
Ad VA n der Zee
![]()

Ad VA n der Zee
Veldheer in dienst van hertog, keizer en landvoogdessen

Deze uitgave is mede mogelijk gemaakt door financiële ondersteuning van Professor Van Winterfonds, M.A.O.C. Gravin van Bylandt stichting en Hendrik Muller Fonds.


Ontwerp omslag: Mijke Wondergem
Afbeelding voorplat: Floris van Egmond, omstreeks 1520 geschilderd door Jan Gossaert (Den Haag, Mauritshuis)
Afbeelding achterplat: Het wapen van Floris van Egmond: twee kwartieren Egmond, twee kwartieren Buren en het hartschildje met het wapen van IJsselstein. Detail van een glasvenster in de Katharinakerk van Hoogstraten (Koninklijk Instituut voor het Patrimonium, Brussel)
Afbeelding titelpagina: Handtekening van Floris van Egmond in een van zijn brieven (Nationaal Archief, NDR 1.08.06, 1030)
Ontwerp binnenwerk: Margreet van de Burgt
I s BN 978 94 6456 653 6 N u R 681/684
© 2026 A. van der Zee, p/a uitgeversmaatschappij Walburg Pers, Zutphen © 2026 uitgeversmaatschappij Walburg Pers, Zutphen www.walburgpers.nl
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Zoveel mogelijk is getracht de eventuele rechthebbenden van de afbeeldingen te achterhalen. Rechthebbenden die in dit verband niet zijn benaderd wordt verzocht zich met de uitgever in verbinding te stellen.
Voor W oord 9
dA nk B etuiging 11
1 De heer van IJsselstein 13
Floris was overal bij 13
Bronnen voor Floris’ leven 16
Ruimtelijk kader: Egmond, Holland en IJsselstein 19
Een exemplarische carrière in een tijd van verandering 23
Brieven van Floris van Egmond 25
2 Utrechtse troebelen en D ominante va D ers (1483-1500) 29
Een harde opvoeding 29
Eerste acties tegen utrecht 32
Assistent-stadhouder van oom Jan 34
Filips de schone, graaf van Holland 38
Een dubbelhuwelijk met gevolgen 40
Nóg een huwelijk 41
Cornelis van Bergen 43
De burcht van Grave 44
Huwelijksgeschenken 45
3 o p reis naar s panje, 1501-1 503 49
De spaanse erfopvolging 49
Van Brussel via Blois naar Burgos 51
Toledo: de ontmoeting der grootvaders 56
Voorbereidingen voor de terugreis 59
Van Barcelona en salses naar Lyon 60
Familiebezoek en een feest in Innsbruck 62
Thuisreis 64
Man van de wereld 66
4 s panningen met Karel van g elre.
De jaren 1504-1505 69
Karel van Egmond 69
Graven van Egmond – Graven van Buren 74
Oorlog met Gelre of toch niet? 75
Gelre valt aan 78
Afgedwongen vrede met Karel van Egmond 81
5 v liesri DD er en a D miraal: D e twee D e reis naar s panje (1505-1506) 85
Ridder van het Gulden Vlies 85
Gekapitteld wegens drankzucht 88
Middelburg, 17 november 1505 89
Admiraal voor één reis 90
Oponthoud in Engeland 94
Het einde nadert 96
Terug naar het noorden 99
6 s ta D ho UD er van g elre 1507-1 513 105
Militair adviseur van Margaretha van Oostenrijk 109
Aanval op utrecht 112
Aanval op IJsselstein 115
Mislukking bij Venlo en een andere baan 119
Intermezzo: chaperon van Maria (mei 1514) 122
7 s ta D ho UD er van Frieslan D 1515-1 517 125
Een nieuw tijdperk breekt aan 125
Nieuwe stadhouder van Holland en Zeeland 126
Naar Friesland 127
De Bende van de Zwarte Hoop 133
De invasie van 1516 134
Het beleg van sneek en de plundertocht van de Zwarte Hoop 137
Andere stadhouders en commandanten; Karel V naar spanje 139
8 Kastelen en heerl IJK he D en 143
Bouwer van kastelen 143
sint-Maartensdijk 144
IJsselstein 145
Pandheer van Grave 147
Alexander Pasqualini, architect en vestingbouwer 150 Leerdam 151
Veldenstein in Jaarsveld 152
schoonhoven 153
Kasteel van Buren 154
Brabantse bezittingen 158
Kortgene, een kortstondig bezit 161
Ten slotte 161
9 h et militaire be D r IJF van FleUrKen DUnbier 163
‘Flores Dunnebier, Foert dij de Duwel hijr’ 163
Condottiere in vaste dienst 164
Zwitsers en Duitse landsknechten 167
Bevelhebber op zoek naar geld 169
strijdmakkers: Hendrik van Nassau en Lubbert Torck 171
Familiebedrijf Egmond & Co 174
10 r eligie, D evotie en mecenaat 177
Geschilderd door Gossaert 177
Benoemingen en de Reformatie 179
Religieuze stichtingen 180
Erasmus van Rotterdam 184
Familievrienden: Antoon en Elisabeth 185
Raamschenkingen 187
Een buxushouten gebedsnoot 189
11 Kapitein- g eneraal in D ienst van D e K eizer 1522-1539 193
Keizerkroning in Aken, oorlog met Frankrijk 193
Floris naar Terwaan, nieuwe onderhandelingen met Gelre 196
De aanval op Den Haag … 199
… en op Tiel 201
Floris beschimpt in Den Bosch 203
Margaretha sterft, Maria van Hongarije treedt aan 203
De Hoop van Meindert van Ham 207
Nog één keer op veldtocht 208
12 n azaten en nage D achtenis 213
De grafkelder 213
Maximiliaan en Françoise 216
Walburga (1502-1547) en Anna van Egmond (1504-1574) 218
Filips van Montmorency en Floris van Montigny 221
Anna van Buren en haar kinderen 222
Epiloog – Floris’ nagedachtenis 225
n oten 228
b ronnen en literat UU r 236
Archieven 236
uitgegeven bronnen 236
Literatuur 237
r egisters 243
Namenregister 243
Plaatsnamenregister 245
Het begon met een schilderij in het Mauritshuis in Den Haag. Ik zag daar in 2018 een intrigerend portret van een man in een mooi wambuis met opvallende spleten waardoor kleurige stof (de voering?) te zien was. Het waren geen gewone scheuren, ze waren zorgvuldig aangebracht in duur ogende stof. De man had een deftige en wat minzame uitstraling en zijn portret, geschilderd door Jan Gossaert omstreeks 1520, raakte me.
De geportretteerde in kwestie bleek Floris van Egmond (1469-1539), heer van IJsselstein, graaf van Buren en Leerdam. Ik ben over hem gaan lezen en me in zijn leven, werk en familie gaan verdiepen. Behalve dat hij de grootvader was van Anna van Buren, de eerste echtgenote van Willem van Oranje, deed hij nog heel veel meer. Hij was legeraanvoerder, plaatsvervangend admiraal, reisde tot twee keer toe met hertog Filips de schone naar spanje en bevocht de Geldersen, de Friezen en de Fransen. Hij diende twee belangrijke vrouwen, de landvoogdessen Margaretha van Oostenrijk en Maria van Hongarije, met wie hij een uitgebreide correspondentie onderhield.
Het historische belang van Floris van Egmond is er niet in gelegen dat hij bekend is om één grootse daad of iets buitengewoons bewerkstelligd heeft waardoor we hem nog altijd herinneren. Bij het grote publiek is hij maar matig of helemaal niet bekend. Zijn achterneef Lamoraal van Egmond was ook actief legeraanvoerder, maar zijn bekendheid ontleent hij vooral aan het feit dat hij in 1568 op last van Alva werd onthoofd op de Grote Markt in Brussel. Zoiets kennen we niet van Floris. Niet dat hij slechts als toeschouwer langs de kant heeft gestaan, integendeel. Gedurende zijn leven was hij actief betrokken bij een reeks belangrijke gebeurtenissen. Hij was zowel getuige van als deelnemer aan het Habsburgse staatsvormingsproces in de Nederlanden. Via de persoon van Floris van Egmond kijk je als het ware door een lens naar die tijd en maak je alle veranderingen van dichtbij mee.
Na de dood van zijn vader Frederik in 1521 werd Floris de tweede graaf van Buren. Misschien was zijn verheffing tot graaf wel de aanleiding voor de opdracht aan Gossaert om zijn portret te laten schilderen. De titel ‘graaf van Buren’
vererfde na zijn dood op zijn zoon en kwam via zijn kleindochter Anna terecht bij Willem van Nassau, prins van Oranje, en na hem bij de stadhouderlijke familie. Nu, vijfhonderd jaar later, bestaat die titel ‘graaf van Buren’ nog altijd. Deze maakt deel uit van de verzameling titels in het bezit van het Nederlandse vorstenhuis. De huidige, negentiende, graaf van Buren is dan ook Zijne Majesteit Willem-Alexander, koning der Nederlanden, die in 1986 onder de naam W.A. van Buren meedeed aan de Elfstedentocht. Aan hem draag ik dit boek op.
De levensgeschiedenis van Floris van Egmond raakt vele deelgebieden. Ik ben dan ook een aantal mensen erkentelijk die mij van advies hebben voorzien waar mijn kennis tekort schoot. In het bijzonder geldt dit voor Hans Mol die mij met zijn grote kennis van de Friese geschiedenis van de zestiende eeuw heeft behoed voor diverse uitglijders. Henk Looijesteijn las grote delen van het manuscript en voorzag dat van kritisch commentaar. Hans Cools stuurde mij transcripties van enkele door Floris aan Maria van Hongarije geschreven brieven uit het Belgische Rijksarchief. Mario Damen wees mij de weg naar de juego de cañas in middeleeuws spanje en glasschenkingen door de adel. Merle Lammers gaf tips over de stand van zaken in de militaire geschiedenis en René ten Dam over de graftombe in Buren. Aan Els Brouwer natuurlijk mijn dank voor haar niet-aflatende steun tijdens dit project.
Verder nog speciale dank aan Laurie Bassam van het Brighton & Hove Museum in Brighton dat mij toestemming gaf om een afbeelding van het portret van Floris uit ±1510 te gebruiken, het Mauritshuis voor het gebruik van het portret uit 1520 en evenzo aan Rob Bloemendal van de stichting Twickel voor het portret van Floris op latere leeftijd. Dank ook aan Frits scholten van het Rijksmuseum voor het ter beschikking stellen van de afbeelding van de buxushouten paternoster van Floris en Margaretha en aan de medewerkers van de Koninklijke Verzamelingen Den Haag voor diverse scans van documenten uit het Koninklijk Huisarchief. Ten slotte mijn dank en respect aan alle lokale geschiedkundigen. Zonder hen is een boek als dit nauwelijks mogelijk; het is gebouwd op hun kennis.

Als Floris van Egmond al bekend is bij het grote publiek komt dat vooral doordat zijn portret is aangebracht op de pilaren aan het Anna van Burenplein, achter het Centraal Station in Den Haag, samen met dat van andere nazaten en familieleden uit het Huis Oranje-Nassau. (Foto auteur, 2023)
Floris van Egmond (1469-1539), graaf van Buren en Leerdam, heer van IJsselstein, Sint-Maartensdijk, Kortgene, Jaarsveld, Eindhoven en Cranendonck; pandheer van Grave en Cuijk, kastelein van Schoonhoven; luitenant-stadhouder van Holland en Zeeland, stadhouder van Gelre, stadhouder van Friesland, kapitein-generaal in de Nederlanden, ridder van het Gulden Vlies.
Floris was overal b IJ Floris is tegenwoordig een populaire jongensnaam. Dat gaat met pieken en dalen. Het Meertens Instituut houdt dit allemaal goed bij en dan zien we dat de naam Floris sinds 1990 met een opmerkelijke opmars bezig is (die de laatste jaren overigens weer wat afvlakt).1 Het is niet ondenkbaar dat deze populariteit veroorzaakt werd doordat degenen die in hun jeugd opgroeiden met de tv-serie Floris uit 1969, met Rutger Hauer in de titelrol, intussen volwassen waren geworden en deze naam nu gaven aan hun zoons. Dat kan een verklaring zijn, maar er zijn sinds de elfde eeuw altijd jongens geweest die Floris werden genoemd.
In de vijftiende en zestiende eeuw was de naam populair in sommige adellijke families in het graafschap Holland. Wellicht wilde men zich daarmee spiegelen aan het Hollandse gravenhuis, door wie de naam ooit werd geïntroduceerd. De eerste Floris, graaf Floris I (circa 1025/1030-1061), kwam ter wereld als tweede zoon van de befaamde graaf Dirk III (circa 982-1039). Hoe graaf Dirk er bij kwam om zijn zoon Floris (Florent, Florentius) te noemen, is tot op heden in nevelen gehuld. Ook het Meertens Instituut weet dit niet en de naamkundige D.P. Blok, op wie zij zich baseren, heeft slechts vermoedens. Er was een zesde-eeuwse heilige sint-Florentius in Zuidoost-Frankrijk, in Orange en Arles. Misschien kwam Dirk met de cultus rond die heilige in contact toen hij in 1030 als pelgrim op weg was naar Jeruzalem. Maar mogelijk was Floris I toen zelfs al lang geboren. Tamelijk recent heeft Van der spiegel zich nog eens over de materie gebogen en hij suggereert een heilige Florentinus wiens relieken in
de vroege elfde eeuw ‘in het nieuws’ waren in Engeland (Peterborough), maar ook in Tiel. De vrede tussen graaf Dirk III en de op Engeland gerichte kooplieden uit Tiel zou daardoor een mogelijke inspiratiebron voor naamgeving hebben kunnen zijn, maar de auteur voegt er direct aan toe dat dit slechts speculatie is.2
We weten alleen zeker dat er vijf graven van Holland Floris werden genoemd, de laatste was de beroemde Floris V (1254-1296) en ook enkele hoog-adellijke families in Holland noemden hun zonen Floris, wellicht als eer- en dankbetoon aan het gravenhuis of omdat de betreffende graaf als peetvader optrad.
Een van de families die in de vijftiende eeuw diverse Florissen kende, was het Huis Egmond.3 In 1469 (misschien 1470, afhankelijk van de gehanteerde jaarstijl) werd bij hen Floris van Egmond geboren, zoon van Frederik van Egmond (1440-1521) en Aleida van Culemborg (1445-1471). De familie Van Egmond stamde oorspronkelijk uit Kennemerland, maar Frederik van Egmond en voor hem zijn vader Willem IV (1412-1483) hadden belangrijke posities weten te verwerven in het rivierengebied. Door huwelijken waren zij onder andere heren van IJsselstein en van Buren geworden. Floris’ moeder Aleida was een telg uit een aanzienlijk adellijk geslacht en stierf een jaar na zijn geboorte. Floris’ vader Frederik was legeraanvoerder in dienst van de hertogen van Bourgondië, die sinds 1433 tevens graven van Holland waren. Ook diens vader Willem IV en zijn overige familie speelde een voorname rol in het militaire bestuur van het graafschap en soms daarbuiten. De jonge Floris werd ook legeraanvoerder en ontpopte zich tijdens zijn leven tot militaire steunpilaar van het Bourgondisch-Habsburgse bewind. Hij trouwde op 12 november 1500 met Margaretha van Glymes-Bergen (1481-1551), dochter van Cornelis van Bergen, lid van een voornaam Brabants geslacht uit Bergen op Zoom. Zij kregen twee dochters, Walburga (1502-1547) en Anna (1504-1574), en één zoon, Maximiliaan (1509-1548).
In dienst van de graaf/hertog/keizer vocht Floris in vele oorlogen: tegen Jonker Frans, de utrechters, de Geldersen, de Friezen, weer tegen de Geldersen en tegen de Fransen. Hij werd meer dan eens benoemd tot stadhouder en uiteindelijk tot kapitein-generaal, de hoogste militaire rang in de Nederlanden. Hij was in dienst van achtereenvolgens hertog Filips de schone en diens vader en regent rooms-koning en keizer Maximiliaan van Oostenrijk, van koning en later keizer Karel V en van de beide landvoogdessen Margaretha van Oostenrijk en Maria van Hongarije. Hij reisde met Filips de schone mee naar spanje om zijn heer daar tot koning te zien worden gehuldigd en hem er te zien sterven. Hij achtervolgde Grote Pier in Friesland en op de Zuiderzee, joeg Maarten van
Rossum op na diens plundering van Den Haag, bevocht de Franse koning Frans I op de slagvelden in Artesië en ondernam ten slotte op het eind van zijn leven nog actie tegen Groningse opstandelingen rond Appingedam. Floris van Egmond was geen ‘Hollandse’ edelman. Zijn familie was weliswaar grotendeels uit Holland afkomstig, maar zijn meeste bezittingen lagen buiten het graafschap Holland: in Gelre, Zeeland en in Brabant. Deze bezittingen waren bovendien niet onderdanig aan een andere heer dan de keizer zelf. Dat maakt Floris een wat atypische edelman voor de late middeleeuwen, maar juist wel weer typerend voor een bepaalde adellijke klasse uit de vroege zestiende eeuw voor wie het Habsburgse Rijk als geheel hun werkgebied was.
Floris was steeds overal bij. Hij werd geboren in een middeleeuws graafschap en overleed op 25 oktober 1539 in het hart van een wereldrijk, op zijn eigen kasteel in Buren. Fleurken Dunbier zou zijn soldateske bijnaam zijn geweest. Zijn devies luidde sans faute, ‘zonder mankeren’. Hij was een ijzervreter pur sang en voor 100% loyaal aan zijn heer, die de meeste tijd overigens een vrouwe was, maar hij hield zijn eigen belangen daarbij altijd scherp in de gaten, zoals we nog zullen zien. Wie was deze man en in wat voor wereld leefde hij? In welke kringen verkeerde hij en hoe zag zijn sociale en professionele netwerk eruit? Wat klopt er eigenlijk van zijn vaak in biografische woordenboeken en op internet aangetroffen karakterisering als ‘gevierd legeraanvoerder’, was dat echt zo? Wat was zijn houding ten opzichte van de grote politieke veranderingen tijdens zijn leven en hoe ging hij daarmee om? Wat is ten slotte zijn betekenis geweest en waarom zouden wij ons, vijfhonderd jaar later, nog om hem bekommeren?
Veertig jaar na zijn dood braken de Nederlanden weg van de Habsburgse macht, maar tijdens Floris’ leven was daar nog lang geen sprake van. De tijd waarin hij leefde, is een periode die in veel Noord-Nederlandse geschiedschrijving wat tussen wal en schip valt. Dat is niet alleen jammer, maar ook onterecht. Bezien met het oog van de lange termijn is de periode tussen grofweg 1480 en 1530 cruciaal geweest voor de ontwikkeling van de Nederlanden als zelfstandige staat. We hebben het dan in geografische zin over de Lage Landen als geheel, de landen van de Bourgondische erfenis, en niet specifiek over het noordelijke stukje dat later als de Republiek bekend is komen te staan. Het gravenhuis en de Bourgondische hertogen zijn gepasseerd, de Habsburgers treden aan en de Reformatie is aanstaande, maar ridderlijke eer en het katholieke geloof zijn nog alomtegenwoordig. De macht van burgers, adel en steden is groot en neemt nog steeds toe, maar de Europese monarchen be -
ginnen eveneens een grote bestuurlijke en militaire macht te ontwikkelen om hun greep op maatschappij en politiek te centraliseren en te versterken. Vanuit historisch perspectief bezien staat men nog met één voet in de middeleeuwen en met de andere in de vroegmoderne tijd. In de kunsten spreken we soms over laat-gotiek en dan weer over vroege renaissance; de uitingen en kenmerken komen in deze periode door elkaar voor.
Dit boek wil de lezer ook een kijkje bieden in die Nederlanden van de vroege zestiende eeuw, toen de begrippen ‘Noordelijke’ en ‘Zuidelijke’ Nederlanden nog niet eens bestonden. Op zeker moment is de Opstand een allesoverheersende schaduw gaan werpen over de gebeurtenissen van de zestiende eeuw. Althans, in de geschiedschrijving over deze periode; de mensen zelf wisten natuurlijk nog nergens van, die leefden gewoon hun leven en deden hun ding. Ook was ‘Holland’ nog lang niet de overheersende macht die het in de Nederlanden op het eind van de zestiende eeuw begon te worden.4 Brabant en Gelre waren toen immers belangrijke machtscentra en die spelen in dit boek dan ook een voorname rol. Het kon rond 1500 nog alle kanten op, al weten we natuurlijk wel hoe bepaalde dingen afliepen, maar dat Gelre in 1543 uiteindelijk zou worden samengevoegd met Holland, Brabant en Zeeland was in 1500 nog helemaal geen uitgemaakte zaak en moeten we ook zeker niet opvatten als de natuurlijke loop der dingen.
b ronnen voor Floris’ leven
Over Floris van Egmond is wel het een en ander geschreven in de historische literatuur, maar tot dusver altijd verspreid en gekoppeld aan regio’s. Met andere woorden: in de geschiedschrijving van Gelre treedt hij op als tegenstander van Karel van Gelre en in die van Friesland over zijn periode als stadhouder aldaar. In de plaatselijke geschiedschrijving van Buren, IJsselstein en Grave wordt zijn rol vanzelfsprekend behandeld, maar dan als lokale heer zonder zijn bovenregionale positie uit te diepen en in samenhang te beschrijven. Anderzijds zijn er studies die een wat abstracter uitgangspunt hebben, zoals die van Cools, Cauchies en sicking.5 Floris van Egmond komt geregeld bij hen langs, maar dan op rijksniveau en in samenhang met de bestuurlijke klasse waar hij deel van uitmaakte. Daardoor is er bij hen wat minder oog voor zijn afzonderlijke daden en acties. Deze studie, noem het een biografische schets, beoogt beide invalshoeken te combineren en zowel aandacht te hebben voor de persoon van Floris van Egmond, zijn familie en zijn lokale bezittingen en rechten, als voor zijn rol binnen het Bourgondisch-Habsburgse staatsapparaat tussen 1483,
wanneer Floris voor het eerst in een historische bron opduikt, en 1539, het jaar van zijn dood. Floris’ leven is niet via bronnen van dag tot dag of zelfs maar van jaar tot jaar te volgen; er zijn veel witte vlekken. Daarom zal ik ook veel aandacht besteden aan de context van het tijdperk 1470-1540 in de Nederlanden waarin Floris zijn plek had. Het zal veel gaan over politieke en militaire gebeurtenissen, maar ook over de herkomst van Floris’ titels en heerlijkheden (hoofdstuk 8) en over devotie en mecenaat in de eerste helft van de zestiende eeuw (hoofdstuk 10).
In deze biografische schets zal ruim geput worden uit bestaande literatuur, zowel de recente als soms de (zeer) oude. Juist oudere literatuur heeft vaker oog voor anekdotes rondom een persoon. Daarnaast is door mij veel en dankbaar gebruikgemaakt van bronnenedities die veelal in de negentiende eeuw tot stand zijn gekomen. De uitgave van de correspondentie van Margaretha van Oostenrijk door Van den Bergh (1849) is zo’n project geweest waar wij in 2025 alleen maar met ontzag naar kunnen kijken en datzelfde geldt voor de uitgave van de itineraria van de Bourgondische hertogen door Gachard (1876), de geschiedenis van de Orde van het Gulden Vlies door De Reiffenberg (1830) of die van de Gelderse brieven en oorkonden door Nijhoff (1862). De uitgave uit 1871 van de zestiende-eeuwse kroniek van Worp van Thabor behandelt Floris’ Friese jaren, evenals Geschriften van Jancko Douwama, een uitgave uit 1830/1849. De moderne bronnenuitgave ‘Dagvaarten in Holland’ (1989-2006) bestrijkt de periode tot 1515 en maakt tientallen malen melding van een optreden van Floris of zijn vader Frederik op bijeenkomsten binnen en buiten het graafschap Holland. Voor de jaren na 1520 is het tiendelige werk over de regering van Karel V door Alexandre Henne uit 1858-1860 onmisbaar. 6 Voor de in dit boek genoemde familierelaties moet nog altijd worden teruggegrepen op de uitgebreide genealogie die Dek in 1958 samenstelde. 7
Nadat Floris in 1539 was overleden en zijn zoon Maximiliaan niet lang daarna in 1548, gingen de bezittingen en titels over op Maximiliaans enige kind, zijn dochter Anna (1533-1558). Nadat Anna, Floris’ kleindochter, in 1554 was getrouwd met Willem van Nassau, prins van Oranje, werd haar archief overgebracht van Buren naar het kasteel van Breda, waar het echtpaar woonde. Dit archief bevat veel oude stukken met betrekking tot familiebezittingen en rechten, maar ook een flink aantal brieven van Floris van Egmond en diens vader Frederik, soms eigenhandig door hen geschreven. Dit archief maakt deel uit van de zogeheten ‘Nassause Domeinraad’ (NDR) in het Nationaal Archief en herbergt een schat aan informatie over tal van aangelegenheden. Enkele stukken

Het Slot op den Hoef. Omstreeks 1570, vlak vóór de verwoesting in 1573, maakte Gillis de Saen dit historiserende schilderij van het Slot op den Hoef. Op de voorgrond zien we enkele leden van het geslacht Egmond, zoals Willem IV en zijn vrouw Magdalena. Het schilderij bevindt zich in het Stadhuis van Zottegem (België). (Foto Regionaal archief Alkmaar)
met betrekking tot Floris, waaronder zijn eigen huwelijksakte uit 1500 en die van zijn kinderen, kwamen via Anna van Buren-Egmond terecht in het archief van Floris’ achterkleinzoon prins Filips-Willem (1554-1618). Deze stukken bevinden zich nog altijd in de Koninklijke Verzamelingen in Den Haag. In het Belgische Rijksarchief in Brussel tenslotte berust de correspondentie van landvoogdes Maria van Hongarije, waarvan een klein deel recentelijk is uitgegeven. Zij voerde een geregelde briefwisseling met haar kapitein-generaal in de Nederlanden tot vlak voor zijn dood. Interessant zijn ook de brieven van Floris’ dochter Anna (1504-1574) en die van zijn schoondochter Françoise van Lannoy (1513-1562), de echtgenote van zijn zoon Maximiliaan. Een groot deel van hun brievenreeksen zijn tussen 1850 en 1855 uitgegeven door het Historisch Genootschap. Er bestaan ongetwijfeld nog brieven of andere archiefstukken die direct of indirect met Floris van Egmond te maken hebben. We kunnen die verwachten in bijvoorbeeld archieven in Wenen, Parijs of Madrid/simancas. Deze zijn niet door mij geraadpleegd. Een enkele keer krijgen we daar iets van mee doordat deze of gene historicus ze wél ter plaatse heeft kunnen bestuderen en bijvoorbeeld melding maakt van het gevolg van edelen van Filips de schone of een
brief van Floris aan de keizer. Deze biografische studie van de heer van IJsselstein is daarom ongetwijfeld niet volledig, maar hopelijk wel dermate gedetailleerd dat er een goed beeld van hem en zijn wereld zal oprijzen. Hoe hij er fysiek uit heeft gezien, kunnen we vaststellen aan de hand van een drietal geschilderde portretten die van hem bewaard zijn gebleven en in dit boek staan afgebeeld. Een vierde portret dat te zien moet zijn geweest in het oude stadhuis van sint-Maartensdijk lijkt onvindbaar.8
rU imtel IJK K a D er: e gmon D , h ollan D en IJsselstein Floris van Egmond verzamelde tijdens zijn leven veel titels, maar ‘joncker’ (en later Heer) van IJsselstein was hij al vanaf zijn geboorte. In veel bronnen wordt hij ook zo genoemd, vaak kortweg ‘Ysselstein’. Pas na de dood van zijn vader zal hij in veel officiële stukken als ‘Buren’ worden aangeduid, naar zijn voornaamste titel graaf van Buren. Deze titel was zijn vader in 1492 verleend door rooms-koning Maximiliaan van Habsburg.
De Egmonds waren oorspronkelijk afkomstig uit Kennemerland en treden in de vroege twaalfde eeuw de geschiedenis binnen als de zogeheten advocati van de Abdij van Egmond. Hun functie hield in dat ze namens de graaf van Holland de abdij beschermden en anderzijds optraden als de voogden, de wereldlijke vertegenwoordigers van de abdij. Zo’n voorname functie kreeg je niet zomaar, dus het ligt voor de hand dat leden van de familie al een belangrijke rol ter plaatse speelden in de periode daarvoor. In de dertiende eeuw schonk graaf Floris V aan de Egmonds het bezit van de lage en hoge rechtsmacht en maakte hen daarmee Heren van Egmond. Geleidelijk aan breidden zij hun bezit aan grond en heerlijke rechten in de regio uit.9 Zij waakten ervoor altijd aan de kant van de graven te blijven en bij conflicten nooit de tegenpartij te kiezen. Hun aanvankelijk eenvoudige woontoren, het slot op den Hoef, groeide uit tot een formidabel kasteel. Via huwelijken raakten zij verknoopt met andere adellijke families binnen en buiten het graafschap en zo kwamen zij midden veertiende eeuw in het bezit van de heerlijkheid IJsselstein. Deze bestond uit de onderdelen IJsselstein, Benschop en Noord-Polsbroek en was sinds de dertiende eeuw in handen van de heren van Amstel. Zij hielden IJsselstein oorspronkelijk als achterleen van het utrechtse kapittel van sint-Marie.10 De heerlijkheid lag op de grens van Holland en het sticht utrecht en in de loop der tijd nam de Hollandse invloed toe, vooral nadat de Hollandse graaf Willem III in 1309 de heerlijke

Grafmonument in Naamse hardsteen voor de heren en vrouwen van Amstel-IJsselstein. Het bevindt zich in de Nicolaaskerk in IJsselstein en werd omstreeks 1370 gemaakt in opdracht van Guyota van IJsselstein. (Foto auteur, 2019)
rechten kocht. IJsselstein werd zo feitelijk een Hollandse enclave in het sticht. Jan I, heer van Egmond (1291-1369) trouwde in 1330 met Guyota van IJsselstein (1310-1374). Zij was de dochter van Arnoud van IJsselstein-Amstel en Maria van Avesnes.11 Na de dood van haar vader in 1364 erfde zij diens bezittingen die vervolgens in het bezit van de Egmonds kwamen. Zij is vooral bekend om het fraaie grafmonument dat zij in de Nicolaaskerk in IJsselstein liet oprichten voor haar ouders en grootouders, Gijsbrecht van IJsselstein-Amstel (1279-1344) en Berta van Heukelom. Deze Gijsbrecht was een neef van Gijsbrecht IV van Amstel, berucht om het complot tegen graaf Floris V, maar had zelf geen bemoeienis gehad met de samenzwering. Hij bleef daardoor ook na 1296 gehandhaafd in zijn bezittingen en werd door de Hollandse graaf beleend met IJsselstein.
Gedurende de veertiende en vijftiende eeuw raakte het gebied telkens betrokken in oorlogen tussen Holland en het sticht en bovendien bij de Hoekse en Kabeljauwse twisten. Begin zestiende eeuw kwamen daar de Gelderse oorlogen nog bij, zoals we zullen zien. Er werd eindeloos gestreden door diverse partijen om de macht in IJsselstein en het bezit van het kasteel en de stad.12 Vele malen werd het stadje belegerd door deze of gene, deels verwoest en weer
1 de h eer
Ijsselste I n opgebouwd. Pas na de inlijving van het sticht in de Habsburgse Nederlanden, in 1528, nam het strategisch belang van IJsselstein af en kwamen de belegeringen tot een einde. De positie van IJsselstein bleef daarna steeds onafhankelijk, het werd een vrije, soevereine heerlijkheid in het bezit van de heren van Egmond-IJsselstein en hun nazaten. Deze onafhankelijkheid werd nog in 1556 bevestigd door koning Filips II. Het werd toen een baronie genoemd en heeft deze positie tot en met de Franse Tijd behouden. De rechten en titel kwamen via de Egmonds terecht bij het Huis van Oranje-Nassau, vergelijkbaar met de hiervoor genoemde grafelijke rechten in Buren. De huidige baron van IJsselstein is dan ook, net als in Buren, onze huidige koning. Het graafschap Holland, met Zeeland, was bij Floris’ geboorte een belangrijk gewest binnen de Bourgondische Nederlanden, maar zeker niet het belangrijkste. Vlaanderen telde zowel de meeste inwoners als de grootste steden en bezat de grootste economische macht; bestuurders werden door de hertogen veelal gerekruteerd uit de Henegouwse adel, maar juist in het laatste kwart van de vijftiende eeuw kwam het economisch zwaartepunt meer en meer in Brabant te liggen en met name in Antwerpen. Tot het midden van die eeuw was Brugge

Kaart van de stad IJsselstein met in het westen het kasteel en aan de noordzijde de Nicolaaskerk. Uit de Atlas van Jacob van Deventer (± 1570). (Het Utrechts Archief)

De vier regerende vorsten tijdens het leven van Floris van Egmond, na 1477: Maria van Bourgondië, Maximiliaan van Oostenrijk, Filips de Schone en Karel V. Houtsnede door Jacob Cornelisz van Oostsanen, 1518. (Amsterdam, Rijksmuseum)
ontegenzeggelijk het economisch centrum van West-Europa geweest. Als Kontor, dat wil zeggen een van de vier hoofdvestigingen van de Hanze en centraal overslagpunt van alle handelsstromen in West- en Noordwest-Europa, was zijn macht en uitstraling enorm. Maar de Hanze kreeg steeds meer concurrentie. Europese monarchen eisten in toenemende mate zeggenschap op over de internationale handel en bovendien raakte de toegang vanuit zee naar Brugge, het Zwin, verzand. schepen weken uit naar andere havens en vanaf ongeveer 1480 nam Antwerpen de rol van Brugge definitief over.13 De universiteit van Leuven, gesticht in 1425, werd het intellectuele centrum van de Bourgondische Nederlanden; Brussel het bestuurlijke centrum. Naast Vlaanderen en Brabant was Holland rond 1470 zeker een gewest in opkomst. Met name Amsterdam
was sinds het midden van de vijftiende eeuw bezig met een enorme groeispurt. Van economische teruggang had de stad, in tegenstelling tot andere delen van Holland, nauwelijks last gehad in de jaren ’80 en ’90. De welvaart dreef op de handel en scheepvaart met de landen aan de Oostzee waar Amsterdam, eerst nog binnen Hanzeverband, maar later zelfstandig, bijzonder van profiteerde.14 Het graafschap Holland-Zeeland maakte (met Henegouwen) sinds 1433 deel uit van de Bourgondische landen. Hertog Filips de Goede had het land aan zijn reeks aanwinsten toegevoegd en voorlopig een einde gemaakt aan de al een eeuw slepende burgeroorlog, de Hoekse en Kabeljauwse twisten. Zijn zoon Karel de stoute zette na hertog Filips’ dood in 1467 diens beleid voort, maar joeg al te grote territoriale ambities na die hem uiteindelijk fataal werden. Hij sneuvelde op 5 januari 1477 in een van zijn vele oorlogen tegen de Fransen en de Zwitsers. Hij werd opgevolgd door zijn dochter Maria (1457-1482) die al direct na haar aantreden geconfronteerd werd met vérgaande politieke eisen van steden en gewesten. In het zogeheten Groot Privilege van 11 februari 1477 moest zij al deze eisen toestaan, terwijl een groot deel van haar zuidelijke gebieden, het hertogdom Bourgondië met name, door de Franse koning werd geconfisqueerd. Zij had een sterke partner nodig – haar huwelijk was al eerder door haar vader Karel voorbereid – en daarom trad zij op 19 augustus 1477 in het huwelijk met Maximiliaan van Oostenrijk (1459-1519). Zo kwam tijdens Floris’ jeugd de familie Habsburg in de Nederlanden aan het bewind. Althans, in een deel van die landen; Gelre, het sticht, Oversticht, Groningen en Friesland hoorden er toen nog niet bij. Tijdens Floris’ leven werden die gewesten een voor een in de Habsburgse Nederlanden ingelijfd. Dat eenmakingsproces is kenmerkend voor de geschiedenis van de eerste helft van de zestiende eeuw en vormt een rode draad in Floris’ leven.
e en exemplarische carrière in een t IJD van veran D ering Wanneer je een biografie schrijft over een historische persoon doe je dat met een doel. Je wilt niet alleen verhalen en anekdotes over die persoon vertellen, maar ook vanuit dat persoonlijke verhaal iets proberen te zeggen over de tijd waarin die persoon leefde en aldus een bijdrage leveren aan de kennis over die periode. studies over de grote machthebbers van Floris’ tijd, zoals Karel V, Filips de schone en Maximiliaan van Oostenrijk, zijn er voldoende geschreven (al is er altijd ruimte voor méér), maar deze vorsten konden zich in hun positie handhaven mede dankzij de bestuurlijke elite die zich in deze periode promi-
nent wist te manifesteren door hun symbiotische relatie met dat hoogste gezag. De Egmonds behoorden tot dezelfde groep families als de Nassaus, de Bergens of de Brederodes. De schijnwerper richten op deze groep, die tot aan de Opstand een grote rol speelde in politiek en bestuur van de zestiende-eeuwse
Nederlanden, is een van de doelstellingen van dit boek. Dan zullen we zien dat het Habsburgse koninklijke gezag zich mede zo goed wist te vestigen dankzij een nauwe samenwerking met de adellijke elite, maar toen dat gezag eenmaal gevestigd was, de samenwerking ook weer kon worden verbroken.
Het leven en de carrière van Floris van Egmond laat deze ontwikkeling goed zien en daarom draagt een studie over Floris bij aan kennis van het bestuur van de Nederlanden in de vroege zestiende eeuw. Daarnaast wil ik toch ook een verhaal vertellen over een wereld die om verschillende redenen ver van ons af is komen te staan. Als het beschrijven van Floris’ leven iets laat zien, is het juist wat hem van ons scheidt: de verschillende historische breuken die tijdens en na zijn leven ontstonden. De discontinuïteit tussen toen en nu valt dan meer op dan de overeenkomst. Veel mensen weten wel wie Willem van Oranje en Hendrik van Nassau waren, maar namen als Floris van Egmond, Cornelis van

Eigenhandig geschreven brief van Floris van Egmond, gedateerd ± 1534 en gericht aan Antoon van Lalaing, graaf van Hoogstraten. Een latere archivaris schreef ‘aan Hoogstraten’ in de marge. De brief is deels beschadigd. Het handschrift van Floris van Egmond is berucht moeilijk leesbaar. Mogelijk kan zijn handschrift met behulp van AI-technieken nog eens volledig worden ontcijferd. (Nationaal Archief, NDR 1.08.06, inv. nr. 1030, nummer 331, foto auteur 2024)
Bergen of Willem van Croÿ zijn naar de achtergrond verdwenen, terwijl zij toch in hun tijd bij de beroemdste ‘Nederlanders’ hoorden. Er waren daarnaast ook plekken die in de vroege zestiende eeuw iedereen kende, maar al lang zijn verdwenen, zoals de kastelen van Grave, Buren en Poederoijen, of de blokhuizen van Vreeswijk en Amsterdam. Ook die zullen we in dit verhaal tegenkomen.
Van Floris van Egmond zijn enkele tientallen brieven bekend. Ze zijn soms geschreven in zijn officiële hoedanigheid als stadhouder of kapitein-generaal en gericht aan de landvoogdes of de keizer. Deze zijn dan geschreven door een secretaris in een voor tijdgenoten ‘normaal’ leesbaar handschrift, want er werden immers mededelingen gedaan over krijgsverrichtingen of specifiek om geld gevraagd (dat is de inhoud van veel van zijn brieven). Deze brieven zijn voor een deel ook uitgegeven, want ze maken deel uit van officiële staatscorrespondentie en wekten daarom de interesse van menig archivaris en historicus. Daarnaast kennen we tussen de tien en twintig brieven die we wat meer tot de privé-correspondentie moeten rekenen. Het gaat dan om brieven aan zijn zoon, vader of andere familie, kattenbelletjes aan een van zijn rentmeesters of onderlinge correspondentie met commandanten. Die geadresseerden moeten het destijds hebben kunnen lezen; daar gaan we maar van uit. Er zijn daarnaast archivarissen geweest die ook in meer of mindere mate in staat waren om Floris’ hanenpotenhandschrift te lezen, want ze zijn erin geslaagd om de inhoud van die brieven in regestvorm door te geven. Dat is knap, want het ontcijferen van Floris’ handschrift vormt een bijzondere uitdaging. Ook wie beschikt over goede paleografische kennis van zestiende-eeuws schrift moet erkennen dat ontcijfering niet meevalt of soms onmogelijk is. sommige brieven zijn bovendien beschadigd of door vocht aangetast. Er blijven dus hiaten. Voor de duiding moeten we ons grotendeels verlaten op de regesten van genoemde archivarissen. soms valt een zinsnede te herkennen, maar daar blijft het vaak bij.
(vijf andere kinderen van Willem IV en Walburga)
Jan III van Egmond (1438-1516) x Magdalena van Werdenburg (1464-1538)
Willem IV van Egmond (1412-1483) x Walburga van Meurs († 1459)
Josina (1485-1538) x
Jan II van Wassenaar (1483-1523) Walburga (1490-1529) x Willem de Rijke, graaf van Nassau (1487-1559)
Johanna (1498-1541) x Georg Schenck van Toutenburg (1480-1540)
Jan IV (1499-1528) x Françoise (Francisca) van Luxemburg († 1557)
Lamoraal (1522-1568)
Joris (George) (1504-1559) bisschop van Utrecht
De familie Egmond-IJsselstein (vereenvoudigde weergave). Voor het rode stamboomdeel, zie hoofdstuk 12.
Wemmer
Frederik van Egmond (1440-1521) x Aleida van Culemborg (1445-1471)
Floris (1469-1539) x Margaretha van Bergen (1481-1551)
Walburga x
Robert II van der Marck de Jonge
Maximiliaan x
Françoise van Lannoy
Anna van Buren x Willem van Oranje
Buitenechtelijk: Christoffel, Willem en Katharina Anna x Joseph van Montmorency
FilipsFloris

Utrecht op de stadsplattegrond van Jacob van Deventer, circa 1570. De Catharijnepoort bevond zich aan de westzijde, naast het – na 1530 gebouwde – kasteel Vredenburg. (Het Utrechts Archief, facsimile)