Skip to main content

Inkijk_Een koffer vol oorlog

Page 1


EEN KOFFER VOL OORLOG

EEN VERBORGEN NSB-VERLEDEN IN DE OUDE AMSTERDAMSE JODENBUURT

Merel Ligtelijn

EEN KOFFER VOL OORLOG

Een verborgen NSB-verleden in de oude Amsterdamse Jodenbuurt

Deze uitgave kwam tot stand mede dankzij financiële steun van M.A O C Gravin van Bylandt Stichting en Professor van Winterfonds Het onder zoek kwam tot stand met financiële steun van het Mondriaan Fonds.

Afbeelding omslag: Particuliere collecties familie Van den Bergh Ontwerp omslag en binnenwerk: Eva Burema

isbn 978 94 6456 651 2 nur 680

© 2026 Merel Ligtelijn, p/a Uitgeversmaatschappij Walburg Pers, Zutphen

© 2026 Uitgeversmaatschappij Walburg Pers, Zutphen

www walburgpers.nl

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden ver veelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schrif telijke toestemming van de uitgever.

Zoveel mogelijk is getracht de eventuele rechthebbenden van de afbeeldingen te achterhalen. Rechthebbenden die in dit verband niet zijn benaderd wordt ver zocht zich met de uitgever in verbinding te stellen.

1: 1915–1937,

DEEL 2: 1937–1944, HA ARLEM

DEEL 3: 1944–1945, DUITSLAND/GRONINGEN

DEEL 4: 1945–1946, NOORD-HOLLAND

DEEL 5: 1946–1984, AMSTERDAM

DEEL 6: 1984–2002, PURMEREND/POSTUUM

Met een smoezelige plastic zak in de hand stond vriend Peter zomer 1995 bij mij op de stoep.

Of ik er iets mee kon?

Hij keerde het geheel om op de keukentafel, een onbestemde lucht ontsnapte. De geur van verborgen verleden, zoetig, amandel of vanille, en zuur tegelijk. Brieven, foto’s, pamfletten, voorwerpen. Wat was dit?

Midden jaren tachtig was Peter Dorren mij opgevolgd als huurder op de Amsterdamse Nieuwe Hoogstraat 3-II, om pas tweeëntwintig jaar later weer te vertrekken. Bij een verbouwing had hij een koffer aangetroffen, in de nok van het huis, achter een zorgvuldig geconstrueerd houten schot. In een wolk van stof was wat een dierbare herinnering aan iemands leven moet zijn geweest, naar beneden gestort. Een reiskoffer van geperst karton, veel te groot voor de inhoud, smoezelig en half vergaan, niet iets om nog te bewaren.

Nou? Je schrijft toch stukjes?

Het bleek gevoelige informatie over de periode 1937-1947 van een zekere Willy Breurken uit De Pijp.

Net als ik, had zij daar op de tweede verdieping gewoond; ik ruim een jaar, zij decennialang.

Dat Willy affiniteit had gehad met het nationaalsocialisme, was evident. De spullen belandden in mijn kelder en overleefden drie lekkages.

Vijfentwintig jaar later besloot ik alsnog op onderzoek uit te gaan.

Wie was Willy? Wat zat er in haar koffer en waarom?

Het onderzoek liep uit de hand en voerde me tot honderdtwintig jaar terug in de tijd.

Dit boek gaat over Willy’s leven. Over haar keuzes. Over de smalle marges waarbinnen ze kon kiezen. Enig doel: beschrijven en begrijpen, niet veroordelen.

Een dramatisch leven ontvouwde zich. Een ‘petite histoire’ die symbool staat voor zovelen met onzichtbare levens – de kleine radertjes die meedraaiden in een grote geschiedenis.

Willy bleek een zoon te hebben, Jan. Van een koffer wist hij niets. Van zijn moeders verleden evenmin. Wel had zij hem meermalen gewaarschuwd: ‘Als ik doodga, dan zul je nog ’ ns wat beleven’.

Willy stierf in 2002, 87 jaar oud. Dat haar koffer toen al was gevonden, heeft ze nooit geweten.

