Reineringen
Duive
nstraat 22
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich Verschijnt driemaandelijks • Jaargang 14, nummer 1&2 (januari -juni 2023)
U
Voorwoord
heeft ditmaal wat langer geduld moeten oefenen. Omwille van praktische omstandigheden is het nummer één van onze veertiende jaargang niet tijdig kunnen verschijnen, maar we trachten dit goed te maken met dit dubbelnummer. Zo hopen we daarmee onze redactieschuld bij u, lezers, in te lossen. Dit dikke nummer biedt ons in ieder geval de gelegenheid om een heuse caleidoscoop aan onderwerpen aan te bieden. Een mooi initiatief, gerealiseerd door een meisje uit het tweede jaar binnen het leervak aardrijkskunde op Sint-Rita, trekt onze speciale aandacht. In gesprek met buren verhaalt ze een stukje voorgeschiedenis van haar woonbuurt aan de Doopput. Ook een nostalgische terugblik op 50 jaar levensvreugde in Kontich ter gelegenheid van een gemeentelijke viering in 1990 willen we u niet onthouden. Arthur Janssens bedankte hiermee de aanwezigen en het gemeentebestuur. In datzelfde kader past ook het tweede artikel van Paul Wyckmans over het muzikale leven in en rond de Sint-Ritakerk grosso modo tussen 1960–2020. Ilse Van Weert kan ons heel wat vertellen over het Heilig Hart in al zijn aspecten. In deel III wordt de oorsprong van deze verering belicht en hoe dit bij de gelovigen leefde. Zo komen we bij de lokale geschiedenis van Sint-Reinildis met een verslag van onze druk bijgewoonde lezing van Alfred Michiels die later nog een aanvulling stuurde met zijn visie op de naam ‘Altena’. In het tweede deel van deze lezing leerden Paul Catteeuw en Frank Hellemans hoe toponiemen ontstaan en hun rol bij het geven van straatnamen in Kontich, een werk dat zij op vraag van de gemeente tot een goed einde wisten te brengen. Zo zullen circa 220 straatnamen in verschillende afleveringen in de volgende nummers van Reineringen aan bod komen. De gemeente kan zo bij het vernieuwen van oude straatnaamborden een begeleidende verklarende tekst mee aanbrengen, zinvol voor nieuwe en huidige bewoners. Hierbij aansluitend willen we even blijven stilstaan bij de publicatie van een schitterend boek over ‘Straten in Edegem’, uitgegeven door de historische gidsen aldaar. En tenslotte, Abraham Hans komt weer een beetje tot leven. Een leeshuisje geeft meer uitleg. Maar ook de ramp van Mortsel, tachtig jaar geleden, komt aan bod. Getuige hiervan is de foto op deze beginpagina. De redactie
Robert Van Passen 1923-2023 De mens achter het monument
I
n den beginne was de Kring voor Heemkunde een vereniging met prestige. De stichter was dan ook een hoog gerespecteerde geestelijke en wetenschapper. Z.E.H. Van Herck verzamelde tijdens de tweede oorlog enkele notabelen rondom zich in de dekenij om ons lokaal erfgoed te beschermen tegen de Duitse bezetter. Het toeval wou dat één van zijn oud-leerlingen van het Sint-Lievenscollege – met wortels in ons dorp aan het Sint-Jansplein – Germaanse Filologie ging studeren en Kontich als onderwerp koos om te promoveren, eerst als licentiaat en daarna als doctor in de Letteren en Wijsbegeerte. Vanzelfsprekend werd deze jonge student – en iedereen weet ondertussen dat het over Robert Van Passen gaat – tot de vergaderingen toegelaten.
Ouderlijk huis aan het Sint-Jansplein 20 - Pentekening van Joris Olyslaegers van het ouderlijk huis - Robert Van Passen
Voorstelling van “geschiedenis van Kontich” in 1 Van Passen, Albert Cools, Gummarus Kem
.1&
14
2
en
ng
eri
in Re
Niemand zal toen wel vermoed hebben dat Robert tot een bijna “legendarische” figuur zou uitgroeien, zeker voor de Kontichse bevolking. Ik heb altijd met ontzag over hem horen spreken, maar anderzijds kwam hij ook heel minzaam over. Niet alleen voor zijn “broodheren” op het gemeentehuis, maar ook voor jan en alleman. Zo heeft hij zich zijn hele leven ten dienste gesteld van onze gemeente en onze gemeenschap. Wie daar meer wil over weten, kan het artikel lezen dat in het Informatieblad van ons lokaal bestuur is verschenen. Van Passen was als een middeleeuwse monnik die met engelengeduld alle aspecten van de Kontichse samenleving (en later ook van Waarloos en andere gemeenten) in kaart bracht, onderzocht, registreerde en ordende. Zijn archief – notities, gekopieerde of nauwgezet overgeschreven documenten en noem maar op – was indrukwekkend. Tijdens de maandelijkse vergaderingen van de kring moet hij degene zijn die het meest aan het woord is gekomen. Hij had maar een paar velletjes papier uit een stapel te halen en hij was vertrokken. En uiteraard was dat ook de bron voor zijn vele artikels, lezingen en toespraken voor ons of voor andere gelegenheden. Er werd vaak een beroep gedaan op zijn eruditie, of moeten we eerder schrijven “zijn schat aan informatie”. Van Passen was in de eerste plaats kopiist. Dat stond soms wel “een (al dan niet gedurfde) visie” in de weg, die sommige andere kringleden wel hadden. En die hij vaak negeerde, als hij vond dat ze te weinig “schriftelijk” gefundeerd was. Hijzelf was dan ook de kampioen van de citaten en voetnoten. Toen hij met emeritaat ging, was ons kringbestuur verwonderd dat zijn universitaire ex-collega’s hem geen liber amicorum hadden aangeboden.
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
2
Uit “welingelichte bron” vernamen we later dat hij niet zo populair was in academische kringen. Op initiatief van ondervoorzitter Ludovic Hellemans besloten enkele leden echter die taak op zich te nemen. En zo is dan – ook in 1993 – In Verscheidenheid tot stand gekomen, onder de redactie van Paul Catteeuw en Frank Hellemans. Toen rustend pastoor-deken Van Herck zich uit de kring terugtrok en zich de laatste jaren van zijn leven in Mortsel liet verzorgen, was het vanzelfsprekend dat ondervoorzitter Robert Van Passen de fakkel van voorzitter overnam. Het was wennen: Van Herck was altijd aanwezig geweest in zijn herenwoning in de Duivenstraat, waarvan hij een deel had laten verbouwen voor de kring. Van Passen was wel vaak elders aanwezig in Kontich, maar moeide zich niet met het kringleven. Gelukkig was er een raad van bestuur die goed op elkaar was ingespeeld en buiten Van Passen om een vlotte werking garandeerde. Zo konden er dan toch tal van activiteiten plaatsvinden, zoals lezingen en thematentoonstellingen, en publicaties worden uitgegeven. Vaak was de inbreng van Robert onontbeerlijk en hij volbracht dan ook met plezier wat was afgesproken. Maar voor enig “praktische” inzet bedankte hij. Met veel plezier nam hij achteraf wel de honneurs waar. Een keer is dat de kring toch zuur opgebroken. Ter gelegenheid van ons 50-jarig bestaan in 1993 had conservator Joris Olyslaegers met enkele medewerkers een prachtige tentoonstelling opgezet rond het thema “Licht”. Licht paniekerig smeekte Van Passen om nog op de valreep voor de opening een rondleiding te krijgen zodat hij een inleidende toespraak kon geven met zinnige informatie zonder door de mand te vallen. Dat had hij – achteraf bekeken – beter anders aangepakt. De conservator was zo op zijn teen getrapt dat hij dezelfde avond nog besloot ontslag te nemen. En dat heeft de kring geweten. Sindsdien hebben wij niet meer dezelfde uitstraling, ook al blijft onze reputatie in het Antwerpse ongeschonden. Maar goed, de overblijvende leden waren nog voldoende jong en krachtig om alles weer op het juiste spoor te krijgen. De derde (en ook weer huidige) voorzitter Paul Catteeuw heeft ons een nieuw elan gegeven. Er zijn nog heel wat memorabele data in de geschiedenis van het kringleven om trots op terug te blikken. En we hebben Reineringen, ons rijkgevulde tijdschrift. En de erkenning van de gemeente, die zo vaak een beroep doet op ons voor uiteenlopende opdrachten. Maar het is voor een groot deel dankzij die “legendarische” historicus, Robert Van Passen, dat dat zo vlot verloopt. Dus nog wel geen Van Passenlaan in een Kontichse dorpswijk, maar wel een dikke “merci” van ons allemaal. Frank Hellemans, vorige (vierde) voorzitter
.1&
eri Re in
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
ng
en
14
1988. Van links naar rechts: Jef Plasmans, Robert mpenaers, Ludo Verbaet en Jef Van linden
De laatste jaren van zijn leven ondernam Robert Van Passen verwoede pogingen om op het kerkhof van Waarloos te worden begraven. Het heeft niet mogen zijn. Er waren geen doodsbrieven, we hebben zijn overlijden bijna per toeval vernomen. Enkele leden van de kring waren op de uitvaartdienst in de parochiekerk van de Heilige Geest in Antwerpen aanwezig. Naast weinig familieleden en enkele parochianen waren wij de enige aanwezigen. Hij werd begraven “in de gewone lijn” (dus zonder concessie) ergens op het Schoonselhof. Onlangs is het graf dan ook ontgraven. Voorwaar geen blijk van eerbetoon voor een legendarische figuur!
2
NASCHRIFT
3
Kontich en het bombardement van Mortsel
N
aar aanleiding van de tachtigjarige herdenking van het bombardement van Mortsel werd op het ereperk van het kerkhof in Kontich een infobord geplaatst, waarvoor we de tekst hebben aangeleverd. Je leest hem hier. 5 april 1943 is een datum die niet enkel in Mortsel, maar ook in Kontich in het collectieve geheugen staat gegrift. Op die dag verliezen negenhonderdzesendertig burgers onnodig het leven en er zijn ook honderden gekwetsten. Amerikaanse bommenwerpers willen de Erlafabriek vernietigen. In deze vroegere Minervafabriek herstellen de Duitsers hun Messerschmittvliegtuigen. Slechts enkele bommen treffen hun doelwit, maar het merendeel van de zeshonderd projectielen herschept het centrum van Mortsel in een ware ruïne. Naast honderden woningen worden ook vier scholen getroffen en vinden tweehonderd onschuldige schoolkinderen de dood. Dit waanzinnig friendly fire zorgde voor het dodelijkste bombardement in ons land. Het waarom van deze krankzinnige en uit de hand gelopen actie is tot op vandaag nooit helemaal uitgeklaard en zullen we vermoedelijk nooit kunnen achterhalen. Dat een verwaaide rookkring tot deze ramp heeft geleid is in ieder geval een hardnekkige mythe die absoluut onjuist is.
