De onderwijzer van Auschwitz - Wendy Holden Inkijkexemplaar

Page 1


De onderwijzer van Auschwitz

Voor het papieren boek is papier gebruikt dat onafhankelijk is gecertificeerd door FSC® om verantwoord bosbeheer te waarborgen.

Kijk voor meer informatie op www.harpercollins.co.uk/green.

HarperCollins is een imprint van Uitgeverij HarperCollins Holland, Amsterdam.

Copyright © 2025 Wendy Holden

Oorspronkelijke titel: The Teacher of Auschwitz

Copyright Nederlandse vertaling: © 2025 HarperCollins Holland

Vertaling: Karin de Haas

Omslagontwerp: Nick Stearn

Omslagbeeld: © Stephen Mulcahey

Zetwerk: Mat-Zet B.V.

Druk: Nørhaven, Denemarken, met gebruik van 100 groene stroom

isbn 978 94 027 1883 6 isbn 978 94 027 7590 7 (e-book)

nur 302

Eerste druk januari 2026

Voor het eerst gepubliceerd in het Engels in het Verenigd Koninkrijk door Bonnier Zaffre, een imprint van Bonnier Books UK Limited, Londen.

The moral rights of the Author have been asserted.

HarperCollins Holland is een divisie van Harlequin Enterprises ULC. ® en ™ zijn handelsmerken die eigendom zijn van en gebruikt worden door de eigenaar van het handelsmerk en/of de licentienemer. Handelsmerken met ® zijn geregistreerd bij het United States Patent & Trademark Office en/of in andere landen.

www.harpercollins.nl

Elk ongeoorloofd gebruik van deze publicatie om generatieve kunstmatige-intelligentietechnologieën (AI-technologieën) te trainen is uitdrukkelijk verboden. De exclusieve rechten van de auteur en de uitgever worden hierbij niet beperkt. HarperCollins maakt tevens gebruik van de rechten onder Artikel 4(3) van de Digital Single Market Directive 2019/79 en het uitvoeren van tekst- en datamining op deze publicatie is niet toegestaan.

Niets uit deze uitgave mag openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, internet of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Het e-book is beveiligd met zichtbare en onzichtbare watermerken en mag niet worden gekopieerd en/ of verspreid.

Proloog

Mijn naam is Alfred Hirsch, maar mijn vrienden noemen me Fredy. Wees alsjeblieft zo goed om mijn naam te onthouden. Het woord ‘Hirsch’ betekent hertenbok in het Duits, en net als een hert ben ik een groot deel van mijn leven op de vlucht geweest.

Vandaag zal de jacht op Fredy Hirsch eindigen met een moord. Ik ben niet bang voor mezelf, maar voor de kinderen die ik onder mijn hoede heb. Sinds de wereld in brand kwam te staan, gaat al mijn aandacht naar hen uit, en ik durf niet te denken aan wat er met hen zal gebeuren.

Mijn naam is Fredy Hirsch. Ik ben achtentwintig jaar oud. Ik ben een leraar. Ik ben een dromer. Ik ben niet zomaar een getal. En de gele driehoek die ik gedwongen ben te dragen, bepaalt niet wie ik ben.

Mijn naam is Fredy Hirsch, en ik heb gestreden om iets van normaliteit en fatsoen te bewaren in deze helse wereld. Ik heb liefgehad, gelachen en gehuild, en ik ben al duizend keer bijna gestorven.

Mijn naam is Fredy Hirsch. Ik ben een fatsoenlijk mens. Wees alsjeblieft zo goed om mijn naam te onthouden…

September 1943

‘ALLE RAUS! RAUS!’

Zodra de zware deuren van de wagons openschoven, schreeuwden nazi’s met geheven bajonetten tegen ons dat we moesten uitstappen. We werden duizelig van de vlaag frisse lucht die onze stinkende wagon binnenwaaide. De waakhonden van de nazi’s trokken schuimbekkend aan hun lijnen, alsof ze ons wilden bijten. Hoge ss-officieren staarden ons dreigend aan terwijl we naar de wagondeuren strompelden, knipperend met onze ogen in het plotselinge licht. ‘Voda!’ zeiden we smekend. ‘Wasser, bitte!’ Struikelend, half geduwd door de mensen achter ons, sprongen of vielen we op de grond. We werden niet met water begroet, maar met een hels lawaai.

Na drie gruwelijke dagen en nachten, volgend op het vertrek uit ons getto in Tsjechoslowakije, hadden we eindelijk onze bestemming bereikt. Tijdens die wanhopige, claustrofobische reis hadden we onze behoefte op de vloer van de wagons moeten doen, terwijl mensen huilden of zich zwijgend aan elkaar vastklampten. Ouderen waren bezweken. Moeders hadden slaapliedjes gezongen voor hun huilende baby’s, volwassenen waren gek geworden.

Terwijl we in onze grafkist op wielen over het spoor ratelden, had ik mijn best gedaan om de kinderen met verhalen en liedjes af te leiden. De meesten waren echter niet geïnteresseerd. Ik had het opgegeven toen een oude dame begon te schreeuwen: ‘Hou je mond! Hou in vredesnaam je mond!’

Onderweg werd onze trein vele malen op een zijspoor tot stil-

stand gebracht, zodat militaire vrachttreinen ons konden passeren. Om beurten ging er iemand bij het raam staan om de borden voor te lezen van de stations die we passeerden. ‘We zijn bij Kolín!’ of: ‘We naderen Olomouc!’

De naam van elke plaats was aanleiding voor nieuwe jammerkreten over die plekken en de families en levens die er verloren waren gegaan.

Er was een doodse stilte in de wagon gevallen toen iemand onheilspellend had geroepen: ‘We zijn zojuist Polen binnengereden.’ Hoe slecht het er eerst ook voor had gestaan, we waren in elk geval in een land geweest dat ons vertrouwd en dierbaar was. Maar we reden nog steeds verder.

Uiteindelijk kwam de trein met een schok tot stilstand en drongen Duitse stemmen de wagon binnen.

‘Het is een enorm kamp!’ riep iemand. ‘Met uitkijktorens en hekken.’

Voordat we alles in ons konden opnemen, tuimelden we uit de wagons en werden we in een rij geduwd door kaalgeschoren mannen met knuppels en bamboestokken. Ze droegen pakken die eruitzagen als blauw-grijs gestreepte pyjama’s van ruwe katoen. Onze bagage bleef achter in de wagons, samen met de lijken van degenen die het niet hadden overleefd.

Mannen, vrouwen en kinderen werden in vrachtwagens geladen en door het kale landschap gereden. Het laatste stukje van de rit voerde ons door een corridor van prikkeldraad die naar een gebouw leidde dat eenzaam op een vlakte stond. We werden bevolen om uit de vrachtwagens te klimmen, en dorstig en met stijve benen van de reis werden we naar het gebouw gedreven.

Het groepje kinderen dat ik bij elkaar had weten te houden bleef dicht bij me. Angstig keken ze omhoog naar de sinistere uitkijktorens op hun houten palen, stuk voor stuk bemand door soldaten met een machinegeweer.

‘Waar brengen ze ons naartoe?’ vroeg een wees genaamd Tomáš, met een stemmetje dat even klein was als zijn gestalte.

‘Naar een plek waar we worden geregistreerd, denk ik,’ antwoordde ik. Het lukte me niet helemaal om de angst uit mijn stem te weren.

We waren nog geen kwartier in het kamp toen we ons bewust werden van een doordringende stank die we geen van allen ooit eerder hadden geroken. De geur was overweldigend, bijna dierlijk, met de scherpe prikkeling van iets wat geschroeid werd. In de verte zagen we uit een van de twee gigantische, taps toelopende schoorstenen dikke zwarte rookpluimen opstijgen. Grove vlokken as dwarrelden als sneeuw om ons heen.

‘Wat zijn ze in vredesnaam aan het roosteren?’ vroeg een man naast me, zijn neus optrekkend voor de misselijkmakende geur.

‘Wat het ook is, het stinkt verschrikkelijk.’

Een van de mannen in de gestreepte pakken mompelde: ‘Dat doet verrot vlees meestal.’

Ik dacht dat hij op de slechte kwaliteit van het kampvoedsel doelde.

Toen we buiten een gebouw bleven staan dat ze de Sauna noemden, schreeuwde een ss-officier: ‘Zieh alle Deine Kleidung aus!’

Ik vertaalde het voor degenen die het niet verstonden: ‘Hij zegt dat we al onze kleren uit moeten trekken.’

Verschillende mensen vroegen vol afschuw: ‘Wat, alles?’ Een paar van de vrouwen probeerden weg te rennen, maar ze werden met geweerkolven tegen de grond geslagen.

Ik bukte alsof ik mijn laarzen uit ging trekken, en daarbij haakte ik vlug mijn fluitje los van het koord. Ik stopte het in mijn mond, aan de binnenkant van mijn wang, biddend dat ik mijn laatste en dierbaarste bezit zou kunnen behouden. ‘Als je ooit in de problemen komt, dan kun je het gebruiken om hulp in te roepen, Fredy,’ had mijn geliefde oom Alfred tegen me gezegd. Het voelde als een eeuwigheid geleden. Ik wilde dat ik nu om hulp kon roepen.

Overal om me heen trokken mensen beschaamd hun kleren uit. Miloš en ik hielpen de kleintjes om zich uit te kleden. Naakt

en rillend van schaamte gingen we in de rij staan om geregistreerd te worden door beambten met uitdrukkingsloze gezichten. Ze noteerden onze nummers en droegen ons vervolgens op om iets te ondertekenen. De formulieren werden zo snel weggetrokken dat ik nauwelijks tijd had om te lezen waar ik voor tekende, maar ik zag iets over het accepteren van mijn straf voor het plegen van een ‘anti-Duitse activiteit’, samen met de code ‘SB6’.

Onder het toeziend oog van mannelijke en vrouwelijke ss’ers met rijzwepen werden we het volgende vertrek in gedreven en een gezamenlijke doucheruimte in geduwd. Ik hield Miloš en de anderen dicht bij me en dwong mezelf om diep in en uit te ademen. Terwijl ik naar de douchekoppen keek, hield ik mezelf voor dat ze niet allemaal gifgas verspreidden.

‘Bekijk het maar zo, over een paar minuten zijn we allemaal weer schoon,’ zei ik tegen de kinderen. Hun angstige ogen deden me denken aan de tijd dat ik als kind in het abattoir van mijn vader had geholpen. Destijds had ik me afgevraagd of ik, wanneer mijn tijd zou aanbreken, net zo bang zou zijn als de dieren die op het punt stonden geslacht te worden. De herinnering zond een nieuwe huivering door mijn ziel.

Er begon lauw water uit de douchekoppen te sijpelen. Net als iedereen om me heen opende ik mijn mond als een babyvogeltje in de hoop mijn laaiende dorst te kunnen lessen, maar ik sputterde en hoestte toen de ondrinkbare vloeistof in mijn keel gleed.

Er was geen zeep, en we kregen minder dan een minuut om de stank van de wagon van ons af te spoelen. Toen werden we, nog steeds nat, naar een andere ruimte geduwd. Er waren geen handdoeken, alleen stapels met willekeurige kledingstukken, die kaalgeschoren vrouwelijke gevangenen naar ons toe smeten, zonder op de maat te letten.

Terwijl ik me afvroeg waarom we geen gestreepte uniformen kregen, zoals onze medegevangenen, kreeg ik iets toegeworpen wat eruitzag als een vrouwenjurk. Ik keek om me heen en ruilde het kledingstuk om voor een wijde broek die een meisje vlak bij

me had gekregen. Daarna kreeg ik een paar lelijke houten klompen en een veel te groot groen jack, met een zak waar ik mijn fluitje in liet glijden.

‘Miloš, zorg dat alle kinderen schoenen hebben, en iets warms om te dragen,’ droeg ik mijn hulpje op, terwijl ik een jas om een trillende tiener wikkelde. Vervolgens loodste ik de kinderen naar de volgende rij, zonder te beseffen waar die voor bedoeld was. Pas toen we bijna vooraan waren, zag ik dat de gevangenen stuk voor stuk werden getatoeëerd door mannen die vieze naalden in het vlees van hun onderarmen staken.

‘Ik wil geen prik!’ jammerde Tomáš, die zich snikkend aan mijn benen vastklampte.

‘Ik ook niet!’ riepen anderen bang.

In een wanhopige poging om hen gerust te stellen, zei ik: ‘Het zal niet echt pijn doen, en kijk maar, het gaat heel snel. Bedenk maar dat je straks iets hebt om na de oorlog aan je vrienden en familie te laten zien. Je eigen speciale nummer.’

Een klein deel van mij was stiekem opgelucht; ik geloofde niet dat de nazi’s de moeite zouden nemen om ons te laten tatoeëren als ze van plan waren ons te vermoorden. Er waren echter maar weinig anderen die hetzelfde dachten, en de meesten stonden er snikkend en bevend bij.

Ergens voor me hoorde ik een man vragen: ‘Wat is dit voor plek? Wat gaat er met ons gebeuren?’ In plaats van een antwoord kreeg hij een klap van een bewaker die riep: ‘Ruhig sein!’

Toen de bewaker wegbeende, hoorde ik een oudere tatoeëerder tegen de man zeggen: ‘Jullie zijn in Auschwitz.’

Razendsnel probeerde ik te begrijpen wat hij had gezegd. In het Duits betekende Aus ‘uit’, en schwitzen betekende ‘zweten’. Waren we in een werkkamp, of was het gewoon een Poolse naam? Hoe dan ook, ik vond het raar dat ik er in al mijn jaren als gevangene van de nazi’s nooit van had gehoord.

Ik keek om me heen en speurde de verdwaasde uitdrukkingen af naar een bekend gezicht. Ik ontdekte er verschillende, onder

wie Dinah, een jonge kunstenares die ik kende uit Brno, en de vriendelijke dokter Heller en zijn gezin. Mijn vriend Leo Janowitz werd drie rijen verderop getatoeëerd, met een gezicht dat zo wit zag als een laken. In zijn lange bruine overjas zag hij eruit als een monnik.

Toen ik aan de beurt was, rolde ik mijn mouw op en staarde in het verweerde gezicht van de gevangene die op het punt stond me te brandmerken. Op uitdagende toon verklaarde ik: ‘Ik heet Fredy Hirsch.’

Een bewaker die vlakbij stond porde me in de ribben en vroeg nors: ‘Ben je Duits?’ Toen ik knikte, snauwde hij: ‘Duitsers hoeven niet. Stap opzij.’ En hij wendde zich tot de volgende.

Betekende dit dat ik vermoord zou worden? Angstig staarde ik naar de tatoeëerder en siste hem toe: ‘Waar zijn we?’

Zonder op te kijken mompelde hij: ‘Auschwitz. De plek waar we allemaal zullen sterven.’

December 1941, Terezín, Tsjechoslowakije

In een kronkelende rij liepen kinderen met dikke jassen en sjaals in kletsende tweetallen naar de Kindergarten, piepkleine voetafdrukken achterlatend in de sneeuw. Met hun roze wangen leken ze zich onbewust van de wreedheden van de wereld.

Ik bleef staan om ze te zien passeren, en slaakte een kreet toen de kolf van een geweer plotseling tegen de achterkant van mijn hoofd sloeg en me velde als een boom. ‘Bewegen, Jude!’ blafte een ss-officier me toe, terwijl een tweede de loop van zijn geweer tegen mijn borst duwde. Happend naar lucht krabbelde ik overeind en ik voegde me weer tussen de andere gevangenen die weg werden geleid van het station.

Ik voelde aan mijn nek en merkte dat ik bloedde. Twee van de kinderen waren stokstijf blijven staan en staarden geschrokken naar me. Glimlachend hield ik mijn schone hand omhoog en vormde met mijn mond de woorden: ‘Het gaat wel.’ Pas toen bedacht ik dat ze een andere taal spraken dan ik.

De aanblik van die vrolijke kleuters gaf me een piepklein sprankje hoop. Zij waren de eerste bewoners die ik tegenkwam in de garnizoensplaats Terezín, zestig kilometer ten noorden van Praag. Deze plaats, die inmiddels dienstdeed als getto en door de nazi’s was herdoopt tot Theresienstadt, zou van nu af aan mijn thuis zijn. Toen we onder de poort door liepen wist ik niet precies wat ik moest verwachten, maar het bood troost om kinderen te zien.

Het sprankje hoop doofde zodra ik zag waar we zouden slapen.

De jarenlang verwaarloosde militaire gebouwen waar we naartoe werden gebracht hadden geen verwarming, geen wasbakken of wc’s en geen bedden. Er was ook geen warm voedsel, zoals ons beloofd was.

Toen ik besefte hoeveel werk er verricht zou moeten worden om het getto in gereedheid te brengen, bood ik onmiddellijk mijn diensten aan bij Jakob Edelstein, het hoofd van de Joodse Raad van Ouderen; een visionair die ik zeer bewonderde. Op zijn achtendertigste – dertien jaar ouder dan ik – was hij een onvermoeibare leider die mijn droom deelde over een toevluchtsoord waar ieder Joods kind veilig zou zijn voor vervolging.

‘Daar ben je, Jakob,’ zei ik, toen ik hem te midden van kratten en papierwerk had aangetroffen in een van de grootste barakken, Magdeburg genaamd. De barak was gebouwd rond de vier zijden van een enorme binnenplaats die ook dienstdeed als exercitieterrein. ‘Vertel me wat ik kan doen om te helpen.’

Jakob, een man met een vlezig gezicht en een rond brilletje, liet een holle lach ontsnappen. ‘De meeste mensen komen om hulp vragen in plaats van die aan te bieden, Fredy, dus wat een verademing. Maar waar te beginnen?’

‘Nou, voor zover ik kan zien wemelt het hier van het ongedierte en staat een groot deel van de gebouwen al jaren leeg. Wat is dit voor plek?’

‘Het was een fort dat keizer Jozef ii anderhalve eeuw geleden liet bouwen als verdediging tegen de Pruisen. Ironisch genoeg doet de achthoekige vorm aan een davidster denken. Net iets voor de nazi’s om dat vermakelijk te vinden.’

‘En het rode bakstenen gebouw dat we aan de andere kant van de rivier zagen toen we aankwamen?’

‘Dat is het Kleine Fort, de Gestapo-gevangenis en de plek waar de ss verblijft. Niemand weet hoeveel politieke gevangenen en verzetsleden daar zijn vastgezet en gemarteld sinds de Duitsers Polen zijn binnengevallen. Er zijn ongehoorde hoeveelheden mensen vermoord of naar kampen doorgestuurd.’

Ik huiverde. ‘Dan zal ik maar zorgen dat ik daar nooit terechtkom.’

‘We hebben de vrijwel onmogelijke taak gekregen om van deze plek een getto te maken voor de Praagse Joden, Fredy,’ ging Jakob met een zucht verder. ‘We hadden niet verwacht dat het in zo’n slechte staat zou verkeren, en we hebben dit natuurlijk geen van allen ooit eerder gedaan. Zelfs met de vijftienhonderd fitte jonge mannen die zijn uitgekozen om het Aufbaukommando te vormen en de boel weer op te bouwen, wordt het moeilijk. Er is niet genoeg hout, en het water moet uit primitieve, vervuilde putten worden gehaald.’

‘Wanneer komen de eerste bewoners?’

‘Over een week, dus we zijn nooit op tijd klaar. Hele daken zijn ingestort onder de zware sneeuwval, en we moeten keukens opbouwen die duizenden mensen kunnen voeden. Maar onze mannen hebben al moeite om simpele sanitaire voorzieningen en toevoer van elektriciteit te regelen.’

Ik schudde mijn hoofd. ‘Hoe verwachten ze dat al die mensen de winter hier zullen overleven zonder verwarming en schoon drinkwater?’

‘Daar ligt jouw taak, Fredy,’ zei Jakob. ‘Ik wijs jou toe aan de afdeling Huisvesting. Niemand kan beter geschokte en getraumatiseerde mensen kalmeren dan jij. Ik weet dat ik erop kan vertrouwen dat jij de nieuwkomers zult helpen – in het bijzonder de kleintjes.’

Die eerste bittere nacht kon ik de slaap niet vatten. Met al mijn kleren aan lag ik op een ongelijke stenen vloer in een vochtig vertrek, ingeklemd tussen verschillende snurkende leden van de ‘akploeg’, zoals het Aufbaukommando werd genoemd. Ik gebruikte mijn rugzak als kussen en staarde naar mijn adem, die wolkjes vormde in de lucht. Bij het krieken van de dag stond ik op en liep naar buiten om mijn stijve ledematen te strekken. Nadat ik mezelf al springend had opgewarmd, vertrok ik voor een wandeling.

Terezín was ontworpen in een rastervorm, en elke straat leidde

naar een groot centraal plein met een witte kerk. Naast de kerk stond een indrukwekkend gemeentehuis, dat door het Duitse opperbevel was gevorderd. Achter het plein lagen eindeloze rijen van vervallen, raamloze gebouwen die me aan tandeloze oude mannen deden denken. Onder het rondlopen lette ik aandachtig op de locaties van hekken en wachthuisjes binnen de ondoordringbare, tien meter hoge verdedigingswal, omringd door een diepe gracht.

‘Alleen een gazelle zou hieruit kunnen ontsnappen,’ zei ik later die ochtend tegen Jakob, die moest lachen.

‘Maar jij was toch kampioen polsstokhoogspringen, Fredy?’

‘Ja, toen ik jonger en fitter was, en voordat ik twee jaar lang op oorlogsrantsoenen had geleefd!’

‘Tja, geniet van je vrijheid nu het nog kan. Zodra de gedeporteerden arriveren, zal iedereen in zijn barak moeten blijven, tenzij ze een escorte of een pas hebben. Als beheerders zullen we eruit mogen, maar het valt niet te zeggen hoelang dat zo blijft.’

‘Guten morgen,’ riep ik opgewekt. Ik stond midden in de overvolle hal, vastbesloten dat mijn glimlachende gezicht een van de eerste zou zijn die de nieuwkomers zouden zien. ‘Welkom in Terezín. Mijn naam is Fredy Hirsch.’

Mensen die me niet verstonden wendden zich tot anderen om te vragen of ze mijn woorden wilden vertalen. Het liefst had ik ze in het Tsjechisch toegesproken, maar die taal beheerste ik slecht, en dus was ik gedwongen om de taal van de bezetter te gebruiken.

Precies zoals Jakob had voorspeld, voerden de eerste treinen duizenden gedeporteerde Joden aan, ieder met de hun toegestane vijftig Reichmarken en vijftig kilo aan bezittingen. Ook al hadden ze niet veel bij zich, het was toch een hele klus om iedereen te registreren en een plek toe te wijzen.

‘Ik weet dat het allemaal heel verwarrend is,’ vervolgde ik, ‘maar jullie krijgen snel een plek toegewezen om te slapen, en iets te eten.’

Ik keek om me heen en zag dat veel van de nieuwkomers op instorten stonden na de zware voettocht van twee kilometer door de sneeuw. Hun gedaantes waren vervormd door de vele lagen kleding. De meesten hadden zich op hun koffers laten zakken zodra ze het administratieblok waren binnengegaan, dat bekendstond als de Schleusse. Dodelijk vermoeid wreven ze over hun pijnlijke rug en ze trokken hun schoenen uit om hun blaren te verzorgen, terwijl hun kinderen naast hen snikten.

Ik speurde de menigte af, op zoek naar de kwetsbaarste nieuwkomers. Al snel viel mijn blik op een klein kereltje dat in zijn eentje in de chaos stond, bijtend op zijn onderlip. Er dook een herinnering in mijn hoofd op aan een jongen die Mus heette, maar ik onderdrukte die.

‘Hoe heet je, jochie?’ vroeg ik, maar hij staarde me slechts met grote bruine ogen aan, te bang of te uitgeput om iets te zeggen. ‘Wil je iets drinken?’ Ik pakte zijn hand en nam hem mee naar een houten emmer. Eerst proefde hij voorzichtig van het dubieuze gettowater, maar toen greep hij de pollepel met beide handen vast en dronk er zo gretig van dat het over zijn kin droop.

Nadat ik hem een beetje bietenjam had gegeven en hem aan een stel met een klein kind had toevertrouwd, hoorde ik een van de begrafeniswagens buiten tot stilstand komen. De wagen bracht nog meer levende vracht, en ik ging naar buiten om steun te bieden aan degenen die te zwak waren om te lopen. De rijkversierde zwarte wagen was ooit getrokken door paarden met pluimen op hun hoofd. Nu werd hij voortgesleept door menselijke lastdieren, het Rollwagen Kommando, mannen met lichamen die waren gekromd als bogen. Met uitdrukkingsloze gezichten vervoerden zij de doden en de stervenden, bagage, brandhout en broden, zonder dat de wagen ooit werd gewassen.

‘Deze kant op, lieve mensen,’ zei ik tegen een ouder echtpaar dat naar binnen strompelde. ‘Vergeet niet om jullie bezittingen mee te nemen.’ Ik nam de oude dame bij de arm en bekeek haar asgrauwe gezicht terwijl zij het tafereel in zich opnam.

Uit haar waterige ogen sprak een diep verlangen naar haar oude leven. Toen ik zag wat ze bij zich hadden, wenste ik dat iemand ze beter had voorbereid. Op een plek waar nooit genoeg voedsel of warmte was, hadden zij linnengoed en zilverwerk meegebracht in plaats van kleding, potten en pannen.

Van alle kanten werd ik gebombardeerd met vragen, en ik hief mijn hand en kondigde aan: ‘Zodra jullie zijn geregistreerd, krijgen jullie een identiteitsbewijs en voedselbonnen.’

Ik zei er niet bij dat ervaren handen hun bagage zouden doorzoeken op sigaretten, alcohol en medicijnen, die net als contant geld en waardevolle spullen in beslag zouden worden genomen.

‘Jullie zullen allemaal door getraind medisch personeel worden onderzocht, om de verspreiding van ziektes tegen te gaan,’ voegde ik eraan toe.

Om geen paniek te veroorzaken, verzweeg ik dat iedereen met vlooien of luizen ruw zou worden geschoren en overgoten met een ontsmettingsmiddel waar ze nog een week van zouden hoesten.

‘Iedereen met praktische vaardigheden kan meteen aan het werk, dus laat het alsjeblieft weten als je kunt helpen met bouwof herstelwerkzaamheden. Verder zoeken we koks, schoonmakers, dokters en verpleegsters.’ Omdat ik graag mensen wilde vinden die me met de kinderen konden helpen, vervolgde ik: ‘Zijn er ook zangers, artiesten of leraren?’ Toen een paar vermoeide handen werden opgestoken, zocht ik mijn weg naar deze mensen en viste ondertussen kleine blokjes van het zwarte gettobrood uit mijn zak om uit te delen aan de hongerigste kinderen.

‘Wanneer is het avondeten?’ riepen verschillende mensen.

‘Zo dadelijk.’ De keukens functioneerden nog nauwelijks, dus het ‘avondeten’ zou bestaan uit brood en een kom soep van linzenpoeder of knollen, met een beker gevuld met heet water dat in de verte naar thee of koffie smaakte. Daarna zouden ze niets meer krijgen tot aan het vergelijkbare ontbijt, rond het middaguur gevolgd door nog meer soep en een gepofte aardappel, en met een

beetje geluk wat noedels, salami of een stukje paardenvlees. Niets daarvan zou de wreedste vijand van het getto het zwijgen opleggen – de honger.

Ik hoorde commotie en haastte me naar een magere tiener die was flauwgevallen terwijl ze in de rij stond voor de wc’s.

‘Wie zijn de ouders van dit kind?’ riep ik, terwijl ik naast haar knielde. Ik hield haar hoofd in mijn armen en voelde in mijn zak naar een potje met reukzout. Sputterend en kuchend kwam ze bij.

‘Daar ben je weer,’ zei ik glimlachend tegen haar.

‘Tata. Waar is Tata?’ vroeg het kind, terwijl de tranen over haar wangen gleden.

‘Ik denk dat je vader in een van de mannenbarakken is ingedeeld, mijn kind. Misschien mag je hem zondag bezoeken…’ Ik stopte en vroeg: ‘Vertel eens, hoe heet je?’

‘Zuzana,’ antwoordde ze zwakjes. Moeizaam ging ze zitten en ze verschikte het lint in haar warrige bruine haar.

‘Wie alt bist du?’ probeerde ik in het Duits.

‘Veertien. Ik ben altijd klein geweest voor mijn leeftijd.’

‘Nou, je Duits is perfect,’ zei ik tegen haar, waarop ze me trots vertelde dat ze ook Frans, Slowaaks en Pools sprak. Toen ze zich weer goed genoeg voelde, hielp ik haar overeind en vertrouwde haar toe aan de armen van haar bezorgde moeder. Tevreden over het feit dat ik een tolk had gevonden, hervatte ik mijn taken.

Het was een hele klus om de nieuwkomers na de registratie naar hun onderkomen te begeleiden, en het kostte me al mijn energie om te proberen de stemming er een beetje in te houden. Bij het zien van hun verbijstering over de ijskoude vertrekken zonder bedden, zei ik opgewekt tegen ze: ‘Over een paar dagen komen er zakken die we kunnen vullen met stro, bij wijze van matrassen.’ Alsof dat een groot verschil zou maken.

Heel wat vrouwen werden hysterisch bij het vooruitzicht. Zodra ze zich realiseerden dat ze slechts een paar meter vloerruimte voor zichzelf hadden en dat ze als sardientjes tegen elkaar aan

zouden moeten slapen, met niets dan hun opgerolde beddengoed om het zich gemakkelijk te maken, begon het klachten te regenen.

‘Dit kan niet!’

‘Je kunt niet van ons verwachten dat we ons hier allemaal in wringen!’

‘Dit is een afschuwelijke vergissing.’

Zuzana had moeite om alles snel genoeg voor me te vertalen. Zelfs haar elegante moeder in haar nette mantelpak leek op instorten te staan bij het zien van hun verblijf. Ze verbleekte toen ze doorhad dat ze hier zouden moeten leven, slapen, en dat ze zich hier zelfs zouden moeten wassen en uitkleden, alles in het bijzijn van onbekenden.

Een droevig klein jongetje was volledig overweldigd door de kakofonie om hem heen. Somber wreef hij met de punten van zijn schoenen over zijn kuiten om de modder eraf te vegen. Toen keek hij naar me op en zei: ‘Als ik op de vloer ga liggen, word ik helemaal vies.’

Ik gaf hem een klopje op zijn hoofd en zei: ‘Het is maar voor even, dat beloof ik je. We zullen deze plek binnen de kortste keren opknappen. Wees in de tussentijd maar een lieve jongen voor je moeder.’ Ik tilde een peuter op mijn heup, blies op mijn fluitje en loodste de jongste kinderen naar buiten om te spelen, zodat hun moeders zichzelf bij elkaar konden rapen. Op de besneeuwde binnenplaats vroeg ik: ‘Kennen jullie tikkertje? Wie het langst niet getikt wordt, krijgt een extra lepel jam.’

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.