Reineringen
Duivenstraat 22
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich Verschijnt driemaandelijks • Jaargang 10, nummer 4 (oktober - december 2019)
D
Voorwoord
e Kelten. Van zodra je de naam van dit volk uitspreekt, roep je een aantal beelden op die wel vastgeankerd lijken in ons denken over de Kelten. We denken aan Asterix en Obelix in hun eeuwige drang om menhirs te verslepen en everzwijnen te verorberen, aan druïdes die maretak snijden en er toverdrank van maken. Of toch, als ze niet in hun vingers snijden. En we kennen ze ook van merkwaardige feesten, zoals Halloween. Tenminste, we denken dat we ze kennen. Maar eigenlijk weten we – net zoals bij de Vikingen – heel weinig over dat mysterieuze volk. Clichés overheersen die kennis. En dat verklaart het beeld van de barbaarse en ongecultiveerde krijger die naar de uithoeken van West-Europa werd verjaagd. Dat beeld kan grotendeels worden verklaard door het feit dat de Kelten heel weinig materiële dingen hebben nagelaten en ook zo goed als geen geschreven geschiedenis hebben. En net daardoor ging onze vroege wetenschap steunen op wat Romeinse auteurs over de Kelten schreven. En we weten ondertussen dat die auteurs – Caius Julius Caesar voorop – in de eerste plaats voor de eigen galerij schreven en dat het imago van de woeste, ongedisciplineerde, maar uiterst moedige Keltische krijger alleen maar de uitzonderlijke prestatie van het Romeinse leger in de verf zette. En zoals we allang weten, de winnaar heeft altijd gelijk. Of toch niet? In dit speciale nummer van Reinigingen proberen we een tipje van de sluier te lichten en de Kelten enigszins uit de nevelen der tijd naar voren te laten treden. We doen dit aan de hand van een viertal bijdragen die de Kelten in een breder daglicht stellen, maar ze – in de mate van het mogelijke – ook aan Kontich koppelen. In een eerste bijdrage schetst classicus Chris Peeters (voorzitter van de Gemeentelijke Erfgoedraad) de Kelten in de klassieke literatuur, waarbij hij poogt om fictie van waarheid te onderscheiden. Dat Kontich noch Waarloos in de klassieke literatuur aan bod komt, zal wel niemand verbazen, ook al kunnen we nooit met zekerheid ontkennen dat Julius Caesar ooit zijn paard aan de Dorre Eik heeft vastgemaakt… Als keizer Karel in Olen is geweest, waarom zou Jules Cesar dan niet Kontich zijn afgestapt. In een tweede bijdrage schetst historicus Peter Van Hooren (lid van de Gemeentelijke Erfgoedraad) de Kelten vanuit historisch perspectief. Zijn bijdrage sluit mooi aan op de literaire rondgang van Chris Peeters, maar maakt De Gallo-Romeinse tempel van Contiacum ook meteen de link naar onze gemeente. En dat ze hier geweest zijn, staat buiten kijf. In een korte bijdrage wakkert Marc Vincké de discussie rond de naam Kontich verder aan. Die discussie is al heel lang aan de gang, ze is begonnen bij de eerste beschrijving van de naam, opgepikt door Robert Van Passen en later verdergezet door Freddy Michiels. Het lijdt weinig twijfel – gezien de tegengestelde standpunten - dat dit punt nog altijd niet is beslecht en dat verder onderzoek misschien ooit wel tot de definitieve verklaring van onze dorpsnaam zal leiden. Maar tot dan blijft de discussie open. In een vierde tekst focust Paul Catteeuw op de immateriële erfenis van de Kelten. Een aspect dat – zo mogelijk – nog moeilijker te vatten is, wegens het totaal ontbreken van geschreven bronnen op dit vlak. Alhoewel, Contius doet een opmerkelijke verschijning. Voorzichtigheid blijft echter geboden. In dit nummer ontbreekt een verslag van de archeologische vondsten die betrekking hebben op het Keltische Kontich, maar de mensen van AVRA hebben ons beloofd om in de nabije toekomst ook die lacune op te vullen. We hopen dat dit Keltennummer de lezer zal bevallen en dat hij/zij met ons Dichtung van Wahrheit kan onderscheiden. Paul Catteeuw, Frank Hellemans, Erwin Van de Velde en Paul Wyckmans