Skip to main content

De Parkwood-moorden - Chris Chibnall

Page 1


Chris Chibnall

De Parkwoodmoorden

Niemand wist wat de Steen betekende, of hoe die daar was terechtgekomen. Maar hij stond er langer dan Parkwood, langer dan alle dorpen in de wijde omtrek, en afgaande op wildere oude mythen, die Mandy weleens opzocht als ze ’s nachts alleen in de beveiligingskeet zat, nog langer dan de mensheid zelf.

Nu ze ervoor stond, tussen de naaldbomen die kraakten en deinden in de nachtelijke wind, kon Mandy niet ontkennen dat er een hypnotische kracht van uitging. Ze wist dat er mensen in Parkwood waren die vonden dat er te veel heisa om dat rotsblok werd gemaakt. Maar ze had met eigen ogen gezien hoeveel tumult die Steen nog steeds teweeg kon brengen.

Ze maakte haar blik ervan los en vervolgde haar ronde over de verlaten paden. Het was iets na vieren. Over een uur zou het eerste zonlicht door de duisternis prikken. Later zou het op de paden wemelen van de gehelmde kinderen op fietsjes die door nerveuze vaders en moeders in de gaten werden gehouden. ‘Allemaal bij elkaar blijven, ja?’ zouden gestreste ouders om de haverklap roepen als ze hun losgeslagen kroost in de greep probeerden te krijgen.

Nu lag het pad er donker en stil bij. Rond de vierhonderd gasten lagen in hun chalets verspreid over het terrein van Parkwood nog op één oor. Mandy had het rijk alleen.

Op dit soort momenten vond ze haar baan als nachtwacht helemaal niet verkeerd. Ja, ze had een klappende deur moeten afsluiten in het klimparcours, wat Lee voor de zoveelste keer was vergeten, maar verder was het werk erg rustig.

Zodra ze haar pasje voor het Splashdome tevoorschijn haalde, merkte Mandy dat er iets mis was in het zwembadcomplex.

Ze was met haar voet ergens tegenaan gestoten. Ze boog zich voorover om te zien wat het was.

Een dik stuk hout. In de kier van de deur gestoken, zodat die niet helemaal dicht kon.

Mandy schopte het hout weg en hield de deur een stukje geopend.

Ze kreeg een onheilspellend gevoel. Hoelang stond die deur al open?

Ze liep naar binnen, knipte haar zaklantaarn aan en liet eerst de lichtbundel de boel verkennen.

Het hele complex behelsde kleedhokjes, een zwembad, zeven glijbanen van klein tot groot, en een baan met stromend koud water dat het binnenbad met het buitenbad verbond. Alles was donker, zoals gebruikelijk op dit uur.

Mandy doorzocht eerst de kleedhokjes voor de vrouwen, daarna die voor de mannen, vervolgens voor de gezinnen, en bescheen met haar zaklantaarn alle hoeken en gaten. Ze spitste haar oren of ze een afwijkend geluid opving, maar ze hoorde niets anders dan het bekende gebrom van de machinerie die het complex draaiende hield.

Of toch…? Toen ze dichter bij de tussendeur kwam die de kleedruimte van het bassin scheidde, ving ze een ander geluid op.

Het eenzame trompetgeschal dat door het verlaten zwembad galmde.

De taptoe.

Steeds opnieuw.

Vaste gasten van Parkwood wisten wat dit betekende: dat de machine van het golfslagbad zou aanslaan.

Mandy had een keer op een site voor moeders gelezen – op zoek naar informatie over oudere moeders met lastige peuters – of het wel zo kies was om specifiek dit signaal te gebruiken voor het aankondigen van een attractie, maar de directie had hun schouders opgehaald. ‘Het was een iconisch onderdeel van de Parkwood-ervaring,’ was hun reactie.

Om 4.00 uur ’s morgens was het geen iconisch onderdeel van de Parkwood-ervaring.

Om 4.00 uur ’s morgens zou het doodstil moeten zijn.

Haar hart begon te bonzen.

Ze liet de zaklantaarn van links naar rechts zwenken. Was degene die hierachter zat, of degenen, nog steeds aanwezig?

Ze probeerde zichzelf tot kalmte te manen. Vast een stel kinderen, Mand. Kwajongens die de deur hadden geforceerd om ’s nachts te zwemmen. Het zou niet voor het eerst zijn. Behalve dat het te stil was voor zulk soort kattenkwaad.

Ze liep door en voelde een knoop in haar maag komen. Wat was het hier eng als het zo leeg was. Het moest hier krioelen van de mensen wilde het ergens op slaan.

Tot haar schrik ontdekte ze nog een ander geluid. Ze wist zeker dat ze de gonzende zuigers kon horen van het mechanisme dat de kunstmatige golven het grote bassin in stuwde. De motor zou helemaal niet aan moeten staan.

Twee dingen die verkeerd waren. Twee verkeerde geluiden. Had iemand soms gewoon de boel aan laten staan? Nee, uitgesloten.

Ze liep behoedzaam naar de oorsprong van het geluid, en om de hoek openbaarde het zwembad zich in zijn volle glorie.

Het eerste wat haar opviel was dat het mechanisme aan stond. Het kolkende water sloeg in hoge golven tegen de zijkant van het bassin.

En naast dat lawaai van de golven hoorde ze iets anders, een of ander ritmisch gebonk.

Bonk, dan niets. Bonk, dan niets.

Bijna synchroon met de golfslag, maar net niet helemaal.

Mandy speurde de ruimte af met haar zaklantaarn. Het zwembad werd omringd door hoge palmbomen die naar het nog hogere plafond reikten, en er stond een haag van planten om het geheel een tropische aanblik te geven. Welke? Hawaï? De Cariben? Mandy wist het niet. Het leek leuk, maar het was voornamelijk bedoeld om van alles aan het oog te onttrekken: een massa leidingen, buizen, staal en beton.

Had iemand zich tussen de planten verstopt? Werd ze nu begluurd?

De taptoe klonk opnieuw, een zenuwslopend geluid dat zich vermengde met het ritme van de golven.

Ze stond nu aan de rand van het bassin, waar het ondiepe poedelbadje voor de kleintjes begon en het water over je voeten spoelde alsof je op het strand stond.

Het schijnsel viel op het kabbelende water van de illusoire kustlijn.

Het was vermengd met rood.

Mandy richtte haar zaklantaarn abrupt omhoog, op de planten waar niemand stond, en speurde het wateroppervlak met de lichtbundel af. En een stuk verderop, aan de andere kant, zag ze het. De oorzaak van het bonkende geluid.

Een drijvend lichaam in het water. Volledig gekleed, gezicht naar beneden, keer op keer opgetild door de golfslag, keer op keer tegen de rand van het bassin geworpen, wat het bonkende geluid veroorzaakte.

Mandy verspilde geen seconde. Ze liet haar zaklantaarn vallen, trok haar jas uit en sprong het water in.

Ze waadde door het ondiepe gedeelte en in het diepe zwom ze in de richting van het lichaam, dat heen en weer werd geslingerd. Ze vocht tegen het water en tegen de golven. Hopelijk was ze nog op tijd.

Toen ze eindelijk bij het lichaam was aangekomen, was het duidelijk dat ze te laat was.

‘Ga maar, het is niet erg.’

In de gang bij de voordeur keek Nicola Bridge haar man aan. Ze stond in tweestrijd. Nicola voelde de telefoon in haar jaszak zacht maar dringend zoemen en trillen door alle berichten die binnenkwamen.

‘Het is wél erg,’ wierp ze tegen.

‘We weten allebei dat je erheen moet. Ik regel dit wel, en ik zal je op de hoogte houden,’ zei Mike. Hij klonk beheerst en redelijk.

Nicola was dankbaar en geïmponeerd tegelijk, maar ze voelde zich ook betutteld. En geïmponeerd dat ze zich betutteld voelde.

Hij is me aan het sturen, dacht ze. Mijn man de brandweerwacht laat nu zijn professionele vaardigheden op me los, praat tegen me alsof mijn huis in de fik staat en dat hij ervoor zal zorgen dat alles goedkomt.

Ze kenden allebei de taal en de toon om mensen naar je hand te zetten. Ze had nooit eerder gemerkt dat hij zijn training op haar losliet. Had hij dat echt nooit eerder gedaan, of gewoon heel subtiel? Gelukkig kon ze meteen smakelijk om zichzelf lachen.

O kom op, dacht ze. Hij biedt je een uitweg. Doen.

Toch kon ze het niet meteen loslaten. ‘Hoe komt het dat jij je geen zorgen maakt?’ vroeg ze.

‘Natuurlijk maak ik me zorgen! Maar we hebben iedereen gebeld. Hij is achttien. We weten dat hij op stap was met zijn maten, en die lummel is ergens blijven slapen zonder het ons te laten weten. Ik los het op. En nu wegwezen jij.’

Mike glimlachte naar haar. Altijd die sexy glimlach. En zijn Liverpoolse accent kreeg er een tandje bij als hij zijn stem verhief, zelfs als hij haar half schertsend instructies gaf.

‘We hadden afgesproken dat we een gesprek zouden hebben, en hij had beloofd dat hij er zou zijn,’ zei Nicola. Ondertussen weersprak ze haar voornemen om te blijven door haar jas aan te trekken.

‘Hij is met de noorderzon vertrokken omdat hij de hinderlaag rook. Als hij straks thuiskomt, want hij komt zeker thuis, kan ik zelf met hem praten, of wachten tot je er bent. Zeg het maar.’

De telefoon in haar binnenzak was nu aan het stuiteren, als een dreinend joch dat voor de speelgoedwinkel aan zijn ouders’ mouw trok. Kom nou!

Ze wisten allebei wat hij bedoelde: we hebben dit eerder meegemaakt en toen was ik er niet. Maar zie: een nieuw tijdperk, een nieuwe Mike.

De oude Mike had het verpest, en de nasleep van zijn overspel had hen hier gebracht, terug op het honk voor het spreekwoordelijke nieuwe begin. Eindelijk had Nicola een man die begreep dat haar werk prioriteit had en die haar dat niet meer kwalijk nam. Hoelang had ze hier niet naar uitgekeken?

‘Dank je,’ zei ze, en ze gaf hem een vluchtige afscheidskus. Met de telefoon tegen haar oor haastte ze zich naar buiten.

‘Ethan, liefje, met mam. Laat je ons snel weten of alles goed is? Misschien is de batterij van je telefoon bijna leeg, maar als je dit bericht krijgt, bel dan even.’ Net toen ze de voicemail verzond, zette Harry de auto stil voor haar huis.

Ethan is wettelijk meerderjarig, dacht ze bij zichzelf. Hij is gewoon expres weggebleven omdat hij bonje had gehad met zijn vader. Daarom laat hij niets horen.

Er ging van alles door haar heen terwijl ze naar Harry’s auto liep. Ze wist wat haar onderbewustzijn aan het doen was. Het gaf haar de kans om over de zaak na te denken waarvoor ze net was opgeroepen,

en ze kon het stukje over het tuinpad benutten om van haar privésores over te schakelen op haar werk. Toch wilde dat beklemmende gevoel niet helemaal weggaan.

Terwijl ze het portier opende, keek ze over haar schouder en ze meende Mike achter het raam naar buiten te zien kijken. Toen ze nog een keer keek, was hij weg.

Nicola stapte in en trok het portier met een klap dicht. Ze rook meteen twee dingen en ze waren allebei verrukkelijk: Harry en verse koffie.

‘Mogge. Koffie,’ zei Harry, wijzend naar de console tussen hun stoelen. Het was een gewoonte van hem geworden om koffie voor haar mee te nemen.

Nicola nam een slokje. Jammie. ‘Zeg nou waar je deze koffie vandaan hebt, kom op!’ smeekte ze na de tweede slok.

‘Echt niet,’ zei Harry. Er glinsterden pretlichtjes in zijn ogen. ‘Je mag nog veertien keer raden.’

‘Ik kan me niet voorstellen dat er nog meer adressen zijn.’ Ze klikte haar gordel vast. Even voelde ze zich schuldig. Was ze een slechte moeder als ze familiebesognes met zoveel gemak verruilde voor gekeuvel over koffie? Nee, stelde ze zichzelf gerust. Het was niet fout, het was professionalisme. Er was werk aan de winkel.

Brigadier Nicola Bridge keek naar rechercheur Harry Ward. ‘Karren.’

‘Dode man, rond de zestig, aangetroffen rond 4.00 uur vanmorgen in het zwembad van resort Parkwood. Hij was volledig gekleed, het zwembad was toen gesloten. Technische recherche is al ter plekke.’

Harry stelde haar kort op de hoogte terwijl hij zijn blik strak op de smalle weg gericht hield. Het resort was vanaf Nicola’s huis ongeveer veertig minuten rijden, dwars door het noordelijke district Vale.

‘Ken je het?’ vroeg Harry.

‘Dit park niet, maar we zijn een keer in een Parkwood geweest in North Yorkshire, toen Ethan een jaar of zeven was.’

Haar zoon van zeven die toen lief op de schommel zat, bleef nu de

hele nacht van huis zonder iets te laten weten. Terwijl Harry reed, keek ze op chatgroepen van ouders en vrienden of ze daar iets over Ethan kon vinden.

‘En, is het er leuk?’ vroeg Harry.

‘Ja, maar ontzettend duur. We hadden voor hetzelfde geld naar Kreta kunnen vliegen.’

Ze had de sympathieke chef van de meldkamer op het regionale hoofdkantoor geappt of hij een seintje wilde geven mocht hij iets over haar zoon horen. Ze had het zo luchtig mogelijk gebracht. Ze wist dat Mike alle ziekenhuizen in de omgeving zou bellen. Mike aan wie ze in principe alles zou overlaten. Oeps.

Ze wendde zich tot Harry. ‘En jij?’

‘Mijn vader was altijd fel gekant tegen zulke resorts. “Vakanties van plastic” noemde hij ze. “Voor ons geen plastic vakanties zolang we de echte wereld binnen handbereik hebben”.’

In de verte zagen ze Parkwood verrijzen in het landschap van Vale. Gebouwd op een hoogvlakte had het vakantiepark zich een soort verheven status toegeëigend, alsof de gasten zich naar een tempel begaven, een altaar waarop ze al hun hoop vestigden. Vanaf hier had ze een weids uitzicht op het grote woud van naaldbomen.

‘Hij had een punt,’ zei Nicola.

Het grootschalige vakantiepark was ongeveer veertig jaar geleden aangelegd, op grond vol akkers en bos. Er was destijds veel om te doen geweest om uitgerekend daar een resort op te richten, maar de projectontwikkelaars hadden uiteindelijk aan het langste eind getrokken, voornamelijk vanwege het argument dat ze de lokale economie een oppepper zouden geven. Inderdaad werd er voornamelijk personeel geworven onder de bewoners van Dorset en omstreken. De naaste bewoners mochten dan bezwaren tegen het resort hebben gehad, ze zagen er ook de voordelen van. Bij volledige bezetting telde Parkwood ruim vierhonderd gasten. Dat was meer dan alle bewoners van de omliggende dorpen bij elkaar, en dat maakte van Parkwood een autonoom ecosysteem.

Terwijl ze het vakantiepark naderden, was Nicola in gedachten alle mogelijke uitdagingen aan het doornemen die het verdachte sterfgeval met zich mee zou brengen.

‘Ga je graag op vakantie?’ vroeg Harry terwijl hij links afsloeg op de rotonde die speciaal daar was aangelegd om de verkeersstroom naar het park te reguleren.

‘Graag?’ Ze deed alsof ze beledigd was. ‘Ik vind het heerlijk.’ Ze vroeg zich af of Mike het met haar eens zou zijn. Soms had ze na een paar dagen de kriebels gekregen omdat haar gedachten de hele tijd afdwaalden naar haar werk. ‘En jij?’

‘Ja, leuk. Als er ook wat te doen is. Zwemmen, surfen, dat vind ik leuk. Beetje lui in de zon liggen, beetje spetteren in het water.’

Ja, dat vond Nicola ook leuk klinken.

Aan het eind van de weg stond een nogal lomp ogend bord met het logo van Parkwood en de bedrijfsslogan in het zware hout gekerfd: het welverdiende uitstapje. Een pijl gaf aan waar aankomende gasten de afslag moesten nemen naar de weg die naar de hoofdingang leidde. Nicola zag ook een apart, kleiner bord dat personeelsingang aangaf, de volgende afslag links na de hoofdingang, en een met leveranciers, de laatste bocht boven.

Ze was al bezig de routes, paden en omheiningen in kaart te brengen toen Harry de smalle toegangsweg op reed, en de omgeving als bij toverslag veranderde van ruige natuur in een aangeharkt vakantiepark. Ze werden omringd door hoge, altijd groene coniferen langs de weg die steeds smaller werd. Het leek hier akelig veel op het Parkwood waar Nicola had gelogeerd. De bomen ontnamen alle zicht op het resort, als een groen beveiligingshek. Waarschijnlijk was het bedoeld om de gasten een gevoel van natuurschoon gecombineerd met exclusiviteit te bezorgen, maar Nicola kreeg het er benauwd van. Zij vond dat het er juist onheilspellend en claustrofobisch uitzag.

‘Op de dagen van de check-in zit deze toegangsweg natuurlijk potdicht,’ zei Nicola.

‘Altijd fijn om je vakantie met een file te beginnen,’ zei Harry. ‘Hoogoplopende ruzies nog voor je bent ingecheckt.’

‘Je weet wat ze zeggen,’ zei Nicola terwijl ze door het raampje de omgeving opnam. ‘Je gaat op vakantie om even weg te zijn, maar je neemt jezelf altijd mee.’

‘Duister hoor,’ zei Harry grinnikend.

Nicola keek naar de weg en vroeg zich af hoe een moordenaar van en naar Parkwood zou kunnen komen. Was deze toegangsweg ook de weg terug?

Het houten poortgebouw deed dienst als de receptie van Parkwood: zes houten keten met elektronische slagbomen, afgescheiden van het resort. Elke keet had een loket aan beide zijkanten, en de slagbomen werden bediend vanuit het poortgebouw.

Nicola keek om zich heen. Ze zag bewakingscamera’s op de keten en er hingen er ook een paar vlakbij in de bomen, die gericht waren op de keten en op de toegangsweg. Slechts één camera wees in de richting van het park.

Een vrouwelijke beveiliger van rond vijftig, die er gespannen en vermoeid uitzag, schoof het raam van het loket omhoog en probeerde hartelijk te zijn. ‘Hallo daar, mensen. Ik ben bang dat we tijdelijk geen nieuwe gasten kunnen toelaten. Mag ik uw reserveringsnummer, naam en identiteitsbewijs, dan kunnen we contact met u opnemen als…’

Harry wilde haar onderbreken. ‘O, nee hoor, we zijn…’

Nicole boog zich voor hem langs en liet de vrouw haar penning zien. ‘Brigadier Nicola Bridge, dit is rechercheur Harry Ward. De rest van onze mensen is er al.’

‘O mijn god, sorry…’ zei de vrouw ontsteld. ‘Ik dacht dat jullie… Ze zijn bij het zwembad. Jullie kunnen de auto daar neerzetten, en volg dan de borden. Hier, neem deze mee voor het gemak.’

Ze liet twee pasjes aan een koord door het raam zakken. Harry gaf er een aan Nicola. ‘Als jullie Mandy zien, wil je dan doorgeven dat

Mabs naar haar heeft gevraagd? Ik heb gehoord dat zij hem heeft gevonden. Wat moeten we zeggen als mensen ernaar vragen? We hadden de opdracht niemand van het terrein te laten. Geldt dat nog steeds?’

Nicola zag de roddelzieke glinstering in de ogen van de vrouw. ‘Je krijgt nieuwe instructies zodra we meer weten, maar hou dat voorlopig aan. Dank je.’

De slagboom ging omhoog en Harry reed het park in.

Achter hen klapte de slagboom dicht.

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
De Parkwood-moorden - Chris Chibnall by Xander Uitgevers - Issuu