hoop konden laten varen – voor zover we daar nog een sprankje van koesteren. ‘De kerk rust op vier pijlers,’ zo hield de paus ons voor, ‘net zoals er vier windstreken zijn. E n heeft de profeet E zechiël niet met eigen ogen aanschouwd hoe Gods troon werd gedragen door vier schepselen? En spreekt Johannes in Openbaring niet van vier wezens: een mens, een leeuw, een stier en een adelaar? Daarom zullen er ook maar vier evangeliën zijn, en die bevatten de totale waarheid.’ De aanwezige kardinalen beantwoordden de uitspraak van de paus met gejoel en kreten van triomf. Daarna wierp de inquisiteur onze heilige geschriften voor de voeten van de paus. W anhopig staarde ik naar de kostbare stukken papyrus op de vloer van het paleis, die daar lagen als aangespoeld wrakhout op de oever van een rivier. De paus volgde mijn blik en stootte een geringschattend lachje uit. ‘Als God één is,’ zo riep hij, ‘kan er maar één ware kerk zijn, en slechts één vertegenwoordiger van God binnen zijn Kerk… En dat ben ík, de rechtmatige opvolger van Petrus, de rots waarop Jezus zijn kerk gebouwd heeft.’ Wat we ook zeiden, al onze woorden stuitten op een ondoordringbare muur. Uiteindelijk deden we er het zwijgen toe, want er viel niets meer te zeggen. De paus richtte zich over onze hoofden tot de kardinalen. ‘De dwaling laat zich nooit in haar naakte werkelijkheid zien om niet ontdekt te worden,’ sprak hij met een ernstig gezicht. ‘Integendeel, ze kleedt zich elegant, zodat de onoplettende mensen kunnen geloven dat het waarachtiger is dan de waarheid zelf.’ Na een kort beraad – alsof de beslissing niet allang genomen was – hoorden we ons vonnis: de brandstapel. ‘Het is een voorproefje van wat jullie straks eeuwig te wachten staat,’ zei de paus met een kille blik. Daarna brak onder de kardinalen een hartstochtelijk gejuich los. Met een eenvoudig knikje gaf de paus zijn soldaten het teken om ons weg te voeren. ‘Hier eindigen jullie!’ riep hij ons na. ‘In Gods naam, moge jullie verhaal hier eindigen.’
8