Proloog

Er zat niks anders op: maart 1987 moest ik verhuizen naar een wisselwoning. Mijn huurhuis aan de Zwanenburgwal werd gerenoveerd, in het kader van de grootschalige stadsvernieuwing in de binnenstad. Ik kwam terecht in een verzakte driekamerwoning om de hoek, aan de Nieuwe Hoogstraat 3-II.

Een donkere pijpenla eindigend op een dode muur waar ik welgeteld dertien maanden zou blijven. Willy Breurken, protagonist in dit verhaal, woonde er veertig jaar. Maandelijks inde een zekere meneer Lefebvre haar huurpenningen, tot ook hij eigenaar-af was.

Het rook er naar een mix van sigarettenrook, vocht en tweedehands kleding. Achterin bevond zich een lichtschacht van drie bij drie meter. Op een zondag, zoiets gebeurt altijd in een weekend, viel mijn kat naar beneden. De dierenwinkel op de begane grond was gesloten. Met een klimtouw van mijn toenmalige vriend heb ik, of was hij het, mezelf naar beneden laten zakken, en klom met de ongedeerde kat op de schouder weer omhoog.

De keuken achterin was smal, donker, groezelig, met geelwit geblokt vloerzeil. Vochtige muren gingen schuil achter schrootjes. Via de lichtschacht keek je over de binnenplaats het voorhuis in.

Vanuit de keuken kon je kiezen: of via de slaapkamer en douche naar het voorhuis of via de smalle elf meter lange gang. Deuren waren er niet, behalve bij de wc ergens in een verloren hoekje in de gang. Je kon er eindeloos rondjes lopen, en in vele opzichten de weg kwijtraken.

Er moest nog wel íets gebeuren, aan dat huis. De eerste maand sloopte ik het plastic van de planken in de keukenkast, waaraan de pakken koffie en doosjes thee bleven plakken. Ik trok platen met houtprint van de muur, maar ontblootte daarmee een beschimmelde muur. Bij het verwijderen van zeil in het voorhuis, brak om onduidelijke reden een vlooienplaag uit.

Op zolder was een berging, mateloos fascinerend. Volgepropt met fietsonderdelen, planken, vloerdelen, lege dozen, verfpotten en vuilniszakken waar iets ondefinieerbaars zachts in zat. Er stond een raadselachtig loodzwaar apparaat, een soort schrijfmachine van anderhalve meter breed, grijsblauw, met knoppen als van een orgel.

Ik leefde op de gehavende, kale houten vloer, maar stak er geen geld of tijd meer in. Ik werkte als ouvreuse in de Stadsschouwburg en studeerde Sociale Geografie aan de UvA in de Jodenbreestraat, in het burgemeester Tellegenhuis, later Maupoleum genoemd: een combinatie van mausoleum, waaraan de kolos deed denken, en de naam van projectontwikkelaar Maup Caransa. De begane grond was bedrijfsverzamelgebouw voor textielgrossiers en lag vol meterslange industriële rollen tapijt en linoleum van forse doorsnede. Een van de laatste resten die herinnerden aan de levendige joodse stoffenhandel van weleer.

Staand voor het raam aan de straatzijde keek ik regelrecht in andermans woningen. Niemand leek zich te generen. De gordijnen open, typisch Hollands, het had de vroege toerist in de zeventiende, achttiende eeuw al hogelijk verbaasd. De buurman recht tegenover mij leefde in alle rust, met gitaar en boeken.

Rechts aan de overkant, op de hoek van de Nieuwe Hoogstraat en de Kloveniersburgwal, stak vaak een hoofd boven de vitrage uit. We zwaaiden en draaiden ons besmuikt weer af. Je voelt je toch betrapt, alsof je zit te gluren.

Onder mij woonde de Duitse Auguste Dijkhuis-Hasselkuss het hele jaar door bij de gaskachel, de mouwen over haar vingers getrokken, een dekentje over haar benen. Ze had pleinvrees, hoorde ik later. Echtgenoot

Jules Dijkhuis kwam uit een dorp ten zuiden van Dortmund, handelaar in tapijten, bont en krokodillenleer. Op Koninginnedag stond hij met stapels kleden en tapijtrollen voor het huis, nooit begrepen waar hij die zo snel vandaan haalde. Een rijzige man, altijd strak in het pak, sigaar in de mond, en onder zijn hoedje een stevige haardos, even wit als hun poedeltje waarmee hij op vaste tijden door de buurt schreed. Ons trappenhuis stond blauw van de rook, thuis mocht Jules niet roken. Auguste liet niet met zich sollen.

De huurder vóór mij was Herman de Boer. Hij had Willy Breurken opgevolgd, in 1984. Een kiene pianist die in zijn eigen wereld leeft en nergens doekjes om windt. Wat weet hij nog over Willy Breurken of het huis? Online is hij onvindbaar. Woonde hij niet op de Recht Boomssloot bij de Krom Boomssloot? Stomtoevallig staat hij daar in de deuropening. ‘Je treft het.’

Geen steek veranderd in die veertig jaar, nog even excentriek. Zijn lange haren nu weggetrokken in een staart. Muziek is zijn passie gebleven. Hij vertelt onsamenhangend over corona en noemt de componist

Hindemith. ‘Hin da Mit!’ citeert hij hard lachend een Duitse generaal. Om in de sfeer te blijven.

Herman heeft Willy destijds enkele malen kort gesproken; ze was vriendelijk en de afvalemmer die zij achterliet, is nog steeds in gebruik. Een zoetgevooisde medewerker van het woningbedrijf had Herman de sleutels overhandigd: ‘Wat kunt u zich beter wensen dan zo ’ n goed verzorgd interieur?’

‘Maar al snel vielen mij de schellen van de ogen’, memoreert Herman. ‘Ik bevond mij in het decor van de vorige bewoonster en wilde niet leven in een huis waarvan ik niet het gevoel had dat het van mij was.’ Hij trok platen met houtprint van de muren, een klus die ik later voltooide, en probeerde de boel wat op te knappen. De staat van het pand bleek dermate slecht dat stoppen een beter idee was. Al snel kwam het plafond van zijn bovenbuurman naar beneden, wat zich jaren later herhaalde toen bij huurder Peter Dorren de complete douchecel in die van de onderburen stortte. Herman maakte in de drie jaar dat hij er zou blijven wonen korte metten ‘met de interieurstijl van de jaren vijftig met de uitstraling van een bruine kroeg’.1 ‘Ik voelde er niet voor om ook met mijn gedachten in de “bruine hoek” te gaan zitten. Pas van jou vernam ik dat de vorige bewoonster ook juist in díe hoek gezeten had.’

‘Jij liever dan ik’

Begin april 1988 keerde ik terug naar mijn eigen huis. Peter Dorren, met een eenmans-aannemersbedrijf, bouwde de etage om tot een sfeervol onderkomen. Als antikraakwacht kreeg hij er meer verdiepingen bij, inclusief de zolderverdieping waar ook striptekenaars René Windig en Eddie de Jong, bekend van dagbladstrip Heinz en de onvolprezen uitgave Ouwe Troep, nog enige tijd hun atelier hadden.

In 1995 kwam de Nieuwe Hoogstraat wel erg letterlijk terug in mijn leven, toen Peter me de spullen uit de koffer bracht. ‘Kijk maar wat je ermee doet, jij liever dan ik.’

Aangetroffen in de nok van het huis op een dichtgetimmerd vlierinkje: een vrij grote ruimte, waar je net niet kon zitten.

Peter was kortstondig in de materie gedoken en zou een ‘hele foute’ neef van Willy Breurken hebben getraceerd, wiens naam hem was ontschoten. Neven van dat kaliber heb ik nergens getraceerd.

Op afstand, ik woonde inmiddels weer op de Zwanenburgwal, volgde ik het conflict tussen de gemeente en de huurders in de aftakelende

huizen in de Nieuwe Hoogstraat. De heisa was Willy Breurken door haar verhuizing bespaard gebleven.

Peter en zijn vriendin Elsbeth Wolda, die aan het andere eind van de straat woonde, raakten verwikkeld in een jarenlange strijd om hun woonrechten die tot voor het gerecht werd uitgevochten. De gemeente, legt Peter uit, had een groot aantal panden aan de Algemene Woningbouw Vereniging (later Stadgenoot) in beheer gegeven en het beheer tien jaar later omgezet in een schenking. De bewoners zouden na renovatie kunnen terugkeren: sociale huur, mogelijkheid tot koop was er niet. Eind jaren negentig besloot het gemeentelijk Project Management Bureau tot stapsgewijze renovatie van de straat, in twee woningclusters. ‘Haast’ aan de even zijde kreeg voorrang, bewoners konden terugkeren. Cluster Rust, oneven zijde, belandde in de ijskast. Met subsidie om de panden water- en winddicht te houden gebeurde niets, en de erfpacht ging tot 2009 omlaag. Peter en Elsbeth richtten de stichting Rust Roest op, strijdend tegen ‘het buitenspel zetten van huurders, achterhouden van informatie, intimidatie en zelfs huuropzeggingen.’ De AWV zou zich hebben gedragen als de eerste de beste huisjesmelker. Peter, nóg woedend: ‘Els Iping, stadsdeelvoorzitter van 2006-2010 beloofde: hooguit dertig procent gaat in de verkoop, het dagelijks bestuur wil zo min mogelijk woningen aan de sociale kernvoorraad onttrekken. Ik geloofde haar niet. “Jij bent altijd zo negatief ”, zei ze.’

In 2010 zijn alle bewoners eruit gegooid. Meer dan negentig procent van de appartementen is verkocht, vierenveertig stuks. Slechts twee huizen resteerden met sociale huur.

Had Peter de koffer niet gevonden, dan was deze tijdens de renovatie met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid bij het vuil beland.

Intussen lag de vondst bij mij in de kelder, ook niet best. Ooit moest daar iets mee. Het zou nog een kwart eeuw duren.

Het blijft wonderlijk, diep te duiken in het leven van iemand die stomtoevallig op je pad is gekomen, van wie je niets weet, ook niet of je elkaar bij leven wel had wíllen kennen.

In 2022 heb ik bij volle verstand de sluizen opengezet, dook de archieven in en spoorde familie op. De historie sleurde me mee en ik raakte erin verstrikt.

Vierde verdieping Nieuwe Hoogstraat 3.
Peter Dorren: ‘Dáár in de nok was de koffer verstopt!’
Nieuwe Hoogstraat 3.

Studiezaal Nationaal Archief.

Nieuwe Hoogstraat, gezien vanaf de Sint Antoniesbreestraat, maart 2013.

1. Lege zakken

Willy, wie was zij? Het antwoord moest besloten liggen in de verzameling die zij zo hoog mogelijk in huis had verstopt. Stapels beduimelde enveloppen met onbekende adressen, overlijdensadvertenties, rekeningen, brieven uit oorlogstijd, nazi-insignes, nationaalsocialistische pamfletten. Er zaten voorwerpen tussen, waaronder een knoop, een katoenen identificatiearmband uit een kamp, een lege portefeuille, een pipet. Een maïzenaspeldje van Koopmans, een zwart lederen schoentje met doorgesleten zool en een plukje vlassig roodblond haar, bijeengehouden door een verroeste paperclip, wijzen op een kind dat in haar leven was.

Veel foto’s ook van onbekende mensen, jong en oud, lachend, bedrukt, op het strand, in de tuin, op straat.

Online-onderzoek was stap één.

Via een genealogische website kwam ik in contact met achterkleinzoon Beer (Frank) Fokkelman. Een online-blog2 bracht me in contact met nog een kleinzoon, René van den Bergh. Mijn onderzoek raakte in een stroomversnelling, een veelheid aan sporen diende zich aan.

In het Stadsarchief Amsterdam raadpleegde ik de steundossiers uit de jaren dertig van het Burgerlijk Armbestuur, afd. Huiszittende Armen, Weduwenhof en Armenhuis, en het Crisis-Comité Amsterdam, een tip van medewerker Erik Schmitz. Schot in de roos, de familie kwam erin voor.

In de onderzoekszaal schoof een medewerkster me zwijgend een stapeltje dossiers toe.

De vroege jaren van Willy’s leven kregen vorm. Haar familie dook op in de langwerpige vergeelde dossiers, met daarin priegelhandschriften in rood en zwart, vermaningen, berekeningen met halve centen, doortrokken van de zure lucht van armoede.

De inhoud wierp een intieme en bijna ongemakkelijk voyeuristische blik op de soms ontluisterende leefomstandigheden van het gezin waarin Willy opgroeide.

Armoede in De Pijp

Veertien dochters en twee zonen op acht verschillende Amsterdamse adressen: moeder Breurken moet vrijwel haar hele vruchtbare leven zwanger zijn geweest. Zeven dochters was een lang leven beschoren, de andere kinderen overleden in de wieg of bezweken jong aan tbc.3

Sluitstuk was Willy, onze hoofdpersoon: Wilhelmina Frederika Johanna, op 27 augustus 1915 geboren in en vernoemd naar het Wilhelmina Gasthuis, bij de Overtoom.

Willy’s vader, Gerrit Jan Breurken (1877-1940), kwam uit een Nederlands Hervormd Haags nest. Op zijn dertiende, zo blijkt uit de armoededossiers, trok hij naar het snel groeiende Amsterdam om te gaan werken als kelner en hulpje bij feesten en partijen, een jongetje nog. Waar industrie en haven bloeiden, moest toch wat te schnabbelen zijn. In die tijden van overleven, schrapen en woningnood kwam Gerrit Jan in 1899 een rondborstig meisje tegen uit een familie van artiesten, toneelspelers en zangers: Maria Anna van Hilst (1876-1947) uit Boxtel, het katholieke zuiden. Ze trouwden en in 1900 waren ze met zijn drieën, Gerdina (Gerda) lag in hun armen, hun eerste kind, dat lang zou blijven leven.

In het jaar van Willy’s geboorte had de familie Breurken al een lange woonhistorie achter zich, grotendeels in De Pijp.4 Stadsnomaden avant la lettre. Bij elke gezinsaanwas moest paradoxaal genoeg worden uitgezien naar een kleinere woning. Maar al steeg de financiële druk met elk nieuw kind, in een tijd zonder sociale zekerheid waren kinderen de enige oudedagsvoorziening. Van de hele trits kinderen moest er toch genoeg kroost overblijven, zou je denken, om de ouders in de winter des levens te steunen.

Willy bracht de eerste drie jaar van haar leven door op een vervallen, bouwvallige en tochtige halve etage van dertig vierkante meter zonder behoorlijke sanitaire voorzieningen, in de Quellijnstraat nummer 105 één hoog achter, ter hoogte van het huidige Marie Heinekenplein. Dagelijks stond ze thuis bloot aan het gekrijs van de krioelende kinderschare, levend, ziek, stervend, aan de moutwalmen van de Heinekenbrouwerij, het kabaal van machines en hijstoestellen en het gesnuif van zwoegende trekpaarden die krakende bierkarren voorttrokken, de hoeven klepperend over de hobbelige straten.

Geen moment was ze alleen in het bovenop elkaar gestapelde gezin dat met lege zakken door het leven ging, aangewezen op het Burgerlijk Armbestuur. Elke cent werd tienmaal omgedraaid, er viel weinig te improviseren. De wekelijkse huur was de spreekwoordelijke molensteen. Wonen in een nieuwe stadswijk als De Pijp was niet voor iedereen een

7. Politiek schisma

Een korte terugblik.

Terwijl Willy en Willem hun heil en verlossing zochten in de NSB, waren ongeveer een maand na hun aanmelding als sympathiserend NSB-lid de eerste systematische deportaties begonnen naar de concentratiekampen in bezet Polen, in juli/augustus 1942.118

Deze ontwikkeling betekende niet dat de twee uiteindelijk toch afzagen van vol NSB-lidmaatschap.

‘Schmutziges, schimpfendes Weib’

Op 13 augustus 1942 leverde het Haarlemse bevolkingsregister een lijst aan met naar verluidt 1521 namen en adressen van joden, waarvan 1100 Volljuden. Enkele woningbouwverenigingen verstopten hun registers. Te laat, de informatie was al in Duitse handen. Van de ongeveer 1000 gedeporteerde Haarlemse joden, zouden er 715 zijn vermoord, slechts een tiental keerde na de oorlog terug.119

Ruim tien dagen na het opstellen van de lijst, kondigde de Zentralstelle de deportatiedatum aan. Op 24 augustus kregen 650 van de Volljuden de opdracht zich de volgende dag te melden bij de school op de hoek van de Westergracht-Leidsevaart, met één stuk handbagage plus contant geld voor de reis, die ze in bepaalde gevallen zelf moesten bekostigen. 230 oudere joden zouden in een speciale opvang worden ondergebracht, de anderen gingen naar Duitsland. 147 Haarlemse joden gaven aan de oproep gehoor. Een inderhaast georganiseerde razzia die dag haalde er nog 30 bij.120

Verklikkers hielpen mee. Najaar 1942 verzocht een anoniem persoon ‘Mijnheer Offizier’ twee ondergedoken broers te laten weghalen in de Minahassastraat 63, om de hoek van Willem en Willy, en wat illegale radiotoestellen op de Timorstraat 22, om te eindigen met de mededeling dat zich een ‘jongmensch’ verborgen hield in de Delistraat 24 of 22, Rijs genaamd.’121 En een zekere H. Nederbragt van de Raamvest 37, niet gespeend van gevoelens van morele superioriteit, herinnerde de Haarlemse politie eraan dat zijn buurvrouw Judith Roth-Meyer nog steeds weigerde de Jodenster te dragen aangezien haar echtgenoot ariër was: ‘Ich meine, das sei Blötsinn [sic].’ Van eerdere waarschuwingen had dit ‘schmutziges, schimpfendes Weib’ niks geleerd.122

De Zentralstelle-medewerkers van de afdeling Hausraterfassung haalden de achtergelaten huizen leeg, de Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg, in Haarlem gevestigd aan de Schotersingel, vlakbij Willy’s schoonfamilie Fokkelman, bracht de handel naar Duitsland.123

Willy en Willem richtten zich op hun nieuwe NSB-familie, intussen spleet de wereld om hen heen in tweeën.

Hun buurjongen op nummer 260 was de zestienjarige Viktor van Zanten uit de Amsterdamse Rapenburgerstraat, zoon van een slager. Hij woonde in bij de familie Hop, en was bezig met het behalen van zijn middenstandsdiploma.124

Hebben ze elkaar op straat of in een winkel nog gezien, gegroet? Viktor, met de ster op zijn jas.

Op 9 september 1942 maakte de Zentralstelle rapport op in zijn kamertje: meer dan kleding en lichaamsverzorgingsproducten troffen ze niet aan. Viktor werd weggehaald en vermoord. Zijn ouders overleefden evenmin.

Wisten Willy en Willem van dergelijke gevallen af ? Stonden ze erbij stil? Of was het meer: opgeruimd staat netjes?

Willy’s schoonfamilie Fokkelman zat in het verzet, waarover hieronder meer, en dacht er in elk geval diametraal anders over. Zij moesten hun buren missen van de Rijksstraatweg 49: vleeshouwer/horlogemaker Philippus van Coevorden, zijn vrouw Sientje van Wezel en hun jonge zoon Josephus, een jazzmusicus die al op zijn zeventiende speelde met Her Heijermans and his Blue Syncopators en de joodse saxofonist Jascha Trabsky.125 Ze doken onder. Bestemming: ‘Vertrokken Onbekend Waarheen’. December 1942 verzocht de commissaris van politie om opsporing, aanhouding en voorgeleiding van deze familie die zich elders bevond ‘zonder daartoe de vereiste vergunning te hebben verkregen’.126 Eind 1944 werden ze verraden, om te eindigen in Auschwitz. Josephus kreeg nog respijt als saxofonist in het Auschwitz-orkest, maar bezweek tijdens de dodenmars een jaar later.

