Skip to main content

Oorlogsboeven 9789464562965_inkijk

Page 1


Oorlogsboeven

Oorlogsboeven

Alledaagse criminaliteit tijdens de Tweede Wereldoorlog

Deze uitgave is mede tot stand gekomen dankzij een financiële bijdrage van het Mondriaan Fonds in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Omslagontwerp: Mijke Wondergem

Omslagbeeld: Bewerking affiche ptt, 1943 (niod/Beeldbank wo2) Opmaak binnenwerk: Crius Group, Hulshout

isbn 978 94 6456 296 5

e-isbn 978 90 4856 527 6 nur 689/696

Creative Commons License CC BY NC ND

(http://creativecommons.org/licenses/by-nc-nd/4.0)

© 2024 J.J. Zurné / 2024 Uitgeversmaatschappij Walburg Pers, Zutphen www.walburgpers.nl

Some rights reserved. Without limiting the rights under copyright reserved above, any part of this book may be reproduced, stored in or introduced into a retrieval system, or transmitted, in any form or by any means (electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise).

Zoveel mogelijk is getracht de eventuele rechthebbenden van de afbeeldingen te achterhalen. Rechthebbenden die in dit verband niet zijn benaderd wordt verzocht zich met de uitgever in verbinding te stellen.

Inhoudsopgave

1 ‘Voor dit gedrag vind ik geen woorden!’ 18

Lijkroof bij de Duitse inval

2 ‘Een epidemie van ongekende omvang’ 32

Fietsendiefstal als alomtegenwoordig probleem

3 ‘Tuchteloosheid van de jeugd’ 53

De bende van het Lariksplein

4 ‘Wat was er in dien tijd nu strafbaar?’ 67

De onbekende gevaren van onderduiken

5 Aan de Duitse Wehrmacht onttrokken suiker 81

Diefstal door de politie en het schemergebied tussen criminaliteit en verzet

6 ‘Niks anders als narigheid’ 101 Een oplichter grijpt zijn kans

7 ‘Er zal wel een vuiltje aan zitten’ 117 Evacuatie, diefstal en plundering

8 Elke zondag een boekentas vol suiker en boter 131

Een stelende dienstbode in Vught

9 ‘Het juiste begrip voor het mijn en dijn is nog niet hersteld’ 146

Diefstal na de bevrijding Besluit

Inleiding

In bezet Nederland stikte het van de dieven. Dat zien we als we door de boeken bladeren waarin de rechterlijke macht in de jaren veertig alle behandelde rechtszaken noteerde. Bijvoorbeeld: op 12 februari 1942 werden bijna alle zeventien verdachten die zich moesten verantwoorden voor de Bossche arrondissementsrechtbank verdacht van diefstal of heling.1 Het waren vrijwel allemaal fietsendieven.2 In maart 1944 stonden tijdens vijf zittingsdagen voor diezelfde rechtbank negen op de tien verdachten terecht wegens een vermogensdelict (diefstal, heling of verduistering).3 Toch blijft de golf van vermogenscriminaliteit in bezet en naoorlogs Nederland enigszins abstract als we de boeken van de rechtbank bekijken. De informatie die erin staat is heel summier: meer dan de naam van de verdachte, het strafbare feit, de strafeis van het Openbaar Ministerie (om) en het vonnis komen we niet te weten.

In kranten vinden we al wat meer informatie over wie zich op het foute pad begaf en waarom. De misdaadrubrieken stonden tijdens de bezetting vol met kleine en grote vermogenscriminaliteit. Journalisten trokken de aandacht van nieuwsgierige lezers met sensationele titels als ‘Een krachtdadige groentenvrouw. Zij sloeg een rijwieldief van zijn gestolen fiets’; ‘Niets is meer veilig voor dieven’ en ‘Officier van justitie klaagt: het dievengilde wordt bij den dag brutaler’. 4

