De geschiedenis van de UHSK_NL_bladerpdf

Page 1


De Utrechtse Historische Studentenkring 1926-2026

Een eeuw verenigd door Geschiedenis

Inhoudsopgave

Deel 2: Honderd jaar UHSK-studenten

Van bestuurslinten via tuinbroeken tot mantelpak : de UHSK-student als afspiegeling van

“Als je iets wilt, dan organiseer je dat!” De UHSK in de activistische jaren

UHSK

Deel 4: De UHSK en internationalisering

Globalisering, taalbeleid en excursies: honderd jaar internationalisering van de UHSK

als historische constante

Een bachelor History naast de bachelor Geschiedenis

UHSK en het buitenland: internationale politiek, studiereis en studievakantie

Het ‘buitenlandbeleid’ van de UHSK

Met kaas en karnemelk in twee Volkswagenbusjes op pad: UHSK-excursies in de jaren 1950

Over ‘Dutch directness’ en zesjescultuur: de geschiedenisopleiding door de ogen van internationale studenten en staf

Onderwijs en studentencultuur bij geschiedenis in Utrecht

De UHSK en Geschiedenis naar Berlijn: Verständigungsarbeit ist harte

01 | Notulen van de oprichtingsvergadering van vrijdag 5 maart 1926 Een bestuur werd verkozen, maar de keuze voor een naam werd uitgesteld tot de vergadering van 23 maart | Het Utrechts Archief, toegang 1326, inv. nr. 1

Inleiding

Mette Bruinsma, Elise van Nederveen Meerkerk & Jorrit Steehouder

De historicus is van aanleg geen feestvierder. Daarbij komt, dat velen niet kunnen dansen, daarom wegblijven of als bok komen, wat het zuipen wel, de sfeer niet bevordert. Men zorge ervoor deze mensen van een feest te weren en de wel-dansers warm te maken. IEDER DANSFEEST OP HET INSTITUUT IS GEDOEMD TOT MISLUKKING door de ongezellige vierkante zaal.1

Een vakbond voor de linkse historicus-in-spe, een gezelligheidsvereniging waar je je op tal van evenementen tegoed kan doen aan alcoholische versnaperingen, een leverancier van je studieboeken met korting, of een home away from home – de geschiedenis van de Utrechtse Historische Studentenkring (UHSK) vertelt geen eenduidig verhaal. De studievereniging heeft in haar honderdjarig bestaan vele gedaanten gekend, waarbij ook op hetzelfde moment verschillende leden de vereniging, en haar nut en rol, verschillend beschouwden. Vanwege dit veelzijdige karakter van de UHSK biedt de geschiedenis van de vereniging een waardevol inkijkje in het komen en gaan van honderd

cohorten geschiedenisstudenten in Utrecht. Op deze manier vertelt dit boek vele kleine verhalen uit het Utrechtse studentenleven, maar duidt het ook grote verschuivingen in de inhoud en vorm van het academisch geschiedkundig onderwijs en een veranderende studentenpopulatie.

Hoewel dit jubileumboek zich richt op de honderd jaar waarin de UHSK steeds verbonden is geweest met de academische geschiedbeoefening aan de Universiteit Utrecht, 2 komt deze periode niet overeen met het tijdperk waarin studenten zich konden bekwamen in dit vakgebied in Utrecht. De wens om studenten de mogelijkheid te bieden tot afstuderen in de geschiedenis stamt uit de late negentiende eeuw, maar in de Wet op het Hoger Onderwijs van 1876 werd nog vastgelegd dat deze optie er niet zou komen. Zodoende stond het eerste geschiedkundig onderwijs in dienst van andere opleidingen aan de Faculteit der Letteren.3 Pas in 1921, met de wijziging van het Academisch Statuut, werd geschiedenis – samen met enkele andere studierichtingen – een zelfstandige opleiding met bijbehorend curriculum. 4 In hetzelfde jaar werd het

02 | Lustrumdiner van 1941. Al in de eerste jaren van de UHSK is de vereniging een gemengd gezelschap, waar ook veel vrouwelijke studenten hun plek opeisen. Als vierde van rechts is voormalig praeses van de UHSK Jo Hollestelle te zien. Meer over haar vanaf pagina 62 | Fotograaf onbekend | Collectie UHSK

Instituut voor Middeleeuwse Geschiedenis opgericht, met de Duitse mediëvist Otto Oppermann aan het hoofd. Utrechtse studenten konden zich vanaf dat moment ook inschrijven als geschiedenisstudent aan de universiteit.

