Een leven in juwelen

Nieuwe verhalen van juwelenhistoricus Martijn Akkerman

Ter nagedachtenis aan mijn lieve Tante Zus (B.A. Plevier-Jimmink, Alkmaar 1905 –Schagen 1978), die aan het begin stond van mijn levenslange passie.
![]()

Nieuwe verhalen van juwelenhistoricus Martijn Akkerman

Ter nagedachtenis aan mijn lieve Tante Zus (B.A. Plevier-Jimmink, Alkmaar 1905 –Schagen 1978), die aan het begin stond van mijn levenslange passie.
Nieuwe verhalen van juwelenhistoricus
Martijn Akkerman
8
14
VOORWOORD
WAT WAARDE DRAAGT
VERBERG JE NIET
Een kraam ontpakt met galanterieën KORAAL, GRANAAT EN KORNALIJN
20 Tour-de-force EEN EEUWIG BLOEIENDE ORCHIDEE
25
29
33
Hoe hoort het eigenlijk JUWELEN EN DE REGELS DER ETIQUETTE
De zwarte zee DE DOOP VAN EEN SCHIP EN DE GEBOORTE VAN EEN BROCHE
Een smaragden krokodil DE WONDERLIJKE JUWELEN VAN MARÍA FÉLIX
38 Het hart krijgt geen rimpels DE MARKIEZIN DE SÉVIGNÉ
43 Het huwelijksgeschenk EEN BEWAARD GEBLEVEN JUWEEL VAN KONINGIN ANNA PAULOWNA
48
Een stroom van licht en vuur JUWELEN AAN HET HOF VAN DE ROMANOVS
53 Au gui l’an neuf JUWELEN MET HET MOTIEF VAN DE MARETAK
58 De nestor van het moderne juweel KONINGIN ELIZABETH EN ANDREW GRIMA
62 Elck sijn waerom DE RINGEN VAN MARIA TESSELSCHADE ROEMER VISSCHER
67 Goud gaf ik voor ijzer GIETIJZEREN JUWELEN IN EUROPA
70 Een collectie merkwaardigheden DE VERZAMELING VAN MEVROUW LOPEZ SUASSO
76 Famylje op syn sneins DE ONTRAFELING VAN EEN FAMILIEPORTRET
80 Quand même DE JUWELEN VAN SARAH BERNHARDT
86 Baggen en carcanten TERMINOLOGIE ONDER DE LOEP
90
De diamanten hertog HET MYSTERIE VAN EEN BLAUWE DIAMANT
96
Een gouden tank
DE OORLOG ALS BRON VAN INSPIRATIE
102 Luxe de poche
ACHTTIENDE-EEUWSE WEELDE
108 Pieter Cornelisz Hooft
HERINNERINGEN AAN EEN AMSTERDAMSE STRAAT
112 De mooie maharadja DULEEP SINGH EN DE GROTE DIAMANT
117 Lady Granard ZE KON NAUWELIJKS LOPEN
VANWEGE AL HAAR JUWELEN
122
Het cachet van deftige voornaamheid
EEN AMSTERDAMSE JUWELIER
127 Thomas Cletscher JUWELIER AAN HET HAAGSE HOF
132 De hondenhalsband
EEN REGELMATIG TERUGKERENDE MODE
136 Conch en melo-melo PORSELEINEN SCHOONHEID UIT DE OCEAAN
140 Cleefse diamanten en essence d’orient ECHT OF ECHT-NAMAAK
146 Parels, heel veel parels EEN GEDEELDE LIEFDE
152 Een juweel van een stoker HET OUDSTE INSTRUMENT VOOR TANDREINIGING
156 Groter dan een duivenei, zuiver als een dauwdruppel HET HULDEBLIJK VAN 1901
162 Het diadeem als probleem HET JUWEEL DAT HOOFDBREKENS VEROORZAAKT
168 Lang heb ik gesmacht RINKELEND GOUD
172 De heilige geest in briljanten DOOPGESCHENKEN VAN PRINSES JULIANA
177 Burnier op het Westeinde KONINKLIJKE AQUAMARIJNEN EN SMARAGDEN
184 Eternity DE GESCHIEDENIS VAN EEN ICONISCHE RING
190 EPILOOG: EEUWIGE SCHOONHEID
192 COLOFON