We komen pas echt dicht bij het verleden als we in het archief in de procesdossiers en vonnissen van dieven duiken. Procesdossiers bevatten alle documenten die de politie en het om tijdens de strafrechtelijke procedure hebben verzameld over de verdachte en het misdrijf. Soms ‘horen’ we daarin de stem van verdachten uit tweede hand. Bijvoorbeeld wanneer we in politieverhoren de woorden van een verdachte lezen zoals een agent ze heeft opgetekend of zien welke verklaringen de griffier tijdens een terechtzitting heeft genoteerd. Op andere momenten komen de verdachten zelf aan het woord, zonder filter. Zo schrijft een dief in 1946 aan zijn rechter: ‘Edel Achtbare ik hoop dat u er

eenige voorstelling van zult hebben wat het is geweest in deze jaren en mijn klasse van mensen, dat zult uw tog de overtuiging hebben dat ik ook ’n oorlogs slachtoffer zijt’.5 Hier komen de oorlogsboeven tot leven en lezen we hun eigen woorden in hun eigen handschriften.

De gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (cbs) bevestigen dat er tijdens en vlak na de bezetting uitzonderlijk veel diefstallen werden gepleegd in Nederland. Zoals te zien is in afbeelding 1, veroordeelden Nederlandse rechtbanken in 1943 bijna vier keer zoveel personen wegens diefstal als in 1939.6 Na de bevrijding namen deze aantallen geleidelijk af.7 En dan vermeldden de misdaadstatistieken alleen de veroordeelde verdachten. Als we rekening houden met diefstallen waarvan de dader niet is gevonden of waarvan nooit aangifte is gedaan, moet het werkelijke aantal vermogensdelicten tijdens en vlak na de bezetting nog veel hoger zijn geweest.

Bron: cbs, Criminele statistiek over de jaren 1948 en 1949

Deze cijfers roepen de vraag op hoe het kwam dat er tijdens de bezetting zoveel diefstallen werden gepleegd. In dit boek

lees je hoe zowel voorheen nette burgers als mensen met een vooroorlogs strafblad tussen het voorjaar van 1940 en de zomer van 1945 ‘oorlogsboeven’ werden. Sommigen van hen voelden zich door de bezettingsomstandigheden gedwongen om te stelen, anderen grepen de gelegenheid moedwillig aan en maakten misbruik van de situatie. De oorlog bood ‘nieuwe kansen en mogelijkheden’ en dat zien we terug in de diefstallen. 8 We bekijken ook hoe verdachten hun misdrijven voor zichzelf en voor anderen rechtvaardigden. Beschouwden ze die überhaupt wel als misdrijven? En hoe zat het met de Nederlandse rechters die over hen moesten oordelen? Hadden zij tijdens de bezetting meer compassie voor stelende landgenoten, of beschouwden ze diefstal in tijden van schaarste en toenemende armoede juist als een extra groot gevaar, dat hard bestraft moest worden?

Door de eeuwen heen zijn criminaliteit en de opvattingen die bestaan over misdaad en straf steeds in ontwikkeling.9 Wat door de geschiedenis heen als crimineel, (im)moreel of strafwaardig gedrag werd beschouwd, is veranderlijk. 10 Met andere woorden: de betekenis die mensen geven aan criminaliteit kan veranderen. Dat geldt niet alleen voor machthebbers die criminaliteit proberen te beteugelen, maar ook voor burgers die de wet overtreden of slachtoffer worden van een misdrijf. Burgers doen ‘van onderop’ mee aan het onderhandelingsproces over wat wel en niet mag. 11 In tijden van oorlog verschuiven de verhoudingen bij dat onderhandelingsproces, bijvoorbeeld omdat een bezettingsmacht wetgevende of rechtsprekende functies overneemt van lokale rechters, of omdat burgers het recht meer in eigen hand nemen.12 Daarnaast kan tijdens een oorlog of bezetting het onderscheid tussen wat al dan niet geaccepteerd of getolereerd wordt verschuiven, bijvoorbeeld door de opkomst van nieuwe soorten criminaliteit. Daarmee veranderen de verwachtingen van justitie en rechtspraak, zowel bij burgers als bij rechters.13 In dit boek bekijken we welke gevolgen deze verschuivingen tijdens en vlak na de bezetting in Nederland hadden voor vermogensdelicten zoals diefstal, verduistering en oplichting.

