TUIN DORPEN ATLAS VAN IN NEDER LAND

![]()

VAN
VAN TUINDORPEN
30 De Hoogte | Groningen
32 Tuinwijk | Groningen
34 Bloemenbuurt | Groningen
39 Onnen | Haren
40 Halmbuurt en Suikerbuurt | Hoogkerk
42 Agodorp | Ter Apel
44 Hollanderwijk | Leeuwarden
45 Rode Dorp | Harlingen
46 Tuindorp | Den Helder
48 Snouck van Loosenpark | Enkhuizen
52 Oostbuurt | Bergen NH
54 Bloemwijk | Alkmaar
55 Bomenbuurt (Bollebieste) | Zwolle
56 De Riet | Almelo
58 ’t Lansink | Hengelo
64 Knutteldorp | Deventer
65 Tuindorp | Goor
66 Pathmos | Enschede
74 Houtjesdorp | Apeldoorn
76 Rode Dorp | Baarn
78 Soesterkwartier | Amersfoort
79 Schildersbuurt (De Wijs) | Amersfoort
80 Tuindorp | Bilthoven
82 Tuindorp | Utrecht
84 De Tuinwijk | Utrecht
86 Elinkwijk | Utrecht
88 De Lessepsbuurt | Utrecht
89 Gerodorp | Zeist
90 Tuindorp | Maarn
92 Vooruit | Ede
94 Kolkakker | Ede
95 Mussenberg | Arnhem
96 Geitenkamp | Arnhem
100 Van Verschuerwijk | Arnhem
101 Heveadorp | Doorwerth
105 Scholtenenk | Winterswijk
108 Tuinwijk Kleintjeskamp | Doetinchem
110 Vinkenhof | Tiel
112 Tuindorp | Geldermalsen
113 Tuindorp | Tolkamer
116 Beetsplein (Willemskwartier) | Nijmegen
120 Tuindorpen | Amsterdam-Noord
121 Oostzaan | Amsterdam-Noord
126 Buiksloterham | Amsterdam-Noord
128 Nieuwendam | Amsterdam-Noord
132 Van der Pekbuurt | Amsterdam-Noord
134 Vogelbuurt | Amsterdam-Noord
137 Disteldorp en Vogeldorp | Amsterdam-Noord
138 Watergraafsmeer | Amsterdam
142 Tuindorp | Haarlem (voorheen Bloemendaal)
143 Tuinwijk-Zuid | Haarlem
148 Randwijck | Amstelveen
150 Keverdijk | Naarden
151 Brediuskwartier | Bussum
152 Tuinstad | Hilversum
162 De Kieviet, Oostdorp en Kerkehout | Wassenaar
164 Papaverhof | Den Haag
166 Emmastraat en omgeving | Voorburg
168 Witte Dorp | Rotterdam
170 Heijplaat | Rotterdam
176 Bloemhof | Rotterdam
180 Vreewijk | Rotterdam
185 Agnetapark | Delft
190 Josephbuurt | Gouda
191 Meerdervoort | Zwijndrecht
192 Mauvebuurt | Dordrecht
194 Lingewijk | Gorinchem
198 Tuindorpen | Vlissingen en West-Souburg
202 Batadorp | Best
206 Philipsdorp | Eindhoven
210 Witte Dorp | Eindhoven
212 Budel Dorplein | Budel
214 Mijnkoloniën | Limburg
216 Mijnkoloniën | Brunssum
221 Lauradorp | Landgraaf
222 Leenhof en Schaesberg | Heerlen en Landgraaf
224 Versiliënbosch | Heerlen
225 Beersdal | Heerlen
228 Maria Christinawijk | Heerlen
229 Molenberg | Heerlen
230 Eikenderveld | Heerlen
232 Tempsplein en omgeving | Heerlen
233 De Hopel | Kerkrade
Martijn Haan
Ruim twintig jaar geleden wandelde ik over de stuwwal langs de Nederrijn, over landgoed Duno. Vanaf de Hunnenschans heb je een prachtig uitzicht over de rivier. Een brede laan, geflankeerd door hagen en rododendrons, voert naar beneden, naar een idyllisch dorpje: Heveadorp. Het is er bijna sprookjesachtig, met een hoog Eftelinggehalte dankzij de rietgedekte cottages en bloemrijke tuinen. Langs de hoofdweg staan landhuizen met curieuze namen: Hunzingo, Dollard, Frisia. Op de huizen prijken namen van Indonesische eilanden: Java, Celebes, Borneo. Intrigerend.
Een informatiebordje gaf uitleg. Begin vorige eeuw verplaatste een Groningse rubberfabrikant zijn fabriek én arbeiders van Hoogezand naar Doorwerth. Vlak bij de fabriek, ver van het stedelijk vertier, verrees een dorp waar de arbeiders woonden, letterlijk in de schaduw van de rookpluimen van de rubberfabriek. De sociale controle was groot. De vrouw van directeur Wilhelmi fungeerde als woningopzichteres en deed ’s avonds voor het hele dorp het licht uit.
Om meer te weten te komen over Heveadorp, kocht ik het boekje Helaas! De holen der menschen , van recentere datum dan de titel doet vermoeden: 1988. Leendert Bikker beschrijft daarin de ontstaansgeschiedenis van Heveadorp en van andere tuin- en fabrieksdorpen, zoals ’t Lansink in Hengelo, Philipsdorp in Eindhoven en de mijnwerkerskolonie De Hopel. Tijdens mijn studie sociale geografie in de jaren ’90 maakten we excursies door de arbeidersbuurten van de Amsterdamse School: de Spaarndammerbuurt en verwante wijken. Ook toen al was ik gefascineerd door de combinatie van woningbouw en sociale ‘verheffing’ van de arbeider. Met dezelfde nieuwsgierigheid liep of fietste ik decennia later door de tuindorpen van Amsterdam-Noord, Hilversum en ’t Lansink. Tijdens corona ontdekte ik vlak bij huis, in Utrecht, een prachtig fabriekstuindorp: Elinkwijk, gebouwd voor het personeel van Werkspoor. Tijd voor een atlas over de mooiste, leukste en meest bijzondere tuindorpen van Nederland, nam ik mezelf voor.
Toen ik er uiteindelijk serieus mee aan de slag ging, bleek het onderwerp nog veel rijker dan ik had kunnen bevroeden. De bouw van de tuindorpen viel grotendeels samen met het begin van de sociale volkshuisvesting, mogelijk gemaakt door de Woningwet van
1901. In veel nieuw gebouwde arbeidersbuurten pasten woningbouwverenigingen en gemeenten de tuindorpgedachte toe, met licht, lucht en ruimte als leidraad. Dit markeert het begin van wat wij nu sociale woningbouw noemen. De nieuwe bewoners – afkomstig uit de sloppen van de stad of uit de armoede van het platteland – ‘moesten het wonen nog leren’. Woningopzichteressen hielpen daarbij, vaak op een nogal dwingende manier. Met hun werk legden zij de basis voor het sociaal-maatschappelijk werk.
Verantwoording
In deze atlas zijn ruim tachtig tuindorpen, fabrieksdorpen en tuinwijken opgenomen, die samen het verhaal vertellen van hoe de tuinstadgedachte in Nederland gestalte kreeg. In de afzonderlijke artikelen komen uiteenlopende thema’s aan bod: de band met de fabriek, de woningplattegronden, de verhouding tot Ebenezer Howards garden city-idee, de rol van woonopzichteressen, het belang van groen, arbeidersverheffing, de traditionele architectuur, de betrokkenheid van architecten en de huidige staat van de tuindorpen als erfgoed.
De geschiedenis van de tuindorpen is onlosmakelijk verbonden met de grotere geschiedenis van Nederland: het verzuilde land dat beducht was voor het rode socialistische gevaar, de katholieke kerk die in Limburg stevig aan het roer stond bij de woningbouw, en de invloed van internationale ontwikkelingen: de Eerste Wereldoorlog legde de bouw vrijwel stil; de beurskrach in 1929 en de daarop volgende Nederlandse crisisjaren, die paradoxaal genoeg mooie en degelijke woningen voortbrachten, zij het steeds minder voor arbeiders en steeds vaker voor de meer draagkrachtigen.
Voor deze atlas gingen fotograaf Bart van Hoek en ik op zoek naar een zo compleet mogelijke lijst van tuindorpen. Archieven, kranten, boeken en oproepen via sociale media leverden een groslijst op van bijna tweehonderd buurten met tuindorpkenmerken. De bekende tuindorpen – ’t Lansink, Snouck van Loosenpark, Vreewijk – waren snel geïdentificeerd, maar we ontdekten ook veel minder bekende, maar minstens zo prachtige tuindorpen.
De selectie hebben we bewust beperkt tot vooroorlogse tuindorpen, die zijn voortgekomen uit de bouwhausse die volgde op de Woningwet van 1901, met een zwaartepunt in de jaren ’20. De focus ligt op
Nuttige wenken voor het lezen
Naam en plaats
Van de meeste tuindorpen is de naam evident. Soms worden verschillende namen door elkaar gebruikt of heeft het tuindorp geen duidelijke eigen naam. Dit is het geval bij het tuindorp in Amersfoort dat hier is geboekstaafd als Schildersbuurt (De Wijs). Soms is de oorspronkelijke gemeente geannexeerd. Dan wordt de huidige gemeente als leidend genomen. Zo vallen het Tuindorp van Maartensdijk en Elinkwijk en De Lessepsbuurt in Zuilen dus onder Utrecht.
Bouwjaar
De bouwjaren zijn indicatief, verschillende bronnen geven geregeld andere jaren. Het hangt er ook maar vanaf of het bouwrijp maken van de grond of de aanleg van straten of riolering als startpunt wordt genomen of het leggen van de eerste steen van het eerste huis. Hetzelfde geldt voor de ‘eindddatum’. De meeste tuindorpen zijn in verschillende fases gebouwd; ook daarvan is niet altijd duidelijk wanneer een fase was afgerond. Als dat mogelijk is, is gekozen voor de bouw die deel uitmaakte van het initiële ‘tuindorpplan’. Latere uitbreidingen zonder tuindorpkenmerken zijn niet meegenomen in de bouwjaren.
Opdrachtgever
De opdrachtgever is in veel gevallen duidelijk, zeker bij fabrieksdorpen, maar dat is niet altijd het geval. Soms is de gemeente opdrachtgever of zijn er verschillende initiatiefnemers: ondernemers, de gemeente, een woningbouwvereniging. Ook de opdrachtgever en uitvoerder lopen soms door elkaar.
Omvang
Voor de omvang is gekeken naar de oorspronkelijke opzet van het tuindorp met de oorspronkelijk geplande bebouwing. In sommige gevallen is dat heel duidelijk en één op één te herleiden tot de huidige situatie, maar meestal niet. Kortom: ook dit cijfer is indicatief. In de tekst wordt soms nog nadere uitleg gegeven over de cijfers.
Begrenzing
Bij elk tuindorp staat de begrenzing aangegeven. De genoemde straten gaan met de klok mee, ofwel, de eerstgenoemde straat begrenst de oostkant, de laatste de noordzijde. De begrenzing betreft in de meeste gevallen het deel dat oorspronkelijke is gebouwd als tuindorp en ook die kenmerken vertoont. Latere (naoorlogse) uitbreidingen zijn in principe niet opgenomen. Heeft een tuindorp de status van beschermd gezicht, dan is die begrenzing genomen.
Status
Onder ‘status’ staat of het tuindorp – of soms delen van het tuindorp, soms individuele gebouwen – een beschermde status heeft: van rijksmonument tot gemeentelijk beschermd dorpsgezicht. Een paar tuindorpen zijn verdwenen, sommige zijn na sloop herbouwd in meer of minder gelukte versies. Soms wordt de huidige staat beschreven op basis van de indruk van het tuindorp tijdens een bezoek.
arbeiderswoningbouw; veel fabrieksdorpen werden expliciet als tuindorp ontworpen. De geschiedenis van deze industriële enclaves is op zichzelf al fascinerend: hier werd textiel geproduceerd, steenkool gedolven, werden schepen gebouwd en gloeilampen gemaakt. In de atlas zijn ook enkele tuinwijken opgenomen, bedoeld voor middenstanders, ambtenaren en andere welgestelden.
Het verhaal of het uiterlijk van het tuindorp moest aanspreken – en liefst beide. Daarnaast speelde spreiding over Nederland een rol. Zeeland en Brabant zijn dun vertegenwoordigd; de Limburgse Mijnstreek daarentegen kent dankzij de kortstondig bloeiende mijnindustrie tientallen tuindorpen: de mijnkoloniën. Bij veel wijken gaf het bezoek zelf de doorslag: was hun erfgoedwaarde al erkend als beschermd stadsof dorpsgezicht of rijksmonument? Hoeveel was er nog over van de oorspronkelijke bebouwing? Hoe zwaar hadden renovaties hun sporen nagelaten? Voelde het nog als een tuindorp?