Tijdens een recente opnamedag van ‘Tussen Kunst & Kitsch’ werd mij een bijzonder fraai art-nouveaujuweel getoond, dat ik toevallig een halve eeuw geleden voor de eerste keer zag in de collectie van een bevriende Amsterdamse juwelier. Ik kan me zelfs nog herinneren bij wie hij de hanger in Parijs kocht. Het was het eerste belangrijke art-nouveaujuweel dat ik vast hield en kon bestuderen. Precies vijftig jaar later illustreert het op toepasselijke wijze ‘Een leven in juwelen’, een titel die ik ontleen aan het interview dat historica Ileen Montijn ooit over mij publiceerde in het jaarboek van de Nederlandse Kostuumvereniging.
Mijn interesse in de geschiedenis van juwelen begon op heel jonge leeftijd. Mijn vroegste herinneringen dateren van rond mijn vijfde en zijn vrijwel altijd gerelateerd aan Noord-Hollandse streekjuwelen, op een enkele uitzondering na. Zo’n uitzondering werd veroorzaakt door de Bechsteinvleugel, die mijn vader als toonkunstenaar bespeelde en die vanwege gevoeligheid van de snaren en de ivoren toetsen niet tegen de droge warmte van centrale verwarming kon. Mijn ouderlijk huis werd verwarmd door kolenkachels. Blijkbaar
Hanger, goud, email en opalen. Paul Bonnaud, Limoges, 1907. Part. coll., foto Michiel Elsevier Stokmans

Hoedagrafe, goud, zilver en diamanten. Parijs, ca. 1810. Sotheby’s Genève
had ik gehoord dat diamant en steenkool in principe uit hetzelfde materiaal bestonden, maar dat het eerste onder hogere druk en hitte ontstond. Dus zocht ik in de kolensilo naar een fors stuk steenkool, dat ik in de achtertuin begroef, waarbij ik een kleine meter diep en een vakantie lang genoeg achtte om daarna een tweede Koh-i-Noor uit de grond te halen. Ik kan mij niet meer herinneren of het resultaat tegenviel, zelfs niet of ik het stuk steenkool nog heb opgegraven, maar duidelijk staat mij nog voor de geest dat ik mij in mijn kinderlijke naïviteit verbaasde over het feit dat niemand eerder op dit volgens mij geweldige idee was gekomen. Toch werd de diamant in eerste instantie niet mijn favoriete materiaal in juwelen. Dat werd de parel, mede dankzij de ingeblikte oesters, die ik in mijn jeugd als cadeau kreeg ter gelegenheid van mijn verjaardag en Sint-Nicolaas. ‘Een blikje met een parel’ stond jarenlang boven aan mijn verlanglijstje. De prijs van zo’n blikje was in die tijd vier gulden vijftig en de parels waren vrijwel altijd van een matige kwaliteit, maar ze werden door mij als belangrijke schatten gekoesterd. Ze hebben mijn levenslange liefde voor de parel veroorzaakt. Een schitterend geschenk van de natuur, dat vanuit de diepe duisternis naar het licht wordt gebracht en daarmee niet alleen zuiverheid en reinheid symboliseert, maar


Voor- en achterzijde van miniatuur van Madame de Sévigné. Olieverf op koper. Parijs, ca. 1644. Coll. auteur, foto Arend Velsink


Ontwerptekening van Gilles Légaré. Parijs 1663. Coll. Rijksmuseum Amsterdam Sévigné. Goud, parels, robijnen en email. Waarschijnlijk Parijs, na 1663. Coll. Rijksmuseum Amsterdam
Jaren geleden vond ik in een antiekwinkel in de Alfama, de wijk achter de kathedraal van Lissabon, een zeventiende-eeuws miniatuurportret van een jonge vrouw met enorme druppelvormige parels op de borst en in de oren. Ze deed mij denken aan Madame de Sévigné, de Parijse aristocrate, die haar naam gaf aan een strikvormig juweel.
Het portretje intrigeerde me in ieder geval. Als ik er lang naar keek leek het wel of ze naar mij knipoogde. De prijs was zeer betaalbaar, mede vanwege een kleine beschadiging in de hals, die later eenvoudig bleek te restaureren. Toen ik het portretje voor dat doel uit de lijst haalde bleek achterop in zeventiende-eeuws handschrift een naam te staan: ‘Marie de Rabutin-Chantal, Marquise de Sévigné’. Ik had het goed gezien, het klopte, ze was het inderdaad.
Marie de Rabutin-Chantal werd op 5 februari 1626 in Parijs geboren. Ze behoorde tot de hoge Franse adel en stamde uit een oude en zeer gefortuneerde Bourgondische familie. Het miniatuurportretje ontstond waarschijnlijk kort nadat ze, nauwelijks achttien jaar oud, op 1 augustus 1644 trouwde met markies Henri de Sévigné (1623-1651). De op dat moment 21-jarige markies was ook gefortuneerd, maar tevens nogal lichtzinnig. Hij gaf zich over aan buitensporige uitgaven en de onzinnigste uitspattingen. In 1650, na slechts zes jaar huwelijk en inmiddels met twee kinderen, leefde het echtpaar nog nauwelijks samen en veroorzaakte hij regelmatig opschudding in het modieuze Parijs. De jonge markiezin daarentegen werd toen al geroemd om haar oprechte charme, innemende intelligentie en geestigheid. Zo vertelde ze aan
een goede bekende: ‘Monsieur de Sévigné waardeert me, maar houdt niet van me; ik houd van hem, maar waardeer hem niet’. Hun vervreemding werd soms ook geografisch bepaald. In de winter van 1651 verbleef Marie in hun huis in Bretagne, terwijl Henri de vrouwenversierder uithing in Parijs.
Hij verwarde echter blijkbaar regelmatig flair met arrogantie en tijdens een duel om de gunsten van zijn maîtresse Madame de Gondran, bijgenaamd ‘Lolo’, raakte hij gewond door het zwaard van zijn tegenstander. Een paar dagen later overleed hij aan zijn verwondingen.
Madame de Sévigné, nog maar vijfentwintig jaar oud, wijdde de rest van haar leven aan haar twee kinderen, maar begon ook het leven van een Parijse aristocrate te leiden.
Hoewel talrijke mannen de aantrekkelijke jonge weduwe het hof probeerden te maken, ging zij nooit op hun avances in. Zelfs het meest nauwkeurige onderzoek van haar biografen leidt tot de conclusie dat zij zelfs geen enkele minnaar heeft gehad. Door haar afkomst en ontwikkeling verkeerde zij in de hoogste kringen en daardoor ook vaak aan het hof. In 1657 bezocht zij Fontainebleau om daar koningin Christina van Zweden te ontmoeten, die een bezoek aan Frankrijk bracht. En in 1661 woonde ze op het kasteel in Vaux-le-Vicomte de feesten bij die minister van financiën Fouquet er ter ere van de koning gaf. In 1664 nam zij met haar dochter deel aan de kostbare feesten die Lodewijk XIV had georgani-
personen in Europa met wie je rekening moet houden: tsaar Alexander I, paus Pius VII en Madame de Staël’.
En de kunstschilder Ivan Kramskoj (1837-1887), die in 1881 een portret maakte van de toenmalige tsarina Maria Feodorovna, schreef later aan een vriend: ‘Het moment dat ik de ruimte betrad waar zij stond om te poseren, werd ik ogenblikkelijk verblind door het geschitter van al haar diamanten’. De tsarina en haar schoondochter bezaten de grootste collecties juwelen ter wereld, maar zouden niet veel later tijdens de Russische Revolutie het meeste verliezen.
Op 20 juli 1914 bracht de Franse president Raymond Poincaré een staatsbezoek aan bondgenoot Rusland. Acht dagen later brak de Eerste Wereldoorlog uit en korte tijd later kwam er een definitief einde aan het tsarenbewind. Het galadiner dat de tsaar de Franse president aanbood in de keizerin Elizabethzaal van het Winterpaleis in
Tsarina Alexandra Feodorovna in galakleding met een overvloed aan juwelen, ca. 1900. Coll. Library of Congress

Sint-Petersburg lijkt een laatste uitspatting te zijn geweest. De in Rusland geaccrediteerde Franse ambassadeur Maurice Paléologue (18591944) schreef daarover later in zijn mémoires: ‘Dankzij de uitstraling van de uniformen, de prachtige toiletten, de schitterende livreien, de overdadige meubels en inrichting van het paleis, kortom de totale pracht en praal, was dit schouwspel met geen enkel ander hof in Europa te vergelijken.
Tsarina Alexandra Feodorovna zag er adembenemend uit in haar laag uitgesneden brokaten avondrobe en diamanten diadeem, terwijl nog eens ontelbare diamanten op haar boezem fonkelden bij elke beweging van haar lichaam. Ook de oogverblindende schittering van de juwelen van de andere dames zal lang op mijn netvlies blijven. Een fantastische stroom van diamanten, parels, saffieren, smaragden, topazen en berillen… een stroom van licht en vuur.’
Object/broche. Kristal, goud zilver, textiel, diamanten en verschillende gekleurde edelstenen. Jérémie Pauzié, ca. 1740. Coll. Hermitage Sint-Petersburg


In de Keltische folklore waren druïden onlosmakelijk verbonden met maretak (‘mistletoe’), die in de winter groen bleef en daardoor werd beschouwd als symbool van onsterfelijkheid. In de strips van Asterix en Obelix gebruikte de druïde Panoramix de maretak als onderdeel van zijn geheime drank die onoverwinnelijk maakte. Andere ingrediënten
Broche, goud, zilver , parels en diamanten. Oostenrijk, of Duitsland, ca. 1900. Coll. Albion Art Collection, Tokyo
Een druïde was een hooggeplaatste priester bij de oude Kelten, die vaak ook optrad als leraar, rechter, arts en algemeen adviseur, met een diepgaande kennis van de natuur.
waren verse vis, wortelsap, klavertje vier en kreeft, maar volgens Panoramix diende die laatste alleen maar voor de lekkere smaak. Onontbeerlijk echter was de mistletoe.
Tijdens de treinreis naar Parijs kondigt de maretak aan weerszijden van het spoor aan dat we de Franse hoofdstad naderen. Datzelfde geldt voor

Dit huis, waar de schatrijke Sophia Adriana de Bruijn (1816-1890) na de dood van haar echtgenoot, samen met haar twee zusters, bleef wonen als ‘de douairière Lopez Suasso’, bleek echter te klein om er het door haar zo gewenste museum in te vestigen. Maar burgemeester Van Tienhoven, die geen geld kon vinden voor een nieuw stedelijk museum, bedacht een plan. Als die rijke en kinderloze weduwe er nou eens van te overtuigen zou zijn om haar hele verzameling én haar geld aan Amsterdam na te laten, dan was het probleem opgelost. Dat plan lukte, maar het testament had zoveel voeten in de aarde dat het pas definitief op het nippertje werd vastgesteld op haar sterfdag.
Notarieel werd vastgelegd dat het nieuwe museum, dat aan de Paulus Potterstraat zou worden gebouwd, of in ieder geval een vleugel daarvan, de Sophia-Augusta Stichting zou gaan heten. Naar haarzelf dus en naar én haar overleden echtgenoot, Jhr. Augustus Pieter Lopez Suasso, met wie ze in 1841 in Engeland was getrouwd, na enorme tegenwerking van zijn Joodse familie, onder andere omdat hij zich bekeerde tot het katholicisme. Daar heeft men zich uiteindelijk niet aan gehouden. Hoewel men in die begintijd meestal nog wel sprak
Volgens de overlevering rook het sterk naar kamfer in het grote huis op de Amsterdamse Kloveniersburgwal, naast de Oudemanhuispoort. En alle kamers waren van onder tot boven gevuld met wat toen al ‘een collectie merkwaardigheden werd genoemd.
over het Suasso Museum, kwam al snel de naam Stedelijk Museum in gebruik. Een plaquette in de hal met de naam van de oprichtster werd zelfs later geheel verwijderd. Alleen het in steen gehakte Lopez Suasso-wapen boven een raam in de vroegere voorgevel in de Paulus Potterstraat verwijst nog naar de oorsprong van het museum.
Naast het Lopez Suasso-vermogen werd de bouw van het museum mogelijk gemaakt door een schenking van 150.000 guldens door de familie Van Eeghen. De Sophia-Augusta Stichting zou vervolgens 7000 guldens per jaar aan de gemeente betalen voor het gebruik van een aantal stijlkamers, waarmee de exploitatie van het gehele museum gegarandeerd was.
Die stijlkamers waren afkomstig uit panden aan de Keizersgracht. Die werden afgebroken ten behoeve van de aanleg van de Raadhuisstraat en in die kamers werden de 3900 ‘merkwaardigheden’ van mevrouw Suasso uitgestald.
Het kan er overigens onmogelijk druk zijn geweest. Mevrouw Suasso had namelijk bepaald dat het haar ‘uitdrukkelijke begeerte’ was ‘dat (uit) hare nagelaten verzamelingen (haar toilet of wel haar kleederen, lijflinnen en lijfstoebehooren, in den ruimsten zin genomen, mitsgaders alle de in haren boedel aanwezige porselein-, lak-, brons-, goud en zilverwerken, schilderijen, horlogiën, bijouterieën, gelakte meubelen, antiquiteiten, kerk- en andere boeken), niet zullen worden verkocht, maar voor het publiek tentoon- en toegankelijk zullen worden gesteld, bij wijze van

Nederland kent kastelen en buitenplaatsen. In Friesland noemt men dat ‘states’ en in Groningen worden het ‘borgen’ genoemd.
Een borg is in feite de Groningse variant van een burcht, oftewel een versterkt huis. Groningen telde ooit meer dan tweehonderd borgen, maar daar zijn er nu nog zestien van over. Een fraai voorbeeld is de Fraeylemaborg in Slochteren, die vanaf 1867 tot 1971 werd bewoond door de familie Thomassen à Thuessink van der Hoop van Slochteren, één van de langste namen in het Nederlandse patriciaat. De familie droeg geen adellijke titel.
Toen voor de laatste bewoonsters de lasten uiteindelijk te zwaar werden, verkocht de familie het huis en het bijbehorende bos aan een stichting en na restauratie werd de borg een museum. Probleem daarbij was de inrichting, want vrijwel de complete inboedel van het landhuis en een bijgebouw werd in 1971 geveild door Mak van Waay in Amsterdam. Slechts enkele voorwerpen konden worden veiliggesteld.
Ruim een halve eeuw geleden was er blijkbaar weinig belangstelling voor deze collectie en werd er door veilinghuizen veel minder research gepleegd. In 2015 kwam een tekening van een kruisiging in het nieuws, die in de bewuste veiling was verkocht voor tien gulden. Wat toen werd beschouwd als een waardeloze schets in een aardig lijstje, bleek bij nader inzien een werk uit het atelier van Jan van Eyck te zijn.
Een deel van de veiling werd, ondanks het ontbreken van limieten, zelfs opgehouden en een jaar later, op 16 september 1972, opnieuw geveild, voor aanmerkelijk lagere prijzen. Lotnummer 96 in die tweede veiling was het familieportret dat sinds die tijd in mijn bezit is en boven mijn bank hangt. Het vierkante doek van een meter bij een meter is niet gesigneerd, maar wel gedateerd. Op het papier dat de vader in zijn hand houdt staat 1769 vermeld.
Het gaat hier om een vooraanstaande Friese familie ‘op syn sneins’, een familie op zijn zondags. De vader draagt een chique lakense jas, zilveren schoengespen en een gepoederde pruik. De moeder en de oudste dochter dragen de zogenaamde ‘Duitse’ of luifelmuts. De term Duits’ heeft niets met Duitsland te maken, maar verwijst naar ‘Diets’, dat zoveel als ‘landstaal of ‘volkstaal’ betekent. De
moderne vertaling is dan ook ‘Nederlands’. De term is etymologisch verwant aan het Engelse ‘Dutch’. Aan het eind van de achttiende eeuw werd deze muts voornamelijk door de elite in Groningen en Friesland gedragen en soms ook in NoordHolland. De luifel werd met een gouden- of zilveren frame aan het oorijzer bevestigd. De hierbij gedragen kleding, een tweedelige zijden japon, bestaande uit ruimvallende rokken en een nauw aangesloten jak, was op dat moment zeer modieus. Ook het interieur, het zilveren theeservies met ‘cabaret’ en de Chinees porseleinen kopjes duiden op welstand. De moeder en de oudste dochter dragen bovendien een gouden, zogenaamde ‘bootjesketting’, een verbastering van het Franse ‘boîte’ tot ‘boot’, bezet met granaten en onder andere kenmerkend voor Friesland en Groningen. De drie andere dochters, waarvan de jongste op dat moment pas vier jaar oud was, hebben om de hals een collier van gefacetteerde granaten kralen, met een opengewerkte gouden bolsluiting aan de voorkant. Het waren mede die colliers waarom ik het portret nooit van de hand heb willen doen.
De mand met fruit kan gezien worden als een symbool van overvloed en rijkdom. Een opmerkelijk detail is het kleed op de vloer, dat over een Oosters tapijt ligt. Dit rood, zwart en geel gestreepte kleed werd vervaardigd van koehaar en werd gebruikt als ‘morskleed’ en diende tevens tegen slijtage.
De eerste koeharen tapijten ontstonden in 1742 van haar dat in de looierijen van de huiden werd afgehaald. Het materiaal was goedkoop en ijzersterk. Liet de familie zich in de winter portretteren? De open haard brandt, hoewel de deur naar de ongetwijfeld koude, tochtige marmeren gang open staat. Of was die marmeren gang óók een statussymbool, dat getoond moest worden, net als de staande klok, het kabinet met kaststel, het leerbehang en de kostbare spiegel in zijn vergulde lijst.
De moeder en haar dochters dragen katoenen zogenaamde ‘armmoffen’ of mitaines en die wijzen juist weer op de zomer. Het breikatoen hiervoor werd door de VOC aangevoerd uit India en de benodigde dunne stalen breipennen werden geïmporteerd uit Engeland.

‘Dure mevrouwen liepen langs de fraaie,misschien wel fraaiste winkels van de stad. De airdale terrier liet zich even aaien. Een zuiderwind kwam zacht de hoek om waaien of daar zojuist een bruid gelopen had.’
Toen het gedicht ‘P.C. Hooftstraat’ van Martin Veltman (1928-1995) een jaar na zijn dood werd gepubliceerd, bracht ik al twintig jaar door in de ‘PC’. Van oktober 1976 tot juni 2008 woonde en werkte ik in de straat met de ‘fraaiste winkels van de stad’, die vooral vanaf de jaren negentig ontstonden. Tot die tijd had de straat wel degelijk ook een bij-
zondere uitstraling, maar op een heel andere manier dan wat het tenslotte zou worden. En juist in die vroege jaren kreeg ik een bijzondere band met de P.C. Wanneer ik vanuit de Hobbemastraat de hoek om kwam, leek het altijd warmer dan in de rest van de stad. Dat was dan waarschijnlijk die ‘zuiderwind’ waar Veltman het in zijn gedicht over had.

Cirkelvormige hanger. Goud, email, diamantjes en vier saffieren. Leopold Gautrait, Parijs ca. 1895. Part. coll.
De P.C. Hooftstraat werd in het derde kwart van de negentiende eeuw aangelegd als chique woonstraat voor welgestelde Amsterdammers. Omstreeks 1890 werden de eerste woonhuizen verbouwd tot winkels, om de deftige bewoners rondom het Vondelpark en de Concertgebouwbuurt van dienst te zijn. Hiertoe behoorde vleeshouwerij Heyenbrock, die tot aan het eind van de jaren tachtig in de straat gevestigd bleef.
In de jaren zeventig kende de straat twee slagers, twee banketbakkers, een buurtsuper, een visboer, een primeur groenteboer, die aardbeien verkocht in december toen niemand dat nog deed, de firma Warmolts met comestibelen en het kleinste Albert Heyn-filiaal van het land, dat bestond dankzij Albert Heyn die daar zelf ooit stage had gelopen. Verder enkele kunst- en antiekhandels, een begrafe-

Broche ‘Nymf’. Goud, email, parel en diamantjes. Lluis Masriera, Barcelona, 1901. Part. coll.
nisonderneming, een handel in typemachines, twee bontwinkels, een speelgoedwinkel en een paar chique schoenen- en kledingzaken, waaronder ‘Theresia Couture’, waarvan iedereen wist dat de koningin zich daar liet kleden.
In restaurant ‘Entrecôte’ kwam iedereen die erbij wilde horen, evenals bij het naast ons gevestigde Chinese restaurant ‘Fong-Lie’, waar onder andere Freddie Heineken vaste klant was, die op de vraag ‘Hoe maakt u het?’ steevast antwoordde ‘Dat vertel ik u niet’.
Toen hij na afloop van een lunch zijn portefeuille bleek te zijn vergeten, schreef hij op het flapje van een lucifersdoosje van het restaurant het verschuldigde bedrag en zijn handtekening, waarmee de aardige meneer Lie naar de bank in de Van Baerlestraat toog en prompt werd uitbetaald. Op maandag en donderdag werd het vuilnis

Zijn naam was Duleep Singh (1838-1893). Hij werd op 23 augustus 1854 gefotografeerd op het terras van Osborne House, de koninklijk residentie op het eiland Wight, dat tussen 1845 en 1851 als zomerverblijf werd gebouwd voor koningin Victoria en haar echtgenoot prins Albert. De prins had het huis zelf ontworpen.
Duleep Singh was in 1843 op vijfjarige leeftijd uitgeroepen tot maharadja van de Punjab en zou de laatste vorst van die Indiase deelstaat blijken te zijn. Na de Britse annexatie van zijn land werd Duleep Singh in 1849 gedwongen afstand te doen van al zijn bezittingen en aanspraken. In ruil kreeg hij een Brits overheidspensioen van 40.000 pond per jaar, dat nu zou neerkomen op een koopkracht van bijna zes miljoen euro, op voorwaarde dat hij gehoorzaam bleef aan de Britse regering. Het prinsje was toen nog maar tien jaar oud. Hij bekeerde zich in 1853 tot het christendom en arriveerde in 1854 in Engeland, waar hij door koningin Victoria op 1 juli voor het eerst werd ontvangen op Buckingham Palace. Na die ontmoeting schreef de koningin in haar dagboek: ‘16 jaar en buitengewoon knap… hij heeft een mooie, gracieuze en waardige houding, prachtige tanden en ogen en spreekt perfect Engels. Hij was prachtig gekleed en bedekt met diamanten. Ik leef altijd zo erg mee met deze arme afgezette prinsen.’
Er was eens een Oosterse prins. Hij droeg een tulband en fraaie juwelen, maar werd verdreven uit zijn land en verloor vrijwel zijn complete bezit.
Singh werd al snel een goede vriend van de koninklijke familie. Koningin Victoria beschouwde hem als een zoon en fungeerde later als peettante voor zijn kinderen. In de Engelse koninklijke verzamelingen bevinden zich een paar door de koningin gemaakte tekeningen, waarop de jonge maharadja met een van haar kinderen speelt.
Die relatie is des te opmerkelijker als we bedenken dat de koningin op dat moment persoonlijk kon beschikken over het belangrijkste bezit van Duleep Singh, namelijk een diamant van 186 karaat en toen de grootst bekende diamant ter wereld. De steen, die ooit nog groter moet zijn geweest, werd gevonden in een mijn in het Indiase Golconda en geslepen in Goa, op een traditionele Indiase manier, waarbij zo weinig mogelijk materiaal verloren ging, ten koste van een ideale vorm en slijpwijze. Een legende vertelde dat de diamant 500 jaar oud is en ook dat wie hem bezit over de wereld zal heersen. Dat moet echter wel een vrouw zijn, bij een mannelijke eigenaar zou de steen ongeluk brengen. De vroegste verwijzing naar deze diamant is vermoedelijk te vinden in de Baburnama, de mémoires van Babur (1483-1530), de eerste Mogul-vorst in India. Hij beschreef hem waarschijnlijk als onderdeel van zijn juwelencollectie: ‘Onder hen bevindt zich een beroemde diamant… Hij is zo waardevol dat een expert hem heeft getaxeerd op de helft van de dagelijkse uitgave van de hele wereld’. Na de slag om Delhi in 1739 werd de steen, die lange tijd bekend stond als ‘Baburs diamant’
WBOOKS, Zwolle info@wbooks.com wbooks.com
TEKST
Martijn Akkerman
ONTWERP
Miriam Schlick, ExtraBlond
OVER DE AUTEUR
De interesse van Martijn Akkerman in juwelengeschiedenis begon al rond zijn vijfde. Na een opleiding in Schoonhoven en diverse stageervaringen stelde hij zich als doel en ideaal om de boeiende verhalen achter juwelen door te geven. Hij doet dat door lezingen, tijdens opnamedagen van het TV-programma Tussen Kunst & Kitsch en via publicaties.
© 2026 WBOOKS Zwolle / de auteur Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere wijze, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
De uitgever heeft ernaar gestreefd de rechten met betrekking tot de illustraties volgens de wettelijke bepalingen te regelen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.
Van werken van beeldende kunstenaars aangesloten bij een CISAC-organisatie is het auteursrecht geregeld met Pictoright te Amsterdam. © c/o Pictoright Amsterdam 2026.
ISBN 978 94 625 8743 4 NUR 655, 680
Met dank aan iedereen die de totstandkoming van dit boek, op welke wijze dan ook, heeft ondersteund.
Mijn speciale dank gaat uit naar Pim Hoff en Niels de Wilde.