inkijk Geschiedenis van Azië 9789048574469

Page 1


henk schulte nordholt

Een geschiedenis van Zuidoost-Azië

Amsterdam University Press

Oorspronkelijke uitgave: H. Schulte Nordholt, Neue Fischer Weltgeschichte. Band 12‒ Südostasien

© S. Fischer Verlag GmbH, Frankfurt am Main, 2017 All rights reserved

Dit is een geactualiseerde herziening van Een geschiedenis van Zuidoost-Azië (2016), 978 94 6298 253 6.

Kaarten binnenwerk: Bert Heesen Produkties

Afbeelding omslag: Beeldbank KITLV – Southeast Asian & Caribbean Images. Orembaai (Boeginees vrachtschip) met daarachter een kolé-kolé in de baai van Amahei, Zuid-Ceram. Publieke domein.

Ontwerp omslag: Bart van den Tooren

Ontwerp binnenwerk: Crius Group, Hulshout

isbn 978 90 4857 446 9 nur 692

© H. Schulte Nordholt / Amsterdam University Press B.V., Amsterdam 2016 en 2026

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 jº het Besluit van 20 juni 1974, Stb. 351, zoals gewijzigd bij het Besluit van 23 augustus 1985, Stb. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan de Stichting Reprorecht (Postbus 3051, 2130 KB Hoofddorp). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) dient men zich tot de uitgever te wenden.

De uitgeverij heeft ernaar gestreefd alle copyrights van in deze uitgave opgenomen illustraties te achterhalen. Aan hen die desondanks menen alsnog rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht contact op te nemen met Amsterdam University Press.

1. De kaart en de aard van Zuidoost-Azië 11 2. Geografie, klimaat en migratie 14

3. Compartimentatie, culturele samenhang en globalisering 15

Deel I Vroege geschiedenis (prehistorie-1400)

1. Sporen van de mens (prehistorie-200) 25

1.1. Klimaat en de vorming van de regio

2. De opkomst van het koningschap (200 -1400) 41

2.1. Koningschap, indianisering en lokalisering 41

2.2. Maritieme machten: ‘Funan’, Champa en Srivijaya 45

2.3. Machtsvorming op het vasteland: Dai Viet, Angkor, Pagan en Ayutthaya 52

2.4. Mahayana en theravada boeddhisme 63

2.5. Java: van Borobudur naar Majapahit 65

2.6. Chiefdoms in de oostelijke archipel 70

2.7. Het einde van een tijdperk 72

Deel II Vroegmoderne geschiedenis (1400 -1800)

3. Handel en oorlog (1400 -1630) 77

3.1. Malakka en de handel met China 77

3.2. Dagelijks leven 81

3.3. Een nieuwe wereldreligie: islam 84

3.4. De komst van de Europeanen en het christendom 88

3.5. Handel en havenplaatsen 1570 -1630 97

3.6. Oorlogen op het vasteland 102

4. Crises en consolidatie (1630 -1800) 115

4.1. Crisis in de archipel en Europese consolidatie 1630 -1700 115

4.2. Consolidatie op het vasteland 1630 -1700 123

4.3. Chinese migraties 1640 -1780 128

4.4. Economische groei en het verval van de VOC 1730 -1800 130

4.5. Crises en herstel op het vasteland 1700 -1800 135

Deel III De koloniale periode (1800 -1942)

5. De opkomst van koloniale regiems (1800 -1870) 147

5.1. Europa en Zuidoost-Azië 147

5.2. Heroriëntatie en exploitatie: Filipijnen en Java 152

5.3. De Maleise wereld 159

5.4. Het vasteland en de koloniale confrontatie 163

6. De vorming van koloniale staten (1870 -1910) 177

6.1. Koloniale staten, economie en migratie 177

6.2. De herverdeling van het vasteland: Birma, Siam en Indochina 187

6.3. Koloniale expansie in de archipel en de Filipijnse revolutie 196

7. Moderniteit en verzet, conservatisme en crisis (1910 -1942) 207

7.1. Moderniteit, verzet en conservatisme 207

7.2. Staatsvorming op het vasteland 217

7.3. De koloniale staat in de archipel 227

7.4. Crisis 235

Deel IV Dekolonisatie en natiestaten, autoritaire regiems en democratisering (1940 -2025)

8. Oorlog en dekolonisatie (1940 -1963) 241

8.1. De Japanse expansie in Zuidoost-Azië 241

8.2. Herschikking en dekolonisatie in overleg: Thailand, Filipijnen, Birma en Malaya 249

8.3. Revolutie: Indonesië en Indochina 256

9. Natiestaten, Koude Oorlog en autoritaire regiems (1947-1980) 267

9.1. Van zwakke natiestaten naar autoritaire regiems 267

9.2. De weg naar het socialisme: Vietnam, Cambodja en Laos 277

9.3. De opkomst van militaire regiems: Thailand, Birma en Indonesië 284

9.4. Autoritaire civiele regiems: Filipijnen, Maleisië en Singapore 295

10. Globalisering en democratisering (1980 -2025) 303

10.1. Economische ontwikkeling en politieke verandering 303

10.2. Sociale en religieuze veranderingen 308

10.3. Insulair Zuidoost Azië: economische groei, regime change en patronage-democratie 312

10.4. Economische groei en autoritaire regiems: Vietnam, Cambodja en Laos 318

10.5. Leger en democratie: Birma/Myanmar en Thailand 321

10.6. ASEAN: voorzichtige regionale samenwerking 326

10.7. Toenemend autoritarisme (2015-2025) 328

Voorwoord

Wie meegeeft aan het toeval, komt nog eens ergens. In het najaar van 2009 werd ik door de Duitse uitgeverij Fischer Verlag benaderd om in de vernieuwde serie Weltgeschichte het deel over Zuidoost-Azië te schrijven. Tot dusver had ik mij voornamelijk op de geschiedenis, antropologie en politiek van Indonesië gericht, maar dit aanbod gaf mij de gelegenheid het wijdere gebied te verkennen waar Indonesië deel van uitmaakt.

Er zijn inmiddels talloze historische boeken over de geschiedenis van China en India, en nog veel meer over Indonesië, op de Nederlandse markt maar vreemd genoeg ontbreekt een geschiedenis van Zuidoost-Azië. Daardoor is er een gat ontstaan in onze kennis over belangrijke historische processen in Azië. Hoogste tijd om in deze leemte te voorzien. Dit boek, dat bedoeld is voor een breed geïnteresseerd publiek, is een poging om langs historische lijnen samenhangen en contrasten, en continuïteiten en breukvlakken in Zuidoost-Azië te ontdekken terwijl het ook verbindingen legt met India, China, Europa en Amerika.

Ik prijs mij gelukkig dat Amsterdam University Press de Nederlandstalige versie van dit boek uitbrengt. Veel dank aan mijn redacteuren Saskia Gieling voor de voortvarende wijze waarop zij het productieproces heeft begeleid en Marian van Eekelen voor de zorgvuldige eindredactie van de tekst.

Ik dank ook het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) in Leiden, dat zich richt op de studie van Zuidoost-Azië en het Caribische gebied en mij in de gelegenheid stelde dit boek te schrijven.

Ik dank Jörg Fisch voor zijn adviezen bij de opzet van het boek en het doornemen van de eerste versie. Rosemarijn Hoefte, Remco Raben, Tom Hoogervorst en David Henley waren zo vriendelijk om (delen van) het manuscript nauwkeurig te lezen en mij op onduidelijke passages, fouten en omissies te wijzen, waarvoor veel dank.

Ten slotte wil ik mijn vrouw en reisgenoot Margreet bedanken, die meeging naar verschillende landen in Zuidoost-Azië en mij de tijd liet om het boek af te maken.

Haarlem/Brunehamel, juni 2016

In deze herdruk zijn kleine cor recties aangebracht en is in hoofdstuk 10 een paragraaf toegevoegd waarin recente politieke ontwikkelingen zijn

verwerkt. Ik dank Jasmijn Boonacker en Inge van der Bijl van AUP voor hun hulp bij de totstandkoming van deze editie.

Haarlem, december 2025

Inleiding

1. De kaart en de aard van Zuidoost-Azië

Op het eerste gezicht is Zuidoost-Azië een heldere en probleemloze categorie. Met een landoppervlakte van 4,5 miljoen km 2 en bijna 600 miljoen inwoners vormt het op de kaart een duidelijk afgebakende regio die in het westen grenst aan India, in het noorden aan China, in het oosten aan Oceanië en in het zuiden aan Australië. De regio wordt omgeven door natuurlijke grenzen: in het noorden door het Himalayagebergte en in de archipel, die de grootste ter wereld is, door ketens van vulkanen, die langs de westkust van Sumatra, via Java, Bali, Lombok en Sumbawa, ten slotte door de Filipijnen lopen. Zuidoost-Azië is dus een geografische eenheid die bovendien een mate van politieke integratie kent. Tien van de elf natiestaten in de regio – Brunei, Cambodja, de Filipijnen, Indonesië, Laos, Maleisië, Myanmar, Singapore, Thailand en Vietnam – zijn aangesloten bij de Associatie van Zuidoost-Aziatische Naties (ASEAN); de jongste natiestaat, Timor-Leste, maakt daar (nog) geen deel van uit.

Net als met andere werelddelen het geval is, wekt de weergave van Zuidoost-Azië als een afgebakende eenheid de indruk dat er ook sprake is van een interne samenhang op politiek, economisch, religieus en cultureel vlak. De kaart suggereert dus iets over de aard van het betreffende gebied.

Bij nadere beschouwing blijkt echter dat die kaart, net als de term ‘Zuidoost-Azië’, van heel recente datum is. In 1910 was het begrip nog onbekend en bestond er nog geen kaart van de regio. Pas tijdens de Tweede Wereldoorlog werd ‘Zuidoost-Azië’ een algemeen aanvaard begrip toen in 1943 het Southeast Asia Command door de geallieerden werd opgericht dat onder leiding stond van Lord Mountbatten. Daarmee lagen de grenzen van de regio echter nog niet vast. Met een hoofdkwartier in Ceylon (Sri Lanka) viel alleen het vaste land van Zuidoost-Azië, het westelijk deel van de archipel en ook Hongkong onder het commando van Mountbatten. Het oosten van Indonesië en de Filipijnen ressorteerden onder het oostelijke commando van generaal Douglas McArthur. Pas in oktober 1944 werd Zuidoost-Azië als regio aanwijsbaar en tastbaar toen de National Geographic Society in de Verenigde Staten de eerste kaart van Zuidoost-Azië (en de eilanden in de Pacific) produceerde. De kaart had, in de context van de Tweede Wereldoorlog, de regio geschapen.

Er bestond nog geen consensus over de vraag welke gebieden wel en niet tot Zuidoost-Azië behoorden. Sommigen meenden dat in religieus, cultureel en linguïstisch opzicht Sri Lanka, zuid India, zuid China en zelfs

Madagaskar tot Zuidoost-Azië gerekend moesten worden, terwijl anderen de Filipijnen er buiten wilden houden omdat het vanwege zijn Spaanse koloniale geschiedenis beter bij Latijns Amerika zou passen.

Uiteindelijk werden de contouren van Zuidoost-Azië bepaald door de grenzen van natiestaten in de regio. Dit betekende dat sommige gebieden, die een sterke culturele verwantschap vertoonden met naburige streken in Zuidoost-Azië, werden buitengesloten. In het westen werd Assam niet bij Birma/Myanmar, en de Nicobar- en Andaman-eilanden niet bij Brits Malaya, maar bij India gevoegd. In het noorden werd Yunnan, dat veel verwantschap heeft met Laos en noord Thailand, bij China ingelijfd. Taiwan, dat linguïstisch gezien tot Zuidoost-Azië gerekend mag worden, behoort volgens de huidige kaarten echter tot Oost-Azië. Anderzijds wordt wel beweerd dat het noorden van Vietnam historisch gezien eigenlijk binnen het Chinese cultuurgebied hoort en vertoont Atjeh linguïstische en historische verwantschap met ZuidAzië. De meest arbitraire grens is door het eiland Nieuw-Guinea getrokken. Het westelijke deel (nu Papoea) hoort bij Indonesië en staat daarom op de kaart van Zuidoost-Azië, terwijl het oostelijke deel (Papoea-Nieuw-Guinea) tot Melanesië wordt gerekend. Het waren dus primair redenen van politiekstrategische aard die de kaart van Zuidoost-Azië maakten tot wat deze nu is. Omdat de kaart de uitkomst is van recente politieke ontwikkelingen, is de vraag relevant of er eigenlijk wel iets gezegd kan worden over de aard van de regio. In politiek opzicht wordt de geschiedenis van Zuidoost-Azië niet gedomineerd door grote inheemse rijken die de gehele regio diepgaand beïnvloed hebben. In plaats daarvan was er in het prekoloniale verleden sprake van een sterke politieke fragmentatie, terwijl de regio vervolgens door maar liefst vijf Europese machten (Portugal, Spanje, Nederland, Engeland en Frankrijk), de Verenigde Staten en Japan overheerst werd. De koloniale periode zorgde voor een opdeling van de regio in verschillende blokken – (Nederlands-Indië; Birma en het Maleise schiereiland (Brits); Frans Indochina, en de Filipijnen (Spaans, Amerikaans) – wat tot segmentatie in plaats van integratie leidde. Ook in religieus opzicht kent Zuidoost-Azië een grote diversiteit, omdat alle grote wereldreligies ‒ hindoeïsme, theravada en mahayana boeddhisme, confucianisme, islam, christendom (katholicisme en protestantisme)‒ er een substantiële aanhang hebben verworven. Is Zuidoost-Azië daarom een regio die bij gebrek aan iets beters alleen omschreven kan worden in termen van diversiteit? Is het niet meer dan een toevallige verzameling eilanden en subregio’s die ingeklemd ligt tussen de ‘grote culturen’ van India en China, en daarom door de historicus Anthony Reid werd aangeduid met de term ‘fluïde pluralisme’?1

1 Reid 2000: 10.

2. Geografie, klimaat en migratie

Ondanks de grote diversiteit heeft een aantal factoren bijgedragen tot een mate van integratie. Geografie en klimaat speelden hierbij een belangrijke rol. Een blik op de kaart leert hoe belangrijk water in deze regio is. De zeeën in de archipel vormen van oudsher geen blokkade maar vergemakkelijkten het verkeer tussen de verschillende eilanden. De geografie van het vasteland van Zuidoost-Azië wordt gestructureerd door vijf grote rivieren die vanaf de Himalaya en het Tibetaanse plateau naar de laagvlakten stromen. Dit zijn van west naar oost, de Irrawaddy en Salween in Myanmar, de Chao Phraya in Thailand, de 4900 kilometer lange Mekong, die in het Tanglagebergte in China ontspringt en door Myanmar, Laos, Thailand, Cambodja en zuid Vietnam stroomt, en ten slotte de Rode Rivier in het noorden van Vietnam. In de bovenstroomse gedeelten van het vasteland was er sprake van noord-zuidverkeer via de rivieren, omdat het vanwege de steile bergruggen en dichte bebossing lastig was om van west naar oost te reizen. Deze segmentatie verklaart ook de grote linguïstische diversiteit in de bovenstroomse gebieden. In de benedenstroomse gebieden zijn er grote vruchtbare laagvlakten waar zich in de loop van de tijd processen van staatsvorming en culturele integratie hebben voltrokken. Met uitzondering van Java kende de archipel daarentegen overwegend kleine maritieme staten.

De evenaar loopt dwars door het zuidelijke deel van de archipel en de gehele regio heeft een tropisch klimaat. In de zones rond de evenaar wordt het klimaat bepaald door de afwisseling van de droge en de natte moesson.

De moessons bepalen niet alleen het ritme van de seizoenen maar hebben er ook eeuwenlang voor gezorgd dat mensen zich door de wateren van de archipel konden voortbewegen. De geschiedenis van Zuidoost-Azië – in de vroege geschiedenis door reizigers uit China en India ook wel aangeduid als de ‘benedenwindse landen’ – wordt in sterke mate gekenmerkt door opeenvolgende migratiestromen en een continu verkeer van handelaren, ambachtslieden, huurlingen, slaven, avonturiers, monniken, predikers en andere migranten die zich op het ritme van de moessons over de zeeën hebben voortbewogen. De zee vormde geen barrière maar een verbinding tussen verschillende eilanden en met het vasteland. De vroegste menselijke aanwezigheid in de regio (de Homo erectus) dateert van anderhalf miljoen jaar geleden. Ongeveer 60.000 jaar geleden deed de Homo sapiens zijn intrede. Vanaf 10.000 v.Chr. kwam er vanuit het zuiden van China een nieuwe migratie op gang die naar het vasteland van Zuidoost-Azië en via Taiwan naar de archipel en vandaar verder naar het oosten in de richting van de

Stille Oceaan voerde. De gemeenschappelijke migratiegeschiedenis maakt dat er een opvallend grote taalverwantschap bestaat tussen de afstammelingen van deze migranten. De meeste volken in de archipel behoren namelijk tot dezelfde Austronesische taalfamilie. Latere migratiegolven kwamen achtereenvolgens eveneens uit China (18de-20ste eeuw) en uit Zuid-Azië (20ste eeuw). Chinese migranten hebben zich over heel Zuidoost-Azië verspreid, terwijl de migranten uit India en Sri Lanka zich voornamelijk in Birma, het Maleise schiereiland en noord Borneo hebben gevestigd.

Zuidoost-Azië is nooit een afgesloten regio geweest, maar heeft altijd opengestaan voor migranten, handelaren en reizigers. Dat was een van de meest wezenlijke karaktertrekken van de regio. Een oud knooppunt waar handelaren uit China en Zuid-Azië elkaar ontmoetten was Malakka op het Maleise schiereiland. Malakka vormde in de vijftiende eeuw een vitale schakel in een keten die China, via de Zuid-Chinese Zee, het Maleise schiereiland, de Golf van Bengalen met Zuid-Azië en vervolgens via de Indische Oceaan en de Rode Zee met het Middellandse Zeegebied verbond. Langs deze route bewoog zich eeuwenlang een onafgebroken stroom van mensen, goederen en ideeën voort. Het is in dit verband niet onredelijk om een continuïteit te zien van het oude Malakka naar het huidige Singapore als schakel tussen Zuidoost-Azië en externe markten.

3. Compartimentatie, culturele samenhang en globalisering

Zuidoost-Azië kan alleen goed begrepen worden door de regio als geheel telkens weer in een ruimere context van mondiale bewegingen te zien. In wetenschappelijke kring gebeurde echter het tegenovergestelde. Hier zien we een sterke compartimentatie van kennisontwikkeling die in de koloniale tijd begon en na de dekolonisatie werd voortgezet binnen de zogenaamde area studies. Tijdens de koloniale periode waren het voornamelijk plaatselijke bestuursambtenaren die verkennende studies schreven over de geschiedenis, het recht, de landbouw en de gewoonten van gebieden en samenlevingen die zij onder controle moeten zien te krijgen, terwijl taalambtenaren, missionarissen en zendelingen door middel van grammatica’s en woordenboeken de grote diversiteit aan lokale talen in kaart brachten. Het meeste onderzoek was erop gericht praktische problemen op te lossen bij de bestuursvoering. Een kleinere groep wetenschappers verrichtte speciaal onderzoek in opdracht van de koloniale overheid, zoals Christiaan Snouck Hurgronje die aan het einde van de negentiende eeuw de islam in Nederlands-Indië bestudeerde.

Het werkterrein van wetenschappelijke genootschappen en instituten weerspiegelde de preoccupatie met het eigen koloniale territorium. Voorbeelden hiervan zijn het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen (1788), de Société Asiatique (1822) en de Straits Asiatic Society (1877). Omdat de meeste wetenschappers binnen de grenzen van hun eigen kolonie bleven, was er nauwelijks aandacht voor de wijdere regio. Pas in 1923 deed de Duitse geleerde Robert von Heine Geldern de eerste wetenschappelijk onderbouwde poging om Zuidoost-Azië als een linguïstisch en cultureel samenhangend geheel te omschrijven. Von Heine Geldern bevond zich echter in een heel klein gezelschap wetenschappers dat vergelijkend onderzoek deed. Die groep bestond vooral uit archeologen die de verspreiding van religieuze invloeden uit India probeerden te traceren. Een aparte positie nam de Britse bestuursambtenaar J.S. Furnivall in, die een vergelijkende studie verrichtte naar koloniaal bestuur in ZuidoostAzië.2 Het eerste instituut dat zich expliciet met Zuidoost-Azië bezighield bevond zich overigens niet in Europa maar in China; het werd in 1928 aan de Jinan-universiteit in Sjanghai opgericht. Koloniale kennisverwerving was sterk gebonden aan koloniale grenzen en werd gestuurd door praktische problemen. Daarin kwam na de Tweede Wereldoorlog minder verandering dan men zou verwachten. Het dekolonisatieproces, dat direct na de Tweede Wereldoorlog in volle hevigheid begon, en de Koude Oorlog, die de wereld in nieuwe machtsblokken zou verdelen, noodzaakten de Verenigde Staten van Amerika om snel relevante kennis te verwerven over de nieuwe natiestaten in Zuidoost-Azië. In dat kader moet de opkomst van de area studies worden gezien. Het doel was om de nieuwe politieke krachten in de regio te begrijpen waarbij vooral een beroep werd gedaan op politieke wetenschappers, sociologen en economen. Tegen de achtergrond van de Koude Oorlog koppelden de westerse area studies lokale kennis van de samenleving aan processen van modernisering en nation building.

