Deze bachelorproef/scriptie isgemaakt door Peter Vanduffel , studentaan de HogeschoolGent, ter voltooiing van de bacheloropleiding, bachelor in de houttechnologie De standpunten die in deze bachelorproef zijn verwoord, zijn louter hetpersoonlijke standpunt van de individuele auteurenreflecteren niet noodzakelijkerwijs de mening, het officiële standpunt of het beleid van HOGENT
Abstract
Deze bachelorproef onderzoekt hoe klanten van Ostyn, een producent van houtskeletconstructies voor bijgebouwen, op een eenvoudige manier bewust kunnen kiezenvoor duurzamebouwmaterialen opbasisvanlevenscyclusanalyses (LCA’s).Aangezienvoorbijgebouwengeennormeringbestaatrondmilieu-impact, is er behoefte aan een eenvoudige methode die transparantie biedt met betrekking tot de duurzaamheid van materialen. Dit werk richt zich op het onderzoeken van een manier waarop Ostyn klanten kan ondersteunen in hun materiaalkeuzes.
De methodologie omvat een vergelijkende analyse van bestaande tools voor milieu-impactberekening, waaronder de Nederlandse Nationale Milieudatabase (NMD) en de Belgische tool TOTEM (Tool to Optimise the Total Environmental impactofMaterials).HierbijwordtgekekennaarhuntoepasbaarheidvoorOstyn’s constructies, met aandacht voor de beschikbaarheid van data en de nauwkeurigheidvanderesultaten.
DeconclusieluidtdatOstynmettoolsalsTOTEMdemogelijkheidheeftomklanten te informeren over duurzame opties, mits er geïnvesteerd wordt in betere dataverzameling en heldere communicatie. Verdere ontwikkeling van databases en tools is essentieel om de keuze voor duurzame bouwmaterialen verder te regulerenennormaliseren.
Woord vooraf
In de secundaire opleiding houttechnieken (TSO) werd snel duidelijk dat mijn interesse ligt bij houtbouw, meer specifiek bij duurzaam bouwen. Dit werd versterktindeopleidinghouttechnologieaanHoGent.
Op 19-03-2024 zijn we met de opleiding houttechnologie op bedrijfsbezoek geweestbijOstynFacilities,datgespecialiseerdisinhetontwerpen,producerenen plaatsen van op maat gemaakte tuinconstructies. Zij gebruiken voor het ontwerpen vConstruct, een op maat gemaakt tekenpakket dat zeer geautomatiseerd is. Ik zag meteen mogelijkheden om duurzaamheidsoverwegingentoetevoegenaanditprogramma.Metdesteunvan mijn promotor, Matthias Grymonpon, en mijn stagebedrijf Ostyn, waar ik door iedereen uitstekend begeleid werd, kreeg ik de kans om deze mogelijkheden verderteonderzoeken.
Er wordtinBelgië weinig gefocustop duurzaamheidvan bouwmaterialenen hun invloed op het milieu, en er bestaat op geen enkel vlak normering voor bijgebouwen. De kans is dus klein dat er in de nabije toekomst normering komt voor de milieu-impact van de bouwmaterialen van dit type constructies. Om deze redenvindikhetbelangrijkdatklantentochbewustkunnenkiezenvoorduurzame bouwmaterialen. Deze scriptie onderzoekt de mogelijkheid om, op kleine schaal, eenmethodetecreërenomheteenvoudigertemakenvoorklantenvanOstynom te kiezenvoorduurzamematerialen.
Graag wil ik mijn stagebegeleider Matthias Grymonpon bedanken voor de uitstekendeacademischebegeleidingvandezescriptie.Daarnaastbenikookveel dank verschuldigd aan Tony Vandoorn, voor de aangename en professionele begeleiding tijdens mijn stage. Ten slotte wil ik mijn familie en naaste omgeving bedanken voor de blijvende steun, in al zijn vormen, waarvan ik heb mogen genieten, niet enkel tijdens het schrijven van deze scriptie, maar gedurende de 3 jaarvanmijnstudies.
Figuur 2: Referentiewaarden gedefinieerdop basis van de statistische analyse van de117gebouwvariantendoorTOTEM....................Fout!Bladwijzernietgedefinieerd.
Hoewel de regulering voor energieprestatie van gebouwen in België steeds strengerwordt,enbijopenbareuitbestedingenwelrekeningwordtgehoudenmet uitgevoerdelevenscyclusanalyses(LCA’s),bestaaterinBelgiënoggeenregulering over de milieu-impactvangebruikte grondstoffen inde woningbouw. In2019 was de bouwsector in Europa verantwoordelijk voor 50% van de materiaalstromen en 33%vanhetafval(OVAM,z.d.),erisduseensignificantebehoefteaanhetreguleren van de milieu-impact van materiaalgebruik in de woningbouw. In Nederland gebeurt dit al in de vorm van de Milieuprestatie Gebouwen (MPG) (Quist, 2024). Voor bijgebouwen bestaan er op geen enkel vlak normen of richtlijnen. Het is dus onwaarschijnlijk dat deze er wel zullen komen op vlak van duurzaam materiaalgebruik. Het gebrek aan regelgeving heeft verschillende oorzaken, waarvantwee hierondertoegelichtworden.
Teweinigstimulatie
Voor openbare aanbestedingen wordt rekening gehouden met LCA’s, maar voor particulierenisergeenstimulatieomdittedoen.InNederlandisditwelhetgeval, in de vorm van een beperkte schaduwkost per m2 per jaar (MPG). Ook aannemers en architecten zouden kunnen bijdragen aan de stimulatie van particulieren om hiermeerekeningtehouden.Tenslottewordenmateriaalproducentennogsteeds niet genoeg gestimuleerd om environmental product declarations (EPD’s) op te stellen. Als er meer vraag komt naar informatie, zal de druk op producenten om deze informatie te verschaffen groeien. Deze stimulatie is wel al sterk aan het aangroeien,ondermeerdoordegroeiendevraaguitdeNederlandsebouwsector.
Teweiniginformatie
De gemiddelde Belg heefteen zeer beperkte kennis over duurzaam bouwen. Een voorbeeld hiervan is het idee dat het gebruik van hout slecht is, omdat er bomen voor gekapt moeten worden. Ook is er te weinig kennis, en vooral informatie beschikbaarindesector overdeduurzaamheidvanmaterialen(EPD’s).
In deze scriptie wordt de mogelijkheid onderzocht om de milieu-impact van bouwmaterialen in constructies van Ostyn te kwantificeren en vergelijken met elkaar.Deconcreteonderzoeksvraagluidt:
“Hoe kunnen klanten, op een eenvoudige manier, bewust kiezen voor duurzame bouwmaterialeninhoutskeletconstructies,gebaseerdoplevenscyclusanalyses.”
Ik werd doorheen het schrijven van deze scriptie geconfronteerd met een aantal struikelblokken,waarvandebeperktehoeveelheidinformatiedebelangrijkstewas.
Het gebruik van duurzame bouwmaterialen in de bouwsector staat nog in zijn kinderschoenen,endebestaandesystemenhierrondstaanzekernognietoppunt.
Hierdoor moest er rekening worden gehouden met de beperkingen van deze systemen.
Structuur
In eerste plaats wordt een overzicht gegeven van relevante literatuur en eerdere onderzoeken met betrekking tot het onderwerp, om zo een stevig theoretisch fundament te leggen. Hierbij worden de belangrijkste concepten en theoretische kadersbesprokendievanbelangzijnvoordezestudie.Vervolgenswordtingegaan op de hiaten in de bestaande literatuur, waarbij duidelijk wordt gemaakt hoe het huidigeonderzoekbijdraagtaanhetonderzoeksveld.
Vervolgenswordtuitgebreidbeschrevenwelkemethodenergebruiktwordenom deonderzoeksvraagtebeantwoorden,enwelkegrenzenergesteldwordenaande reikwijdte van het onderzoek. Daarna worden de resultaten beschreven en besproken. Ten slotte worden er in de conclusie praktische implicaties en aanbevelingengeformuleerd.
Pagina 10 van 56
3 Literatuuroverzicht
Onderzoek naar de milieu-impact van bouwmaterialen en levenscyclusanalyses (LCA's)isdeafgelopenjarensterktoegenomen,mededoordegroeiendeaandacht voor duurzaam bouwen. De verschillende bronnen die besproken worden in dit werk hebben bijgedragen tot een beter begrip van de milieuprestaties van bouwmaterialen,alblijvenerookbelangrijkehiatenenmisverstandenbestaan.
Een toonaangevend voorbeeld is de TOTEM-tool. Deze tool biedt een wetenschappelijk onderbouwde methode om de milieu-impactvan gebouwen in België te berekenen, gebaseerd op de Product Environmental Footprint (PEF)methodologie,wataansluitbijEuropesenormen.
In Nederland wordt een vergelijkbare functie vervuld door de Stichting Nationale Milieudatabase (NMD), die een databank biedt met milieuprestaties van bouwmaterialen, uitgedrukt in schaduwkosten (Stichting Nationale Milieudatabase, 2025). Daarnaast wijst Circular Ecology (2023) op de recente updates in de norm NEN-EN 15804:2012+A2:2019, waarin onder meer strengere vereistenvoorderapportagevanbiogenekoolstofopslagendeeindlevensfasevan materialenzijnopgenomen.
3.1 Belangrijke concepten en kaders
LCA’s vormen de kern van de methodiek om de milieu-impact van materialen te beoordelen.Dezeaanpak,beschrevenindeNEN-EN15804-norm,bekijktallefasen in de levenscyclus van een product: van productie en gebruik tot aan de end-oflife-fase(Ecomatters,2024).
Milieuprestatietools zoals TOTEM en de NMD zijn hierbij cruciaal. Hoewel ze hetzelfde doel dienen, namelijk het in kaart brengen van de milieu-impact van bouwmaterialen, hanteren ze verschillende rekenmethodieken, respectievelijk de PEF-benadering en schaduwkosten, wat directe vergelijkingen bemoeilijkt (Allackeretal.,2023;StichtingNationaleMilieudatabase,2025).Inwatvolgtworden beide toolsenhunonderlingeverschillennadertoegelicht.
Aanpak voor de bepaling van referentiewaarden door TOTEM. Bron: Allacker et al., (2023).
Figuur 2
Referentiewaarden gedefinieerd op basis van de statistische analyse van de 117 gebouwvarianten door TOTEM. Bron: Allacker et al., (2023).
3.1.2 De Nationale Milieudatabase (NMD)
Stichting NMD is een onafhankelijke organisatie die zorgt voor een uniforme berekening van de milieuprestatie van bouwwerken (MPG) in Nederland. Zij beheren en onderhouden de Nationale Milieudatabase en de Bepalingsmethode Milieuprestatie Bouwwerken om dit mogelijk te maken. Deze database is echter enkele een database, en geen rekeninstrument. Er zijninNederlandverschillende erkende rekeninstrumenten waarmee de MPG berekend kan worden, maar deze zijn niet vrij beschikbaar (Stichting Nationale Milieudatabase, z.d.-d). In Nederland geldt een grenswaarde van €0.8/m²/jaar voor woningen (De Milieuprestatie Voor GebouwenBerekening(MPG)-MilieuRelevanteProductInformatie,n.d.).Erwordt uitgegaanvaneenlevensduurvan75jaar(MilieuPrestatieGebouwen-MPG,2024).
3.1.3 Europese normen
De belangrijkste normen die binnen Europa gehanteerd worden bij het bepalen vanmilieu-impactindebouwsectorwordenindithoofdstukbeschreven.Infiguur 3 worden de verbanden tussen de verschillende normen schematisch weergegeven.
EN15804+A2: Environmental Product Declarations voorbouwproducten EN 15804 + A2 specificeert de kernregels voor het harmoniseren van EPD’s van bouwproducten. Deze norm legt de methodologische basis voor het verzamelen, rapporteren en verifiëren van Levenscyclusanalyse- (LCA-) gegevens en beschrijft de te rapporteren milieu-impactcategorieën. De update A2 (2019) verplicht de rapportage van dertien kernindicatoren en 6 optionele indicatoren, gefocust op menselijke gezondheid, en introduceert gespecificeerde berekeningswijzen voor biogene koolstof en eind-levenscyclusfasen. Daarnaast bepaalt EN 15804 + A2 de grenzen van de productlevenscyclus (“cradle-to-grave”) en worden modules A–D (productie, gebruik, verwijdering en hergebruik) gedefinieerd voor uniforme vergelijking tussen producten. De norm is sinds juli 2022 verplicht voor alle in Europa uitgegeven EPD’s, waarmee ze het wettelijke kader vormt voor milieugegevensindebouwsector.(CircularEcology,2023)(EN15804A2:Everything YouNeedto KnowAbouttheStandard,n.d.)
EN15978(2011):Milieu-impactvangebouwen EN 15978 beschrijft de rekenmethode voor het in kaart brengen van de milieuprestatie van een gebouw gedurende de volledige levenscyclus. De norm hanteerteensysteemgebaseerdopLCA,waarbijgebruikwordtgemaaktvanEPDgegevens conform EN 15804 als input. Het standaardkader omvat alle levensfasemodules (productie, bouwfase, gebruik, sloop en hergebruik) en definieert de systeemgrenzen voor gebouw- en sitespecifieke analyses. Verder biedt EN 15978 gestandaardiseerde rapportage- en communicatiemethoden, zodat ontwerpers, bouwers en beheerders milieu-indicatoren eenduidig kunnen vergelijken en optimaliseren gedurende ontwerp- en exploitatiefasen. (BRE Centre for SustainableProducts&ResearchEstablishment, 2013).
EN15643(2021):Kadervoorduurzaamheidsbepaling
EN 15643 dient als overkoepelend kader voor de duurzaamheidstoets van zowel gebouwenalsciviel-technischewerken.Hetintroduceerteenintegralebenadering metdrie pijlers:
People (mens)
Prosperity (economie)
Planet (milieu)
Deze norm stelt principes, vereisten en richtlijnen vast voor de kwantificering van relevante indicatoren inalle levensfasen van een bouwproject, inclusiefde invloed opdedirecteomgevingeninfrastructuur(EuropeanStandards,n.d.).
Het document consolideert de voorgaande deelnormen EN 15643-1 t/m -5 tot één gemeenschappelijk kader en benadrukt het belang van consistentie en vergelijkbaarheid tussen beoordelingen, ongeacht het type constructie of de fase van het project (DS/EN 15643:2021 - Sustainability of Construction WorksFrameworkforAssessmentofBuildingsandCivilEngineeringWorks,n.d.).
CEN/TR15941(2010):GebruikvangeneriekedatainEPD’s
CEN/TR15941iseentoelichtendetechnischerapportagedieadviezengeeftvoorde selectie en toepassing van generieke levenscyclus-data wanneer specifieke productdata ontbreken. Zij beschrijft kwaliteitscriteria, aggregatieniveaus en preverificatiemethodenomdeconsistentieentransparantievanEPD’stewaarborgen. De rapportage verbindt de kernregels van EN 15804 met de gebouwtoetsmethodiek van EN 15978 en beschrijft het gebruik van databronnen (gemiddelde, fabrikant-specifiek, generiek) inclusief regionale aanpassingen voor lokale condities. Hiermee ondersteunt CEN/TR 15941 zowel product- als gebouwgerichte levenscyclusanalyses en vormt het een essentieel hulpmiddel voor LCApractitionersenverificatieinstanties(NSAIetal.,2010/2010).
15 van 56
Pagina
Figuur 3
Schema van verbanden tussen normen, TOTEM en MPG. Bron: Eigen werk.
3.2 Hiaten in de literatuur
Een belangrijk knelpunt is de beperkte beschikbaarheid van actuele, productspecifieke data. Veel EPD's zijn verouderd of te generiek, waardoor vergelijkingenaan betrouwbaarheidverliezen. Ookkunnenproductenpascorrect vergeleken worden indien rekening gehouden wordt met hun uiteindelijke toepassing.
Daarnaast is er een gebrek aan specifieke normen voor bijgebouwen. De bestaande regelgeving focust voornamelijk op woningen, terwijl bijgebouwen, zoals tuinhuizen en garages, buiten beschouwing blijven (Denkers, 2023). Dit onderzoek biedt daarom een inzicht in mogelijkheden die bedrijven zoals Ostyn kunnenhanterenomhunklantenteadviserenmetbetrekkingtotduurzaamheid, ondankshetontbrekenvanspecifieke wetgeving.
Een ander knelpunt is het verschil tussen de NMD en TOTEM met betrekking tot rekenmethodes.Deuiteenlopendebenaderingen,namelijkschaduwkostenversus PEF (Product Environmental Footprint), maken het moeilijk om materialen of projecten één op één te vergelijken. Er is dan ook een duidelijke nood aan harmonisatie van rekenmethodieken, en bijgevolg aan databases op Europees niveau. Opdeze manier zouden allelandenbeschikkenover dezelfde data, en zou dezeopdezelfdewijzetoegepastkunnenworden.VolgensdebestaandeEuropese normzijnernu19impactcategorieën.
Omwille vanonzekerheden in de berekeningsmethodes wordenhiervaninBelgië 6categorieënachterwegegelatenbijhetbepalenvandemilieu-impact.Nederland kiest er dan weer voor om deze wel op te nemen in de bepalingen. Daarbovenop wordt er in de Europese norm geen rekening gehouden met de opslag van koolstof,hoewelditvolgensWageningenUniversity&Research(WUR)eencruciale engoedmeetbarefactoris(VanDenOever,2025).
Wat betreft bouwmaterialen is er een groeiende belangstelling voor bio-based alternatieven, zoals hout. Verschillende bronnen, die later in de werk besproken worden, benadrukken dat hout een duurzaam materiaal kan zijn, onder meer vanwegedehernieuwbaarheidenhetpotentieelomCO₂opteslaan.Tegelijkertijd wordt,zoalslaterbesprokeninditwerk,aangetoonddat bio-based materialenniet automatisch beter scoren dan minerale alternatieven. Een belangrijk voorbeeld hiervan is schapenwolisolatie. Bio-based isolatiematerialen worden door verschillende bronnen, zoals bijvoorbeeld Van Der Waal (2025) voor de website isoleerbewust.nl, allemaal over 1 kam geschoren als “milieubewust”. Na het bestuderenvandemilieu-impactervanwordtechterduidelijkdatditnietaltijdhet geval is. Een nadere analyse wordt gegeven in hoofdstuk 6.8. Milieu-impact is dus sterkafhankelijkvanfactorenzoalsherkomst,verwerkingentoepassing.
4 Methodologie
Deze scriptie is een ontwerpend onderzoek. Er wordt voornamelijk gebruik gemaakt van kwantitatieve bronnen, maar ook kwalitatieve bronnen worden geraadpleegd. De huidige systemen worden in kaart gebracht, onderzocht en beoordeeldopbasisvanhunbronnenendetoepassingervan.
4.1 Bestaande systemen
Er wordt eerst onderzocht hoe de milieu-impact van producten op dit moment wordtbepaald.Nietalleenvoorbouwmaterialen,maarookvoorandereproducten, zoals de eco-score bij voeding. De kwaliteit van deze toepassingen wordt geëvalueerdenvergeleken.
4.2 Databases
Voor het bepalen van de milieu-impact werden 2 databases geraadpleegd. Verschillendebouwmaterialenwerdenaltijdvergelekenopbasisvangegevensuit dezelfde database.
4.2.1 TOTEM
TOTEM werd ontwikkeld voor en door België, het is dus logisch dat deze tool gebruikt wordt indeze paper. Het grote voordeel vanTOTEM isdat het niet louter eendatabaseis,maarookeenrekeninstrument.
4.2.2 Nationale Milieudatabase
De NMD is de database die door erkende rekeninstrumenten voor het berekenen voorMPGgebruiktwordt.DezedatebasewordtgebruiktalsaanvullingvanTOTEM, omdat beide databases gebreken hebben. Het nadeel is dat de NMD geen eigen rekeninstrument heeft, maar dat wordt deels opgevangen door materialen meerderemalenoptenemeninde databasemetverschillendetoepassingen.
4.3 Berekeningen
De vergelijking van materialen gebeurt aan de hand van levenscyclusanalyses (LCA’s). De LCA’s worden opgesteld volgens NBN-EN 15804:2012+A2:2019. Op basis vandezeLCA’swordteenweegfactorbepaald.
DeNMDdoetdatmeteen€/eenheidindicator(deschaduwkost),bepaalddoorDe Bruyn et al. (2020) voor het onderzoekscentrum CE Delft (zie figuur 4). De schaduwkosten van verschillende materialen werden bepaald volgens de rekenregels, beschreven in het document “Bepalingsmethode Milieuprestatie Bouwwerken”(StichtingNationaleMilieudatabase,2025).
Figuur 4
Milieu-impactcategorieën op basis van EN 15804+A2 Bron. Nieuwe MKI Weegfactoren – We-Boost, z.d.
Deexactedatawaarmeegerekendworden,zijnbeschikbaaropdewebsitevanthe EuropeanPlatformonLCA(EPLCA).Devolgendeafbeeldingisgenomenuithet EFreferencepackage3.1, specifiek het bestand “Normalisation_Weighting_Factors_EF_3.1.xlsx”.Deingevuldewereldpopulatieis dievan18-04-2025om9u15,nauwkeurigtot10.000(Worldometer-RealTime WereldStatistieken,z.d.).Ecoinvent,eendatabasediegebruiktwordtdoorzowel TOTEMalsNMDmaaktgebruikvandezeweegfactoren.(ImpactAssessment,n.d.)
5
Normalisation Factors 3.1. Bron: European Platform On LCA | EPLCA, z.d.-b.
Figuur 6
Weighting factors EF 3.1. Bron: European Platform On LCA | EPLCA, z.d.-b.
Figuur
4.4 Ontwerpfase
Ten slotte wordt onderzocht op welke manier deze informatie toegepast kan worden door Ostyn om de onderzoeksvraag te kunnen beantwoorden. Er worden verschillendemogelijke oplossingenbesprokenenvergeleken.
4.4.1 Scope
Het ontwerpen van een techniek om de milieu-impact van bouwmaterialen te vergelijken, zal gebeuren in functie van de cube-constructies van Ostyn, en de mogelijke materialen die gekozen worden binnen het programma vConstruct. Omdat er door Ostyn vaak op maat van de klant gewerkt wordt, zijn er te veel mogelijke materialen om deze allemaal te vergelijken binnen het kader van deze scriptie, diezichdanookbeperkttotdecourantgebruikte materialen.
Er worden 2 mogelijkheden onderzocht. Enerzijds, de vergelijking van de milieuimpact van de gehele constructie per m² en anderzijds de vergelijking van de milieu-impact van afzonderlijke categorieën, zoals gevelbekleding of binnenafwerking.
Vergelijkingpercategorie
De milieu-impact van bouwonderdelen wordt vergeleken aan de hand van gegevens uit de NMD of TOTEM, afhankelijk van welke databank de meest representatieve informatie bevat voor de specifieke toepassing. De milieu-impact wordtperfunctioneleeenheid(FE)berekend, afhankelijkvanhettypeonderdeel.
Vergelijkenopconstructieniveau
De relevantie van vergelijking op constructieniveau wordt onderzocht en beschreven.
5 Resultaten
5.1 Interpretatie en nauwkeurigheid van data door bestaande systemen
Erbestaatnogsteedseentekortaancorrecte,specifiekegegevensmetbetrekking totdemilieu-impactvanbouwmaterialen.NietelkeproducentlaatEPD’sopstellen, en met de data uit een EPD kan op verschillende manieren worden omgegaan. Hieronderwordenenkele voorbeeldenbesprokenterillustratie.
5.1.1 Eco-score (voeding)
Het toekennen van een eco-score is zeer duidelijk voor klanten, vandaar dat deze methode geëvalueerd wordt in het kader van dit onderzoek. Het toekennen van een eco-score, gebeurt op basis van de berekening van een gemiddelde binnen dezelfdeproductcategorie.Omverderonderscheidtemakentussendeproducten werd er een bonus-malus systeem ontwikkeld op basis van 5 criteria waar eerder minder rekening mee gehouden werd. Indien de nodige informatie niet beschikbaar is, krijgt het product de slechtste score, om de producent aan te moedigenomdeinformatie beschikbaarte maken.Zowordteraaniederproduct een malusscore van 5 toegekend op het criterium ‘’milieubeleid’’ omdat geen enkele producent deze informatie beschikbaar maakt. (Colruyt Group, z.d.). Het gevolghiervanisdatproductendiemogelijksminderschadelijkzijnvoorhetmilieu een slechtere eco-score krijgen, of omgekeerd, waardoor de variant die een negatievere impact heeft net een betere score kan behalen. Dit geeft een misleidendbeeldaanconsumenten.
Naast categorieën 1 (merkgebonden-) en 2 (sectorgebonden) milieuverklaringen, diegetoetstwordenvolgenshetNMD-toetsingsprotocol,iserookeencategorie-3: merkongebonden data. Deze data, in eigendom en beheer van stichting NMD, werden niet getoetst volgens het toetsingsprotocol. Op deze data is een ophoogfactorvan30%vantoepassing(StichtingNationaleMilieudatabase,z.d.-a).
Er ontbreken nog veel gegevens van bouwmaterialen in de database. Stichting NMD raadt aan om in dat geval data van een product te kiezen die het gebruikte productzodichtmogelijkbenaderen(H.vanderPol,e-mailvanhelpdeskstichting NMD, 27maart2025).
Uit telefonisch contact met de heer Rik Blom van het Nederlands ministerie van BinnenlandseZaken,werdenverschillendezakenduidelijk.
In 2012 kwam vanuit de bouwsector de vraag naar een uniforme bepalingsmethode van de milieu-impact van bouwmaterialen in Nederland, omdaterverschillendeonafhankelijkebepalingsinstrumentenbestonden,maarer grote verschillen waren tussen deze instrumenten. Sinds in 2013 de MPG werd opgestart,wordtdeNMDconstantbijgewerktomdeMPGzoaccuraatmogelijkte maken.
In 2018 werd op vraag van de bouwsector een grenswaarde bepaald op basis van voorbeeldconstructies,rekeninghoudendmetdeprijsvanbouwmaterialenenwat de markt aankan. Dit gehele systeem wordt constant verbeterd, aangevuld en getoetst.