Maria Colliers en Maria Ysewijn, twee twaalfjarige schoolmeisjes (©Bert Verbeeck)
Dirk Jamin speelt Flower of Scotland & Amazing Grace op doedelzak (© Bert Verbeeck)
Ook Kontich betaalt een zware tol. Vierendertig Kontichnaars sterven op die dag of kort erna. De meesten van hen zitten op de bus die klaarstaat op het Gemeenteplein van Mortsel om hen naar huis te brengen. De bus wordt getroffen en brandt helemaal uit. Vrouwen, mannen, echtgenoten, kinderen. Zo maar uit het gewone leven gerukt. Het jongste Kontichse slachtoffer is een twaalfjarig schoolmeisje, het oudste een man van achtenzestig. De meeste slachtoffers zijn hier samen op dit ereperk begraven en herinneren ons aan de waanzin van de oorlog en van alle oorlogen waarbij de gewone mens altijd de zwaarste tol betaalt. Paul Catteeuw Voor verdere informatie: 5april1943.be/kontich Pieter Serrien, Tranen over Mortsel, Davidsfonds QR-code
en
ng
eri
in Re .1&
14
4
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
2
De tiende verjaardag van reus Contios
B
ij het begin van de lente ontstaat er op vele vlakken nieuw leven. Dieren ontwaken uit hun winterslaap. Maar niet enkel dieren. Ook Contios, onze Kontichse reus, werd wakker en toonde zich aan de bevolking. En hoe. Het was wel een koud ontwaken voor Contios, want hij had geen rekening gehouden met de maartse grillen die wind en regen stuurden. Maar het hield hem niet tegen en hij wist op twee avonden een kleine achthonderd man te boeien met een nieuw verhaal. Voor de zevenentwintigste keer ondertussen. Een reus van tien jaar met wortels in Keltische millenniumaarde. Je moet nieuw zijn in Kontich of onder een steen hebben geleefd, als je nog nooit van Contios hebt gehoord. De reus heeft zich in tien jaar tijd een naam gemaakt die voor eeuwig en altijd met Kontich zal verbonden blijven. En daar kunnen we alleen maar bewondering voor opbrengen. Meer dan tien jaar geleden stapte een ons – toen nog – onbekende man het documentatiecentrum binnen. Hij was op zoek naar de oorsprong en het verleden van Kontich en hoe de Kontichnaars eertijds feest vierden. Een beetje vreemd, vonden wij. Wisten we veel dat dit bezoekje zou leiden naar een nieuwe reus wiens naam en faam ondertussen in gans Vlaanderen en zelfs daarbuiten bekend zou worden. In het volgende nummer van het tijdschrift Volkskunde (www. volkskunde.be) – academisch tijdschrift over immaterieel erfgoed in Vlaanderen en © Wim D´Hooghe Nederland – kun je het volledige verhaal van genese tot optreden in het Halfdiep nalezen. En meteen vaststellen wat voor een parcours die wonderlijke bezoeker en zijn reus hebben afgelegd. Bruno Stappaerts is de aanstoker en trekker. Het loont de moeite om zijn verhaal te lezen. Bekijk het beeldmateriaal van hun recente Instagram pagina: Reus Contios van Kontich. In het raster vind je een goed overzicht doorheen de tien jaren van zijn bestaan, met uitleg. (https://www.instagram.com/contios_de_reus_van_kontich/) Wat heeft die Kontichse reus nu meer dan die duizend andere reuzen in België. Hij stelt zichzelf voor als een verhalenreus. Zo ontdekte hij een rijk reuzenverleden dat plots werd onderbroken. En dat klopt ook, want elk optreden staat in het teken van een nieuw verhaal dat het verleden linkt aan het heden. Zelfs zeer gerenommeerde tekstschrijvers zoals Jeroen Olyslaegers – Kontichse roots en peter van deze “jonge” reus – schreven voor de gelegenheid een nieuw verhaal. Op zich niets speciaals, maar de verhalen inspireren de gemeenschap tot verbinding en cohesie. En het is net dat sociale aspect wat onze reus uniek maakt in het reusachtige landschap van de dubbele – en meer – meters. De werkgroep REUZENplan probeert telkens om zoveel mogelijk mensen en groepen uit de lokale gemeenschap te betrekken. En voor dit optreden was er zelfs een rol weggelegd voor Oekraïense vluchtelingen die in ons dorp verblijven. Het jubileumverhaal putte uit het archeologische verleden van de omgeving. De doopput, het urneveld en locatie de Nachtegaal kwamen aan bod in het sprookjesachtige verhaal van Evi Rosiers. Op die manier wordt de Kontichse bevolking aan haar rijke verleden herinnerd en blijft het patrimonium bewaard in het collectieve geheugen van een betrokken gemeenschap. We wensen de reus – maar voor reuzen is dit eigenlijk sui generis niet nodig – een lang leven en nog vele verhalen toe. Op die manier helpt hij ook het immateriële patrimonium van onze gemeente beschermen. Lang leve Contios. Paul Catteeuw
eri Re in
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
ng
en
14
.1&
2
© Wim D´Hooghe
5
WAAR KOMT DE NAAM ALTENA VANDAAN, EN WAT BETEKENT HIJ? Een taalwetenschappelijke benadering
Alfred Michiels, classicus en toponymist uit Reet, zal zich vanaf dit nummer op regelmatige basis over plaatsnamen in onze gemeente buigen. In dit eerste stukje heeft hij het over Altena, een plaatsnaam die tot nogal wat uitspraakverwarring heeft geleden en nog steeds leidt. Toch moeten we er absoluut vanuit gaan dat de enige correcte uitspraak van Altena inderdaad Alt-e-na (met doffe e) is en zeker niet Alt-ee-na is. We hopen dat de discussie hierover met dit artikel voor eens en altijd gesloten is. (pc)
A
ltena is zowel een Nederlandse gemeente in Almkerk, Noord-Brabant, gevormd uit de fusie van drie Brabantse buurgemeenten in het Land van Heusden en Altena (oudste schrijfwijze Altena in 1145), als een Duitse gemeente in Arnsberg, Nordrhein-Westfalen. Robert Van Passen geeft in zijn Toponymie van Kontich en Lint (1962, 87-89) een overzicht van alle verklaringen van de naam. Hij gaat in zijn etymologisch werk uit van twee mogelijkheden: ofwel is Altena een plaatselijke naam, ontstaan in Kontich zelf, ofwel is het een migratienaam. 1. Plaatselijke naam: a) Carnoy, Föstermann en Abels zien in de naam een waternaam. Van Passen wijst die mogelijkheid af omdat er in de buurt van het goed Altena geen water te vinden is. b) Winkler en Bach begrijpen de naam letterlijk als ‘Al te na’. Gysseling volgt dit spoor en ziet de naam voor een spotnaam aan. 2. Migratienaam: Van Passen geeft een uiteenzetting over de mogelijkheid van migratienaam, meegebracht door vroegere eigenaars.
Alfred Michiels
In zijn Geschiedenis van Kontich spreekt Van Passen zich niet meer uit over de betekenis van de naam Altena. Ik wil hier enkele bedenkingen bijplaatsen: 1. a) De verklaring van Carnoy (Keltisch alt- ‘oever’ + Germaans aa ‘water’) is ongeloofwaardig (een Keltisch woord met Germaanse suffix) en loopt taalkundig mank. Föstermann doet het niet beter met een vergezochte verklaring. Hij vertrekt van een Germaans werkwoord alan ‘opgenomen worden’. De naam zou dan betrekking hebben op een snel aanzwellende beek. Ook dit loopt taalkundig mank. Abels vertrekt van het Germaanse aha ‘water’, maar zegt daarbij dat er voor alten- nog geen aanneembare verklaring te vinden is. b) Van Passen volgt de stelling Al te na, die hij de eenvoudigste oplossing vindt. Dit zegt hij onrechtstreeks in zijn uiteenzetting over de mogelijkheid van migratienaam. Hij schrijft daar: “In geval Altena werkelijk een gemigreerde naam zou zijn, valt natuurlijk onze interpretatie onder (1) weg.” 2. De mogelijkheid van een migratienaam bestaat, maar doet niet ter zake, want daarbij wordt geen verklaring van de naam Altena zelf gegeven.
.1&
14
6
en
ng
eri
in Re
Frans Debrabandere meende Altena te moeten vergelijken met de naam Alteby van een herberg in Assebroek die volgens amateurtaalkundige en historicus Karel De Flou (1853-1931) in 1642 Alteby werd genoemd. Debrabandere vertelt verder dat de naam Altena geen alleenstaande naam is in de Germaanse toponymie. “Iedereen kent toch Altona, nu een stadsdeel van Hamburg. Ook hier was Altona de naam van een kroeg, die in 1536 aan de grensbeek tussen Hamburg en Holstein gebouwd werd.” Hij merkt op dat de naam op het eerste gezicht wellicht vreemd aandoet, maar hij vindt de betekenis toch vrij duidelijk: ‘al te bij, al te nabij, te dichtbij’. Mijn bedenkingen hierbij zijn: Debrabandere begrijpt evenals Winkler, Bach, Gysseling en Van Passen al te bij en al te na in zijn actuele Nederlandse betekenis als ‘te dichtbij’, ‘overdreven dichtbij’. In de middeleeuwen betekende dit Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
2
echter iets anders. Al betekende ‘geheel’, zoals in geheel en al. Te was een voorzetsel dat een plaats of richting aangaf, zoals in te pas en te onpas, te dien verstande, te paard, enz. Na betekende inderdaad ‘nabij’. Al te na betekende dus ‘geheel nabij’ of ‘heel nabij’. Al te gare betekende ‘allemaal tezamen’. Om een plaatsnaam Heelnabij te maken moet men redelijk verwachten dat er in de naam ook vermeld wordt dichtbij wat. Een plaatsnaam individualiseert een bepaalde plaats, zodat ook van verder weg naar die plaats de weg kan gewezen worden. Als plaatsnaam is Heelnabij waardeloos. Tedichtbij is gewoon ondenkbaar. De naam Heeldichtbij kan wel gegeven worden aan een herberg, omdat deze herberg een louter plaatselijk belang heeft in een omgeving waar iedereen weet vanuit welk standpunt de herberg ‘heel dichtbij’ ligt. We zoeken daarom verder naar een zinnige betekenis van de naam Altena. Mogelijk ligt aan de basis ervan het Latijnse woord altum, dat ‘hoogte’ betekent (woordstam alt-). Aan de Latijnse stam Alt- werd het suffix -īnum gekoppeld (suffix dat betrokkenheid of bezit uitdrukt), wat aangeeft ‘behorend tot’. Zo bekomt men altīnum, meervoud altīna, wat dan ‘de hoger gelegen gronden’ betekent, zoiets als de Vlaamse naam Hoogenbempt. Wanneer de Germaanse Franken zich in onze gewesten vestigden, namen ze de reeds bestaande plaatsnamen over, maar spraken die dan uit met hun eigen tongval, waarbij ze in de overgenomen namen de klemtoon steevast verplaatsten naar de eerste lettergreep. Wij doen dit trouwens nog altijd. *Altīna (met klemtoon op de tweede lettergreep) wordt Áltĭna door verspringing van de Germaanse klemtoon naar de eerste lettergreep, waardoor de lange i verkort. Dat evolueert verder tot Áltena door verdoffing van de i naar e, zoals middeleeuws mannekin evolueerde naar manneken/menneke. Het Toponymisch woordenboek van Maurits Gysseling uit 1960, p. 49, vermeldt dat voor het Duitse Altena in 1166 beide schrijfwijzen verschijnen: Altina en Altena. In dat geval komt de naam niet uit de middeleeuwen of de moderne tijd, maar uit de Gallo-Romeinse tijd, en betekent Altena ‘de hoger gelegen gronden’.
eri Re in
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
ng
en
14
.1&
2
Alfred Michiels
7
Lezing ToponymIE kontich-Waarloos
O
nder auspiciën van de Gemeentelijke ErfgoedRaad (GER) werden op 7 februari ll. drie sprekers bereid gevonden om de oorsprong van de plaatsnamen in onze gemeente te duiden. De lezing vond plaats in het cultuurhuis Altena (met doffe ‘e’). Chris Peeters, voorzitter van GER, wist in zijn inleiding met een bewust gelegde klemtoon op de ‘é’ van Altena - al dadelijk de aandacht van het publiek te vatten. Het leeuwendeel van de avond werd voorbehouden aan de Reetse filoloog en historicus Alfred Michiels met zijn studie naar de oorsprong van de naam van onze gemeente. Aansluitend vertelden Frank Hellemans en Paul Catteeuw, leden van de Kontichse werkgroep toponymie, over hoe nieuwe toponiemen ontstaan en aan welke voorwaarden ze moeten voldoen.
