

Proloog
New York 2013
‘Ze komen weer,’ zegt Cookie met gedempte stem. ‘Op de deuren kloppen en vragen stellen.’ Ik geef geen antwoord, maar ik knik terwijl ik mijn keel voel dichtknijpen.
Ik neem plaats op de versleten gebloemde stoel en buig mijn hoofd naar achteren om naar het plafond te kijken, waar de stuuk in golven en punten is opgeklopt als schuimende meringue. Wie de tegel ‘Oost west, thuis best’ heeft verzonnen, heeft nooit dit bejaardentehuis in Westchester vanbinnen gezien. Honderdveertig konijnenhokken verdeeld over tien verdiepingen, elk hok vijfenvijftig vierkante meter in L-vorm, in elkaar gepast als een gigantische honingraat waar overal de geur van venkel hangt.
Ondanks mijn bezwaren tegen de monotone stijl is het geen heel slechte plek om te vertoeven. Het eten is vers, zij het een tikje fantasieloos, met royale porties groente en fruit die ik na zoveel jaar nog altijd niet als vanzelfsprekend beschouw. Er is een tuin met een fontein en wandelpaden tussen fraaie groene gazons. En het personeel, dat misschien beter wordt betaald dan anderen die dit soort vuil, veeleisend werk moeten doen, is geduldig en niet onaardig.
Zo ook de witharige vrouw die net klaar is met het dweilen van de keukenvloer en de emmer in de badkuip omspoelt. ‘Dank je, Cookie,’ zeg ik vanuit mijn stoel bij het raam als ze de kraan dichtdraait en de kuip droog veegt. Eigenlijk zou zij in een tehuis als dit moeten zitten, waar iemand voor haar zorgt in plaats van dat ze voor mij moet poetsen.
Ze komt dichterbij en wijst naar mijn stevige bruine schoenen naast het bed. ‘Gaat u vandaag wandelen?’ ‘Ja.’
Cookie werpt een snelle blik door het raam. De grijze novemberhemel kleurt nog donkerder door een dreigende onweersbui, die vast en zeker zal losbarsten. Ik loop vrijwel elke dag het pad helemaal af, tot een van de medewerkers me komt ophalen en mee terug neemt. Schuifelend onder het tijdloze wolkendek vervaagt het geraas op de snelweg en het geluid van vliegtuigen in de lucht. Dan ben ik niet langer kromgebogen en slecht ter been, maar een jonge vrouw die kloek door het bos banjert, omringd door degenen die ooit met me meeliepen.
En ik hou dat paar schoenen te allen tijde paraat bij mijn bed, ook als ik vanwege sneeuwval of een regenbui binnen moet blijven. Sommige gewoontes leer je niet af. Ik begin snel ergens anders over. ‘Hoe gaat het met Louis?’
Cookie spert haar ogen wijd open als ik naar haar twaalfjarige kleinzoon vraag. De meeste bewoners van het tehuis verwaardigen zich niet eens de namen van het frequent wisselende personeel te onthouden, laat staan van hun familieleden. Ze glimlacht met trots. Als ze een hand tegen haar borst drukt, kletteren de armbanden als oude beenderen om haar pols. ‘Hij heeft opnieuw een eervolle vermelding op school gekregen. Ik wilde hem zo gaan ophalen, als u niets anders nodig heeft…’
Als ze weg is, kijk ik om me heen naar de saaie witte muren, de luxaflex die elk jaar een tintje geler wordt. Het is niet slecht, maar ook niet mijn thuis. Thuis is de woning aan Park Slope, opgetrokken uit bruine bakstenen, die ik had gekocht voor de wijk trendy werd. Er zaten interessante barsten in het plafond en onze slaapkamer was zo krap, dat ik met mijn vingertoppen de muren kon raken als ik mijn armen uitstrekte. Maar er waren ook trappen, smalle, steile trappen, en toen ik ze met mijn oudevrouwenheupen niet langer kon beklimmen, wist ik dat het tijd was om
te verkassen. Kari en Scott vroegen of ik bij hen wilde intrekken, ze hadden er in Chappaque beslist de ruimte voor. Maar ik bedankte voor de eer – zelfs een plek als deze is beter dan een ander tot last zijn.
