

Stanisław Sosabowski was een eigenzinnige en vastberaden man. Zijn intelligentie en doorzettingsvermogen zorgden ervoor dat hij alle rangen van het leger doorliep, van jonge korporaal in het Oostenrijks-Hongaarse leger tot generaal-majoor, commandant van de 1ste Poolse Onafhankelijke
Parachutistenbrigade. Maar zijn persoonlijkheid bracht hem ook regelmatig in conflict met zijn meerderen.
In deze uitgebreide memoires, niet eerder in Nederland verschenen, beschrijft Sosabowski vrijwel zijn hele leven, van zijn schooltijd tot kort voor zijn overlijden in 1967. Een uniek document over het leven van een bijzondere persoonlijkheid, met hart en ziel gebonden aan Polen, maar vooral bekend door zijn inzet voor de bevrijding van Nederland.
Stanisław Sosabowski – memoires van een verguisde oorlogsheld is de eerste Nederlandse vertaling van Droga Wiodła Ugorem. Dit boek verschijnt bij de tentoonstelling ‘Sosabowski – een familie verdeeld door oorlog’, in het Airborne Museum in Oosterbeek van 10 april 2026 tot en met 3 januari 2027.
INHOUD
4 | Verantwoording
5 | Woord vooraf
13 | DEEL I – MIJN JONGE JAREN
14 | In Stanisławów
20 | Eerste Wereldoorlog
25 | DEEL II – IN HET ONAFHANKELIJKE POLEN
26 | De eerste dagen van de vrijheid
40 | De Septembercampagne
57 | Na de capitulatie
65 | Door de Sovjetbezetting
70 | Beeldverhaal
77 | DEEL III – REIS NAAR DE WERELD
78 | Naar Hongarije
95 | DEEL IV – OP BRITSE BODEM
96 | In Schotland
105 | Meet je kracht af aan je intenties
109 | Onafhankelijke Parachutistenbrigade
119 | Samenstelling van de Luchtlandingstroepen
131 | Arnhem
151 | Terug naar Engeland
154 | Ontslag als commandant van de brigade
163 | DEEL V – NA DE OORLOG
164 | De kwestie van de terugkeer naar het vaderland
169 | Pools korps voor aanpassing en herplaatsing
175 | Mijn zoon
179 | DEEL VI – IN BALLINGSCHAP
180 | In het burgerleven
183 | Vereniging van Poolse parachutisten
190 | Het Legermuseum in Warschau
192 | Grafmonument in Warschau
199 | Mijn boeken
203 | Algemeen gerechtshof
205 | Bevorderingen en onderscheidingen
218 | Einde
220 | Bijlagen
228 | Epiloog
232 | Colofon
VERANTWOORDING
Stanisław Sosabowski groeide op in Galicië, toen nog onderdeel van Oostenrijk-Hongarije, en maakte de Eerste Wereldoorlog en de onafhankelijkheid van Polen mee. De geschiedenis van Polen en alle militaire handelingen kunnen voor relatieve buitenstaanders ingewikkeld zijn. Geprobeerd is door een consequente vertaling van alle organisaties en eenheden zo duidelijk mogelijk te zijn. De originele woorden van de auteur zijn echter zo veel mogelijk gehandhaafd.
Poolse eenheden
In het boek worden veel legeronderdelen genoemd. Poolse legereenheden worden in dit boek in het Nederlands vertaald. Meestal zijn letterlijke vertalingen als “Regiment Infanterie” ook in Nederland gangbaar, of waren dat in ieder geval in de tijd waarin het boek zich afspeelt. Soms ligt een vertaling minder voor de hand. Voor een term als Strzelecka Brygada (Engels: Rifle Brigade) zou een letterlijke vertaling “Schuttersbrigade” of “Geweerbrigade” zijn, termen die in het Nederlands niet worden gebruikt. Daar is dan bijvoorbeeld gekozen voor “Infanteriebrigade”.
Een uitzondering vormt het Armia Krajowa (AK). Dit ondergrondse leger was één van de best georganiseerde en grootste verzetslegers van bezet Europa en vocht o.a. tijdens de Opstand van Warschau. Een letterlijke vertaling als ‘Thuisleger’ zou de reputatie van het AK tekort doen. Armia Krajowa wordt dan ook niet vertaald.
In Schotland en Operatie Market Garden
Over Operatie Market Garden is in het Nederlands heel wat gezegd en geschreven. In de Nederlandse literatuur worden de Engelse termen voor de Britse legeronderdelen vaak niet vertaald. De 1st Airborne Division, bijvoorbeeld, staat ook zo bekend, zeker rondom Arnhem. Dit te vertalen naar 1e Luchtlandingsdivisie zou eerder verwarring opleveren. Er is in dit boek voor gekozen namen van Britse eenheden niet te vertalen. Dat maakt ook het onderscheid met Poolse eenheden duidelijk. De auteur voegt vaak het woord ‘Britse’ toe. Een Nederlandse vertaling van zijn terminologie zou bijvoorbeeld 1e Britse Luchtlandingskorps opleveren. Er is dan gekozen voor I Airborne Corps. De volledige naam van de door Stanisław Sosabowski opgerichte parachutistenbrigade is: 1e Onafhankelijke Parachutistenbrigade. Britten en Nederlanders voegen daar vaak het woord ‘Poolse’ aan toe (1e Poolse Onafhankelijke Parachutistenbrigade). Polen doen dat maar heel zelden, de auteur af en toe. Soms heeft hij het alleen over de Parachutistenbrigade. De vertaling volgt ook hier zijn originele tekst.
WOORD VOORAF
In 1957, toen hij zich in zelfopgelegde ballingschap in het Verenigd Koninkrijk bevond, begon de gepensioneerde generaal Stanisław Franciszek Sosabowski boeken te schrijven, met name dit boek, Droga Wiodła Ugorem (The Road was Fallow). Hij schreef:
Twarde i ugorne było całe moje życie. Nie żałuję tego com przeszedł i gdyby mi kazano to przeżywać ponownie nie zawahałbym się’.
Dit betekent:
‘Mijn leven was zwaar en vruchteloos. Ik heb geen spijt van wat ik heb meegemaakt en als ik zou moeten kiezen, zou ik zonder aarzelen weer dezelfde weg inslaan.’
Ik vraag me hardop af hoeveel van ons dit kunnen zeggen? Dat we geen andere weg zouden inslaan, vooral als de weg die we hebben gekozen ons verdriet en ontzetting heeft gebracht.
Dit zijn de memoires van generaal Sosabowski. Het boek gaat, in tegenstelling tot het bekendere Freely I Served, dieper in op het leven van de generaal voor en na de oorlog. De realiteit is dat, afgezien van zijn ontwapenende bewering dat hij niets zou hebben veranderd, zijn leven niet verliep zoals hij wilde of dacht dat het zou verlopen.
Ik heb generaal Sosabowski niet gekend, hij stierf toen ik twee was. Er bestaat een foto van mijn vader, mijn oom, hun vader en de generaal die mij vasthoudt toen ik een paar maanden oud was. Dit is de ‘vier generaties’-foto. Ik heb gehoord dat hij erg blij was met zijn eerste achterkleinzoon en dat hij wist dat de familienaam voortgezet zou worden.
Zijn dood op 25 september 1967 maakte een einde aan een opmerkelijke militaire carrière, die gekenmerkt werd door uitzonderlijke prestaties, maar die op het eerste gezicht eindigde in schande, teleurstelling en verdriet.
Generaal Stanisław Franciszek Sosabowski werd op 8 mei 1892 in Stanisławów geboren. Het boek dat u gaat lezen, vertelt zijn eigen verhaal. Het is niet aan mij om te herhalen wat u in zijn boek gaat lezen, maar we kunnen zijn vroege leven in het voorbijgaan bespreken als een opmaat voor wat zou volgen en proberen een beeld te krijgen van de man achter de rang.
Hij werd beschreven als een contemplatieve en bedachtzame jongen, omdat hij al vroeg in zijn leven de last van het volwassen zijn op zijn schouders moest dragen vanwege het vroege overlijden van zijn vader Wladyslaw. Stanisław nam de verantwoordelijkheid op zich om voor zijn gezin te zorgen, dat toen bestond uit zijn moeder, Franciszka Grabarska, zijn broer Juljan (geb. 1897) en zijn zus Janina (geb. 1893). Dit deed hij door zijn schoolvrienden bijles te geven, wat de weg van zijn familie naar armoede vertraagde, maar niet kon voorkomen. Al op jonge leeftijd raakte hij geïnteresseerd in het leger en sloot hij zich aan bij de Polskie Drużyny Strzeleckie (Poolse Schuttersverenigingen). Dit was het begin van zijn


toewijding aan de geüniformeerde dienst, die zijn hoogtepunt zou bereiken als generaal in het Poolse leger in ballingschap. Hij was betrokken bij de scouting, die in Polen anders was dan in West-Europa, omdat het gebruik van vuurwapens net zo goed deel uitmaakte van de activiteiten als de meer traditionele houtbewerking en pioniersactiviteiten.
Hij studeerde van 1910 tot 1911 aan de Handelsuniversiteit van Krakau en werd later opgeroepen voor het Oostenrijks-Hongaarse leger, waar hij in 1916 werd bevorderd tot sergeant-cadet. Hij beschreef de gevechten in de Eerste Wereldoorlog als ‘jonge Poolse jongens in Russische uniformen die jonge Poolse jongens in Oostenrijks-Hongaarse uniformen doodden’. De gevechten waren inderdaad bloedig en wreed. Hij was een van de slechts drie overlevenden van een bataljon van 250 man.
Tussen de oorlogen was hij officier in het Poolse leger en gaf hij les aan de Poolse Hogere Oorlogsschool. Hij was een kritisch wetenschapper en deed onderzoek en verspreidde zijn kennis, naast het lesgeven aan de officieren. In 1916 trouwde hij met Maria Tokarska en in 1917 werd zijn zoon ʻStasinekʼ geboren. We zullen in dit verband later ingaan op het leven van Stasinek.
Zoals elke academicus publiceerde hij in tijdschriften. Zijn onderzoeksinteresses omvatten onder meer de ontwikkeling van soldaten. Hij stelde dat de opleiding van soldaten niet los mocht staan van de burgermaatschappij en dat de commandant degene moest zijn die mensen in het leger opleidde. Ook stelde hij dat de informatie die in het veld werd verkregen, nuttig kon zijn voor soldaten in hun leven buiten het leger.
Hij publiceerde in prestigieuze tijdschriften zoals Bellona, Przegląd Piechoty, Przegląd Artylerzy en Przegląd Piechoty. Hij schreef onder meer over externe symptomen van soldatendiscipline; het verbinden van een soldaat aan zijn regiment; vechtinstinct en de opleiding daarvan en skiën in het leger. Zijn boeken waren getiteld The education of the soldier citizen en Quartermastership in the field. De filosofieën die hij gedurende zijn carrière ontwikkelde, waren van invloed op zijn latere leiderschap. Hij had verschillende mantra's:
- verveling is de vijand van de soldaat;
- trainen, trainen, trainen;
- het goede voorbeeld geven is de beste motivator.
Vanwege dat laatste verwachtte hij nooit van zijn soldaten dat ze iets zouden doen wat hij zelf niet bereid was te doen. Er is een foto van hem, voorop in een colonne soldaten die door donker, vuil en vermoedelijk koud water lopen. Ik heb een filmfragment gezien van zijn parachutisten die boksen en worstelen, en ja hoor, daar staat hij midden in de mêlee.
Toen Duitsland Polen binnenviel, was hij commandant van het 21e Regiment Infanterie “Kinderen van Warschau”, dat betrokken was bij bloedige gevechten in Grochów toen Warschau capituleerde. Het regiment sloeg de aanvallen van een vele malen sterkere tegenstander af en bracht de Duitsers zware verliezen toe. Voordat hij in gevangenschap werd gevoerd, onderscheidde generaal Juliusz Rómmel het regiment en zijn commandant met het Zilveren Kruis van de Orde van Virtuti Militari.
Daarom was de generaal, toen hij de Polen naar Arnhem leidde, al een gedecoreerde veteraan. Zowel hij als Stasinek werden gevangengenomen en opgesloten in het krijgsge-
IN STANISŁAWÓW
Stanisławów, mijn geboortestad – vandaag buiten de grenzen van Polen – verschijnt soms voor mijn ogen. Ik zie deze stad en daarin mezelf – een jongen, een middelbare scholier, onopvallend, slecht gekleed, die van de ene les naar de andere rent. Ik zie hem in geheime zelfstudieclubs, bij de padvinders en in een militaire organisatie.
Ik zie deze stad, waar ik met mijn dagelijkse zware arbeid brood verdiende voor mijzelf en mijn gezin, waar mijn karakter werd gevormd en ik leerde de obstakels te overwinnen die zich voor mij opstapelden; de stad waar ik de idealen leerde kennen en liefhebben die de leidraad van mijn leven zijn geworden. Ik verliet Stanisławów voorgoed toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Toen ik er in latere jaren af en toe kwam, leek de stad me anders – niet meer zoals in mijn jeugd, gezien door de bril van mijn eigen ervaringen.
Ik verloor mijn vader heel vroeg. Ik was toen elf jaar oud, mijn broer was zeven en mijn zus vier. Ik herinner me mijn vader vaag. Zijn ogen zijn me het meest bijgebleven. Ze straalden diepe goedheid uit, en indien nodig konden ze streng zijn. Hij heeft nooit zijn hand tegen ons opgeheven; hij keek alleen maar, en dat was genoeg. Zijn hart, dat gevoelig was voor menselijke problemen, zijn overdreven vertrouwen in zijn omgeving en zijn goedgelovigheid, en daarbij helaas ook zijn ‘zwakke hoofd’, waren de bron van zorgen en materiële tegenslagen. Vaak kwam hij met lege zakken thuis. Hoewel ik nog een kind was, begreep ik toen al wat ik niet moest doen.
De dood van mijn vader was de oorzaak van mijn vroegtijdige volwassenheid. Ik verloor de zorgeloosheid en vreugde van mijn kindertijd en jeugd. Het weduwepensioen van mijn moeder was niet voldoende om in onze behoeften te voorzien. We verhuisden van een ruime woning naar een eenkamerappartement met keuken. Mijn moeder had haar handen vol aan de kinderen en kon geen extra werk aannemen. Het ging slecht. Soms hadden we honger. Ik begreep toen dat ik mijn moeder moest helpen. Maar hoe?
Herinneringen aan de middelbare school
Ik ging naar de Realschule in Stanisławów (later het gymnasium voor wiskunde en natuurwetenschappen). Het was een indrukwekkend gebouw van twee verdiepingen, diep in een tuin, aan de hoofdstraat Sapiez.yn´ska. Ik zat al in de derde klas en was dertien jaar oud.
In februari was het bitter koud. Tijdens de pauzes tussen de lessen speelden de jongens op het schoolplein of in de gangen. Ik stond ook in de gang. Ik had het koud en stond ineengedoken. Iemand raakte mijn schouder aan. Ik draaide me om. Voor me stond onze godsdienstleraar, prof. Andrzej Nogaj. “Stachu, waarom trek je je jas niet aan? Je rilt van de kou.” Ik wilde tegenspreken, maar hij drong aan. Toen zei ik: “Eerwaarde professor, ik heb geen jas.” “Hoezo, heb je geen jas, in deze kou? In godsnaam, hoe kom je dan naar school?” “Ik ren, professor.” De bel luidde het einde van de pauze in. Er was geen tijd voor verdere vragen. “Luister, Stachu, kom vanavond naar me toe” zei pater Nogaj.
ʼs Avonds vertelde ik de priester alles over mezelf en dat ik, als oudste, mijn familie moest helpen, en dat de enige oplossing zou zijn om bijles te geven aan zwakkere klasgenoten. Pater Nogaj luisterde en zweeg. Uiteindelijk zei hij: “Ik zal erover nadenken en met de professoren overleggen, we zullen iets bedenken.”
Ik herinner me zijn gezicht nog, hoe hij met enige verlegenheid in zijn soutane tastte en me een paar kronen in de hand drukte: “Neem dit, jongen, sorry dat het zo weinig is. Ik moet ook voor mijn oude moeder zorgen.” Ik aarzelde, ik wilde het niet aannemen, maar hij zei: “Schaam je niet, het is geen aalmoes, het is slechts een lening. Je betaalt me terug als je kunt.ˮ En terwijl hij me het geld in mijn hand drukte, gooide hij me bijna de deur uit. En toen vond ik een jas...
Het was de dag van Sint-Jozef. Het was maart en het werd warmer. Pastoor Nogaj riep me naar het schoolkantoor: “Stachu, kun je je klasgenoot M. helpen met Frans en wiskunde?” “Ja, eerwaarde, dat kan ik zeker!” “Ga na schooltijd meteen naar hem toe.” Ik ging. Onderweg ging ik even langs bij de jezuïetenkerk. Ik knielde neer voor het altaar, waarop Sint-Jozef het kindje Jezus vasthield. Ik keek en dacht zonder woorden één ding: “Help!”. Ik stormde het huis binnen. “Mama, het komt wel goed met ons! Ik zal geld verdienen, ik ga bijles geven!”
Zo begon ik op mijn dertiende als bijlesdocent te werken en gaf ik het verdiende geld aan mijn moeder. Ik was geen gemakkelijke bijlesdocent. Als ik een afspraak maakte voor een uur, liet ik de leerling niet gaan voordat hij de lesstof onder de knie had. Ik was streng, onvermurwbaar en soms erg ongeduldig. Zo groeide mijn reputatie als bijlesdocent. Als een moeder of vader, bezorgd over de slechte vorderingen van hun zoon, de leraar om advies vroegen, kregen ze vaak het antwoord: “Hij is lui en onwetend, hij heeft absoluut hulp en een strenge hand nodig. Er is een bijlesleraar, hij heet Sosabowski – als hij niet kan helpen, kan waarschijnlijk niemand dat.”
Er waren periodes dat ik vijf bijlessen per dag had. De lessen op school duurden van 8 uur �s ochtends tot 1 uur �s middags. Ik kwam thuis om wat te eten en vanaf 2 uur rende ik van les naar les. Rond 9 uur �s avonds kwam ik weer thuis. Het avondeten stond klaar op het fornuis. Ik schrokte het naar binnen en stortte me op mijn bed om in een diepe slaap te vallen. “Stasien´ku, het is al zeven uur, opstaan, tijd om naar school te gaan!”, maakte mijn moeder me wakker. Zo ging week na week, maand na maand voorbij, gedurende mijn hele middelbare schooltijd en studieperiode in Krakau. Ons bescheiden bestaan op de rand van de hongersnood verbeterde enigszins vanaf het moment dat ik bijles ging geven.
Als ik vandaag, na zoveel jaren, terugdenk aan de verhoudingen die heersten in het voormalige Oostenrijkse deel van het land, moet ik toegeven dat de persoonlijke vrijheid en de vrijheid om het Poolse karakter te uiten onbeperkt waren. Natuurlijk was er ook de zogenaamde Galicische armoede. Het land werd uitgebuit door Oostenrijkse en Tsjechische industrieën. De handel was grotendeels in handen van de Joodse gemeenschap. Landgoederen waren met schulden belast en grotendeels verpacht aan handelaren. Het grootste deel van de intelligentsia bestond uit ambtenaren en lokale overheidsmedewer-

← Stanisław Sosabowski ontvangt het vaandel van de 1e Poolse Onafhankelijke Parachutistenbrigade uit handen van president Raczkiewicz tijdens een officiële ceremonie in juni 1944.
↓ De vaandelwacht van de 1e Poolse Onafhankelijke Parachutistenbrigade presenteert op 15 juni 1944 de vaandels van de brigade, met vooraan het zojuist uit Polen ontvangen vaandel.
→ Stanisław Sosabowski (links) maakt zich klaar voor vertrek op 20 september. De vlucht naar Nederland werd die dag geannuleerd vanwege slecht weer.
↘ Poolse parachutisten stappen in een vliegtuig tijdens Operatie Market Garden.



IN SCHOTLAND
Emigratieambtenaren kwamen aan boord
Ik verklaarde aan de oudste van hen dat ik de verantwoordelijkheid voor alle soldaten en hun families op me nam. Ik stelde een aparte groep mij onbekende burgers ter beschikking van de emigratiedienstambtenaren. Ik kreeg de opdracht om de soldaten in groepen van 500 personen te verdelen. Want in zulke groepen zouden ze, na een maaltijd die op het treinstation was voorbereid, het binnenland in trekken. Waarheen? Dat werd niet gezegd. Toen we van boord kwamen, begon het hevig te regenen; op de pier vormde ik groepen.
In het restaurant van het station stonden Engelse dames te wachten met thee, broodjes en sigaretten. Wat een aangename verrassing! Alles verliep vlot. Al vanaf de middag stapten we in de treinwagons en vertrokken we naar het noorden. Ik kan me niet herinneren met welk vervoermiddel ik ben gereisd. Generaal Dreszer verklaarde dat hij naar Londen ging om orders op te halen. Door het raam keek ik naar een land dat ik niet kende en dat zo anders was dan alle andere landen op het Europese continent. Het weelderige groen sprong in het oog. De voorbijglijdende woonwijken leken als twee druppels water op elkaar. Toen werd ik overmand door slaap. Ik had de afgelopen dagen niet veel geslapen. Ik werd wakker toen sombere, rokerige huizen en een treinstation aangaven dat we in Glasgow waren aangekomen.
Glasgow
Op het treinstation wachtte ons een Engelse kapitein op, die mank liep. Hij sprak Frans. Het was een officier die was gestuurd door het zogenaamde District Command in Glasgow. Hij moest voor ons zorgen. “We gaan te voet, jullie bagage wordt met auto’s naar jullie verblijfplaats gebracht.” Er was niet veel bagage, dus er waren ook niet veel auto’s nodig. Onze verblijfplaatsen waren in scholen, die gedeeltelijk waren voorzien van strobedden, gedeeltelijk alleen van stro en dekens.
We marcheerden in groepjes van vier door de stad en zongen. De Schotten die naar hun werk haastten, begroetten ons vriendelijk. Met mijn bescheiden staf nam ik mijn intrek in een van de scholen. Generaal Dreszer belastte mij met de zorg voor alles. Er waren veel zorgen, niet alleen over de soldaten en piloten die met mij op de Alderpool waren meegekomen, maar ook over een deel van de Podhale Brigade onder leiding van kolonel Chłusewicz, die vanuit Narvik niet meer op tijd naar Frankrijk kon terugkeren en ook naar Glasgow was gestuurd. Om de verspreide troepen uit verschillende eenheden in deze miljoenenstad in bedwang te houden, moesten draconische maatregelen worden genomen. Dit was des te noodzakelijker omdat de Schotten, verheugd dat er nieuwe verdedigers van hun vaderland naar hun land waren gekomen, elkaar overtroffen in hun bereidheid om vriendelijk te zijn.
Het stadsbestuur vaardigde een besluit uit dat we allemaal gratis gebruik mochten maken van het openbaar vervoer. Er waren veel voorstellen van de Schotten om whisky
te drinken, iets wat we tot dan toe niet kenden. Ik kon niets anders doen dan iedereen streng huisarrest opleggen. Dit leidde bijna tot een opstand van sommigen. “Met welk recht houdt hij ons gevangen?” Ik was onvermurwbaar. Voor elke accommodatie plaatste ik een wacht. Zelfs voor de kamer van de vrouwen, die ik gezamenlijk had ondergebracht. De meeste problemen had ik met de mannen van de Podhale Brigade en hun commandant, die weigerde mijn bevelen op te volgen omdat hij hoger in rang was. Ik gaf niet toe. Ik had de verzekering van het districtscommando dat maaltijden en andere rantsoenen aan elke accommodatie zouden worden geleverd.
Om verrassingen te voorkomen en ervoor te zorgen dat de indruk die men van ons kreeg bij een eerste ontmoeting positief was, had ik tijdens mijn bezoek aan de brigadegeneraal, de commandant van het district Glasgow, verklaard dat ik de verantwoordelijkheid op me zou nemen voor alle Poolse soldaten die zich in Glasgow bevonden, op voorwaarde dat hij, als commandant, of zijn officieren uitsluitend met mij zouden communiceren. Als een van de Poolse officieren zich in het district zou melden, moest hij naar mij worden doorverwezen. De brigadegeneraal was oprecht verheugd over deze regeling en heeft zich tijdens ons hele verblijf in de omgeving van Glasgow volledig aan de afspraak gehouden.
We hadden geen Britse ponden. Eerlijk gezegd hadden we die op dat moment ook niet echt nodig, enerzijds omdat we geïsoleerd waren van de bevolking en anderzijds omdat alles wat we nodig hadden gratis door het district werd geleverd. Desondanks werd er de dag na onze aankomst iemand uit het district gestuurd om met mij af te spreken hoeveel geld er nodig zou zijn, uitgaande van een dagvergoeding van 2 shilling voor soldaten en 5 shilling voor officieren. Hij was verbaasd toen ik berekende dat er ongeveer 2000 officieren waren. Ik moest hem lang uitleggen hoe het kwam dat de Poolse officieren de soldaten in Frankrijk aan hun lot hadden overgelaten en zelf asiel hadden gezocht in Groot-Brittannië. Het was noodzakelijk om Glasgow zo snel mogelijk te verlaten, als we niet ten onder wilden gaan aan luiheid en wanorde. Daarom ben ik al op de derde dag na aankomst samen met Britse officieren op pad gegaan om een geschikte locatie voor onze verblijfplaats te zoeken. Ik twijfel er niet aan dat deze regio al van tevoren door de Britten was aangewezen, maar uit beleefdheid mocht ik zoeken en de nadelen aangeven als ik iets had gevonden. Zo kwamen we in de buurt van de stad Biggar in het graafschap Lanark terecht, en daar zijn we gebleven. We zouden allemaal in tenten gaan wonen.
Biggar - 2e Infanteriebrigade
Onze kampen bevonden zich rond de nederzettingen Netherton, Springfield, Symington en Culter in de buurt van de stad Biggar. De tenten werden volgens de koninklijke voorschriften op open terrein opgezet, ondanks mijn protesten. Op afstand waren de ruimtes voor de kookketels en aan de andere kant de zogenaamde ‘oogjes’ – een soort toiletpotten, waaronder emmers stonden die niet door een behuizing werden afgeschermd. Deze voorzieningen waren zeer impopulair bij onze soldaten. In de omgeving van mijn
DE KWESTIE VAN DE TERUGKEER NAAR HET VADERLAND
De jaren 1945 en 1946 waren rijk aan gebeurtenissen die verstrekkende gevolgen hadden voor de hele wereld en voor Polen in het bijzonder. Laten we er een paar op een rijtje zetten.
1945
• Januari – bezetting van Warschau door het Poolse leger, dat deel uitmaakte van de Sovjetstrijdkrachten.
• Februari – Conferentie van Jalta.
• 8 mei – capitulatie van Duitsland en overgang van de brigade naar de geallieerde bezettingsmacht in Duitsland.
• 6 juli – de president in ballingschap wordt niet meer erkend, omdat Groot-Brittanië het communistische regime in Polen erkent.
• Augustus – verklaring van de Britse autoriteiten dat zij de president van de Republiek Polen niet erkennen als opperbevelhebber van de Poolse strijdkrachten en evenmin de functie van opperbevelhebber erkennen.
• 18 september – besluit van de president van de Republiek Polen, waarbij de opperbevelhebber wordt gemachtigd om bepaalde taken over te dragen aan de chef van de Generale Staf, die weer de titel van chef van de Generale Staf krijgt.
• 20 september – besluit van de opperbevelhebber om het merendeel van zijn bevoegdheden over te dragen aan de chef van de Generale Staf.
• 25 september – bevel van de chef van de Generale Staf om hem het algemene bevel over het leger en de coördinatie met de marine en de luchtmacht over te dragen. Einde van het jaar – druk van Britse zijde om soldaten naar het vaderland te repatriëren.
1946
• Maart – officiële Britse aankondiging van de demobilisatie van de Poolse strijdkrachten.
• Begin mei – Brits besluit om het 2e Korps naar Groot-Brittannië over te brengen.
• 8 mei – grote overwinningsparade zonder deelname van de Poolse strijdkrachten.
• Mei – besluit van de Britse autoriteiten, minister van Buitenlandse Zaken Bevin, om de Poolse strijdkrachten om te vormen tot het Poolse Korps voor Aanpassing en Herplaatsing, het zogenaamde PKPR.
• 3 september – bevel van de chef van de Generale Staf, waarin wordt aanbevolen om toe te treden tot het PKPR, en standpunt van de Poolse regering over toetreding tot het PKPR, evenals met betrekking tot de soldaten die naar het land terugkeren.
Zoals uit de opgestelde data blijkt, was 1945 het begin van het einde van de Poolse strijdkrachten in het westen. Als een van de vele duizenden die deze periode hebben meegemaakt, kan ik alleen maar over mijn eigen ervaringen spreken, en als inspecteur van
de bewakingseenheden over de mate waarin deze gebeurtenissen van invloed waren op mijn huidige functie.
De beschikbare eenheden die onder het gezag stonden van de minister van Volksverdediging, generaal Kukiel, waren die eenheden die geen deel uitmaakten van grote eenheden, ongeacht hun locatie, dus in theorie de eenheden die zich buiten Groot-Brittannië bevonden of waren gevormd, op het grondgebied van Frankrijk of een ander land op het Europese vasteland. In werkelijkheid was mijn rol als inspecteur, om redenen buiten mijn macht, beperkt tot de eenheden die in Groot-Brittannië waren gestationeerd, dat wil zeggen in Engeland, Wales en Schotland.
Terugkeren – niet terugkeren
“Ga je terug naar het land?” vraagt generaal Modelski, een oude bekende en collega uit de tijd vóór de Eerste Wereldoorlog, wanneer hij me in Hyde Park tegenkomt. “Ik ga terug, daar ben ik nodig.” Toevallig ontmoet ik in Londen, op weg naar de consulaire vertegenwoordiging van de regering van Warschau in de Verenigde Staten, de heer P., een zeer goede bekende en vriend uit de vooroorlogse periode. Hij is erg ‘rood’, maar geen communist, en komt uit de Żoliborz-groep Szklane domki (Glazen huizen). Hij is onberispelijk en idealistisch. “Gaat u terug naar het land, generaal?” vraagt hij. “Want ik raad u als vriend oprecht aan om niet terug te gaan. Daar is geen plaats voor u. Bovendien, zelfs als u de regering daar met de meest oprechte bedoelingen een uiterst loyale verklaring zou afleggen, zou het maar de vraag zijn of ze u geloven en erkennen dat u hun vertrouwen waard bent. Ik weet zeker dat generaal Paszkiewicz al een doodskist voor u heeft laten maken voor het geval u terugkeert.”
Geheel toevallig ontmoet ik een voormalige student van mij van de Hogere Oorlogsschool, destijds kapitein, nu luitenant-kolonel Kuropieska, de pas benoemde militaire attaché van de regering van Warschau in Londen. Hij komt naar me toe: “Mag ik me bij u melden, generaal?” “Maar alstublieft, Kuropieska” – zonder zijn rang te noemen (dat is namelijk mijn gewoonte ten aanzien van mensen die ik goed ken, en ik kende hem goed uit mijn schooltijd). “Ik ben hier als militair attaché. Ik was in gevangenschap en ben teruggekeerd naar mijn land”, antwoordt hij.
We lopen door de straat en praten. Eigenlijk praat hij en luister ik. “Weet u, generaal, ik begrijp niet waarom een aantal generaals naar Polen terugkeert. We hebben daar immers al onze eigen generaals. Was dat in het Westen niet ook zo? Welke van de vooroorlogse generaals, behalve Anders, bekleedde hier in het Westen een verantwoordelijke commandopost? U, Maczek, Szyszko-Bohusz, Wiśniowski” – en hij somde alle generaals op die het bevel voerden – “zijn hier in het Westen generaal geworden. De generaals die ouder waren dan u, die de gevangenschap ontliepen en in het Westen terechtkwamen, werden overgeslagen en kregen geen bevelsposten. In Polen is het momenteel hetzelfde. Daar is geen plaats voor jullie.”
Hij zei dit op een hartelijke toon, zonder iemand te willen beledigen, en wilde alleen maar zeggen dat er in de huidige situatie in Polen, zelfs als we zouden besluiten terug