IN NAAM VAN DE MAAGD VAN KONTICH
.1&
14
8
en
ng
eri
in Re
Alfred Michiels bestudeert als taalkundige niet-germanist al jarenlang de taal van de Kelten, een volk dat maar weinig geschreven bronnen heeft nagelaten. Die nalatenschap zit soms in benaming van rivieren en landschappen in onze streken. Zo werd ooit de Rupel aangeduid met het Keltische woord Rupera. Het was in zijn studie over de Rupelstreek dat de naam Condacum opdook. Duidt Condacum op de plaats aan de samenvloeiing van de Rupel en de Schelde? Vast staat dat het grondgebied van onze parochie zich destijds tot dat gebied uitstrekte. In zijn boek ‘In naam van de maagd van Kontich’ worden verschillende opties omtrent de oorsprong van Kontich besproken en weerlegd. De uitgestrekte parochie Kontich - opgericht in de vroege middeleeuwen - behoorde tot het bisdom Kamerijk en bevatte het grootste deel van de Rupelstreek en de meer noordelijk gelegen plaatsen Mortsel, Edegem, Hove en Lint. Eeuwenlang heeft de parochie van Kontich retributies afgedragen aan de abdij van Lobbes, gelegen in Henegouwen, in de buurt van de stad Thuin. Waarop steunde nu die abdij om dat retributierecht af te dwingen? Dat was te danken aan de Heilige Reinildis. Volgens de beschrijving van haar heiligenleven (vita) werd Reinildis rond 630 geboren te Condacum. Ze erfde haar geboortestreek, trad in en bracht haar erfdeel mee. Gedurende eeuwen werden in onze streken de vitae of de levensbeschrijvingen die op de heiligenkalender waren terechtgekomen, zowat beschouwd als kleine evangeliën. Deze vitae werden geproduceerd in een tijdspanne van ruwweg de 7e tot de 18e eeuw. De verhalen, goedgekeurd door de bisschoppen, speelden een rol in de geestelijke opvoeding van de gelovigen maar hadden ook meer wereldse doeleinden. In een eerste fase kwam de abdij van Lobbes op basis van deze vita in het bezit van het patronaatsrecht of het recht om een pastoor voor de parochie aan te stellen. Later kwam de abdij in het bezit van de hele parochie Kontich. De abdij en de bisschoppen vereenzelvigden in de 11e eeuw dit Condacum met Kontich, toen als Conteca aangeduid. Op basis van die constructie of redenering genoot de abdij eeuwenlang van inkomsten uit onze contreien. Het was de abdij zelf die de beschrijving van de heilige Reinilde op schrift stelde. Who else? Met de Franse Revolutie kwam een einde aan de abdij van Lobbes en zo ook aan de transfer van belastinggeld. Het mag niet verwonderen dat dit enig gegrinnik bij de talrijk opgekomen aanwezigen ontlokte. Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
2
Met zijn wetenschappelijk onderzoek naar het ontstaan, de betekenis en de taalkundige evolutie van de naam Condacum en van de huidige naam Kontich tracht de spreker een en ander te verifiëren. Hij ging op zoek naar de historische achtergrond van de heilige Reinildis, en haar link met Kontich en de Rupelstreek. Hij stelt daarbij vier, nauw aan elkaar gebonden vragen: Komt de huidige naam Kontich van Condacum, van Contiacum of van Contacum? Is Condacum, de geboorteplaats van de heilige Reinildis, het huidige Condé of het huidige Kontich, of zijn er nog bijkomende niet-onderzochte mogelijkheden? Berust de levensbeschrijving (de vita) van de H. Reinildis op historische feiten of is het verhaal deels of geheel verzonnen? Op welke basis verkreeg de abdij van Lobbes het patronaatschap (1088) en de inkomsten (1149) van de uitgestrekt parochie Kontich? En dan ontspint zich een filologische redenering, die voor de gewone leek toch enige inspanning vergt. In de Geschiedenis van Kontich (tweede uitgave – Robert Van Passen) werd een redenering over de schrijfwijze van onze gemeente ontwikkeld. Was onze streek destijds de eigendom van een zekere Contius? Maar, als Condacum als plaats bij de samenvloeiing van de Rupel en de Schelde ervan werd afgeleid, waar komt die ‘d’ dan vandaan? Dat zou te wijten zijn aan een vergissing of een latiniserende re-interpretatie van de scribent van de abdij van Lobbes. De etymologie blijft nog een probleem. Dat de schrijfwijze evolueert doorheen de tijd is aannemelijk. Zo worden volgende schijfwijzen aangetroffen: Contiek, Contike, Contich, Conteka, Condich, Contwijck (op een klokje in 1686) bestemd voor Kontich. Vanaf de 19e eeuw raakt de schrijfwijze Contich veralgemeend (cf. ons kerkhofportaal). Wijlen amateurhistoricus en heemkundige Kontichnaar Ludovic Hellemans komt de eer toe de eerste grondige historische studie over de vita Renildis te hebben geleverd. Zijn historische kritiek heeft de aanzet gegeven om de historische geloofwaardigheid van een deel van de vita in vraag te stellen (zie Jaarboek 2 – 2001 – Vita Renildis sic – een uitgave van de Koninklijke Kring voor Heemkunde). Hij verwerpt in zijn conclusie de historiciteit van vele details van het heiligenleven. De geboorte van Reinildis in Kontich en de schenking van de parochie Kontich aan de abdij van Lobbes in de 7e eeuw beschouwt hij nog wel als historische feiten. Ook Ludovicus was een kind van zijn tijd. De spreker gaat nog verder in zijn conclusie. Als klassiek gevormd filoloog met kennis van de Keltische taal en van de plaatsnaamkunde in Vlaanderen heeft hij op basis van archeologische vondsten de eerdere publicaties aan historische kritiek onderworpen. En zo kwam de geschiedenis achter de geschiedenis van de heilige Reinildis tot stand. De aandachtige lezer heeft wellicht zelf al een conclusie kunnen trekken. Voor een meer en gedetailleerder antwoord wenst op voormelde vier vragen, verwijs ik graag naar reeds eerder geciteerde boekwerk van de schrijver. In de Sint-Martinuskerk kan je nog het door Jozef Poels, uit citroenenhout gesneden heiligenbeeld van de SintReinildis bezichtigen. (Wist hij in 1952 toen al meer?) Zie: https://www.museumkontich.be/Sprokkels/Een%20Kontichse%20heilige%20-%20Sint%20Reinilde.pdf
Straatnamen in Kontich
eri Re in
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
ng
en
14
.1&
2
Het tweede gedeelte van de avond werd, zoals gezegd, ingevuld door het vlotte relaas van Frank Hellemans en Paul Catteeuw, over de straatnaamgeving in ons dorp. De procedure om een naam van een nieuwe straat toe te kennen en de adviserende rol van de straatnamencommissie werd toegelicht. De commissie hanteert daarbij een aantal basisregels. Als tien jaar na het overlijden, de faam en betekenis nog relevant is, kan zijn of haar naam in aanmerking komen voor een straatnaam. De schrijfwijze is bij voorkeur helder. Vrouwennamen worden – als inhaalbeweging – gepromoot. Het achtervoegsel lei duidt erop dat het een verbindingsweg betreft. Wie meer wil weten omtrent de oorsprong van de ruim 220 straatnamen van Kontich, kan bij de Kring terecht. We gaan die uitleg in de volgende nummers van Reineringen publiceren (zie verder). Er loopt trouwens een gemeentelijk project om elk straatnaambord te voorzien van een historische duiding. Interactie kwam er toen het publiek vragen kon stellen omtrent de oorsprong deze of gene straatnaam. Dat was een kolfje naar de hand van het sprekersduo. Witvrouwenveld duidt erop dat het in die omgeving spookte, en dat er af en toe aardmannetjes opdoken. Soms is de oorsprong onduidelijk, zoals voor de Magdalenastraat, ooit de winkelstraat van Kontich. Lees ook het artikel Kontichse straatnaamgeving – een straatje zonder eind, gepubliceerd in de Kontichse sprokkelingen. (https://www.museumkontich.be/Sprokkels/Straatnamen.htm )
9
Slotwoord
De burgemeester verwees in zijn dankwoord naar het gemeenschapsvormende aspect van de naamgeving. Eerder dan het verleden te vergeten, of weg te moffelen, verkiest Kontich om het verleden te duiden. Vandaar ook het reeds vernoemde initiatief om op de straatnaamborden de oorsprong van de naam te verklaren. Hij benadrukte nog de verdienstelijkheid van de adviezen van de straatnamencommissie. Tevens deed hij een oproep naar vrijwilligers voor deze commissie. Weliswaar met de waarschuwing dat geduld een noodzakelijke eigenschap is: ideeën moeten soms lang rijpen vooraleer ze algemeen worden aanvaard. En dit met de anekdote van de Vierschaar. In één adem maakte hij nog publiciteit voor het spektakel dat eind maart 2023 in Het Half Diep wordt opgevoerd rond de reus Contios. Het was een geslaagde lezing, alleen, de mogelijkheid om even gezellig na te praten ontbrak. Dat zou de abdij van Lobbes beter hebben geregeld. Een toemaatje – de invloed van de moderne scribent Aansluitend bij het onderwerp van de lezing, maar er geen deel van uitmakend, toch nog volgend weetje over de invloed van de moderne ‘scribent’. Gemeentenamen werden ooit geofficialiseerd. Voor zover ik weet is het laatste K.B. daaromtrent het koninklijk besluit van 24.06.1988 tot vaststelling van de gemeentenamen (B.S. van 06.07.1988). Opvallend is dat de gemeentenamen daarin werden gepubliceerd in hoofdletters. Het probleem van de accenten voor de Franstalige gemeenten werd zo ontweken. Thans is het niet meer zo duidelijk. Er is een interpretatie die zegt dat de macht om een naam toe te kennen of een bestaande gemeentenaam te wijzigen, toekomt aan de decreetgever, voor zover het geen taalgrensgemeente is. Het recht om een gemeente te creëren en de grenzen ervan te wijzigen, brengt immers het eponiemenrecht met zich mee (cf. de gemeente Pelt). Als gevolg van de technologische evolutie en de Europese Richtlijn inzake Infrastructuur voor Ruimtelijke informatie in de Europese gemeenschap (INSPIRE), beginnen terug accenten op te duiken. Een voorbeeld: schrijven we EGHEZEE, Eghezée of Éghezée? Ook met de plaatsnamen is er iets aan de hand. Een plaatsnaam is niet strikt ruimtelijk begrensd. Vroeger waren de kadastrale planbladen allemaal ‘eilanden naast elkaar’. De schrijfwijze van eenzelfde plaatsnaam kon al eens verschillen per planblad. Maar dat sprong niet zo direct in het oog. Nu die planbladen gedigitaliseerd zijn en in één globaal plan raadpleegbaar zijn, begint dit wel op te vallen. Tevens is nu een vergelijking met de stafkaarten van het Nationaal Geografisch Instituut mogelijk. En zo zullen er op termijn ook knopen moeten worden doorgehakt. Een voorbeeld, weliswaar uit de provincie Luxemburg. 91013
AL CORE
91013
AL BORE
91013
AL BORD
91013
ALBORE
91013
ALLEORE
91013
AL CARE
91013
AL COR
Daarover kunnen toekomstige filologen dan het hoofd breken. Erwin Van de Velde
en
ng
eri
in Re .1&
14
10
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
2
De kontichse straatnamen uitgelegd
O
eri Re in
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
ng
en
14
.1&
Abelenlaan Genoemd naar Abelenlei: een berijdbare gemeenschapsweg vlakbij omzoomd met witte populieren (= abelen) Abraham Hanslaan Volksschrijver (1882-1939), auteur van de Hanskes, woonde in villa Houthulst op de Antwerpsesteenweg Achterstraat Vroegere grensstraat tussen Waarloos en Duffel Albertlei Genoemd naar koning Albert I (1875-1934) Albrecht Rodenbachlaan Dichter uit Roeselare (1856-1880), icoon uit de Vlaamse Beweging, bekend van “Vliegt de blauwvoet, storm op zee!” Alfsberg Reeds in de 15e eeuw genoemd naar “alven” (elven of aardmannetjes) die in tal van sagen voorkwamen en op deze begraafplaats ondeugende streken uithaalden Altenastraat Genoemd naar een relatief kleine straat in de woonbuurt Altena, nabij het gelijknamige kasteel (in de nabijheid van het hof van Pluysegem) dat teruggaat tot in de 13e eeuw Antwerpsesteenweg Sinds 1892, daarvoor Heerbaan en Grote Steenweg genoemd Asterlaan Bloemenwijk (1967) Astweg Vanaf 1442 genoemd naar een oorspronkelijk essenbos, en later elzenbos Azalealaan Bloemenwijk (1967) Baanvelden Genoemd naar een perceel van de hoeve Ter Beke Babbelkroonstraat Volksetymologische vervorming van Babbincrode, naar een gerooid bos in het bezit van een zekere Babbo (15e eeuw) Bautersemstraat Migratienaam voor Boutersem, een fort van de familie Berthout (ca. 1200), nu beter bekend als het Hof van Spruyt
2
p vraag van de Gemeentelijke Erfgoedraad heeft de straatnaamcommissie gezorgd voor een korte uitleg bij elke straat in Waarloos en Kontich. Naar analogie met wat je in vele andere dorpen ziet zal bij vervanging van de straatnaamborden deze korte uitleg aan de straatnaam worden toegevoegd.
11
Beekboshoek Volksetymologische vervorming van Eikboshoek Beeklaan Verwijst naar de nabijgelegen Boutersembeek Beekse Velden Verwijst naar een perceel van de hoeve Ter Beke en de nabije Babbelkroonbeek Beemdenlaan Verwijst naar de laaggelegen weilanden langs de Ooststatiestraat Bergstraat Hellende straat naar het hoogste punt van Kontich Beukendreef` Verwijst naar de statige dreef van beukenbomen die naar het Kasteel van Boutersem of Hof van Spruyt leidde Biesaard Verwijst naar een vochtig perceel van Altena waar biezen groeiden Binnenbeemd Vochtige weide gelegen tussen een aantal andere beemden van Boutersemhof Blauwesteenstraat Verwijst naar het kasteel of de hoeve Blauwe Steen, waar zich ook de galg bevond (16e eeuw) Bochtstraat Gelegen aan het perceel Grote Bocht van Altena Boomgaard Verwijst naar de boomgaard van de Grote Nachtegaalhoeve Frank Hellemans en Paul Catteeuw
Pierre hens – Edegem in alle straten
I
n dit prachtige en verzorgd uitgegeven boek beschrijft en verklaart auteur Pierre Hens niet alleen de naamgeving van de Edegemse straten, pleinen en trage wegen, maar plaatst en situeert ze ook in de juiste historische context die nauw verband houdt met de geschiedenis van de verschillende Edegemse wijken. Van de Franken tot nu. Ook het erfgoed dat het uitzicht bepaalt van straten, wordt uitvoerig besproken. Bijzondere weetjes, onbekende anekdotes, boeiende wetenswaardigheden, beklijvende gebeurtenissen, pittige details, verrassende, maar ook dramatische gebeurtenissen dragen bij tot een bijzondere kijk op 850 jaar Edegemse geschiedenis. Dit alles wordt verlucht met honderden foto’s en andere documentaire illustraties die nog nooit zijn gepubliceerd. Ze fascineren en zorgen voor een intrigerende kijk op Edegem in alle straten. Wie dit boek doorbladert en leest, leert Edegem beter kennen dan zijn eigen broekzak. Voor auteur Pierre Hens behoudt de geschiedenis van Edegem weinig geheimen. Als actief medewerker van het Historische Archief van Erfgoed Edegem, veelgevraagde historische gids en medeauteur van heemkundige werken over Edegem kennen we hem ook in onze Kontichse Heemkundige Kring als gelegenheidsauteur van heemkundige sprokkelingen, gepubliceerd in ons tijdschrift Reineringen. Paul Wyckmans
en
ng
eri
in Re .1&
14
12
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
2
DE VERERING VAN HET HEILIG HART - DEEL 3
I
n het vorige nummer van dit tijdschrift nam ik jullie mee voor een wandeling langs de Heilig Hartbeelden in onze gemeente. Ook stapten we even binnen in twee van de bekendste heiligenbeeldenateliers die ons land rijk was: atelier Haenecour en atelier Bressers-Blanchard. In dit laatste deel staan we even stil bij de herkomst van de verering van het Heilig Hart. Hoe is deze cultus ontstaan en hoe leefde dit bij de bevolking? Waarvoor stonden de Heilig Hartbonden en wat werd er van de leden verwacht?
Wortels in de Bijbel en de vroege middeleeuwen
De verering van het Heilig Hart van Christus bestond al in de vroege middeleeuwen en vond zijn oorsprong in het evangelie waar Johannes verhaalde over de met een lans doorboorde zijde van Jezus waaruit water en bloed stroomde’. Hoewel deze verwonding de rechterzijde van Jezus trof - en niet de hartstreek die eerder links gesitueerd is - kwam toch het beeld van het doorboorde Hart van Jezus op de voorgrond. Door toegewijde lezingen van de schrift, meditaties en overpeinzingen werd Jezus’ Hart met de tijd het onderwerp van mystieke ervaring. Op het einde van de oudheid schrijft Augustinus van Hippo, beter bekend als Sint-Augustinus, over zijn fascinatie voor het Heilig Hart van Jezus. Hij wordt dan ook vaak afgebeeld met een brandend of doorboord hart in de hand. De mystica Mechthild van Maagdenburg beschrijft in de middeleeuwen de stromen van licht die uit Jezus’ hart komen, zoals ze dit in haar visioenen heeft gezien. Ook Gertrudis van Helfta, die leefde in de dertiende eeuw, kreeg dergelijke visioenen en zag daarin dan weer een verlossende fontein uit het doorboorde Hart van Christus komen. De mystieke ervaringen die deze en nog andere mystici beschrijven, zijn echter heel persoonlijk. Van een collectieve cultus is nog helemaal geen sprake. Maar daar zal vanaf de zeventiende De Heilige Sint-Augustinus (Foto: internet) eeuw langzaam verandering in komen.
Zeventiende en achttiende eeuw: de visioenen van Margareta Maria Alacoque. Margareta Maria Alacoque was een kloosterzuster uit het zuiden van Bourgondië die leefde in de tweede helft van de 17e eeuw. In haar kindertijd leed ze aan kinderverlamming waarvan ze op onverklaarbare wijze genas. Rond die tijd kreeg ze haar eerste visioenen. Sinds haar intrede in de kloosterorde Maria Visitatie namen die in aantal en in hevigheid toe. In meerdere visioenen waarin Jezus met een bloedend hart verscheen, maakte hij haar deelgenoot van zijn verdriet vanwege het grote aantal mensen dat zijn liefde afwees. Daarom moest er een dag komen waarop zijn onmetelijke liefde centraal zou komen te staan en gaf hij haar de opdracht hiervoor een feestdag in te stellen op de derde vrijdag na Pinksteren. In navolging van haar verering voor het Heilig Hart werd drie jaar na haar dood een Broederschap van het Heilig Hart opgericht. In de 18de eeuw volgden er nog honderden van deze broederschappen. Ordes als de Jezuïeten en de Franse oratorianen promootten in die periode actief de Heilig Hartdevotie. Paus Clemens XIII erkende de devotie in 1765. In Frankrijk was de verering zo populair dat op het einde van de 18e eeuw de afbeelding van het Heilig Hart ook symbool stond voor de Franse antirevolutionairen, vasthoudend aan het katholieke geloof.
eri Re in
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
ng
en
14
.1&
2
Margareta Maria Alacoque
13
Instelling van het Heilig Hartfeest en uitbreiding van de verering in de negentiende eeuw In het midden van de negentiende eeuw, welbepaald in 1854, verplichtte de toenmalige paus Pius IX het Heilig Hartfeest voor de hele Katholieke Kerk. Van toen af werd jaarlijks op de derde vrijdag na Pinksteren een feestdag voor het Heilig Hart van Jezus gehouden. Dat het feest op een vrijdag wordt gevierd is een duidelijke verwijzing naar Goede Vrijdag. Het geeft zo het verband aan met de herdenking van Jezus’ lijden en sterven. Vermits deze feestdag meestal in juni valt, werd de maand juni voor de katholieken tot Heilig Hartmaand omgedoopt. Net zoals de maand mei de Mariamaand is. Op 8 september 1864 werd Margareta Maria Alacoque zalig verklaard. Vanaf dan werd de verering ook buiten Frankrijk zichtbaar. Dat was ook in ons land het geval. Er verschenen meer en meer Heilig Hartbeelden in het straatbeeld, meestal in de dichte nabijheid van de kerk. Ook werd er in tal van katholieke huisgezinnen een Heilig Hartbeeld in huis gehaald dat in de maand juni extra werd vereerd. Er werd namelijk beloofd dat wie zich toewijdde aan het Heilig Hart van Jezus mocht rekenen op een bijzondere genade. Wat de devote vereerders allemaal te beurt zou vallen werd beschreven in De twaalf beloften van Jezus aan de vereerders van zijn Heilig Hart. Ondertussen zijn deze beelden al vele jaren uit de huiskamerdecors verdwenen. Of toch niet overal? Opmerkzame kijkers van de populaire soap Thuis hebben waarschijnlijk al een dergelijk beeld opgemerkt achter de toog van Bar Madam? Of van daaruit nog vele gebeden tot hem gericht worden is eerder twijfelachtig. Het Heilig Hart stond symbool voor de liefde en barmhartigheid van Christus voor de mensen, maar tegelijk voor al het lijden dat hij daarvoor heeft moeten ondergaan. Omdat het hart van Jezus in nauw verband staat met zijn kruisdood wordt het steeds bloedend, met een doornenkroon en een kruis Een Heilig Hartbuste was in afgebeeld. Op de sokkel van vele Heilig Hartbeelden werden vaak de vele huiskamers te vinden. passiewerktuigen (gesel, zweep, lans, ...) afgebeeld. Om een wildgroei in de voorstellingen te voorkomen drongen officiële richtlijnen zich op. Deze werden in 1877, 1878 en 1891 door de Congregatie van de Riten vastgelegd. Dit had tot gevolg dat kunstenaars en beeldhouwers van dan af niet zomaar hun zin konden doen maar zich aan deze regels moesten houden bij het vervaardigen van hun Heilig Hartbeeld. Wat omvatten deze voorschriften zoal? Zo moest het hart worden weergegeven in een krans van vlammen of stralen en de wonde moest zichtbaar zijn. De doornenkroon moest het hart horizontaal omgeven en het hart moest bekroond zijn met een vlammend kruisje. De kerkelijke standbeelden, waarbij Jezus ten voeten uit werd voorgesteld, moesten op ware grootte zijn. Bovendien moest het hart in reliëf worden weergegeven en midden op de borst van Jezus prijken. De handen zegenend gespreid of wijzend naar het bloedende hart. In de Bijbel vinden we in het derde hoofdstuk van de profeet Habakuk: “Schittering is er als zonlicht, stralen komen uit zijn hand, waarin Zijn (God’s) kracht verborgen is”.
.1&
14
14
en
ng
eri
in Re
Een afbeelding van het Heilig Hart volgens de richtlijnen.
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
2
Grootscheepse propagandacampagne en ontstaan van de bonden van het Heilig Hart
In de tweede helft van de negentiende eeuw kwamen kerk en religie in verdrukking. Hiervoor lag de opkomst van nieuwe ideologieën zoals het liberalisme (met meer welgestelde aanhangers) en het socialisme (dat het gewone werkvolk aansprak) voor een groot deel aan de basis. Vooral bij deze laatste groep was de geloofsafval groot. De kerk voelde haar macht verslappen en besloot een tegenoffensief in te zetten. Ze beraamde een grootscheepse “mobilisatie” onder de vorm van een systematische propagandacampagne, met als doel om de ontkerstening een halt toe te roepen en uiteindelijk een van religie doordrongen samenleving te bekomen. Om hen hierbij te helpen schakelden ze de hulp in van enkele oude en nieuwe religieuze orden, zoals de jezuïeten. Op grote schaal werden er volksmissies gehouden en werden er broederschappen en vrome congregaties opgericht. Specifieke vereringen en individuele devotie werden massaal gestimuleerd. Om dit alles te propageren werden zowel verenigingen, individuele gelovigen als gezinnen op gepaste wijze benaderd in de hoop hen in te schakelen in deze dynamiek. De Gentse jezuïeten startten vanaf 1894 met het organiseren van arbeidersretraites Toch bleek volhardingswerk noodzakelijk om de arbeiders op een permanentere manier te vormen en te binden. Met het retraitehuis van Gent als voorbeeld kwam er ook een in Lier. Spoedig verspreidde dit initiatief zich ook in andere delen van het land. Wanneer het retraitehuis in Lier zijn tiende verjaardag vierde, schaarde ook kardinaal Mercier zich achter dit initiatief en pleitte hij voor een vereniging van mannelijke gelovigen. In 1897 werden met dit doel de Bonden van de vrienden van het Heilig Hart (afgekort Bond van het Heilig Hart) in het leven geroepen. De devotie van het Heilig Hart was trouwens sinds de negentiende eeuw opnieuw springlevend en werd bovendien door de jezuïeten gepromoot.
Gloriedagen en teloorgang in de twintigste eeuw
eri Re in
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
ng
.1&
en
14
De broches van de Eucharistische Kruistochten.
Leden van de Eucharistische Kruistochten stappen mee in de processie in Kontich-Kazerne (hier Ooststatiestraat rond 1945).
2
Tijdens en kort na de Eerste Wereldoorlog nam het aantal Heilig Hartbonden sterk toe. In het begin van de twintigste eeuw had Paus Pius X de gelovigen opgeroepen om meer te communie te gaan, dit werd bij de bevolking door de Bonden van het Heilig Hart aangewakkerd. Daarbij kwam nog het feit dat Margareta Maria Alacoque in 1920 werd heilig verklaard, wat de verering alweer een enorme “boost” gaf. In 1925 werd door zijn opvolger, paus Pius XI, ook het feest van Christus Koning ingesteld met de bedoeling de heerschappij van Christus over de naoorlogse samenleving te herstellen. Vanaf die periode kwamen er, naast de Heilig Hartbeelden, ook beelden van Christus Koning. Of een combinatie van beiden. Het standbeeld in onze buurgemeente Lint is daarvan een voorbeeld. En Paus Pius XI ging vastberaden door met zijn propagandacampagne. In 1928 deed hij een oproep aan de katholieken om de cultus nog meer te verspreiden en verhief hij het Heilig Hartfeest tot een katholiek hoogfeest. In navolging van deze oproep, werden talrijke parochies en gemeenten toegewijd aan het Heilig Hart en werden er nóg meer Heilig Hartbeelden op pleinen, in de straten of naast de kerken geplaatst. Niet enkel de volwassenen maar ook de kinderen werden aangespoord tot meer Godsvrucht en het daarbij horende communiceren. Met dat doel werd in 1920, in navolging van Frankrijk en Engeland, ook in Vlaanderen de “Eucharistische Kruistocht” in het leven geroepen. Deze organisatie werd geleid door de norbertijnen van de abdij van Averbode en organiseerde tal van activiteiten, vieringen en bedevaarten voor kinderen. Het weekblad Zonneland, dat als ondertitel Tijdschrift van den Eucharistische Kruistocht had, was oorspronkelijk bedoeld voor de leden van deze groepering. Na de Tweede Wereldoorlog richtte deze beweging zich ook tot volwassenen en gezinnen. Hun logo bevatte een wit kruis en een kelk dat door de leden in de vorm van een broche werd opgespeld als teken van hun
15
lidmaatschap. Ook in Kontich waren er vele kinderen en volwassenen lid van deze beweging. In het begin van de jaren 70 hield ze op te bestaan. Door de populariteit van de Heilig Hartbonden werd een centraal secretariaat noodzakelijk. Dat secretariaat kreeg zijn zetel in Mechelen. Het had geen leidende, maar een coördinerende en stimulerende taak. Daar werden ook de bondsbladen voor de leden, de maandelijkse mededelingen voor de bestuurders en ijveraars, allerlei propagandamateriaal en attributen gemaakt en verspreid. Zo ontstond een massabeweging van verscheidene honderdduizenden leden, gericht op geloofsverdieping, gebed, sacramenteel leven en persoonlijke spiritualiteit. Na de Tweede Wereldoorlog behielden de bonden nog enkele jaren dezelfde aanpak, maar fundamentele evoluties in de samenleving en in de kerk, zeker na het Tweede Vaticaans Concilie, dwongen tot vernieuwing. De klemtoon lag niet langer op een massale mobilisatie, maar op begeleiding van persoonlijke bezinning en gebed en op de bevordering van het christelijk leven. Het devotionele aspect, de Heilig Hartverering zelf, verloor terrein. De maandelijkse bondsmis met communie bleef belangrijk, maar daarnaast was er ook aandacht voor het dagelijkse persoonlijke gebed, het gezinsgebed en de pauselijke maandintentie. Vanaf 1967 werd de dubbele naam Bonden van het Heilig Hart – Kerk en Wereld gebruikt. Vanaf 1971 enkel nog Kerk en Wereld. De naamsverandering verraadde een grotere betrokkenheid op de kerken in de derde wereld en meer aandacht voor thema’s als gerechtigheid en herverdeling. Die koerswijziging kon het ledenverlies echter niet stoppen. De oprichting in 1985 van een afdeling Audiovisuele Informatie, die vooral video’s inschakelde in het apostolaat, kon dat evenmin. Het ledenaantal slonk zodanig dat einde 2012 de werking noodgedwongen werd stopgezet.
