14 Waarom loopt er een biergrens dwars door Overijssel?
20 Waarom had Kampen zomaar de hoofdstad van Nederland kunnen zijn?
26 Waarom wonen de meeste knappe koppen in Twente?
32 Waarom willen alle toeristen naar Giethoorn?
38 Waarom kon Overijssel niet zonder Dolle Mina’s?
44 Waarom splitst het landschap Overijssel in drieën?
50 Waarom is Deventer de bakermat van de fiets?
56 Waarom komen ‘domme boeren’ uit het oosten?
62 Waarom werd de IJsselstreek de intellectuele hotspot van ons land?
68 Waarom gaven de marken bijna iedereen bestaanszekerheid?
74 Waarom heeft er een Overijssel in ZuidAmerika bestaan?
80 Waarom zat Overijssel niet te wachten op de Nederlandse Opstand?
86 Waarom wist bijna niemand van het bestaan van de IJssellinie?
92 Waarom zat Holland er dankzij Overijssel warmpjes bij?
98 Waarom was Overijssel in de middeleeuwen een ruw strijdtoneel?
104 Waarom is noaberschap (g)een typisch Overijssels fenomeen?
110 Waarom werd Ommen het spirituele centrum van de wereld?
116 Waarom was een Zwolse baron de grootste influencer van zijn tijd?
122 Waarom gaven de Overijsselse koeien steeds meer melk?
128 Waarom werd Twente dé textielregio van Nederland?
134 Waarom begint de Biblebelt in Overijssel?
140 Waarom had Zwolle een vrouwelijke kunstscene?
146 Waarom is Oldenzaal de carnavalshoofdstad van Overijssel?
152 Waarom bestaat dé Overijsselaar niet?
158 Noten
159 Auteurs
Waarom was Overijssel een ‘moetje’?
Op 21 maart 1528 zwoeren de bestuurders van Overijssel in Kampen trouw aan de Habsburgse keizer Karel V als hun nieuwe landsheer. Het betekende het einde van het Oversticht en de geboorte van Overijssel. Maar van harte ging het allemaal niet. Overijssel was niets anders dan een ‘moetje’. Een gedwongen huwelijk, dat tot stand kwam uit bittere noodzaak.
In de vijftiende eeuw kon je de Noordelijke Nederlanden allesbehalve een eenheid noemen. Het gebied was een verzameling losse gewesten die onderling van elkaar verschilden. Drie leiders van deze gewesten waren de belangrijkste machthebbers: de graaf van Holland, de hertog van Gelre en de bisschop van het Nedersticht (grofweg de huidige provincie Utrecht) en het Oversticht (het latere Overijssel en Drenthe en de stad Groningen). Van hen was de Utrechtse bisschop de minst krachtige bestuurder. Hij kampte voortdurend met financiële problemen en had betrekkelijk weinig invloed in het Oversticht, dat relatief ver van Utrecht lag. Een vierde speler van betekenis diende zich in de loop van de vijftiende eeuw aan: het vorstenhuis Habsburg. Het had door slimme huwelijkspolitiek en veroveringen zijn macht in Europa fors uitgebreid. In 1482 kwamen ook de Nederlanden in het bezit van de Habsburgers. Veel aandacht was er aanvankelijk niet voor het nieuwe grondgebied. Maar de bemoeienis van de machtigste familie van het continent hing als een dreigende wolk boven de Noord-Nederlandse gewesten.
De Habsburgers hadden met de benoeming van David van Bourgondië, een bastaardzoon van de Bourgondische hertog Filips de Goede, in 1456 tot bisschop van Utrecht, al een sterke troefkaart in handen. De Bourgondiërs (die ook de graven van Holland waren) hadden dankzij hem het Sticht en Oversticht in hun invloedssfeer weten te krijgen.
Speelbal voor de machthebbers
Hertog Karel van Gelre bezag de situatie en koos voor de aanval als beste verdediging. Hij wilde zijn positie versterken door de noordelijke gewesten te annexeren. Alleen dan kon hij zich weren tegen de Habsburgers, was het idee.
Kaart van het Nedersticht en het Oversticht omstreeks 1350. De lichtgekleurde gebieden in het Oversticht zijn de heerlijkheden Ruinen en Almelo.
De dood van David van Bourgondië in 1496 verhoogde de spanning verder. Een gewapend conflict kon niet uitblijven. Zes jaar later was het zover met het uitbreken van de Gelderse oorlogen. Het Sticht en het Oversticht werden hierin een speelbal voor de strijdende partijen, hertog Karel van Gelre en de Habsburgse vorsten Filips I (de Schone) en Karel V.1
Vooral het Oversticht kreeg het zwaar te verduren tijdens de Gelderse oorlogen. Het kwam zelfs tot een hevige onderlinge strijd tussen Zwolle en Kampen. Toen Zwolle in 1521 uit opportunistische overwegingen de kant koos van de hertog van Gelre, werd dat beschouwd als verraad. De stadsbestuurders hadden daarmee hun eed (met opgeheven vingers) aan de bisschop verbroken. De rivalen in Kampen noemden hen daarom ‘blauwvingers’, een bijnaam die eeuwenlang hardnekkig in stand bleef.
Waarom splitst het landschap Overijssel in drieën?
Wie een kaart van het Overijsselse landschap bekijkt, ziet meteen hoe natuurlijke barrières Salland, Twente en het Land van Vollenhove van elkaar scheiden. Dat deze gebieden zich in de loop van de geschiedenis ontwikkelden tot regio’s met een eigen bestuur, economie en herkenbare identiteit, is geen toeval. De bestuurlijke driedeling die Overijssel sinds de middeleeuwen kenmerkt, is in de kern terug te voeren op het landschap zelf.
Het landschap van Overijssel is het resultaat van een zeer lange ontstaansgeschiedenis. De oudste bewaard gebleven bodem van de provincie ligt in het zuidoosten van Twente. Dit zogenoemde Oost-Nederlands Plateau werd twee tot vijf miljoen jaar geleden gevormd en kwam door verschuivingen van aardplaten geleidelijk aan de oppervlakte. Veel later, tijdens de voorlaatste ijstijd, raakte Overijssel bedekt onder een dikke laag landijs. Dat ijs schoof de bodem als een bulldozer voor zich uit en wierp stuwwallen op, zoals de Sallandse Heuvelrug, het Hoge land van Vollenhove en de stuwwallen bij Ootmarsum en Enschede-Oldenzaal. Deze hoger gelegen zandgronden boden later veilige, droge plekken voor bewoning en landbouw.
Sporen van bewoning
Toen het ijs zich terugtrok, stroomde het smeltwater in grote hoeveelheden richting de Noordzee en sleet het diverse smeltdalen uit. Rivieren en beken als de Vecht, Regge, Schipbeek, Dinkel, IJssel en het Zwarte Water vonden hier hun bedding. Tijdens de laatste ijstijd bereikte het landijs Overijssel niet meer, maar zorgde de kou voor het ontstaan van een open, bijna boomloze poolwoestijn. De wind kreeg daardoor vrij spel en blies grote hoeveelheden zand over de provincie. Op deze manier ontstonden dekzandruggen en -kopjes, soms om de stuwwallen heen.
Veenontginningen
Veenderijen
Stuwwallen
Stroomruggen
Komgebieden
Dekzandgebieden
Beekdalen en broekgebieden
De natuurlijke landschappen van Overijssel. (via: Martijn Hoekman, Het Oversticht)
Juist deze hoger gelegen, droge plekken werden al vroeg door mensen gebruikt, zoals blijkt uit sporen van jachtkampen uit de middensteentijd (10.000-5.000 v. Chr.) bij Raalte en Holten en het in 2015 bij Dalfsen opgegraven grafveld van de Trechterbekercultuur (4500-2800 v. Chr.).
Na de laatste ijstijd brak ongeveer 11.000 jaar geleden met het Holoceen een warmere periode aan. In grote delen van Overijssel ontstonden uitgestrekte veengebieden. Grote veencomplexen lagen in het Land van Vollenhove en ten oosten van de Sallandse Heuvelrug. Deze natte, moeilijk doordringbare landschappen vormden eeuwenlang een natuurlijke barrière tussen de hogere zandgronden en waren een belangrijke oorzaak van het ontstaan van de Overijsselse driedeling. Reizen door het veen was zwaar en tijdrovend. De zachte ondergrond maakte paden onbetrouwbaar en karren zakten gemakkelijk weg. Daardoor bleven Salland, Twente en het Land van Vollenhove lange tijd relatief van elkaar gescheiden en ontwikkelden deze landschappen zich elk op een eigen manier.1
Waarom wist bijna niemand van het bestaan van de IJssellinie?
Journalist Klaas Vos van het Deventer Dagblad kreeg in de vroege jaren vijftig lucht van een mysterieus project in de buurt van landgoed De Haere bij Olst, waar hij graag over wilde schrijven. Maar zijn hoofdredacteur verbood het hem: orders vanuit Den Haag.1 Niemand in Nederland mocht weten wat er gebeurde aan de oevers van de IJssel. Pas veertig jaar later zou blijken wat ‘het grootste geheim van Overijssel’ was.
Het geheime project langs de IJssel was eigenlijk een moderne uitwerking van ideeën die al tijdens de Tachtigjarige Oorlog leefden. Prins Maurits van Nassau had eind zestiende eeuw de IJsselsteden op de Spanjaarden veroverd. Een verdedigingslinie in het zuiden en oosten zou volgens hem de vijand (tijdelijk) op afstand houden. Dat wil zeggen: vanuit Hollands perspectief bezien, want Overijssel zelf zou er weinig mee opschieten. Maurits liet tientallen schansen inrichten langs de Waal, de Rijn en de IJssel. Zo ontstond een langgerekte waterlinie van Gorinchem tot Zwolle, met schansen op 1,5 tot 3,5 kilometer van elkaar.2
In de praktijk bleek deze oerversie van de IJssellinie allesbehalve afdoende. Verschillende keren konden legertroepen in de wintermaanden de bevroren rivier moeiteloos oversteken. Ook de lage waterstand van de IJssel (minder dan 1 meter) bleek een zwak punt. Bovendien werden de verdedigingswerken verwaarloosd. Het Rampjaar 1672, toen de Republiek door Engeland, Frankrijk en de bisschoppen van Münster en Keulen werd aangevallen, toonde aan dat de IJssellinie weinig voorstelde. Tot inundatie, het onder water zetten van gebieden, was het nauwelijks gekomen. Met moeite kon worden voorkomen dat de Fransen ook de westelijker gelegen Hollandse waterlinie zouden oversteken.
De stuw bij Olst maakte deel uit van de IJssellinie en moest ervoor zorgen dat snel een groot gebied onder water gezet kon worden. (foto: Stichting IJssellinie)
Menno van Coehoorn
De IJssel speelde ook daarna slechts een beperkte rol in het Nederlandse waterverdedigingssysteem. Vestingbouwkundige Menno van Coehoorn (1641-1704) maakte plannen voor het opstuwen van de bovenloop van de IJssel, maar die werden niet uitgevoerd. De rivier bleef zo meer een vertragende, natuurlijke hindernis, met hier en daar een fortificatie, dan een zwaar toegerust defensiewerk. Op papier was er sprake van een 120 kilometer lange IJssellinie, van Pannerden tot Kampen. In de praktijk hield de linie op bij het bruggenhoofd Deventer. Toen de Duitse oorlogsdreiging in het voorjaar van 1940 groot was, moest de weerstand komen van vijf bataljons voorzien van verouderd materieel. Ze bleken op 10 mei geen partij voor het goed bewapende Duitse leger, dat snel kon oprukken naar het westen. Ook de Hollandse waterlinie hield de vijand niet tegen.
De IJssellinie kwam niettemin aan het einde van de oorlog weer in beeld, dit keer bij de Duitsers die maatregelen namen tegen de oprukkende geallieerden. Met grootschalige inzet van dwangarbeiders liet de bezetter rondom Zwolle loopgraven en tankgrachten graven. Ook een aantal eerder dichtgemetselde kazematten werd weer in gebruik genomen. Veel van de dwangarbeiders kwamen uit Twente. Deze zogenoemde Twentse gravers bedankten na de oorlog de burgers van Zwolle voor hun gastvrijheid en steun door een zitbank in de binnenstad te laten plaatsen.
Waarom is noaberschap (g)een typisch Overijssels fenomeen?
Noaberschap. Menig Overijsselaar spreekt dit begrip met enige trots uit. De term verwijst naar het systeem van wederzijdse burenhulp, in goede én slechte tijden, dat eeuwenlang het sociale cement vormde van plattelandsgemeenschappen. Het zou vooral in het oosten van het land hebben bestaan, en tot op de dag van vandaag diep in onze cultuur verankerd zitten. Althans, als we afgaan op wat regionale politici, bestuurders en streekmarketeers zeggen. De website Visit Twente beweert zelfs dat het elkaar helpen ‘in ons bloed’ zit. Maar is noaberschap werkelijk zo typisch voor Overijssel als men ons graag doet geloven?
De oorsprong van noaberschap gaat terug tot de middeleeuwen, toen buurschappen, marken en kerspels het openbare leven op het platteland vormgaven. In dunbevolkte regio’s functioneerden relatief geïsoleerde dorpsgemeenschappen grotendeels op eigen kracht. Bewoners organiseerden samen het onderhoud van wegen, waterlopen en landbouwgronden. Binnen die structuren ontwikkelde zich een systeem van onderlinge burenhulp bij bijvoorbeeld agrarische werkzaamheden en het bouwen van huizen, maar ook rond geboorten, huwelijken, ziekte en overlijden. Dat gold niet alleen voor Overijssel, maar voor het hele Nedersaksische gebied en vermoedelijk ook voor grote delen van West-Europa waar vergelijkbare gemeenschappen bestonden.1
De oudst bekende verwijzing naar zo’n systeem in Overijssel staat in het markerecht van de marke Harculo bij Zwolle uit 1474. Hierin werd vastgelegd dat buren elkaar ‘nae older gewoonte’ moesten helpen bij begrafenissen, een aanwijzing dat het gebruik al veel ouder was.
Noabers smeren broodjes ter voorbereiding van een bruiloft in de buurschap Stokkum bij Markelo, 1942. (Stichting Heemkunde Markelo)
Het systeem van noaberschap was gebaseerd op wederkerigheid: wie hulp bood, kon op een later moment zelf ook hulp verwachten. In Friesland staat dit bekend onder de naam mienskip. Tot ver in de negentiende en twintigste eeuw speelde noaberschap een belangrijke rol op het platteland, al kenden ook steden eigen vormen van informele burenhulp.2
Eenwording
Vanaf het begin van de negentiende eeuw veranderde het plattelandsleven ingrijpend, wat ook voor noaberschap diepgaande gevolgen had. De min of meer zelfstandige Nederlandse gewesten gingen op in een moderne eenheidsstaat met steeds meer economische, politieke en culturele uniformiteit, een proces dat ook wel de eenwording van Nederland wordt genoemd. De traditionele Overijsselse buurschaps- en markebesturen maakten hierin plaats voor gemeenten en provincies, die geleidelijk openbare taken overnamen die voorheen door bewoners zelf werden gedaan. Tegelijkertijd ondermijnde de verdeling en privatisering van de markegronden tussen 1840 en 1870 de bestaanszekerheid van kleine boeren. Dit leidde tot een toenemend verschil tussen rijk en arm en verminderde de sociale cohesie binnen gemeenschappen.3
De uitgever heeft ernaar gestreefd de rechten met betrekking tot de illustraties volgens de wettelijke bepalingen te regelen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.
Van werken van beeldende kunstenaars aangesloten bij een CISAC-organisatie is het auteursrecht geregeld met Pictoright te Amsterdam.
Deze uitgave werd mede mogelijk gemaakt door Provincie Overijssel
Over ijssel in 25 vragen
Waarom loopt er een biergrens dwars door Overijssel? Had Kampen echt zomaar de hoofdstad van Nederland kunnen worden? En waarom wordt carnaval nergens in de provincie zo uitbundig gevierd als in Oldenzaal?
In Overijssel in 25 vragen nemen historici van de Overijsselacademie je mee langs plekken, gebeurtenissen en ontwikkelingen die niet alleen de provincie hebben gevormd, maar ook hun stempel op Nederland hebben gedrukt. Van de Hanze tot de Biblebelt, van de turfwinning tot de Twentse textielindustrie: grote en kleine verhalen laten zien hoezeer het verleden van Overijssel nog altijd doorwerkt in het heden.
Overijssel in 25 vragen biedt daarmee een toegankelijke en prikkelende kennismaking met de veelzijdige geschiedenis van de provincie.