Daarbij komen twee perspectieven aan bod: dat van de oorlogsboeven zelf en dat van de Nederlandse rechterlijke macht. Door de verhalen van en over verdachten van diefstal komen we meer te weten over de individuele verhalen achter de enorme toename van vermogenscriminaliteit tijdens de bezetting. Ook zien we wat er zoal werd gestolen en door wie. Bovendien vertelden verdachten tijdens het strafproces waarom ze een diefstal hebben gepleegd en in welke omstandigheden ze dat hebben gedaan. In die uitleg schuilt vaak een verantwoording of een poging tot rechtvaardiging. De verdachten gaven bijvoorbeeld redenen voor hun misdrijf, of vertelden welke aanleidingen er waren om zich op het criminele pad te begeven. Zo zien we welke nieuwe gelegenheden de bezettingsomstandigheden boden voor diefstal en andere vormen van vermogenscriminaliteit. Natuurlijk is het daarbij van belang in het achterhoofd te houden dat de verdachten zichzelf in een zo positief mogelijk daglicht probeerden te stellen. Dat kon immers uitmaken voor de straf die ze kregen.

Het andere perspectief is dat van de Nederlandse rechterlijke macht. Beschouwden rechters diefstal in oorlogstijd als even ‘erg’ als in vredestijd? Hadden ze oog voor strafverlichtende omstandigheden, zoals schaarste, toegenomen armoede, werkloosheid en honger? Of vonden ze dat wie in zulke omstandigheden stal ten nadele van medeburgers juist een hogere straf verdiende?

Het gerechtelijke perspectief behoeft wat meer uitleg. Want de Nederlandse rechterlijke macht functioneerde tijdens de bezetting niet hetzelfde als ervoor of erna. Vanuit de hedendaagse samenleving kunnen we ons zelfs afvragen wat vooroorlogse opvattingen over criminaliteit nog betekenden in een tijd waarin op grote schaal Joodse burgers uit de samenleving werden gesloten, hun bezittingen werden afgenomen, en zijzelf werden gedeporteerd en vermoord. Onder meer de Jodenvervolging toont aan dat tijdens de bezetting allerlei vormen van roof buiten het strafrecht terechtkwamen. Vanzelfsprekend zagen de Duitse autoriteiten inbeslagname van bezittingen en het vermogen van Joodse burgers niet als misdrijf. Wanneer buren vervolgens zonder toestemming van gedeporteerde of ondergedoken Joden

Met dit affiche waarschuwde de PTT in 1943 tegen diefstal (niod/Beeldbank wo2)

hun spullen in gebruik namen, werd dat weliswaar als ongewenst beschouwd, maar het leidde tijdens en na de oorlog zelden tot strafrechtelijke vervolging. Uit hoofdstuk 4 blijkt dat de positie waarin Joden door de vervolging terechtkwamen hen bijzonder kwetsbaar maakte om slachtoffers te worden van (vermogens-) criminaliteit.

Terwijl de Jodenvervolging een ongekende gebeurtenis was met voorheen onvoorstelbare gevolgen, zetten veel rechters tijdens de bezetting hun dagelijkse werk ‘gewoon’ voort. Op allerlei terreinen werkten ze zo goed en zo kwaad als het ging door in een poging de rechtsorde te behouden. Dat lukte uiteindelijk niet. Duitse politiediensten stuurden talloze Nederlanders die zich op allerlei manieren verzetten tegen de bezettingsmacht zonder enige vorm van proces naar concentratiekampen.

Naast die buitengerechtelijke straffen trokken de Duitse autoriteiten de bevoegdheid over de berechting van bepaalde misdrijven naar zich toe. Daarvoor werden in bezet Nederland verschillende rechtbanken ingericht. Hier oordeelden Duitse rechters op basis van nationaalsocialistische opvattingen. Het ging vooral om misdrijven die de bezettingsautoriteiten te belangrijk vonden om over te laten aan de in hun ogen te milde Nederlandse rechters, inclusief bepaalde soorten vermogensdelicten.14 De meest voor de hand liggende was anti-Duits verzet, waaronder roofovervallen om distributiebonnen buit te maken die verzetsmensen gebruikten om onderduikers te helpen. 15 Daarnaast behandelden Duitse rechtbanken vermogensdelicten die gepleegd waren door Duitsers of ten nadele van bezettingsinstanties of Duitse burgers. In sommige gevallen verklaarde de bezettingsmacht zich bevoegd om te oordelen over misdrijven die waren gepleegd door of ten koste van Nederlandse leden van nationaalsocialistische collaboratiebewegingen.16 Dat kon ook gebeuren bij andere misdrijven waarbij Duitse belangen werden geschaad, of die de bezettingsmacht als bijzonder verwerpelijk beschouwde.17

Al deze zaken werden onttrokken aan de Nederlandse rechtspleging en spelen daarom in dit boek geen prominente rol. De focus ligt op de Nederlandse rechterlijke macht en hoe die omging met diefstal en andere vermogensdelicten. Voor dit thema is het logisch om in te zoomen op de Nederlandse rechters, want zij veroordeelden minstens vijftien keer zoveel dieven als de Duitse rechtbanken in het bezette land.18 Dat is niet verwonderlijk, want een van de uitgangspunten van het Duitse bestuur was om zo

veel mogelijk over te laten aan Nederlandse instanties, omdat er lang niet genoeg Duits personeel was om alle overheidstaken over te nemen.19

Tijdens de bezetting bleef het Nederlandse vooroorlogse justitiële apparaat grotendeels intact. Nederlandse magistraten moesten daarvoor wel samenwerken met nieuwe, Duitse bestuursorganen. De hoogstgeplaatste gesprekspartners van de Nederlandse justitietop waren de commissarissen-generaal voor Bestuur en justitie (Friedrich Wimmer) en Openbare veiligheid (Hanns Albin Rauter). Omdat de Nederlandse regering was gevlucht, stond niet de minister, maar de secretaris-generaal aan het hoofd van het departement van Justitie. Aanvankelijk was dat dezelfde hoge ambtenaar als voorheen, maar die trad in het voorjaar van 1941 af. Daarop werd de nationaalsocialistisch gezinde jurist Jaap Schrieke benoemd tot secretaris-generaal. Hij was lid van de Nationaal-Socialistische Beweging (nsb), maar liet zich hier in zijn werk als bestuurder niet blindelings door leiden. Zo overlegde hij weinig met nsb-leider Mussert en vond hij dat het onafhankelijke oordeel van rechters zo veel mogelijk gerespecteerd moest worden.20 Voor de afdelingshoofden van het departement betekende de komst van Schrieke desalniettemin dat ze zelfstandiger moesten werken en aan hun leidinggevende in politieke zin geen ‘goed’ klankbord meer hadden.21

Het hoogste rechtsorgaan van Nederland, de Hoge Raad, verloor tijdens de bezetting bij de Nederlandse bevolking veel legitimiteit. Hoewel de inhoud van de rechterlijke uitspraken over het algemeen stabiel bleef, keurden veel Nederlanders de houding van de Hoge Raad ten opzichte van de bezettingsmacht af. Steeds als de Duitse autoriteiten drempels overschreden, bleef de Hoge Raad stil. Voor de raadsheren was aanblijven prioriteit, niet het maken van statements. Zelf vonden ze dat ze daarmee de belangen van de Nederlandse bevolking dienden.22

Op het niveau van de procureurs-generaal, die leidinggaven aan het om, plaatste de bezettingsmacht in de loop van de bezetting steeds meer Duitsgezinden. In het voorjaar van 1942 waren alle procureurs-generaal van nationaalsocialistische

signatuur. Daarmee was de top van het om genazificeerd. 23 Tijdens de bezetting werden een aantal wijzigingen doorgevoerd in de Nederlandse rechtspraak, waarvan sommige nationaalsocialistisch gemotiveerd waren. Voorbeelden daarvan zijn de vrederechtspraak, een soort politierechter die politieke zaken behandelde, en de afschaffing van de voorwaardelijke veroordeling. Veel rechters waren het niet eens met deze veranderingen en probeerden ze zo goed en zo kwaad als het ging te omzeilen. Zo traineerden sommige magistraten de werking van de vrederechters en zochten ze creatieve manieren om toch voorwaarden te verbinden aan de uitvoering van bepaalde straffen.24

Hoewel de gehele top van het om Duitsgezind was, gold dat niet voor het merendeel van de rechters en medewerkers van het om . Tijdens de bezetting deden de bezettingsautoriteiten wel pogingen om politieke tegenstanders uit de rechterlijke macht te verwijderen en Duitsgezinde personen te benoemen tot rechter. Zo werden elf rechters ontslagen omdat zij of hun echtgenote Joods waren en negen om politieke redenen, bijvoorbeeld omdat ze openlijk hadden geprotesteerd tegen Duitse maatregelen. 25 Bij de rechtbanken en gerechtshoven waren de nationaalsocialisten weliswaar prominent aanwezig als voorzitters (respectievelijk 22% en 40%), maar van alle Nederlandse rechters was minder dan een tiende Duitsgezind. Belangrijk is ook dat bijna de helft van die pro-Duitse magistraten al voor de bezetting rechter was. De pogingen van de bezettingsmacht en de nsb om meer Duitsgezinden te benoemen in de rechterlijke macht slaagden dus niet. De invloed van nationaalsocialistische rechters op de algemene rechtspraak was uiteindelijk zeer beperkt. 26

Juist daarom is het de moeite waard om rechtszaken te bestuderen waarin de Nederlandse rechters weinig inmenging van de Duitse autoriteiten te vrezen hadden. Voor diefstalzaken bij de arrondissementsrechtbanken had de bezettingsmacht meestal geen enkele interesse.27 Deze ‘gewone’ diefstallen zeggen daarom veel over het dagelijkse functioneren van de Nederlandse justitie en over de handelingsruimte die rechters hadden. Hoewel deze

zaken opvallend alledaags zijn, is de bezetting op een of andere manier altijd aanwezig, op de achtergrond of juist prominent. Thema’s die voor de bezettingsmacht prioriteit hadden, zoals collaboratie, verzet en de Jodenvervolging, speelden in deze zaken meestal geen grote rol. Toch zien we ze in verschillende hoofdstukken van dit boek terug. Dat laat zien dat vervolging, verzet en collaboratie doorsijpelden in alle hoeken en lagen van de bezette samenleving.

Om diefstal tijdens de bezetting te bestuderen, is het noodzakelijk om keuzes te maken. Allereerst omdat het zo’n wijdverspreid verschijnsel was: alleen al in de eerste drie jaar van de bezetting werden vele tienduizenden Nederlanders veroordeeld wegens diefstal. 28 Van lang niet al deze rechtszaken is bronnenmateriaal bewaard gebleven. In de gerechtelijke arrondissementen ’s-Hertogenbosch en Haarlem is wel veel materiaal overgeleverd. Daarom zijn de hoofdstukken uit dit boek gebaseerd op rechtszaken uit die regio’s.29 Dat heeft niet alleen praktische redenen, want de twee arrondissementen zijn in bevolkingsomvang en -samenstelling vergelijkbaar en omvatten zowel stedelijke gebieden als platteland, met bijbehorende industrie en landbouw.30

