Maar hij leek het moeilijk te vinden. Nu de toepassing nog, dan was de preek afgelopen. „Dan zullen we altijd bij de HEERE zijn. Amen.” „Amen”, zei de man weer. Hij wilde gaan staan, maar Mara zei wat tegen hem. Na de zegenbede stond hij op, deed zijn rugtas om en nam zijn fles. „Dat oude mannetje kan goed preken”, zei hij zacht. Mara lachte vriendelijk tegen hem, boog zich toen naar haar toe. „Mama, is het goed dat deze meneer met ons meegaat koffiedrinken?” „Wat zullen we doen?” overlegde ze met Ralph. Ze waren niet gewend om ’s zondags op visite te gaan of visite te ontvangen. Het ging zo snel over andere zaken dan waar de zondag voor bedoeld was. Maar het zou wel fijn zijn als de man een poosje meeging. Hij had zo aandachtig zitten luisteren. Misschien had hij vragen of wilde hij napraten. „Doe maar”, zei Ralph. Het is goed, knikte ze. Mara vroeg het aan de man en die knikte enthousiast dat hij dat wel wilde. Druk pratend liep hij even later naast zijn fiets met Mara voor hen uit naar hun huis. Waar zou hij het over hebben? „Dag mevrouw. Mooi dat ik mee mag komen. Ik ben Fred”, zei hij, toen ze binnen waren. Hij noemde geen achternaam. „Ja, ik ben Rebecca”, zei ze. „Gaat u maar naar de kamer. Wat wilt u drinken, koffie of thee?” „Nou, dat is aardig. Koffie graag.” „U mag uw jas wel uitdoen. Anders hebt u er straks niets aan” „Dat is inderdaad beter.” Hij gaf de jas aan Mara. Die hing hem aan de kapstok.
Diepzinnige discussie Ralph ging met de man naar de kamer. Even later hadden ze een diepzinnige discussie. „Uw koffie wordt koud”, zei ze. „Dat is zo, maar... ik vind dit alles zo... ik weet niet hoe ik dit moet zeggen... indrukwekkend, zeg maar.” Hij nam een slok van zijn koffie en praatte toen weer met Ralph verder. Het werd etenstijd, maar de man was er nog steeds. Hij had zoveel vragen. Hij kon ook best blijven eten. „Blijft u gezellig bij ons eten?” „Nee, dat is te erg.” „Dat kunt u gerust doen”, zei Ralph. En dus bleef de man. Ook aan tafel had hij een heel aantal vragen. Hij at niet veel, maar wilde van alles weten over de Bijbel. Ralph las na het eten psalm 25. „Die hebben we in de kerk ook gezongen”, zei hij. Hij vertelde iets over de inhoud. „Dat kunt u goed uitleggen, zeg. Alles trouwens”, zei de man. „Nou, dat valt nogal mee.” „Ik vind van wel”, zei de man. Daarna ging Ralph danken. Hij bad ook voor de man. „Dank u wel”, zei de man toen Ralph nauwelijks „Amen” had gezegd. „Mooi dat u ook voor mij bidt. Voor zo’n heiden als ik ben.” „We zijn allemaal heidenen van nature, van God vervreemd. We moeten allemaal een hart krijgen dat Hem vreest.” Ralph legde
het uit. „We zouden nog uren samen kunnen praten”, zei de man, „maar ik moet nu gaan.” Hij zei het waarschijnlijk uit fatsoen, want hij scheen niet veel zin in vertrekken te hebben. „Wij gaan zingen”, zei Mara. „U mag ook wel meedoen.” „Dat lijkt me mooi. Maar dat is toch te erg? Ik ben er al zo lang.” Mara keek haar aan. „Dat geeft niets”, zei Rebecca. „Ik ruim de tafel af en dan kom ik.”
Vaste Rots Even later ging ze achter het orgel zitten. „U mag als eerste een vers opgeven. Hij wist geen psalm, wel een vers, maar dat kende zij niet en kon ze niet spelen. Ralph koos ”Opent Uwe mond” en Mara ”U alleen, U loven wij”. Mara had de man een psalmboekje gegeven en hij probeerde mee te zingen. „Kent u het vers ”Vaste Rots van mijn behoud”?” vroeg Mara. „Ja, die
„Ik zal deze zondag niet snel vergeten, ik merk dat het geloof hier leeft” ken ik.” „Die zingen we altijd als laatste. Dat zullen we nu ook doen”, zei Mara. „Vaste Rots van mijn behoud, Als de zonde mij benauwt.” Hij kende het eerste vers een beetje. Bij de andere drie verzen hoorde ze alleen Ralph en Mara zingen. Zelf zong ze ook mee. „Rots der eeuwen in Uw schoot. Berg mijn ziele voor de dood.” „Prachtig! Prachtig!” zei de man toen ze ophielden met zingen en zij achter het orgel vandaan kwam. Hij had tranen in zijn ogen. „Heel mooi dat ik hier mocht zijn. Nu ga ik weer.” Hij liep naar de kapstok en pakte zijn jas. „Wij vonden het ook fijn dat u er was”, zei Mara. „We hopen dat u nog eens komt. Dan kunt u ook weer mee naar de kerk gaan.” „Wie weet”, zei de man. „Ik zal deze zondag niet snel vergeten, ik merk dat het geloof hier leeft. Bedankt voor alles. Voor uw uitleg over de zondagsrust en voor de hartelijke ontvangst.” „Graag gedaan en het allerbeste toegewenst”, zei zij. „Daar verstaat u iets anders onder dan ik, vermoed ik”, zei de man. „Maar het zou inderdaad weleens het beste kunnen zijn.” Hij liep naar buiten en stapte op zijn fiets. Hij stak zijn hand hoog op als groet toen hij langs het huis reed. Mara zwaaide hem na en zei: „Ik hoop dat hij het belangrijkste, wat hij uit Gods Woord gehoord heeft, niet vergeet.”
15