Reineringen
Duive
nstraat 22
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich Verschijnt driemaandelijks • Jaargang 13, nummer 2 (april - juni 2022)
R
Voorwoord
eineringen is geen wetenschappelijk tijdschrift. Wij proberen geschiedenis, heemkunde en volkskunde te vulgariseren, zoals dat heet. Dat betekent de stof prettig leesbaar, en in ieder geval verstaanbaar maken. We proberen voetnoten, bibliografieën e.d. te vermijden - of toch tot een minimum te beperken. Wat niet wil zeggen dat wat we vertellen verzonnen is of niet betrouwbaar. Soms mogen we trots vaststellen dat we geciteerd of vermeld worden in artikels in kranten en tijdschriften of ernstige publicaties. Anderzijds moet er geen methode of logica gezocht worden in de inhoud van Reineringen. Wij schrijven over onderwerpen die ons zelf interesseren. Over wat er toevallig op onze weg komt. Hopelijk ook over uiteenlopende topics, dus voor elk wat wils. Ons belangrijkste doel is onze verwondering met onze lezers delen. En dat jullie dat waarderen, blijkt uit jullie positieve reacties en uit een trouw lezerspubliek dat nog altijd toeneemt in omvang. Het is juist, we kunnen niet altijd garanderen dat ons nummer op tijd in je bus ligt, maar ja, we zijn vrijwilligers en dat zorgt al eens voor oponthoud. Hopelijk vind je dat niet erg. Helaas moeten we beginnen met de hulde aan een groot Kontichnaar die overleden is: meester Gaston Van Boxem. Eén van zijn oud-leerlingen haalt in naam van velen herinneringen op. Gaston was afkomstig van Reet, en toevallig kruiste een andere bekende Retenaar ons pad. Tijd om eens aandacht te besteden aan ons buurdorp, dat op 18 september de Brooikensstoet weer laat uitgaan. Het zal de moeite zijn, dus allen daarheen! Een andere bijdrage gaat over de Franse tijd, meer dan twee eeuwwisselingen geleden, toen Lint nog een stuk van Kontich was. Toch sluit ze ook aan bij de actualiteit. Doordat we meeleven met de oorlogen elders, is er ook weer sprake van dienstplicht. Onze collega Paul Wyckmans heeft de hoofden bijeengestoken met een heemkundige van Lint. De afspanning In de Fortuin heeft een rijkgevulde geschiedenis achter de rug maar heeft onlangs waarschijnlijk de meest drastische gedaanteverwisseling ondergaan ooit. Ze is en blijft hét iconische gebouw dat het uitzicht van die Plaetse of het dorpscentrum bepaalde. De ligging was dan ook centraal in het eeuwenoude wegennet, dat teruggaat naar eeuwen vóór onze tijdrekening. En tot Rome. Gedurende al die eeuwen werden er vele bijzondere verhalen verteld. Welke er zoal zijn overgebleven, hoorden degenen die de lezing in maart hebben bijgewoond. Voor wie er niet bij kon zijn, worden de belangrijkste wetenswaardigheden nog eens samengevat. Iets luchtiger is de column naar aanleiding van een fait divers in februari: Bart De Wever, getogen Kontichnaar, liet zijn gouden Romeinse muntje veilen voor het goede doel. Dat feit wordt op de korrel genomen, maar neem het vooral met een stevige korrel zout. Ironie moet ook kunnen, vinden we. Maar genoeg nu – zelfs meer dan genoeg, want ons nummer is al meer dan vol. Geen plaats deze keer weer voor de schrijvers uit Kontich-Waarloos. Ze zijn op reis, want… Het is vakantie. Dus geniet ervan, ook van deze portie leesvoer! Frank Hellemans, Paul Catteeuw, Erwin Van de Velde, Ilse Van Weert, Paul Wyckmans
Gaston Van Boxem is niet meer
I
.2 13
2
en
ng
eri
in Re
n maart werden we verrast door het nieuws dat ons sympathieke en misschien wel oudste lid-abonnee Gaston Van Boxem op 95-jarige leeftijd was overleden. Het bericht verscheen ook in Gazet Van Antwerpen en in het Parochieblad. De kerk van Kontich zat op 18 maart 2022 dan ook ruim gevuld met de vele mensen die hem niet alleen gekend, maar ook gewaardeerd hebben. De mannen vaak als de meester van de jongensschool, maar bijna iedereen als bibliothecaris in de Sint-Martinusparochie. Ook voor twee leden van onze redactie was hij hun oud-onderwijzer van het 3e leerjaar in de gemeentelijke jongensschool van Kontich.(Deze gemeentelijke jongensschool evolueerde later tot de Abraham Hansschool, kreeg een kleuterafdeling, werd gemengd en verkortte haar naam tot AHA-school.) Gaston was de oudste zoon van Jan Van Boxem en Julia Van den Eynde die een boerderij hadden in de Morenhoek in Reet. Hij was de tweede van liefst 14 kinderen. In 1945 behaalde hij zijn onderwijzersdiploma in de Normaalschool van Mechelen en ging kort daarna aan de slag als onderwijzer in de gemeentelijke lagere jongensschool van Kontich. Hij was toen 19 jaar. Ik herinner me Gaston en zijn vrouw Hortentia Verschueren als buren in de Transvaalstraat, onze tuinen grensden aan elkaar. (Later woonden ze met hun 6 kinderen in de Hofstraat, vanwaar Gaston steeds te voet naar school ging.) Een tijd stond hij parallel met mijn vader Marcel Wyckmans voor het derde studiejaar in twee klaslokalen aan de beide kanten van de trap op de eerste verdieping. Die klassen waren achteraan met een gangetje verbonden om de onderwijzers toe te laten het didactisch materiaal beurtelings te gebruiken. Wanneer de twee klassen aan het tekenen waren, gebeurde het wel eens dat ze in het gangetje elkaar vonden voor een gesprekje. Ook meesters (en kringleden) Ludovic (Vic) Hellemans, Alfons (Fons) Hermans en Jos De Hert stonden er voor de klas, net als generatiegenoten Fons Heps, Jos Verschueren en Jules Raymaekers, terwijl Jef Janssens er toen de directeur was. Ook met de volgende generatie van meesters Vergauwen en Raffo heeft Gaston nog samengewerkt, toen hij de nieuwe rol van taakleerkracht had opgenomen. Naast het onderwijzerschap was Gaston Van Boxem vooral actief als de gedreven pionier van de bibliotheek in Kontich. In 1956 sprak onderpastoor De Vleeschouwer hem aan om de taak van bibliothecaris van wat toen de Parochiale Boekerij was over te nemen. Als grote boekenliefhebber en overtuigd van het maatschappelijk belang, nam Gaston de taak op zich. Van achter de balie ontving hij de kandidaat-lezers in de toenmalige jeugdlokalen van de Magdalenastraat. Je mocht toen nog niet zelf boeken zoeken, maar moest de boeken kiezen uit een lijst. Zoals toen gebruikelijk was in katholieke bibliotheken werden alle boeken gemerkt met een “zedelijke en morele code”, toegekend door het katholieke recensietijdschrift Boekengids. Dat ging van het Romeinse cijfer V (voor allen) tot III (voor rijpere lezers, zeg maar Jef Geeraerts, alleen te vinden in “de Schuif” die op slot was) tot categorie I (verboden lectuur, in strijd met de katholieke leer en dus niet in de bib aanwezig). Gaston had intussen ook een “Akte van bekwaamheid tot het houden van een openbare bibliotheek” behaald en bezorgde half Kontich de nodige lectuur volgens leeftijd en dit in tijden waar pick-up en tv slechts sporadisch voorkwamen. Met de komst van de nieuwe deken Verrydt en de plannen voor een nieuw parochiecentrum werd in 1960 eerst nog ruimte gevonden in de Molenstraat, nog altijd met een echte ‘desk’ vooraan, zonder doorloop voor ontleners-lezers. Die kwam er wel vijf jaar later wanneer de bibliotheek eindelijk moderne lokalen langsheen de Magdalenastraat kan betrekken, waar nu de Wereldwinkel gevestigd is. De hele bibliotheekgeschiedenis in Kontich kun je trouwens nalezen in ons tijdschrift ‘Reineringen’ (8/4 & 9/1). Ook na zijn pensioen in 1981 bleef Gaston nauw betrokken bij “zijn” bibliotheek. De fusie van alle Kontichse bibliotheken tot een Gemeentelijke Openbare Bibliotheek maakte hij van op een afstand nog mee. Het overlijden van zijn zachtmoedige echtgenote Hortentia in 2006 maakte van hem ‘de eenzame wandelaar’ van zijn huis in de Hofstraat naar de winkels (en natuurlijk naar de nieuwe bib) in het centrum. Nog jaren mocht ik hem regelmatig ontmoeten voor ons documentatiecentrum in de Duivenstraat en maakten we een praatje. Tot ook die tocht te zwaar werd en Gaston verhuisde naar het woonzorgcentrum in Niel. Hij bleef er nog lang een trouwe lezer van ons tijdschrift. Respectvol blijven we denken aan deze zachte, aimabele en erg belezen man. Rust zacht, Gaston! Paul Wyckmans en redactie Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
Alle wegen leiden naar De Fortuin!
W
il je eens een heirbaan zien in de buurt, dan vind je je gading in het openluchtmuseum Middelheim. Romeinse straat is echter een kunstwerk van Guillaume Bijl uit 1994. Het is een goed voorbeeld van wat deze 76-jarige kunstenaar situatieinstallaties noemt, installaties waarbij hij een schijnbaar echte situatie creëert in de openbare ruimte. jongste verwezenlijking is een Thais massagesalon (was te zien in de Antwerpse Keteleer Gallery van 19 maart tot 30 april). Met zijn oeuvre wil Bijl respectievelijk het cultureel toerisme en de consumptiemaatschappij hekelen. Deze twee artistieke ingrepen in onze “banale” omgeving hebben op het eerste gezicht niets met elkaar te maken, behalve dan voor onze gemeente. Romeinse wegen liepen al minstens achttien eeuwen geleden door Waarloos en Kontich. Langs de drukste wegen konden de reizigers terecht voor hun behoeften. Eten en drinken, hoefijzers voor de paarden, herstel van karren en wielen, een rustplaats voor de nacht … en tegen de eenzaamheid het gezelschap van een gewillige vrouw. Veel van deze oude wegen bleven ook in de middeleeuwen en tot op de dag van vandaag bestaan. De Grote Steenweg in Waarloos is zo’n voorbeeld, al is het traject in de loop der tijden verlegd. De smeden, zadel- en rademakers zijn wel verdwenen, maar de gewillige vrouwen niet. Waren het tot de twintigste eeuw vooral sekswerkers van eigen volk, vorige eeuw kwamen er ook Franstaligen bij en de laatste dertig jaar kwamen ze van overal.
Alle wegen leidden naar Rome
Re in
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
eri
ng
en
13
.2
Een van de meesterwerken van de Romeinen die vanaf 57 vóór Christus onze gebieden inpalmden, is het gigantische wegennetwerk. Op het Forum Romanum in Rome stond de gouden mijlpaal opgesteld, en onder Diocletianus (derde eeuw van onze tijdrekening) vertrokken van daaruit 372 hoofdwegen naar de provincies, met een totale lengte van ca. 85.000 kilometer. Deze wegen verschaften het leger de absolute controle over het rijk. Anderzijds vormden zij de grondslag voor de verbluffende mobiliteit van personen, goederen en gedachtegoed. Het Gemeenteplein van Kontich is – nog altijd – een knooppunt van allerlei soorten wegen. Dat was al zo in de tijd van de Gallo-Romeinen. Dat wil niet zeggen dat ze eruitzagen als een typische heirbaan (heir of heer betekent leger), geplaveid of bestraat (via strata). De grootste in onze buurt verbond de Noordzee met de Rijn, van Boulogne tot Keulen, over Bavay, Tongeren en Maastricht. Een andere liep over Tienen en Kassel. Van Bavay werd de heirbaan naar Asse aangelegd. Mogelijk liep die door naar het Nederlandse rivierengebied, waarbij ze in Walem/Rumst de Rupel overstak en dan ook door Condacum kwam, of hoe ons dorp ook moge geheten hebben. In onze streek waren deze wegen waarschijnlijk alleen verhard, bij gebrek aan natuursteen. Eventueel werd er ook grint, as, steenpuin of -gruis voor gebruikt. Aan weerskanten waren greppels gegraven voor de afwatering. De grote wegen waren geschikt voor paarden, karren en koetsen. De kleinere binnenwegen (diverticula) waren bestemd voor de massa minder fortuinlijke mensen die te voet moesten gaan. Of die alleen maar een paard gebruikten. Vanuit het huidige Gemeenteplein vertrokken er nog enkele wegen: een weg naar Wilrijk en de Schelde (nu Molenstraat + Groeningenlei), de Pierstraat, die dezelfde naam draagt (of droeg) in Reet, Aartselaar, Niel en Puurs, en langs waar je Dendermonde bereikte. De verbinding van hieruit met het veer over de Nete in Duffel werd vanaf 1930 officieel Duffelsesteenweg gedoopt. Via Hove en Mortsel waren er ook vertakkingen die leidden naar Deurne en Wijnegem en dan verder naar het land van de Batavieren (Dordrecht in Nederland). En dan vergeten we nog bijna de voetweg of Binnenweg naar Edegem, Luithagen en Berchem (nu Noordstraat en Edegemsesteenweg) … In de tijd van Kelten, Romeinen en Franken (vanaf de vierde eeuw) was er nog geen stad Antwerpen, wel was er Romeinse aanwezigheid in de vorm van een militairstrategisch castellum, met barakken voor de hulptroepen, winkels en werkplaatsen. Toen zich in de middeleeuwen aan de Scheldebocht een havenstad vormde, werden deze wegen doorgetrokken. En zo ontstond bij ons toen ook de
3
Antwerpsesteenweg, als een verbinding met die andere heirbaan richting Noorden, die langs de nederzetting in het huidige Kontich-Kazerne liep (Meylweg). Aan het kruispunt dat nu het Gemeenteplein is, heeft ongetwijfeld een hoge wachttoren gestaan op de Spiegelberg, aan de overkant van de Fortuin. Van daarboven konden onze voorouders alle windrichtingen in het oog houden. Je wist maar nooit …
De Plaetse
Zo’n hoge en droge plek was natuurlijk uitermate geschikt om te wonen. Enkele grote hoevegebouwen rezen al spoedig op. Tot genoegen van de talrijke reizigers uit die ver vervlogen tijden. Die vonden er drinkbaar water, voor henzelf en voor hun paarden. En bij nacht en ontij wilden zij wel voor enkele stuivers blijven eten en slapen. Dat bracht de boer op het idee om ook bier te brouwen (dat was trouwens betrouwbaarder dan water, want gekookt en dus kiemvrij) en later zelfs brandewijn. Op den duur had zijn zoon zoveel werk met het herstellen en vervangen van hoefijzers dat hij een smidse begon. En zijn dochter nam dan maar de zadelmakerij voor haar rekening. De ene na de andere bedrijvigheid vond een plaats in de onmiddellijke omgeving van het kruispunt. En ook al die andere huizen werden herberg of winkel. De Fortuin was nog tot ver in de vorige eeuw zowel winkel als café. In de gelagzaal kon manlief iets drinken of biljarten terwijl mevrouw de comices deed. De Fortuin was – niet alleen voor de Kontichnaars – the place to be. Ze was de geschikte plaats voor openbare verkopen, van roerende goederen zoals inboedels, maar ook gronden en gebouwen. En ook de pleisterplaats voor veel socioculturele verenigingen (zie aparte alinea) en politieke partijen. De koetsen verdwenen maar de taxi en de bus kwamen in de plaats. De smidse werd een garage (Chevrolet) met benzinepomp. Ook het dorpscentrum – in de late middeleeuwen Die Plaetse genoemd – veranderde. Er kwam een bescheiden nonnenklooster. De (meestal) eenvoudige huizen van de kleine zelfstandigen werden vorige eeuw een na een afgebroken en vervangen door een mastodont van een gevel voor een meisjesschool. Het betekende wel de ondergang van een levendig plein.
Pleisterplaats
Eeuwenlang was de Fortuin een ontmoetingsplaats die de belangrijkste historische evenementen meemaakte, op elk gebied. Of het nu gaat over politiek of cultuur: in de Geschiedenis van Kontich wordt de herberg minstens 27 maal
en
ng
eri
in Re .2 13
4
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
Re in
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
eri
ng
en
13
.2
vermeld. Van Passen vermoedde dat er al in de 14e eeuw bewoning was, evenals in het huidige gemeentepark, waar de afspanning de Rode Schild stond. Op de hoek van de huidige Molenstraat, nabij Vrieselveken, stond het huis waarvan hier sprake. Het werd rond 1600 in drie eigendommen verdeeld, waaronder het Schaliënhuis en de Fortuin. Die erven grensden met hun tuinen aan het Schuttershof van onze gilden. In die tijd zagen die huizen eruit zoals je ze op de schilderijen van Pieter Brueghel ziet: bescheiden houten en lemen huizen met grote tuinen errond, gescheiden door hagen. Alle onder een strodak, behalve natuurlijk het Schaliënhuis, de naam zegt genoeg. Rechts van het middelste huis werd nog het Smidshof vermeld, met boomgaard en uiteraard smidse, dus nu op de plaats van het nieuwe terras. Het uitzicht van deze gebouwen werd verschillend. Het linker gedeelte was groter dan nu (pas een eeuw geleden versmald, om de Molenstraat breder te maken) en bedekt met blauwe leien. De Fortuin kreeg een rood pannendak. Ook de bestemming werd nogal eens gewijzigd. In de jaren ’60 van de 17e eeuw had chirurgijn Joris Wils er zijn kabinet. In de 18e eeuw was het vredegerecht er een tijdje gevestigd. In 1832 was het zowel de winkel van bakker De Bie terwijl diens vrouw de herberg openhield. Voor reizigers waren er ook hotelkamers beschikbaar. Onze geschiedenis vermeldt in de 18e eeuw soms al eens onregelmatigheden op die plek, zoals in 1751 ter gelegenheid van 100 jaar dorpsheren Franco-y-Feo: na ruzie en krakeel maakte een messteek met dodelijke afloop een einde aan de feestvreugde. In de hitte van menige verkiezingsstrijd na de Belgische onafhankelijkheid werd het gebouw of het interieur soms deerlijk beschadigd.
5
In 1888 zien we voor het eerst de familie Van Roy in de Fortuin verschijnen. De herberg was geëvolueerd naar politiekcultureel stamlokaal waar geregeld vergaderingen werden gehouden. De katholieken voelden er zich thuis; na de splitsing van de plaatselijke afdeling bleef de conservatieve vleugel daar, terwijl de “progressieven” naar De Eendracht verhuisden, aan de overkant van het plein. Na de Tweede Wereldoorlog werden ze weer één. De paardenstallen werden garage, aan de inrijpoort kwam een benzinepomp. Er kwam een einde aan het vervoer met paard en koets: cafébaas Van Roy exploiteerde een taxibedrijf. De eerste standplaats van de autobus was ook pal voor het café. De laatste opvolger als waard van de herberg, Sus Van Roy (zie foto), was zoals zijn vader een notoir dorpspoliticus voor de CVP en werd zelfs burgemeester van 1965 tot 1970.
Toneel en Muziek
Toen de liberalen in de jaren 1870 uitgegroeid waren tot de sterkste partij, besloten de katholieken in 1873 het Genootschap der Xaverianen of Suskens op te richten. De jezuïeten hadden de bedoeling met deze lekenbond “de godsdienstige onverschilligheid bij het werkvolk” tegen te gaan. En zo werd hun “fanfare” een felle concurrent van de (misnoegde) liberalen en hun Sint-Cecilia. In 1891 groeide daaruit de harmoniemaatschappij “Vrede en Vermaak”. Hun gewoon lokaal was de Fortuin. Tijdens de scheuring van de katholieke partij in de jaren 1920-30 verhuisden ze mee met de “progressieven” naar De Eendracht aan de overkant van het Gemeenteplein. In die tijd gingen maatschappijen van toon- en toneelkunde hand in hand. De katholieke toneelkring speelde aanvankelijk in de grote zaal van herbergier August Hellemans “Het Vlaemsch Toneel” (op die plek van de latere zagerij) in de Molenstraat. Hij kreeg in 1906 officieel de naam “Willen is Kunnen” en speelde toen ook al een tijdje in de Fortuin. Dat duurde tot 1966, maar later kende het gezelschap nog een wedergeboorte. In het begin van 1982 planden de uitbaters van de Fortuin modernisering van hun zaal. De bedoeling was ze te kunnen aanbieden aan wie een feest(je) of ander evenement wilde organiseren. Het populairste moment voor zo’n activiteiten is de vrijdagavond, en nu wil het toeval dat dat juist de repetitieavond van Vrede en Vermaak is. Maar ze mochten de bergplaats achter de binnenkoer verbouwen, wat ook gebeurde. Sinds oktober 1982 kon er al in gerepeteerd worden. Acht jaar later konden ze er hun eeuwfeest vieren. Tot oktober 1999 bleven ze er repeteren: toen stortte het dak in – tijdens een repetitie nota bene. Ze werden gedwongen weer te verhuizen naar de feestzaal. Met Jos Jacobs als nieuwe uitbater kon weer aan de heropbouw achteraan begonnen worden, maar helaas overleed hij onverwacht. Zo moesten ze uiteindelijk definitief verhuizen naar de feestzaal van de Hazelaar, waar ze nu nog altijd een onderkomen hebben.
en
ng
eri
in Re .2 13
6
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
Verbouwd en versleten
Door de eeuwen heen en door al die verschillende bestemmingen werd de Fortuin heel vaak verbouwd. De laatste veranderingen dateren van rond 1970, toen de stijl van de gevel werd aangepast aan die van het parkpaviljoen ernaast. Dat laatste werd kort daarop vervangen door een stijlloos openbaar toilet, nu ook verdwenen. Monumenten en Landschappen vond het trouwens de moeite niet om De Fortuin in de inventaris op te nemen. Tot grote ergernis van vele – misschien wel de meeste – Kontichnaars werd het oude gebouw afgebroken. Het was – ook door de vele verbouwingen en aanpassingen – niet meer geschikt om een uitgebreide horecafunctie op zich te nemen. Zeker niet met de hedendaagse richtlijnen en normen. De bevolking keek naar dat nieuwe uitzicht met argwaan (en misschien wel afschuw), onmiskenbaar vanuit een nostalgisch standpunt. Het is een strakke modernistische gevel geworden. De kant van het plein is onderaan “blind” en sluit zo contact met het dorpshart uit. De kant van het park is op het gelijkvloers en de eerste verdieping echter open en uitnodigend, met een royaal terras in de zomer. De zaakvoerders hebben ook de verantwoordelijkheid over een kleine speeltuin die erbij aansluit.
Het Rad van (de) Fortuin
Het verlenen van de vergunning verliep niet van een leien dakje. De Kontichse erfgoedraad bracht een inspectiebezoek om zich ervan te vergewissen dat er geen waardevolle relicten zouden verdwijnen. Zelfs de kelderverdieping zou immers met de afbraak verdwijnen en opgevuld worden. Juist daar was het interessant om de bakstenen vloer met afvoergeulen en gemetselde containers voor water en wijn (of bier?) te bestuderen en fotograferen. Aan de kant van Het Anker merkten ze de fundering van wat een oven moet geweest zijn, waarvan ook op het gelijkvloers nog restanten te zien waren. Het is geweten dat er niet alleen ooit een smid woonde en werkte, maar ook een bakker. Het merkwaardigste relict bevond zich echter op de eerste verdieping: een katrolinstallatie. Ze bevond zich pal boven de grote inrijpoort en diende waarschijnlijk om zware koffers of andere vrachten van de diligences of karren naar boven te hijsen en in veiligheid te brengen. Op vraag van de Gemeentelijke Erfgoedraad werd ze bewaard en krijgt ze een prominente plaats in het nieuwe interieur. Een symbolische verwijzing naar het belang van het personen- en vrachtvervoer langs wegen die eeuwenlang druk bereden werden. En uiteraard naar de rol die De Fortuin daarin speelde. Moest de gevel van dit iconische gebouw dan wel bewaard worden? Dat heeft men wel proberen te doen met Het Anker, door middel van reconstructie, met een kitscherige miskleun als gevolg. Waarom nostalgisch zijn en naar vroeger grijpen? Het is toch normaal dat een dorpsplein omzoomd wordt met gevels van verschillende tijden en stijlen? Dan mag een hedendaags concept dat representatief is voor een stijl uit de eenentwintigste eeuw toch ook! Op voorwaarde natuurlijk dat het een meerwaarde toevoegt aan het karakter van onze dorpskom. En dan heb ik het niet alleen over het uiterlijk maar vooral over de inhoud.
’t Hof in Kontich
Re in
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
eri
ng
en
13
.2
Onze Sint-Martinuskerk is nu opgefrist en de mooiste kerk geworden van de wijde omgeving. Er zijn plannen om het plein te herwaarderen en gezellig heraan te leggen. Als nu ook nog het Sint-Jozefinstituut – overigens een van de
7
kindvriendelijkste scholen van de wijde omgeving – de moed heeft om die starre gevel open te breken en er bijvoorbeeld winkelruimtes te scheppen, dan creëren we een hart voor ons dorp waar het gezellig is om te toeven. Vooral bij goed weer, op het ruime terras van De Fortuin. Ondertussen lijkt het dat Jan, An en alleman deze pleisterplaats ontdekt hebben. Bij mooi weer was het terras al meer dan eens goed bezet. De bruine kroeg is voor altijd weg, maar het strakke design van het gebouw en het interieur kunnen de gezelligheid van genietende mensen niet wegnemen. De eigenzinnige, maar verfijnde menukaart nodigt uit om iets uitgebreider te eten dan de toen populaire croque-monsieur. Nu worden er bites geserveerd. Zoals de brioche bouillie. Opvallend is wel dat de Maes-pils werd vervangen door Cristal. Tot ongenoegen van de bevolking van Waarloos. Een voor de hand liggende reden is dat die tweede benaming commerciëler klinkt, zelfs internationaal. Er is bewust gekozen voor een meer stijlvolle uitstraling. Je kunt niet achter blijven vergeleken met andere etablissementen zoals ’t Of in Hove. En dat merk je trouwens aan de prijzen voor de consumpties, die ook naar hetzelfde niveau gebracht zijn. Om te besluiten toch nog een bedenking: naast de kitscherige gevel van het vroegere Anker mocht hier blijkbaar ook een vleugje kitsch niet ontbreken: de stamgasten mogen zich nestelen onder een frisgroene eikenboom. Gemaakt van kwaliteitsvolle kunststof.
Fortuna
Haar naam dankt deze aloude herberg-afspanning waarschijnlijk aan het uithangteken van de afbeelding van Vrouwe Fortuna, die zich op het rad van avontuur bevindt (Van Passen). Ze is de verpersoonlijking van het lot, de macht die over het leven, over voor- en tegenspoed beslist. Ze werd vaak naakt afgebeeld, wat verwijst naar haar ongrijpbaarheid. Haar attributen zijn een hoorn van overvloed, een roer (dat richting geeft aan het leven), een bal (of bol) en een rad of blinddoek, wat verwijst naar de wisselvalligheid van het lot. Dat is onvoorspelbaar, zowel voor de reiziger van weleer als voor de stamgast van nu.
Chaussée d’Amour
Langs onze drukke wegen vind je al twintig eeuwen badhuizen, herbergen, afspanningen, of hoe je deze huizen van verpozing en plezier (voor reiziger en man-innood) ook wil noemen. Abolitionistische (afschaffende) of repressieve maatregelen in de Antwerpse “rosse buurt” zorgen ervoor dat nogal wat sekswerkers de rust van het platteland verkozen. Vanaf de jaren 1960 ijverden ze ervoor om langs de A1 ook rode verlichting aan de ramen aan te brengen. In diezelfde periode eisten de Amerikaanse soldaten van de masseuses in Thailand – waar ze tijdens de Vietnamoorlog even mochten gaan uitrusten en ontspannen – ook een “happy end”, ook al strookte dat niet met de Oosterse cultuur. Voor vele meisjes, jongens en vrouwen bleek dit een makkelijke manier om geld te verdienen, en ze verlegden hun werkterrein ook naar Europa. Sinds de jaren 1980 schoten de Thaise massagesalons op als paddenstoelen op Belgische bodem, ook in onze gemeente. De installatie van Guillaume Bijl hekelt met zijn installatie Thai Massage de Oosterse kitsch waarmee de Thaise dames (m/v/n) vele Belgen in de val lokken …
Frank Hellemans
.2 13
8
en
ng
eri
in Re
Bron: Robert Van Passen (1923-2002), Geschiedenis van de Kontichse huizen, Gemeenteplein deel IV, in: Informatieblad van de gemeente Kontich, XXX nr. 6 (sept. 2000); Geschiedenis van Kontich (1988).
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
ERRATUM In Reineringen 12/4 werd bij het bombardement op de Reep in Kontich een tekst gepubliceerd die niet helemaal correct is. De herwerkte versie kunt u hieronder lezen met excuses van de auteurs. Een eskader Amerikaanse bommenwerpers, beveiligd door tientallen Mustangs, stijgt op vanuit Engeland om het vliegveld van Evere (Brussel) te bombarderen. Het bombardement verloopt zoals gepland alhoewel enkele vliegtuigen hun bommen niet kunnen afwerpen. Op de terugweg naar Engeland moeten ze vervroegd afbuigen naar het Waasland, omwille van de felle beschietingen door Flak-luchtafweer ten zuiden van Antwerpen (Flakstellingen o.a. in Kontich, Groeningenhof en Antwerpen park Den Brant). Enkele vliegtuigen vliegen over Kontich en bemerken in de buurt van onze Reepkapel enkele hangars die lijken op een fabriek. Wat ze niet weten is dat dit een afdeling is van het metaalverwerkend bedrijf Lecluyse uit Lint dat voor de Duitse oorlogsindustrie produceert. De enkele bommen richten een echte ravage aan mee door de enorme luchtverplaatsing: rondvliegend glas, weggeblazen deuren en ramen, vernielde aanbouwen van huizen en enkele boerderijen. Er vallen drie dodelijke slachtoffers. Een van hen is een Kontichse melkboer op ronde, die door de luchtverplaatsing wordt gekatapulteerd tot in de dakgoot van een eenlaaghuisje. Bron VAN EYNDHOVEN H., 7 september 1943 delen I en II, in Reineringen, 2019, jg.10, nrs. 2 en 3 VAN PASSEN R., Geschiedenis van Kontich, uitgave gemeentebestuur Kontich, 1988
Heilig Reet - Ken jij onze buurgemeente? (Tekst lezing vrijdag 10 juni 2022)
A
Re in
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
eri
ng
en
13
.2
ster Devrieze (°Aalter 1933) kwam op tweejarige leeftijd van Ruiselede in Reet terecht, waar zijn ouders de Ganzendrieshoeve konden pachten. Tot zijn zestiende liep hij school in Mechelen (moderne humaniora in het Sint-Romboutscollege) om dan in het familiebedrijf mee te helpen. Na zijn dagtaak begon hij op de hoeve een winkeltje in zaden en sproeistoffen, met plaatselijk succes. Door avondonderwijs en zelfstudie werd hij ook landbouwlesgever. Hij kon zijn zaak in de voormalige maalderij Van Dessel in het centrum voortzetten en uitbreiden tot een doe-het-zelfzaak, gespecialiseerd in landen tuinbouw. Aster X werd in 2009 overgenomen door Hubo, de vier zonen hadden hun handen vol met immobiliën en sinds kort ook met de vroegere drankenhandel Prik & Tik. Aster leerde op die manier heel goed zijn dorp en de bewoners kennen en werd ook een graag
9
geziene en actieve deelnemer aan het verenigingsleven, hij zat ook 39 jaar in de gemeenteraad (o.a. als schepen). Vanaf 1979 is hij beginnen noteren wat hij vernam over het Reet van vroeger, herinneringen die hij ook haalde bij de gepensioneerde onderwijzers en andere bejaarde dorpelingen. Vanaf 1980 richtte het Davidsfonds om de twee jaar een avond in onder de titel Heilig Reet vertelt waar oudere mensen kwamen vertellen over hun (jonge) tijd in het dorp. Dat resulteerde een jaar of tien geleden in de uitgave van het boek Humor en Ernst in Heilig Reet dat Devrieze samenstelde en met steun van het Davidsfonds werd uitgegeven.
Laarhof
Logo Brooikensstoet
Wat weten we eigenlijk van Reet? Vroeger leerden we dat deze gemeente tot het kanton Kontich hoorde. Nu dat ze, samen met Terhagen, een deelgemeente is van Rumst. Wat wel vreemd is, want Reet telt de meeste inwoners. Nu toch, niet ten tijde van de fusie. En onze buurgemeente had toen net een groot gemeentehuis gebouwd, dat staat dus ook niet in Rumst, maar in Reet. Mogelijk vonden de politici ook dat de geschiedenis van Rumst rijker was …?
Zondag 18 september 2022
Van heel lang geleden dateert één van de grote Reetse feestelijkheden: Brooikensdag. De geschiedenis van de Brooikensstoet gaat terug tot 1474, toen ene Jan Carley de Jonge overleed. In zijn testament had hij laten opnemen dat aan de armen die zijn jaargetijden zouden bijwonen, brood zou worden uitgedeeld. Hij stelde daarvoor 28 meukens tarwe ter beschikking van de Tafels van de Heilige Geest van de parochie te Reet. In de loop van de jaren kreeg die dag de naam Broeyckensdach. Brooikensdag is blijven bestaan tot in 1681. De reden van de afschaffing is vermeld in een oud document. Men spreekt over: verkwisting van tarwemeel, onhebbelijkheden, vloeken en scheldwoorden bij het uitdelen, bedelaars en mensen van buiten Reet, gedrang en lawaai in de kerk, fikfakkerij van jongens en meisjes, enzovoort, ... In 1961 ging voor het eerst de Brooikensstoet uit als historische evocatie van dat stukje Reetse geschiedenis, later werd die stoet een Brooikensdag. “De Brooikensdag is een evenement waarbij we de geschiedenis en het landelijke leven van Reet in de kijker zetten. Het spandoek ‘Welkom in ons Reet’ hoort daar ook bij, als knipoog naar een verhaal dat de ronde doet over de nonnekes uit het dorp”, zegt voorzitter van de vzw Brooikensstoet, Jef Wijckmans. “Halfweg de vorige eeuw kreeg Reet een nieuwe pastoor, en zijn komst mocht natuurlijk niet onopgemerkt voorbijgaan. De Zusters der Christelijke Scholen van Vorselaar zouden volgens de overlevering een mooie praalboog gemaakt hebben, die aan de kerk geplaatst werd. De tekst op het spandoek luidde: ‘Meneer pastoor, welkom in ons Reet!” Hilariteit alom natuurlijk, en daarom lieten wij tien jaar geleden ook zo’n spandoek maken om onze Brooikensdag aan te kondigen.”
Is Reet heilig?
Hoe komt Reet in hemelsnaam aan dat predicaat heilig? Misschien zitten die nonnekes daar inderdaad voor iets tussen. Maar er waren er nog: de zusters, die het ziekenhuis van de Heilige Familie hebben opgericht, nu A.Z. Rivierenland, vlakbij de A12. Ook veel Kontichnaars zijn daar geboren. Maar uit de kroostrijke gezinnen van de godvruchtige boeren en burgers van Reet zijn ook opvallend veel priesters, missionarissen en eerwaarde zusters voortgesproten. Dat in schril contrast met Boom, dat bevolkt was met arbeiders in het geleeg en de steenbakkerijen die uiteraard allemaal socialist waren. En met Terhagen, het dorp der zonde, of ’t Ras (gepeupel) van Niel, om dan nog te zwijgen van Kontich-Kazerne waar in de kazernebuurt de goddeloosheid welig tierde. Jozef Cornelissen schreef in 1929 “De inwoners van dit dorp zijn stille, brave menschen; (…) Een gebeurtenis die getuigt van hunne ‘heiligheid’. Een rondreizende tooneelgroep
en
ng
eri
in Re .2 13
10
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
was er aangekomen, en hoewel hij bekend stond om zijn goede en onberispelijke spelen, werd het hem niettemin geweigerd vertooningen te houden.” (Nederlandsche Volkshumor, De Sikkel, Antwerpen). Bovendien kende in de eerste helft van vorige eeuw Reet enkele pastoors die niet alleen een karikatuur van vroomheid maar ook van kwezelachtigheid waren. Was het dan een spotnaam? Of misschien was het wel een geuzennaam die ze zich in Reet zelf toegedicht hadden? Dit is de versie van Aster Devrieze:
Verboden te trouwen in Reet
Dat heeft te maken met de zeer speciale pastoors die we hier gehad hebben. Ik heb het vooral over pastoorke Smits en over Heuvelmans. Zij hebben samen ongeveer 60 jaar over dit dorp gewaakt en geheerst op een ouderwetse manier. Het ergste van al was, dat zij zo een beetje ‘bepaalden’ wie met wie zou trouwen. Als er bijvoorbeeld een prille liefde ontstond, dan gebeurde dit vaak door een romantische wandeling in de kasteeldreven. Het was daar dat de nieuwsgierige pastoor Smits op de hoogte kwam van wie toenadering zocht tot wie. De pastoor ging iedere avond met zijn hond wandelen in het kasteel. Alles had de pastoor gezien en soms ook voorzien. In ieder geval, door Smits zijn tussenkomst bij de ouders werden de eerste toenaderingen in de kiem gesmoord. De opvolger, pastoor Heuvelmans, was op dat gebied niet veel beter. De houding van beide pastoors heeft er wel voor gezorgd dat er in Reet een grote groep jonge vrouwen en mannen niet van straat geraakt zijn. Zoals ik dat hier schrijf klinkt dat nogal oppervlakkig, maar de werkelijkheid was, dat veel jonge mensen tragisch hun leven lang ongelukkig zijn gemaakt. Deze droeve toestand werd zo erg, en werd ook door iedereen zo ervaren, zodat ook het bisdom op de hoogte kwam. Om Asters verhaal kort te maken: de pastoor werd op de vingers getikt door kardinaal Mercier zelf, die aartsbisschop was van 1906 tot 1926. Reet is niet zo groot: 9,47 km². Maar toch nog het dubbel van Waarloos, dat maar 4,80 km² klein is. Ter vergelijking: heel Kontich beslaat wel 23,74 km². Het aantal inwoners van Reet wordt op zo’n 6.800 bepaald; voor heel Rumst is dat 15.051; in 2019 telde onze gemeente 21.221 inwoners (waarvan 1.774 in Waarloos). De laatste decennia zijn er volkrijke wijken bijgekomen in Reet, maar toch is de gemeente een landelijk woondorp gebleven, met nog heel wat boerderijen. Typisch voor Reet is dat die voor het grootste deel eigendom van de boer zelf zijn en niet gepacht worden. Zuivel was een belangrijk aandeel van de productie: de melk werd vervoerd met de boerentram naar Antwerpen om daar te verkopen aan particulieren en winkels, maar er was sinds 1865 ook een treinstation. Tot 1930 waren er zelfs twee belangrijke brouwerijen – wat niet te verwonderen was voor een dorp met opvallend veel populaire cafés! In Reet was er altijd veel ambiance. Zelfs het kasteel droeg daartoe bij, met Vlaamse kermissen ten voordele van de missies bijvoorbeeld. Iets wat de strenge parochieherders wel door de vingers zagen. Opvallend was ook de belangstelling voor muziek. Voor zo’n klein dorp was er niet alleen een fanfare, maar ook een harmonie. Die laatste was de oudste van uren in het rond, want gesticht in 1770! Maar allebei zijn ze katholiek! Wat had je anders verwacht in heilig Reet? Er valt natuurlijk nog veel te vertellen over deze boeiende gemeente. Bijvoorbeeld over de slimme uitvinding van de rollende serres (uitgevonden door hovenier Gillis), die werden uitgevoerd naar heel Vlaanderen en Nederland tussen de twee wereldoorlogen. Over de fietsen die hier werden gefabriceerd. Niet in één, maar in liefst twee fabrieken!
Re in
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
eri
ng
en
13
.2
Beroemde inwoners
Dankzij enkele kraamklinieken kan Reet uiteraard ook uitpakken met tal van Bekende Vlamingen die afkomstig zijn uit deze gemeente. Op Wikipedia vinden wij acteur Herbert Flack (opgegroeid in Boom), actrice Loes Van den Heuvel (idem, nu Keerbergen), CD&V-politicus Kris Peeters (Ruisbroek), Eddy Merckx (biljarter uit Hemiksem), Ann Van den Broeck, musicalactrice (Kontich!) en Romeo Van Dessel (voetballer uit Rumst, ok dus)… Maar er zijn uitzonderingen: zoals de presentatrice Eva De Roo. Nu woont zij al een jaar of tien in Brussel en is ondertussen getrouwd met muzikant Jan Paternoster, met wie zij twee zonen heeft. Zij is trots op haar huidige woonplaats: Veel mensen lijken de stad niet te snappen, vindt Eva. “Als ik bijvoorbeeld mijn vrienden in Antwerpen bezoek en ik neem dan om tien uur ‘s avonds de trein terug, zeggen ze: ‘Wat!? Ga jij nu nog op je eentje Eva de Roo naar Brussel?’ En dan zeg ik hen dat ik me in Brussel ‘s avonds
11
veiliger voel dan in mijn geboortedorp Reet. Want daar doen ze om acht uur al de rolluiken naar beneden en blijft iedereen binnen. Als je dan van het café naar huis fietst ben je helemaal alleen, terwijl in Brussel er om elf uur ‘s avonds zelfs nog kinderen op straat lopen.” (Eén) Toch maakte een andere (media)figuur nog meer indruk, niet zozeer bij ons maar vooral bij onze noorderburen. In de jaren zeventig van vorige eeuw vond de Nederlandse veelzijdige kunstenaar Wim T. Schippers het personage Sjef van Oekel uit. Hij bedacht deze naam toen hij in België deze naam op een bedrijf in autoaccessoires had zien staan in… Reet. Het werd een figuur met voor- en tegenstanders die voor het eerst verscheen in de show van Barend Servet in 1972. Later werd hij ook de hoofdrolspeler in een gelijknamige (en controversiële want meer expliciete) vedettenstrip, getekend door Theo van den Boogaard. Zijn taal werd getypeerd door archaïsmen en retoriek. Vooral in studentenmiddens is hij een hype geworden. Met zijn stoplappen: Pardon reeds, Dat ben ik dus, Ik word niet goed, Ik heb een afgrijselijk Sjef Van Oekel leven en Ik ben ook maar een gewone boerenlul… Verdomd interessant, maar gaat u verder! Reet is ook een paar jaar geleden in de picture gekomen dankzij (de ook weer Nederlandse) De Jeugd van Tegenwoordig, in een uitzending over de anale driehoek. Samen met Kontich en Aartselaar. Maar dat is een ander verhaal. Slotsom: wat leven wij in een pittoreske omgeving! Frank Hellemans (Met dank aan Femke en Aster Devrieze, Het Nieuwsblad/Gazet van Antwerpen en het Davidsfonds, Reet)
De Antwerpse burgemeester en het Romeinse gouden muntje
A
.2 13
12
en
ng
eri
in Re
d captandum vulgus (“Om het volk te winnen”) Bart De Wever is een geboren Mortselaar (1970). Zijn grootouders woonden er ook. Bart De Wever is een getogen Kontichnaar (1970-1980). Zijn ouders hadden een huis gebouwd, op de hoek van de Ooststatiestraat en de Gallo-Romeinenlaan. Daar runde zijn moeder een krantenwinkel. Toen de dagbladhandel in 1980 werd overgenomen, verhuisde het gezin naar Mortsel. Bartje ging naar het OLVE-college in Edegem en volgde er de Grieks-Latijnse humaniora. Daar raakte hij door het antieke-Romevirus geïnfecteerd en gepassioneerd door leraar Latijn André Mens, een enthousiaste man met wie onze kring ook goede contacten heeft, want hij is nu één van de historische gidsen van Edegem. En uiteindelijk ging grote Bart ook geschiedenis studeren in Antwerpen en Leuven. Na zijn universitaire studies (ca. 1995) verhuisde de historicus en politicus-in-wording naar Berchem, een Antwerps district. Niet naar het boerendorp van zijn jeugd. Zijn ambities lagen hoger. In Kontich zou hij trouwens toch geen kans maken om burgemeester te worden want tegen zijn partijgenoot Bart Seldeslachts zou hij geen schijn van kans maken. Tegenwoordig woont de burgemeester van de sinjoren in Deurne, een ander district van dezelfde stad. Vlak na de gemeenteraadsverkiezingen van 2012 stond Bart De Wever een kort schriftelijk interview toe aan de dorpskrant Kontich Waarloos hier en nu (januari 2013). Als aanvulling werden in het artikel ook de herinneringen van juf Lieve De Backer (3e en 4e leerjaar) opgenomen. Ze vertelde: Toen ze de funderingen van zijn ouderlijk huis gegraven hebben (krantenwinkel Den Drijhoek nabij het station, fh), vonden ze daar een handvol Romeinse munten. Bart had die op een keer meegebracht naar de klas om ze te tonen tijdens de geschiedenisles. Prachtig was die collectie wel maar geen kind heeft ze mogen aanraken of serieus bekijken. Hij was heel streng en hij alleen mocht ze aanraken. Ook tien jaar later bevestigt ze in de Gazet van Antwerpen (16/02/2022): “Ze mochten die houden omdat het hun eigendom was. Hij was toen al sterk geïnteresseerd in de oudheid en vertelde in de klas soms over de Romeinse munten die hij met zijn vader verzamelde. Op een dag heeft hij die meegebracht in een dozeke naar de klas. Allez, een kist, want het waren echt wel veel munten. Je zag toen al dat die munten een enorme waarde voor hem hadden. Hij vertelde er heel graag over. Dan gaf hij zo’n beetje geschiedenisles.” Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
Dat deed ons toch wel onze wenkbrauwen fronsen. Ofwel “loog” de juffrouw, of anders verkoopt de Antwerpse burgervader fake news! Wat vaststaat is dat juf Lieve nooit liegt. Nu is het goed mogelijk dat er destijds wel wat door elkaar werd gehaald. De opgravingscampagne in Nieuw-Kontich (Steenakker-Kapelleveld) sprak tot de verbeelding van de autochtone en (vooral) nieuw-ingeweken inwoners van Kontich-Kazerne. Voor zover geweten, werd er toen “officieel” geen grote geldschat bovengehaald. Op de ene zijde van de munt is keizer Augustus, achterneef van Julius Caesar. Afgebeeld. Op de keerzijde zijn kleinkinderen/adoptiefkinderen Gaius en Lucius, die echter stierven voor ze hem op de troon konden opvolgen. Anderzijds hebben we wel de indruk dat BDW graag als echte Antwerpenaar wil geliefd zijn. Het liefst zou hij willen aantonen dat zijn stad Romeinse roots heeft. Kortgeleden, naar aanleiding van het vernieuwde Steen langs de Scheldekaaien (waartegen onze Kontichse Antwerpenaar Jeroen Olyslaegers zo heftig tekeerging), moest hij toegeven dat er helaas nog te weinig vondsten van betekenis zijn en dat Kontich voor de regio waarschijnlijk een veel belangrijker centrum was. Nu verzwijgt hij Kontich, hij wil niet wijzen op het historische belang van onze nederzetting. Daarom wil hij er ook niet over reppen dat er bij de graafwerken voor hun huis munten zijn gevonden, waaronder een gouden. Maar toegegeven: het is ons slecht karakter dat dit ingeeft … We kunnen ons niet inbeelden dat die door de doodeerlijke familie De Wever stiekem werden opgegraven in eigen tuin op de oude nederzetting van Condacum (zonder er verder ruchtbaarheid aan te geven). Meer voor de hand liggend is dat die gewoon bij een verzamelaar was gekocht. Verdere details ontbreken voorlopig nog. Maar wat moet een mens met zo’n zeldzame gouden Romeinse munt: laten verkommeren in een kluis? Daarom was het beter dat ze onlangs in het programma Stukken van Mensen op Play4 (uitgezonden op 15/02/2022) werd geveild voor het goede doel, en dat heeft maar liefst 5.750 euro opgebracht. Die geste was sympathiek. Bovendien past zo’n optreden binnen het kader van BV’s die populair willen zijn. Ze moeten de kiezers charmeren en paaien, en zich zoveel mogelijk laten zien. Toch stemt de situatie nog tot nadenken. Waarom die stunt om één van de muntjes uit de familieschat te laten veilen? Misschien omdat het verhaal een eigen leven was beginnen te leiden. De Kontichse dorpskrant was met de primeur afgekomen, de media hebben die op de site Museum voor Heem- en Oudheidkunde - Kontich (museumkontich.be) gevonden en overgenomen en dreigen zo Barts Antwerpse ambities te saboteren. Het is echter weinig waarschijnlijk wat een lezer van Reineringen ons mailde: Wat is de kans dat dit een munt is die zijn vader op de site van Gallo-Romeinenlaan heeft gevonden/ opgegraven … Kontich kan haar kunstschatten terugvragen? Beter ware misschien wel geweest dat Bart De Wever zijn munt te koop had aangeboden aan de gemeente Kontich, of aan de lokale kring voor heemkunde! Of nog beter: geschonken. Want dit kostbare kleinoodmet-een-verhaal was beslist een blikvanger geworden in ons museum!
Re in
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
eri
ng
en
13
.2
Frank Hellemans
13
Een Franse onderscheiding voor Vlaamse jongens, opgeëiste ‘dienstplichtigen’ in het Franse leger (1792-1815) Jarenlange weerstand tegen de invoering van de dienstplicht
.2 13
14
en
ng
eri
in Re
Op 1 oktober 1795 werden onze voorouders wettelijk Franse staatsburgers. Een magere troost, want economisch en financieel werden de werkenden er zeker niet beter van. Op veel sympathie moesten de nieuwe administratieve indelingen en daaruit voortvloeiende instellingen met hun vele verantwoordelijken niet rekenen. De officiële invoering van een vreemde communicatietaal, met de overheid, het Frans, verstoorde danig de relatie burger-overheid. De wet J.B.Jourdain (militair) - P. Delbrel (jurist) van 5 september 1798 (19 fructidor VII) betekende een ingrijpende breuk met eeuwenoude tradities. Zij bepaalde dat iedere Franse mannelijke staatsburger die op 22 september daaropvolgend (1 vendémiaire VII) de leeftijd van 20 jaar bereikt had en geen 25 jaar oud was, soldaat moest worden ofwel door een vrijwillige indiensttreding (sic) (de kern van het lagere beroepsleger) ofwel door de conscriptie (de invoering van de dienstplicht). Het uitvoeringsbesluit op 24 september (3 vendémiaire) riep 200 000 dienstplichtigen of bijna de hele eerste lichting (eerste klas) op, dat wil zeggen de jonge mannen geboren tussen 22 september 1771 en 21 september 1778. Velen probeerden hier onderuit te komen, opgejaagd door mobiele colonnes die jacht op hen maakten. Talrijke repressieve maatregelen werden uitgevaardigd om de lokale burgerlijke overheden tot actie te dwingen en conscrits of hun familieleden aan te houden. Een minderheid van deze dienstplichtigen verzette zich manu militari tussen 12 oktober en 5 december 1798 beter bekend als de Boerenkrijg. De wetgever stelde eerst de omvang van het op te roepen contingent conscrits op waarna de lokale overheden de lichting invulden met de namen van de betrokken jongeren. Er volgde een medische keuring, helaas niet overal volgens dezelfde normen. Wie te klein was werd afgekeurd, maar moest een bijdrage betalen van 50 frank. Aanvankelijk kon men zich niet vrij kopen, want dat druiste in tegen het gelijkheidsbeginsel ingeschreven in de principes van de revolutie. Vanaf 1802 werd het toch een elementair recht… uiteraard voor wie het kon betalen! Een nieuwe wet van 17 april 1799 (28 germinal VII) riep de ontbrekende opgeroepenen van de eerste lichting op en voerde de loting in de hoofdplaats van het departement in voor de tweede en de derde lichting. Weer daagden heel wat conscrits niet op zodat de overheid op 28 juni 1799 (10 messidor VII) alle vijf lichtingen gezamenlijk opriep. Deze wet werd echter opgeschort vermits de oogstperiode in Vlaanderen hierdoor danig zou worden verstoord. De echte reden was waarschijnlijk de herinnering aan de Boerenkrijg en de landing van geallieerde troepen in Den Helder op 27 augustus 1799. Een nieuwe wet van 8 maart 1800 (17 ventôse VIII) riep 30 000 mannen op (3707 voor onze departementen) geboren Franse gendarme 1800 in felgekleurd uniform tussen 22 september 1798 en 22 september 1799 en 20 jaar oud - © https://www.politieacademie.nl/thema/ geworden. Vroegere vrijstellingen wegens ziekte of lichamelijke Politiegeschiedenis/canonpolitiegeschiedenis/ ongeschiktheid werden ingetrokken. Wie vrijgesteld wou Pages/2DeGendarmerie.aspx worden diende 300 frank te betalen of een plaatsvervanger te Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
vinden. Behoeftigen, d.w.z. die minder dan 50 frank belasting betaalden, werden hiervan vrijgesteld. Toen Napoleon in 1802 consul werd, bleven deze basisprincipes van de dienstplicht ongewijzigd, de praktische schikkingen werden aangepast. Op 18 mei 1801 (28 floréal X) werd al wie twintig jaar geworden was tussen 23 september 1800 en 22 september 1802 opgeroepen. Gemeenteraden beslisten of het via loting of op een andere wijze zou gebeuren. In de wet werd onderscheid gemaakt tussen een actief en een reserveleger. Reservist bleef je voor vijf jaar maar regelmatig werd je wel tussentijds opgeroepen. De groep van vrijgestelden omwille van broederdiensten of bejaarde ouders, moesten vanaf 1804 na de actieven en de reservisten hun militaire dienstplicht toch vervullen. Op 29 december 1804 beperkte de wetgever de macht van de lokale bestuurders. Hun bevoegdheid om actief tussen te komen bij het opstellen van de lijsten werd inderdaad overgedragen aan de adjunct-prefecten in de kantonnale hoofdplaats. Deze stonden vanaf 1805 borg voor de organisatie van de algemeen voorgeschreven loting. Hoe hoger het lotnummer, hoe groter de kans was op vrijstelling of opneming in de reserve. Helaas, Napoleon had altijd opnieuw kanonnenvoer Napoleon als consul later als keizer © https://www.wikiart. nodig. Wie voor het einde van 1805 twintig geworden org/en/antoine-jean-gros/first-consul-bonaparte-1802 was behoorde al tot lichting XIV. De moeilijke republikeinse kalender werd inderdaad afgeschaft op 22 september van dat jaar. In 1806 werd de lichting van 1807 vervroegd opgeroepen, in april 1807 die van 1808. Zo moesten vanaf dan jongens van 18 jaar al soldaat worden. De cijfers in verband met het aantal dienstplichtigen stemmen volgens de bronnen niet overeen. 6,76% van de bevolking der negen Belgische departementen zou zijn opgeroepen in de periode 1798-1813. Dat betekent 216 000 man of één conscrit op 248 inwoners! Of zijn het er iets meer, namelijk 223.000, in slechts zeven van onze departementen geweest, van wie een derde niet naar huis keerde? Waar het eindigde weten we allemaal: in Waterloo, 1815. Wie zijn vaderlandse geschiedenis nog kent, kan zelf invullen: Hollandse periode (1815-1830), Belgische onafhankelijkheid sedert 1830. Ook in Frankrijk stond de tijd niet stil.
Re in
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
eri
ng
en
13
Napoleon III © Rijksmuseum httphdl.handle.net10934RM0001. COLLECT.288863
In 1857 op 12 augustus vaardigde de toenmalige Franse keizer Napoleon III een decreet uit waarbij hij aan alle nog levende oorlogsveteranen (ook niet-Fransen) die deelnamen aan de veldtochten van Napoleon I de gelegenheid gaf om een echte onderscheiding aan te vragen. Concreet ging het om de medaille van Sint-Helena. Een vergoeding hierbij werd niet voorzien voor de duizenden, nog levende soldaten van Napoleon I die in het Franse leger gediend hadden (1792-1815). De Belgen die hiervoor in aanmerking kwamen waren intussen de zestig jaar voorbij en konden dit zeker niet allen bewijzen. Dan volstond een verklaring van de burgemeester. Deze medaille mocht NIET gedragen worden zonder het erbij horende erelint met verticale rode en groene strepen. Samen met deze onderscheiding kreeg de gelauwerde een genummerd brevet, ondertekend door de grootkanselier van het Legioen van Eer. Men sprak van het testament van Sint-Helena. Dit paste wonderwel in de megalomane dromen van keizer Napoleon III die Frankrijk al zag uitgebreid worden tot aan de Rijn en daarvoor de facto het pas opgerichte België opnieuw wou annexeren.
.2
Weer een echte Franse keizer, Napoleon III met megalomane dromen?
15
Medaille van Sint-Helena met op de keerzijde «Campagnes de 1792 à 1815 - à ses compagnons de gloire sa dernière pensée St. Hélène 5 mei 1821»
De Belgische overheid diende deze aanslag op haar pas verworven soevereiniteit dan ook diplomatisch met de nodige fluwelen handschoenen aan te pakken. Vermits het hier ging over een buitenlandse orde, moesten alle oud-soldaten die in het Franse leger (zij het wel verplicht!) gevochten hadden hiervoor een toestemming krijgen van de Belgische koning Leopold I. In Genummerd getuigschrift medaille “Sint-Helena” het Belgische Staatsblad verschenen hiervoor de namen van allen die voor deze medaille in aanmerking kwamen en wel op 23 januari, 20 februari, 18 maart en 17 april 1858, nog aangevuld in het BS van 16 januari 1859, helaas voor onderzoekers en heemkundigen een lijst met meer dan veertienduizend namen zonder vermelding van geboortedata en gemeenten waar deze ex-légionairs verbleven. In België werden zo 14 162 oud-grognards (snorrebaarden) gedecoreerd met het Kruis van Sint-Helena. Ooit maakte Frans Van der Auwera, heemkundige uit Lint, zijn kringgenoot Edward Hertogs attent op het bestaan van een enorme fichenbak in het oud archief van Kontich (in de bewuste Franse bezettingstijd nog altijd samen met het gehucht Lint). Deze verzameling ‘conscrits’ uit ons kanton werd ooit samengebracht door onze voormalige kringvoorzitter Robert Van Passen. Hertogs vond er een aantal gedecoreerden, wetende dat overige ex-soldaten ofwel gesneuveld waren, intussen al overleden, ofwel niet meer geïnteresseerd of de oproep gemist hadden. De vermelde Jan Baptist Driessens, die mogelijk uit Waarloos kwam (toen nog een zelfstandige gemeente), werd hierin niet vermeld. Wel dook een nieuwe naam op: Corneille De Boeck. In de notulen van het schepencollege van 9 februari 1858 lezen we dat deze 15 zijn onderscheiden met het kruis van Sint-Helena. Gezien de onvolledige gegevens in het Belgische Staatsblad kan geen bevestiging gevonden worden of ze nu in Kontich zelf woonden, of in het gehucht Lint. Ook verschilt de schrijfwijze van deze namen en/of voornamen wel eens naargelang de bron, een euvel dat in die tijd regelmatig voorkwam. In een arrondissementele overzichtslijst te Antwerpen lezen we dezelfde personen. De zoektocht van Hertogs liep nog even door in de verschillende uitgaven van het Belgische Staatsblad en nadien in het legermuseum te Brussel en het archief van het arrondissement Antwerpen. We controleerden al deze gegevens zelf en publiceren de namen die als verblijfplaats Kontich (Kontich of Lint) opgaven. Wanneer we al deze gegevens in elkaar schuiven, de namenlijst uit het Belgische Staatsblad, de personenfiches in het Kontichs archief, de arrondissementele gegevens en vooral ook de data aangeleverd door de archivarissen van het Legermuseum te Brussel komen we tot een indrukwekkende lijst die helaas (bijna) nergens specifieert of het gaat over Kontichse of Lintse jongeren. We kunnen volgend overzicht wel omschrijven als de synthese van deze merkwaardige zoektocht, gelardeerd met de wetgevende maatregelen in de betrokken periode, die we bij Erf en Heem in SintKatelijne-Waver konden opsnorren.
Ontvingen deze Franse onderscheiding:
.2 13
16
en
ng
eri
in Re
COESEMANS Pierre Jean Geboren in 1792, diende van 1812 tot in 1814 bij de bemanning van het 15e flottielje (kleine vloot). Archieven Kontich, Arrondissement Antwerpen, Legermuseum Brussel. DE BOECK Corneille Jean Geboren in 1793, ingelijfd bij het 37e linieregiment infanterie tussen 1812-1814. Hij werd krijgsgevangen genomen en had de medaille van Sint-Helena reeds vroeger gekregen bij KB van 26 oktober 1857 en ook de toelating verkregen om dit ereteken in België te dragen (brief van 7 april 1858 provincie Antwerpen aan de minister van Buitenlandse Zaken) Archieven Kontich, Arrondissement Antwerpen, Legermuseum Brussel. DECKERS Jean Népomucène Geboren in 1784, verblijvend in Kontich. Soldaat (1807-1814). Archieven Kontich, Arrondissement Antwerpen, Legermuseum Brussel. DEC(K)LEYN Antoine François Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
Geboren te Deurne op 17 januari 1793 en van beroep landbouwer, diende van 1808 tot 1814 eveneens bij de bemanning van het 15e flottielje als leerling-zeeman. Archieven Kontich, Arrondissement Antwerpen, Legermuseum Brussel. DE METER Petrus Archief Kontich DERIDDER Pierre Geboren te Kontich op 8 april 1793, werkte als smid. Geboren in 1790, was soldaat bij het 122e linieregiment en het 2e regiment-2e bataljon jagers te voet van de Keizerlijke garde. Archieven Kontich, Arrondissement Antwerpen, Legermuseum Brussel. DYCKMANS Pierre Jean Effectief geboren in Kontich op 13 februari 1786 als zoon van Antoine Joseph Dyckmans en Marie Jeanne Treut. Hij vocht als lid van het 23ste regiment jagers te paard in 1812-1813. en was van beroep metselaar. Archieven Kontich, Arrondissement Antwerpen, Legermuseum Brussel. JANSSENS Pierre François Landbouwersknecht, geboren te Reet op 1 maart 1789. Was dragonder bij het 14e regiment cavalerie van 1809-1814. Archieven Kontich, Arrondissement Antwerpen, Legermuseum Brussel. OP DE BEECK Thomas Joseph Geboren 1792, soldaat bij het 22e linieregiment tussen 1812 en 1814. Van hem weten we dat hij werd krijgsgevangen genomen in Duitsland, Dresden. Archieven Kontich, Arrondissement Antwerpen, Legermuseum Brussel. PROOST François Geboren in 1793, werkte als dagloner en diende van 1813-1814 in het 94e linieregiment. Archieven Kontich, Arrondissement Antwerpen, Legermuseum Brussel. SOMERS Jacques Martin Hij zag al in 1787 het levenslicht en was bijzonder actief in het Franse leger: van 1808 tot in 1814 bij het 7e en het 13e regiment jagers te paard. Hij nam deel aan de veldtochten in 1809 in Duitsland en ook tussen 1810 tot in 1814 in Spanje. Alle bewijsstukken zijn nog in zijn bezit. Archieven Kontich, Arrondissement Antwerpen, Legermuseum Brussel. TUYAERTS Jean Baptiste Geboren te Kontich op 3 januari 1794, was er bakker vooraleer hij in de periode 1813-1814 bij het 82e linieregiment infanterie in het 5e bataljon meestreed. Alle bewijsstukken zijn nog in zijn bezit. Archieven Kontich, Arrondissement Antwerpen, Legermuseum Brussel. VANDYCK Henri Geboren in 1786. Als soldaat van 1808-1814, eerst bij het 25e linieregiment infanterie en in 1813 na gewond te zijn geraakt in Rusland, bij het 131e linieregiment infanterie Archieven Kontich, Arrondissement Antwerpen, Legermuseum Brussel. VERM(E)YLEN Jacques Geboren in 1785, diende 2 jaar bij het 27e Lichte … (onleesbaar) Archieven Kontich, Arrondissement Antwerpen, Legermuseum Brussel. VERVOORT Jean Geboren in 1791, was in 1813-1814 eerst zeeman aan boord van de korvet L’Indienne, daarna soldaat bij het 5e linieregiment infanterie. Archieven Kontich, Arrondissement Antwerpen, Legermuseum Brussel BRONNEN Archief resp. gemeente Kontich, provincie Antwerpen: arrondissement Antwerpen, Belgisch Leger: Legermuseum Brussel, Heemkring Erf en Heem: Sint-Katelijne-Waver, Heemkring Eugeen Goeyvaerts: Jaarboek 2012 DE GRIJZE P. en HELIN E., De erfenis van de Franse Revolutie 1794-1814, Uitgave A.S.L.K., Brussel 1989, p.199-208 en p. 208- 221. DE LELYS E., De erfenis van de Franse Revolutie 1794-1814, Uitgave A.S.L.K., Brussel 1989, p. 229. DE LELYS E., Onze voorouders in de legers van Napoleon, uitgave Vlaamse Vereniging voor Familiekunde, Brussel 1982.
Re in
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
eri
ng
en
13
.2
Edward Hertoghs & Paul Wyckmans
17
Over heksen, reuzen en andere witte vrouwen volksverhalen in en uit Kontich en Waarloos Verslag van een lezing op 15 maart 2022 in de Altenakapel
.2 13
18
en
ng
eri
in Re
Een vijftigtal aanwezigen schaarden zich verwachtingsvol rond de denkbeeldige, want allang verdrongen Leuvense stoof in de Altenakapel om zich te laten meeslepen door de vertellingen van de voorzitter van onze heemkundige kring, Paul Catteeuw. Want in lang vervlogen tijden kwamen de mensen bijeen rond het vuur. Turf, hout of houtskool, tja, toen waren we nog zelfvoorzienend. Veel mensen konden niet lezen of schrijven. Wat restte er dan nog om na een zware werkdag “de zinnen eens even te verzetten” dan met z’n allen rond het haardvuur of de stoof te gaan zitten en elkaar verhalen te vertellen? Welke verhalen dat waren en waar die vandaan kwamen, dat zou Paul voor ons zo dadelijk met veel begeestering uit de doeken doen. Eerst stelde Chris Peeters, voorzitter van de GER (Gemeentelijke Erfgoedraad) onze “verteller” aan ons voor en schetste zijn achtergrond als gewezen taaldocent, volkskundige en met zijn veelzijdige engagementen. Kortom: een man met vele passies en kennis. In tussentijd waren we voldoende opgewarmd en rechtten we onze ruggen, klaar om met gespitste oren te luisteren naar wat hij ons zou gaan vertellen. En we werden niet teleurgesteld. Met zijn kenmerkende vertelstijl en ervaring hield hij ons moeiteloos aan zijn lippen gekluisterd. Om het met de woorden van Piet Huysentruyt te zeggen: “En wat hebben we vandaag geleerd?”, zal ik hierbij een poging wagen om wat ik onthouden heb voor jullie samen te vatten. Verhalen zijn één van de oudste vormen van overlevering. Dit gebeurde vooral via tradities als kermissen (Kerkmis) of via rituelen of doodgewone handelingen, bv. recepten. Er zijn vele soorten vertellingen. We starten bij de SPROOKJES, door jong en oud gekend. Het woord verklaart het zelf: “sprookje” komt van spreken. Het gaat hier dus over vertelde verhalen. Sprookjes werden in alle lagen van de bevolking verteld, maar de sprookjes die via de gebroeders Grimm tot bij ons zijn gekomen, kwamen vooral uit de hogere Duitse klasse en zijn daarom niet echte volkssprookjes in de strikte zin van het woord. Daarnaast zijn er de cultuursprookjes die zijn ontsproten uit de fantasie van de schrijver. Bekende cultuursprookjesschrijvers zijn o.a. Hans Christian Andersen en Charles Perrault. Deze cultuursprookjes zijn geen neerslag van aloude voortvertelde verhalen, zoals bij de volkssprookjes het geval is, maar namen wel de kenmerken ervan over. Sprookjes zijn vaak taboedoorbrekende fantasieverhalen met een zedenles, een waarschuwing of met een didactische functie. Ze vormen als het ware een osmose tussen de realiteit en de bovennatuurlijke wereld en zijn vaak doorweven van wreedheden. Dan zijn er ook de FABELS. Dat zijn meestal korte en verzonnen vertelsels die een zedenles bevatten. Meestal spelen dieren met menselijke eigenschappen de hoofdrol. Iedereen kent waarschijnlijk wel de fabels van de la Fontaine, of “De krekel en de mier”. En natuurlijk het 13e-eeuwse Vlaamse meesterwerk “Van de vos Reinaerde”. Dat is strikt genomen een dierenepos, maar toch met heel wat kenmerken van het fabelgenre. PARABELS zijn op zich geen religieus verhaaltype en hebben als doel de toehoorder of lezer iets te leren aan de hand van een gelijkenis. Een voorbeeld hiervan is “De parabel van de verloren zoon.” Een MYTHE is een overgeleverd, vaak religieus verhaal over goden of halfgoden. Een bekend voorbeeld hiervan is het scheppingsverhaal over het ontstaan van de aarde, een verhaal dat je in ongeveer alle culturen terugvindt. Heel waarschijnlijk kennen jullie wel de LEGENDE van het gestolen Mariabeeldje uit Duffel. Het beeldje werd teruggevonden in Kontich, op de plaats waar zich nu het Kapellekensbos bevindt. Het is zo dat legendes een minieme historische of christelijke achtergrond (kunnen) hebben. Ze handelen meestal over heiligen, Christus, Maria of een christelijk voorwerp. De eventuele kern van waarheid die ze bevatten is dikwijls niet meer te achterhalen. In een SAGE daarentegen gaat het over gewone mensen die iets bovennatuurlijks meemaken. Vaak wordt met deze verhalen gepoogd een verklaring te geven aan natuurverschijnselen of bovennatuurlijke feiten. Niet zelden kennen ze een slechte afloop. Er zijn verschillende soorten sagen die we kunnen onderverdelen in drie grote categorieën. Zo zijn er de DEMONENSAGEN waarin water-, aard-, vuur-, lucht- en plaaggeesten, spookdieren en weerwolven ten tonele worden gevoerd. In de TOVERSAGEN gaat het over heksen en tovenaars en in de DUIVELSSAGEN spelen uiteraard duivels en ook vrijmetselaars de hoofdrol. Wat in deze samenvatting een eerder saaie theoretische opsomming is, werd tijdens de lezing rijkelijk geïllustreerd met bijpassende vertellingen die in Kontich en Waarloos werden opgetekend door Lutgart Smets in Waarloos (1963) en Paul Smets in Kontich (1965). Het ging hier telkens om een licentiaatsverhandeling bij K.C. Peeters aan de KU Leuven. Ook verhalen uit de geboortestreek van onze rasechte West-Vlaamse spreker passeerden de revue. De meesten Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
onder ons moesten hiervoor wel extra hun oren spitsen want dat West-Vlaams is niet de gemakkelijkste taal. Het werd een boeiende mix: de verhalen in het sappige West-Vlaams en deze in het Kontichs dialect. Geboren en getogen Kontichnaar Frank Hellemans nam die voor zijn rekening. Al deze volksvertellingen hier met een bijpassend verhaal illustreren zou me te ver leiden. Toch wil ik jullie één verhaal, een voorbeeld van een TOVERSAGE, niet onthouden. Het werd niet behandeld tijdens de lezing, maar werd opgetekend door de bijna honderdjarige Mathil Jennis uit Kontich Kazerne. In de vorige Reineringen konden jullie haar levensverhaal lezen.
Mathil vertelt : “Mijn grootmoeder die reed met melk, met kar en paard, naar Berchem. Vroeger ging dat hé, nu niet want dan rijden ze u overhoop. En daar was er een en die woonde voorbij ’t Kapellekesbos. En mijn grootmoeder ging ’s morgens vroeg melk halen daar bij nen boer. Die melk nam ze dan mee met de melkkar naar Antwerpen en naar Berchem. En dan liep die daar al rond, zo wild met haar haren enzo, en dat was ja…een toverheks. Zo zegden ze he, allee. Ze heeft nooit niks gedaan naar haar he, maar dat wel he, ze kwam soms op bezoek bij ons (= hoeve Scheihagenstraat waar Mathil en haar moeder ook woonden). En als die dan in de stal was geweest en die was weg dan hadden die koeien zo’n uier (maakt een breed gebaar met haar handen). Ja, echt waar! Toen is de pastoor moeten komen want mijn grootmoeder zei : “Gij gaat hier niet buiten of ge zorgt ervoor dat die heks hier niet meer binnen komt!”. De pastoor heeft dus “gelezen” in de stal en we moesten een kruisbeeld onder de staldeur leggen. Op de langen duur is die dan toch buiten gebleven”. De lezing werd door burgemeester Bart Seldeslachts - historicus van opleiding - in een vlotte spreekstijl afgesloten met een dankwoordje aan de organisatoren en een oproep om verhalen te vertellen. Op weg naar de auto heb ik toch regelmatig eens achteromgekeken, op mijn hoede voor een op de loer liggende weerwolf of de confrontatie met een dwaallicht. Hopelijk is iedereen veilig en wel thuisgeraakt. Anders vernemen we graag jullie belevenissen ter documentatie voor een volgende lezing. Ilse Van Weert
Activiteitenkalender Het museum voor heem- en oudheidkunde is vanaf april weer elke zondagnamiddag tussen 14 en 17 uur (behalve op feestdagen) open voor het publiek. Museum gesloten in juli en september. Bezoek ook onze site www.museumkontich.be voor het laatste nieuws, alle activiteiten en de verhalen uit het gemeentelijk contactblad (Heemkundige sprokkelingen) of uit Kontich-Waarloos Vroeger en Nu. Ben je op zoek naar de oude nummers van Reineringen of publicaties die met Kontich te maken hebben? Surf dan gewoon naar www.issuu.com. Op deze webstek tik je bij zoeken gewoon “Reineringen” of “Kontich” in en je komt zo bij onze vroegere nummers terecht. Activiteiten Lezingen in samenwerking met de Gemeentelijke Erfgoedraad Cultuurhuis Altena: • 7/9/2022: Hans Geybels – Volksdevotie • 10/11/2022: Pieter Serrien – Het elfde uur. De laatste 24 uur van WOI • 9/2/2023: Alfred Michiels – In de naam van de maagd Frank Hellemans & Paul Catteeuw – Straatnamen in Kontich • 10/11/2023: Bruno De Wever – titel nog te bepalen • 26/10/2023 Paul Catteeuw – Waren er ooit heksen in Kontich? • 2023 (?): Susan Hamlyn, Janet Dean & Paul Catteeuw – Margriet Ballegeer en Willy Katzenstein Abonnees van Reineringen – vrienden van het museum Graag houden we jullie op de hoogte van al onze activiteiten en publicaties. Dit is echter enkel mogelijk als u ons uw e-mailadres bezorgt via reineringen@gmail.com. Uiteraard kan u zich altijd laten uitschrijven op eenvoudig verzoek aan hetzelfde mailadres.
Re in
Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich
eri
ng
en
13
.2
Facebook Je vindt onze heemkundige kring nu ook op Facebook. We posten er op regelmatige basis foto’s uit de oude (en nieuwe doos). Enkele honderden mensen hebben de weg al gevonden. Hoe geraak je erbij? Zoek gewoon onder “Kontichse historische weetjes”. Ook op LinkedIn zijn we aanwezig. Daar vind je berichten i.v.m. de heemkundige kring. 19
Retouradres: Koninklijke Kring voor Heemkunde Duivenstraat 22 2550 KONTICH
Reineringen 13 (2022), 2 Driemaandelijks (april - juni 2022) Afgiftekantoor Herzele P 912187 - Herzele
INHOUDSTAFEL: Pagina 1 Voorwoord Pagina 2 Gaston Van Boxem is niet meer Pagina 3 Alle wegen leiden naar De Fortuin! Pagina 9 Erratum Pagina 9 Heilig Reet Pagina 12 De Antwerpse burgemeester en het gouden muntje Pagina 14 Een Franse onderscheiding voor Vlaamse jongens Pagina 18 Over heksen, reuzen en andere witte vrouwen Colofon Reineringen, Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich, 13 (2022), 2 ISSN 2033-2742 Redactie: Paul Catteeuw, Frank Hellemans, Erwin Van de Velde, Ilse Van Weert en Paul Wyckmans Eindredactie: Paul Catteeuw Druk: Editoo, Erpe-Mere Verantwoordelijke uitgever: Paul Catteeuw, Duivenstraat 22, BE-2550 Kontich Correspondentieadres: reineringen@gmail.com © 2021 – Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich De auteurs zijn verantwoordelijk voor de inhoud van hun eigen bijdrage. Abonnementen (inclusief lidmaatschap “Vrienden van het museum”): minimum 20 euro. Te betalen op rekeningnummer BE77 4155-0442-2142 met de vermelding van uw naam, adres en “Reineringen 2022”. Het IBAN-kenmerk is KREDBEBB. Voor een los nummer betaal je 5 euro Gelieve eventuele adresveranderingen zo snel mogelijk aan ons mee te delen. Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich, Documentatiecentrum Duivenstraat 22, BE-2550 Kontich, +32 3 457 86 04 heemkunde.kontich@gmail.com
Museum voor Heem- en Oudheidkunde Bibliotheek- en cultuurgebouw Sint-Jansplein, BE-2550 Kontich www.museumkontich.be