Skip to main content

Een wonderlijk klein leven - Elizabeth Berg

Page 1


Beste Ruth Eimers,

Mijn naam is Teresa McNair en ik ben een buurvrouw en vriendin van Florence Greene. Ik schrijf u met het droevige nieuws dat Florence twee dagen geleden, op de ochtend van 1 juli, is overleden. Ik vond haar zittend aan haar keukentafel, gekleed in een tweed pak, nylonkousen en hakken, en ze had flink wat rouge op haar wangen aangebracht. Ze had ook een hoed en handschoenen op de tafel naast haar tas liggen. De ambulancemedewerker zei dat het leek alsof ze van plan was ergens heen te gaan.

Ik heb Flo niet zo lang geleden ontmoet toen ze me hielp mijn weggelopen kat te vangen, en we raakten al snel bevriend. Ik vond haar charmant, rechtdoorzee, vrolijk en vol van wat ik alleen maar eenvoudige gratie kan noemen. Ik zeg ‘eenvoudig’, maar daarmee bedoel ik niet een gratie zonder diepgang. Ik wil het hiermee onderscheiden van een manier van doen die misschien wat verheven of zelfbewust overkomt. De gratie die ik bij Flo zag, leek niet iets te zijn waar ze naar streefde, maar eerder een natuurlijk onderdeel van haar. Hoe moeilijk de wereld soms ook kan zijn voor de meeste mensen, Flo leek er een onveranderlijke liefde en waardering voor te hebben. Ze ontkende de tegenslagen van het leven niet, maar koos ervoor zich te richten op de mooie kanten. Ze bezat ook een zekere argeloosheid en een gulle aard die weinig ruimte lieten voor zelfzucht.

Zoals u wellicht weet, was bij Flo een vorm van kanker vastgesteld waarvoor geen genezing bestaat, dus in die zin was ze zeker gekleed alsof ze van plan was ‘ergens heen te gaan’. Haar houding ten opzichte van het einde van haar leven was filosofisch. Ik denk dat ze er eerder nieuwsgierig naar was dan dat ze er bang voor was of erom rouwde. (Hoewel ze wel ooit zei dat ze een goed stuk appeltaart, gemaakt door iemand die niet zuinig was met de kaneel, zou missen, en het geluid van spelende kinderen, vooral als ze dachten dat er geen volwassenen in de buurt waren.)

Flo vertelde me dat ze haar huis en de volledige inboedel aan u zou nalaten – haar advocaat zal nog contact met u opnemen –en dat ze de bijgevoegde brief zou schrijven om u meer te vertellen over een aantal spullen in haar huis. Ze zei dat ze ook een aantal dingen over haar leven wilde delen, dingen waarvan ze dacht dat het belangrijk was dat u ze wist, en vroeg of ik, als ze de brief nog niet had opgestuurd voordat ze overleed, dat voor haar zou willen doen.

De brief is nogal lang, zoals u ziet, en ik vond het niet gepast om hem te lezen. Als u na het lezen ervan vragen hebt, zal ik mijn best doen om die te beantwoorden.

Ik weet niet of Florence dit in haar brief vermeldt, maar ik ben een levenseindedoula. In mijn werk probeer ik mensen in onzekere tijden een stabiele en constante aanwezigheid te bieden en hen te helpen bij de overgang van leven naar dood op een zo vredig en bewust mogelijke manier. Soms willen mensen hulp bij het verduidelijken van medische documenten, of iemand die als tussenpersoon kan optreden in gesprekken met artsen of familieleden. Soms word ik gevraagd om gewoon in stilte bij cliënten te zijn, om getuige te zijn. Ik kan en wil niet alle leed wegnemen, maar ik hoop het in elk geval te verlichten. Daarnaast

probeer ik cliënten te leren open te staan voor nieuwe mogelijkheden en perspectieven – juist aan het einde van hun leven – en te laten begrijpen hoeveel er in een korte tijd nog geleefd kan worden en dat het nooit te laat is voor belangrijke inzichten. Tijdens mijn tijd met Flo was ik echter de leerling, en ik overdrijf niet als ik zeg dat zij mijn leven heeft veranderd.

Ik zal u nu Flo’s brief laten lezen. Ook ik heb meer geschreven dan ik van plan was. Maar dat was typisch Flo: ze liet je zien hoe waardevol het is om het rustig aan te doen. De dichter Dorianne Laux zei ooit: ‘Elk goed gedicht vraagt je simpelweg om de tijd te nemen.’ In dat opzicht was Flo net een gedicht.

Ik hoop dat de woorden die ze u heeft gestuurd de pijn van haar afscheid zullen verzachten. Ik geloof dat ze niets liever zou willen. Mijn oprechte condoleances.

Met vriendelijke groet, Teresa McNair

Twee maanden eerder

Florence Greene komt langzaam overeind en blijft nog even op de rand van het bed zitten om naar de heldere zonnestralen te kijken, die onder het gordijn vandaan komen. Weer een dag. Wat een rijkdom!

Ze loopt naar het raam en rolt het gordijn omhoog om naar haar kleine, nette voortuin te kijken, naar haar witte hek vol gekleurde viooltjes. Zijn ze niet prachtig, denkt ze. Een verfdoos van bloemblaadjes. Een jonge vrouw jogt door de straat, gekleed in een korte broek, een mouwloos T-shirt en een baseballpet. Haar paardenstaart komt uit een gat aan de achterkant van de pet en zwaait als een metronoom heen en weer. Ze heeft van die witte oordopjes in, waarvan Flo vindt dat ze mensen er als buitenaardse wezens uit laten zien. Drie huizen verderop stapt een vrouw die Flo weleens heeft gezien, maar nooit heeft gesproken, door haar voordeur naar buiten. Flo weet haar naam niet eens. Ze oogt rond de vijftig en de uitdrukking op haar gezicht is altijd ernstig en een tikkeltje verdrietig, een beetje zoals dat van een kind dat berispt is en heeft gezworen om datgene waarop hij betrapt werd nooit meer te doen. Ze loopt snel naar haar auto, die aan de kant van de weg geparkeerd staat, een grote weekendtas over haar schouder. Flo heeft weleens gehoord van stylisten die bij mensen langsgaan om hun haar te doen, misschien is zij er wel een. Vroeger kende Flo al haar buren, maar de buurt is veranderd en de meeste mensen houden zich afzijdig. Als je ’s avonds door hun ramen kijkt, zie je vooral tv-schermen, die zo groot zijn dat ze Flo aan drive-inbioscopen doen denken.

Nou, tijd om de dag te beginnen. Ze trekt een blauwe jurk en sneakers aan, wast zich in de badkamer op de overloop en gaat naar beneden, naar de keuken, waar ze genoeg koffie afmeet voor vier kopjes. Terwijl de koffie pruttelt, gaat ze zitten aan het kleine ronde tafeltje waar ze gisteravond een niet eerder geopend doosje briefpapier met een bloemenprint en een blauwe balpen heeft neergelegd. Nadat ze haar rozijnenbrood heeft gegeten en een kop koffie heeft ingeschonken, begint ze. Ze wil Ruthie schrijven. Als kind was Ruthie Flo’s buurmeisje, en zelfs nadat Ruthie was getrouwd en verhuisd, hadden ze contact gehouden. Ze schrijven elkaar niet vaak, maar ze zijn altijd open en eerlijk. Zelfs toen Ruthie een klein meisje was, had ze het niet graag over koetjes en kalfjes. Op twaalfjarige leeftijd had ze aan Flo gevraagd: ‘Leggen wij onze zielen bloot aan elkaar?’

‘Ik vind van wel,’ had Flo geantwoord. ‘Goed,’ zei Ruthie. ‘Want ik ga je later een aantal belangrijke dingen vertellen.’ Ze stak een vinger in de lucht. ‘Belangrijk met een hoofdletter B.’

Nu denkt Flo dat ze Ruthie een aantal Belangrijke Dingen te vertellen heeft. De vraag is alleen waar ze moet beginnen. Flo ziet plotseling voor zich hoe ze op een hete zomerdag, jaren geleden, achteruit de keuken in kwam, met haar armen vol bloemen en tomaten uit de tuin. Daar was ze dan, terwijl ze haar achterste door de hordeur naar binnen duwde. Haar man Terrence zat aan tafel met zijn krant en een kop koffie en bekeek haar. ‘Waarom probeer je niet eens naar binnen te komen door vóóruit te lopen?’ had hij gevraagd.

En zij had geantwoord: ‘Zo heb ik het altijd gedaan.’ Goed dan.

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook