Skip to main content

inkijk Wonderbaarlijke levens 9789462498341

Page 1


Wonderbaarlijke levens

Heiligen met op de voorgrond: Katherina van Alexandrië (met zwaard en rad), Barbara (met toren), Paulus (met zwaard) en Petrus (met sleutel en boek). Miniatuur uit een Latijns getijdenboek, Parijs, eind vijftiende eeuw. Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, 76 F 14, 112v.

wonderbaarlijke levens

Patronen in heiligenlevens

Ludo Jongen

Omslagafbeelding: uitsnede/detail uit de miniatuur op het frontispice (p. 2)

Omslagontwerp: Margreet van de Burgt

Ontwerp binnenwerk: Marijke Maarleveld, ViaMare grafisch ontwerp

© 2023 L. Jongen, p/a Uitgeversmaatschappij Walburg Pers, Zutphen

© 2023 Uitgeversmaatschappij Walburg Pers, Zutphen

isbn 9789462498341

e-isbn 9789462498358 nur 694

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Zoveel mogelijk is getracht de eventuele rechthebbenden van de afbeeldingen te achterhalen. Rechthebbenden die in dit verband niet zijn benaderd wordt verzocht zich met de uitgever in verbinding te stellen.

Ista omnia per albas camporum planities sulcato tramite nigra perarata pinne vestigia scripta

Huneberc van Heidenheim, Vita Willibaldi episcopi Eichstetensis

[Al deze geschriften zijn slechts zwarte sporen op het pad van de pen geploegd over de witte vlakten van de perkamenten velden]

Voor Siya

Alle heiligen, gerangschikt onder de kroning van Maria. Grisaille uit het getijdenboek van Philips van Bourgondië, Oudenaarde; ±1454. Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, 76 F 2, 283r.

Inhoud

1 Inleiding 9

1.1 Het begrip heilig 11 | 1.2 Heilig en zalig 16 | 1.3 Hagiografie 20

2 Verheven tot de eer der altaren 25

2.1 Vroegchristelijke martelaren en martelaressen 27 | 2.2 Bijbelse heiligen 30 | 2.3 Van 313 tot de eerste millenniumwisseling 39

2.4 Van het jaar 1000 tot 1517 48 | 2.5 Van 1517 tot de Verlichting 54

2.6 Vanaf de Verlichting tot nu 58

3 Van de wieg tot het graf 63

3.1 Standvastig tot het bittere einde 63 | 3.2 Verwekking, geboorte en jeugd 74 | 3.3 In Gods dienst 84 | 3.4 Naar de hemelse zaligheid 94

4 Wonder boven wonder 99

4.1 In de voetsporen van de Heer 101 | 4.2 Postume wonderen 105

5 Meer van hetzelfde? 113

5.1 Traditionele verhaalelementen 116 | 5.2 Dromen en visioenen 118

5.3 De kracht van moedermelk 123 | 5.4 De duivel 129 | 5.5 Op naar de martelaarskroon 136 | 5.6 De dierenwereld 143 | 5.7 Tot slot 150

6 Den eenig Volzalige alleen de eere! 155

6.1 Een andere dagtekening 158 | 6.2 Martelarenboeken 160

6.3 Navolgenswaardige viri Dei 170 | 6.4 Wonderverhalen 171

7 Door de eeuwen heen 177

7.1 Van losse vermeldingen naar een vita 179 | 7.2 Middelnederlandse

Sint-Servaaslegenden 182 | 7.3 Vanaf de Hervorming tot de negentiende eeuw 197 | 7.4 Na 1815 205 | 7.5 Besluit 212

Woorden van dank 219

Noten 221

Bibliografie 225

Register van persoonsnamen 237

Oma’s Antonius-van-Paduabeeld (licht beschadigd), ± 1920. Foto: auteur.

1. Inleiding

He says he wants to be a saint when he grows up, which is ridiculous because you can’t be a saint till you’re dead.

McCourt: Angela’s Ashes

Van mijn tweede tot mijn vierde jaar werd ik geregeld bij oma gedropt, zodat mijn moeder haar handen vrij had. Als oma iets niet onmiddellijk kon vinden, prevelde ze steevast het volgende schietgebedje:

Heilige Antonius, goede man, zorg dat ik … vinden kan.

Soms duurde de zoektocht oma te lang. Dan werd het beeld van Antonius van Padua met zijn gezicht naar de muur gedraaid, voor straf. Pas zodra oma in handen had wat zij zocht, mocht hij weer de kamer inkijken. Ook nam oma mij mee naar de kerk. Zij was verzot op huwelijken en begrafenissen. Alles wat ik daar zag, fascineerde mij, niet alleen wat op en rond het altaar gebeurde, maar vooral de heiligenbeelden. Oma kon al die heiligen identificeren en kende de legendes. Zo maakte ik op zeer jonge leeftijd kennis met de katholieke santenkraam. Dat was niet zo verwonderlijk in Maastricht, in het roomse zuiden van Nederland. Overal waren heiligenbeelden, thuis, in de kerk en op straat. Verjaardagen vierden we niet, maar naamdagen wel, dat wil zeggen de feestdag van de heilige wiens/wier naam je droeg. Bij mijn doop kreeg ik de naam van mijn vaders vader en daarom wist ik dat Saint Louis

Interieur van de kerk van Sint-Pieter-Beneden in Maastricht, gebouwd 1938-1939; gewijd 1946. Historisch Centrum Limburg, fotocollectie Gemeente Archief Maastricht, nr. 13498.

in de Middeleeuwen koning van Frankrijk (Lodewijk ix) was geweest. Op zijn feestdag, 25 augustus, gingen we naar opa en oma, die ons dan trakteerden op vlaai en limonade.

1.1 Het begrip heilig

Wie vandaag de dag het woord heilig opzoekt in Van Dale vindt een elftal betekenissen. Die lopen van ‘volmaakt, zonder zonde’ (gezegd van God en Christus) via ‘in de hemel verheerlijkt en op aarde vereerd’ (rooms-katholiek gebruik) tot ‘geheel oprecht, werkelijk gemeend’ (bijvoorbeeld ‘ik was in de heilige overtuiging’) en ‘stellig’ (zoals in ‘het is heilig waar’). In de betekenissen komt steeds de verbinding tussen het aardse of menselijke en het hemelse of goddelijke naar voren. Heilig is afgeleid van heil in de betekenis ‘welzijn, welvaart, voorspoed’ en in het bijzonder ‘redding van de ziel, verlossing uit de macht van de zonde.’ In het laatste geval komt het goddelijke ook weer om de hoek kijken. Anders gezegd, het begrip heilig heeft altijd te maken met de sfeer rondom God. Zo is het tegenovergesteld aan profaan, dat in de regel een negatieve bijklank heeft. De sfeer van God ervaart een mens alleen als God hem daarvoor uitnodigt, hem als het ware daarin trekt, Hij eventuele belemmeringen wegneemt of bereid is die tijdelijk te negeren.

Het Oude Testament maakt dat op vele plaatsen duidelijk. Een heilige ruimte of plaats betreden zonder een uitnodiging van God is gevaarlijk, levensgevaarlijk zelfs. Mozes, de man Gods, mag dan ook als enige de berg Sinaï beklimmen op het moment dat God de Tien Geboden aan het volk gaf of oplegde. Zijn broer Aäron mag een klein stukje mee omhoog, maar alle anderen moeten een eerbiedige afstand bewaren, dat is veiliger voor hen.