Ook de historische ontwikkeling in deze regio’s voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog maken ze het bestuderen waard. Het oosten van de provincie Noord-Brabant had in eerste helft van de twintigste eeuw een slechte reputatie, onder andere door bekende criminelen, zoals de ‘Zwarte Ruiter’ en de ‘Bende van Oss’. In de jaren vijftig werd de bevolking van een aantal arme Brabantse regio’s in criminologische studies getypeerd als ‘onmaatschappelijk’ en getekend door ‘zedelijk verval’.31 Een belangrijk verschil tussen de twee regio’s is het laatste oorlogsjaar: het oosten van Brabant werd in het najaar van 1944 bevrijd, terwijl Haarlem tot mei 1945 bezet bleef en de bevolking de Hongerwinter onderging. Door de twee arrondissementen te bekijken, krijgen we een indruk van de impact van honger en schaarste op vermogenscriminaliteit, want ook in het bevrijde Brabant waren er tekorten aan voedsel en brandstof.32

De verhalen in dit boek gaan over alledaagse vermogensdelicten, maar niet over de allerkleinste kruimeldiefstallen. Wie bijvoorbeeld een handvol aardappels stal en niet eerder was veroordeeld, moest voor de politierechter verschijnen. Van dat soort kleine zaken zijn alleen vonnissen bewaard gebleven. Daarin komen de verdachten zelf niet of amper aan het woord. Vonnissen van de politierechtbank bevatten bovendien heel weinig informatie over de omstandigheden waarin het misdrijf is gepleegd. Vaak wordt niet eens duidelijk wat iemand heeft gestolen. Hetzelfde geldt voor rechtszaken over overtredingen van de prijswetgeving en illegaal slachten, die behandeld werden door de speciaal daarvoor in het leven geroepen economische rechter.

Om echt in de verhalen van oorlogsboeven te kunnen duiken, komen we uit bij diefstallen die als wat ernstiger werden beschouwd. Wie hiervan verdacht werd, verscheen voor de meervoudige kamers van de arrondissementsrechtbanken. Van zaken waarvoor een verdachte een gevangenisstraf van minstens een jaar kon krijgen zijn procesdossiers bewaard gebleven. Daarin is een schat aan informatie te vinden over de verdachte en het misdrijf: in processen-verbaal van politieverhoren komen verdachten, getuigen en benadeelden uitgebreid aan het woord; verdachten en hun familieleden schreven brieven aan de rechterlijke macht; de reclassering stelde voorlichtingsrapporten op waarin uitleg werd gegeven over de achtergrond van de verdachte en de omstandigheden waarin hij of zij het misdrijf had gepleegd; en uit correspondentie over de gerechtelijke onderzoeken en de rechtszaken kunnen we afleiden hoe deze zijn verlopen.

Al deze sporen samen bieden een inkijkje in de levens, ervaringen en motivaties van dieven in de jaren veertig en in de manier waarop de Nederlandse justitie met hen omging. In elk hoofdstuk van dit boek volgen we een of meerdere oorlogsboeven die zich hebben schuldig gemaakt aan diefstal, oplichting of verduistering. In de meeste gevallen gebeurde dat tijdens de bezetting, maar omdat na de bevrijding de criminaliteitsgolf niet direct volledig verdween, bekijken we ook voorbeelden van diefstal in de nasleep van de oorlog. De verhalen laten zien dat oorlog en geweld niet

alleen direct, maar ook via een omweg grote gevolgen hadden (en hebben) voor de maatschappij.

De boeven die in dit boek figureren hebben hun misdrijven ongeveer tachtig jaar geleden gepleegd en zijn zelf niet meer in leven.33 Toch worden ze hier alleen bij hun voornaam genoemd. Dit is om de persoonlijke levenssfeer van eventuele kinderen en andere nabestaanden te beschermen. Zij weten wellicht niet dat hun vader of moeder in de jaren veertig in de gevangenis heeft gezeten. Wie na het lezen van dit boek nieuwsgierig is geworden, kan zelf de archieven induiken. De voor dit boek geraadpleegde – en duizenden vergelijkbare – procesdossiers en vonnissen zijn openbaar toegankelijk in archiefinstellingen zoals het Brabants Historisch Informatie Centrum en het NoordHollands Archief.34 Daar wacht iedereen die geïnteresseerd is in verhalen over (oorlogs)boeven een ware goudmijn.

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Oorlogsboeven 9789464562965_inkijk by WBOOKS - Issuu