De nadruk op area studies resulteerde in de institutionalisering van academische kennisproductie. Geldstromen van de overheid en grote particuliere fondsen zoals de Ford- en de Rockefeller Foundation financierden nieuwe vakgroepen, leerstoelen, tijdschriften, congressen en wetenschappelijke associaties, die gezamenlijk de studie van Zuidoost-Azië gestalte gaven. In de Verenigde Staten groeide Cornell University uit tot het bekendste centrum voor de studie van Zuidoost-Azië. In Australië volgden de Australian National University in Canberra en Monash University in

2 Von Heine Geldern 1923; Furnivall 1939, 1948.

Melbourne dit voorbeeld, terwijl in Parijs (EFEO, École Française d’Extrême Orient), Londen (SOAS, School of Oriental and African Studies), en Leiden (KITLV, Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde) oudere Europese kenniscentra uit de koloniale periode bleven functioneren. De studie van Zuidoost-Azië als regio ontstond dus buiten het gebied zelf. Pas toen jonge academici uit verschillende landen uit de regio elkaar in de collegebanken en bij de seminars van centra voor area studies voor het eerst ontmoetten, konden zij zich identificeren met Zuidoost-Azië.

Binnen Zuidoost-Azië bestond weinig belangstelling voor de studie van de regio als geheel en nog steeds wordt aan de term ‘Zuidoost-Azië’ weinig betekenis gehecht. De belangrijkste universiteiten in de regio zijn primair gericht op de eigen nationale ontwikkeling. Vanuit een Thais perspectief bezien zijn allereerst de directe buurlanden zoals Cambodja, Birma en Maleisië, van belang. Daarna volgen Bangladesh, India, Singapore en Vietnam, terwijl relaties met China en de Verenigde Staten veel belangrijker zijn dan met Indonesië en de Filipijnen. Pas in 1968 werd in Singapore het eerste instituut opgericht dat zich op de hele regio richtte. Dit Institute of Southeast Asian Studies (ISEAS), met de historicus Harry Benda als eerste directeur, had echter in Zuidoost-Azië zelf slechts een bescheiden invloed op de studie van de regio.

Area studies bestonden aanvankelijk uit een mix van taalstudie, politieke wetenschap, sociologie en economie. Later namen historici en antropologen het voortouw en groeide geschiedenis, naast antropologie uit tot een van de kernwetenschappen van de studie van Zuidoost-Azië. Het eerste wetenschappelijke tijdschrift voor de regio dat in 1960 in Singapore werd opgericht heette dan ook de Journal of Southeast Asian History; in 1969 werd de titel verruimd tot Journal of Southeast Asian Studies.

De stelling van historica Ruth McVey dat geschiedenis een kernwetenschap van de studie van Zuidoost-Azië is, wordt bevestigd door het feit dat juist historici als Barbara Andaya en Anthony Reid erin geslaagd zijn samenhangen te ontdekken die de studie van de regio als geheel rechtvaardigen.3 Geïnspireerd door Fernand Braudels studie over het Middellandse Zeegebied schetst Reid in zijn tweedelige studie over Zuidoost-Azië in de periode 1450 -1680 een beeld van een samenhangende regio waarin handelsnetwerken, onstuimige economische groei en snelle urbanisatie centraal stonden. De steden, waar het Maleis als lingua franca fungeerde, boden gastvrijheid aan een kosmopolitische handelsklasse die onder bescherming van de plaatselijke vorsten de motor van toenemende welvaart vormde.

3 McVey 1995; Reid 1988, 1993; Andaya 2006.

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.