Een kring voor studenten

Het Utrechtse studentenleven was in de eerste decennia van de twintigste eeuw vooral georganiseerd langs de lijnen van grote studentenverenigingen, zoals het Utrechtsch Studenten Corps (USC), de Utrechtsche Vrouwen Studenten Vereniging (UVSV), Unitas en Veritas. Binnen het USC waren er zogeheten ‘faculteiten’ waarbij studenten al naar gelang hun studierichting aansluiting vonden, zoals de Litterarische Faculteit.5 Voor geschiedenisstudenten

was dit in de jaren 1920 de aangewezen plek om hun studentenleven te verrijken. Uit de Utrechtsche Studenten Almanak van 1926 blijkt echter dat het dat jaar niet gelukt was om “het interne leven der Faculteit tot meerderen bloei te brengen.” Studenten leken niet in te zien “dat een uitwisseling van gedachten met studenten in een andere studie dan de hunne de eigen studie verdiept”, waarmee de “grenzen tusschen de verschillende richtingen” bleven bestaan.6 Het lijkt er dus op dat er voor geschiedenisstudenten niet veel te halen was bij de Litterarische Faculteit.

Daarom werd op 5 maart 1926 “eene vereeniging van universitaire historici” opgericht, vooralsnog zonder naam.7 Volgens de oprichtingsnotulen opperde een van de oprichters, T.S. Jansma, dat alle geschiedenisstudenten lid moesten worden van de Litterarische Faculteit. 8 Dit voorstel werd echter

weggestemd door de meerderheid der aanwezigen (er staan 19 handtekeningen op de presentielijst van de vergadering), die liever onafhankelijk van het USC bleven. De Studentenkring werd hiermee geen onderdeel van die bredere, sterk op ceremonie en ritueel gestoelde vereniging, en bleef in de beginjaren “een sober gezelschap” waar iedereen welkom was.9

Op een latere vergadering in diezelfde maand maart in 1926, werd de opgerichte vereniging gedoopt:

Vervolgens werd het geven van een naam aan de vereniging aan de orde gebracht: na luttele bespreking werd besloten tot dien van “U.H.S.K.”10

De vereniging had nu een naam, een bestuur, bestaande uit voorzitter Gerard Panhuysen en overige bestuursleden J.J. Beyerman en mej. A.M.F. Kluijver, en ook al een eerste resultaat: “dat Prof. De Vooys zich had bereid verklaard het tentamen in het

interpreteren van midden-Nederl. en 17e eeuwsche teksten in den ouden omvang in den loop van het 2 e studiejaar af te nemen.”11 Maar: alle begin is moeilijk. Al na een half jaar verzocht Panhuysen in verband met zijn afstuderen “zich van het voorzitterschap te kwijten”, en werd er gesproken over een “reorganisatie van den U.H.S.K.”12

De geschiedenis van de UHSK kent vele momenten waarop er werd nagedacht over hoe de vereniging zich intern diende te organiseren, waarbij ook de rol van het bestuur geen heilig huisje bleek. Vanaf 1969 tot 1992 kende de vereniging zelfs geen formeel bestuur. De interne machtsverhoudingen tussen leden en bestuur of ‘stuurgroep’, tussen commissies en bestuur, en tussen luide individuen en de wellicht wat minder hoorbare ledenmassa schetst een beeld van een voortdurend spel: wie bepaalt wat de vereniging eigenlijk is, en wat deze ambieert te zijn? Wordt het

| Fotograaf onbekend | Collectie UHSK

03 | UHSK’ers al barbecuend bij een jeugdherberg in Weimar, 1969 Alumni associëren de UHSK veelal met de vele reizen die er gemaakt zijn: uitgelezen kansen voor intellectuele verdieping, maar bovenal een moment waarop vriendschappen voor het leven zijn gesmeed

07 | College op de Vondellaan, 1992 Hoorcolleges, werkgroepen, seminars, tutorials, en excursies. Niet alleen het studentenleven is veranderd in de afgelopen eeuw, maar ook het academisch onderwijs zelf | Maarten Hartman | DUB-archief

Een eeuw tentamenstress: honderd lichtingen Utrechtse geschiedenisstudenten

Spoorstudenten, corpsballen, intellectuelen, activisten, feministen, bursalen en nihilisten: de geschiedenisstudent van de Universiteit Utrecht is niet onder één noemer te vangen. Wat deze groepen bindt, is hun ervaring met het Utrechtse geschiedwetenschappelijke onderwijs. De duur van die studietijd is aan verandering onderhevig geweest. Door verschillende beleidsmaatregelen met betrekking tot studiefinanciering, bindende studieadviezen en de dreiging van een zogenoemde ‘langstudeerboete’, is de focus verlegd naar een ‘efficiënte’ studietijd. Een kortere studietijd, met meer nadruk op het behalen van studiepunten, verandert echter ook de aard van de studietijd als formatieve periode voor jongvolwassenen. Is er nog wel tijd voor zelfontplooiing, ruimte voor experimenteren, en het ontwikkelen van een eigen identiteit? Het is niet alleen de ervaring van studeren die is veranderd in de afgelopen honderd jaar, ook de inhoud van het curriculum laat verschuivingen zien.

In dit hoofdstuk staan drie aspecten van de ervaringen van honderd cohorten historici-in-spe centraal: het eerste deel bespreekt het veranderende curriculum en de inrichting van het academisch onderwijs. Wat leert een student geschiedenis precies? Zit de week vol met colleges, of wordt juist een autonome studiehouding verwacht? Daarna komt de relatie tussen docent en student aan bod: waar studenten in 1926 nog bij de docent thuis op spreekuur of mondeling tentamen konden worden gevraagd, is dat voor de student uit 2026 niet meer denkbaar. Niet alleen schaalvergroting, maar ook professionalisering en formalisering van het onderwijs spelen hierbij een rol.

Hoe verhoudt de student zich tot docenten, en vice versa? Tegelijkertijd zijn maatschappelijke ontwikkelingen ook debet aan veranderingen in aanspreekvorm: mag je een mail naar een docent met ‘Hey!’ beginnen, of behoort daar ‘Geachte Professor’ te staan? Welke rol speelt de UHSK precies in de verhouding tussen docenten en studenten? Het

30 | Komité Heen en Weer, 1976 Derdejaars geschiedenisstudenten voeren een ludieke actie om de reiskosten die zij voor archiefreizen moeten maken voor een verplicht vak, terug te krijgen van de universiteit | Fotograaf onbekend | DUB-archief

Van bestuurslinten via tuinbroeken tot

mantelpak: de UHSK-student als afspiegeling van de samenleving?
Elise van Nederveen Meerkerk

In 1947 was de Utrechtse student meestal een man, vaak uit een hoog sociaal milieu. Grote kans dat hij geneeskunde studeerde, 30 tot 40 gulden per week (zo’n € 140,- tot € 190,-) voor zijn kamer betaalde en geen bijbaantje had. In 2016 was de typische Utrechtse student een vrouw, kwam ze uit de brede middenklasse, studeerde aan de faculteit Sociale Wetenschappen, en vulde haar studiefinanciering aan met een bijbaantje. Voor haar kamer betaalde ze € 352,- per maand.1

Net zoals de samenleving, veranderde ook de gemiddelde student behoorlijk van profiel in de afgelopen honderd jaar. Hoewel in 1926 studenten uit de ‘echte elite’ waarschijnlijk rechten of medicijnen gingen studeren, kwamen geschiedenisstudenten doorgaans uit de (gegoede) middenklasse. Dit hoofdstuk bespreekt de veranderingen in de studentenpopulatie gedurende de afgelopen

eeuw, in termen van sekse, sociaaleconomische status, etniciteit en de toegankelijkheid van het hoger onderwijs. De focus in dit hoofdstuk ligt op ontwikkelingen in het ledenbestand van de UHSK, maar deze worden steeds in de context geplaatst van meer algemene veranderingen in de studentenpopulatie in Nederland, en natuurlijk in het bijzonder in Utrecht.

Met name over de beginperiode van de UHSK is weinig informatie beschikbaar. Het archief is gefragmenteerd, om redenen die elders al vermeld zijn, 2 en hoewel van de eerste leden vaak wel hun achternaam bekend is, worden hun voornamen in de bronnen meestal beperkt tot initialen. Bovendien ontbreekt iedere achtergrondinformatie over de studenten in de archiefstukken, en zijn zij uiteraard niet meer te interviewen. Op basis van intensief speurwerk in de (online) bevolkingsregistraties, is het mogelijk om iets te

49 | Gezicht op de voorgevels van enkele panden aan de Drift, 1926 De Utrechtse Drift was waar een groot deel van het studentenleven zich voor de eerste generaties UHSK’ers afspeelde | Fotograaf onbekend | Het Utrechts Archief

Van “muurkrant” tot “sociale ontmoetingsplaats”: een ruimtelijke geschiedenis van de UHSK

“Het is hier vies, een rotzooitje, shabby” en “je neemt hier je moeder niet naartoe om te laten zien, ‘mam, dat heeft je zoon nou bereikt’”, zo stelde professor Hans Righart in januari 1991 in een pleidooi voor “nieuwe behuizing” van het Instituut voor Geschiedenis. De Utrechtse historici huisden in die tijd in Lucasbolwerk 5, een brandgevaarlijk pand met ernstige gebreken. Voor de deur trok iedere tien minuten de bus naar de Uithof met “donderend geraas” op. Volgens Righart was het bovendien “een a-sociaal gebouw” dat niet uitnodigde tot “contacten tussen docenten onderling, en tussen studenten en docenten”. Een terugtocht naar de “suïcidale omgeving” van de Uithof (waar het Instituut van 1980 tot 1986 huisde) achtte Righart desgevraagd uitgesloten.1

In eerste instantie onderschreven de studenten de argumenten van Righart, tot duidelijk werd dat op de beoogde nieuwe locatie aan Kromme

Nieuwegracht 22 “geen huisvesting voor studenteninitiatieven” was ingetekend. “Niet bepaald

bevorderlijk voor de sociale kontakten voor een studie met een minimaal aantal contacturen” stelden de studenten, die in verzet kwamen en de plannen met succes wisten om te buigen.2 De studenten eisten een fysieke ruimte in hetzelfde gebouw als hun docenten.

De verontwaardigde reactie op de voorgenomen verhuizing toont het belang van de studieomgeving voor de binding tussen studenten onderling en van studenten met docenten. De Instituutsgemeenschap, waartoe de UHSK behoorde, hing nauw samen met de ruimte waarbinnen staf en studenten elkaar konden ontmoeten. Volgens de studenten was het Lucasbolwerk – ondanks alle gebreken – in dat opzicht een belangrijke “verzamelplek”, waar iedereen elkaar eenvoudig bij de postvakjes tegenkwam.3 De UHSK beschikte er over een eigen kamer die fungeerde als belangrijke ontmoetingsplaats. Daarnaast hadden studentenbladen als Aanzet en DinaMiek eigen redactiekamers.

Met kaas en karnemelk in twee Volkswagenbusjes op pad: UHSK-excursies in de jaren 1950

Marietje van Winter

Emeritus Professor Marietje van Winter was sinds 1953 verbonden aan het Instituut voor Geschiedenis in Utrecht. In 1979 werd zij benoemd tot hoogleraar. Daarnaast is Marietje sinds 1967 erelid van de UHSK.

Toen ik in september 1953 na mijn doctoraal in Groningen in Utrecht begon als assistente bij Middeleeuwse Geschiedenis, was de UHSK maar een klein groepje. Er waren nog een paar leden van vóór de oorlog en er kwamen elk jaar hooguit tien eerstejaars bij. Ze hielden lezingen voor elkaar, soms met een gastspreker van buiten: ze gingen nooit op excursie. Blijkbaar werd dat door historici niet belangrijk gevonden. Het Universiteitsfonds, dat wel ieder jaar de studenten kunstgeschiedenis een maand lang in Florence liet rondkijken, gaf voor andere studenten geen subsidie. Ik vond dat excursies voor geschiedenisstudenten even noodzakelijk waren als voor kunsthistorici en voerde ze dan ook vrijwel dadelijk in.

Onze hoogleraar voor Middeleeuwse Geschiedenis, Diederik Enklaar, leed aan multiple sclerose en kon zelf geen excursies organiseren, maar zijn medewerker dr. Jappe Alberts was er wel voor te vinden. Onze eerste excursie was dan ook in voorjaar 1955 naar Bonn en Keulen, waar Jappe contacten aan de universiteit had. De groep was zo klein dat we met twee Volkswagenbusjes twaalf studenten konden meenemen. We overnachtten in jeugdherbergen en zorgden zelf zoveel

mogelijk voor ons ontbijt en lunch. Alleen het avondeten was in restaurants. Ik vond dat wij zoveel mogelijk gezond moesten eten en schafte dus voor onze broodmaaltijden naast kaas en jam ook komkommer en karnemelk aan. Een van de eerste deelnemers was Hermann von der Dunk, toen nog student en later hoogleraar in Nieuwste Geschiedenis en Cultuurgeschiedenis, die mij er bij mijn afscheid als hoogleraar in december 1988 nog mee plaagde.

Financieel waren de excursies een uitdaging. Studenten kregen geen subsidie, maar Jappe Alberts en ik probeerden onze onkostenvergoeding zo hoog mogelijk op te schroeven om studenten daarvan te laten profiteren. Later werd dat verboden en kreeg iedere student een subsidie van 10 gulden van het Universiteitsfonds op voorwaarde dat hij/ zij er donateur van werd. Echt inzicht in het nut van excursies voor geschiedenisstudenten was blijkbaar niet gedaagd.

Latere excursies gingen naar Münster, Gent en Brugge, Leuven en Luik, en vervolgens steeds verder naar het buitenland: over zee naar Engeland en in 1968 naar Praag, waar we toen tot onze verrassing midden in de Praagse Lente terechtkwamen. We gingen wel vaker naar politiek omstreden gebieden, zoals Berlijn en Weimar in de DDR en Boedapest in de communistische bezettingszone. Daar was het handig dat onze hoogleraar in Laat-Latijn, professor Orbán, van

83 | Studenten onderweg naar Berlijn, vermoedelijk jaren 1960. Langs de snelweg werd gestopt voor een pauze en chauffeurswissel | Fotograaf onbekend | Collectie UHSK

Colofon

Uitgave

WBOOKS, Zwolle info@wbooks.com wbooks.com

Redactie

Mette Bruinsma, Elise van Nederveen Meerkerk & Jorrit Steehouder

Tekst

Mette Bruinsma, Leen Dorsman, Chiara Evans, Beatrice de Graaf, Daan Groot, Elise van Nederveen Meerkerk, Jorrit Steehouder, Aigui Thewissen, Marietje van Winter & Zita Zwart.

Beeldredactie

Mette Bruinsma, Elise van Nederveen Meerkerk, Jorrit Steehouder, Aigui Thewissen & Zita Zwart.

Cover ontwerp

Victor de Leeuw, DeLeeuwOntwerper(s)

Opmaak binnenwerk & redactionele begeleiding

Crius groep

© 2026 WBOOKS, Zwolle / de auteurs

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere wijze, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

De uitgever heeft ernaar gestreefd de rechten met betrekking tot de illustraties volgens de wettelijke bepalingen te regelen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

Van werken van beeldende kunstenaars aangesloten bij een CISAC-organisatie is het auteursrecht geregeld met Pictoright te Amsterdam.

© c/o Pictoright Amsterdam 2026.

ISBN 978 94 625 8759 5

NUR 693

Dit boek is mede mogelijk gemaakt met financiële steun van het Departement Geschiedenis en Kunstgeschiedenis van de Universiteit Utrecht, het Cultuurfonds, het Professor van Winter Fonds en Fonds Vrienden van het Instituut Geschiedenis Utrecht (VIGU).

De Utrechtse

Historische

Studentenkring

1926-2026

Een eeuw verenigd door Geschiedenis

De honderdjarige geschiedenis van de Utrechtse Historische Studentenkring (UHSK) laat zien hoe belangrijk studieverenigingen zijn voor de binding tussen studenten, docenten, universiteit en de stad Utrecht. In dit boek ontvouwt zich een levendig beeld van vele generaties geschiedenisstudenten die hun weg zochten binnen de stad, de universiteit, en de studievereniging. Voor de ene student was de vereniging een vakbond voor de linkse historicus-in-spe, voor de ander een gezelligheidsclub die borrels organiseerde en studieboeken met korting leverde, voor sommigen een ‘home away from home’, voor anderen de plaats waar vriendschappen voor het leven werden gesmeed.

Diepgravende essays, persoonlijke interviews en columns bieden een terugblik op honderd jaar academisch onderwijs, studentenleven, en veranderende studentenpopulaties. Er is één constante: binnen de UHSK vinden studenten elkaar, delen zij ervaringen, en studeren zij samen Geschiedenis. Kortom: Geschiedenis als verenigende factor.

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.
De geschiedenis van de UHSK_NL_bladerpdf by WBOOKS - Issuu