De werking van de bond
De meeste parochies hadden een Heilig Hartbond. Dit was ook het geval voor de Kontichse parochies Sint-Martinus, Sint-Rita, Onze-Lieve-Vrouw-Onbevlekt-Ontvangen en de Sint-Michaëlparochie in Waarloos. Hoewel de Heilig Hartbond in oorsprong enkel voor mannen toegankelijk was kwamen er al gauw ook vrouwelijke afdelingen. Niet zelden telden de vrouwelijke bonden in de loop der jaren meer leden dan hun mannelijke “bondgenoten”. Dat was onder andere het geval in Kontich-Kazerne, wat we uit de nauwkeurig bijgehouden notities in de jaarboekjes van de Bond kunnen afleiden. Deze mannen- en vrouwenbonden werden aanvankelijk strikt gescheiden gehouden en hadden afzonderlijke vergaderingen en misvieringen. In de loop der jaren kwamen er gezamenlijke bondsmissen. De vrouwenbond nam plaats in de linker- en de mannenbond aan de rechtermiddenbeuk van de kerk, zoals het ook voor de gewone kerkbezoekers verplicht was.
Diploma van een Kontichse ijveraar (Kring voor Heemkunde)
Heilig Hartbonders met hun vlag op weg naar het Heilig Hartbeeld in Kontich Kazerne (Foto: Soudan)
.1&
14
16
en
ng
eri
in Re
Aan het hoofd van de Bond van het Heilig Hart stond een geestelijke. Dit was in de meeste gevallen de parochiepriester die in zijn taak werd bijgestaan door zogenaamde ijveraars. Die kregen elk een wijk of enkele straten toegewezen en gingen van deur tot deur of ze spraken de gelovigen aan na de kerkdienst. Hun taak bestond er in de medeparochianen over te halen tot actief lidmaatschap en tot meer godsvrucht. Niet enkel op persoonlijk vlak maar ook in hun gezinnen. Om ook thuis aan verering te kunnen doen, werden er in vele gezinnen Heilig Hartbeelden, vaak in de vorm van een buste, geïntroniseerd (=plechtig ingewijd). In de bondsmissen werden regelmatig ook briefjes uitgedeeld waarop een gebed stond dat bij de buste in de huiskamer kon gebeden worden. Wie lid wou worden van de Bond betaalde hiervoor een jaarlijks lidgeld dat werd opgehaald door de ijveraar van de wijk of de straat. Hierbij ontving ieder lid een lidkaart, ook wel getrouwheidskaart genoemd. Op de achterzijde van Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
2
deze kaart waren twaalf vakjes voorzien, één voor iedere maand van het jaar. Ook ontving ieder lid een speldje dat op de kledij moest gespeld worden bij het ter kerke gaan of wanneer men deelnam aan activiteiten die door de Heilig Hartbond waren georganiseerd. Wie wou kon zich ook op het bondsblad abonneren.
v.l.n.r.: Een stempelkaart van de leden van de Heilig Hartbond. - Broches van de Bond. - Betalingsbewijs voor het lidgeld.
Al wie lid was van de Bond verbond zich ertoe om dagelijks te bidden en iedere eerste vrijdag of zondag (bepaald door de parochie) van de maand de bondsmis bij te wonen en daarbij - op nuchtere maag - te communie te gaan. Deze bondsmis was de vroegste mis, vaak al om zes uur. Er werd bovendien ten zeerste aanbevolen om vooraf te biechten. Bij wijze van controle moest de getrouwheidskaart bij het te communie gaan of bij het verlaten van de kerk afgegeven worden aan een van de ijveraars. Deze werden dan door de pastoor afgestempeld en werden vóór de volgende bondsmis door de ijveraars terugbezorgd. De aan- en afwezigheden werden nauwkeurig genoteerd in
Aanmaningsbriefje
Artikels uit de Contichse gazetten.
eri Re in
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
ng
en
14
.1&
2
Uitnodiging voor de Bondsmis.
17
een schriftje. Wie niet present was, kreeg een verwittiging in de bus. Wie meermaals zijn kat stuurde werd geschrapt als lid. De eigenaar van een volle kaart, die dus trouw, twaalf maanden op rij de bondsmis had bijgewoond, werd gepromoveerd tot erelid. In een jaarboek werden, per straat of wijk, de aan- en afwezigheden van de leden nauwkeurig bijgehouden. Soms kwamen er nieuwe namen bij, soms waren er schrappingen. Ook de jaarbalans (inkomsten en uitgaven) en de evolutie van de ledenaantallen werden genoteerd zodat deze konden vergeleken worden en er – in geval van een daling - naar de oorzaak kon gezocht worden om alzo tot actie te kunnen overgaan. Buiten de maandelijkse bondsmissen werden er nog allerlei andere activiteiten georganiseerd. Zo werden er maandintenties, in de vorm van “flyers” en affiches verspreid, waren er vlagwijdingen, eucharistische- en ijveraarscongressen, reizen en bedevaarten. Op de feestdag van het Heilig Hart op de derde zondag na Pinksteren trokken de bonden na de eucharistieviering in processie naar het in bloemen gehuld Heilig Hartbeeld alwaar een vrome plechtigheid plaatsvond. Naar deze dag werd reeds een week van tevoren toegeleefd: de leden werden aangespoord om zeven dagen voor het feest dagelijks naar de kerk te gaan en te communiceren. Ook waren er de toewijdingen van gezinnen, gemeenten en parochies aan het Heilig Hart. Ook via de Kontichse kranten werden de gelovigen op de hoogte gehouden van de geplande bondsactiviteiten, de bondsmissen, vergaderingen, de groeiende of dalende ledenaantallen en alles wat met de bond te maken had.
Santjes van het Heilig Hart
Ons Kontichs Museum voor Heem- en Oudheidkunde bezit een rijke verzameling, ongeveer 600 exemplaren, santjes (santje = sanctje = sanctus = heilig) of devotieprentjes. Het oudste santje dat je daar kan vinden dateert van 1487. Santjes zijn voorstellingen van Christus, van heiligen, van Bijbelse taferelen of religieuze symbolen. Vaak werd de afbeelding vergezeld van een vrome tekst. Dat kon een gebed zijn, een slagzin of een moraliserende tekst. In oorsprong waren het verfijnde afbeeldingen die bijbels of andere religieuze boeken verluchtten maar ze evolueerden naar losse prentjes. Het begon allemaal met handmatig getekende en ingekleurde prentjes, vaak het werk van ijverige kloosterlingen. Na de uitvinding van de houtgravure kwam er de kopergravure en werden deze devotieprentjes op grote schaal gedrukt. In de loop der tijd werden ze voor verschillende doeleinden aangewend. Tijdens de contrareformatie werden ze gebruikt als propagandamiddel voor het katholieke geloof. Ze werden zowel onder de intellectuele klasse als bij zij die niet konden lezen of schrijven verspreid. In deze laatste groep werden ze vaak gebruikt vanuit het bijgeloof dat ze ziekte en ander onheil op afstand konden houden. Ze werden bevestigd boven stal- en huisdeuren, in huiskamers, kleerkasten, kortom op de meest ondenkbare plaatsen in de hoop bescherming te bieden tegen allerlei narigheid. En mijnheer pastoor had altijd wel enkele santjes op zak om vrome en gehoorzame kinderen mee te belonen. Gilden en ambachten ontvingen een santje met de afbeelding van hun patroonheilige op hun Patroonsfeest. Er werden santjes uitgedeeld bij allerlei belangrijke levensgebeurtenissen zoals het doopsel, de eerste communie, het vormsel, priesterwijdingen, jubilea, alsook bij begrafenissen. Enkele van deze gewoonten, zij het na een sterk gemoderniseerde gedaanteverwisseling, zijn nog steeds in gebruik. Een groot aantal santjes had betrekking op het lijden van Christus. We vinden de afbeelding van Jezus met het Heilig Hart er dan ook veelvuldig op terug. Al dan niet vergezeld van een specifiek gebed of een tekst. Hierbij een kleine greep uit de santjes van het Heilig Hart die in ons Museum voor Heem- en Oudheidkunde bewaard worden. Wie deze eens “in het echt” wil bewonderen moet op een zondagnamiddag zeker eens langskomen! (open van 14 tot 17 uur)
en
ng
eri
in Re .1&
14
18
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
2
Epiloog
Hier eindigt dan de driedelige uiteenzetting over het Heilig Hart. Wat begon met wat kinderlijke nieuwsgierigheid naar het beeld in Kontich Kazerne mondde uit in een uitgebreide zoektocht naar alles wat met de devotie van het Heilig Hart te maken heeft. Aandachtige lezers die in de toekomst nog eens oog in oog komen te staan met een Heilig Hartbeeld, weten nu alvast met welke bedoeling het daar ooit werd neergezet. Ilse Van Weert
eri Re in
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
ng
en
14
.1&
2
BRONNEN : Website Abdij Tongerlo, KADOC “Nieuwsbrief 2014/2”, Parochiearchief Kontich Kazerne, internet.
19
CRESCENDO E DIMINUENDO
Deel II Een historische schets van bijna zestig jaar muziek in Sint-Rita Kontich
Z
estig jaar geleden schreven jeugdige kerkgangers op de muziek van Edward Elgars ‘Land of Hope and Glory’ een Nederlandstalige tekst die begon met ‘Pelgrimstocht der mensen…veertig jaar woestijn’. Gelukkig was er in de Sint-Ritaparochie sindsdien heel wat muzikale vreugde en bleef kommer en kwel zeer beperkt. In een eerste deel kreeg ‘Jeugdgroep Spelewei’ voldoende aandacht. Het tweede deel verhaalt het muzikale wedervaren van de Sint-Ritaparochie, opgericht door de paters augustijnen in de Pierstraat.
Hoe het allemaal begon
1961 was een bewogen jaar voor de Sint-Ritaparochie. De kerk die de paters Augustijnen er in 1937 vóór de Tweede Wereldoorlog als bedevaartsoord bouwden naast hun klooster en juvenaat, zeg maar middelbare school met internaat, werd door de kerkelijke overheid verheven tot een volwaardige parochiekerk. Pater Edward Donders, de eerste pastoor, zag vele mogelijkheden en liet de firma d’Hondt uit Herselt er één alvast realiseren: de bouw van een orgel op het hoogzaal. Lode Quadens concerteerde op het nieuwe orgel en gaf een daverend concert. Lode Quadens, rasechte Kontichnaar van geboorte en laureaat van het Lemmensinstituut, toen nog ‘gesticht’ in Mechelen. Beroepsmatig bespeelde hij het orgel in de Antwerpse Sint-Pauluskerk en in Berchem in de kerk van de Verrezen Heer. Daarnaast leerde hij privé heel wat Kontichse jongeren deftig op een piano spelen en wat later zagen we hem ook als muziekleraar in het Vrij Technisch Instituut van Kontich. Op zijn concert werden de muziekbladzijden omgedraaid door ondergetekende, een van zijn vele Kontichse privé-leerlingen. Op zoek naar een vaste organist vond pater Edwardus in Wilrijk Lucien Borms, lid van een wel erg muzikale familie. De zondagsvieringen kregen een muzikaal kleurtje en dra ontstond de wens om ook te zingen. De organist verzamelde enkele zangers rond het orgel om te oefenen. Gregoriaanse propria, een eenvoudige tweestemmige mis en de eerste psalmen in het Nederlands (na het Vaticaans concilie van 1965) klonken regelmatig door de kerk. Een kerk met een verbluffende akoestiek overigens. Met velen zijn ze nooit geweest, die zangers uit het Sint-Ritakoor I. Het was in die tijd nog een echte mannenaangelegenheid. Op een foto uit 1966 zien we van links naar rechts Alfons Quadens, dirigent-heldentenor en ‘en passant’ kinderverzorger voor zijn meisjes Marleen en Tinne. Bij de volwassen mannen achteraan herkennen we Jos Van Asch (enkel een haardos), Marcel De Busscher, Leo Hellemans, Louis Gielis, Henri Toelants en Herman Vercammen (met sigaret?). Stilaan werden ze ook aangevuld met kinder- en jongerenstemmen van vooraan Riet Scheers, Julienne Van Uytsel, een trapje hoger Magda Wyckmans en Frieda Clemens en voor de ‘heren’ de zussen Chris en Miek Scheers, Carine De Schutter en Greet Wyckmans.
Over kindervieringen en beatmissen
In de sfeer van de naconciliedagen(1965) en het elan in en rond de kerk (schitterende kerstuitvoeringen van Spelewei), kon je in ‘Reineringen’ van 2013 al lezen hoe midden de woelige meidagen van 1968 ook in deze kerk sporadisch voor jongeren ‘beatmissen’ werden gevierd, muzikaal begeleid door het lokale orkest van ‘The Sky Larks’. Een van de leden, gitarist Eddy Serrien, zou zich later specialiseren in kindervieringen en de kinderpsalmen vanachter de lezenaar begeleiden, nu op een akoestische gitaar. Vergeten we ook de kindervieringen niet die jarenlang elke maand op zaterdagavond om 17.00 uur werden ingericht met Karel De Wandel als gitarist en voorzanger.
.1&
14
20
en
ng
eri
in Re
Een heus driestemmig meisjeskoor Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
2
Zo ontstond in 1967 De Meiklokjes, een meisjeskoor opgericht en tot 1984 geleid door Wilfried Wouters. Tijdens diens legerdienst (1969-1970) werd hij vervangen door Paul Wyckmans, leerling van Lode Quadens. Gestart werd er met een twaalftal zangertjes, uitsluitend meisjes, ergens tussen 10 en 20 jaar, regelmatig oefenend, met een minimum aan muzikale kennis maar met veel goesting. Hun optredens volgden de kerkelijke feestdagen afwisselend met af en toe een huwelijksviering. Uit een fotoboek halen we deze Meiklokjes, tijdens een huwelijksviering op de dag voor Kerstmis 1971. Ze zongen toen al driestemmig en het koor was intussen danig uitgebreid. Zo konden ze in 1972 hun vijfjarig bestaan vieren in een bomvolle Sint-Ritafeestzaal met Dimitri Van Toren en ’t Kliekse. Bij latere vieringen strikten ze ook Miel Cools.
Creatieve evolutie vereist naamsverandering
Met hun muzikale uitvoeringen overschreden ze nadien de grenzen van parochie en gemeente. Kleinkunstig zelfgeschreven nummers werden in de zeventiger jaren in heel Vlaanderen uitgevoerd, begeleid door een aangroeiend orkest en ondersteund met een technische staf die belichting en geluid voor zijn rekening nam. Sommigen vonden de naam voor dit koor stilaan wat kinderachtig en men bedacht het letterwoord Krearimeko zijnde het kreatieve en ritmische meisjeskoor uit Kontich (let op de toenmalige spelling). Het liep niet altijd van een leien dakje en bij uitvoeringen in de eigen kerk ontstonden er wel eens discussies tussen de kooreigen en de kerkgebonden organist. Het kleine zondagskoortje van weleer was moeilijk in leven te houden en organist Lucien Borms nam in 1975 ontslag. Hij werd als vaste organist opgevolgd door Kontichnaar Paul Wyckmans, intussen voltijds leraar wetenschappen in het VTI. Hij bleef zich muzikaal vervolmaken op piano, orgel en zang en volgde daarnaast avondonderwijs op het conservatorium. Zo kreeg hij nadien nog een deeltijdse lesopdracht notenleer en samenzang aangeboden in de lokale muziekacademie. In 1975 werd ook een nieuwe pastoor aangesteld, de Kontichnaar Jos Somers, in het augustijnerklooster gekend als pater Constantinus. Zijn plechtige eremis in de eigen kloosterkerk van Sint-Rita werd ingezongen door Krearimeko. Hoe Krearimeko in dat jaar in de dom van Aken op 21 juli de nationale feestdag voor de Belgische militairen kon verzorgen las u al in deel I van ons verhaal. Krearimeko bleef zijn opdracht trouw: deels in de kerk, deels in de voorlopers van wat wij vandaag cultuurcentra noemen, op diverse plaatsen in Vlaanderen zelfs tot in een verre uithoek als Bütgenbach. Op het hoogtepunt telde het koor wel een 70-tal zangers, muzikanten en ondersteunende technici. Om het artikel leesbaar te houdend vermelden we maar kort de ontspannende activiteiten die het koor daarbuiten organiseerde om financieel in leven te kunnen blijven: kampen voor de leden o.a. in Herselt en Bouge bij Namen, vlooienmarkten, restaurants, bals (tot in de wel heel vroege uurtjes!) en dies meer. Helaas, dirigent Wilfried Wouters moest in 1982 voor zichzelf erkennen dat zijn beroepsbezigheden samen met zijn echtgenote hem volledig opeisten en dit maakte ook het creatieve deel van zijn dirigentschap (teksten schrijven en melodieën ontwikkelen) stilaan onmogelijk.
Nieuwe dirigent hijst een nieuw zeil
eri Re in
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
ng
en
14
.1&
2
Daarom gaf hij de ‘baton’ door aan Dirk Reyniers, leraar in het Altena-instituut in Kontich. Het ledenaantal verminderde wel, vrij logisch door toenemende leeftijd van de koorleden en het ritme van de optredens. De klemtoon kwam overduidelijk te liggen op het vertolken van de eigen koorcomposities, zodat een nieuwe naam hun activiteiten diende te verduidelijken: liedgroep Z.E.I.L. (Zingende En Instrumentale Liedgroep). Met minder leden werd er indien mogelijk nog altijd meerstemmig gemengd gezongen en de begeleidingsgroep paste zich aan het veranderende gemengde jongerenpubliek aan. We vinden ze regelmatig terug, nu minder uitgebreid geografisch gespreid in Vlaanderen, wel meer gekoppeld aan gemeentelijke initiatieven als cultuurweek, elf-juliviering, sporadisch nog een vlooienmarkt, een optreden op vraag van de cultuurraden uit de Rupelstreek … In 1987 bij de viering van het 20-jarig bestaan van deze drietrapse korenbundel (De Meiklokjes, Krearimeko, Z.E.I.L.) lezen we in de Gazet van Antwerpen: ‘Liefde en vriendschap staan erg centraal in de liedteksten, al worden de actuele problemen niet uit de weg gegaan.’ De groep blijft
21
met haar repertoire afwijken van het klassieke kooroptreden en einde 1990 vinden we nog zesentwintig zangers, samen met een begeleidingscombo van negen muzikanten. Er wordt nog opgetreden op vraag van de cultuurraden uit de Rupelstreek, en tijdens de week van de Vlaamse Amateurkunsten (2013) lezen we op de affiche van de laatst ons bekende activiteit: ‘In het kader van WAK (Week van de AmateurKunsten) brengt Z.E.I.L. (Zingende En Instrumentale Liedgroep) uit Kontich eigen Nederlandstalig werk. Met drum, bas, gitaar, fluit en percussie brengen zeven dames met veel plezier een uurtje gevarieerde kleinkunst in de kapel van cultuurpunt Altena.’ Vaag herinneren we ons ook nog iets als de viering van het vijftigjarig bestaan van Meiklokjes-Krearimeko-Z.E.I.L., terwijl we sindsdien deze fantastische zang- en liedgroep terugvonden op internet met de naam van een van de laatst gekende verantwoordelijken: Hanne Schoofs.
Sint-Ritakoor II uit de startblokken
Los hiervan bleef de wens wel bestaan om terug een kerkeigen Sint-Ritakoor op te richten en de erediensten te blijven verzorgen. Broeder René Jacobs kon in 1979 enkele mensen verzamelen op het moment dat Paul Wyckmans zijn begeleidings-, instuderings- en bestuursfuncties bij Krearimeko neerlegde. Zo werd Sint-Ritakoor II geboren. Dit leek een gedroomde kans om eerst als repetent en organist Broeder René te ondersteunen. Vanaf 1984 gaf de broeder om gezondheidsredenen zijn baton door aan de organist. Die volgde als dirigent nog altijd orgel, stemvorming en muziekgeschiedenis te Wilrijk. Het koor kon gemengd zingen en groeide aan tot 17 zangers. De uitvoering van een driestemmige Latijnse mis van Haller vormde op Kerstnacht 1984 een echt hoogtepunt, gelet op de toch nog beperkte mogelijkheden. 1986 diende zich als een volgend memorabel jaar aan. Door overlijden, ouderdom en gewijzigde belangstelling was de koorgroep geslonken tot tien zingende leden en nieuwe zangers werden zeer moeilijk gevonden. De vraag om een vierstemmig gemengd Sint-Ceciliakoor in Waarloos te leiden zorgde bij de Kontichse dirigent voor een gewetensvraag. Voor- en nadelen werden met de Ritazangers individueel en in groep besproken waarbij de sociale functie van een koor - samen zingen - duidelijk mee aan bod kwam. Het feit dat in Waarloos de dirigent en organist Cyriel Henderickx, 85 jaar oud, de inspanningen fysiek niet meer kon opbrengen, zorgde mee voor het slagen van dit fusieproject. Het Sint-Ceciliakoor, versterkt met de overgekomen Sint-Ritazangers groeide uit tot 42 leden, onderverdeeld in sopranen, alten, tenoren en bassen. Ze repeteerden wekelijks te Waarloos in de kerk van Sint-Michaël. Op kerkelijke feestdagen werd er zowel te Waarloos als in de Sint-Ritakerk gezongen. Wel bleven de trouwe Sint-Ritazangers daarbuiten nog elke zondag met de organist de mis in de eigen Sint-Ritakerk verzorgen, voorwaar een hectische klus soms. Met weemoed wordt teruggedacht aan de memorabele deelnames aan diverse cultuurweken in Kontich, 11-julivieringen, de eigen mooie kerstconcerten in 1989 en 1996 in samenwerking met de Waarlose fanfare en diverse solisten. Tot ver buiten de parochie werd er opgetreden: Scherpenheuvel, Leuven-Gasthuisberg, Sint-Paulus Antwerpen, … Edoch, na elf jaar intense samenwerking kwam er een einde aan, ondanks een deelname aan het Vlaamse koortreffen, voor het eerst georganiseerd in Kontich, de viering van het 25-jarig bestaan van het eigen Sint-Ceciliakoor en een jubileumjaar met liefst 75 uitvoeringen. Op Paasdag 1997 werd voor het laatst gemeenschappelijk opgetreden in de Sint-Ritakerk. De moedige Ritazangers bleven in hun Ritakerk doorgaan, met minder middelen en in beperkte slagorde. Een jaar later in 1998 moest de dirigent zijn opgenomen engagement na 30 jaar teruggeven aan pastoor Somers. Gewijzigde beroepsbezigheden binnen het katholiek onderwijs, deze keer met verantwoordelijkheden voor gans Vlaanderen dwongen hem hiertoe. De zangers bleven wat verweesd achter maar konden vrij snel rekenen op de ondersteuning van Koen De Bels, een nieuwe organist, en zijn echtgenote Heidi De Nef, een dirigente. Hij is een uitstekend pianist en organist en zijn echtgenote een celliste en gewezen koorleidster van het Sint-Martinuskoor te Kontich. Gewend aan samenwerking met een ander koor werd er samen gerepeteerd met dit koor uit de Kontichse hoofdkerk en ook regelmatig uitgevoerd op hoogdagen in de kerken van Sint-Martinus en Sint-Rita.
en
ng
eri
in Re .1&
14
22
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
2
Dit resulteerde in 2001 in een prachtig concert van beide koren. In de Sint-Ritakerk kon hiermee het 25-jarig bestaan van het kleine parochiekoor gevierd worden samen met het grotere Sint-Martinuskoor, het kinderkoor OnzeLieve-Vrouw-over-de-Dijle en sopraan Annick Desair. Heidi De Bels zwaaide de dirigeerstok, terwijl echtgenoot Koen De Bels vakkundig het orgel bespeelde. Nadien zijn we de tel wat kwijtgeraakt. In beperktere slagorde werden de vieringen nog wel opgeluisterd, ook na het verdwijnen van het muzikale koppel Heidi en Koen als muzikale trekkers. Het Sint-Martinuskoor zong nog een tiental jaren verder, soms geleid door Roger Boone. Het evolueerde nadien tot een vrijwilligerskoor met gelegenheidsmusici aan het orgel in de hoofdkerk. Ook de Sint-Ritazangers hoorden we nog ettelijke jaren in hun kerk gekende psalmen zingen tot ook zij moesten toegeven dat ouderdom en het aantal zangers omgekeerd evenredig waren aan de resultaten. Paul Wyckmans
in mijn woonomgeving Onder leiding van Ann Coemans, leerkracht aardrijkskunde in het Sint-Ritacollege, gingen de leerlingen van het tweede jaar op stap in hun woonomgeving. Zo leerden ze hun eigen leefruimte kennen. Maar ze moesten ook iemand interviewen die allang in hun buurt woonde en daardoor leerden ze ook nog eens hun omgeving in vroegere tijden herkennen. Een leuke opdracht die ook de aandacht van ons tijdschrift verdient. We hopen in onze volgende nummers nog enkele stukjes te kunnen brengen. Dit eerste stukje is alvast van Ellen Doumro, een 13-jarige leerlinge van 2WETb.