Stichting NMD kiest er bewust voor om te rekenen met schaduwkosten, en niet met de PEF-methode. De verklaring hiervoor is dat deschaduwkosten permilieuimpactcategorie specifiek berekendwerdenvoorNederlanddoor CE-Delft, terwijl de PEF-methode, en de weegfactoren hetzelfde zijn voor heel Europa. De berekeningenvanCE-DelftzullendusrealistischerzijnvoorNederlanddandePEFmethode. Hetvoorbeelddatter illustratiewerdgegevendoorde heerBlom, isdat fijnstof dat vrijkomt door het verbranden van hout, veel schadelijker is in drukbevolkte gebieden zoals Nederland, dan in landen zoals Finland en IJsland, met een zeer lage bevolkingsdichtheid. Als de milieu-impact van materialen mee opgenomenwordtindeConstructionProductsRegulation(CPR),hetbelangrijkste regelgevingsinstrument voor bouwproducten (Construction Products Europe, 2025),enhierduseisenvoorgesteldzullenwordenvoorhetverkrijgenvaneenCEmarkering,zalhetrekenenmetschaduwkostengeenproblemengeven,aangezien beiderekenmethodengebaseerdzijnopdezelfdedata.
5.1.3 TOTEM (bouwsector België)
TOTEM rekent op dezelfde wijze als de NMD, maar drukt de milieu-impact wel uit in PEF. De database van TOTEM isbeperkter,enerwordtgeen toeslag toegekend op generieke data tegenover specifieke data. Ook hier moet gebruik gemaakt wordenvandatavaneenvergelijkbaarproductindienergeendatabeschikbaarzij vanhetproductzelf.
5.2 Relevante parameters Ostyn
OstynmaaktgebruikvanhettekenprogrammavConstruct,waarmeeautomatisch een besteklijst wordt opgesteld, die gelinkt is aan het ERP-pakket DeskManager, waarmee, onder andere, de stock wordt beheerd. Ostyn is een voortdurend evoluerend bedrijf. Hierdoor ondervinden ze problemen met het up-to-date houden van de stock. Er wordt bijvoorbeeld zeer regelmatig van leverancier gewisseld,maarenkeldeprijsvanhetproductwordtdanaangepastindeERP.Dit heeftalsgevolgdathetbepalenvaneenexactproductnietaltijdeenvoudigis.
Bijkomend wordt frequent gebruik gemaakt van goedkopere alternatieven voor producten van grote merknamen. Voor deze producten, geproduceerd door kleinereproducenten,werdvaakgeenEPDopgesteld.
Gestandaardiseerde onderdelen zijn gelijkwaardig. Omdat een groot deel van de materialen gestandaardiseerd zijn, betekent dit dat deze in elke constructie op dezelfde manier worden toegepast. Hierdoor is de impact op het milieu van de materialennietafhankelijkvandekeuzevandeklant.
5.3.3 Verhouding milieu-impact
Derelatievemilieu-impactvaneenbepaaldonderdeelkanenkelberekendworden opconstructieniveau,maarhiervoorzouelkeconstructievollediginkaartgebracht moeten worden. Aangezien er bij een vergelijking op grotere schaal meer materialenzijnwaarvangeendatabeschikbaarzijndienauwaansluitenbijdereële situatie, zaldenauwkeurigheidvandegeheleberekeningdalen.
Demilieu-impactvanbetonnenfunderingisbeschikbaar,dievanschroeffundering echterniet.Intheorieishetmogelijkomdeimpactvanalleonderdelenafzonderlijk teberekenen,maarerwordtindatgevalgeenrekeninggehoudenmethetverschil in mogelijkheid tot hergebruik, de verbeterde isolatie van de vloerconstructie en het verschil in verharding. Om deze redenen wordt er van uit gegaan dat schroeffundering beter is dan een fundering uit beton, maar kan er geen kwantitatieve waardeaangekoppeldworden.
6 Discussie
6.1 Eco-score
De bonus-malus score heeft tot gevolg dat producten die mogelijks minder schadelijk zijn voor het milieu een slechtere eco-score krijgen, of omgekeerd. Hierdoor kan de variant die eenhogere negatieve impactheeft net meer gekocht worden door milieubewuste consumenten. Het gebruik van een bonus-malus systeem kan helpen om producenten te motiveren om meer informatie ter beschikking te stellen, en om verder onderscheid te maken wanneer er gerekend wordt met gemiddelden, zoals bij ook bij generieke data in TOTEM en categorie-3 data in de NMD, maar in het geval van het criterium “milieubeleid” heeft dit een beperkteffectomdatelkeproducentdezelfdemalusscorekrijgt.Eenbonus-malus systeem kan duseenmeerwaarde hebben, indienhet correct toegepast wordten ergeenvertekendbeeldwordtgecreëerddoorgebrekaangegevens.
6.2 MPG
Het toepassen van een toeslag op categorie 3-milieuverklaringen (ongetoetste milieuverklaringen) heefttot gevolgdat de milieu-impactvan productenmet een categorie3-milieuverklaringautomatischeenslechterescorebehalen,watnietper definitie overeenkomt met de realiteit. Hierdoor worden deze producten minder gebruikt in de bouwsector, en draagt de score dus bij tot een grotere negatieve impact op het milieu. Ook het gebrek aan data over exacte producten is problematisch.
Het nauwkeurig rekenen metdata vaneenvergelijkbaar product, dat de data van het gebruikte product zo dicht mogelijk benadert, is onmogelijk. Er kan namelijk nooitgegarandeerdwordendatbeideproducten,ondankshunvergelijkbareaard, dezelfdemilieu-impacthebben.Dithangtnamelijkafvanteveelfactoren,zoalsde energievoorzieningvandeproductie,dewijzeenlocatievanontginning,etc.
De nauwkeurigheid van MPG is dus nog steeds beperkt, maar rekening houdend met de nood van de huidige markt, en de constante evolutie en bijwerking van MPG,wordendezebeperkingenaanvaardinhetkadervanditonderzoek.
Aparte waarden energie en materialen in TOTEM. Bron: TOTEM, z.d.-c.
6.4 Relevantie parameters Ostyn
Omwille vandefrequentie waarmee er vanproducenten/ofleveranciergewisseld wordt, is het zeer moeilijk om actueel bij te houden wat de milieu-impact van bepaalde producten is. Wanneer er bijvoorbeeld gewisseld wordt van OSBproducent (Oriented Strand Board), worden de materialen van verschillende producenten vaak door elkaar gebruikt. Het voordeel van de beperkte beschikbaarheid van specifieke data, is dat bij gebruik van generieke data vrij gewisseldkanwordenvanproducent.
6.5 Relevantie vergelijking op constructieniveau
Omwille van de combinatie van de beperkte nauwkeurigheid die bereikt kan worden bij een vergelijking op constructieniveau, en het grote aandeel van gestandaardiseerde materialen, is de relevantie van een vergelijking op constructieniveauzeerbeperkt.
6.6 Vergelijking op productniveau binnen een element
6.6.1
Gevelbekleding
In deze productcategorie valt het op dat relatief weinig informatie beschikbaar is, waardoor de vergelijking moeilijk is. Er kunnen echter toch duidelijke conclusies getrokkenworden.
De resultaten bevestigen de literatuur, besproken in de literatuurstudie, die aangeeft dat hout een lage milieu-impact heeft. Houten gevelbekleding heeft namelijk de laagste milieu-impact, en staal de hoogste. Opvallend is echter dat Afrikaans hardhout een zeer hoge negatieve impact heeft, en met het oog op ecologischbouwen,dusbestvermedenwordt.
6.6.2 Isolatie
Wanneerdemilieu-impactvande isolatievergelekenwordt,valtopdat bio-based materialennietperdefinitiebeterzijnvoorhetmilieu. Indemeestegevallenishet verschil met minerale isolatie klein, zij het in de positieve of negatieve zin. In het geval van schapenwol is het verschil echter zeer groot. Bij de berekening van de milieu-impact wordt 75% toegekend aan de wol, en 25% aan de vleesindustrie, waardoor dit materiaal een zeer hoge milieu-impact heeft (MuurisolatieHoutskelet | Milieubewustisoleren, n.d.). Bio-based materialen worden verder toegelichtinhoofdstuk6.8.
6.6.3
Binnenafwerking
De binnenafwerking toont opnieuw aan dat het gebruik van houtachtige materialenbeterisvoorhetmilieu,conformdeliteratuurstudie.Demogelijkheden van het gebruik van Clicwall zijn echter beperkt in verband met vocht, omdat het uit MDF (MediumDensityFibreboard) vervaardigd wordt. Dit heeft als gevolg dat devergelijkinginbepaaldetoepassingennietrelevantis.
6.6.4
Schrijnwerk
Het vergelijken van schrijnwerk toont ook aan dat houten schrijnwerk een lagere milieu-impact heeft dan alternatieven uit aluminium, zoals in de literatuurstudie beschrevenwordt.
6.6.5
Fundering
Hoewel schroeffundering steeds vaker wordt toegepast, wordt de milieu-impact ervan nog steeds enkel beschreven per funderingsschroef, en niet op het niveau van de gehele constructie. Dat is wederom een voorbeeld van een tekort aan informatie.
6.7 Haalbare toepassing voor Ostyn
Gezien de hoge graad van standaardisatie van de basisonderdelen, en grote variatie van aangeboden combinaties, is het voor Ostyn niet relevant om op gebouwniveaute vergelijken. Erkanechter op elementniveauvergelekenworden met behulp van TOTEM, eventueel in combinatie met data van de NMD om deze aan te vullen waar nodig, naar analogie met de vergelijking die gemaakt werd in hoofdstuk5.4.1(gevelbekleding).
Veelgebruikte wandopbouwen kunnen opgesteld en vergeleken worden met TOTEMzoalsinfiguren16en17.Zoblijftdemilieu-impactaltijdup-to-date.
Er zijn echter nog steeds beperkingen. Het verschil tussen de impact van de verschillendeprofielenenhoutsoorteningevelbekledingkanbijvoorbeeldmoeilijk vergeleken worden. Er kan wel een algemeen advies gegeven worden aan de klantendathetgebruikvanAfrikaansHardhouteenmilieu-impactheeftdieca.3x groterisdandievannaaldhout.
Concreet kunnen klanten dus, in beperkte mate, eenvoudig maar bewust kiezen voormilieubewustebouwmaterialen,indienhetbedrijf,inditgevalOstyn,gebruik maakt van tools zoals TOTEM, en hierbij rekening gehouden wordt met de beperkingen.Ditmoetlogischerwijsalgebeurenindefasevanverkoop.
Erwordtindezepapermeermaalsbeschrevendat bio-based materialennietaltijd de meest milieuvriendelijke oplossing zijn. In dit hoofdstuk wordt hier dieper op ingegaan.
Hoewel bio-based materialenvaakalsduurzaamwordengepresenteerd(Biobased Bouwen: Wat het Is en Waarom het Voordelen Biedt: NN, z.d.), is hun milieuimpactnietaltijdgunstigerdandievanconventionelealternatieven.Verschillende factoren spelen hierbij een rol, zoals de productiemethode, transportafstanden, verwerkingsprocessenendeafvalfase.Zokanschapenwolalsisolatiemateriaaleen hogere milieu-impact hebben dan minerale wol, onder meer door de koppeling metdevleesindustrieendeenergie-intensievereiniging(Muurisolatie-Houtskelet | Milieubewustisoleren, n.d.). Ook tropisch hardhout, ondanks zijn natuurlijke herkomst, scoort zoals aangetoond in dit werk vaak slechter dan lokaal naaldhout vanwegeontbossing,transportoverlangeafstandeneneengebrekaanduurzaam bosbeheer.
Daarnaast zijn sommige bio-based materialen afhankelijk van chemische additieven of energie-intensieve processen, waardoor hun ecologische voordeel teniet wordt gedaan. High Pressure Laminate (HPL) met natuurlijke vezels, heeft door het gebruik van synthetische lijmen en hoge productie-energie bijvoorbeeld vaak een vergelijkbare of zelfs hogere impact dan niet-bio-based alternatieven (Franssens.2024).
Kortom, de duurzaamheid van bio-based materialen moet per geval worden beoordeeld, waarbij LCA’s een cruciale rol spelen. Transparante data en certificeringen,zoalsFSCvoorhout,zijnessentieelom greenwashing tevermijden en weloverwogen keuzes te maken. Voor bedrijven zoals Ostyn betekent dit: niet zomaar uitgaan van de ‘natuurlijke’ herkomst van een materiaal, maar kritisch kijkennaardeheleketen.
Milieu-impact van vlonderplank. Bron: Stichting Nationale Milieudatabase, z.d.-n.
6.9.2
Productie
HetproductieprocesvanAfrikaanshoutisvaakmindergeautomatiseerd,watleidt toteenhogere energie-impact. Europese zagerijen, daarentegen, werkenmeestal efficiënter, en ook de energiebronnen in Europa zijn duurzamer. Ook binnen Europa en Afrika is er echter variatie in energie-efficiëntie. Om deze reden is het zeer belangrijk dat de milieu-impact van hout voor elke producent apart wordt berekend, wat op dit moment niet het geval is in tools zoals TOTEM en de rekeninstrumentengebaseerdopdeNMD.
6.9.3
Gezondheid
Op sociaal vlak eist FSC/PEFC (Programme for the Endorsement of Forest Certification) eerlijke lonen en veiligheid, terwijl bij niet-gecertificeerd Europees hout dergelijke garantiesontbreken. De veiligheid voor arbeiders wordt in Europa beter beschermd dan in Afrika (Occupational Safety and Health | UN Global Compact, n.d.), dus een gebrek aan certificering is op dit vlak in kleinere mate relevant binnen Europa, hoewel zowel in Europa als Afrika de lokale situatie sterk kan variëren. De werkomstandigheden kunnen gevolgen hebben op de milieuimpact,namelijkindecategorie“humaan-toxicologischeeffecten”.
6.9.4
Illegale houtkap
Illegale houtkap wordt in Europa tegengegaan door de EUDR (European Deforestation Regulation). De EUDR is een nieuwe Europese verordening die in 2023 de EUTR (European Timber Regulation) heeft vervangen. Deze verordening verbiedthetopdeEU-marktbrengenvanproductenzoalshout,soja,cacao,koffie, palmolie, rundvlees en rubber als die bijdragen aan ontbossing of bosdegradatie, ongeacht of die ontbossing legaal of illegaal was in het land van herkomst. Bedrijven moeten aantonen dat hun producten vrij zijn van ontbossing en afkomstig zijn van legale bronnen, en moeten tot op perceelniveau kunnen traceren waar het product vandaan komt. De EUDR legt de nadruk op volledige transparantie, risicobeoordelingengeografischeverificatie,enisdaarmeeeenvan destrengstewetgevingenterwereldopditgebied.(EUDRExplained,2022)
Ondanks EUDR en EUTR is illegale houtkap is nog steeds een probleem binnen Europa, vooral in Oost-Europese landen zoals Oekraïne en Roemenië. Uit een rapport van Greenpeace Nederland (2020) blijkt dat ongeveer 50% van de NederlandsehandelintropischenRussischhoutmogelijkillegaalis,mededoordat toezicht op de herkomst vaak tekortschiet (Richert et al., 2003). Dit rapport heeft echtereenzeerbeperktebronvermelding.
Een MO*-reportage uit 2020 toont aan dat Oekraïne meer hout exporteert dan er officieelgekaptwordt,watduidtopgrootschaligeillegaleontbossing.Corruptieen gebrekkige handhaving spelen hierin een grote rol (‘Illegaal Hout Verdwijnt Niet VanzelfUitDeOekraïenseBossen’ –MO*,n.d.).
Hetrapport FightingIllegalLogginginEurope vanhetIstitutoAffariInternazionali (2022) benadrukt dat ook binnen de EU zelf illegale houtkap voorkomt en dat wetgevingenhandhavingtekortschieten.(Colantonietal.,2022)
6.9.5 Toetsing certificering
Hoewel FSC-certificering bedoeld is om duurzaam bosbeheer te garanderen, wijzenmeerdererapportenopaanzienlijkerisico'sentekortkomingeninbepaalde Afrikaanselanden.
In 2023 voerde de FSC samen met Assurance Services International (ASI) een zogenoemde Transaction Verification (TV) loop uit op FSC-gecertificeerde Afrormosia (Afrikaans teak). Deze controle bracht verschillende integriteitsrisico’s aan het licht binnen de wereldwijde toeleveringsketen. Zo werden afwijkingen vastgesteldtussendeopgegevenverkoop-enaankoopvolumes,watkanwijzenop het binnensluipen van niet-gecertificeerd hout in FSC-gelabelde stromen. Ook werd vastgesteld dat sommige certificaathouders FSC-hout verhandelden buiten de reikwijdte van hun certificering, en dat producten met FSC Controlled Woodclaims onterecht aan niet-gecertificeerde bedrijven werden verkocht. Dit is een duidelijke schending van de FSC Chain of Custody-standaard. De bevindingen tonenaandatzelfsbinnenFSC-gecertificeerdeketenslekkenkunnenoptreden,en onderstrepen het belang van strengere controle en transparantie, zeker bij risicohoutsoorten zoals Afrormosia uit Centraal-Afrika (African Teak Supply Chains ShowIntegrityRisks,2022).
Hoewel FSC-certificering een belangrijke stap is richting duurzaam bosbeheer, tonen deze onderzoeken aan dat er nog steeds risico's bestaan op lekken in de toeleveringsketen, vooral in regio's met zwakke regeringen en beperkte handhaving. Het is daarom essentieel voor bedrijven en consumenten om niet alleen te vertrouwen op het FSC-label, maar ook aanvullend due diligence toe te passen, zoals het verifiëren van de herkomst van het hout en het controleren van auditrapporten.
Deze bevindingen benadrukken de noodzaak voor strengere controlemechanismen binnen FSC-certificering. Het is essentieel dat certificeringsinstanties transparanter en proactiever zijn in het aanpakken van inbreuken op de certificeringsnormen om het vertrouwen in duurzame bosbeheerpraktijkenteherstellen.
7 Conclusie
DezebachelorproefonderzochthoeklantenvanOstynopeeneenvoudigemanier bewust kunnenkiezenvoor duurzame bouwmaterialen inhoutskeletconstructies, gebaseerd op LCA’s. Uit het onderzoek blijkt dat tools zoals NMD in Nederland en TOTEM in België weliswaar mogelijkheden bieden om de milieu-impact van materialen te berekenen, maar dat de beperkte beschikbaarheid van specifieke dataeenexactevergelijkingbemoeilijkt.Tochkunnenmetdejuistemethodologie zinvolleinzichtenwordenverkregen.
7.1 Bereikte doelstellingen
De doelstelling om klanten te ondersteunen in hun keuze voor duurzame bouwmaterialen is gerealiseerd door een methodologie te ontwikkelen die bouwmaterialen vergelijkt op basis van hun milieu-impact, gebruikmakend van bestaande databases. Voor Ostyn blijkt een vergelijking op constructieniveau weinig meerwaarde te bieden vanwege de hoge mate van standaardisatie, maar op productniveau, zoals bij gevelbekleding en isolatie, kunnen wel degelijk duurzamereoptieswordengeïdentificeerd,mitscorrectetoepassing.
Hetonderzoekbenadruktdaarbijhetbelangvantransparanteenactueledatavoor een correcte evaluatie, zoals blijkt uit de evaluatie van de milieu-impact van schapenwol-isolatie.TenslottewerddeinvloedvancertificatenzoalsFSCenPEFC opdemilieu-impactvanhoutnaderbeoordeeld.
7.2 Praktische implicaties en aanbevelingen
Voor Ostyn ligt de meest directe toepassing in het gebruik van TOTEM om milieuscores van standaardwandopbouwen te berekenen, waardoor klanten tijdens het ontwerpproces geïnformeerde keuzes kunnen maken. Om de nauwkeurigheid van deze vergelijkingen te verbeteren kan ook de NMD geraadpleegd worden bij ontbrekende gegevens. Daarnaast kan een eenvoudig adviessysteem,zoalshetcommuniceren van basisprincipes ("Naaldhoutheefteen lagereimpactdantropischhardhout"),klantenhelpenombewusterebeslissingen te nemen.
7.3 Beperkingen en suggesties voor toekomstig onderzoek
De belangrijkste beperking van dit onderzoek ligt in de nauwkeurigheid van de beschikbare data, waarbij veel milieu-impactinformatie generiek of verouderd is. Toekomstig onderzoek zou zich kunnen richten op het actualiseren van deze datasetsomdebetrouwbaarheidvanvergelijkingenteverhogen.Bovendienishet huidig onderzoek toegespitst op Ostyn’s cube-constructies, wat betekent dat uitbreiding naar andere bouwtypes aanvullende analyses vereist. Een verdere optimalisatiezoukunnenbestaanuitdeautomatischekoppelingvanTOTEMofde NMD aan Ostyns ontwerpprogramma vConstruct, waardoor milieuanalyses nog efficiënterkunnenwordenuitgevoerd.
Allacker, K., Debacker, W., Delem, L., De Nocker, L., De Troyer, F., Janssen, A., Peeters, K., Servaes,R., Spirinckx, C., & Van Dessel, J. (2023).
Environmental profile of building elements. In TOTEM. OVAM.
Biobased bouwen: wat het is en waarom hetvoordelen biedt : NN. (n.d.).
https://www.nn.nl/Inspiratie/Biobased-bouwen.htm
BRE Centre for SustainableProducts,& Research Establishment, B. (2013).
Assessing the environmental impacts of construction – understanding European Standards and their implications. In BRE Trust, Briefing Paper [Report]. Building Research Establishment.
Circular Ecology. (2023, 17 mei). EN 15804+A2 Update and What it Means for EPDs - Circular Ecology. https://circularecology.com/en-15804-a2-epd-update.html
Colantoni, L., Sarno, G. S., Bianchi, M., & Istituto Affari Internazionali. (2022). FIGHTING ILLEGAL LOGGING IN EUROPE. In FIGHTING ILLEGAL LOGGING IN EUROPE [Report].
Construction Products Europe. (2025, April 29). Construction Products RegulationConstruction Products Europe. https://www.constructionproducts.eu/publications/cpr-2/
De Bruyn, S., Bijleveld, M., Korteland, M., & CE Delft. (2020). Milieuprijzen als weegfactor in de bepalingsmethode milieuprestatie bouwwerken
De milieu-impact uitdrukken in euro’s (of dollars): de MKI - Hedgehog Company. (z.d.). https://nl.hhc.earth/knowledge-base/the-eci-explained
De milieuprestatie voor gebouwen berekening (MPG)Milieu Relevante Product Informatie.(z.d.).https://www.mrpi.nl/mrpi-mpg-tool/ Denkers, L. (2023, 4 september). Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) - Nieman. Nieman. https://www.nieman.nl/specialismen/energie-en-duurzaamheid/milieuprestatie-gebouwen-mpg/
DS/EN 15643:2021 - Sustainability of construction works - Framework for assessment of buildings and civil engineering works. (z.d.).
Eco-score: 3 vragen over deze milieu-impactscore. (z.d.). www.test-aankoop.be. https://www.test-aankoop.be/gezond/voeding/etikettering/antwoord-vanexpert/eco-score
EN 15804 A2: Everything You Need to Know About the Standard. (z.d.).
‘Illegaal hout verdwijnt niet vanzelf uit de Oekraïense bossen’ – MO*. (z.d.). MO* Magazine. https://www.mo.be/reportage/illegaal-hout-verdwijnt-niet-vanzelf-uitde-oekra-ense-bossen
Mouton, L., Ramon, D., Trigaux, D., Allacker,K., & Crawford, R. H. (2024). Life cycle environmental benchmarks for Flemish dwellings. Environmental Research Infrastructure And Sustainability, 4(1), 015005. https://doi.org/10.1088/26344505/ad1bb7
Nieuwe MKI weegfactoren – We-Boost. (z.d.). We-Boost - Expert op het Gebied van Aanbestedingen, Duurzaamheid en Data. https://we-boost.nl/nieuwe-mkiweegfactoren/
NSAI, CEN, Technical Committee CEN/TC 350, & CEN, T. C. (2010). Sustainability of construction works -Environmentalproduct declarations - Methodology for selection and use of generic data.In T. C. CEN, S.R. CEN/TR 15941:2010. NSAI.
Richert, W., Greenpeace NL, NC-IUCN, ICCO, Milieudefensie, & Wereld Natuur Fonds. (2003). Illegaal hout: De verantwoordelijkheden en de mogelijkheden voor Nederland binnen de internationale context.
Stichting Nationale Milieudatabase. (2024a, september 1). Rekenen met set A1 en set A2. NMD. https://milieudatabase.nl/nl/milieudata-lca/milieu-impactcategorieen/rekenen-met-set-a1-en-set-a2/
Stichting Nationale Milieudatabase. (2024b, december 1). Bepalingsmethode |
Stichting Nationale Milieudatabase. NMD. https://milieudatabase.nl/nl/milieuprestatie/bepalingsmethode/
Stichting Nationale Milieudatabase. (2025). Bepalingsmethode Milieuprestatie bouwwerken. In Nationale Milieudatabase. Geraadpleegd op 27 maart 2025, van https://milieudatabase.nl/nl/database/gebruikers-van-data/rekenregels/
Van Den Oever, I. M. (2025, 20 maart). Vergelijkend onderzoek geeft inzicht in lagere milieukosten biobasedbouwmaterialen. WUR https://www.wur.nl/nl/onderzoek-resultaten/onderzoeksinstituten/foodbiobased-research/show-fbr/vergelijkend-onderzoek-geeft-inzicht-in-lageremilieukosten-biobased-bouwmaterialen.htm
Van Der Pol, H. (2025a,maart 17).persoonlijke communicatie. E-mail
Van Der Pol, H. (2025b,maart 27).persoonlijke communicatie. E-mail
Van Der Waal, J. (2025, 22 januari). Biobased isolatie | Wat je moet weten. Isoleerbewust.https://isoleerbewust.nl/isolatie/biobased-isoleren/biobasedisolatie/
Worldometer - Real time wereld statistieken.(z.d.). https://www.worldometers.info/nl/
Pagina 53 van 56
9 Verklarende woordenlijst
AFKORTING/TERM
A1–A3
BIO-BASEDMATERIALEN
CE-MARKERING
CIRCULARITEIT
CO₂-OPSLAG
CRADLE-TO-GRAVE
FSC(ForestStewardshipCouncil)
GENERIEKEDATA
HUMAAN-TOXICOLOGISCHE EFFECTEN
IMPACTCATEGORIEËN
LCA(LEVENSCYCLUSANALYSE)
VERKLARING
Fasen van productie in een LCA: grondstoffen (A1), transport grondstoffen(A2)enproductie(A3).
Materialen van biologische oorsprong zoals hout of hennep; hernieuwbaar maar niet altijd milieuvriendelijk.
Categorieën waarin milieueffecten binnen een LCA worden onderverdeeld.
Een methode om de volledige milieueffecten van een product, proces of dienst te beoordelen gedurende de hele levenscyclus — van grondstofwinning, productie en gebruik tot afvalverwerking of recyclage.
OVAM (OPENBARE VLAAMSE AFVALMAATSCHAPPIJ)
Vlaamse overheidsinstelling die o.a. duurzaam materiaalgebruik promoot.