Windstil
Saskia Eelman
met illustraties van Charlotte Peys
Dat zijn vader geboren is op een eiland wist Jonas wel, alleen niet op welk. Papa vertelde soms over vroeger, over de avonturen met zijn vrienden. Het ging dan over hutten bouwen in donkere bosjes, snoepjes jatten uit de kleine supermarkt in het dorp. Stoere dingen, grappige dingen. Hij had het nooit over de plek zelf, over de zee, de duinen, over hoe het is om er niet af te kunnen.
Hij had Jonas het eiland nooit laten zien.
Het waait hier altijd, denkt Jonas.
Hij staat op de dijk met zijn gezicht naar de Waddenzee. In de wind zitten hele kleine spettertjes water die je niet kunt zien maar wel voelen. Langzamerhand wordt zijn gezicht nat. Hij steekt zijn tong uit. Zout.
Ze zijn nu twee weken op het eiland. De zomervakantie is bijna voorbij en volgende week gaat Jonas voor het eerst naar zijn nieuwe school. Hij is samen met zijn zusje Daan en mama naar de Waddendijk gefietst.
Papa kon niet mee. Hij heeft met zijn oude vriend Ruud afgesproken en ze zijn bezig met het inruimen van zijn kantoor. Vorige week had hij kennisgemaakt met de mensen op zijn nieuwe werk en het is hoog tijd om alle informatie te gaan lezen en dingen voor te bereiden. Daar is een mooi kantoor voor nodig, had hij gezegd.
āJonas!ā Zijn moeder staat met haar handen in haar zij op het kleine strandje en kijkt omhoog. āKom nou ook even naar beneden.ā
Jonas kijkt naar het zand, de zee, de schelpen, het zeewier. Hij zucht. Zijn moeder gebaart nog een keer: kom!
Na even aarzelen schuifelt hij de dijk af over de platte zwarte stenen met gaten ertussen. Boven zijn hoofd hoort hij het geschreeuw van meeuwen. Zijn voet maakt een klein schuivertje en hij laat zich op zijn hurken zakken.
Boris zou me eens moeten zien, half op mijn billen schuivend naar beneden, denkt Jonas. Schijterd ben je! Hij zou niet meer bijkomen.
Plof! Met een sprong landt hij in het zand en loopt naar mama.
Daan staat gebukt langs de waterkant en zoekt naar schelpen. Nieuwe vondsten brengt ze naar mama, die ze in haar jaszak stopt. Ze zijn al bijna een halfuur aan het wad en zijn zusje blijft zich hoorbaar verbazen over wat ze vindt.
āKijk, wat een mooie. En deze ook!ā Daan rent met rode wangen naar mama en Jonas. Ze veegt met haar ene hand losgeraakte haren uit haar ogen. In haar andere hand liggen twee schelpjes, de ene is roze en de andere bleekgeel.
āPrachtig, Daan,ā zegt mama, āmaar dit zijn echt de laatste. Er kan niets meer bij.ā
āOkĆ©ā, zegt Daan en ze loopt weer naar de waterlijn.
Het is eb en het water is aan het zakken. Stukje bij beetje komt tevoorschijn wat een aantal uur verborgen is geweest. Op
het natte zand liggen vlokjes schuim en donkergroen zeewier met nopjes waar je in zou willen knijpen, net als de luchtkussentjes van inpakplastic. Jonasā schoenen maken een knerpend geluid als hij over de schelpenstrook langs de vloedlijn loopt.
āGetver, wat is dĆt?ā Daan zit gehurkt bij het lijkje van een krab.
Jonas komt naast zijn zusje staan en ziet dat de krab op haar rug ligt en twee pootjes mist. De scharen zijn ver naar buiten gestrekt, alsof ze klaarligt om iemand te omhelzen. Daan raakt met het puntje van haar wijsvinger de buik aan. āIeuw, dat voelt gek.ā Ze rolt de krab op haar buik. Met op elkaar geperste lippen
tilt ze het beestje langzaam tussen duim en wijsvinger op. De scharen en overgebleven pootjes wiebelen een beetje.
Jonas kijkt naar de rug, er zitten grijswitte pukkeltjes op.
āIs het een mannetje of een vrouwtje?ā vraagt Daan.
āDraai eens om?ā
āIk zie geen piemel of zoietsā, zegt ze.
āIk denk dat krabben geen piemel hebbenā, zegt mam, die over de schouder van Jonas meekijkt. āMaar eigenlijk heb ik geen idee. We moeten thuis maar eens uitzoeken hoe dat zit.ā
āMag ik ām meenemen?ā
āAlsjeblieft niet zeg, dat dooie stinkbeest! Leg maar terug in het zandā, zegt mama en strekt haar rug. āKom, tijd om naar huis te gaan.ā
Daan veegt haar handen af aan haar jas en ze lopen samen naar de grote stenen trap een stukje verderop.
Jonas neemt dezelfde route terug over de zwarte stenen en is als eerste boven. Hij draait zich om naar de zee en ziet vier grote witte vogels. Ze vliegen vlak boven het water, hun wijde vleugels klapwieken kalm op en neer. Ze hebben lange zwarte snavels die niet puntig zijn aan het uiteinde, maar breed en rond, net of ze klem hebben gezeten onder een grote stapel bakstenen.
Jonas volgt de vogels met zijn ogen tot ze stipjes zijn. Dan zoekt hij naar zijn moeder en Daan. Hij hoort flarden van een gesprek, het gelach van zijn zusje en ziet ze een stukje verder op de dijk. Ze lopen in de richting van de fietsen.
2
Drie maanden geleden hadden Jonasā ouders verteld dat ze gingen verhuizen naar papaās geboorteplek. Ze zaten met zijn vieren aan de keukentafel en papa had op de kaart van Nederland aangewezen waar het eiland lag, helemaal in het noorden.
āHet wordt even wennen natuurlijkā, zei papa. āVoor ons allemaal. Maar jullie gaan het echt leuk vinden hoor, het is een geweldige plek.ā Hij bleef even staren naar het eivormige eiland in de blauwe zee. Jonas volgde zijn blik. Als het daar zo ontzettend geweldig is, waarom zijn we er dan nog nooit geweest? vroeg hij zich af.
Daantje had eerst heel hard gehuild. Daarna had ze van alles gevraagd: hoe het huis eruitzag, of er wel andere kinderen in het dorp woonden, naar welke school ze zou gaan en of ze dan groep vier over moest doen.
Papa had haar op schoot getrokken. āWe gaan er snel een keertje heen. Dan kunnen we alvast het nieuwe huis zien en de school. Misschien kunnen we wel even naar binnen en met een juf of meester praten.ā Daan leek gerustgesteld, ging op zoek naar de dierenboeken in de grote boekenkast en riep āOoh, wat liefā bij elke foto van een zeehondje die ze tegenkwam.
Zijn moeder zei niet veel, ze vroeg alleen of Jonas ook iets wilde weten over het eiland en de verhuizing, maar hij schudde zijn hoofd. Zijn hoofd was leeg en zijn buik voelde weeĆÆg, alsof hij al op een bootje zat en richting de nieuwe plek dobberde.
Het zou echt gaan gebeuren, meer hoefde hij op dat moment niet te weten.
Net toen Jonas zijn bedlampje uit wilde doen om te gaan slapen, kwam papa zijn kamer nog even binnen.
āTijd om te gaan slapen, Jonas. Gaat dat lukken?ā vroeg hij zacht.
Jonas haalde zijn schouders op.
Papa liep naar het bed toe en ging op de rand zitten.
Jonas schoof een stukje dieper onder het dekbed. āHoe was het ā¦daar?ā vroeg hij.
āAls kind vond ik het een fantastische plek. Ik was vaak buiten, speelde met de kinderen uit de buurt. Je kon echt je gang gaan daar, geen druk verkeer, we hadden alle ruimte.ā
āDus⦠dus je had veel vrienden?ā
āIk had een paar hele goeie vrienden in het dorp. En later op de middelbare school kwamen daar weer jongens en meiden uit andere dorpen bij.ā
Jonas keek zijn vader aan. Hij wilde iets zeggen, maar de woorden bleven achter zijn lippen steken, een tekstwolkje zonder tekst.
Papa sloot kort zijn ogen, kneep zachtjes in Jonasā been onder het dekbed en stond op. āHet komt wel goed, Jonas. Jij gaat ook nieuwe vrienden maken, dat weet ik zeker.ā Hij deed het licht uit. āSlaap lekker.ā
Jonas kon moeilijk in slaap komen. Hij vroeg zich af hoe hij ooit bevriend was geraakt met Boris, al jaren zijn beste vriend.
Hoe was dat begonnen? Wat moest je zeggen als je iemand tegenkwam die misschien wel een vriend kon worden?
Een paar weken later had hij het aan Boris gevraagd. Ze liepen in het voorjaarszonnetje naar een winkel waar behalve kantoorartikelen ook stripboeken werden verkocht. Ze hadden het over de nieuwe school en de nieuwe kinderen. Jonas vroeg zich hardop af hoe het zou zijn en of hij weer vrienden zou krijgen straks.
Hij en Boris zaten bij elkaar in de klas vanaf groep ƩƩn. De eerste maanden was er geen contact tussen hen, behalve als ze per ongeluk naast elkaar in de kring zaten of tegelijkertijd hun verfkwast uitspoelden in de gootsteen. Jonas speelde veel met zijn buurmeisje, dat ook in dezelfde groep zat, Boris had meerdere vriendjes en vriendinnetjes.
Toen was Jonas vijf jaar geworden. Nadat de kinderen heel hard āLang zal hij levenā en andere bekende verjaardagsliedjes hadden gezongen, vroeg de juf wie straks met hem mee mocht de klassen rond. Jonas keek naar de vragende gezichten en opgestoken vingers. Zijn buurmeisje was al een paar dagen ziek, dus hij moest iemand anders kiezen.
Boris kon niet meer op zijn stoel blijven zitten en knielde
voor hem neer. Hij spreidde zijn armen en zei: āMag ik mee, asjeblieft? Toe, kies voor mij!ā
Jonas moest lachen, had zijn schouders opgehaald en geknikt.
Vanaf toen zochten ze elkaar steeds vaker op. Ze hielden allebei van tekenfilmpjes kijken, van bouwen met lego en van kletsen en grappen maken. Jonas zette zijn buurmeisje aan de kant en hij en Boris werden beste vrienden.
Jonas duwde de winkeldeur open en rook de droge lucht van papier en potloodslijpsel. āEn wat zeg ik dan tegen iemand die ik zó aardig vind dat ik misschien wel vrienden wil worden?ā
āWeet ik nietā, zei Boris en bleef staan voor het rek met de nieuwste stripboeken. āIk zou in ieder geval niet meteen vragen: āWil je mijn vriend zijn?āā Hij greep de hand van Jonas, schudde deze op en neer en zei met luide stem: āHallo, ik ben Jonas. Wil je mijn vriend zijn?ā
Ze waren in de lach geschoten terwijl ze elkaars hand bleven vasthouden.
āJe komt t-toch wel logeren?ā vroeg Jonas.
āTuurlijk.ā
Jonasā vader had eerder verhuisplannen gehad. Een paar jaar geleden had hij bedacht dat ze een camping in ItaliĆ« zouden beginnen. Toen hij erover vertelde was het alsof er een lampje brandde achter zijn ogen. āVakantieogenā noemde mama dat. Avondenlang was papa bezig met bedenken en uitzoeken, een notitieblok en opengeslagen boeken op de keukentafel met daarnaast een grote kaart van ItaliĆ«. Jonas zat vaak bij hem en hoopte dat het niet door zou gaan. Hij kende geen woord Italiaans en had een hekel aan hitte. Trouwens, papa wist misschien iets van hutten bouwen, maar helemaal niks van kamperen. Hij werkte altijd binnen, achter een bureau op een kantoor.
