in extreme kou,’ hoorde ik mezelf zeggen. ‘Soms gebeurt het. Dan valt een kind in een ijskoud meer en bevriezen de hersencellen, maar ontdooien die vervolgens met alle functies intact.’

Stewart keek naar de grond en het meisje met de nagellakremover hield mijn hand losjes vast.

‘Ik heb dat ergens gelezen,’ zei ik.

‘Ja, mevrouw,’ zei Stewart. ‘We bidden voor prins Louis. Maar probeer niet te veel hoop te koesteren.’ Een onuitgesproken ‘dit keer’ hing tussen ons in. Ik voelde tranen prikken in mijn ogen. Louis was de enige die me had omhelsd toen mama was overleden, ook al was hij woedend op me. Ik wist op dat moment nog niet dat het een van de laatste keren was dat een familielid me in de armen zou sluiten.

Ongevraagd komt er een andere herinnering in me op: een skivakantie met z’n vieren naar Courchevel. Louis en ik droegen identieke rode jassen. Mama zag er oogverblindend uit in haar witte Fendi-skipak en haar chique spiegelende skibril bedekte haar betraande ogen. Ik had ze die ochtend weer horen ruziën in hun suite. Het dichtslaan van deuren, mama’s gesmoorde gesnik. De fotografen stonden op eerbiedige afstand op een sneeuwbank toen ze ons hielp met onze stokken en jassen. Toen papa voor me neerknielde en mijn al vastgegespte skischoenen nog strakker aantrok, klonken de klikken van de camera’s om ons heen als krekels. Hij keek naar me op en glimlachte.

‘Kijk eens aan, liefje,’ zei hij, met de gekunstelde opgewektheid van een man die de hele ochtend ruzie had gehad met zijn vrouw maar zich groothield, voor de kinderen en voor de pers. De foto die toen werd gemaakt stond regelmatig bij berichten over onze verslechterende situatie. Dát was toen het nog goed was, beweerden de koppen dan. Vaak voegden ze er ook nog een foto aan toe

van de dag waarop Louis en ik werden geboren. Mama, jong en overweldigd, met in elke arm een baby. Papa, stralend en opgelucht dat zijn taak erop zat. De foto van mama’s begrafenis stond er ook altijd bij: Louis en ik, zeventien jaar en compleet gebroken. Ik kon me eigenlijk vrijwel niets van die dag herinneren. Die foto was het enige bewijs dat ik er überhaupt was geweest.

Toen mijn nagels schoon waren, verontschuldigde ik me en ging naar de wc, zodat ik even op mijn telefoon kon kijken. Ik was helder genoeg geweest om tijdens het inpakken mijn telefoon in de tailleband van mijn legging te klemmen toen Stewart even niet keek. In twintig minuten tijd waren er vijfenzeventig nieuwe berichten binnengekomen. Zeven gemiste oproepen van mensen die zo oud waren dat ze iemand probeerden te bellen die midden in een familietragedie zat en een uitgebreide Wikipediapagina had. De meeste waren van oom James. Als ik had opgenomen, had hij me gesmeekt om niet in dat vliegtuig te stappen. Ik tikte op de kleine icoontjes van de nieuwsberichten om de hele rij onder elkaar te kunnen zien.

breaking: Prins Frederick gewond bij skiongeluk in Zwitserland, meldt het paleis.

breaking: Prins Frederick, zijn zoon prins Louis en hertogin Amira’s broer Krishiv Shankar gewond geraakt tijdens het skiën in Zermatt, Zwitserland. Volg onze liveblog voor updates.

breaking: Troonopvolger prins Frederick overleden op 63-jarige leeftijd na lawine, bevestigt de koningin. Prins Louis in ‘kritieke toestand’.

breaking: Prins Louis naar verluidt in kritieke toestand; schoonbroer Krishiv Shankar ‘hersendood’ na dodelijk skiongeluk waarbij prins Frederick omkwam.

kijk nu live: Britse premier Jenny Walsh spreekt het volk toe na de donkerste dag in de geschiedenis van de monarchie. Volg hier de laatste ontwikkelingen.

breaking: Geen spoor van prinses Alexandrina na skitragedie waarbij haar vader omkwam en haar broer in kritieke toestand verkeert.

Ik veegde de overgebleven nieuwsalerts van het scherm en haalde trillend adem. Mijn berichten waren een warboel van condoleances, uitroeptekens en vraagtekens.

Stuur even een berichtje als je geland bent, oké? Bel als je eraan toe bent, het maakt me niet uit hoe laat het is, had Jack gestuurd vlak voordat we vertrokken uit Hobart.

Stewart had Finn en hem niet mee laten gaan in de helikopter. Hij had erop gestaan dat er alleen plek voor mij was. Terwijl de helikopter optrok, keek ik hoe ze achterbleven en steeds kleiner werden. Ik nam aan dat ze de trip toen maar hebben afgebroken, de tenten ingepakt en de veerboot naar huis hebben genomen. Ik stelde me voor hoe ze in onze gezellige woonkamer zouden zitten met het nieuws aan op tv, overal slaapzakken en laarzen, die wekenlang zouden blijven liggen omdat ik er niet was om hun te zeggen hun spullen op te ruimen. De troep zou er nog steeds liggen als ik terugkwam over een maand. Zes weken max. Finn zou grijnzen en zeggen: ‘Sorry, poppie’, terwijl ik in mijn oude rol gleed en deed alsof ik me druk maakte over dure kampeerspullen. Jack zou tegen de deur leunen en naar me glimlachen. Papa zou nog steeds dood zijn, maar Louis zou weer wakker zijn geworden, zijn hersencellen in perfecte staat ontdooid. De rechtmatige erfgenaam zou gespaard zijn gebleven, zijn bediendes zouden me binnen de kortste keren terugsturen naar Australië, dat wist ik zeker.

Het vliegtuig brak door de wolken boven het eiland en steeg op naar het licht erboven. Ik scrolde door de lijst met gemiste oproe-

pen en berichten. Toen zag ik een bericht van Amira. Het eerste in drie jaar. Lexi, kom alsjeblieft naar huis. Ik heb je nodig.

Louis en ik waren de eerste tweeling in meer dan driehonderd jaar. In 1660 werd koning Charles ii verliefd op onze voorouder Barbara Villiers. Ze was lang en beeldschoon, met een wilde bos donker haar en verleidelijke heupen. Ze kwam uit een adellijke maar in armoede vervallen familie en was al getrouwd. Dus maakte de koning Barbara tot zijn officiële maîtresse en trouwde om politiek gunstige redenen met Catharina, een Portugese infanta die nauwelijks Engels sprak en geen kinderen bleek te kunnen krijgen.

Barbara zou slechts een voetnoot in de geschiedenis zijn gebleven, ware het niet dat er drie jaar later in Whitehall een pokkenepidemie uitbrak. Eerst stierf Barbara’s echtgenoot. Toen koningin Catherina. De volgende dag trouwde koning Charles met zijn maîtresse en was Barbara niet langer de ‘ongekroonde koningin’ van Engeland. Binnen enkele maanden was ze zwanger van een tweeling en de vrouw die ooit werd verafschuwd als hoer van de koning, was plotseling de draagster van de troonopvolger en diens reserve.

Slechts één van de tweeling overleefde de geboorte. Er was iets mis met het meisje, ze werd te klein en grauw geboren. Haar broer William had vermoedelijk op haar krachten geteerd, want hij kwam blakend van gezondheid ter wereld, met mollige knietjes en wangen als kadetjes.

Door het baren van een gezonde zoon had Barbara zichzelf in één klap gekatapulteerd naar de meest begeerlijke positie die er was: de moeder van de toekomstige koning. Maar het lot was nog niet klaar met haar. Drie jaar later, toen de pokken opnieuw over Londen raasden, bezweek Charles aan de ziekte, en werd de driejarige William tot koning uitgeroepen. Barbara, die haar invloed aan het hof intussen zorgvuldig had opgebouwd, nam de rol van

regentes op zich en regeerde in naam van haar zoon totdat hij oud genoeg zou zijn om zelf de kroon te dragen.

Het Engeland dat wij kennen werd gevormd door de smalle, fijne handen van Barbara. Een Schotse opstand tegen haar bewind werd met ijzeren hand neergeslagen. Ze schafte de titel prins van Wales af en kroonde haar zoon – en iedere mannelijke erfgenaam na hem – tot prins van Schotland. Het Huis Stuart van koning Charles hield nooit officieel op te bestaan, maar wij Villiers kropen erdoorheen als klimop. We kronkelden langs balken en kozijnen omhoog, tot we als het ware als een groene sluier over het dak uitwaaierden. Het is haar naam die we dragen, haar nalatenschap die ons gevormd heeft. En dit alles kwam voort uit de tweeling, het meisje dat stierf en de jongen die bleef leven.

Drie eeuwen later werd er van Louis en mij verwacht dat we de gevaren van een geboorte moeiteloos zouden doorstaan en de toekomst van de monarchie in een vernieuwende, interessante richting zouden sturen. De kwestie van wie de kroon zou opvolgen was al beslecht: de eerstgeborene. Tenzij dat een meisje bleek dat gevolgd werd door een levende broer. In dat geval zou zij al bij het eerste zicht op zijn vorstelijke piemeltje onverbiddelijk een plaats afglijden in de lijn der erfgenamen.

De ochtendtalkshows in 1993 konden hun plezier niet op. Presentatoren speculeerden gretig en eindeloos over de constitutionele gevolgen van mama’s zwangerschap. Wat als prinses Isla een keizersnede zou krijgen en de arts in de buik twee jongens aantrof?

Dan lag het lot van het Britse koningshuis plots in de steriele handen van een dokter. Hij zou zijn hand in de gapende wond steken, waar twee baby’s verstrengeld als vissen lagen, en eigenhandig de toekomstige koning eruit trekken. Sommigen pleitten zelfs dat de laatstgeborene in feite als eerste was verwekt, en om die reden de ware erfgenaam was van het koningschap. Maar dat ging de roddelpers zelfs te ver.

Het paleis voelde de dreiging van een constitutionele crisis. Toen

de bevalling van mijn moeder het twintigste uur bereikte en de arts voorstelde een keizersnede te overwegen, werd de koningin telefonisch geraadpleegd. Haar oordeel was onverbiddelijk: Isla moest deze baby’s op natuurlijke wijze ter wereld brengen. Ingrepen zouden alleen plaatsvinden als het leven van beiden daadwerkelijk in gevaar was. Over het leven van Isla zelf, die toen twintig jaar was en een van de meest beroemde vrouwen ter wereld, werd met geen woord gerept. Destijds probeerde ze nog altijd wanhopig haar best te doen in alles wat ze deed en zevenendertig minuten nadat haar schoonmoeder had geweigerd haar lijden te beëindigen, baarde Isla een gezonde jongen. Twee minuten later volgde ik, bleek, stil, en vrouwelijk.

Terwijl papa zijn opvolger in zijn armen nam, werd ik naar een andere kamer gereden, omringd door artsen en verpleegkundigen die slangetjes met zuurstof aan me vastmaakten. Mijn moeder kreunde van pijn en angst tot ik eindelijk, een eeuwigheid of zestig seconden later, een oorverdovende kreet losliet. Ze had het geflikt. In één middag had ze een erfgenaam en een reserve ter wereld gebracht. Ik stel me zo voor dat iedere vrouw in de koninklijke familie, of het nu 1664 of 1993 is, dat moment hetzelfde beleeft. Die ingehouden adem van de artsen die over het kronkelende wezentje heen gebogen staan: gaat de baby het redden? Is het een jongen?

Ben ik nu eindelijk, eindelijk veilig?

In de jaren negentig hadden prinsessen een zekere culturele status. De tabloids hunkerden naar designerjurken, glanzend haar en foute vriendjes. En naar Westminster-bruiloften met een goedzak die de prinses zou voorzien van schattige mollige baby’s (en de strijd om het kwijtraken van zwangerschapskilo’s). Louis was de toekomst, ik was het accessoire. Zes uur nadat ze ons op de wereld had gezet, werd onze moeder uit bed gehesen en werden haar haren geborsteld tot ze glansden. Er werd een wijde zeeschuimgroene zwangerschapsjurk over haar hoofd getrokken. Dit was nog ver voordat haar rebelse periode van mannenblazers, Calvin

Klein-minimalisme en oversized shirts aanbrak die de trends tot de dag van vandaag bepaalt. Zij is de reden dat iedere vrouw ter wereld sneakers onder een jurk draagt. Soms loop ik door de stad en zie ik een meisje in versleten Levi’s, een mannenshirt en een pet over slordige haren. De after-divorce-Isla-look, noemden ze die.

Maar op die dag in 1993 stond ze op de trappen van het ziekenhuis in wat in feite een groene tent was – de stof zo dun en fragiel dat ze vast doodsbang was dat ze met één nies het hele steriele postpartumplaatje om zeep zou helpen. Papa stond naast haar in zijn tijdloze Savile Row-pak, zo mogelijk nog nerveuzer dan zijn jonge vrouw.

De paleismedewerkers hadden het moment tot in de puntjes geensceneerd. Isla zou naar buiten komen met ons in haar armen, de tienerbruid omgetoverd tot vorstelijke moeder. Daarna zou papa de jongen van haar overnemen en zouden ze poseren met ieder één kind. Maar in het verblindende licht van de camera’s vergat hij zijn regieaanwijzing. Hij stond daar maar, terwijl mama, wankel en verkrampt van de pijn, op haar kiezen beet terwijl ze vijf kilo aan baby’s tegen zich aan drukte onder het toeziend oog van de wereld. Uiteindelijk opende een van de medewerkers de deuren van het ziekenhuis, begeleidde haar terug naar binnen en nam de baby’s uit haar magere armen voor ze zich in haar rolstoel liet zakken.

Men zegt dat vierduizend mensen zich voor de hekken van het paleis hadden verzameld om de bekendmaking van onze namen te horen. Er werd een schildersezel bij de ingang geplaatst met daarop het koninklijke bericht:

Prins Louis Arthur Albert Lawrence, geboren op 28 december 1993 om 14.02 uur

Prinses Alexandrina Anne Barbara Mary, geboren op 28 december 1993 om 14.04 uur

Negentwintig jaar later werd er opnieuw een schildersezel bij de paleispoort geplaatst:

Prins Louis is vanmiddag vredig overleden in het Visp Medical Centre. Zijn vrouw Amira, hertogin van Somerset, was aan zijn zijde. Zij keert vanavond terug naar Londen, waar ze bij de koningin zal verblijven. Prinses Alexandrina wordt morgen in Londen verwacht.

Amira had, met toestemming van grootmoeder, ingestemd met het stopzetten van Louis’ beademing toen ik ergens boven de Koraalzee vloog. Voor haar broer Kris had ze dat tien minuten eerder al gedaan. Later meldde de Daily Post dat een Zwitserse arts mij zogenaamd in het vliegtuig had gebeld om hun medische evaluatie van Louis’ overlevingskansen met mij door te nemen. We zouden in het Frans hebben gesproken, en ik zou snikkend hebben ingestemd met het beëindigen van de behandeling. Het zou zelfs mijn idee zijn geweest om eerst zijn organen af te staan. Ik kon niet achterhalen wie deze leugen naar de Post had gelekt, waarschijnlijk mensen die werkten voor grootmoeder, om haar in een warmer licht te zetten. Of misschien Stewart, in een poging mijn reputatie te redden.

Want in werkelijkheid werd het nieuws niet doorgegeven aan de piloot zoals beloofd, maar werd het me verteld tijdens een tussenstop in Singapore.

‘O,’ had ik uitgebracht toen Stewart het me vertelde. Ik voelde me zo wankel dat het meisje dat mijn nagellak had verwijderd mijn arm vastpakte uit angst dat ik zou neerstorten op het asfalt. ‘Mag ik nu met Louis praten?’

Stewart en het meisje wisselden een blik.

‘Nee, mevrouw,’ sprak Stewart langzaam. ‘Zoals ik u zojuist vertelde is prins Louis twee uur geleden overleden.’

Ik schudde mijn hoofd. Toen we baby’s waren konden Louis en ik alleen maar slapen als we verstrengeld in het bedje lagen. Als

peuters brabbelden we in een zelfbedacht taaltje. Hij gaf me een glimworm in een potje, hij droeg me op zijn rug toen ik mijn voet aan een oesterschelp had geschaafd. Louis en ik waren twee op het raam getekende sterretjes en ik kon niet geloven dat hij was weggevaagd in de mist zonder mij.

‘Nee,’ zei ik weer. ‘Er moet een fout zijn gemaakt. Als je me gewoon even met hem laat praten…’

Opeens begonnen mijn knieën te knikken en het meisje viel bijna om toen ze me probeerde overeind te houden. Zonder ouders en zonder broer zat er voor mij niets anders op dan te accepteren dat Stewart me terug in het vliegtuig begeleidde dat me naar mijn familie zou brengen. Maar ook al kwam ik met elke kilometer dichter bij Londen en dichter bij de troonopvolging, in het Huis van Villiers was ik nog altijd een paria.

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.