Het raam en de spiegel1 Winibert Segers Samenvatting De titel van deze bijdrage verwijst naar twee teksten: ‘Een raam waar een gedicht doorheen kan schijnen’ (Van den Broeck 1984: 277-291) en ‘Jorge Luis Borges in de spiegel’ (Van den Broeck 1987: 97-114). In die teksten worden twee verschillende opvattingen over het vertalen van poëzie uiteengezet. De eerste is verbonden met transparantie, de tweede met vervorming. Welke opvatting heeft Raymond van den Broeck en stemt die opvatting overeen met zijn eigen vertaalpraktijk? Die vragen probeer ik te beantwoorden aan de hand van twee verzen (vers 1 en vers 3) uit Van den Broecks vertaling van Borges’ gedicht ‘Al idioma alemán’ (Borges 1987: 114 en 1993: 98).
1 Holmes en het vertalen van poëzie Het artikel ‘Een raam waar een gedicht doorheen kan schijnen’ is een vraaggesprek tussen Raymond van den Broeck en de dichter, vertaler en vertaalwetenschapper James S Holmes. Het is een gesprek over het vertalen van poëzie, dat verscheen in het literair tijdschrift Diogenes2. Naast ‘Een raam waar een gedicht doorheen kan schijnen’ publiceerde Van den Broeck ook nog andere artikelen in Diogenes: ‘Jorge Luis Borges in de spiegel’, ‘Veertien gedichten van Emily Dickinson’, ‘Het rurale universum van John Berger’ … 1
2
Een Franse versie van dit artikel ‘Raymond van den Broeck : un personnage clé de la traductologie’ werd opgenomen in het boek État des lieux de la traductologie dans le monde (Segers 2022: 167-174). Van den Broeck was redactielid van het tijdschrift Diogenes. Het verscheen tussen 1984 en 1992. Het tijdschrift besteedde veel aandacht aan poëzie en vertalingen.
9
De titels van die drie artikelen vermeld ik expliciet omdat in die artikelen Nederlandse vertalingen die Van den Broeck heeft gemaakt, werden opgenomen (Van den Broeck 1987: 101-114, Van den Broeck 1989a: 31-33 en 1989b: 18-21)3. In die artikelen zie je Van den Broeck aan het werk als vertaalwetenschapper en als vertaler4. Het verschil tussen beide rollen loopt als een rode draad door Van den Broecks teksten. Voor Van den Broeck was het verschil heel duidelijk: de rol van de vertaalwetenschapper is beperkt tot het observeren van de vertaler. Zijn rol is bescheiden5. De vertaalwetenschapper komt na de vertaler. Hij staat op de achtergrond. Hij kan maar iets zeggen als de vertaler heeft vertaald. Hij werkt après-coup, nachträglich. De psychoanalytische termen ‘après-coup’ en ‘nachträglich’ gebruik ik om een verbinding te maken met de stellingen van de literatuurwetenschapper Renato Poggioli. In het artikel ‘The Added Artificer’ [De toegevoegde ambachtsman] werpt hij de volgende stelling op: “[…] a psychological theory of translation […] must be a Freudian one.” (Poggioli 1959: 142) Ik weet niet of Van den Broeck die stelling zou bevestigen, maar in ‘Een raam waar een gedicht doorheen kan schijnen’ verwijst hij naar andere stellingen van Poggioli. Die stellingen luiden: “[…] the translator is […] an inhibited artist, […].” (Poggioli 1959: 142)6 en “[…] the translator […] is a poet manqué, […].” (Poggioli 1959: 142)
3
4
5 6
In Diogenes publiceerde Van den Broeck ook ‘Diogenes zal Diogenes blijven’ (1984), ‘Over artistieke transmutaties en andere intersemiotische relaties’ (1984), ‘Over artistieke transmutaties en andere intersemiotische relaties (vervolg)’ (1984), ‘Over sigaren gesproken’ (1986), ‘Brief aan Gupian Gopinathan In memoriam James S Holmes’ (1987), ‘Ernst Jünger over het vertalen’ (1987/1988), ‘Teksten op lezersformaat (1)’ (1989), ‘Teksten op lezersformaat (2)’ (1989), ‘De beste vertaler is Racine en dan komt Laurens Spoor’ (1989), ‘Vertaling in deconstructief perspectief ’ (1991). Van den Broecks inleiding op zijn vertaling van acht gedichten van Berger ‘Het rurale universum van John Berger’ (Van den Broeck 1989b: 15-17) is merkwaardig omdat hij niets over zijn vertaling zegt. Misschien is de rol van de vertaalwetenschapper zoals Van den Broeck die invult te bescheiden. Zou de vertaalwetenschapper geen actievere rol kunnen spelen? ‘Inhibited’, geremd, is een psychoanalytische term.
10
Ik ga nu niet dieper in op Poggioli’s stellingen, maar aan het einde van deze bijdrage zal ik erop terugkomen. Ik keer weer naar het artikel ‘Een raam waar een gedicht doorheen kan schijnen’. De titel van het artikel wordt in het artikel zelf door Holmes verklaard: Er wordt vaak beweerd dat je dichter moet zijn om poëzie te vertalen. Ik zou eerder zeggen: je moet poëzievertaler zijn om poëzie te vertalen. Dat vereist een eigenschap die dichten niet vereist, met name een soort transparantie, dat je een raam kan zijn waardoor een gedicht kan schijnen en wel zo dat het licht zo weinig mogelijk vervormd wordt. Dat beeld is overigens niet van mij maar van Poesjkin. (Van den Broeck 1984: 281) Of het beeld van Poesjkin is, laat ik in het midden. Waarop ik wel wil ingaan, is het beeld zelf. Holmes maakt een onderscheid tussen de dichter en de poëzievertaler. De poëzievertaler verbindt hij met transparantie. De poëzievertaler is een raam. Hij moet zo weinig mogelijk vervormen, zo weinig mogelijk ingrijpen. Opvallend in het beeld is de objectivering, de verdingelijk ing van de vertaler. Hij is een object, een voorwerp. Hij is geen persoon. De verbinding van de vertaler met een voorwerp is bevreemdend. Vertrouwder zijn verbindingen met andere personen: de vertaler is de uitvoerder van een muziekstuk, een acteur, een ambachtsman, een auteur, een bruggenbouwer, een buikspreker, een evenwichtskunstenaar, een fotograaf, een imitator, een lezer, een schaduwloper, een schilder, een slaaf, een verrader …7 Het beeld dat Holmes gebruikt, kan voor verwarring zorgen. Hij heeft het niet over een transparante vertaling, een vertaling waar het origineel doorheen schijnt, een te letterlijke vertaling. Ik geef een voorbeeld van zo’n vertaling. In het Nederlandse zinnetje ‘Ze komt te vertrekken’ schijnt het
7
Ook wordt de vertaler soms verbonden met een dier: een kameleon, een postpaard … In ‘Leren vertalen: creatieve strategie of hazardspel?’ verwijst Van den Broeck naar Poesjkins beeld ‘vertalers zijn de postpaarden van de beschaving’: Hoe gaat d[e] verwisseling van talen in zijn werk? Is het zoiets als gewoon maar andere paarden voor de diligence spannen, zoals Poesjkin beweerde? En wat wordt er nu juist behouden? Is die diligence nog dezelfde als voordien? (Van den Broeck 1998: 89) Van den Broeck vervormt het beeld. De vertaler is niet het paard, maar wel de persoon die andere paarden voor de diligence spant.
11
oorspronkelijke Franse zinnetje ‘Elle vient de partir’ door. Daarover heeft Holmes het dus niet. Hij heeft het over een transparante, doorzichtige vertaler. Hij verduidelijkt het beeld van het raam als volgt: Er is een vreemd plezier mee gemoeid om als vertaler te proberen – in zekere zin een beetje masochistisch – jezelf zo sterk weg te cijferen dat je in je eigen taal een gedicht zo getrouw mogelijk weer kan geven; zo bijvoorbeeld als je denkt dat de oorspronkelijke dichter het zou hebben geschreven als de doeltaal zijn medium was geweest. (Van den Broeck 1984: 281) Opvallend is het gebruik van het woord ‘masochistisch’. De relatie dichter-vertaler krijgt een bijzondere seksuele betekenis8. De vertaler onderwerpt zich aan de dichter en geniet van die onderwerping9. Ik maak Holmes’ standpunt wat concreter en bevattelijker. Als je een gedicht van Jorge Luis Borges in het Nederlands vertaalt, moet je je onderwerpen aan de oorspronkelijke dichter, moet je je afvragen hoe Borges het gedicht in het Nederlands zou hebben geschreven. Een vertaler kruipt in de huid van de oorspronkelijke dichter. Hij ondergaat een ware metamorfose.
2 Van den Broeck en het vertalen van poëzie In het artikel ‘Jorge Luis Borges in de spiegel’ gaat Van den Broeck in tegen het standpunt van Holmes: De vraag hoe Borges zich uitgedrukt zou hebben als hij zich van onze taal had bediend, lijkt me in deze totaal irrelevant. Hoe zou je daar
8 9
Seksualiteit is een van de thema’s in ‘Een raam waar een gedicht doorheen kan schijnen’ (Van den Broeck 1984: 278, 288-291). De verbinding tussen poëzievertaling en masochisme is interessant. Aan de hand van Freuds tekst ‘Das ökonomische Problem des Masochismus’ zou die verbinding kunnen worden uitgewerkt. Freud maakt een onderscheid tussen drie types masochisme: erogeen, feminien en moreel masochisme (Freud 1924: 123). Over de masochist zegt Freud het volgende: […] der Masochist [will] wie ein kleines, hilfloses und abhängiges Kind behandelt werden […], besonders aber wie ein schlimmes Kind. (Freud 1924: 124) / […], der richtige Masochist hält immer seine Wange hin, wo er Aussicht hat, einen Schlag zu bekommen. (Freud 1924: 128)
12
trouwens ooit een zinnig antwoord op kunnen geven zolang er in ons literaire landschap niemand ook maar enigszins op Borges gelijkt? (Van den Broeck 1987: 99) In hetzelfde artikel gebruikt Van den Broeck het beeld van de vervormende spiegel en zegt hij over het vertalen het volgende: Hoezeer de vertaler zijn dichter zelf aan het woord zou willen laten, kan hij toch niet verhinderen dat zijn interpretatie zich als vorm van ongewild commentaar bij diens spreken voegt. Spijtig? Ja zeker! maar een vertaler die zulks niet durft te bekennen verdient alvast enig wantrouwen. (Van den Broeck 1987: 100) Van den Broeck heeft een andere opvatting dan Holmes. De vertaler is geen raam; hij is een vervormende spiegel. Hij zal het oorspronkelijke gedicht vervormen. Dat is onvermijdelijk. De vervorming wordt veroorzaakt door het taalverschil en door de interpretatie die de vertaler aan het gedicht geeft. Zowel het beeld van het raam als dat van de spiegel verwijzen naar een fundamenteel kenmerk van het vertalen: de vertaler probeert ervoor te zorgen dat de vertaling enigszins lijkt op het origineel. Ik zeg ‘enigszins’ omdat ramen en spiegels altijd een vervormende werking hebben. Het meisje dat je door het raam of in de spiegel ziet, is niet perfect identiek aan het meisje in de werkelijkheid. Door het woord ‘vervormend’ aan ‘spiegel’ toe te voegen benadrukt Van den Broeck dat de gelijkenis tussen vertaling en origineel onvermijdelijk beperkingen heeft.
3 Van den Broeck als vertaler Zijn standpunt over het vertalen van poëzie brengt Van den Broeck ook in praktijk. Als vertaler durft hij in te grijpen. In zijn vertaling van Borges’ gedicht ‘Al idioma alemán’ wordt de woordgroep ‘en la lenta noche caminada’ ‘op mijn trage reistocht door de nacht’. In het Spaans zijn het bijvoeglijk naamwoord ‘lenta’ en het voltooid deelwoord ‘caminada’ bepalingen bij ‘noche’. In Van den Broecks versie maakt het ik een trage reistocht. Zijn versie is meer subjectgericht dan het Spaanse origineel. Zou Van den Broeck zijn gestruikeld over de Spaanse woordgroep? Ik weet het niet. Als ik naar de Duitse, Engelse en Franse vertalingen kijk, vallen 13
de verschillen op: in der sacht schreitenden Nacht (in de zacht schrijdende nacht), in the long, slow progress of the night (in de lange, trage voortgang van de nacht), mon parcours devers la lente nuit (mijn weg in de trage nacht). De vertaalverschillen wijzen op het feit dat de woordgroep ‘en la lenta noche caminada’ een struikelblok is. Zijn vertaling van ‘en la lenta noche caminada’ is niet het enige voorbeeld van Van den Broecks ingrepen. Het eerste vers van Borges’ gedicht ‘Mi destino es la lengua castellana’ vertaalt hij als volgt: ‘Het lot beschikte dat ik Castiliaans spreek’. In vergelijking met de Duitse (Mein Schicksal ist die kastilische Sprache), de Engelse (My destiny is in the Spanish language) en de Franse vertaling (Mon destin est la langue castillane) neemt hij het meest afstand van het origineel. Niet alleen als vertaler maar ook als vertaalwetenschapper zal Van den Broeck ongetwijfeld een voorkeur hebben gehad voor de vervormende spiegel. Een gedicht dat de vertaler zo weinig mogelijk heeft vervormd, is niet interessant. De vertaalwetenschapper kan dan alleen maar vaststellen dat er weinig of niets is gebeurd. Voor de vertaalwetenschapper zijn vervormingen de interessantste plekken. De Duitse, Engelse en Franse vertalingen van het eerste en het derde vers uit Borges’ ‘Al idioma alemán’ heb ik al geciteerd. Graag voeg ik de Nederlandse vertaling van Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer toe (Borges 2011: 669). Het eerste vers ‘Mi destino es la lengua castellana’ vertalen ze als volgt: ‘Mij is de Castiliaanse taal beschoren’. Het woord ‘beschoren’ komt misschien een beetje vreemd over, maar als de lezer van de vertaling denkt aan de uitdrukkingen ‘geen lang leven beschoren zijn’ en ‘hetzelfde lot beschoren zijn’, zal hij die woordkeuze kunnen begrijpen. ‘En la lenta noche caminada’ wordt in de vertaling van Van de Pol en Steenmeijer ‘in de trage avond die ik doorwandel’. Zij blijven zeer dicht bij het origineel, veel dichter dan Van den Broecks ‘op mijn trage reistocht door de nacht’.
4 De psyche van de vertaler ‘De vertaler is een raam’, ‘De vertaler is een spiegel’ zijn uitspraken die betrekking hebben op het domein van de psychologie. Een van de vragen die Van den Broeck in ‘Een raam waar een gedicht doorheen kan schijnen’ aan 14
Holmes stelt, gaat over de psyche, de persoonlijkheid van de vertaler. Dit is zijn vraag: “Onderschrijf je soms die stelling van Renato Poggioli waarin de vertaler als een soort gefrustreerde dichter wordt voorgesteld?” (Van den Broeck 1984: 289)10 Holmes geeft het volgende antwoord: Ik zou het niet in die psychologische termen willen uitdrukken … Laat ik liever een eenvoudiger parallel trekken. Neem nu iemand die een goede schrijnwerker is maar die vindt dat hij geen eigen vormen hoeft te gaan ontwerpen, want er zijn zovele mooie vormen die hij na kan maken … Moet je nou in zo iemand per se een gefrustreerde meubel ontwerper zien? Je zou eerder moeten aannemen dat er mensen zijn die zich zonder frustratie in zo’n functie wel kunnen voelen. Er is met name een karaktertrek die je in heel veel vertalers aantreft: iets van het introverte type dat aan deze doorgeeffunctie veel plezier beleeft. (Van den Broeck 1984: 289) Van den Broeck gaat niet in op het antwoord van Holmes. Maar hij zal ongetwijfeld een andere kijk hebben gehad op de doorgeeffunctie van de vertaler. Holmes verbindt het doorgeven met transparantie. Van den Broeck verbindt het doorgeven met vervorming. De vertaler heeft in Van den Broecks opvatting een actievere rol dan in Holmes’ opvatting. Een vertaler doet meer dan namaken.
Verwijzingen Borges, Jorge Luis. 1972. ‘Al idioma alemán’ in El oro de los tigres. Buenos Aires: Emecé. Borges, Jorge Luis. 1976. ‘A la langue allemande’ in L’or des tigres. Paris: Gallimard. [Vert.: Ibarra, Nestor]. Borges, Jorge Luis. 1979. ‘To the German language’ in The Book of Sand. London: Penguin Books. [Vert.: Reid, Alastair].
10 In ‘De paradoxen van het vertalen’ maakt Van den Broeck gebruik van Poggioli’s artikel ‘The Added Artificer’ (Van den Broeck 1968: 187, 188).
15
Borges, Jorge Luis. 1987. ‘Aan de Duitse taal’ in Diogenes 4/2. 114. [Vert.: Van den Broeck, Raymond]. Borges, Jorge Luis. 1993. ‘Aan de Duitse taal’ in Claes, Paul en Denissen, Frans (reds.). Gedicht en omgedicht. Dertig jaar wereldpoëzie in vertaling 19601990. Gent: Poëziecentrum. 98. [Vert.: Van den Broeck, Raymond]. Borges, Jorge Luis. 1994. ‘An die deutsche Sprache’ in Schatten und Tiger. Gedichte 1966 bis 1972. Frankfurt am Main: Fischer Taschenbuchverlag. [Vert.: Haefs, Gisbert]. Borges, Jorge Luis. 2011. ‘Aan de Duitse taal’ in Alle gedichten. Amsterdam: De Bezige Bij. 669. [Vert.: Van de Pol, Barber en Steenmeijer, Maarten]. Freud, Sigmund. 1924. ‘Das ökonomische Problem des Masochismus’ in Internationale Zeitschrift für Psychoanalyse 10/2. 121-133. Poggioli, Renato. 1959. ‘The Added Artificer’ in Brower, Reuben A. (red.). On Translation. Cambridge, Massachusetts: Harvard University Press. 137-147. Segers, Winibert. 2022. ‘Raymond van den Broeck. Un personnage clé de la traductologie’ in État des lieux de la traductologie dans le monde. Paris: Classiques Garnier. 167-174. Van den Broeck, Raymond. 1968. ‘De paradoxen van het vertalen’ in Spiegel der Letteren 10/3. 180-199. Van den Broeck, Raymond. 1984. ‘Een raam waar een gedicht doorheen kan schijnen. Raymond van den Broeck in gesprek met James S Holmes’ in Diogenes 1/6. 277-291. Van den Broeck, Raymond. 1987. ‘Jorge Luis Borges in de spiegel’ in Diogenes 4/2. 97-114. Van den Broeck, Raymond. 1989a. ‘Veertien gedichten van Emily Dickinson’ in Diogenes 6/1. 30- 33. Van den Broek, Raymond. 1989b. ‘Het rurale universum van John Berger’ in Diogenes 6/3. 15-21. Van den Broeck, Raymond. 1998. ‘Leren vertalen: creatieve strategie of hazardspel?’ in Bloemen, Henri, Hulst, Jacqueline, De Jong-Van den Berg, Nelleke, Koster, Cees en Naaijkens, Ton (reds.). De kracht van vertaling – verrijking van taal en cultuur. Utrecht: Platform Vertalen & Vertaalwetenschap.
16
Een literaire tegengift Ton Naaijkens Samenvatting Eind jaren tachtig deed Raymond van den Broeck concreet aan vertaalkritiek, echter niet door een betogend artikel te schrijven: hij leverde commentaar op een vertaling door er een nieuwe en andere vertaling tegenover te zetten. Het ging om door Tjen Pauwels vertaalde gedichten van Emily Dickinson. In deze bijdrage wordt nagegaan wat er te leren valt uit Van den Broecks ‘commentaar’, door hem ‘een literaire tegengift’ genoemd. Raymond van den Broeck praatte en dacht op heel verschillende manieren over vertalen. Dat klinkt misschien als verwijt, maar ik bedoel het positief: het zegt iets over de rijkdom van zijn denkwereld en waarschijnlijk ook iets over zijn ontvankelijkheid voor anderen – voor andere denkbeelden uit welke hoek ook, voor andere leefwerelden en culturen van welke aard ook, voor de boeken en teksten die op zijn pad kwamen. Hij raakte ervan in de ban, werd er enthousiast van – of ook wel eens balorig of boos, meerdere mensen wezen niet voor niets al eens op zijn ‘temperament’. Dat uitte zich ook in schatplichtigheden. Zo zijn er vertaalwetenschappelijke essays van zijn hand die duidelijk zijn bewondering voor en afhankelijkheid van Gideon Toury’s manier van denken blootleggen. Let wel, ik ga hierbij af op wat ik van hem las. Ik heb hem weliswaar in persoon meegemaakt, een korte periode, maar toen had ik vooral oog voor zijn gretigheid, zowel in het vergaren van kennis als bijvoorbeeld bij het vinden van goede eetgelegenheden. Hij was een uitbundige persoon en soms verdrong je prompt het besef hoe enorm belezen hij was. De les die daaruit te trekken valt, is dat expertise en intelligentie niet altijd de voedingsbodem van de ascese nodig hebben.
17
Ik leg mij in dit artikel toe op een zeer beperkt deel van Van den Broecks oeuvre, namelijk op één enkele tekst, een marginale misschien, die hij ‘een literaire tegengift’ noemde: de vertaling van ‘Veertien gedichten van Emily Dickinson’, gepubliceerd in het tijdschrift Diogenes (1989: 30-33) en voorzien van een korte introductie waarin de vertalingen inderdaad ‘tegengift’ worden genoemd. Ik citeer: Het is hoogst ongebruikelijk om, bij wijze van recensie, een literaat naar aanleiding van zijn publicatie met een literaire tegengift van antwoord te dienen. Van de recensent wordt verwacht dat hij van de interpretatie van het werk in discursieve vorm, liefst nuchter betogend, verslag doet en daar een evaluatie aan koppelt; niet dat hij een artistieke – of anderszins artistiek bedoelde – tegenprestatie levert. In het geval van Tjen Pauwels, van wie eind 1988 het boek A Tribute to Mrs. (sic!) Emily Dickinson met honderdennegen door hem zelf vertaalde gedichten uitkwam, wordt de gebruikelijke recensie een probleem. De prestatie die Pauwels met deze vertalingen leverde is immers zo opmerkelijk, dat zijn recensent geen andere keuze rest dan zich ook zelf maar eens even te doen opmerken. Bij voorbaat al verontschuldigt zich de recensent voor deze stoutigheid tegenover een dichteres die ‘zo afkerig was van geldingsdrang, conventies en al wat zweemde naar onechtheid, dat ze zich tenslotte afgrendelde van de buitenwereld.’ (Peter Verstegen) Tjen Pauwels, die onder de veertien volgende gedichtjes er wellicht zes zal herkennen die ook door hem zelf werden vertaald, strekke deze onderneming – hoe bescheiden en onvolmaakt ook – intussen tot lering en vermaak. In 1984 had Tjen Pauwels (1942-2015) in nummer 31 van Deus Ex Machina al een tribuut aan Emily Dickinson gebracht. Deze Pauwels is in Nederland een onbekende; in Vlaanderen heb ik zijn naam herhaaldelijk zien opduiken naast meer bekende namen als bijvoorbeeld die van Frans Denissen, die een boek van hem bezat (Het wassenbeeldenkabinet, 1984), dat hij schonk aan de Utrechtse universiteitsbibliotheek. Een terugkerend epitheton van Pauwels luidt ‘dichter-arbeider’. Hij debuteerde in 1981 met Van koel metaal, hout en teer, inderdaad wel gelabeld als ‘arbeiderspoëzie’; afkomstig van Sint-Niklaas wordt hij ook wel een ‘Wase’ dichter genoemd, wederom een kwalificatie die hem de richting van de marge opduwt. Maar hij was jarenlang de drijvende kracht achter het destijds in Nederland niet verkrijgbare en nauwelijks ge18
lezen tijdschrift Deus Ex Machina en Van den Broeck – maak ik op uit de toon die hij aanslaat – moet Tjen Pauwels ook persoonlijk gekend hebben. Wat Van den Broecks ‘recensie’ in de vorm van 14 vertalingen betreft – want zo wordt het gepresenteerd – is het interessant acht stuks ervan te beschouwen als hommage aan of interesse in Emily Dickinson en tegelijk aan het poëzie vertalen in het algemeen. Het betreft dus in ieder geval een cadeau en compliment aan Pauwels, die hem tot eigen vertaalwerk heeft uitgedaagd. Zes gedichten echter moet je zien als de eigenlijke tégengift, als kritiek, positief dan wel minder positief. Hier zie je iets terug van twee kanten van Van den Broecks persoonlijkheid, het vermogen tot bewondering en de aandrang tot analyse. Maar dit moet ik wel nuanceren: de formulering van het doel van de bijdrage luidt vooral dat zij ‘tot lering en vermaak’ moet strekken van Pauwels zelf – en dat zij dus tegelijk aardigheid is als didactisch, belerend of kritisch van aard. Een tweede constatering is de expliciete formulering van Van den Broeck zelf, waarin hij uitgaat van een strakke scheidslijn tussen het discursieve en het artistieke van wat hij in deze teksten doet. Op die scheidslijn en hoe scherp die in werkelijkheid is wil ik hier nader ingaan. Emily Dickinson is herhaaldelijk vertaald in het Nederlands – door Elly de Waard in 1990 (in de bundel Westers, verschenen bij Kwadraat in Utrecht); door Lucienne Stassaert in 2005 (ik noem een bij P verschenen bundel onder de titel Goedemorgen – Middernacht); door Ans Bouter in 2016 in een tweeluik met Edna St. Vincent Millay, onder de titel Dwars vers, prachtig uitgegeven in eigen beheer. De allereerste die in ons taalgebied op Dickinson wees, was Simon Vestdijk, die een scherp oog had voor vernieuwing. Na hem volgt nog een hele trits vertalers en bemiddelaars: Willem Wilmink, Jan Eijkelboom (in het tijdschrift Maatstaf in 1979), Marko Fondse, Peter Verstegen, Louise van Santen en Christine van Ham in De Tweede Ronde (vanaf 1981). Peter Verstegen ten slotte canoniseert Dickinson vanaf 2005, in 2011 het stelligst in haar Verzamelde gedichten (verschenen bij Van Oorschot). Met die uitgave lijkt de Amerikaanse dichteres definitief bijgezet in het pantheon van de alhier vertaalde poëzie. Er zijn niet veel negentiende-eeuwers wier poëtische werk nog steeds intrigeert. Het zou mooi zijn als iemand al die vertalingen eens uitgebreider met elkaar zou vergelijken, bijvoorbeeld op het punt van de poëtica’s die met elkaar botsen – die van de auteur met die van de vertalers en die van de verschillende vertalers onderling. Vrouwelijke vertalers ontbreken ge19
lukkig niet aan dit specifieke vertaalfront, zoals Mart van der Hiele in 2006 schrijft in zijn artikel ‘Een Bij – zo Bandeloos van Dauw. Emily Dickinson in het Nederlands’ (Liter, jg. 6, p. 31-41). Hij noemt vooral Louise van Santen, die vijf bundels van haar vertaalde. Van der Hiele schrijft een interessante reflectie over Dickinson-vertalingen en overschrijdt daarbij interessant genoeg de grens tussen kritiek en vertaling. Daarmee doet hij iets vergelijkbaars met wat Raymond van den Broeck in 1989 in Diogenes probeerde, zij het dat deze het radicaler aanpakte. Van der Hiele zegt dit (p. 32, 33): Wat ik in dit essay wil laten zien, is hoe de verschillende vertalers (met nadruk zij gewezen op de inclusiviteit van deze aanduiding) geworsteld hebben met haar poëzie, voor zover dat uit het resultaat in vergelijking met het origineel op te maken valt. Ten slotte waag ik me ook zelf aan een vertaling en wel, weinig verrassend, van bovenstaand gedicht – waarbij ik me haast op te merken dat, vergeleken bij Vestdijks versie, zo goed als elke vertaling wel een verbetering is (ook genieën hebben hun bad days, maar anders dan bij gewone stervelingen wordt wat ze op zo’n dag presteren gewoon openbaar gemaakt). Het genoemde gedicht is het befaamde ‘To make a prairie’ (1755): To make a prairie it takes a clover and one bee, One clover, and a bee. And revery. The revery alone will do, If bees are few. Dichters als Simon Vestdijk (1939) en Jan Kuijper (1991) vertaalden het respectievelijk als volgt: “Voor het maken van een weide / Heeft men klaver noodig en bijen, / Eén klaverplantje en één bij – / En droomerij. // Of droomerij alleen, / Wanneer er weinig bijen op de been / Zijn.” En: “Men neme een klavertje en één bij, / Eén klavertje en een bij / En dromerij. // Met dromerij alleen maakt men de weide / Bij schaarste aan bijen.” Bij Van der Hiele gaat het zowel om het produceren van een dichterlijke vertaling als om het schrijven van een tekst die zijn ideeën over het gedicht weerspiegelt. Hier in ieder geval zijn vertaling: Een klaver maakt een weiland met één Bij – Eén klaver en een Bij 20
En Traümerei. Bij weinig of geen – Traümerei alleen? Van belang nu is niet zozeer de vergelijking tussen de vertalingen, maar wel de iele grens tussen vertaling en reflectie die hier de gestalte aanneemt van een feitelijk niet ontwarbare vermenging van vertaling en commentaar. Iets verwants is te zien bij een vertaler als Peter Verstegen die aan vrijwel al zijn vertalingen expliciet commentaar toevoegt: optisch gescheiden weliswaar, maar ook in zijn geval kun je de werkingskracht van beide metahandelingen niet los zien van elkaar. Verstegens commentaar in Dickinsons Verzamelde gedichten van 2011 bijvoorbeeld beslaat de helft van de 862 pagina’s. “In het Commentaar heb ik geprobeerd elementen bijeen te brengen die de afzonderlijke gedichten verduidelijken of achtergrondinformatie verschaffen”, zegt hij (p. 5). Het is bedoeld als commentaar van een andere orde; het zijn situationele toelichtingen, waarin opvallend vaak een koppeling wordt gemaakt met de biografie van de dichteres (“Dit gedicht bracht Emily Dickinson mee toen zij op bezoek kwam bij X.” bijvoorbeeld). In zijn geval zijn de toelichtingen naar verluidt niet bedoeld om in te grijpen in het betoog dat de vertalingen zelf vertegenwoordigen. Maar doen ze dat niet per definitie zodra je de genese van de vertaling van belang vindt? Of ze inderdaad zo neutraal zijn en louter aanvullend, is in Verstegens geval een vraag die hier niet beantwoord kan worden. Maar er is wel een verband met wat Raymond van den Broeck in Diogenes beoogt, en een stuk radicaler bovendien. Bij Van den Broeck is het duidelijk dat het eigenlijke commentaar ontbreekt, zij het dat hij in zijn inleiding wel degelijk het woord ‘lering’ gebruikt: er zit met andere woorden commentaar in de vertalingen zelf, de kritiek of de lof zijn er in meegebakken. Hoe nu achterhaal je wat de recensent-vertaler-criticus-wetenschapper vindt van wat hij doet? Van het confronteren van de ene mening (en vertaling) met de andere mening (en vertaling)? De methode ligt voor de hand: via vergelijking. Dat is overigens niet alleen vertaalwetenschappelijk gezien evident, maar ook literatuur- dan wel cultuurwetenschappelijk: vergelijking onthult behalve de vergeleken eenheden immers ook de positie van de vergelijker en beschouwer. Waarom je dit zou doen is een goede tweede vraag. Hier is dat eenvoudig: ik wil weten wat Van den Broeck eigenlijk beoogde. Het is uiteraard van een grotere relevantie als daarmee ook iets algemeners aangetoond of liever: aangestipt 21