Na een paar weken was de kaart van ItaliĆ« van de keukentafel verdwenen en zat zijn vader ās avonds op de bank televisie te kijken. Er werd niet over gepraat, maar Jonas begreep dat hij geen afscheid van zijn vrienden hoefde te nemen.
En toen was papa begonnen over het eiland. Jonas had gehoopt dat deze plannen ook niet door zouden gaan. Zijn moeder hoopte hetzelfde, vermoedde hij. Ze zei heel vaak dat ze zo fijn woonde in de stad.
Jonasā vader had een aanbod gekregen om te komen werken op een verzekeringskantoor, vertelde hij terwijl ze net klaar waren met het avondeten. āEen zekeringkantoor?ā had Daan geroepen. āWat is dat nou! Klinkt hƩƩl saai.ā Papa legde uit dat een oude vriend van het eiland, Ruud heette hij, een kantoor was begonnen en hem erbij had gevraagd.
āHet loopt zo goed, dat ze handen tekortkomenā, zei papa.
āRuud zegt dat ik precies in het plaatje pas. De juiste opleiding, plĆŗs: ik ken de mensen daar.ā
āHoezo kennen?ā zei mama. āJe bent er jaren niet geweest.
Wanneer heb je Ruud eigenlijk voor het laatst gezien?ā Ze stond tegen het aanrecht geleund met haar armen over elkaar.
āJe gaat er ook maar van uit dat wij zomaar met je meewillen.
Dat we zomaar ons leven hier achter kunnen laten.ā
Ze stelde papa vraag na vraag.
āEn naar het theater gaan?ā had ze met strenge stem gevraagd. āKan dat daar?ā
āMaar dat doe je hier in de stad toch ook nooit?ā
āMaakt niet uit. Ik wil weten of het zou kunnen als ik dat zou willen.ā
āEr is een toneelverenigingā, zei papa terwijl hij op zān onderlip beet.
āAllemachtigā¦ā zuchtte mama. āJe weet dat ik dat niet bedoel.ā
āOkĆ©, als je echt naar iets toe wil, zul je aan de vaste wal moeten overnachten in een hotel ofzo. Dat is niet anders.ā
āHm. Geen pluspunt dus.ā
āOf juist welā, zei papa lachend.
Mama bleef even stil. āDat we daar gaan wonen,ā begon ze aarzelend, āis toch vooral voor jou.ā
Toen was papa stil. Hij wreef met beide handen over zijn gezicht.
āSinds tante Aaltje er niet meer isā¦ā ging mama verder.
Papa stond abrupt op en begon de borden op elkaar te stapelen. āHebben we het een andere keer overā, zei hij.
Toch was mama langzamerhand bijgedraaid. Een paar avonden later zat ze naast papa op de bank en sprak op fluisterende toon met hem. Daan lag al in bed, Jonas mocht nog even opblijven voor zijn favoriete tv-programma.
āIk weet niet zo goed wat ik daar moet doenā, zei ze. āIk zie het gewoon niet voor me.ā
āJe hebt alle ruimte en mogelijkheden om het daar uit te gaan zoeken, liefje.ā
āMaar ik begin dus met niks. Jij een prachtige baan, ik zit thuis.ā
āHet is maar hoe je het ziet. Je kan ook zeggen: ik begin met alles. Je kunt van alles gaan doen en je hebt nu de tijd om uit te zoeken wat het gaat worden.ā
Mama bleef even stil. āMooiprater ben je⦠Op dit eiland kan ik natuurlijk niet Ć”lles doen, Siem.ā
āDat kan ik niet ontkennen, maar wel veel.ā
āIk zou misschien weer les kunnen geven daar⦠en af en toe op en neer gaan naar de stad. Of weer gaan studeren, een thuisstudieā¦?ā
āBijvoorbeeld. En Jonas en Daan hebben daar alle ruimte, geen zorgen meer over het drukke verkeer.ā
āEen nieuwe start, een nieuw beginā¦ā Mama schoof tegen papa aan en gaf hem een kus. āAl zie ik ertegenop, het kan voor ons allemaal goed zijn.ā
Voor allemaal ja, dacht Jonas. Behalve voor mij.