MIJN WOONOMGEVING VROEGER EN NU
Ik woon in de straat Doopput nummer 11 in Kontich. Om te ontdekken hoe het er vroeger uitzag, ben ik bij mijn buurman, Arnold Dom, langs geweest. Hij woont sinds 1979 in de Pastoor De Laetstraat nummer 1. De Pastoor De Laetstraat komt uit op de Doopput. Beide straten zijn doodlopend. De omgeving vroeger was erg landelijk. Er stond een boerderij van boer Jan met een weiland waarin paarden en perenbomen stonden. Het gebied was in het bezit van een apotheker. Op een gegeven moment verkocht hij een deel van zijn grond aan een verkavelaar. De boerderij en de weide bleef nog bestaan. De nieuwe eigenaar liet op zijn terrein beide straten aanleggen. Hij verkavelde zijn grond. Arnold en 2 andere oud-buurtbewoners bouwden toen hun huis. De rest van de gronden bleef lange tijd onbebouwd. Er was een kleine poel op het gebied. Die werd beschouwd als heilige bron. Het water werd door de ondergrondse kleigrond gezuiverd. De vele amfibieën, onder andere salamanders, toonden aan dat het water er toen erg zuiver en gezond was. Omdat het water heilzaam was werden de eerste christenen erin gedoopt. Nog honderden jaren geleden kwamen mensen met oogziekten hun ogen in het water baden om ze te reinigen. Vandaar de straatnaam Doopput. Later werd de plas dichtgemaakt: op de plek werd een monument geplaatst, de Sint-Martinusdoopput. Ze gebruikten zuilen die nog over waren toen vorige eeuw de Sint-Martinuskerk werd vergroot en Romeinse bakstenen van het Hof van Spruyt dat in de middeleeuwen Boutersem heette. Arnold vindt het spijtig dat het water niet meer toegankelijk is. Hij had liever gewild dat er een kleine waterspeeltuin kwam. Geleidelijk aan kwamen er meer woningen bij. De straat Doopput werd nog verder uitgestrekt richting koningin Astridlaan. De boerderij verdween, op de plek van het weiland kwamen er appartementsgebouwen die er nu nog steeds staan. Mijn mama heeft in 1999 hier een stuk grond gekocht en het huis geplaatst waarin ik nu woon. Arnold ziet het toenemen van woningen dubbelzinnig. Het blijft een rustige buurt waarbij de kinderen op straat of in het speelbos kunnen spelen. Maar spijtig dat natuur en weilanden om in te wandelen verdwenen zijn. Wat ook nog positief is, is dat hij er veel nieuwe buren bij heeft gekregen. Het is een fijne plek om te wonen en er wordt al jaren een buurtfeest gehouden. Ellen Doumro
eri Re in
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
ng
en
14
.1&
2
Wie meer over de Doopput wenst te lezen kan terecht op: https://www.museumkontich.be/Sprokkels/Doopput.htm https://www.museumkontich.be/KWvroegerennu/Doopput.htm
23
Ik was jong in de fifties FEESTREDE VOOR DE 50-JARIGEN IN 1990 – EEN TIJDSBEELD
Er bestaat een traditie in Kontich dat de 50-jarigen worden ontvangen op het gemeentehuis. Op 13 oktober 1990 spreekt Arthur Janssens de feestrede uit voor deze oorlogskinderen die in 1940 zijn geboren. “Den Tuur” was de zoon van “meester” Jef Janssens, die directeur was van de Gemeentelijke Jongensschool van 1960 tot 1971. Zijn broer Paul was politicus in buurgemeente Lint en er van 1995 tot 2000 burgemeester; hij heeft ook enkele artikels in Reineringen op zijn actief. Arthur was leraar aan een middelbare school in Borgerhout en getrouwd met Maria Braeckmans. Zij woonden aanvankelijk in een statig herenhuis in Waarloos aan de Grote Steenweg en nadien in een woning aan dezelfde Grote Steenweg, enkele honderden meters voorbij de Brouwerij Maes. Arthur is overleden in 2003. We hebben zijn tekst die hij uitsprak voor de burgemeester en de feestelingen lichtelijk ingekort en aangepast aan een lezend publiek. (FH) Wij hebben misschien niet allen dezelfde jeugdjaren gekend, toch moet de herkenbaarheid van deze jeugdherinneringen voor ons allen vrij groot zijn, want wat wij zo kort na de Tweede Wereldoorlog beleefden, heeft ons als het ware tot verwanten gemaakt. Ik hoop dat dit relaas straks een aanzet zal vormen tot gemoedelijk omgaan met elkaar, wanneer wij “genoden zullen zijn aan de rijke taaf’len”. Herinneringen, las ik ooit eens en vraag me niet meer de auteur, zijn het enige paradijs waaruit we niet kunnen verdreven worden. Deze herinneringen voeren mij terug tot de jaren ’40, beginjaren ’50. Jaren toen buren nog buren waren, toen wij ongestoord op straat speelden, bij elkaar binnenliepen en er ons thuis voelden, over het betonnen tuinmuurtje hingen of er over kropen om er stiekem bij onze buurjongen te gaan spelen. De tijd dat we donderdagnamiddag vrij hadden, op leien schreven met griffels, onze eerste “Cahier de Brouillon” met een Zaaier op vol kribbelden. In de winter op klompen naar school stapten om heerlijk baantje te glijden op de grote speelplaats van de jongensschool. De tijd, toen we onze eerste “beeldekens” ruilden, met de knikkers speelden onder de hangar met zijn hobbelige, bakstenen vloer, meikevers meebrachten in een luciferdoosje en vergeleken… Dat we stekelbaarsjes visten, salamanders vingen, kikkerdril schepten in de “diepe route” of de Edegemse beek. Dat we onze eerste snoep kochten bij Gusta van de Zwarte Gracht, die nu Van Dyckstraat heet. De tijd van onze eerste voetbalidolen Freddy Chavez, Tor(re)ke Lemberechts, August Hellemans en Rik Coppens. We speelden hun wedstrijden na op óns pleintje met onze eerste lederen bal, toen dichtgesnoerd met een “nestel”. De tijd ook van onze eerste wieleridolen Briek Schotte, Stanneke Ockers en Rik Van Steenbergen. Wat hebben we toen “Tour de France” gereden op ons “trotinet”, “blokske rond”. De tijd, dat we blozend naast onze eerste meisjes liepen, toen we onze Plechtige Communie deden, maar dat blozen werd vlug rood aanlopen, want we werden kwaad. We voelden ons te kort gedaan. De zusters nl. hadden tijdens de mis alleen maar aandacht voor hun meisjes en wij jongens mochten zo maar wat meedoen…
Oorlog
.1&
14
24
en
ng
eri
in Re
Nochtans zijn mijn en onze vroegste jeugdherinneringen niet zo paradijselijk. Het waren de oorlogsjaren. Het zijn de jaren, die als een blijvende kras in de spiegel van mijn en ons geheugen staan gekerfd. Ik zag de eerste vliegende bommen. Ik zie de rokende bomkrater nog voor me, links in het begin van de Keizershoek, rechts huizen in puin. Ik maakte voor de eerste maal pijnlijk kennis met de dood: er was één dode naast drie gewonden. Ik zag mensen buiten dragen op een draagberrie overdekt met een wit laken en wenende en bloedende familieleden ernaast. Ik zag brandende vliegtuigen neerstorten boven Edegem. Maar … op gevaar af voor een mini-collaborateur te worden aangezien, kreeg ik eens van een vriendelijke Duitse soldaat “soep met nudelen” en proefde ik voor de eerste maal de lekkernij van chocola, gekregen van een Engelse soldaat, die zijn voeten waste in onze gootsteen, terwijl hun beslijkte halftrucks stonden geparkeerd op het voetpad in onze straat. Ik herinner me 1945, het jaar dat we met ma en broer Paul een tijdje verbleven in Waarschoot – tussen Gent en Eeklo – uit vrees voor de vliegende bommen. Pa bleef achter, om zover de omstandigheden het hem toelieten hier zijn werk als onderwijzer voort te zetten en om over ons huis te waken. Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
2
Schooltijd
Dan de terugkeer in 1946. Onze eerste kleuterklasjaren. Huppelend aan pa’s hand en met broertje Paul naar de zustersschool aan de Van Dyckstraat. Weet je nog mannen, dat groene ijzeren geblutste poortje in die oude bakstenen muur? En het speelplaatsje met die grote notelaars, doch zonder speeltuigen, want die bestonden nog niet. Daar werden we opgevangen door een monument van een zuster-opvoedster, die we ons blijven herinneren als een zachte, lieve moeder voor ons, zuster Henrica (n.v.d.r.: of Henrita?). Toen in ’47 naar de “grote school’ zoals dat heette, moment suprême… met pa en een trits jongens uit de buurt van de Kongostraat. De groep groeide verder aan in de Rubensstraat met de mannen van de Pierstraat. Toen pa op school arriveerde had hij al een halve klas bij zich voor hij met een hele moest beginnen.
EN ONZE MEESTERS!
Achteraf bekeken waren het helden, als je weet in welke omstandigheden ze moesten werken. Meester Hellemans, mevrouw Ghekiere, meesters Hermans, Van Boxem, Michiels, Vandepoel, Wyckmans, Vandenbossche, Heps, Verschueren en Somers. En dan de prijsuitdelingen met het gemeentebestuur, de prijsboeken, de turnfeesten, de eerste schoolreizen naar Dinant en Namen… en op de boot in Anseremme … Ik heb maar bij een viertal onderwijzers gezeten, want vanaf het vijfde stuurde vader mij naar Antwerpen. Met onze Paul was dat anders. Wat konden onze meesters mooi schrijven, tekenen en vertellen… Vertellen, ja… het laatste half uurtje van de zaterdagvoormiddag, want toen was het nog school. Ik herinner me nog het verhaal van de vliegende autobus en tram, verteld door meester Jos Verschueren. Het opende onze geest en we kregen zin om goede en spannende boeken te lezen. Nu is dat anders, beter zogezegd, interessanter voor de kinderen van deze tijd. Nu beschikken ze over zo’n lichtkastje ergens in een hoek van de kamer, ooit door een Duitse pedagoog spottend “de elektronische grootmoeder” van onze huidige jeugd genoemd.
EN DIE KLASMAKKERS!
Meer dan 40 jaar heb ik hem niet meer ontmoet, vandaag kwam hij terug naar zijn ‘roots’, een vinnige wittekop, nl. Gilbert Rongé. Hij woonde aan de Drabstraat, ietwat in de diepte. Weet g’t nog Gilbert toen we u op donderdagnamiddag kwamen halen om samen te gaan spelen aan de kleiputten? Op een dag was hij niet meer op school. Pa zei ’s avonds aan tafel, verhuisd naar Limburg, naar de mijnstreek. Gilbert ’t doet deugd dat g’er terug zijt! En dan die Waalse jongen Lucien Hirsoux, die verdorie goed zijn streng trok in het Nederlands en waar wij onze eerste Franse woordjes bij leerden. En Ludo Van den Bosch, die ik soms zelf ging halen als ik met pa niet mee wilde. In de keuken zat hij geflankeerd door zijn moeder, zijn zusters Lucienne en Rita, en zijn broer Roger. Ik kreeg dan soms ook peperkoek of speculaas en dat smaakte natuurlijk beter dan thuis. En Herman Baert, ook al zo lang geleden dat ik hem zag. Hij kon zo mooi schrijven, leerde goed en kon knap tekenen. Nu nog blijkbaar, want hij maakte voor deze gelegenheid weer eens een mooie tekening. Weet g’t nog Herman, toen we elke dondernamiddag van meester Verschueren een tekening moesten maken? Ze met elkaar vergeleken, soms spijt hadden omdat de uwe precies minder goed was en … we waren gelukkig als beide tekeningen tegen de klasmuur werden geprikt. Verder O. Meeus, die zo’n mooie uitspraak had en altijd als eerste in de klas moest voorlezen. K. Wellens, met zijn mooi geschrift. Verder Leonard Goetmaekers, Edw. Goeyvaerts, Jefke Benoit, Walter De Stobbeleir, H. Reyniers, Jacky Bas, de Poppe, Etienne Segers, Gilbert Sels, Hugo Stagier, Hugo Vandepoel, en zoveel anderen. Er zijn er ons al ontvallen veel later zoals Miel Hendrickx, H. Smolders. Jefke Claes zet ik later in ’t zonnetje. Het leven, geduldige toehoorders, kun je vergelijken met een kolkende bergrivier, die vooraleer ze haar doel bereikt… de zee, dikwijls hindernissen moet nemen, vaak haar loop moet veranderen. Zo ook kende ons leven meermaals hindernissen en een grillig verloop, want het hing af van onze aanleg en levensomstandigheden. Wanneer we op onze jeugdjaren terugblikken, waren ze zeker een stukje paradijs. We hadden onze kleine verdrietjes, maar ook onze vreugden. Het verschil is alleen dat ze nog niet hun oorzaak vonden in de zorgen en verantwoordelijkheden, die we nu als volwassenen moeten dragen. Sommigen onder ons hadden het ongetwijfeld moeilijker dan anderen, maar ik hoop dat wij niet over onze jeugdjaren moeten zeggen wat de schrijver van De drie musketiers Alexandre Dumas ooit eens zei of opschreef: “O, de goede, oude tijd, toen we zo ongelukkig waren…”
eri Re in
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
ng
en
14
.1&
2
Arthur Janssens
25
Een leeshuisje in de A-HA! school
N
een, we zijn geen voorstander van de naam van de vroegere gemeentelijke jongensschool. Uiteraard niet, omdat de school ondertussen al lang gemengd is, maar omdat die vreemde afkorting A-Ha! niet echt tot een aha-erlebnis leidt. Zelfs wie van Kontich is, zal niet onmiddellijk (meer) verbonden zijn met Abraham Hans, onze Kontichse verteller die in de eerste helft van vorige eeuw vele kinderhartjes sneller deed kloppen met zijn spannende verhalen en avonturen. Het doet ons daarom echt wel deugd dat wij van juf Joke (Smets) van de Hansjesklas en schoolleider Maarten Meyer de vraag kregen om een tekstje te schrijven voor een leeshuisje dat moet aanzetten om veel en meer te lezen. Een taak die we met plezier opnamen, maar waarbij we toch onze focus enigszins moesten verleggen om te schrijven voor jongens en meisjes uit het basisonderwijs. Hieronder vind je de tekst die vanaf 11 mei op het leeshuisje in de A-Ha! School zal te vinden zijn.
Het lijkt wel een chique peperkoeken huisje, die mooie villa Houthulst op de Antwerpsesteenweg. Net weggeplukt uit een sprookje. En dat is misschien ook wel zo. Want een heel speciale meneer laat dit huis bouwen. Zijn naam is Abraham Hans en hij heeft honderden boeken geschreven. Voor grote en kleine mensen. Hij is als Nederlander in 1882 in Sint-Maria-Horebeke op de Geuzenhoek geboren. En dat is toch wel speciaal, want de mensen die daar wonen zijn protestants. Ook nu nog. Abraham studeert voor onderwijzer en geeft enkele jaren les. Zo komt hij in contact met jonge kinderen en leert hij hoe hij met hen moet omgaan en welke verhalen ze graag horen. Maar al snel wordt hij journalist en begint boeken te schrijven. Ondertussen woont hij in Kontich en is hij Belg. Tijdens de Eerste Wereldoorlog vlucht hij naar Nederland en daar schrijft hij over de bezetting in ons land. Na de oorlog keert hij snel terug en reist Vlaanderen rond in zijn Fordje. Op die manier ziet hij de ellende, maar ook het rijke leven van het Vlaamse volk. Zo ziet hij dat jonge kinderen niet veel leeskansen hebben, omdat er veel te weinig kinderboeken zijn. En daar wil Abraham iets aan doen. Hij begint met zijn Kinderbibliotheek, boekjes van 32 bladzijden op een klein formaat. Ze kosten een halvefrank. De
en
ng
eri
in Re .1&
14
26
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
2
verhalen gaan over allerlei onderwerpen die de kinderen interesseren: Vlaamse verhalen uit het verleden, reis- of avonturenverhalen, hij doet het allemaal. Hij schrijft aan een razend tempo wel honderden Hanskes, want zo noemen de mensen zijn boekjes. Hij is pas 57 als hij sterft, zijn graf kun je nu nog altijd zien op het kerkhof van Kontich. Met zo’n meesterverteller is het daarom niet vreemd dat deze school vroeger De Abraham Hansschool heette. Een mooi eerbetoon aan Abraham Hans die een echte leesmeester was voor alle Vlaamse kinderen in de eerste helft van vorige eeuw. En hier kun je hem eren door een boekje uit zijn huisje mee te nemen en te lezen. Vaak hoor je dat de jeugd te weinig leest en te veel naar een klein of groot scherm tuurt, daarom hopen we dat dit leeshuisje veel kinderen zal inspireren om opnieuw een boek in de hand te nemen. Joke Smets, kleindochter van Fons Hermans (voormalig lid en vroegere leraar-directeur van de school), zal er in ieder geval alles aan doen om de figuur van Abraham en zijn invloed te laten insijpelen en definitief te verankeren. En misschien mogen dan we stilletjes hopen dat de school toch weer zijn oude naam Abraham Hansschool zou aannemen. Dat zou wel het grootste compliment zijn voor die grote man uit het peperkoeken (lees)huisje.
eri Re in
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
ng
en
14
.1&
2
Paul Catteeuw
27
en woke vereniging
O
p de Erfgoeddag vroeg een bezoeker me of de heemkundige kring nog altijd zulke vreemde regels had. Vreemde regels? “Welja, je moest toch minstens een diploma hebben of goed in de slappe was zitten om lid te mogen worden?” Zo was het wel niet echt, maar toch had de toen nog niet koninklijke kring voor heemkunde inderdaad enkele eigenaardige (praktische) gewoontes. Lang werd het aantal leden tot vijfentwintig beperkt. Reden: er waren slechts vijfentwintig stoelen in het statige huis in de Duivenstraat. Dat betekent ongeveer dat er slechts een nieuw lid bijkwam als er een stoel vrijkwam. Een beetje vreemd natuurlijk, maar het had weinig of niets te maken met geld of diploma’s. Ook de vergaderdatum was een beetje vreemd. Onze stichter-voorzitter Jozef Van Herck hoorde de biecht voor de Heilig-Hartbond op de eerste zondag van de maand. En die maandelijkse zaterdagavonden liepen soms uit tot een stuk na middernacht in zijn huis in de Duivenstraat, ons huidige documentatiecentrum. Daarom werd er vergaderd op de zaterdag voor de tweede zondag, wat soms ook de eerste zaterdag was. Op het einde van die vergaderingen kon je ternauwernood nog je overbuur zien. De rook van de vele sigaren dompelde de vergaderzaal onder in een mist die ervoor zorgde dat je kleren nog dagen erna stonken. Dat is nu allemaal verleden tijd. Nu heerst er een rookverbod, maar we vergaderen meestal op een vaste dag, de tweede vrijdag van de maand.
Maar denk nu niet dat onze kring echt het enige clubje was met vreemde gewoontes. Bij het doorbladeren van de Gazet van Kontich van 11 maart 1933 stootten we op een ander merkwaardig clubje. Neen, niet die grotere club die de week ervoor in Duitsland zijn eerste stappen naar een dictatuur deed. Maar gewoon een merkwaardig gezelschap uit Antwerpen dat een prijskamp uitschreef om de beste echtgenoot uit te kiezen. Het zal wel grappig bedoeld zijn, maar toch is het een merkwaardige bedoening. De Gazet van Kontich bracht wel vaker dit soort verhalen, waarbij een (glim)lach vaak niet kon ontbreken. Jammer genoeg hebben we ondertussen afscheid genomen van de wekelijkse krant met het Kontichse nieuws, net als van dorpskrant De Kijkop, die een duidelijk kritische blik had op het politieke en sociale gebeuren in ons dorp. Niet bij iedereen geliefd, maar wel gretig gelezen. Net zoals de meeste andere dorpskranten bestaan onze kranten niet meer. De sociale media hebben die taak overgenomen. Maar het valt in vele gevallen te betwijfelen of dit een verbetering is, als je leest wat er allemaal – zonder enige vorm van gêne – wordt gepost. Ons Antwerps clubje mag dan volgens de huidige normen niet erg woke zijn, vele posts op de Ge zijt van …-sites staan vaak bol van onversneden haatberichten tegen medeburgers. In zoverre zelfs dat één van die Facebookgroepen zelfs als titel heeft Ge zijt van Kontich als ge ... niet zaagt en info deelt. Op dat gebied zijn en blijven berichtjes in onze Kontichse gazet vrij braaf, zij het dan niet altijd woke. Paul Catteeuw
en
ng
eri
in Re .1&
14
28
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
2
Ontdek het verleden met de nieuwe Erfgoedbank Zuidrand Met enige fierheid stelt Erfgoedcel Zuidrand de nieuwe “Erfgoedbank Zuidrand – een blik achteruit” voor! Met de vernieuwde databank kan je vanaf nu opnieuw duiken in het verleden van de Zuidrand-regio. Oude foto’s en filmpjes bekijken, of jouw eigen foto’s online zetten? Het kan allemaal via www.erfgoedzuidrand.be.
“Sinds 2019 was het niet meer mogelijk om het filmmateriaal van de vorige AZURA beeldbank te raadplegen, waardoor Erfgoedcel Zuidrand al het gedigitaliseerde materiaal heeft overgezet naar een nieuwe databank, gekoppeld aan een nieuwe website. Er is het afgelopen jaar hard gewerkt achter de schermen om de inwoners van de Zuidrand terug in het verleden te laten duiken. Op de website kan je al het foto- en filmmateriaal uit Kontich en Waarloos, Aartselaar, Borsbeek, Edegem, Lint, Hove en Mortsel opnieuw doorzoeken en raadplegen”, vertelt Bart Seldeslachts, voorzitter van Streekvereniging Zuidrand, trots. Op de aantrekkelijke homepagina krijg je meteen de mogelijkheid om uitgebreid je zoekactie te starten, of je laat je inspireren door de willekeurige objecten die worden uitgelicht. Door één klik op de homepagina is het ook mogelijk om meteen al het materiaal uit jouw gemeente of stad te raadplegen. Nog niet geprikkeld? Bekijk dan zeker de online expo’s die gemaakt zullen worden om bepaalde thema’s en onderwerpen uit de zuidrandregio in de kijker te zetten; met de expo “Beestig!”, naar aanleiding van Erfgoeddag 2023, die de spits afbijt. Via “Bladeren” kan je jouw zoektermen nog verder uitbreiden, of rechtstreeks door de hele online collectie “bladeren”. Dankzij de diverse filters vind je in een notendop het gewenste resultaat. De verschillende weergavemogelijkheden maken het vervolgens mogelijk om je resultaten te tonen in een lijst, met afbeeldingen of op een kaart.
Wil je materiaal toevoegen?
eri Re in
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
ng
en
14
.1&
2
Als bezoeker is het ook mogelijk om een eigen account aan te maken op de website. Met deze account kunnen de favoriete foto’s en filmpjes bewaard worden en kan je reacties achterlaten bij het gepubliceerde materiaal. Hierdoor kunnen de bezoekers dus ook bijdragen tot verrijking van informatie van de collecties. Bij collecties is een overzicht te vinden van alle collectiehouders die hebben bijgedragen tot de Erfgoedbank en dus één of meerdere foto’s online hebben gezet. Op dit moment zijn dit dus voornamelijk de diverse collecties uit de Azura beeldbank, maar het is voor elke heemkring, vereniging, gemeente, kerkfabriek en privaat persoon mogelijk om beeldmateriaal publiekelijk te maken. We willen graag onze online collectie uitbreiden en op die manier bijdragen aan het bewaren van het verleden voor de toekomst.
29
Erfgoedcel Zuidrand
Erfgoedcel Zuidrand is een samenwerkingsverband voor cultureel erfgoed tussen zeven gemeenten (Aartselaar, Borsbeek, Edegem, Hove, Kontich, Lint en Mortsel), met steun van de Vlaamse overheid. Erfgoedcel Zuidrand werkt aan het regionaal cultureel erfgoedbeleid, om zo samen met partners de aandacht en zorg voor tradities, collecties en archieven te vergroten. Erfgoedcel Zuidrand is een onderdeel van Streekvereniging Zuidrand. Voor informatie kan je terecht bij algemeen coördinator Wannes De Laender (0483 56 01 68; wannes.delaender@dezuidrand.be) of medewerker behoud en beheer Inge Cloetens (0483 55 90 42; inge.cloetens@dezuidrand.be) Inge Cloetens
en
ng
eri
in Re .1&
14
30
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
2
Activiteitenkalender Het museum voor heem- en oudheidkunde is vanaf april weer elke zondagnamiddag tussen 14 en 17 uur (behalve op feestdagen) open voor het publiek. Museum gesloten in juli en augustus. Bezoek ook onze site www.museumkontich.be voor het laatste nieuws, alle activiteiten en de verhalen uit het gemeentelijk contactblad (Heemkundige sprokkelingen) of uit Kontich-Waarloos Vroeger en Nu. Ben je op zoek naar de oude nummers van Reineringen of publicaties die met Kontich te maken hebben? Surf dan gewoon naar www.issuu.com. Op deze webstek tik je bij zoeken gewoon “Reineringen” of “Kontich” in en je komt zo bij onze vroegere nummers terecht. Activiteiten Lezingen in samenwerking met de Gemeentelijke Erfgoedraad in het Cultuurhuis Altena (tickets: uitwinkel@kontich.be): • 26/10/2023: Paul Catteeuw – Waren er ooit heksen in Kontich? • 10/11/2023: Bruno De Wever – De collaboratie • 2024: Susan Hamlyn, Janet Dean & Paul Catteeuw – Margriet Ballegeer en Willy Katzenstein Abonnees van Reineringen – vrienden van het museum Graag houden we jullie op de hoogte van al onze activiteiten en publicaties. Dit is echter enkel mogelijk als u ons uw e-mailadres bezorgt via reineringen@gmail.com. Uiteraard kan u zich altijd laten uitschrijven op eenvoudig verzoek aan hetzelfde mailadres.
eri Re in
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
ng
en
14
.1&
2
Facebook Je vindt onze heemkundige kring nu ook op Facebook. We posten er op regelmatige basis foto’s uit de oude (en nieuwe doos). Enkele honderden mensen hebben de weg al gevonden. Hoe geraak je erbij? Zoek gewoon onder “Kontichse historische weetjes”. Ook op LinkedIn zijn we aanwezig. Daar vind je berichten i.v.m. de heemkundige kring.
31
Retouradres: Koninklijke Kring voor Heemkunde Duivenstraat 22 2550 KONTICH
Reineringen 14 (2023), 1&2 Driemaandelijks (januari - juni 2023) Afgiftekantoor Herzele P 912187 - Herzele
INHOUDSTAFEL: Pagina 1 Voorwoord Pagina 2 Robert Van Passen (1923-2023) Pagina 4 Kontich en het bombardement van Mortsel Pagina 5 De tiende verjaardag van de reus Contios Pagina 6 De naam Altena Pagina 8 Lezing toponymie Kontich-Waarloos Pagina 11 De Kontichse straatnamen uitgelegd Pagina 12 Pierre Hens - Edegem in alle straten Pagina 13 De verering van het Heilig Hart (deel 3) Pagina 20 Crescendo e diminuendo Pagina 23 In mijn woonomgeving Pagina 24 Feestrede voor de 50-jarigen in 1990 Pagina 26 Een leeshuisje in de A-HA!-school Pagina 28 Een woke vereniging Pagina 29 Ontdek het verleden met de nieuwe Erfgoedbank Zuidrand Colofon Reineringen, Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich, 14 (2023), 1&2 ISSN 2033-2742 Redactie: Paul Catteeuw, Frank Hellemans, Erwin Van de Velde, Ilse Van Weert en Paul Wyckmans Eindredactie: Paul Catteeuw Druk: Editoo, Erpe-Mere Verantwoordelijke uitgever: Paul Catteeuw, Duivenstraat 22, BE-2550 Kontich Correspondentieadres: reineringen@gmail.com © 2021 – Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich De auteurs zijn verantwoordelijk voor de inhoud van hun eigen bijdrage. Abonnementen (inclusief lidmaatschap “Vrienden van het museum”): minimum 20 euro. Te betalen op rekeningnummer BE77 4155-0442-2142 met de vermelding van uw naam, adres en “Reineringen 2022”. Het IBAN-kenmerk is KREDBEBB. Voor een los nummer betaal je 5 euro Gelieve eventuele adresveranderingen zo snel mogelijk aan ons mee te delen. Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich, Documentatiecentrum Duivenstraat 22, BE-2550 Kontich, +32 3 457 86 04 heemkunde.kontich@gmail.com
Museum voor Heem- en Oudheidkunde Bibliotheek- en cultuurgebouw Sint-Jansplein, BE-2550 Kontich www.museumkontich.be