Op de website Joodsmonument vind je een foto van Josephus te midden van zijn grote verzameling muziekinstrumenten, gedateerd 25 augustus 1942, de dag waarop hij zich had moeten melden op het Haarlemse verzamelpunt. Een soort eerbetoon aan zijn ambities, levenslust? Waarschijnlijker omdat hij zijn collectie bij iemand heeft moeten achterlaten. Bij wie?

16. Vrij, onder toezicht

Na tweeëneenhalf jaar kwam Willy in oktober 1946 weer terug in Haarlem. Terug, niet thuis: op de Rijksstraatweg woonde iemand anders.

Zielsgelukkig vrij te kunnen bewegen en spreken, ten diepste bevreesd voor herinneringen en wat komen zou. Ze moet gedesoriënteerd zijn geweest, vervreemd van het eigen verleden. Hoe moest ze zich verhouden tot de nieuwe wereld? Wat te zeggen? Of beter zwijgen?

Willy behoorde tot de negentigduizend Nederlanders die een voorwaardelijke straf kregen opgelegd. Met ingang van eind 1945 werden lichtere zaken, zoals die van haar, steeds vaker buiten een tribunaal om afgehandeld dankzij het Besluit Politieke Delinquenten. Zo konden mensen die al lange tijd in kampen zaten sneller worden vrijgelaten.289 Ze was schuldig bevonden, maar de straf van een bijzonder gerechtshof of tribunaal zou gelijk zijn geweest aan het voorarrest.290

Vrouwen werden niet heel serieus genomen in de Bijzondere Rechtspleging, in tegenstelling tot Waffen-SS’ers die men aanvankelijk vooral beschouwde als fanatieke nazi’s, een perspectief dat later wat kantelde ten aanzien van de groep jonge jongens die domme dingen hadden gedaan. Vrouwen zag men vooral als lichte gevallen. Het zal wel aan de echtgenoot hebben gelegen, de vrouwen hebben er geen verstand van, die moeten terug om voor hun kinderen te zorgen.291

Begin oktober 1946 stapte Willy naar het Haarlemse kantongerecht aan de St. Jansstraat ter ondertekening van de beschikking van het Bijzonder Gerechtshof tot voorwaardelijke buitenvervolgingstelling. Ze was vrij, onder strikte bepalingen.292

Tot 4 oktober 1949 zou ze onder toezicht komen te staan van de Stichting Toezicht Politieke Delinquenten, die haar tweemaal per maand zou bezoeken.

De familie Fokkelman, zachtmoedig, had Willy opgehaald in kamp Duin en Bosch, en in huis genomen. Zoals beloofd had Jo voor haar een kamertje ingericht, naast dat van haar stiefkleinzoon Han. Een pyjama onder het kussen. Asbak op het nachtkastje. Eindelijk kon ze weer roken. Ik zie haar daar zitten. Eén sigaretje, en nog een, en in bed vooruit nog een, in een krampachtige poging rust te vinden. Haar jeugd, haar huwelijk, haar zoontje, haar echtgenoot, haar partij, haar huis. Dat alles was voorbij. Vóór haar gaapt een gitzwart gat waar duivels uit het verleden huishouden, geraamten rondslingeren en geen streepje hoop kiert. Maar Willy was als riet in de wind, het buigt diep maar breekt niet. Al

snel stond ze weer foto’s af te drukken in de donkere kamer. Alsof ze al die maanden niet anders had gedaan. Maar mee viel het allemaal niet.

Bij Fokkelman kreeg ze kost en inwoning, en verdiende acht gulden per week.293

De felicitaties die Willy per post ontving, bewaarde ze in haar koffertje. Twee kameraden, nog vast in Bakkum, of al in Wezep, hadden gehoord dat het ‘buiten’ met haar niet zo gesmeerd liep. ‘Valt het nogal mee voor je?’ ‘Begeef je nooit meer op politiek terrein.’

Anna en Maria, Willems Haagse zussen, pensionhoudster en naaister, vinden dat Willy er nu mentaal een ‘ferme streep’ onder moet zetten: ‘Dit is afgehandeld, een nieuw leven vangt nu aan.’ En een zekere nogal uitgesproken vrome tante Louise: ‘U heeft alles verloren wat u lief was, maar prijs God. Uw geloof heeft gij onder al uw smart behouden, getuigende uw brief. Wij hopen dat alles naar wens zal gaan zowel voor u als voor ons, maar laten wij alles ontvangen uit de hand des Heeren.’

Zocht Willy steun bij het geloof ? Verving ze het fascistische kruis door een Latijnse variant? Uit wat mij ter ore kwam, wees niets in haar naoorlogse ‘tweede leven’ op aanwezigheid van de Heer. Kampvriendinnen op vrije voeten worstelden om hun draai te vinden. ‘Kameraad Charlotte Siermans’, naar blijkt de echtgenote van voornoemde Siermans van de gemeente Haarlem, woonde in bij een ‘moffin van het ergste water’. ‘Als er visite komt kijkt ze of ze [sic] gaat donderen en als ze dan ook nog het lef hebben naar de wc te gaan, begint ze maar liefst te schelden.’ ‘Als je in het kamp last van zo ’ n moffin had, liet je ze links liggen, maar nu zitten we eraan vast, dat is nog erger.’

Een andere ex-kampgenote, de weduwe Jeannette Figee, woonde noodgedwongen in bij haar oudste zoon in Santpoort. Haar dochter Marietje zat vast in Weesp, haar jongste zoon in het fort bij Spijkerboor in de Middenbeemster, ‘ een verlaten oord’, maar de ‘arme kerels’ zouden er een ‘goede commedant [sic]’ hebben. Tijdens internering was haar huis doorverhuurd en leeggehaald, al haar huisraad was verdwenen. ‘Beste Steinmetzje, hoe langer ik vrij ben, te meer voel ik het gemis naar een eigen huis. Te denken dat die christelijke vaderlanders met hun klauwen maar gegraaid hebben in je eigendommen die je heilig waren.’294

Een uitzondering was dit ‘gegraai’ allerminst.

Willy en Willem waren van deze ellende gevrijwaard gebleven omdat de familie Fokkelman zo kien was geweest eind september 1944 (vrijwel) alle spullen uit het huis te halen, mede vanwege de aanstaande evacuatie van de regio door de Duitsers, op 19 september.

Een half jaar na vertrek van Willy en Willem kwam Theo Jansen in hun huis wonen.

Een indringende geschiedenis van kleine mensen die verdwaald raakten in grote geschiedenissen

Amsterdam, de Oude Jodenbuurt, 1995. Bij een verbouwing valt een koffer uit de nok van een huis aan de Nieuwe Hoogstraat. Een tijdcapsule vol nazi-memorabilia en brieven, foto’s en persoonlijke voorwerpen als een kinderschoentje en een haarlok.

De vondst belandt bij publicist Merel Ligtelijn, oud-bewoonster van dit huis. Na jaren van aarzeling gaat ze op onderzoek uit, ontrafelt de geschiedenis van deze koffer en daarmee van Willy Breurken, opgegroeid in armoede in De Pijp en Vogeldorp.

Willy had haar heil gezocht in het nationaalsocialisme aan de zijde van haar veel oudere echtgenoot, een weduwnaar met een noodlijdende fotohandel. Hij bezweek na de oorlog in een interneringskamp voor politieke delinquenten. Zij, eenmaal vrij, bouwde een nieuw bestaan op met een ‘communistische’ marktkoopman. Letterlijk en figuurlijk hing haar geheim boven de hoofden van haar gezin.

Merel Ligtelijn, sociaal-geograaf, is auteur/onderzoeker/tentoonstellingsmaker op het snijvlak van historie en cultuur. Zij schreef voor media als Trouw, Het Parool en Ons Amsterdam en was o.a. (co-)auteur van Spiegel van Amsterdam. Geschiedenis van Felix Meritis, De Parken van Amsterdam en Ode aan het Vondelpark. Zij heeft publicaties in voorbereiding over de stad en dier-mensrelaties.

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook