Alexander de Grote
Triomf en tragiek van een veldheer
Vertaald door Julius Roos
Met een inleiding van Diederik Burgersdijk
Amsterdam University Press
Deze publicatie is tot stand gekomen met steun van Stichting Carptim (www.carptim.nl), Boekenfonds Elisabeth Grent / F.J.A.M. van der Helm en het Zadelhoff Cultuur Fonds.
Oorspronkelijke titel: Historiae Alexandri Magni
Vertaling: Julius Roos
Afbeelding omslag: Alexandermozaïek, afkomstig uit het huis van de Faun in Pompeï, te zien in het Museo Archeologico Nazionale in Napels.
Ontwerp omslag: Frederike Bouten
Ontwerp binnenwerk: TAT Zetwerk
ISBN 978 90 4856 764 5
e-ISBN 978 90 4856 765 2
NUR 308 | 683
Vertaling: © Julius Roos / Amsterdam University Press B.V., Amsterdam 2025
Inleiding: © Diederik Burgersdijk / Amsterdam University Press B.V, Amsterdam 2025
Alle rechten voorbehouden Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 jº het Besluit van 20 juni 1974, Stb. 351, zoals gewijzigd bij het Besluit van 23 augustus 1985, Stb 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan de Stichting Reprorecht (Postbus 3051, 2130 KB Hoofddorp). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) dient men zich tot de uitgever te wenden
De uitgeverij heeft ernaar gestreefd alle copyrights van in deze uitgave opgenomen illustraties te achterhalen Aan hen die desondanks menen alsnog rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht contact op te nemen met Amsterdam University Press.
Linguae temeritas pervenit ad gladios (6.9.20)
‘Roekeloze woorden leiden uiteindelijk tot wapengeweld’
Inhoudsopgave
Voorwoord – Julius Roos · 9
Inleiding – Diederik Burgersdijk · 11
De geschiedenis van Alexander de Grote – Historiae Alexandri Magni · 33
Boek 1 · 35
Boek 2 · 37
Boek 3 · 40
Boek 4 · 90
Boek 5 · 180
Boek 6 · 236
Boek 7 · 294
Boek 8 · 358
Boek 9 · 432
Boek 10 · 486
Noten · 532
Bibliografie · 543
Index · 547
Voorwoord
Julius Roos
Toen ik mij begon te verdiepen in Quintus Curtius Rufus’ Geschiedenis van de veldtocht van Alexander de Grote, werd mij al snel duidelijk dat deze schrijver ten onrechte in de vergetelheid was geraakt. Tijdens mijn studie Latijnse Taal en Cultuur lazen wij, studenten, uit de werken van de Romeinse geschiedschrijvers Sallustius en Tacitus; voor Julius Caesar en Titus Livius ontbrak de tijd want het is onmogelijk om in een studie die gecomprimeerd is tot vier jaar, kennis te maken met alle schrijvers, laat staan met andere schrijvers die niet tot de canon behoren, zoals Valerius Maximus, Suetonius, Quintus Curtius Rufus, Cornelius Nepos, Festus en anderen, van wie alleen fragmenten overgeleverd zijn. Ik werd meteen getroffen door de levendigheid van Curtius’ geschiedenis. Vooral de voor die tijd nogal kritische verslaggeving en de vele prachtige redevoeringen deden mij besluiten het hele werk te vertalen, mede omdat er geen Nederlandse vertaling van verkrijgbaar is.
‘Wer Vieles bringt wird manchem etwas bringen’ zegt Goethe’s schouwburgdirecteur in de proloog van Goethe’s Faust, en dat geldt ook voor deze tweetalige editie, de droom van iedere vertaler van klassieke teksten: het Nederlands is er voor iedereen die geïnteresseerd is in geschiedenis, en het Latijn voor latinisten, studenten, ex-gymnasiasten en niet te vergeten scholieren. Curtius’ tekst is bij uitstek geschikt om gebruikt te worden op middelbare scholen ter afwisseling van Livius.
Voor de Latijnse tekst heb ik gebruikgemaakt van de op internet vrij toegankelijke tekst van de Latin Library. Deze heb ik grondig herzien, ontdaan van nogal wat gebreken, zoals typfouten, ontbrekende woorden en zinnen. Tekstueel heb ik hem aangepast zodat hij in grote lijnen overeenkomt met de Latijnse tekst uit de Loeb Classical Library (Harvard University Press, Cambridge Massachusetts, Londen), waarop de vertaling is gebaseerd. Deze tekst maakt op zijn beurt gebruik van de tekst die Edmund Hedicke (Leipzig, Teubner, 1908) heeft samengesteld uit de overgeleverde middeleeuwse manuscripten en die algemeen beschouwd wordt als de beste. Voor de invulling van de ontbrekende boeken 1 en 2 en de hiaten in boek 5, 6 en 10, maakte ook Hedicke gebruik van het werk
van J. Freinsheim (Straatsburg, 1648 en 1670). Deze vulde met behulp van de Griekse teksten van Arrianus, Diodorus Siculus en Plutarchus, tijdgenoten van Curtius, de ontbrekende tekst in het Latijn aan. Omdat deze het beste de stand van historische kennis over Alexander de Grote in de tijd van Curtius weergeeft, heb ik een sterk verkorte, cursief gedrukte, versie samengesteld op basis van de Engelse vertaling van John C. Rolfe, in de Loeb Classical Library, zodat de belangrijkste gebeurtenissen aan de orde komen en de hiaten op logische wijze de verbinding maken waar die bij Curtius ontbreekt.
Ik heb er in de vertaling naar gestreefd de tekst zo exact mogelijk weer te geven, maar in gangbaar Nederlands, zodat het voor mijn eigen tijdgenoten goed te lezen is. Zo heb ik de vele participiumconstructies die vaak bij vertaling in ondergeschikte bijzinnen terecht komen, regelmatig vervangen door nevengeschikte bijzinnen of een hoofdzin, wat voor ons veel natuurlijker is. Voor namen van personen en plaatsen heb ik meestal de Latijnse spelling gebruikt. Dat geldt ook voor namen als Asia en Africa in plaats van Azië en Afrika, om aan te geven dat daar in de oudheid iets anders onder werd verstaan dan tegenwoordig. Langere monologen in de indirecte rede heb ik veelvuldig omgezet in de vrije indirecte rede en geplaatst tussen aanhalingstekens.
Het Latijn kent geen beleefdheidsvorm. Daarom heb ik Alexander door zijn soldaten, maar ook door zijn vrienden, met u laten aanspreken, mede omdat hij bij het vorderen van de veldtocht steeds meer de allures van een Perzische monarch ging aannemen. Daarentegen laat ik Alexander zijn manschappen toespreken met jullie, en zijn vrienden met jij.
Bij Rodie Risselada sta ik als gewoonlijk diep in het krijt voor haar kritische opmerkingen en de vele waardevolle suggesties bij tekstuele problemen, waarvan ik dankbaar gebruik heb gemaakt. Haar uitzonderlijk grondige kennis van de Latijnse vormleer en syntaxis waren van onschatbare waarde. Maar bovenal was het een feest mij met haar over moeilijke problemen te mogen buigen. Diederik Burgersdijk ben ik veel dank verschuldigd, omdat hij niet alleen de inleiding verzorgde, maar vanaf het begin zich enthousiast heeft ingezet en meegewerkt aan de totstandkoming van dit boek. Zijn veelzijdigheid als classicus en oudhistoricus waren mij tot grote steun. Ten slotte dank ik uitgeverij Amsterdam University Press in de persoon van Mirte Liebregts voor de (juiste) beslissing Curtius uit te geven en voor de bijzonder prettige samenwerking.
Inleiding
Diederik Burgersdijk
Quintus Curtius Rufus: persoon en tijd
Over Quintus Curtius Rufus is, behalve zijn werk over leven en daden van Alexander de Grote, zo goed als niets bekend. Hij was een Romeinse geschiedschrijver die in het Latijn over een grote generaal schreef die enkele eeuwen voor zijn tijd actief was geweest in het Oosten, en voor wie hij een duidelijke fascinatie koesterde. Zowel in kleine details, als in het grote verhaal dat Curtius Rufus de lezer opdient, komt een beeld naar voren van een roekeloze, soms mateloze, en bij vlagen wrede heerser, die ook zijn menselijke kanten kent en zijn volk weet te inspireren het onmogelijke te verrichten: de verovering van het – voor zijn mensen – legendarische Perzische Rijk, waarvan hij door een buitengewoon dapper en doortastend optreden de troon weet te veroveren.
Hoe en waarom, en in welke omstandigheden, Curtius Rufus zijn verhaal over Alexander de Grote vertelde, is om verschillende redenen niet bekend. In de eerste plaats zijn de eerste twee boeken van Curtius’ tien boeken tellende werk niet overgeleverd, en daarmee ook een voorwoord dat mogelijk meer informatie over zijn persoon, tijd en motieven prijsgegeven kan hebben. Wel is duidelijk dat Curtius toegang gehad moet hebben tot goed bronnenmateriaal, daar we zijn berichten zeer regelmatig kunnen staven aan parallelle overleveringen: Curtius volgt, op grond van de degelijke retorische opleiding die ook hij – net als veel gestudeerde Romeinen ten tijde van het keizerrijk – gehad moet hebben.
Het keizerrijk: dat lijkt de bedding waarin het werk van Curtius geplaatst moetworden.Inhettiendeboekisereenpassage(10.9.1–6)diehetwerkduidelijk in de context van keizerlijke macht plaatst. Er is, met een gebruikelijke literaire figuur, sprake van een vergelijking van de staat met het menselijk lichaam, dat door het gewichtvan dehistorischegebeurtenissen onderzijneigenlast bezwijkt. In de historische vertelling doet de situatie zich voor na de dood van Alexander, maar verwijzingen naar de contemporaine wereld van Curtius kunnen er evengoed zijn. Alleen een monarchie kan het rijk bij de elkaar tegenstrevende krachten voor ondergang behoeden, in de vertaling van Julius Roos:
Daarom verklaart het Romeinse volk met recht en reden dat het zijn redding te danken heeft aan de vorst die als een nieuwe ster scheen in de nacht, die wij bijna voor onze laatste hielden. Het verschijnen van deze ster, en niet van de zon, bij Hercules, schonk de duistere wereld weer licht, terwijl de ledematen zonder hoofd aan het stuiptrekken waren door onenigheid. Hoeveel brandhaarden doofde hij niet, hoeveel zwaarden liet hij niet terug in de schede steken! Hoe hevig was het onweer niet, dat hij verdreef met rustig weer! Het imperium herwint niet alleen zijn kracht maar komt zelfs tot bloei. Zolang de goden niet jaloers zijn zal zijn dynastie de huidige periode voortzetten, liefst voor altijd, in ieder geval voor een lange tijd.
In het fragment komen verscheidene topoi (literaire gemeenplaatsen) van de panegyriek, ofwel lofredes (doorgaans op keizers), naar voren: één man, die meester is over kosmische krachten, zal de vrede en voorspoed van weleer terugbrengen, en de macht van zijn vorstenhuis voor eeuwig vestigen. Deze princeps (‘keizer’) straalt als een sidus (‘ster’), een metafoor die het keizerschap vaak wordt aangemeten.¹
Bij pogingen in deze zeldzame verwijzing naar de omstandigheden van de auteur een aanwijzing voor een datering te vinden, gaan de meeste speculaties uit naar de tijd van Vespasianus, toen het Romeinse Rijk na beëindiging van de eerste dynastie (de Julisch-Claudische van keizer Augustus, die met de dood van Nero in juni 68 ten einde kwam) in een burgeroorlog terechtkwam. Verscheidene pretendenten streefden naar de macht, die uiteindelijk langduriger werd opgeëist door de generaal Vespasianus (69–79), die als belofte voor een toekomstige dynastie – het Flavische keizerhuis – twee zoons met zich meebracht, die inderdaad de macht overnamen: Titus (79–81) en Domitianus (81–96). Anderen zien in de zin huius … non solis, ortus lucem caliganti reddidit mundo (‘Het verschijnen van deze ster, en niet van de zon … schonk de duistere wereld weer licht’), in het bijzonder het woord caliganti (‘duister’) een aanwijzing dat op het keizerschap van Claudius (41–54) wordt gedoeld, dat volgde op het wrede bewind van Caligula (37–41) – zijn naam mogelijk verwerkt in het woord voor ‘duister’. Die laatste argumentatie lijkt wellicht wankel, maar wordt gecombineerd met het gegeven dat van de personen met de naam Curtius Rufus, er verscheidene in het betreffende tijdperk leefden en mogelijk geïdentificeerd kunnen worden met de bewuste geschiedschrijver.² Dan zijn er hypothesen over keizers uit de latere Romeinse oudheid, zoals Septimius Severus (193–211), die de wrede Commodus na twee kortstondige keizerschappen opvolgden. Vooral de geleerden die aanknopingspunten met het werk van de geschiedschrijver Tacitus (actief in de laatste decennia van de eerste eeuw, en de eerste van de tweede) zien, bijvoorbeeld in woordkeuze, zinsbouw en stijl, zijn eerder geneigd Curtius
in de Flavische periode te plaatsen. Niemand die het weet, en zonder nieuwe aanwijzingen zal de wetenschap er niet uitkomen.³
Curtius’ vertelling
Zo weinig we over de persoon Curtius kunnen vertellen, zo veel is er bekend over het onderwerp van zijn geschiedwerk – althans, in de verslagen en verhalen zoals we die uit de overlevering hebben gekregen. Eerst de titel: in het grootste deel van de handschriften waardoor het werk is overgeleverd lezen we Historiae Alexandri Magni Macedonis (Geschiedenis van Alexander de Grote van Macedonië) in verscheidene variaties.⁴ Sinds de vroegste fasen van de Latijnse literatuur werd het epitheton Magnus (‘de Grote’) aan de naam van Alexander toegevoegd, bijvoorbeeld bij de toneelschrijver Plautus (254–184 v.Chr.) in zijn toneelstuk Mostellaria, vers 775. Ook de herkomst van Alexander wordt vaak aangeduid met het toevoegsel Macedo (‘de Macedoniër’). Bij de Grieken was Alexander bekend als Alexander III (die regeerde van 336 v.Chr. tot zijn dood in 323) uit het koningshuis van de Argeaden. De handschriften geven eenvoudige maar doeltreffende titels en auteursaanduiding, waarbij doorgaans ook als voornaam Quintus is toegevoegd. Behalve de eerste twee boeken, waaronder de inleiding, zijn het einde van boek 5 en het begin van boek 6 niet overgeleverd, evenals delen van boek 10. Omdat alle handschriften diezelfde omissies vertonen, ligt het voor de hand aan te nemen dat Curtius in slechts één handschrift uit de oudheid is overgeleverd, waarvan alle bestaande handschriften afschriften (van afschriften) zijn.⁵
Boek 1 en 2
Curtius’ vertelling in de eerste twee boeken begint (in reconstructie) met de geboorte in 356 v.Chr., de jeugd en troonsbestijging van Alexander in Macedonië, dat in zijn tijd – het midden van de vierde eeuw v.Chr. – een groot deel van het Griekse vasteland, de Peloponnesus en de eilanden beheerste. Na militaire successen van Macedonië, vooral ook onder Alexanders vader Philippus II die in 336 in een moordcomplot omkwam in Griekenland, besluit Alexander ook de Hellespont, de zee-engte bij Thracië die Europa scheidt van Azië, over te steken. De eerste militaire overwinning tegen de legers van de Perzen, wier gebied de mannen van Alexander beoogden te veroveren, vond plaats bij de rivier de Granicus, waarna Alexander eenvoudig kon doorstoten tot Sardes, de hoofdstad van de meest oostelijke provincie van het enorme Perzische Rijk, dat zich uitstrekte tot India. Vermoedelijk heeft Curtius ook aandacht besteed aan het Perzische
koningshuis van Darius III, gezien de grote belangstelling die hij in latere boeken voor de geschiedenis en de gewoonten van de Perzen aan de dag legt. Het was immers een oud, gerespecteerd en gevreesd rijk, dat anderhalve eeuw eerder onder Darius I en zijn zoon Xerxes een poging had gedaan Griekenland onder de voet te lopen – expedities die tweemaal, in 490 en 480/479 op grote militaire nederlagen en bijbehorende teleurstellingen waren uitgelopen.
Bij Alexanders opmars waren de rollen omgekeerd: het grote, oude Perzische Rijk werd uitgedaagd door een miniem koninkrijkje met een opmerkelijk jeugdige en energieke koning – een beeld dat eeuwen later vastgelegd zou worden in het beroemde Alexandermozaïek uit het huis van de Faun in Pompeï. Daarin wordt de centrale figuur, Darius uit het vorstenhuis van de Achaemeniden, uittorenend boven paarden, schilden, zwaarden en lansen, bestookt door de kleine Macedoniër (uit de overlevering blijkt Alexander inderdaad klein van stuk geweest te zijn, waar Curtius bij herhaling melding van maakt en verscheidene anekdotes aan verbindt).⁶ Het mozaïek verbeeldt vermoedelijk de Slag bij Issus, in 333 v.Chr., de eerste slag waarbij Alexander direct tegenover zijn geduchte tegenstander kwam te staan. Curtius benadrukt Alexanders actieve rol in het gevecht, als was hij een strijder onder zijn medesoldaten:
3.11.7 Alexander vervulde zijn taken als generaal net zo goed als die van soldaat, in zijn streven naar de hoogste eer die hem ten deel zou vallen, als hij de koning zou doden. Darius immers torende hoog in zijn strijdwagen, een geweldige prikkel voor zijn eigen mensen hem te beschermen en voor de vijand om op hem los te gaan.
De Perzische troepen sloegen op de vlucht, zoals Curtius weet te melden, samen met hun vorst Darius, wiens opvolger Alexander niet veel later zou worden.
Boek 3 en 4
Het einde van boek 3 biedt een omineuze scène: de moeder (Sisigambis), zijn vrouw Statira en de dochters (onder wie Statira) van Darius erkennen Alexander als hun meester, en zijn hem erkentelijk voor zijn elegante en beschermende optreden jegens hen. Alexander behandelt Sisigambis met groot respect, en noemt haar ‘moeder’ – een scène die in verscheidene kunstwerken van later tijd is vastgelegd.
Darius ontsnapt, en haast zich naar de Eufraat, de westelijke rivier van het tweestromenland Mesopotamië, waar zich het hartland van het rijk bevindt en ook de hoofdstad Babylon ligt. Alexander zet zijn mars inmiddels voort langs de oostelijke kust van het Perzische Rijk, naar Phoenicië, het gedeelte dat ooit
door de Perzische koning Cambyses II aan het rijk was toegevoegd. De Carthagers, die nog altijd goede contacten onderhielden met hun moederstad Tyrus, hadden getracht hulp te zenden, maar vergeefs (4.2.10–12).⁷ Na een beleg dat een hevige strijd met zich meebracht, wordt de stad Tyrus ingenomen (4.3–4), waar Alexander in de makkelijk te bewerken bodem een tunnelnetwerk voor ondergrondse militaire activiteiten aanlegt. Darius doet Alexander ten tweeden male een vredesvoorstel per brief (4.5), maar Alexander zet door naar de stad Gaza, die hij eveneens inneemt. Vervolgens gaat de mars naar Egypte. Bij het heiligdom van de Libische god Zeus-Ammon aanvaardt hij het orakel dat hij de zoon van de oppergod is – Alexander laat zich vanaf dat moment met ramshoorns afbeelden (4.7.6–32).⁸ De symbolische daad had grote gevolgen voor Alexanders verhouding tot de belangrijkste veteranen en generaals die nog onder Philippus II hadden gediend – een goddelijke dimensie in de heersersverering was vreemd aan Macedonische en Griekse gewoonten. Het is een motief dat gedurende de gehele mars een rol blijft spelen. In Egypte legt Alexander de fundamenten voor een stad die naar hemzelf genoemd is, Alexandrië (4.8.1–6).
Inmiddels had Darius weer een leger verzameld, waarmee hij zich ten oosten van de Tigris verschanste. Alexander achtervolgt de troepen (4.9) en spoort zijn troepen aan Darius aan te vallen. Inmiddels is Darius’ vrouw Statira in Alexanders gevolg overleden, waarna hij opnieuw een vredesvoorstel doet om zijn moeder en dochters vrij te kopen. Alexander weigert opnieuw, zeggende dat hij een koning is, geen handelaar (4.11). Darius en Alexander spreken beiden hun respectievelijke troepen toe voor de aanval, die plaatsvindt bij Arbela (doorgaans, in andere bronnen: Gaugamela, waarschijnlijk tussen beide plaatsen in). Darius ziet zich opnieuw gedwongen te vluchten, Alexander wint (terwijl hij zijn mede-generaal Parmenion te hulp schiet).
Boek 5 en 6
Darius’ generaal Mazaeus geeft Babylon op, als Alexander zijn mars naar de hoofdstad voortzet, en neemt ook Susa, een andere Achaemenidische – eveneens van Darius – residentie in. Bij de volgende bestemming, de oude hoofdstad Persepolis (‘Perzenstad’), bevrijdt Alexander vierduizend zwaar gemartelde en verminkte Grieken, die deels terug willen naar hun vaderland, en deels zich willen vestigen op de plaats waar ze verblijven. Alexander willigt de verzoeken in, en plundert en verwoest, dronken na een feestmaaltijd, de eerbiedwaardige steden Persepolis en Pasargada (doorgaans Pasargadae, 5.11) – tot latere schaamte van de troepen en de koning zelf (5.7.10–11). Ook Alexander betuigde na het uitslapen van zijn roes halfslachtig spijt, zeggende ‘dat de Perzen de Grieken nog veel zwaarder zouden hebben gestraft, als zij gedwongen waren geweest hem te
zien op de troon en in het paleis van Xerxes’. Darius is inmiddels in Ecbatana gearriveerd, en wil opnieuw het gevecht met Alexander aangaan. Hij krijgt te maken met verzet van een deel van zijn troepen, en wil de samenzweerders die het tegen hem opnamen doden. Deze zetten een moordcomplot tegen hem op, dat Alexander probeert te verijdelen als hij ervan hoort. Maar Darius is ten dode opgeschreven: een Macedonische soldaat vindt de stervende koning, die Alexander, als zijn opvolger, nog een boodschap zendt.
De dood van Darius betekent een kantelpunt in de verhoudingen met het thuisland: de Spartaanse koning Agis, die de Grieken op de Peloponnesus aan zijn kant heeft, vindt dat de grens is bereikt, en wil de Griekse soldaten een veilige thuistocht bieden. Antipater, Alexanders plaatsvervanger in Macedonië, brengt Thracië tot rust, en valt de Spartanen in Griekenland aan, geholpen door troepen die Alexander hem zendt. Agis sneuvelt, de Spartanen krijgen vergeving van Alexander (6.1), die zelf hoogmoedig wordt door de behaalde successen in Azië. Alexander onthult zijn doelen, en zijn troepen bevestigen hun vertrouwen. De mars gaat voort, verder oostwaarts, maar sommige Macedoniërs zien het gedrag van Alexander, die zich hoe langer hoe meer oosterse gewoonten eigen maakt, met lede ogen aan. Er zijn nog opstandige mensen aan Perzische zijde, zoals Bessus, de samenzweerder tegen Darius, en rebellerende volkeren tegen Alexanders macht, die neergeslagen worden. Ook vanuit eigen kring krijgt Alexander te maken met tegenstand: Parmenion zou met zijn zoon Philotas een moordcomplot tegen de koning hebben beraamd. Bij zijn berechting ontkent Philotas medeplichtigheid, maar wordt uiteindelijk gedood na verraden te zijn. Dit gebeurt door een bekentenis onder foltering (6.11), waardoor Curtius twijfel uitspreekt en in het midden laat of hij wel of niet schuldig was.
Boek 7 en 8
Een eerdere zaak, die van Alexander Lyncestes die de koning al eerder had willen vermoorden, en waarvoor hij al drie jaar gevangenzat, wordt opgehaald: Alexander Lyncestes kan geen woord ter verdediging uitspreken na drie jaar gevangenschap, en wordt eveneens ter dood veroordeeld. Anderen worden gespaard, maar onrust heeft postgevat in de gelederen. De mars van Alexander gaat onverminderd door, naar het oosten, waar op verschillende plaatsen steden met de naam Alexandria worden gesticht. De dreiging van Bessus is nog niet geweken, hij wil nog altijd de wapens opnemen tegen de nieuwe koning. Als Alexander de rivier de Oxus oversteekt, wordt hem de verblijfplaats van Bessus verraden, en hij levert hem uit aan Darius’ broer Oxathres, om gekruisigd te worden. Nieuwe gebieden, waaronder het opstandige Sogdiana, worden uiteindelijk veroverd. Nu heeft Alexander zijn zinnen gezet op een oorlog met het noordelijke volk van
de Scythen, het volk in de strijd waartegen de legendarische koning Cyrus was gesneuveld. Na het oversteken van de rivier de Iaxartes (die Curtius steeds ten onrechte de Tanais noemt) wordt de aanval ingezet, en na Alexanders overwinning worden de Scythen ruimhartig behandeld. De schier onneembare veste, op de rots Arimaza, wordt ingenomen door Alexander (7.11).
De Scythen bieden Alexander de dochter van hun koning aan als huwelijkspartner. Hierin is Alexander niet geïnteresseerd. Zijn gedrag blijft nauwlettend in de gaten gehouden worden in eigen kring: in een wijnovergoten banket doodt Alexander zijn vertrouweling Clitus, die kritiek had op Alexanders hoogmoed en het kleineren van zijn vader Philippus. Clitus was al te open geweest in zijn opvattingen over Alexander en moest dit met de dood bekopen, al had hij –Alexander haalde het zelf aan – het leven van de koning bij de Granicus gered (8.1.22–52). De mars gaat weer voort, naar het noordoosten, waarbij kou en honger doorstaan worden. In Bactrië, het gebied van het huidige Afghanistan, trouwt Alexander met Roxane, de dochter van een plaatselijke koning. Het is het geografische keerpunt van de expeditie, want Alexander heeft zijn zinnen gezet op het in het zuidoosten gelegen India. Maar opnieuw krijgt Alexander te maken met een samenzwering: een van de pages, Hermolaus, diep gegriefd doordat Alexander hem liet geselen wegens een overtreding, wilde de koning vermoorden. Hij wordt, samen met onder anderen Callisthenes, gevangengezet, en krijgt de kans zich te verdedigen. Alexander reageert hierop, en beveelt uiteindelijk de samenzweerders te doden (8.6.7–30, 8.7–10). De mars naar India wordt vervolgd. Plaatselijke vorsten geven zichzelf over, steden worden ingenomen. Alexander toont zeer gewaagd en dapper gedrag bij de inname van Magazae, waar hij –niet voor het eerst – gewond raakt. Bij de oversteek van de Indus herstelt hij koning Omphis, die zich had overgegeven, in zijn macht. Op de oever van de rivier de Hydaspes valt Alexander koning Porus zeer behendig aan. Het respect dat Alexander won met zijn krijgskunst levert hem vriendschap met de verslagen koning op.
Boek 9 en 10
De rivier Hypasis wordt genaderd, waar opnieuw volken en landen worden ingenomen. Het moreel van de troepen is evenwel naar een dieptepunt gezakt, dat Alexander door een bemoedigende toespraak tracht te herwinnen. Maar woordvoerder Coenus spreekt namens de troepen de gevoelens van wanhoop uit – ze willen keren. Wat Alexander precies in de zin heeft gehad, wordt niet duidelijk maar het resultaat is dat de terugkeer wordt ingezet. In het land van de Malli toont Alexander gewaagd gedrag in de strijd door van een muur te springen in vijandig gebied – hij wordt gewond, maar overleeft het (9.5). Zijn mannen
maken zich ongerust, maar Alexander lijkt ongebroken in zijn wens de wereld te veroveren. De tocht wordt deels per schip voortgezet over de rivier de Indus, naar Patala, aan de monding van de rivier bij de Indische Oceaan, waarmee de expeditie dan toch tot een zeker natuurlijk einde komt. De terugtocht wordt vervolgd door de Gedrosische woestijn, de troepen over land, terwijl de vloot onder leiding van Nearchos over zee meereist (maar op een zeker moment uit het oog wordt verloren).
Op verschillende plaatsen in het rijk breken opstanden uit, in Griekenland, onder diverse satrapen (provinciebestuurders in het Perzische Rijk), maar ook in eigen kamp. Alexander belooft de veteranen naar huis te sturen, terwijl de anderen blijven. Een opstand wordt onderdrukt, de daders gestraft. De ouderen keren terug naar Griekenland onder leiding van Craterus, die bij thuiskomst de leiding over Macedonië krijgt, terwijl Antipater de reis naar Alexander inzet. Alexanders krijgsmakker en intieme vriend Hephaestion sterft in Ecbatana, en krijgt een monumentale begrafenis in Babylon. Na enkele nieuwe gevechten en strafexpedities gaat ook Alexander naar de oude hoofdstad, ondanks waarschuwingen (op grond van voorspellingen van Perzische waarzeggers, de Chaldaeën) niet naar binnen te gaan. Op een drankfestijn bij Nearchus laat Alexander zich onthalen, niet tot zijn gezondheid: hij wordt ziek, en ligt zes dagen te bed. Zijn gezondheid verslechtert, zijn mannen willen hem zien, hij blijkt stervende. Zijn ring geeft hij aan Perdiccas, waarmee Alexander mogelijk zijn opvolger aanwees, als hij sterft. Zijn koninkrijk laat hij na ‘aan de beste’. Over een opvolger wordt gedebatteerd. Alexanders broer Arrhidaeus wordt genoemd, maar deze wordt algemeen als ongeschikt ervaren. Roxane blijkt zes maanden zwanger – wellicht kan een eventuele zoon Alexander opvolgen, onder de voogdij van Perdiccas (10.6). Perdiccas belegert Babylon, waar Arrhidaeus zich ophoudt, terwijl hij de gemoederen probeert te bedaren. Perdiccas neemt het initiatief het rijk te verdelen, de voorboden voor de ‘Diadochenrijken’, de verdeling van Alexanders rijk over verschillende gebieden onder verscheidene heersers. Een van hen is Ptolemaeus, die Egypte toebedeeld krijgt. Het is daarnaar dat het lijk van Alexander wordt verscheept, eerst naar de heilige stad Memphis, dan naar Alexandrië (10.10).
Curtius’ bronnen
Aldus in grote lijnen en snelle stappen wat Curtius Rufus ons bericht over de mars van Alexander de Grote van Macedonië – de mars die het raamwerk biedt voor een fascinerende karaktertekening door vele literaire kunstgrepen. Daarover later meer – maar hoe werd het raamwerk gebouwd? Uiteindelijk is de