Skip to main content

Vergeet me niet - Tessa Duncan

Page 1


Tessa Duncan Vergeet me niet

Vera

Een straat in Canterbury April 2018, acht maanden eerder

Het getoeter van de auto achter me rukt me uit de herinnering aan mijn zojuist behaalde succes. Ik werp een boze blik in de achteruitkijkspiegel. Een bebaarde vent in een donkergrijze suv zwaait wild met zijn armen.

Nijdig trap ik op het gaspedaal. Het gaat hier voor het stoplicht, dat het verkeer moet regelen dat vanwege wegwerkzaamheden over één baan wordt geleid, toch al in een slakkentempo vooruit. Idioot, denk ik, als de suv-chauffeur opnieuw toetert. Wat wil hij nou, dat ik bij mijn voorganger achterin rijd?

Er kunnen sowieso telkens maar hooguit tien auto’s langs voordat het verkeer weer tot stilstand komt. Het stoplicht is vanaf hier nog niet eens te zien. Het zal hoe dan ook dus nog wel een tijdje duren voordat ik erdoorheen ben.

Opnieuw laat ik de beelden van de vergadering, die een half uur geleden afgesloten werd, in gedachten aan me voorbijgaan. ‘Uw presentatie was zeer overtuigend, mevrouw Osmond,’ zei de eigenaar van de drankfirma me persoonlijk. Maar hij wilde zich nog niet vastleggen. ‘U zult begrijpen dat we ook nog een tweede presentatie willen bekijken, voordat we definitief besluiten aan wie we de reclamecampagne uitbesteden. Maar u maakt een goede kans,’ fluisterde hij me nog toe, toen hij bij het afscheid de deur van de vergaderruimte voor me openhield.

Ik luister naar mijn intuïtie, terwijl de rij auto’s voor en achter mij tergend langzaam vooruit beweegt. Ook ik heb er een goed gevoel over. Al die overuren, en ten slotte nog het hele weekend doorwerken, hebben zich geloond.

De uitwerking van de reclamecampagne voor het nieuwe energydrankje van deze gerenommeerde firma is mijn eerste opdracht als leidinggevend marketingmanager bij het reclamebureau, waarvoor ik inmiddels meer dan vijf jaar werk. Pas twee maanden geleden ben ik gepromoveerd. Opnieuw zie ik in gedachten de gezichten van mijn vijfkoppige publiek voor me. Bij bijna iedereen zag ik die verraderlijke glinstering in de ogen, veroorzaakt door een slecht verborgen enthousiasme. En dan dat lang aanhoudende getrommel op de vergadertafel, na afloop van mijn presentatie.

Slechts één iemand, uitgerekend de enige vrouw, zat nogal zuur voor zich uit te kijken en wist slechts met moeite een glimlachje tevoorschijn toveren. De herinnering doet me grijnzen. Ik weet namelijk dat de man met wie ze momenteel een relatie heeft deze opdracht ook graag wil hebben. Hij was vlak voor mij aan de beurt met zijn presentatie.

Dus ze weet dat ik beter was. Ik glimlach triomfantelijk in mezelf, terwijl de file opnieuw in beweging komt. De straat maakt een bocht.

Plotseling stopt de auto voor mij. Op het laatste moment trap ik op de rem, om op slechts een paar centimeter afstand van mijn voorganger tot stilstand te komen. Verdorie, wat is er aan de hand? In de verte zie ik eindelijk het stoplicht. Het staat nog op groen.

Pas dan zie ik de twee kinderen die op hun fiets tussen de auto’s door geslingerd zijn en net het trottoir aan de linkerkant bereiken. De weg loopt dwars door een park. Aan de rechterkant bevindt zich een speeltuintje.

Hoe halen ze het in hun hoofd, denk ik geërgerd, als de eikel achter me alweer begint te toeteren. Deze keer steek ik mijn middelvinger op voordat ik gas geef. Een blik op de speeltuin leert me dat die nu

gelukkig leeg is. Er zijn dus geen nieuwe roekeloze kinderen te verwachten.

Langzaam rijd ik langs een zilverkleurige glijbaan, meerdere speeltoestellen, twee grote zandbakken en een klimrek. Inmiddels is het gaan miezeren.

Aan de linkerkant van de weg komt me een vrouw achter een kinderwagen tegemoet. Ze houdt haar hoofd gebogen, dat bijna helemaal verscholen gaat onder de capuchon van haar parka. Een doorzichtige plastic hoes beschermt het kindje in de wagen. Naast haar sjokt een grote bruine hond, eveneens met gebogen kop.

Ik doe net de ruitenwissers aan, als ik het voor het eerst voel. Mijn hartslag versnelt, mijn keel wordt dichtgeknepen. Ik krijg het afwisselend heet en koud. O, nee! Niet alweer!, schiet er door mijn hoofd. De afgelopen paar weken heb ik al vaker dat soort aanvallen gehad. Elke keer word ik er vanuit het niets door overvallen.

Rustig blijven! Diep blijven doorademen, ik probeer de instructies die mijn huisarts me heeft gegeven voor deze situatie te herhalen. Maar het heeft geen nut. Ik krijg amper nog lucht. Paniekerig werp ik een blik op de passagiersstoel naast me. Shit! Mijn handtas ligt op de achterbank. Net buiten bereik.

Ik voel dat het bloed naar mijn hoofd stijgt. Net als ik mijn gordel wil losmaken om de benzo’s uit mijn tas te pakken, gaat de auto voor me weer rijden. Omdat ik niet meteen aansluit, besluit de suv-chauffeur zijn claxon nu gewoon ingedrukt te houden. Het doordringende geluid maakt me duizelig en misselijk.

Nog meer auto’s beginnen te toeteren. Vaag zie ik dat de afstand tussen mij en de auto voor me inmiddels al minstens vijftien meter bedraagt. Ik doe mijn alarmlichten aan en blijf staan, sluit mijn ogen en probeer te kalmeren, om zo mijn razende hartslag weer wat onder controle te krijgen.

Maar helaas! Het zweet breekt me overal uit. Met mijn laatste krachten open ik het portier en wil uitstappen. Maar mijn benen weigeren. Machteloos zak ik terug op mijn stoel. Keel en neus lijken ver-

stopt. Ergens hoor ik het geluid van spelende kinderen. Het lawaai dreunt mee met het ritme van de razende hartslag in mijn oren.

Rode sterretjes dansen voor mijn gesloten ogen. Ik stik! Vertwijfeld hap ik naar lucht.

Tok, tok, tok! Het harde geklop op het raampje dringt maar langzaam door tot mijn bewustzijn. Met moeite doe ik mijn ogen open. Op dat moment wordt het portier al opengerukt. Als door een mist zie ik het bebaarde gezicht van de suv-chauffeur. Hij kijkt niet langer boos, eerder bezorgd.

‘Voelt u zich niet goed?’

Ik knik. Spreken lukt niet.

‘Ga maar even aan de kant!’

Ik heb geen idee wat de man van me wil. Maar dan duwt hij me al op de passagiersstoel. Met mijn rechterbeen blijf ik achter de versnellingspook haken. De naad van de nauwe rok van mijn mantelpak knapt open en mijn Wolford-panty scheurt. Bijna dertig pond kostte die en ik heb hem vandaag pas voor het eerst aan.

Half buiten bewustzijn merk ik dat de man mijn Mini het trottoir op rijdt. Dan stapt hij uit en zet zijn eigen suv erachter. Ondertussen kijkt ook het bezorgde gezicht van een vrouw door het raampje aan de passagierskant, waarachter ik in elkaar gedoken zit. ‘Hebt u hulp nodig? Moet ik een ambulance laten komen?’

Met mijn laatste kracht schud ik mijn hoofd. ‘Mijn tas!’ zeg ik moeizaam hijgend.

Gelukkig begrijpt de vrouw me. Ze grijpt naar mijn handtas op de achterbank en trekt de ritssluiting open. Meteen vindt ze het doosje met de diazepam. Ze overhandigt me de strip.

Met trillende vingers druk ik er een tablet uit.

‘Hebt u iets te drinken?’

Voordat ik mijn hoofd kan schudden, overhandigt de suv-chauffeur me al een flesje water door het geopende portier. Dankbaar pak ik het aan en wurg de pil naar binnen. ‘Nu… Nu zal het zo wel weer gaan!’ kras ik.

De man en de vrouw lijken niet overtuigd. Maar mijn hartslag wordt alweer rustiger. ‘Moet ik echt geen ambulance bellen?’ herhaalt de vrouw.

‘Nee!’ protesteer ik. ‘Is zo weer voorbij. Een ambulance zou het verkeer hier helemaal tot stilstand brengen.’ Mijn stem klinkt alweer wat helderder.

Mijn argument overtuigt de suv-chauffeur. ‘Daar hebt u gelijk in!’ beaamt hij. Zijn gezichtsuitdrukking wordt weer grimmig. ‘Maar als u last hebt van dit soort aanvallen, zou u eigenlijk niet achter het stuur mogen zitten.’

Ik knik moeizaam en probeer te glimlachen. De kinderstemmen vanuit het speeltuintje ebben weg. Ik kan weer doorademen.

De man wenst me beterschap, voordat hij weer in zijn eigen auto plaatsneemt en langzaam langs me heen rijdt. De vrouw, wier vw Golf de rijbaan deels blokkeert, werpt me een laatste bezorgde blik toe en wendt zich dan ook af.

Beetje bij beetje begint mijn hartslag zich weer te normaliseren. Ik adem de door uitlaatgassen vervuilde lucht die door het geopende raampje dringt in alsof het een heerlijk briesje is. Het gevoel in mijn verdoofde handen keert terug als de diazepam begint te werken.

Voor de zekerheid blijf ik nog een kwartiertje zitten voordat ik weer op de chauffeursstoel schuif, de alarmlichten uitdoe en aangeef dat ik weer wil invoegen in de rij auto’s. Twee auto’s rijden langs me heen, de derde laat me ertussen.

Ik ben eindelijk langs het stoplicht als ik iets bedenk.

Waar kwam dat geluid van spelende kinderen eigenlijk vandaan? Het speeltuintje was helemaal verlaten!

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Vergeet me niet - Tessa Duncan by Xander Uitgevers - Issuu