Ik kijk naar de parkeerplaats met de rij winkels die voor de helft leegstaan nu de recessie heeft toegeslagen, en vraag me af hoe ik de rest van de dag moet doorkomen. Mijn jeugd was in een fractie van een seconde voorbij, maar hier lijkt de tijd te kruipen en moet ik de uren zien te vullen. Er worden activiteiten georganiseerd voor de liefhebbers, zoals breien, een cursus Jiddisch, aquajoggen en uitstapjes naar voorstellingen. Maar ik ben liever op mezelf. Vroeger vond ik het al nooit erg om de stilte om me heen te hebben.
Een druppel, en dan nog een, lekt uit de kraan in de keuken die Cookie niet helemaal dicht heeft kunnen draaien. Ik sta moeizaam op, licht grommend door de doffe pijnscheut in mijn bovenbeen. De wond van meer dan een halve eeuw geleden is nooit goed geheeld. De pijn is erger nu de dagen korter en kouder zijn.
Buiten klinkt een sirene en het geloei komt dichterbij. Ze komen voor iemand hier in het tehuis. Ik huiver even. Niet dat ik bang ben voor de dood, ooit zijn we allemaal aan de beurt. Maar het kabaal voert me terug naar een andere periode, waarin een sirene groot gevaar betekende en we als de wiedeweerga ons hachje moesten zien te redden.
Als ik de kamer doorkruis, vang ik een glimp op van mezelf in de spiegel. Mijn haar is uitgedund tot een korte krullenkop. Alle vrouwen van mijn leeftijd lijken zo’n vlassige witte footballhelm te hebben. Ruth zou zich verzet hebben, dat weet ik zeker, en lang en golvend haar hebben gehouden. Ik moet even grinniken. Ze was altijd bezig met haar uiterlijk. Ik niet, en nu al helemaal niet, nu ik prima in mijn vel zit, veel beter dan vroeger, alsof ik ben bevrijd van een verwachting waaraan ik nooit had kunnen voldoen. Ooit voelde ik me mooi. Mijn blik dwaalt af naar de eenzame foto op de
vensterbank van een jongeman in een gesteven legeruniform. Hij heeft donker haar en een ernstige blik. Het is de enige foto die ik uit die tijd heb. Maar de gezichten van de anderen kan ik me haarscherp voor de geest halen, alsof ik hen gisteren nog heb gezien.
Mijn gedachten worden onderbroken door een klopje op de deur. De staf heeft een sleutel, maar om de schijn op te houden dat ze ons laatste restje autonomie respecteren, lopen ze nooit zomaar naar binnen. Ik verwacht niemand, en het is nog te vroeg voor de lunch. Misschien is Cookie iets vergeten.
Ik loop naar de deur en kijk door het spionnetje, een andere gewoonte die ik nooit ben kwijtgeraakt. Er staat een jonge vrouw voor de deur met een politieagent in uniform. Ik krijg een knoop in mijn maag. Ooit betekende de politie niets anders dan problemen. Maar hier kunnen ze me niets maken. Zouden ze soms slecht nieuws komen brengen? Ik doe de deur op een kier.
‘Wat wilt u?’
‘Bent u Mrs. Nowak?’ vraagt de agent.
De naam komt aan als een pets met een koude lap in mijn gezicht. ‘Nee,’ roep ik meteen.
‘Uw meisjesnaam was toch Nowak?’ vraagt de jonge vrouw op vriendelijke toon. Ik probeer haar leeftijd in te schatten. Haar trendy duifgrijze paardenstaart is jeugdig, maar de kraaienpootjes bij haar ogen tonen de jaren. Ze heeft een waakzaamheid die ik van mezelf herken, een omfloerste blik die erop wijst dat ze verdriet heeft gekend.
‘Ja,’ zeg ik ten slotte. Er is geen reden om mezelf te verbergen, ze kunnen niets meer van me afpakken.
‘En bent u afkomstig uit een dorp in het zuiden van Polen, genaamd… Biekowice?’
‘Biekowice,’ herhaal ik, en ik corrigeer automatisch haar uitspraak, met de hoorbare korte e aan het eind. De naam is mij net zo bekend als die van mezelf, al heb ik hem in geen tientallen jaren meer uitgesproken.
Ik speur op haar effen marineblauwe broekpak naar een aanwijzing voor haar beroep, waarom ze me vraagt naar een dorp aan de andere kant van de wereld dat bijna niemand kent. Maar mensen kleden zich niet meer naar hun professie, artsen dragen geen witte jassen meer. Wie een beroep uitoefent, kiest voor een zakelijk en comfortabel tenue. Is ze misschien een schrijver of een van de filmmakers over wie Cookie het eerder had? Documentairemakers en journalisten zijn geen ongewone verschijning in de lobby of op de gangen. Ze komen voor de verhalen, wroeten in ons geheugen als ratten in een afvalberg, speurend naar flinters van restjes voor de regen alles zal hebben weggespoeld. Er is daarentegen nog nooit iemand voor mij gekomen, en ik heb me er ook nooit voor opgegeven. Ze weten eenvoudigweg niet van mijn bestaan af. Mijn verhaal is geen verhaal van getto’s en kampen, maar van een klein dorp in de heuvels en een kapel in de duisternis van de nacht. Ik zou het misschien moeten opschrijven. De jongeren zullen het zich niet herinneren, en als ik er niet meer ben, is er niemand anders meer. De geschiedenis en zij die de geschiedenis beleefden, zullen vervliegen in de wind. Maar ik kan het niet. Niet dat mijn herinneringen te pijnlijk zijn – ik herbeleef ze elke avond, als een eeuwige film in mijn hoofd. Ik kan alleen niet de juiste woorden vinden om recht te doen aan de mensen die erbij waren en de dingen die met ons zijn gebeurd. Nee, de filmmakers komen niet voor mij en al zeker niet met een politie-escorte.
De vrouw schraapt haar keel. ‘Enfin, Biekowice – dat kent u?’
Als mijn broekzak, wil ik zeggen. ‘Ja, waarom vraagt u dat?’ Ergens haal ik de moed vandaan om die vraag te stellen, terwijl ik vermoed dat ik het antwoord liever niet weet. Mijn accent, dat vele jaren diep was weggestopt, laat zich opeens horen.
De agent neemt het woord. ‘Beenderen,’ zegt hij.
‘Pardon?’ Ik weet niet zeker waar hij op doelt, maar toch voel ik een lichte duizeling en zoek houvast bij de deurstijl.
De vrouw werpt de agent een blik toe alsof ze wilde dat hij zijn mond had gehouden. Als ze beseft dat ze het niet meer kan terugdraaien, knikt ze even. ‘Er zijn menselijke beenderen aangetroffen bij een bouwput vlak bij Biekowice,’ zegt ze. ‘En we denken dat u er misschien iets vanaf weet.’
Polen 1940
Het doffe gerommel haalde Helena niet uit haar slaap. Ze lag te dromen van makowiec, de maanzaadbroodjes die mama altijd bakte, vol en warm met een laagje poedersuiker. Toen het geluid toenam, haar dromen verstoorde en haar handen liet trillen, klemde ze haar vingers steviger om het brood en bracht het naar haar mond. Voor ze een hap kon nemen, schudde het huis op zijn grondvesten door de inslag en in de keuken viel een schaal in scherven op de vloer.
Ze schoot overeind en probeerde iets in de duisternis te zien. ‘Ruth!’ Helena schudde haar zus door elkaar. Ruth lag opgerold als een warm balletje met haar armen om de drie slapende kinderen tussen hen in. Ze sliep altijd dieper dan de anderen. ‘Bommen!’ Onmiddellijk klaarwakker sprong Ruth uit bed en klemde haar twee jongere zusjes onder haar armen. Helena trok de slaperige Michal mee aan zijn hand, en samen vluchtten ze naar de kelder, zoals ze al tientallen keren hadden geoefend, zonder te blijven staan om hun schoenen te pakken die op een rijtje aan het voeteneinde van het bed stonden.
Helena klom als eerste de ladder af, gevolgd door Michal. Ruth gaf de vijfjarige Dorie door voor ze zelf naar beneden ging, met de kleinste stijf om haar hals. Helena liet zich op de vloer zakken en trok Dorie op haar schoot. Ze rook de zure melk in haar adem en huiverde toen het onvermijdelijke vocht van de modderige aarde in haar nachtkleding trok. Ze zette zich schrap voor de volgende inslag. Ze herinnerde zich de gruwelen die ze over de
bombardementen van Warschau had gehoord, en hoopte dat hun huis dit zou doorstaan.
‘Is het onweer?’ vroeg Dorie schor van angst.
‘Nie, kochana.’ Ze voelde het kinderlijfje in haar armen ontspannen. Dorie kon zich niets engers voorstellen dan donder en bliksem. Was het maar zo simpel.
Naast haar zat Ruth te rillen. ‘Jeste’s pewna?’ Weet je zeker dat het bommen waren?
Helena knikte, maar realiseerde zich dat Ruth haar niet kon zien. ‘Tak.’ Ruth zou niet aan haar oordeel twijfelen. De zussen hadden een blind vertrouwen in elkaar en Ruth verliet zich op haar als hun veiligheid in het geding was. Michal legde zijn hoofd met de weerbarstige bos krullen op haar schouder en ze sloeg stevig een arm om hem heen. Ze kon zijn ribben voelen. Hij was twaalf en hun schamele rantsoenen waren bij lange na niet toereikend voor zijn groeispurt.
Tien minuten verstreken, twintig minuten. Verdere inslagen bleven uit. ‘Ik denk dat het voorbij is,’ zei Helena schaapachtig.
‘Dan waren het toch geen bommen.’
Helena kon in het donker voelen hoe haar zus haar lippen krulde. ‘Nee.’ Ze wachtte op Ruths gemopper dat ze hen voor niets uit bed had gesleept. Toen het stil bleef, kwam Helena overeind en hielp Dorie de ladder op. Boven kropen ze allemaal weer in het bed dat ooit aan hun ouders had toebehoord.
Helena dacht aan het kabaal toen ze de volgende ochtend het beboste heuvellandschap vlak bij hun huis beklom. Die dag was het om die tijd nog helder voor het begin van de decembermaand, maar de lucht was al zwanger van het sombere weer dat op komst was. Ze had het zich niet verbeeld, dat wist ze zeker. Ze had het geronk van een vliegtuig gehoord dat veel te laag overvloog, gevolgd door een explosie. Vanaf deze plek kon ze kilometers ver kijken, en toen ze een blik over haar schouder wierp, zag ze dat het dorp en het glooiende landschap eromheen ongeschonden
waren gebleven. De verbleekte daken en het bruin verkleurde herfstbos die ze al haar hele leven kende, vertoonden geen spoor van schade.
Ze was halverwege de heuvel toen de haan kraaide. Helena grijnsde zelfvoldaan, alsof ze het gevederde dier op zijn eigen terrein had afgetroefd. Ze bleef staan, draaide zich om en speurde opnieuw de horizon af tot aan het gebergte van Małopolska. In de verte lag het gebergte, de Hoge Tatra, met sneeuwkappen die door de mist aan het zicht waren onttrokken. Ze keek omhoog naar de wassende maan in de bleke ochtendhemel. Er stak een wind op en de zilvergrijze wolken die ervoor schoven kregen lichte contouren.
Helena boog zich geërgerd voorover om de gerafelde zoom van haar rok los te trekken die achter de rand van haar laars bleef haken. Opnieuw keek ze naar beneden. Biekowice behoorde tot het tiental dorpen rondom het stadje Myślenice, als spaken in een wiel dat zich over het platteland uitstrekte. De regio had tot dertig jaar geleden deel uitgemaakt van het keizerrijk Oostenrijk, de rode daken en de gevels met de houten balkstructuren gaven het een Duits aanzien. Er was een hoofdweg naar de stad, met zijstraten die in een lus om het centrale marktplein liepen. Aan de andere kant voerde de weg net zo snel weer het dorp uit. De omgeving was een lappendeken van boerenbedrijven, grijze rookwolken puften uit de schoorstenen en vormden een halo boven het gebied.
Ze slingerde de buidel die ze bij zich had om haar andere schouder en hield de westelijke richting aan over een kiezelpad dat naar de hoofdweg leidde. Haar tred was vlot en soepel. Ondanks haar moeders waarschuwingen had Helena als kind regelmatig haar toevlucht in de bossen gezocht. In het kleine huisje, waar ze met haar energie geen kant op kon, stuiterde ze onrustig rond als een rubberen balletje. Maar in de natuur kon ze zichzelf zijn en zich helemaal vrij voelen.
De krakende dennennaalden onder haar voetzolen verbraken de stilte, hun geur vermengde zich met meer dan alleen de rook. Waren de boeren kreupel- of sprokkelhout aan het verbranden?
Alles was nu bruikbaar, ook de resten die in eerste instantie waren weggegooid. Bladeren en twijgen waarmee je geen echt vuur kon maken, konden de vlammen wel langer aanwakkeren en de houtblokken langer laten meegaan, of verhitten als de houtstapel te vochtig was. Ze hield haar blik omlaag gericht of ze ergens bessen en noten zag, of zelfs eikels om thee van te zetten. Maar de grond was kaalgevreten door de dieren, die al net zo uitgehongerd en wanhopig waren als de mensen.
Vijftien maanden geleden was de oorlog uitgebroken. Aanvankelijk leek het alsof de inval niet had plaatsgevonden, ondanks de voortdurende stroom waarschuwende berichten op de radio, eerst in het Pools, later in het Duits. Hoewel hun dorpje op minder dan twintig kilometer van Krakau lag, was er weinig van te merken, los van de legerwagens die af en toe over de grote weg voorbijreden. Het was een zegen dat hun slaperige dorp geen strategisch voordeel had, mijmerde Helena. Na verloop van tijd braken toch de zware tijden aan, al bleven de Duitsers zelf weg: hele veestapels en andere dieren verdwenen in de nacht, naar verluidt over de grens met het westen. De koolopslag werd gevorderd en naar de frontlinies gebracht om de strijd te kunnen voortzetten. Daarbovenop werden ze geteisterd door een ongebruikelijk slechte zomer, waardoor ze weinig wintervoorraden konden aanleggen.
Ze bereikte het geplaveide pad dat naar de stad voerde. Het was nu verlaten, maar ze rook de uitstoot van een legerwagen of ander voertuig dat zojuist voorbij was gekomen. Helena voelde de haartjes in haar nek prikken. Een confrontatie met wie dan ook kon haar duur komen te staan. Ze wierp een verlangende blik naar de bomen achter haar, maar dat steile, meanderende bospad zou haar te veel tijd kosten.
Terwijl ze de weg op liep, dacht ze aan het gesprek van de vorige avond. ‘Ga nou niet,’ had Ruth gesmeekt toen ze de kinderen klaarmaakten voor de nacht. Ze hadden samen naadloos hun bedtijdroutine afgerond, als twee aanhangsels van hetzelfde lichaam. ‘Het is te gevaarlijk.’ Ze trok per ongeluk te hard aan Dories vlecht, die prompt een keel opzette.
Ruths bezwaar was haar inmiddels meer dan bekend. Sinds de dag dat ze had geopperd om zelf de wekelijkse tocht naar de stad te ondernemen, in navolging van hun overleden tata, had Ruth haar hakken in het zand gezet. Niet dat de reis van een halve dag een aanslag was op haar gestel, want Helena was het gewend om altijd met haar vader de steile, rotsachtige streek te verkennen. Het obstakel waren de nazi’s, die de Polen hadden verboden om de grenzen van hun eigen provincie over te steken als ze geen werkpasje hadden. Als ze Helena zouden zien en haar ondervragen, kon ze gearresteerd worden.
‘Hebben we een andere keus?’ had Helena pragmatisch gesteld terwijl ze Karolina’s nachtpon over haar hoofd aantrok en de geur van haar schoongeboende zusje opsnoof. Ze deden de kinderen tweemaal per week in bad, Karolina eerst, dan de oudere kinderen en Ruth. Tot slot, als iedereen naar bed was, ging Helena zelf, die zich zo goed en zo kwaad als het ging behielp in het afgekoelde water waar zich een vliesje op had gevormd. ‘We moeten zorgen dat mama te eten krijgt.’ En niet slecht wordt behandeld, voegde ze er in gedachten aan toe. De zorg in het sanatorium was minimaal, de rantsoenen schaars. Ze had nooit tegen Ruth verteld dat mama soms haar sokken kwijt was, of in haar eigen uitwerpselen lag, met het risico op infecties van de doorligplekken omdat ze niet vaak genoeg werd gekeerd.
Ruth had niet gereageerd maar was met opeengeperste lippen doorgegaan met het uithalen van Dories vlecht. Ze ging er diep onder gebukt dat hun moeder was weggestopt in een verpleeghuis in Krakau, en het gaf haar enige verlichting dat Helena elke
week op bezoek ging. Maar Ruth was bang geworden na alles wat er was gebeurd. Ze had zich afgesloten van de buitenwereld en was in zichzelf gekeerd geraakt.
Helena daarentegen was nieuwsgierig, ze wilde de wereld ontdekken. Ze dacht terug aan een van haar tochten naar de stad. Het was een mooie najaarsdag, er hingen nog oranje bladeren aan de bomen, de verdorde op de grond maakten een mooi ritselend geluid onder haar voeten. Ze had de afslag naar de stad overgeslagen en was al zo’n twee kilometer verder voor ze zich realiseerde dat deze weg haar voorgoed uit Biekowice zou wegvoeren. Het beeld van Ruth was voor haar geestesoog verschenen en ze was blijven staan, gekweld door schuldgevoelens. Ze had zichzelf voorgehouden dat ze de afslag had gemist doordat ze met haar gedachten elders had gezeten. Maar ze wist dat er iets anders speelde – even, heel even, was ze echt weggegaan, zonder om te kijken. Daarna had ze die route nooit meer genomen, maar elke keer als ze langs de tweesprong kwam, bleef ze staan, keek verlangend in de verte en mijmerde hoe ver ze zou zijn gekomen.
Helena schrok op uit haar overpeinzingen door een harde knal, alsof een reus zijn voet op het dak van een huis plantte. Voor haar zag ze een Duitse jeep met een machinegeweer in de laadbak die de weg versperde. Helena schoot het struikgewas in en haalde haar hand open aan iets scherps. Ze smoorde een kreet toen de stekels door haar versleten handschoen prikten en in haar huid drongen.
Terwijl het bloed in de wol sijpelde, gaf Helena zichzelf in gedachten een uitbrander. Ze had nooit de bescherming van de bomen langs de kant van de weg moeten verlaten. Ze drukte zich zo dicht mogelijk tegen de grond en hield haar adem in. Maar het was te laat. De loop van het machinegeweer zwenkte knarsend in haar richting. De soldaat die het bediende, leek naar iets boven haar te kijken. Hij schermde zijn ogen af terwijl hij
het bos afspeurde. Helena was niet eerder zo dicht bij de oorlog geweest, en ondanks haar angst nam ze de man nauwkeurig op. Hij zag rood en had grove trekken. Zonder dat uniform en dat geweer had hij voor een van de houthakkers van de molen kunnen doorgaan.
De soldaat vernauwde zijn ogen als een bergwolf die zijn prooi ontdekt. Een onzichtbare hand kneep Helena’s keel dicht. Zou hij haar arresteren of ter plekke doodschieten? Opeens verlangde ze hevig naar huis, waar ze nog geen uur geleden zo graag aan was ontsnapt. Ruth zou verdrietig zijn, misschien wel boos. ‘Ik zei het toch?’ zei haar tweelingzus alsof ze naast haar zat, haar lippen geplooid in een zelfvoldaan lachje. Ruth haalde graag haar gelijk en Helena leek haar daar alle reden toe te geven door steeds van alles te morsen of te breken.
De beeltenis van Michal dook op in haar gedachten, die, wijzer dan zijn twaalf lentes, zijn zussen troostte. Maar de kleintjes hadden een hechtere band met Ruth, omdat ze van haar zorg afhankelijk waren. Ze waren al zo geslagen door het verlies van hun ouders, dat ze deze klap misschien zonder morren zouden aanvaarden.
Helena voelde aan het koude lemmet van het mes dat ze uit tata’s jachtkit had gepakt. Ze had het in de tailleband van haar rok gestoken voor het geval ze een wolf zou tegenkomen, maar nu leek het vooral een manier om de Duitser te kelen.
Een minuut verstreek, en nog een. Uiteindelijk nam de man plaats achter het stuur en startte de motor. Toen de jeep in tegenovergestelde richting verdween, liet Helena zich uitgeput en snakkend naar adem tegen de stam van een boom zakken.
Het geluid van de motor stierf weg in de verte. Helena kroop uit de struiken en keek uit over de verlaten weg. Ze durfde nu niet meer deze route te nemen. Misschien had Ruth toch gelijk over de mogelijke gevaren, en kon ze beter naar huis gaan. Maar bij de gedachte aan mama, eenzaam en alleen in de inrichting, wist ze
dat ze geen keus had. Ze draaide zich om naar het pad dat door het bos liep, haalde diep adem, en onder de welkome beschutting van de bomen begon ze aan de steile weg door de heuvels.