Alle tuindorpen in de atlas zijn door Bart van Hoek gefotografeerd, en ze laten het verhaal zien van de mensen die er wonen: soms met liefde onderhouden huizen en tuinen, vaak ook betegelde voortuinen met kliko’s en auto’s die zich moeilijk laten wegdenken, en soms met zichtbare sporen van armoede en verval. Maar waar de oorspronkelijke tuindorpgedachte en de verfijnde architectuur voor de oplettende doorheen schemert. Dat alles hoort bij het tuindorp – toen én nu. Het ‘toen’ laten we zien met historische foto’s, meestal uit de beginfase van het tuindorp.
De mensen
Hoewel in de atlas de sociale geschiedenis en de architectuur van de tuindorpen centraal staan, zijn het de bewoners die de tuindorpen tot leven brengen. Ik sprak geregeld met ze als ik een tuindorp bezocht voor het boek, of kwam via via in contact met ze. Vaak waren zij trots, soms boos over achterstallig onderhoud en soms onzeker over de plannen van de woningbouwvereniging of gemeente. In minder volkse – eerder villa-achtige – tuinwijken werd ik al fotograferend geregeld als verdacht element aangesproken.
Verschillende mensen boden aan mij rond te leiden. Zo werd ik op sleeptouw genomen door de Limburgse mijnkoloniën, Geitenkamp in Arnhem, Dudoks tuinstad in Hilversum, ’t Lansink in Hengelo en Tuindorp Oostzaan in Amsterdam. Anderen lazen mee of dachten actief mee over hun tuindorp. Ook kwam ik in contact met de auteurs van een tuindorpenwandelgids die in maart 2026 is verschenen en liep hun wandeling langs Groningse tuindorpen. Hun namen staan achterin deze atlas.

De aanwezigheid van de vele tuindorpen in Nederland is niet los te zien van grotere nationale en internationale ontwikkelingen in de 19e eeuw: de industriële revolutie, de trek naar de stad, de ongezonde en vreselijke woonsituatie aldaar en de pogingen om daar iets aan te doen. Om de context te schetsen waarbinnen de tuinstadgedachte ontstond, duiken we de geschiedenis in. Hoe verliep de weg die naar de tuinstad leidde?
Bij de volkstelling van 1795 had Nederland – toen nog de Bataafse Republiek – ruim twee miljoen inwoners. Dat aantal groeide in een eeuw tijd tot ruim vijf miljoen in 1900. Een kwart daarvan woonde in de steden Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht, vaak onder barre armoedige omstandigheden. De levensverwachting was extreem laag – voor mannen in Zuid Holland maar 25 jaar – en de helft van de kinderen haalde zijn vijfde verjaardag niet. Volksbuurten als de Amsterdamse Jordaan waren volgepakt met mensen. Rond 1900 woonden er 100.000 mensen, nu een kleine 20.000.
De industriële revolutie en verstedelijking zorgden in de steden voor enorme druk op de woningmarkt. Pandjesbazen, zelfbouwers en huisjesmelkers exploiteerden ‘woningen’ die vaak onbewoonbaar waren. Twee miljoen arbeiders – 40 procent van de bevolking – leefden met hun gezinnen opeengepakt in krotten, kelders, hokken en op zolders. Uitbraken van besmettelijke ziektes door gebrekkige hygiëne waren schering en inslag. In 1849 kostte een cholera uitbraak ruim 20.000 levens. De slechte woonomstandigheden zorgden voor veel ellende en sociale onrust.
Idealisten, hygiënisten en filantropen
Een van de eersten die zich structureel inzetten voor de minderbedeelden was generaal en staatsman Johannes van den Bosch. Hij richtte in 1818 de Maatschappij van Weldadigheid op om armen, wezen en bedelaars een nieuw bestaan te bieden in landbouwkoloniën als Frederiksoord, Veenhuizen en Ommerschans.
De Britse textielindustrieel Thomas Ainsworth legde in 1833 de basis voor de Twentse textielindustrie. Dat jaartal kan volgens auteur Leendert Bikker worden gezien als ‘voorzichtig markeringspunt’ voor de start van invloed van particulieren op de volkshuisvesting. Voor de huisvesting van textielarbeiders werd rond 1852 in Nijverdal de arbeiderswijk De Verdeling gebouwd, met 68 woningen voor de arbeiders van de Eerste Stoomweverij.
De start van de parlementaire democratie met Thorbeckes Grondwet van 1848 haalde Nederland uit de impasse na het koningschap van Willem I. Ondernemerschap loonde weer en gemeenten gingen niet langer gebukt onder de ‘koninklijke regelzucht’. Dit leidde in de steden tot de bouw van nieuwe woonwijken, uitbreiding en verbetering van de infrastructuur en toegang tot schoon water en (stads)verlichting.
De ‘hygiënisten’, een groep sociaal voelende liberale medici, verkondigden in hun ‘hygiënistisch programma’ het belang van zon, licht en lucht, en rioolaanleg en aansluiting op stromend water. Andere programmapunten waren functiescheiding in de woning – met aparte ruimtes voor wonen, koken en slapen – en het gescheiden slapen van ouders, jongens en meisjes.
De ideeën van de ‘hygiënisten’ kregen veel invloed op vooruitstrevende woninghervormers, de wetgeving en leidden tot de oprichting van de eerste woningbouwverenigingen.
Bij de initiatieven om iets aan de situatie van de arbeiders te doen, ging de angst voor revolutie, maatschappelijke ontwrichting en besmettelijke ziekten hand in hand met filantropie, christelijke medemenselijkheid en welbegrepen eigenbelang: de verheffing van de arbeider leidde ook tot de ‘verheffing’ van diens productie. Sociaaldemocraten én sociaalliberalen als Thorbecke zagen het belang van een gezonde woonomgeving.
In 1852 werd de eerste Nederlandse woningbouwvereniging opgericht. De Vereeniging ten behoeve der Arbeidersklasse te Amsterdam bouwde woningen zonder winstoogmerk die werden gefinancierd door de uitgifte van aandelen. Ook in andere steden kwamen
woningbouwverenigingen, rond 1900 waren er al 200. Samen hadden zij op dat moment ongeveer 10.000 woningen gebouwd. Toereikend was dit niet; het waren slechts ‘eilandjes in de krottenzee’.
‘De holen der menschen’
Het Koninklijk Instituut van Ingenieurs bracht in 1854 een rapport uit aan de koning over de woonsituatie van de arbeider met advies ter verbetering. Hun verslag van de woonsituatie van ‘den nederigen werkman’ loog er niet om: ‘Helaas! De holen der menschen, anders mogen wij de woningen van velen uit mingegoeden stand niet heeten – staan niet zelden agter bij de plaatsen, die ten verblijve voor vele dieren zijn afgezonderd: de eerste vereischten voor leven en gezondheid ontbraken; alles schijnt erop aangelegd, om het zedelijke leven, hetwelk in die holen wordt geleid, op den dierlijke voet te handhaven, en zodoende staan die holen als onuitputtelijke bronnen van verderf, alle verstandelijke, vooral alle zedelijke ontwikkeling tegen en belemmeren den vooruitgang van eenige gewigtige klasse der maatschappij.’
Ook het KIvI-rapport legde het verband tussen huisvesting en gezondheid. Het advies voor een goede werkmanswoning was: licht, lucht en ruimte, grote ramen, goede ventilatie en functiescheiding, en weer een ouderslaapkamer en aparte slaapkamers voor jongens en meisjes.
In het jaar dat het KIvI-rapport uitkwam, diende de liberaal Willem Wintgens een wetsontwerp in voor toezicht op de volkshuisvesting en de gezondheid van haar bewoners, dat kan worden gezien als een voorloper op de Woningwet van 1901. Het voorstel haalde het niet, liberalen en confessionelen waren nog niet toe aan een woningwet waarin de overheid een grotere rol was toebedacht.
De goede bedoelingen ten spijt verbeterde de situatie van de arbeider nauwelijks. Karl Marx speelde een belangrijke rol bij de arbeidersemancipatie. In Das Kapital (1867) bekritiseerde hij de schadelijke effecten van het kapitalisme en de grote verschillen in welvaart. Hij maakte de arbeider belangrijk, gaf hem zelfbewustzijn en riep op om het heft in eigen hand te nemen en niet afhankelijk te blijven van het ‘filantropisch kapitalisme’. Al in 1848 deden Marx en Friedrich Engels in het Communistisch Manifest de oproep: ‘Proletariërs aller landen, verenigt U!’ Die ‘vereniging’ gebeurde eind 19e eeuw ook letterlijk in vakbonden, verenigingen en politieke partijen zoals de Sociaal Democratische Arbeiderspartij (SDAP) in 1884. Hun speerpunten waren de volkshuisvesting en betere voorzieningen voor arbeiders.
In Nederland is een tuinstad zoals Ebenezer Howard hem voor ogen had, nooit gebouwd. Het tuinstadmodel was ook nooit bedoeld als stedenbouwkundig sjabloon of vinklijst voor een nieuwe stad. De tuinstad was een utopisch model waar ook fysieke kenmerken bij horen die dienend zijn aan die idealen. Maar ook los van de idealen – gemeenschappelijk grondbezit, inspraak, zelfvoorziening – kan het model worden gebruikt om een prettige woonomgeving tot stand te brengen.
De tuinstadgedachte werd in Nederland ‘geminiaturiseerd’, ofwel vertaald naar een kleinschalige variant: tuindorpen en tuinwijken, beide stadswijken met een uitgesproken dorps karakter. De menselijke maat is de standaard, met aandacht voor het individu; voorzieningen en groen zijn op loopafstand en mensen wonen in eengezinswoningen in plaats van ‘woonfabrieken’.
Tuinwijken zijn de op de middenklasse gerichte stedelijke uitbreidingswijken uit de jaren 20 en 30 van de 20e eeuw. Ze zijn ruim opgezet, groen en opgebouwd uit vrijstaande woningen of kleine bouwblokken. Voorbeelden zijn het Brediuskwartier in Bussum, Tuindorp in Utrecht en De Kieviet in Wassenaar.
Tuindorpen kennen een grote variatie in schaal en opzet, variërend van enkele tientallen tot wel duizend woningen. Fabrieksdorpen werden vaak als tuindorp vormgegeven. De traditionele en landelijke bouw sloot goed aan bij de leefwereld van arbeiders, die vaak afkomstig waren van het platteland. Voor de fabrikant was de keuze voor het tuindorp mede ingegeven door eigenbelang: een gezond lichaam in een gezond huis betekent een gezonde productie. In de fabrieksdorpen was vaak sprake van sociale controle en verplichte winkelnering, soms zelfs letterlijk georganiseerd via door de fabriek geëxploiteerde verbruikscoöperaties.
Harm Jan Korthals Altes stelt in Tuinsteden. Tussen utopie en praktijk dat het tuindorp in Nederland is teruggebracht tot ‘een ontwerpvoorbeeld voor een aangename woonwijk.’ Historisch geograaf Marinus Kooiman zegt iets soortgelijks: de oorspronkelijke ideeën zijn verwaterd, waardoor ‘...een ruim en met veel groen opgezet Woningbouwcomplex op een eigen plattegrond een tuindorp mag heten.’





Dorps karakter
Tuindorpen kenmerken zich door een pittoresk, uitgesproken dorps karakter – soms, zoals bij de Mijnkoloniën, zelfs expliciet anti-stedelijk –met kleinschalige bebouwing, bestaande uit eengezinswoningen van één tot maximaal twee bouwlagen in kleine blokjes.
Veel groen en tuinen
De tuindorpen zijn ruim opgezet met veel (openbaar) groen, in lijn met het ideaal van licht, lucht en ruimte. In de grote tuinen konden de bewoners groente verbouwen of kleinvee houden. Die diepe achtertuinen, soms met een stalletje of schuurtje, waren niet toevallig. Veel bewoners kwamen van het platteland en herkenden in de dorpse architectuur en het semiagrarische leven iets vertrouwds. Zelfvoorziening bood een aanvulling op het lage loon en een buffer in economisch moeilijke tijden. Voor fabrikanten was dit eveneens gunstig: arbeiders bleven verbonden aan de fabriek, konden in tijden van werkloosheid overleven en worden opgetrommeld als ze weer nodig waren. Dit neemt niet weg dat tijdens de crisisjaren veel woningen leeg kwamen te staan.
Centraal groen plein
Vaak is er een duidelijke stedenbouwkundige kern – de Green zoals Ebenezer Howard het noemde – in de vorm van een centraal plein, een plantsoen of een bredere hoofdstraat met gemeenschappelijke voorzieningen. Dit is te vergelijken met de aloude brink van plattelandsdorpen op de zandgronden, waar woningen werden gebouwd rond een brink die diende als de gemeenschappelijke ruimte. In een van de minst dorpse tuindorpen, Betondorp, heet het centrale plein zelfs Brink.
Samenhangend stedenbouwkundig plan
Er ligt vaak een samenhangend stedenbouwkundig plan aan het tuindorp ten grondslag, een totaalontwerp waarin architectuur, openbare ruimte en groen als één geheel zijn ontworpen. De groenvoorziening maakte integraal deel uit van het plan en werd gelijktijdig met de straten en woningen gerealiseerd, waarbij bestaande beplanting waar mogelijk werd ingepast. Die groene buitenruimte moest de arbeider bevrijden van de industriële nachtmerrie van staal, rook, vuur en vervuiling, en hem opnieuw in contact brengen met de natuur. Ook de bezonning speelde een belangrijke rol; architecten hielden hier meestal goed rekening mee in de oriëntatie van de woningblokken.
De woningen zijn vaak gegroepeerd langs hofjes, pleinen of lanen. Veel tuindorpen kennen bovendien een duidelijke beëindiging, zoals in Hilversum, waar Dudok in zijn beëindigingsplan expliciet de grens tussen stad en omliggende natuur markeerde.
Traditionele architectuur
Traditionele architectuur heeft de overhand, zoals de Engelse cottagestijl met rieten daken, zoals in Heveadorp in Doorwerth. Deze stroming werd uitgedragen door bijvoorbeeld de invloedrijke Marinus Jan Granpré Molière, Willem de Wijs en Jan Stuyt in de mijnkoloniën van Zuid-Limburg. Dit vertaalt zich in traditionele, ambachtelijke vormentaal met een sober en ingetogen karakter, uitgevoerd in bijpassende materialen als rood- of bruinachtige baksteen, keramische dakpannen en hout. Ook de detaillering is ambachtelijk, bijvoorbeeld in roedeverdelingen van ramen, houten accenten op topgevels en zorgvuldig uitgevoerd metselwerk. Verschillende metselverbanden worden afgewisseld en verrijkt met decoratieve details zoals muizentanden, zaagtanden, vlechtingen en afwijkende rollagen.
begrenzing
Bedumerweg
Borgwal
Noorderspoorsingel
Poortstraat
Tuindorp De Hoogte is gebouwd als een borg, met huizenblokken als stadsmuren en poortgebouwen als stadspoorten die leiden naar een ‘binnenplaats’ met lagere huizen en groen. De architecten vonden inspiratie in de Cortinghburcht. Deze ‘borg’ – Gronings voor burcht –stond op een bijna drie meter hoog gelegen ‘lus’ in een meander van een oude stroom van de Hunze. Tijdens bouwwerkzaamheden werd hier in 1920 een kloostersteen van 5 bij 1,5 meter gevonden die was gebruikt voor de fundering van het Cortinghhuis, dat in 1436 werd afgebroken.
De geschiedenis van de locatie komt terug in de straatnamen Cortinghlaan, Stinsstraat, Borgwal en Borgplein. De Hermanstraat, Reinautstraat en Idastraat zijn vernoemd naar bewoners van het Cortinghhuis. Op Idastraat 8 woonde de jonge Jaap Bakema, de invloedrijke architect en stedenbouwkundige.
Tuindorp De Hoogte maakte deel uit van het door de directeur Gemeentewerken Mulock Houwer opgestelde uitbreidingsplan voor Groningen. De Hoogte werd in twee fases gebouwd: de oude Hoogte in 1917 -1921 en de nieuwe Hoogte van 1931 tot 1932. De grens is de Cortinghlaan, met ten westen daarvan de nieuwe en ten oosten de oude Hoogte.
Het nieuwste deel bestaat uit twee gesloten bouwblokken van in totaal 144 woningen, gebouwd rond binnenterreinen met gemeenschappelijke tuinen en speelgelegenheid. Architectenbureau Kazemier & Tonkens ontwierp deze woningen in een verstrakte versie van de Amsterdamse School. Bij de door Mulock Houwer zelf ontworpen Cortinghschool kwam een pleintje met winkels.
De Cortinghpoort werd ontworpen door Antonius Theodorus van Elmpt en Pieter van de Wint. Achter de poort zijn winkelwoningen met hoektorens waar nu Toko Ram zit. Behalve 417 woningen, 4 winkelwoningen en een kleine badinrichting met stortbaden omvatte de Oude Hoogte 130 groentetuintjes. De bewoners konden voor 1 gulden


per jaar een tuintje huren. Bij de uitbreiding van het tuindorp vlak na de oorlog sneuvelden de volkstuintjes door de bouw van een Finse school aan de Burgwal en de aanleg van een sportcomplex. Opdrachtgever voor de bouw van De Hoogte was de sociaal-liberale woningbouwvereniging Maatschappij tot Verbetering van Woningtoestanden, die in 1914 was opgericht. De verheffingsgedachte spreekt uit dit versje in het eerste jaarverslag: “Zorg in een huis voor licht en lucht en ruimte voor ’t gezin, dan komt met zon ook levenslust de nieuwe woning in.”
Bonne Kazemier en ‘mej. Tonkens’ – ongetwijfeld de vrouw van kantoorgenoot Tonko Tonkens – werden in 1918 in het Nieuwsblad van het Noorden bedankt voor twee voorzieningen die zij opzetten: ‘Ten eerste werd een regeling getroffen, waardoor de huurders bij ziekte tegen een kleine wekelijkse tegemoetkoming hulp konden krijgen in het gezin en gevrijwaard werden voor veel zorgen; een tweede stap was het organiseren van een kleine bibliotheek die profiteerde van de boeken der openbare leeszaal.’
Binnen de ‘stadsmuren’ van Tuindorp De Hoogte ontstond een hechte volksbuurt. Het onderhoud aan de woningen was minimaal. De eerste serieuze renovatieronde vond pas in 1963 plaats. In de jaren ’70 waren er plannen voor sloop, uiteindelijk werd gekozen voor renovatie en gedeeltelijke sloop, waarbij zo’n 80 woningen werden vervangen door nieuwbouw. Van 2009 tot 2012 vond een tweede renovatieronde plaats, waarvan de Cortinghpoort – net als bij die van 1979-1983 – getuigt met een gevelsteen. De oorspronkelijke details die bij de eerdere renovatie verloren gingen, kwamen deels weer terug en de voortuinen zijn weer netjes ‘geligusterd’, zoals het een waarachtig tuindorp betaamt.





begrenzing
Koperweg
Aluminiumweg
Houtweg
Staalweg
‘My home is my castle’ geldt begin vorige eeuw niet voor de arbeiders en dagloners in Apeldoorn. Met name op de Nieuwe Enk zijn de woonomstandigheden uiterst primitief. Voor veel gezinnen is hun kasteel een plaggenhut. De Apeldoornse architect Henk Wegerif ziet hun situatie met lede ogen aan. Hij is een idealist die de architectuur ziet als middel tot verheffing. De titel van zijn biografie uit 2018 luidt niet voor niets Architectuur als beschavingsideaal . Wegerif ging ervan uit dat de ‘karaktervorming en ontwikkeling der goede menschelijke eigenschappen bevorderd worden wanneer o.a. goede woningen daartoe atmosfeer, stemming verschaffen en karakter demonstreeren.’
Wegerif was ongetwijfeld verheugd met zijn opdracht tot de bouw van arbeiderswoningen op de Nieuwe Enk in zijn geboortestad. Bij de Apeldoorners stond dit gebied vanouds bekend als ‘het land van Houtjes’, naar boer Houtjes die in 1917 werd vermoord. De zaak werd nooit opgelost, zijn erfgenamen verkochten de grond aan de gemeente die het weer doorverkocht aan woningbouwvereniging De Goede Woning. De buurt is onderdeel van de Metaalbuurt, wat terugkomt in de straatnamen. De naam Houtjesdorp bleef in gebruik.
Wegerif ontwerpt voor De Goede Woning 98 woningwetwoningen waarvan de bouw in 1917 van start gaat. De woningen krijgen een grote woonkeuken en een kleine verwarmde zijkamer voor verheffende activiteiten als lezen of studeren. Hiervoor is ruimte doordat een ‘mooie kamer’ en gang ontbreken. Om de in de laatste oorlogsjaren torenhoge bouwkosten te drukken, wordt inspiratie geput uit de plattegrond van Wegerifs minimalistische vingeroefening, vakantiehuis La Folie uit 1914. Dat ook de groenvoorziening belangrijk is, blijkt uit de betrokkenheid van tuin- en landschapsarchitect en stedenbouwkundige Klaas van Nes.
Wegerif ontwerpt 5 woningtypen in verschillende varianten. Woningtype A en D hebben dezelfde plattegrond; hiervan worden er 54 gerealiseerd. De woningen van type A komen ten noorden en


zuiden van het centrale plantsoen, waar een school stond gepland die nooit is gebouwd. Dit zijn eenvoudige twee-onder-een-kapwoningen met de voordeuren naast elkaar. Type D zijn ook twee-onder-een-kapwoningen met dwars op het zadeldak twee flinke dakkapellen met houten topgeveltje en een eigen zadeldak met pannen.
22 woningen worden gebouwd in het monumentale type B, met zadeldak en dakkapellen en een vlechting in de gevel met decoratieve beitels. De entree is in de zijgevel onder een dakkapel met eigen zadeldakje. Aan de westkant van het plantsoen staan 4 van deze woningen, gedecoreerd met gevelstenen die de seizoenen verbeelden. De typen C en E (22 woningen) hebben een plattegrond waarin het meeste ‘La Folie’ is verwerkt. Type E heeft onder meer ten oosten een dubbele topgevel en 2 dwarskappen met witte top.
Met de vijf woningtypes speelt Wegerif een ‘blokkenspel’ volgens de spelregels van de Engelse Arts and Craft en de Deutsche Werkbund : verspringende rooilijnen, symmetrie, afwisselende topgevels: een rustiek straatwandconcept van eenheid in verscheidenheid en een ‘aangenaam, rustig stadsbeeld’.
In eerste instantie wonen er met name fabrieksarbeiders, stukadoors en timmerlieden in Houtjesdorp. In de forse tuinen verbouwen zij groenten en fruit of houden kleinvee en pluimvee. Veel plezier hadden ze die eerste jaren niet van hun woning. In de gemeenteraad klinkt in 1920 ernstige kritiek: de woningen vertonen ‘...zulke ernstige constructiefouten, dat ze daardoor vrijwel onbewoonbaar zijn. [...] De regen slaat niet alleen door, zoodat de muren en plafonds tot 1 à 2 cm diep in de kamers doortrokken zijn en alles aan de wanden rot, ook de betimmering, maar bij zware regenbuien stroomt het water naar binnen, zoodat de klompen in kamers en gangen wegdrijven.’
De bouwkundige gebreken doen de naam van Wegerif geen goed, nieuwe opdrachten in Apeldoorn worden schaars. De oorzaak van de gebreken is onduidelijk: te weinig toezicht tijdens de bouw, slechte

keuzes door de architect, slecht cement? Het brengt De Goede Woning ertoe een eigen architect in dienst te nemen, Johan Klosters, en een onderhoudsdienst op te zetten. Klosters ontwerpt de uitbreiding van 96 woningen, die in 1920 worden gebouwd. Hij is ook verantwoordelijk voor een ander tuindorp in Apeldoorn dat tussen 1918 en 1923 door De Goede Woning wordt gebouwd: Sprengendorp, met 141 woningen. Door achterstallig onderhoud is Houtjesdorp er in de jaren ’70 slecht aan toe; de woningbouwvereniging heeft plannen om de wijk te slopen. Hevig verzet van de bewoners leidt tot een conflict waarbij zelfs de staatssecretaris betrokken is. De sloop wordt 25 jaar uitgesteld, maar ook in de jaren ’90 blijven de bewoners zich fel verzetten tegen sloop. De sloop gaat uiteindelijk van tafel en de wijk wordt grondig gerenoveerd en herontwikkeld. Wel worden de meeste door Klosters ontworpen woningen gesloopt; 20 huizen benoorden de Staalweg blijven behouden.
Vandaag de dag is Houtjesdorp weer een aantrekkelijke groene en ruimtelijke woonwijk. Veel families wonen er al generaties lang. De 118 gerestaureerde historische woningen kregen de status van gemeentelijk monument. Ze zijn te herkennen aan de unieke monumentenschildjes naar ontwerp van de buurtbewoners zelf. Bij de restauratie en herinrichting rond 2006 is veel zorg besteed aan het terugbrengen van oorspronkelijke details, zoals roedes, luiken en schoorstenen. Alle woningen zijn aan de achterzijde uitgebouwd met bad- en slaapkamer, waarvoor een flink stuk achtertuin is opgeofferd. Ook de fysieke omgeving is weer in oude groene luister hersteld. De herinrichting van de tuinen en openbare ruimte is gebaseerd op het oorspronkelijke plan. Overal zijn de ligusterhagen teruggebracht en elke tuin kreeg een zogenaamde ‘adresboom’, een boom met een bijzondere bloei of bladkleur.
Houtjesdorp heet sinds de renovatie ‘Het Monument’. Voor wonen in een monument gelden spelregels om het monumentale karakter te behouden. De ligusterhagen mogen niet worden vervangen en moeten netjes worden gesnoeid. Het luistert nauw: de adresboom mag niet worden gekapt of verplaatst en moet bij overlijden of ziekte worden vervangen ‘in de bestemmingsplanzone ‘tuin’ met een minimale
stamomvang van 16-18 millimeter’. De keuze is beperkt: een pluim-es, gouden regen, olijfwilg of parrotia. Ook voor de paden en de kleuren van het houtwerk is de keuze niet reuze: ‘Herfst en Helder’ wit voor de kozijnen, blauwgroen voor de ramen en deuren en blauwgroen met wit voor de luiken. Maar zo blijft dit prachtige tuindorp wel zo veel mogelijk in lijn met het origineel.


begrenzing
Willem Arntszkade 26-45,
Melis Stokestraat
Van der Mondestraat 45-77
Gerard Noodtstraat
In 1917 kiezen de Nederlandse Spoorwegen Utrecht als vestigingsplaats. Aan het Moreelsepark verrijst het NS Hoofdadministratiegebouw III, bij de bewoners van de Domstad beter bekend als de Inktpot. Woningbouwvereniging Rembrandt wil betaalbare ambtenarenwoningen bouwen voor haar leden, deels werkzaam bij de Staatsspoorwegen. De gemeente stelt daarvoor grond beschikbaar ten oosten van de Van der Mondestraat, in die tijd aan de rand van de stad. Rembrandt verandert haar naam in De Tuinwijk; ze wil bouwen volgens de tuinstadgedachte: ruim en groen.
Oorspronkelijk staan er 450 onder- en bovenwoningen voor ‘de kleine middenstand’ in de planning. Het terrein is al bouwrijp, een ontwerp is er, in 1920 wordt de riolering aangelegd, maar Woningbouwvereeniging De Tuinwijk krijgt de financiering niet rond. Het aantal te bouwen woningen wordt naar beneden bijgesteld. De Spoorwegen springen financieel bij op voorwaarde dat de helft van de woningen wordt bestemd voor met name uit Amsterdam afkomstig NS-personeel. Het Rijk betaalt driekwart van de kosten, gemeente en spoorwegen samen het overgebleven kwart. Behalve spoorwegambtenaren komen er in De Tuinwijk ook gemeente- en rijksambtenaren en werknemers
van de Asfaltfabriek en andere grote industrieën te wonen, die allen bijdragen aan de financiering.
Het architectenduo Albert Kool en Albert van Rood krijgt de opdracht voor de bouw. Kool is vooral bekend als ontwerper van kerken en villa’s, zoals het Rijnlandhuis aan de kop van de Jutfaseweg in Utrecht. Van Rood ontwerpt vooral industriële architectuur, samen ontwerpen Albert en Albert in 1922 arbeiderswoningen aan de Admiraal van Gentstraat.
De architecten hebben de nodige kritiek op het uit 1917 stammende stedenbouwkundig plan van directeur van Gemeentewerken Anton op ten Noort. In 1919 presenteren zij daarom een nieuw plan: ‘De straten dienen zo geprojecteerd te worden dat steeds interessante kijkjes voorkomen, hetgeen niet het geval is in het plan van Op ten Noort.’ De doorkijkjes en zichtlijnen worden zorgvuldig vormgegeven, bijvoorbeeld naar het poortgebouw in de Melis Stokestraat. Kool en Van Rood ontwerpen behalve het stratenplan ook de woningen. Om de eenheid in uitstraling te bewaken, houden ze zich ook bezig met het straatmeubilair, de tuinmuren en elektriciteitshuisjes.
Voor de fundering op de zachte veengrond worden zogenaamde porringen aangebracht. Er worden putten gegraven waarin beton

wordt gestort, die bovengronds met betonnen steunbalken worden verbonden: ‘een kostbare, maar onverwoestelijke fundeering’ volgens het Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad van 1922.
De rijen onder- en bovenwoningen worden aan weerszijden afgesloten met hoekwoningen met een afwijkende plaatsing, dakvorm en uitbundiger baksteenversieringen. De rooilijn krijgt slimme inspringingen die niet alleen het straatbeeld aantrekkelijker maken, maar ook voor die ‘interessante kijkjes’ zorgen. Ook de richting van de straten wordt aangepast met oog op een optimale bezonning van woningen en tuinen. De woningen zijn naar toenmalige maatstaven ruim en modern. Elke benedenwoning krijgt een kleine gemetselde schuur in de tuin.
Het geheel is belangrijker dan een enkele gevel, ‘ook voor de aesthetische werking van straten, van de huizenblokken, van een complex dat men op méér manieren moet kunnen aanzien dan men met één gevel gewoonlijk doet’, zo is te lezen in het Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad van 1922. Men is daar positief over wat de architecten hebben bedacht: ‘De voorgevels [...] zijn min of meer pittoresk behandeld en trachten o.i. met gezonde middelen te behagen. De achtergevels zijn meer architectonisch behandeld, en maken met hun flinke loggia’s, kloeke lijnen en verbindingen werkelijk een volledig geslaagden indruk.’
Er wordt gebouwd in een dorpse architectuur met kenmerken van de Amsterdamse School, met steile rode daken, expressieve baksteenversieringen en een verfijnde detaillering. De wijk krijgt veel groen: de totale kosten voor ‘beplanting en keermuurtjes’ worden geraamd op 9.200 gulden, ongeveer gelijk aan de bouwkosten van een woning. De winkelwoningen aan de Melis Stokestraat worden met extra zorg ontworpen, evenals het transformatorhuisje in dezelfde straat. Twee gietijzeren bliksemschichten dienen als ventilatierooster. De interieurs mogen er ook zijn, met haarden met geglazuurde tegels, betegelde gangen en keukens, houten keukenkasten met granito aanrechtbladen, kasten en en-suitedeuren met glas in lood. Aan alles is gedacht: de keukens hebben een blauwe houten betimmering, wat schijnt te helpen tegen de vliegen. De zolders zijn bedoeld als berg- en droog -
ruimte. En dan te bedenken dat het oorspronkelijke ontwerp versoberd is door gebrek aan geld en bouwmateriaal. Er wordt gezegd dat voor de bouw overgebleven bakstenen van het Hoofdadministratiegebouw III zijn gebruikt, of dat de stenen in ieder geval uit dezelfde fabriek afkomstig zijn. Wat dat verhaal lijkt te bevestigen, is dat voor de tuinmuren dezelfde kenmerkende misbaksels zijn gebruikt als in de muren rond HGB III.
Eind 1921 is de bouw gereed, maar verharde wegen en straatverlichting zijn er tot halverwege 1922 niet. In Kijkjes van den Dom spreekt men van een ‘woestijnidylle’: ‘Geen bestrating, geen rioleering, geen klinkerpaadje, zelfs geen boompje hier of daar nog; alles zand en nog eens zand, zoodat je overal een kameelachtig gevoel overvalt, zoodra ge uw neus maar buiten de deur gestoken hebt.’
De Tuinwijk is nog steeds uit duizenden herkenbaar door zijn unieke stijl en kleurstelling. In 2020 zijn de woningen verduurzaamd door Klomp Architecten en de VIOS Bouwgroep. De houten ramen en deuren zijn vervangen, de ventilatie is verbeterd en er is dubbel glas geplaatst. Dat was hard nodig; de bewoners waardeerden de uitstraling en de ruimte van hun woningen, maar qua binnenklimaat en geluidshinder was het dramatisch. Nog steeds zijn bijna alle woningen sociale huur en in het bezit van Portaal.
Een nieuwe renovatieronde lijkt aanstaande. Op een leegstaande woning kondigt eigenaar Portaal aan dat hier onderzoek gedaan wordt naar de beste aanpak. Van enige onderzoeksactiviteiten is volgens de bewoners weinig te merken. De woning is in mei en juni 2025 twee maal kortstondig gekraakt. Of de renovatie hierdoor eerder zal starten, is de vraag.

begrenzing
Hagedoornweg
Meidoornweg
Ranonkelkade
Distelweg
In 1907 kocht de gemeente Amsterdam met het oog op toekomstige woningbouw een deel van de grond in de Buiksloterham. De bouw begon in 1918, in opdracht van Arie Keppler, directeur van de Gemeentelijke Woningdienst. Hij was gecharmeerd van dorpse laagbouw, kronkelende straatjes, plantsoenen en tuinen – alles beter dan de vierlaagse ‘kazernebouw’ aan de overkant van het IJ. De opdracht viel in goede aarde bij architect Jan Ernst van der Pek, die zowel het stedenbouwkundige plan als de architectonische uitwerking ontwierp. Heel groen werd de buurt niet, maar de korte, enigszins kromme straatjes gaven een dorps gevoel.
Van der Pek was een sociaal geëngageerd architect en echtgenoot van Louise Went, woningopzichteres in de Jordaan. Zij was een belangrijke pleitbezorger van de sociale woningbouw en het maatschappelijk werk – dat toen nog niet zo heette. Van der Pek overleed in 1919, voordat het complex van 1.468 woningen werd opgeleverd. Besloten werd om de wijk, de hoofdstraat en een plein naar hem te vernoemen.
De Van der Pekbuurt vormt uiterlijk een geheel door het eenduidige kleur- en materiaalgebruik van oranje dakpannen, beige-rode baksteen en door details als de gele horizontale spekbanden. De meeste woningen zijn twee verdiepingen hoog en bestaan uit een kleine benedenwoning en een ruimere bovenwoning. Elk huizenblok heeft puntgevels dwars op de kappen.
In de punt Hagedoornweg-Buiksloterweg werd in 1921 het door A.J. Kropholler ontworpen Sint-Ritakloostercomplex gerealiseerd. ‘Een en al zonnigheid, rust en lieflijkheid in den samenbouw is de Van der Pekbuurt met dat juweeltje van kerkbouw van Kropholler aan ’t plein’ vond De Amstelbode in 1923.
In 1922 startte de bouw van de naastgelegen Gentiaanbuurt, ontworpen door Gerrit Jan Rutgers. In 1926 werd de laatste gemeentewoning van de Van der Pekbuurt opgeleverd. De enige latere uitbreiding
was in 1929 een rijtje bejaardenwoningen aan het Jac. P. Thijsseplein. Op 17 juli 1943 werd de Van der Pekbuurt zwaar getroffen bij een bombardement op de nabijgelegen Fokkerfabrieken. Er vielen 158 doden, 106 huizen werden verwoest en honderden raakten beschadigd. Onder leiding van architect Rutgers werd de wijk snel hersteld, grotendeels in overeenstemming met de oorspronkelijke architectuur. Maar niet helemaal: de gele spekbanden verdwenen, waardoor ook nu nog goed zichtbaar is wat origineel is en wat herbouwd. Een gat in de bebouwing aan de Ranonkelkade werd opgevuld met bijna honderd duplexwoningen van architect Jo Berghoef, uitgevoerd in het Aireysysteem.
Rond 2010 dreigde de sloop de wijk weg te vagen, maar fel bewonersprotest voorkwam dit. In 2014 werd de Van der Pekbuurt gered met de aanwijzing tot rijksbeschermd stadsgezicht.
In de documentaire De Verkrotte Droom wordt de trieste strijd getoond tussen een al opgegeven woonwijk in verval, begeesterde, vaak gefrustreerde bewoners en een woningbouwvereniging voor wie sloop de goedkoopste oplossing is.
Inmiddels is een ingrijpende renovatie gestart, waarbij woningen geheel worden ‘uitgesloopt’ en een nieuwe fundering krijgen. De buitenschil krijgt zoveel mogelijk zijn oorspronkelijke uiterlijk terug. Om de renovatie te bekostigen gaat circa 40 procent van de woningen in de verkoop of in de verhuur in de vrije sector; de rest blijft sociale huur.
Als alles volgens planning verloopt, is in 2033 de hele buurt weer klaar. De voor de bewoners zeer ingrijpende renovatie won verschillende renovatieprijzen. Zoals dat in ronkende architectentaal heet: de Van der Pekbuurt is van een afgeschreven woonwijk veranderd in een hoogwaardige ‘poort naar Noord’.



uitgave WBOOKS, Zwolle info@wbooks.com wbooks.com
tekst
Martijn Haan
fotografie
Bart van Hoek
kaarten Wouter van der Meijden, AMV Cartografie
ontwerp Beukers Scholma
© 2026 WBOOKS Zwolle / de auteur Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere wijze, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
De uitgever heeft ernaar gestreefd de rechten met betrekking tot de illustraties volgens de wettelijke bepalingen te regelen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.
Van werken van beeldende kunstenaars aangesloten bij een CISAC-organisatie is het auteursrecht geregeld met Pictoright te Amsterdam.
© c/o Pictoright Amsterdam 2026.
ISBN 978 94 625 8777 9 NUR 648