Ga naar het volk en zorg ervoor dat ze zich vandaag en morgen heiligen en hun kleren wassen. Zij moeten zich gereed maken voor overmorgen, want overmorgen zal de heer voor de ogen van heel het volk neerdalen op de Sinaï. Baken voor de mensen een terrein af en zeg hun: Zorg ervoor dat u niet op de berg komt of zelfs de voet ervan betreedt; wie op de berg komt wordt ter dood gebracht. Zelfs met geen vinger mag zo iemand worden aangeraakt: hij moet gestenigd of met pijlen neergeschoten

God spreekt tot Mozes op de berg Sinaï. Miniatuur uit een Bible moralisée, Vlaanderen, ±1465. Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, 76 E 7, 25v.

worden. Is het een mens of een dier, hij mag niet blijven leven. Pas als de ramshoorn weerklinkt mogen zij de berg bestijgen. (Exodus 19,10-13)1

De berg lijkt wel geladen met een soort elektriciteit, doordat God zich er manifesteert. Zelfs Mozes ontkomt niet aan de hoge spanning die voor gewone mensen niet te verdragen is. De God van Israël maakt hem bij hun eerste ontmoeting meteen duidelijk waar hij staat:

‘Kom niet dichterbij en doe uw sandalen uit, want de plaats waar u staat is heilige grond […]’. Mozes bedekte zijn gezicht, want hij durfde niet naar God op te zien. (Exodus 3,5-6)

Een normaal mens mag het heilige niet naderen, laat staan aanraken, zo bleek nadat de Ark van het Verbond heroverd was op de Filistijnen, een volk dat de Israëlieten lange tijd had onderdrukt (1 en 2 Samuël). In een feestelijke processie werd de heilige kist op een kar naar Jeruzalem getransporteerd. De trekossen gleden uit op een slecht stukje weg, waarop ook de kist begon te glijden. Gelukkig – zouden wij denken –zag een zekere Uzza dat en hij greep in, zodat de kist niet in de modder zou vallen en bezoedeld zou worden, maar

Toen ontbrandde de woede van de heer tegen Uzza; op de plaats zelf strafte God hem voor zijn vergrijp en hij viel dood neer, naast de ark van God. (2 Samuël 6,7)

Koning David, die voor de stoet uit danste, hoorde ervan en besloot voorlopig zijn handen niet te branden aan die heilige kist.

We komen hier in aanraking met een haast vergeten aspect van de Oudtestamentische Godsvoorstelling. Gods bijnaam is niet voor niets de Heilige van Israël (Jesaja 47,4, vergelijk Psalm 22,4 en Habakuk 1,12).

Hij mag als Verlosser van zijn volk soms heel dicht bij hen komen, Hij mag hen zelfs toelaten in zijn hart, Hij heet hun Vader, hun Redder, hun Herder, hun Koning, hun Beschermer, maar Hij is niet hun vriendje. Eerbied, ontzag, deemoed en op zijn minst enige voorzichtigheid passen de mens, die immers uit zijn profane, onheilige wereld Gods sfeer binnenkomt.

Dit alles en nog veel meer ligt besloten in de karakterisering van vroomheid en religiositeit als ‘vreze des Heren’. We vinden die term vooral in de Psalmen en Spreuken, dus de geschriften die als menselijke

reactie op Gods ‘nabijheid’ de regels bevatten voor een verstandige manier van omgang met de Allerhoogste.

Vooral het Oude Testament is ervan doordrenkt, dat God zijn eigen terrein heeft en dat enige afstand voor een mens altijd geboden is. In de tempel is het ‘Heilige der heiligen’ waar God ‘in donkerheid’ woont en waar zelfs de hogepriester, de hoogste official op het terrein van de eredienst, slechts één keer per jaar naar binnen mag. Dat staat allemaal in de boeken van de Tora [de Wet], te weten Exodus, Leviticus en Deuteronomium. Zo zijn er heilige voorwerpen (waarmee je dus voorzichtig moet omgaan), heilige tijden (die je goed moet onderscheiden van gewone dagen) en heilige plaatsen (waar je je omzichtig moet bewegen).

Dit numineuze aspect van God staat in principe de omgang met Hem niet in de weg. Een van de ontroerendste verhalen uit Israëls voorgeschiedenis maakt dat duidelijk. Als Mozes zich door zijn geestelijke krachttoer moe en eenzaam voelt in zijn positie tussen het gewone volk en de Heilige, vraagt hij God om een gunst. Hij zou graag één keertje met eigen ogen willen zien wie God werkelijk is. God gaat tot het uiterste om aan die bede te voldoen, maar Mozes heeft het onmogelijke gevraagd: geen mens kan mijn gelaat zien en in leven blijven (Exodus 33,20). De Heer bedenkt dus een list. Hij zal ‘eigenhandig’ Mozes beschermen tegen het voor mensenogen te felle licht dat van Hem uitstraalt.

Hier bij Mij is nog plaats; kom op de rots staan. Wanneer mijn heerlijkheid voorbijgaat, zal Ik u in de rotsholte laten schuilen, en als Ik voorbijga zal Ik u met mijn hand beschermen. Als Ik dan mijn hand terugtrek, kunt u Mij van achteren zien, want mijn gelaat kan niemand zien. (Exodus 33,21-23)

Dit laat op een prachtige manier zien hoe intiem en tegelijkertijd eerbiedig de relatie tussen God en mens mag zijn. Mozes is eerder aangeduid als de vriend van God, die met hem sprak van aangezicht tot aangezicht, zoals een mens met zijn medemens spreekt (Exodus 33,11). Zo werd Mozes, als vele anderen na hem, Gods ‘instrument’, een man Gods, omstraald door heilig licht, en hij krijgt daardoor zelf iets ontzagwekkends. Zijn zusje Mirjam en zijn broer Aäron merken dat als zij de autoriteit van Mozes ter discussie stellen. God straft hen daarvoor, want, zegt Hij

Aäron en Mirjam worden gestraft door God, omdat ze Mozes tegenspreken. Miniatuur uit een Historiebijbel; Utrecht, ±1430. Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, 78 D 38/1, 98r.

[Mozes] is mijn vertrouweling […]. Met hem spreek Ik van mond tot mond, duidelijk en niet in raadsels. Hij aanschouwt de gestalte van de heer. Hoe hebt u zich tegen mijn dienaar Mozes durven keren? (Numeri 12,7-8)

Met andere woorden, Mozes is (de eerste) heilige avant la lettre. Op hem is alles van toepassing wat in later tijd voor een heilige geldt. Of ook, op een heilige is alles van toepassing wat reeds van Mozes werd gezegd. Pas dus op voor een heilige, treed haar of hem met eerbied tegemoet, want in hem of haar wordt zichtbaar, tastbaar en hoorbaar wie God werkelijk is en dat heeft zijn gevaarlijke kanten tot in de Late Middeleeuwen.

Een illustratie hiervan is het wonder dat Vinaberga, een dienstmeisje van Radegundis, overkwam.

[Zij] ging na de dood van de heilige koningin [Radegundis] in dwaze overmoed op haar stoel zitten. Maar zij werd getroffen door het oordeel van God en verbrandde zo hevig dat zij allen zagen hoe de rook hoog opsteeg. Zij schreeuwde luid en beleed voor alle aanwezigen dat zij gezondigd had en daarom verbrandde.2

Op de bede van de omstanders tot Radegundis loopt alles nog goed af, maar drie dagen verbrande billen is Vinaberga’s verdiende loon. Met heiligen solt men niet! Achter hen staat immers God zelf.

1.2 Heilig en zalig

Vóór het jaar 1000 bepaalde een bisschop of een overledene in zijn diocees opgenomen kon worden in de rangen der heiligen. Regelmatig waren wonderen hiervoor de aanleiding. De stoffelijke resten werden dan opgegraven (elevatio: opheffing), overgebracht (translatio: transport) en in een nieuw graf gelegd (depositio: neerleggen). Boven het graf bouwde men vaak een kerk, toegewijd aan de ‘nieuwe’ heilige. Ambrosius (±339-397), bisschop van Milaan, gaf als eerste opdracht voor een dergelijke ‘drieslag’. In 386 ontdekte deze kerkvader de graven van de martelaren Gervasius en Protasius onder de vloer van een basiliek buiten de stadsmuren. Zij verdienden volgens hem een waardiger plaats en daarom besloot hij de stoffelijke resten op te graven, te

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook