Skip to main content

inkijkexemplaar Het Nationaal Steunfonds

Page 1


Deze uitgave kwam tot stand mede dankzij financiële steun van Stichting Gedenkteken Zeemanspot en Nationaal Steunfonds, en een samenwerking met het NIOD Instituut voor Oorlogs­, Holocaust­ en Genocidestudies.

Ontwerp omslag Bart van den Tooren

Ontwerp binnenwerk Elgraphic

isbn 9789464566581

e­isbn 9789464566833 (toegankelijke epub) nur 680

© 1960 mr. P. Sanders, Martinus Nijhoff, Den Haag © 2026 Herziene uitgave, Erven P. Sanders, Ralf Futselaar, p/a Uitgeversmaatschappij Walburg Pers, Zutphen

www.walburgpers.nl

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Zoveel mogelijk is getracht de eventuele rechthebbenden van de afbeeldingen te achterhalen. Rechthebbenden die in dit verband niet zijn benaderd wordt verzocht zich met de uitgever in verbinding te stellen.

Bijlagen

Lijst van gevallen medewerkers – Staat van inkomsten en uitgaven – Specificatie van de uitgaven – English Summary – Verder lezen (zie QR­code)

Personenregister

Woord vooraf

Van je idealen kun je niet leven. Het is een gemeenplaats die vooral wordt gebruikt door ouders van tieners en andere bevlogen, maar onpraktisch ingestelde jongelui. Dat laat echter onverlet dat er, zeker in oorlogstijd, een wezenlijk feit achter schuilgaat; wie zich systematisch en langdurig inzet voor het algemeen belang, zeker als die inzet tegen de voorkeuren van het heersende gezag ingaat, zal op de een of andere manier in zijn of haar levensonderhoud moeten kunnen voorzien.

De Zeemanspot en het Nationaal Steunfonds hebben in bezet Nederland vele duizenden mensen en gezinnen, die door uiteenlopende oorlogsomstandigheden zonder inkomen waren komen te zitten, ondersteund. Dat gebeurde, niet altijd zonder slag of stoot, maar uiteindelijk toch wel naar algehele tevredenheid, met financiële garanties van de Nederlandse regering in Londen. Wie zonder geld kwam te zitten omdat haar echtgenoot voor de geallieerden voer, wie ondergedoken was wegens verzetswerk of om te ontkomen aan de Jodenvervolging, er waren veel redenen waarom iemand geld nodig kon hebben. Daar kwamen na 17 september 1944 nog vele duizenden spoorwegstakers bij.

In de eerste naoorlogse jaren was het belang van dit werk nog evident. Zonder cashflow was van het toch al moeizame werk van de ‘illegaliteit’ waarschijnlijk niet veel terechtgekomen. Het was ook volkomen helder dat dat geld er niet was geweest zonder de bereidheid van

een flink aantal mensen in wat we nu de financiële wereld zouden noemen, van bankiers tot belastingambtenaren, om met de nodige creativiteit enorme bedragen tevoorschijn te toveren. Geld dat niet alleen beschikbaar moest zijn, maar dat ook contant, in kleine coupures, door duizenden vrijwilligers moest worden rondgebracht. Geld dat bovendien na de oorlog, toen er financieel toch al vrij veel aan de hand was in Nederland, weer netjes verrekend diende te worden.

In dat licht bezien is het geen wonder dat Piet Sanders, die de bezetting zelf grotendeels als gijzelaar in Sint­Michielsgestel had doorgebracht en (dus) niet persoonlijk betrokken was geweest, in 1948 door het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (toen nog afgekort als RvO) werd gevraagd om een geschiedenis van het Nationaal Steunfonds (NSF) te schrijven. Overigens verschafte het NSF, inmiddels een stichting, in de eerste naoorlogse jaren ook broodnodige financiële steun aan datzelfde instituut, aangezien de Nederlandse regering weinig heil zag in het langdurig voortbestaan van een documentatiecentrum voor de afgelopen oorlog. Een dergelijke constructie zou heden ten dage niet als voldoende onafhankelijk zijn beschouwd, maar blijkbaar werd daar in de jaren ’40 en ’50 niet zwaar aan getild.

In vergelijking met het recente boek van Wim de Bell, Het krijtstrepen verzet en de broers Van Hall, 1943-1945 en de speelfilm Bankier van het verzet, is het boek van Sanders voor de hedendaagse lezer relatief droge kost. Het was niet Sanders’ opdracht, en zeker niet de bedoeling van het RvO, een evocatief of spannend verhaal te schrijven, wat bijvoorbeeld het boek van De Bell wel is. Het boek van Sanders is in de eerste plaats een reconstructie, zo compleet en accuraat mogelijk, van wie wat had gedaan, waarom dat was gebeurd, en natuurlijk hoeveel geld ermee gemoeid was geweest. Een afrekening dus, in letterlijke zin.

Daar was ook alle reden toe. De acties van Zeemanspot en NSF waren, deels met terugwerkende kracht, geaccordeerd door de regering in ballingschap, die zich ook garant had gesteld voor de verstrekte en geleende fondsen. Hoewel het fonds tamelijk autonoom opereerde, was het daarmee ook een representant van die regering in ballingschap, in bezet Nederland. Vanuit dat perspectief lag een secure reconstructie van overwegingen, uitvoering en resultaten meer voor de hand dan een spannend boek voor in de kerstvakantie. Het Rijksinstituut had hier ook een vanzelfsprekende taak.

Een dergelijke, bijna ambtelijke reconstructie was niet makkelijk te maken, aangezien er weinig op papier stond. Dat was natuurlijk ook volkomen terecht: wie een clandestiene organisatie in het leven roept om verzetswerk te financieren doet er niet verstandig aan netjes notulen bij te houden, een keurige personeelsadministratie te voeren, of alle correspondentie goed te bewaren. In principe stond zo min mogelijk op papier. Voor zover het niet absoluut noodzakelijk was om de latere financiële afwikkeling veilig te stellen, ging de voorkeur uit naar het vermijden van schriftelijk bewijs.

Heel verstandig, maar voor iemand die achteraf een reconstructie moet maken niet bepaald makkelijk. Het archief van het NSF, nu openbaar toegankelijk bij het NIOD, bevat maar weinig documenten uit de bezettingsperiode. Zoals veel onderzoeken in de eerste jaren van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie was het daarom onvermijdelijk om het onderzoek voor een groot deel te baseren op interviews. Dat was enerzijds ook goed mogelijk, omdat vanzelfsprekend nog veel ooggetuigen in leven waren, maar anderzijds wel onontgonnen wetenschappelijk terrein. Vroege onderzoekers als Adolf Rüter en Sanders waren pioniers in een vak dat nu oral history genoemd zou worden, maar dat in hun eigen tijd nog niet echt bestond. Tegenwoordig worden aan universiteiten vakken gegeven over het gebruik van mondelinge getuigenissen in historisch onderzoek, maar in de tijd dat Sanders aan dit onderzoek werkte was het nog nauwelijks een algemeen geaccepteerde aanpak. Het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie was in deze periode een kraamkamer waar, eigenlijk uit arren moede, werd gewerkt aan manieren om het zeer recente verleden te onderzoeken door gebruik te maken van de talrijke mensen die de oorlog hadden meegemaakt, zowel door ze te interviewen als door dagboeken en brieven te verzamelen en te onderzoeken. Het Nationaal Steunfonds en de financiering van het verzet verscheen, helaas voor Sanders en het RvO, voor de onderliggende werkwijze modieus werd.

Vele duizenden Nederlanders hebben direct of indirect te maken gehad met het NSF en de overgrote meerderheid van die mensen was nog in leven toen Sanders zijn onderzoek begon. Hij kon allicht niet al deze mensen spreken. Sanders richtte zich in de eerste plaats op de eindverantwoordelijken binnen de Zeemanspot en het NSF, en diege­

nen die een leidinggevende functie vervulden in de organisaties die direct betrokken waren, zoals de regering in Londen en de Nederlandse Spoorwegen. Ook dat weerspiegelt het doel van het boek: het gaat hier om de evaluatie van het gevoerde beleid en het lag dus voor de hand dat de eindverantwoordelijken een hoofdrol zouden spelen. De leidinggevende figuren in het NSF, die zichzelf zonder veel bescheidenheid graag als ‘de Top’ aanduidden, staan centraal in het boek.

Hoe begrijpelijk de nadruk op leidende figuren ook was vanuit de ambitie om het werk van het NSF te evalueren, heeft Sanders het NSF en zijn medewerkers met zijn focus op ‘de Top’ ook een beetje tekort gedaan. De effectiviteit van de organisatie was niet alleen te danken aan de indrukwekkende creativiteit en moed van een aantal voormannen maar ook en met name aan dat van de bijna 2000 vrouwen en mannen die in volstrekte anonimiteit met elkaar samenwerkten en ondanks dat bij het uitvoeren van hun werkzaamheden vaak op zichzelf waren aangewezen.

Vanuit 2026 bezien zijn natuurlijk ook andere vragen relevant dan toen Sanders zijn opdracht kreeg. De legitimiteit van het werk van het NSF, of de vroegere regering in Londen, staat voor zover ik kan overzien helemaal nergens echt ter discussie. Vanuit ons perspectief is vermoedelijk niet zozeer de juridische en ambtelijke vorm interessant, maar het feit dat zoveel mensen onder moeilijke omstandigheden tot een uiterst riskante, maar wel belangrijke samenwerking zijn gekomen. Op het moment van de Duitse inval in mei 1940 was de Nederlandse samenleving immers tot op het bot verdeeld geweest. Verdeeld naar stand, verdeeld naar klasse en, vooral verdeeld (‘verzuild’) naar levensbeschouwing. De Zeemanspot en het NSF, met bijna 2000 medewerkers, toonden dat ook in dat verdeelde land zonder veel aanzien des persoons samengewerkt kon worden.

Verdeeldheid is een nationale hobby waar Nederlanders, hoewel de scheidslijnen in de afgelopen decennia wat verlegd zijn, tot op de dag van vandaag geen genoeg van kunnen krijgen. De vraag is in hoeverre dat solidariteit en samenwerking in de weg zit, of zou kunnen zitten. Op deze meer sociologische dan historische vraag geeft de geschiedenis van het NSF een opmerkelijk antwoord; maatschappelijke tegenstellingen speelden meestal, hoewel niet altijd, een verwaarloosbare rol. Juist in de samenwerking tussen bankiers, ambtenaren en arbei­

ders, tussen diep religieuze mensen en rabiate atheïsten, tussen mensen die ofwel aartsconservatief dan wel extreem links waren, lag de effectiviteit van het fonds. Het lijkt Sanders, de tijdgenoot, amper te zijn opgevallen. Voor wie nu terugkijkt, terwijl de media dagelijks gewag doen van gevaarlijke ‘polarisatie’, is het bemoedigend, maar ook een beetje bevreemdend, te zien dat zoveel en zulke uiteenlopende Nederlanders tot gezamenlijk inzet in staat en bereid bleken. Wij zouden, als we de kans hadden de medewerkers van het NSF te interviewen, vermoedelijk dan ook eerder naar hun beweegredenen hebben gevraagd dan naar de details van hun werk.

We zouden nu ook een andere keuze hebben gemaakt bij de selectie van mensen om te interviewen. De groep mensen die aan het NSF heeft bijgedragen was opmerkelijk divers. Naast mensen die werkzaam waren bij financiële instellingen, of domweg kapitaalkrachtig genoeg om geld uit te lenen aan het NSF, waren ook koopvaardijofficieren, medewerkers van de politie en de belastingdienst, en natuurlijk de Nederlandse Bank zeer actief. Sanders heeft amper met medewerkers uit deze lagere echelons gesproken. Hetzelfde geldt voor de vele honderden jonge vrouwen die bij het NSF betrokken waren, vooral bij de riskante taak om het geld bij de gesteunden af te leveren.

In het onderzoek van Sanders, en zeker in de getuigenissen die hij verzamelde, spelen deze ‘meisjes’ – de term was toen minder pejoratief dan nu – vooral een bijrol. Dat blijkt ook als we zijn onderzoeksarchief, dat inmiddels openbaar is en in te zien op het NIOD, doorkijken. In de jarenlange correspondentie en tientallen interviews heeft hij slechts een paar koeriersters gesproken. De enige andere geïnterviewde vrouw was ‘Miep’, die in werkelijkheid Tini de Wilde heette. Zij was tijdens de oorlog de secretaresse geweest van een van de grondleggers van het NSF, Iman van den Bosch. Hij zal haar ook vooral daarom hebben willen spreken –Van den Bosch had de oorlog zelf niet overleefd. Afgezien van een handjevol heeft Sanders het niet nodig gevonden om met vrouwen te spreken. Dat betekent niet dat hij blind was voor het belang van hun inzet. Sanders begreep best, en verhulde ook niet, dat de vele anonieme koeriersters die, op fietsen met houten banden en door weer en wind, het geld hadden afgeleverd bij behoeftige mensen en gezinnen en dat dat een riskante klus was geweest. Hun inzet stond echter niet ter discussie en vergde dus ook geen onderzoek.

Sanders verschilde hier van zijn tijdgenoot en naaste collega Adolf Rüter, die voor zijn onderzoek naar de Spoorwegstaking juist stad en land afreisde om met spoorwegarbeiders, machinisten en andere mensen uit de werkende klasse te spreken. De vraag die Rüter te beantwoorden had, namelijk waarom de Spoorwegstaking was geslaagd en waar en waarom dat juist moeizaam of helemaal niet was gelukt, dwong hem natuurlijk ook om met de voormalige stakers zélf te gaan praten. Al zal hun achtergrond ook wel hebben meegespeeld. Rüter was gepromoveerd op de spoorwegstaking van 1903* en later directeur van het Instituut voor Sociale Geschiedenis. Hij richtte zich dus beroepshalve sowieso vooral op de arbeidersbeweging. Sanders was in deze fase van zijn leven toch vooral een exponent van de Nederlandse elite; hij was ook niet voor niets als gijzelaar in Gestel geïnterneerd. Hij sprak vooral met mannen die, qua maatschappelijke positie, een beetje op hem leken.

Wat zoveel ándere mensen bewoog om zich in te zetten voor het NSF kunnen we nu allicht niet meer vragen. Net zoals we niet weten hoe de zeemansvrouwen het vonden om, naast het broodnodige geld dat ze kregen omdat hun man in geallieerde dienst voer, in een moeite door ook nog ‘een goed en dikwijls ook een streng woord’ te ontvangen (zie pagina 29). Volgens de informatie die Sanders kreeg maakte de pastoor in kwestie (want dat was hij) zich hiermee ‘bemind en verdienstelijk’, maar we kunnen ons met enige moeite ook wel voorstellen dat veel van de ontvangsters de pastoor en zijn strenge woord liever kop aan kont de deur uit hadden gesmeten, als ze het geld dat hij kwam brengen maar niet zo hard nodig hadden gehad.

Ik heb in het voorgaande misschien de indruk gewekt dat het hier om een enigszins gedateerd, of zelfs achterhaald boek gaat, dat vragen stelt die heden ten dage niet meer relevant zijn. Dat is het echter zeker niet. Het boek, en de omvangrijke onderzoekscollectie die nu ook voor iedereen beschikbaar is, biedt een schat aan informatie die niet alleen bijzonder en boeiend is, maar die bovendien nergens anders te vinden is. De werking van het NSF in de bezette Nederlandse samenleving wordt vooral zichtbaar in de gevallen waarin het werk niet goed liep.

* A.J.C. Rüter, De spoorwegstakingen van 1903. Een spiegel der arbeidsbeweging in Nederland (Leiden, 1935)

Op de momenten, en in de gebieden, waar het fonds geen voet aan de grond kreeg, waar conflicten ontstonden en waar het werk door verraad of anderszins mislukte werd zichtbaar aan welke voorwaarden voldaan was als het wél goed ging. Het is daarbij van belang in het oog te houden hoezeer het werk van het fonds stoelde op onderling vertrouwen. Vertrouwen dat weliswaar niet geheel blind was, zo naïef waren de betrokkenen niet, maar dat wel degelijk risico met zich meebracht. Het is geen wonder dat, zeker in de ‘de Top’, aanvankelijk vooral contacten werden gelegd met mensen uit het eigen netwerk. Voor Wallie van Hall was dat netwerk aanvankelijk in de financiële wereld (vader Adriaan Floris zat in verschillende besturen, van banken en handelsorganisaties). Voor Iman van den Bosch was dat de Rotary en onder anderen directe collega’s bij Philips, onder wie Dré Gelderblom die later de activiteiten van het fonds in het zuiden zou leiden.

De omvang van de NSF­organisatie vereiste, zoals hierboven al vermeld, meer inzet van mensen dan uit de directe omgeving van de Top kon komen. Daarom moesten, verspreid over het land, mensen gevonden worden om geld beschikbaar te maken, op verschillende manieren, en om het weer te distribueren. Dat ging opmerkelijk vaak goed, zij het lang niet altijd zonder strubbelingen. Sanders gaat uitgebreid in op de competentiestrijd tussen personen en op de vraag wie met wie kon of moest samenwerken, en wanneer dat lastig werd.

De problemen die daarbij konden ontstaan waren ten dele regionaal. In Friesland bestond al een vrij effectief systeem voor de financiering van onderduikers en andere activiteiten, dat bovendien, net als het NSF stoelde op een samenwerking tussen verzetsmensen binnen en buiten de overheid, van belastingambtenaren tot dominees. Aanvankelijk voelden de Friezen er dan ook weinig voor om zich door het NSF te laten inkapselen. Per slot van rekening bestond een effectieve verzetsorganisatie niet alleen bij de gratie van onderling vertrouwen, maar ook van wantrouwen naar buiten. In dat opzicht lag het ook niet erg voor de hand om het werkterrein aan een ‘Hollandse’ organisatie over te doen. De rol van het NSF is, zeker in termen van uitgekeerde bedragen, in Friesland bescheiden gebleven.

In Limburg bleek dat vertrouwen niet aanwezig. Niet alleen representeerde ‘de Top’ voor Limburgse betrokkenen ‘Holland’, een probleem dat ook in Friesland speelde, er waren bovendien geen katho­

lieken in de hogere echelons van de organisatie actief. Dat was in strijd met de ongeschreven, maar evengoed zwaarwegende regels die golden in een Nederland dat niet alleen bezet, maar ook nog altijd verzuild was. Het NSF kreeg in Limburg maar moeilijk een poot aan de grond.

Bijzondere vermelding verdient de relatie tussen het NSF en de Nederlandse Spoorwegen. De Spoorwegstaking, die begon op 17 september 1944, kwam niet geheel onverwacht, maar was toch onvoldoende voorbereid. De directie van de NS, die meende ook tijdens de staking haar gezag binnen het bedrijf en over het gehele personeel in stand te moeten houden, had geen andere keuze dan zich in te laten met het NSF. Een moeilijke periode volgde, waarin NS ­directeur Willem Hupkes herhaaldelijk botste met de Top van het NSF, onder meer over de administratieve afhandeling van de betalingen aan het spoorwegpersoneel, maar ook en vooral over status en invloed. Zo wilde Hupkes koste wat kost dat Gerrit Joustra, voorzitter van de personeelraad, een leidende rol zou spelen, ook al zagen een groot deel van het personeel, en het NSF, hem niet erg zitten. In de optiek van Hupkes was de personeelraad echter een onmisbaar middel om linkse, opstandige elementen binnen het personeel in het gareel te houden. In deze conflicten bleek dat het NSF het vertrouwen, dat noodzakelijk was om te functioneren, om verschillende redenen niet had. Ten dele is dit, met veel geduld en overleg, opgelost, maar het toont de penibele situatie waarin het fonds verkeerde. Als het vertrouwen er niet was, dan kon men ook niet veel beginnen. Toch was de organisatie, zoals die zich tegen het einde van de bezetting had gevormd, ook weer niet zó fragiel. De gewelddadige dood van een flink aantal medewerkers, inclusief Van Hall en Van den Bosch, heeft de werkzaamheden van het NSF niet tot staan gebracht. In tegendeel: ook ná de bevrijding heeft het fonds nog enige maanden inkomens verstrekt. Pas in 1953 kwam geheel een eind aan de activiteiten van het NSF.

Zoals ik al eerder opmerkte is het onderzoek van Sanders voor een groot deel gebaseerd op getuigenissen, in woord en geschrift van mensen die zelf bij het NSF betrokken waren. Hij laat in de tekst ook opvallend vaak andere mensen aan het woord. Een groot deel van het boek wordt gevormd door lange citaten die rechtstreeks afkomstig

zijn uit brieven en interviews. Dat maakt het boek niet altijd leesbaarder, ook omdat lang niet alle citaten goed zijn ingeleid. Aan de andere kant is het boek daardoor een schatkamer voor iedereen die zelf onderzoek wil doen. Des te meer nu het onderzoeksarchief van Sanders integraal openbaar is geworden. Daardoor ontstaat de bijzondere situatie dat we niet alleen de tekst van het lang slecht verkrijgbare boek, eindelijk weer gewoon kunnen lezen, maar dat we ook, anders dan bij de eerste uitgave, kunnen kijken welke uitspraken Sanders heeft geciteerd en welke hij achterwege heeft gelaten.

Daarmee is dit boek, zeker in combinatie met het archief, interessant voor mensen die geïnteresseerd zijn in de geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog in Nederland. Het boek is niet alleen een heel mooi voorbeeld van die vroege geschiedschrijving, die in veel opzichten nog een ambtelijke, rechtstatelijke verwerking was van een periode waarin de ambtelijke orde en rechtstaat op gruwelijke wijze geschonden waren, maar ook waardevol omdat de werkwijze van Sanders helemaal navolgbaar is. De lezer kan reconstrueren waar Sanders zijn informatie vandaan haalde en diens oordeel en interpretatie opnieuw wegen. Ongetwijfeld komt hij of zij daarbij tot een ander oordeel, een andere duiding en een andere waardering. Dat zou prima een resultaat van deze heruitgave zijn.

Daarnaast, en misschien wel in de eerste plaats, is dit boek een onmisbaar naslagwerk voor iedereen die zich bezighoudt met het verzet in Nederland. Wie onderzoek doet, waar dan ook in Nederland, naar verzet en vervolging tijdens de oorlog kan niet om de realiteit van de financiering van dat verzet heen. Dat geldt evenzeer voor wie zich bezighoudt met pakweg de spoorwegstaking of de Jodenvervolging. Het is ook daarom dat deze heruitgave belangrijk is.

Van je idealen kun je niet leven, dat had ik al vermeld, maar voor je idealen kun je helaas wél sterven. Dit boek doet niet aan heldenverering en gaat nauwelijks in op de biografieën, de gevoelens, of de persoonlijke opvattingen van de mensen die het beschrijft. In veel gevallen worden mensen zelfs niet met hun werkelijke, maar met hun (verzets­) schuilnaam aangeduid. Dat is, in de permanente stortvloed van nogal sentimentele human interest­ publicaties rond de Tweede Wereldoorlog wel een verademing. Anderzijds kunnen wij, of Piet Sanders, er natuurlijk ook niet omheen dat al die duizenden mensen

wel degelijk van vlees en bloed waren, gevoelens, ambities en angsten kenden. Het boek, ook deze heruitgave, sluit af met een lijst van 84 ‘gevallen medewerkers’, allemaal met hun eigen naam en hun functie.

Dit boek, dat zoals gezegd om allerlei redenen nuttig en interessant is, is daarmee ook een klein, ingetogen monument voor diegenen die hun meewerking aan het Nationaal Steunfonds niet hebben overleefd.

Sanders aanpak was, zoals eerder vermeld, juridisch en ambtelijk. Dat gold voor de focus van zijn onderzoek, maar ook voor zijn taalgebruik.

Daarom is bij deze heruitgave omwille van de leesbaarheid de tekst – behalve van de citaten – aangepast aan de hedendaagse spelling, zijn verouderde termen vervangen door hedendaagse en zijn zinnen soms ingekort en tussenkoppen toegevoegd. Ook is een beperkt aantal voetnoten toegevoegd, zijn (schuil­)namen van personen geïndexeerd, en is het beeld aangevuld met enkele foto's en documenten. Bij de redactie is uiteraard grote terughoudendheid betracht en geprobeerd de overgeleverde uitgave van Sanders zo getrouw mogelijk weer te geven.

Heerenveen, december 2025

Woord vooraf bij de uitgave van 1960

Het is ons een reden tot vreugde dat wij aan de vooravond van de twintigste herdenking van de meidagen van 1940 dit sober relaas omtrent een van de belangrijkste vormen van verzet tegen de Duitse overweldiger in druk kunnen doen verschijnen: de geschiedenis van de organisatie die men, en niet ten onrechte, als ‘de bankier van het verzet’ aangeduid heeft, het Nationaal Steun Fonds. Er is van meet af aan in Nederland verzet geweest; van meet af aan had men er geld voor nodig. Dat geld is op tal van wijzen bijeengebracht. Men zal er nooit ten volle een overzicht van kunnen geven. Tallozen hebben directe steun verleend aan diegenen in hun omgeving die zij in nood of gevaar wisten. Daarnaast kwamen al spoedig kleine organisaties tot stand die brodeloos geraakte geestverwanten, personen van dezelfde godsdienstige of staatkundige overtuiging, bijsprongen. In kringen van de vooroorlogse SDAP werd op die wijze in totaal een bedrag van ca. 400.000 gulden bijeengebracht en gedistribueerd; de Anti­Revolutionaire Partij richtte een fonds op dat voor de ondersteuning van journalisten die weigerden, in de gelijkgeschakelde pers te schrijven, meer dan 150.000 gulden verzamelde. Waar maar groepen in nood verkeerden, zocht men hen ook financieel te helpen. In Leiden bracht men meer dan 60.000 gulden bijeen voor steun aan gezinnen van hoogleraren die ontslag hadden genomen of gekregen. Het Medisch Contact had voor de slachtoffers onder de artsen en hun gezinnen zijn eigen, voortreffelijk georganiseerde steunactie. In alle

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook