De Camino de Santiago in 101 voorwerpen
Materiële sporen in heden en verleden

< Saint-Jean-Pied-de-Port (Fr) (foto: Maarten Hoek)
Herman Holtmaat & Paul Post
[REDACTIE]
Jasper Koedam
[BEELDREDACTIE]
Camino Academie
WalburgPers

![]()

< Saint-Jean-Pied-de-Port (Fr) (foto: Maarten Hoek)
Herman Holtmaat & Paul Post
[REDACTIE]
Jasper Koedam
[BEELDREDACTIE]
Camino Academie
WalburgPers

< Schoen op wegwijzer, Los Arcos (Sp). (Foto: Maarten Hoek)
Inleiding
Op pelgrimage
Voorbereiding
Vertrek
Onderweg
Aankomst
Terugreis en weer thuis
Doorwerking en uitstraling
Epiloog
Lijst van voorwerpen
Bibliografie
Enkele relevante websites
Fotoverantwoording voorwerpen
Samenvatting Spaans
Dank
Zoeken naar heil en heling, het markeren en koesteren van een bijzondere persoon of gebeurtenis op een speciale plek, huis en haard voor een tijd verlaten om op weg te gaan naar een heilige plaats: steeds zijn er pelgrims op weg, alleen of in een groep. Steeds ook veranderen de rituelen bij vertrek, onderweg, bij aankomst en terugkeer afhankelijk van de betekenis die men toekent aan de weg en de plaats. En steeds komen en gaan heilige plaatsen en routes. In de late middeleeuwen bloeide het pelgrimeren op, met de pelgrimage naar Santiago de Compostela in Noordwest-Spanje als treffend voorbeeld. De laatste decennia staat die tocht weer volop in de belangstelling. Pelgrimeren blijft trekken en fascineren, en de camino in het bijzonder.
Van de populariteit van de camino – Spaans voor de weg naar Santiago de Compostela – getuigen vele voorwerpen, artefacten uit kunst en cultuur, maar ook dingen uit het dagelijks leven. Ze vertellen over de mentaliteit, de opvattingen of de sfeer van een tijd, een regio of van een bepaalde ontwikkeling waarin ze ontstonden. Ze kunnen bij uitstek dienen als typering van een tijdsperiode of bepaalde ideeën.
In dit boek hebben we ons de vraag gesteld hoe de camino zich tot op heden manifesteert in materieel opzicht, en in het bijzonder gezien vanuit Nederlands perspectief. Met die vraag in het achterhoofd denken we aan de hand van een typerende selectie van 101 voorwerpen uit de materiële cultuur een beeld te kunnen schetsen van de pelgrimage naar Santiago in heden en verleden. We denken dat zo’n typerende selectie van voorwerpen een bijzonder licht kan werpen op het fenomeen van de camino, de pelgrimsweg naar Jacobus in Santiago.
Aanleidingen en achtergronden
Het boek dat u zojuist heeft opengeslagen kent een aantal aanleidingen en achtergronden.
Jacobalia
Allereerst was er binnen het Nederlands Genootschap van Sint Jacob (voortaan ngsj) al langere tijd de wens om vanuit de database Jacobalia een publicatie te verzorgen. Jacobalia is een online per provincie en plaats geordende verzameling van sporen die de cultus van Sint-Jacobus en de pelgrimage naar Santiago in Nederland heeft nagelaten. Aanvankelijk lag het accent daarbij op de beeldende kunsten.
Dat idee kwam vanaf 2013 op de agenda te staan van de toen opgerichte Camino Academie, een podium waar onderzoekers, wetenschappers en praktijkmensen, geïnteresseerde pelgrims, elkaar ontmoeten in de gedeelde interesse in de camino en meer algemeen in pelgrimeren en bedevaart. De Camino Academie werkt nauw samen met het ngsj. Uiteindelijk werd ervoor gekozen om de Jacobalia mede als uitgangspunt te nemen voor een boekproject waarin via een selectie van voorwerpen het verhaal van de camino en Jacobus wordt verteld vanuit Nederlands perspectief.

Monument voor de pelgrims, Alto del Perdon, Navarra (foto: Maarten Hoek)
De genoemde collectie Jacobalia zou een belangrijke bron vormen, maar niet de enige. We hanteren enerzijds een beperktere blik (alleen voorwerpen en geen architectuur) en anderzijds een bredere kijk (naast artefacten van ‘kunst en cultuur’ ook alledaagse voorwerpen). Daarover hieronder meer. Aldus is dit boekproject te beschouwen als een gezamenlijke onderneming van de Camino Academie en het ngsj. Het markeert het veertigjarig jubileum van laatstgenoemde (opgericht in 1986: het Vlaams Compostelagenootschap was een jaar eerder).
Bloei van de camino
Met de Camino Academie en het ngsj noemen we meteen ook een belangrijke tweede aanleiding voor dit boek. De oprichting van beide organisaties is direct verbonden met de opbloei en herontdekking van de camino. Nadat enkele Nederlanders in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw de pelgrimsroute weer liepen (in dit boek krijgen Hans Burgman en Hans Annink gepaste aandacht [19; 20]) is er vanaf de jaren tachtig en vooral negentig sprake van een ongekende bloei. De routes naar Santiago de Compostela, en dan vooral de Camino Francés, trekken wereldwijd meer en meer mensen. Nederland staat op plaats zestien van ontvangen compostela’s (oorkondes) per land. De toename van pelgrims op de camino blijft enorm. In 2025 registreerde het pelgrimsbureau van de kathedraal in Santiago meer dan 530.000 pelgrims. Maar in de praktijk lopen veel pelgrims zonder het officiële document op te halen, of lopen ook langs Santiago door naar Finisterre aan de kust, of lopen ze naar eigen inzicht stukken van diverse caminoroutes. In 1999 liepen (afgerond) 1000 Nederlandse pelgrims de camino, in 2010 2000, in 2012 3000, in 2015 3500, in 2019 aan de vooravond van corona 4200, in 2023 5900 en in 2025 6739.

Pelgrims organiseren zich binnen en buiten Europa in verenigingen en genootschappen. Het ngsj behoort tot een van de eerste en ook grootste verenigingen (momenteel meer dan 15.000 leden).
De enorme groei van de camino weerspiegelt zich ook in de belangstelling voor de pelgrimsroute in de media en in documentaires, films, boeken, blogs en vlogs. Denk ook aan de enorme hausse aan pelgrimsverslagen en de opkomst van vele nieuwe pelgrimsroutes in het spoor van de ‘echte’ camino. Dit boekproject past in deze trend van de grote belangstelling voor de camino, zeker ook in ons land.
Een derde belangrijke achtergrond voor dit boek is wat in de cultuurwetenschappen wel de material turn, de materiële wending, wordt genoemd. Materiële zaken, voorwerpen en dingen, worden als bevoorrechte bron gezien voor studie van cultuur, en ook van religie. Er verschenen boeken over materieel christendom en aan de Universiteit Utrecht initieerde de antropoloog en religiewetenschapper Birgit Meyer projecten waarin ze de benadering van religie wil ‘hermaterialiseren’. Dingen, voorwerpen doen ertoe, vertellen een verhaal dat alleen via teksten niet verteld kan worden. Ze zetten ons met name op het spoor van geleefde cultuur en religie. Dit boek, waarin het verhaal van de camino wordt verteld aan de hand van voorwerpen, past naadloos in deze focus op dingen.
101 voorwerpen
Direct hiermee verbonden is een vierde impuls, namelijk het format of concept van 100 (of ook wel 101, of 50…) voorwerpen. Het algemene uitgangspunt om uit te gaan van voorwerpen krijgt vervolgens, vooral geïnspireerd door mensen uit de wereld van museale presentaties, een toegespitste uitwerking door de presentatie van een selectie van 100 voorwerpen. Die presentatie is vaak een tentoonstelling, maar ook een radio- of tv-serie, of vaak in directe samenhang daarmee een boek. Dit concept blijkt getuige de vele voorbeelden aan te slaan. Het grote voorbeeld is het werk van de (voormalige) director van het British Museum in Londen Neil McGregor met de bbc-radioserie A History of the World in 100 Objects, dat als boek vanaf 2010 een internationale bestseller werd. Dat project werd in 2018 gevolgd door Living with the Gods, een overzicht van hoe mensen mondiaal uiting geven aan hun geloof. In Nederland volgden tal van parallelle boek- en tentoonstellingsprojecten in dat spoor: De geschiedenis van Nederland in 100 voorwerpen (Rijksmuseum 2013), Alsjemenou.
Geschiedenis van de Nederlandse populaire cultuur in 100 voorwerpen (De Volkskrant/Noordbrabants Museum 2020-2021, in een traditie van eerdere tentoonstellingen over de jaren vijftig (2005), zeventig (2007) en tachtig (2017) van de vorige eeuw), De Tweede Wereldoorlog in 100 voorwerpen (Kunsthal, plus erna 25 musea, 2014), en Pieter Steinz’ verkenning van de Europese cultuur via voorwerpen in Made in Europe (2014). De Volkskrant had in 2022-2023 de serie Ons koloniale verleden in 50 voorwerpen, in 2024 verscheen de geschiedenis van de vrouw in 100 voorwerpen en er is ook een geschiedenis van de jezuïeten in 50 voorwerpen (Paul Begheyn, 2019).
Nederlands pelgrimage- en bedevaartonderzoek
Een vijfde en laatste kader vormt het onderzoek en de presentatie daarvan voor een breder publiek naar bedevaart en pelgrimage en de camino en Jacobus in het bijzonder. Voor enkele belangrijke tentoonstellingsprojecten in het Utrechtse Catharijneconvent en het Museum voor Religieuze Kunst te Uden, nu Krona, kon worden geput uit belangrijk Nederlands onderzoek.
We noemen hier het werk van Jan van Herwaarden (1940-2023) die al vóór de herontdekking van de camino uitgebreid onderzoek deed naar de middeleeuwse bedevaarten. Zijn studie naar opgelegde bedevaarten in de middeleeuwen (1978) is een standaardwerk. In Nederlandse caminokringen is hij vooral bekend door zijn vertaling en uitgave van De gids voor de pelgrim (1992), een fascinerend twaalfde-eeuws document dat deel uitmaakt van de Codex Calixtinus De gids beschrijft in elf hoofdstukken de wegen vanuit Frankrijk naar Santiago, dagetappes in Spanje, dorpen en steden langs de routes, opvangcentra, rivieren en regio’s, hun bewoners en hun eigenaardigheden. Met als sluitstuk de stad Santiago, Jacobus’ graf aldaar, de kathedraal en hoe pelgrims ontvangen moeten worden (Op weg naar Jacobus, 1992). Deze beschrijving van De gids hernemen we uit de recente nieuwe editie vanuit het ngsj waarvoor de vertaling van Van Herwaarden de basis vormde (De gids voor de pelgrim, 2021, met uitgebreide toelichtingen). In dit boek zal met regelmaat naar De gids worden verwezen. Daarnaast schreef Van Herwaarden al ruim vóór zijn proefschrift over strafbedevaarten voor een breed publiek een ruim geïllustreerd boek over de middeleeuwse pelgrimagepraktijk (Pelgrimstochten, 1974) in de toen bekende Grote Fibula Reeks.
Mireille Madou (1931-2020), Vlaamse, vanaf 1976 werkzaam als kunsthistorica in Leiden, was jarenlang een goede bekende in kringen van het Vlaams en Nederlands Compostelagenootschap via artikelen, boeken en lezingen.
Willem Frijhoff (1942-2024) introduceerde nieuwe visies op geschiedbeoefening vanuit Frankrijk naar ons land en leidde pelgrimage en bedevaart uit de nauwe kaders van kerkgeschiedenis naar moderne cultuurwetenschap en religiegeschiedenis, met volle aandacht voor het eerdergenoemde geleefde geloof. We noemen hier uit het begin van zijn loopbaan zijn onderzoek naar de Heilige Stede in Hasselt (scriptie bij Alphonse Dupront, Parijs 1970).
Vanaf de tweede helft van de jaren tachtig van de vorige eeuw was er het langlopende multidisciplinaire onderzoekprogramma naar christelijke bedevaarten vanuit Heerlen, Tilburg en Amsterdam (Paul Post et al.).
Vanuit het Meertens Instituut verschenen in de periode 1997-2004 de vier delen van Bedevaarten in Nederland, een groot lexiconproject onder leiding van Peter Jan Margry en Charles Caspers. In 2008 verscheen op basis daarvan een draagbare BiN editie (101 bedevaartplaatsen in Nederland) en inmiddels is er bol: het BiN online dat vanaf 2022 is ondergebracht bij het Katholiek Documentatie Centrum (kdc) in Nijmegen.
Zonder hier volledig te kunnen en willen zijn noemen we tot slot het eveneens vanaf de jaren tachtig lopend onderzoek naar laatmiddeleeuwse pelgrimsinsignes. Dat onderzoek, een treffend voorbeeld van materiële cultuur als bron van pelgrimageonderzoek, kreeg een stimulans door de particuliere collectie insignes van de familie Van Beuningen. Namen die ten aanzien van dit onderzoek genoemd moeten worden zijn die van de vanuit Nijmegen werkende Jos Koldeweij en Hanneke van Asperen. Een verwijzing naar de rijke database Kunera.nl kan hier verder volstaan. Verschillende insignes figureren in dit boek.
Veel van de zojuist genoemde namen keren terug in dit boek, als auteurs of als bron.
Bij deze uiterst korte passage over onderzoek past nog een algemene notitie. Onderzoek naar bedevaart en pelgrimage (over de terminologie hieronder meer) was lange tijd met name gericht op de plaats, de heilige plaats, het pelgrimage- en bedevaartsoord. Mede door de herontdekte camino komt nu ook steeds meer de reis, de weg erheen in beeld. Dat blijkt ook uit de al genoemde recente aandacht voor de vele nieuwe pelgrimspaden die wereldwijd vaak in het spoor van de camino ontstaan.
We hebben gekozen voor het format van een pelgrimsreis. We doen dat aan de hand van 101 voorwerpen. Dat uitgangspunt van de reis is beslist niet nieuw en ligt bij de camino eigenlijk ook voor de hand. Het is ook vaker gekozen als opzet voor tentoonstellingen (Museum Catharijneconvent, 2011) of publicaties zoals het bekende en veel vertaalde oorspronkelijk Duitstalige boek van Norbert Ohler (Pelgrimsstaf en Jakobsschelp, 2001). Toch volgen we niet simpel het lineaire schema van voorbereiding en vertrek tot aankomst en terugkeer, maar laten door toevoeging van twee fasen die buiten de eigenlijke reis liggen ook de cyclische dimensie van de pelgrimage zien.
Voorafgaand aan de reis is er een bepaald milieu waarin het idee voor de tocht kan ontstaan. In de middeleeuwen werd dat milieu bijvoorbeeld bepaald door heiligenverering, reliekencultus en later aflaten. Daarbij zijn er ook allerlei meer concrete soms persoonlijke aanleidingen om op pad te gaan. En na terugkeer is er wat we ‘doorwerking’ zijn gaan noemen. Op tal van manieren laat de gelopen camino sporen na, in verslagen die als boek worden gepubliceerd, in herinneringshoekjes thuis, deelname aan activiteiten van broederschappen vroeger, het ngsj nu, tot aan het opzetten van lokale, regionale of landelijke nieuwe pelgrimspaden in het spoor van ‘de grote camino’. De gelopen camino is vaak een prikkel tot meerdere camino’s van de pelgrim zelf of een aanzet tot vertrek van anderen. En daarmee is de cirkel rond, de doorwerking van de gelopen reis is weer aanleiding tot een nieuwe, wordt deel van het eerdergenoemde milieu.
Het schema van de reis als kader is zeer herkenbaar, reizen is immers een belangrijk onderdeel van onze cultuur. Vakantie en reizen zijn een enorme economische motor. Reizen is tegenwoordig vaak vakantie, waarbij men ontspanning zoekt, of juist avontuur, iets nieuws wil meemaken, andere cultu-
ren wil leren kennen, bezinning zoekt. Dat roept tal van vragen op. Is een pelgrimage een vroege vorm van toerisme, wellicht zelfs een andere vorm van toerisme? Waar onderscheidt de pelgrim zich van een toerist? Denk ook aan de klassieke topos van ‘de Pelgrim en de Toerist’. Reizen en toerisme roepen ook een weerstand op die niet aan de camino voorbijgaat. Brengt juist niet dat toeristische karakter van de camino commercie binnen? In 2024 kwamen in het hoogseizoen inwoners van Santiago de Compostela in opstand vanwege de overlast die de pelgrims/toeristen in hun stad veroorzaakten.
Op twee aspecten kunnen we de lens als het gaat om reizen en toerisme nog kort scherper stellen. Allereerst zoeken moderne reizigers naar unieke of bijzondere bestemmingen. De reis moet speciaal zijn en veel commerciële reisorganisaties bieden inmiddels ‘pelgrimages’ als delen van caminoroutes aan in hun pakket. Natuurlijk is het de vraag hoe bijzonder dat nog is als dat op grote schaal gebeurt (denk aan de slogan: ‘iedereen uniek’). Ook kan worden betwijfeld of noemers als ‘spiritueel toerisme’ of ‘reizen met een plus’ hier onderscheidende meerwaarde hebben.
Een tweede aspect is dat bij de camino en pelgrimeren een bepaalde vorm van reizen dominant is: lopen of wandelen. In een eerder groot project van de Camino Academie spraken we van ‘kruisende wegen’. De weg van de binnen het toerisme sterk opgekomen wandelcultuur en die van de herontdekte camino en andere pelgrimsroutes lopen parallel, kruisen elkaar en gaan weer hun eigen pad. Pelgrimeren en wandelen zijn verwant, raken elkaar voortdurend.
Samenvattend kunnen we naast de toerist als pelgrim en de pelgrim als toerist ook spreken van de pelgrim als wandelaar en de wandelaar als pelgrim. Die laatste uitspraak is ook de titel van een mooi bundeltje gesprekken van Gerrit Jan Zwier met (Noord-)Nederlandse wandelaars-pelgrims (2015). De (pelgrims)reis vormt de indeling en opzet van dit boekproject. Op die as hebben we de voorwerpen en hun verhalen uitgezet.
Achtereenvolgens zijn er de volgende zeven fasen waarbij we kort als een soort routewijzer de deelthema’s benoemen die de geselecteerde voorwerpen bestrijken:
• Op pelgrimage: aanleiding, het milieu in verleden en heden waarin het idee voor de camino kan ontstaan; algemene pelgrimagecultuur; Jacobus te midden van de heiligencultuur in de middeleeuwen; verhalen en wonderen rond Jacobus; Jacobusdevotie; Jacobusreliek; aflaten; opgelegde bedevaart; plaatsvervangend pelgrimeren; Jacobus als patroon; Jacobusbroederschappen; boeken met invloed: pelgrimsverslagen; de camino in de media: films, documentaires; Jacobus in het publieke domein; actuele uitstraling van de camino.
• Voorbereiding: pelgrimswegen, kaarten en routes; oriëntatie en informatie; uitrusting; groepspelgrimage.
• Vertrek: pelgrimszegen; stempels; meeneemdingen; mascotte; startplaats.
• Onder weg, de reis: de reis verbeeld; insignes: herkenning en propaganda; mascotte; pelgrimspas; routemarkeringen; rituelen onderweg; ongemakken; gevaren; corona-mondkapje; dood van pelgrims; haltes, opvang en verzorging; markante plaatsen onderweg; communicatie; commercialisering.
• Aankomst: betreden van de kathedraal van Santiago; compostela; de ‘Nederlandse Huiskamer’; souvenirs; naar Finisterre.
• Terug en weer thuis: de terugreis; welkom thuis; souvenirs en herinneringen; de camino geregistreerd.
• Door werking reis: verslagen en boeken; camino als decor; herinneringen vastgelegd; pelgrimsgraven en -monumenten; de pelgrim bespot; de camino transformeert het leven; Jacobusdevotie; hospitaleros; broederschappen; nieuwe pelgrimspaden in het spoor van de camino; aandacht voor duurzaamheid, natuur en milieu; commercialisering; tentoonstellingen.
We gebruikten hierboven steeds pelgrimage en bedevaart afwisselend. Dat blijven we in dit boek ook doen, hoewel er vaak een inhoudelijk onderscheid aan beide termen wordt verbonden. Overigens kennen veel talen slechts één woord voor bedevaart/pelgrimage dat doorgaans ontleend is aan het Latijnse peregrinus (Eng. pilgrimage; Fr. pèlerinage, It. pellegrinaggio, Sp. peregrinaje, Port. peregrinação; het Latijnse peregrinus betekent oorspronkelijk iemand die door de akkers trekt, per ager, of vreemdeling) terwijl het Nederlands net als het Duits (Pilgerfahrt en Wallfahrt) twee termen kent. Bedevaart komt van het Middelnederlands bedevaert of beevaart, waarbij varen voor reizen staat. Vaart is tocht, een bedetocht dus. Voor details over etymologie kan worden verwezen naar publicaties van Paul Berbée. Nu is het zo dat in het gebruik beide termen een eigen lading kregen, waarmee twee onderscheiden vormen van devotioneel reizen worden aangeduid. Bij bedevaart gaat het vooral om plaats- en groepsgebonden devotie, het devotioneel toeven op de cultusplaats staat centraal. Denk hier aan de rooms-katholieke traditionele mariale bedevaartoorden zoals Lourdes, maar ook nationale en regionale plaatsen als Wittem, Dokkum of Heiloo. Pelgrimage daarentegen is een routegerichte en ook meer individuele onderneming waarbij het accent op de weg naar een verder weg gelegen heilige plaats ligt. Hier is naast het ‘Heilig Land’ en Jeruzalem de camino naar Santiago het model. Sommigen hanteren bedevaart en pelgrimage vrij strikt met genoemd onderscheid in profiel in het achterhoofd. Ook is er in actueel gebruik beslist een verschuiving van bedevaart naar pelgrimage te signaleren. Bedevaartorganisaties gebruiken graag nu ook pelgrimage en bedevaartgangers zien zich ook meer en meer als pelgrims. Nieuwe pelgrimspaden afficheren zich ook eerder als pelgrimsroute dan als bedevaart. Daarbij speelt de verschuiving van het accent op plaats naar weg zeker een rol, alsook de grote invloed die er uitgaat van de camino. Niettemin gebruiken we in dit boek beide termen door elkaar zonder een uitgesproken inhoudelijk perspectief over de aard van de tocht of de plaats. Dat sluit niet alleen aan bij het vrij algemene gebruik van de woorden naast of door elkaar (bedenk dat de zojuist genoemde onderzoekers zoals Van Herwaarden en Frijhoff bij bespreking van de camino naast pelgrimage ook bedevaart hanteren), ook is de zojuist geopperde tegenstelling via het accent op groep/ individu en plaats/weg relatief te noemen.

Huidig embleem van Pelgrimsoord
Klooster Wittem (foto: kloosterwittem.nl/)

Quartier Retis, op de route van Cadillac naar Dax (Fr), 25 mei 2013 (foto: Harry Keysers)
Bij alles wat nu gezegd is over bedevaren en pelgrimeren wordt er stilzwijgend van uitgegaan dat de pelgrim/bedevaartganger loopt. Dat was en is natuurlijk de meest voorkomende reisvorm, maar beslist niet de enige. Vroeger werd, en ook nu nog wel, de caminoroute deels ook per schip, kar of paard afgelegd. En tegenwoordig is na lopen de fiets een ook officieel in de caminostatistieken erkend reismiddel (de discussie over e-bikes wordt momenteel volop gevoerd). Maar de fietscamino maakt slechts een klein deel uit van het totaal (in 2025 gingen 21.044 pelgrims per fiets tegenover 492.087 te voet). Nederland neemt hier beslist een aparte plaats in, wij zijn een fietsland (en kenden bijvoorbeeld al in 1919 een fietsbedevaart naar Dokkum). Over de periode 1969-2022 telt het ngsj 32% fietsers. Wel daalt dat cijfer gestaag (in 2024 tot 16%). Het pelgrimsbureau in Santiago registreerde voor 2025 520 Nederlandse fietsers (7,72%) tegenover 5962 te voet (88,47%).
Dit boek draait om voorwerpen. Daarbij proberen we ‘voorwerp’ zoveel mogelijk als ‘ding’ op te vatten (en te presenteren). Hoewel deel van het bredere begrip materiële cultuur gaan wij ervan uit dat een voorwerp op te pakken is, een los, zelfstandig leven kan leiden. De beste toets die we toepasten is de vraag of het tentoongesteld zou kunnen worden op zaal. Veel van de in de database Jacobalia opgenomen items kwamen aldus niet voor ons project in aanmerking. Geen straten, kerken, kloosters, wand- en plafondschilderingen. Een enkele keer gingen we hier vrijer mee om. Een schotel aangebracht aan een kerkgewelf haal je er niet makkelijk af voor een tentoonstelling, een raam haal je niet even uit een kerk en een grafsteen verplaats je niet snel, maar het zou eventueel kunnen; vandaar toch opname in ons boek.
Verder wilden we met de voorwerpen de volle breedte van de camino bestrijken waarbij, zoals gezegd, de reisfasen leidend zijn. Al gauw bleek dat bepaalde reisfasen heel snel gevuld werden met voorwerpen (zoals de reis zelf) en andere minder gemakkelijk (zoals aankomst en vertrek). Toch streefden we een zo evenwichtig mogelijke spreiding over de reis na.
Bij de presentatie van de voorwerpen kan het accent verschillen. Bij sommige objecten staat het voorwerp ten volle centraal, bij andere eerder het verhaal over een aspect van de pelgrimsreis. Het object is dan eerder een aanleiding.
Ook is dit geen kunstboek, er is plaats voor alle typen voorwerpen en objecten. Dat kunnen uiterst kostbare objecten zijn zoals reliekschrijnen, maar ook gewone gebruiksvoorwerpen als oordopjes. Herkenbaarheid is ook steeds een belangrijk aspect. Roept het bij lezers, en kijkers, iets op van de camino? We hebben in onze selectie getracht die brede, wijde blik en herkenbaarheid (de ‘aha-factor’) vast te houden. Groot en klein, man en vrouw, kostbaar en alledaags, heilig en profaan, stad en platteland. En ook vooral: verleden en heden.
Naast de genoemde spreiding over de reis is misschien wel de moeilijkste opdracht geweest om heden en verleden samen in één boek te vatten terwijl de camino zelf, en ook de context per periode, enorm verschilt. Maar hoewel verleden en heden samennemen een riskante onderneming is, biedt het ook de kans om soms verrassende verbanden te laten zien, overeenkomsten en verschillen, breuken en continuïteit. Zeker, het verleden is voor een belangrijk deel een andere wereld voor ons, en de middeleeuwse camino is iets anders dan de huidige, maar toch denkt (terecht of niet) de hedendaagse pelgrim in zekere zin in de voetsporen te treden van zijn voorgangers en ziet hij onderweg steeds die sporen uit het verleden in een actueel decor. Deel uit maken van een groter historisch verband is voor veel pelgrims deel van hun camino-ervaring.
Juist door de brede selectie van voorwerpen uit heden en verleden willen we de complexiteit, gelaagdheid en ambiguïteit van de camino oproepen. Dat daarbij ook wel persoonlijke voorkeuren meespeelden geven we ruiterlijk toe.
De voorwerpen willen het verhaal van de camino vertellen vanuit Nederlands perspectief. Ook ten aanzien van dat selectie-element past een korte toelichting. Door het grensoverschrijdende karakter van de pelgrimsreis en door het perspectief van heden én verleden kunnen de huidige landsgrenzen slechts een relatieve parameter zijn. We probeerden niettemin het Nederlandse perspectief attenderend aan te houden. We gaan uit van Nederlandse pelgrims, die vanuit ons land vertrekken en ernaar terugkeren (ook al is het per openbaar vervoer, bijvoorbeeld naar Saint-Jean-Pied-de-Port of Porto om van daaruit te gaan lopen). Voorwerpen hebben zoveel mogelijk een Nederlandse connectie. Dat Nederlandse perspectief komt bijvoorbeeld ook naar voren door de aandacht voor fietsers op de camino. En niet onbelangrijk: het hele boek is geschreven voor een Nederlands publiek, door Nederlandse auteurs die vaak zelf caminopelgrims waren of dat nog zijn.
Foto’s en teksten
Het hart van het boek bestaat dus uit 101 voorwerpen uitgezet op de as van de reis van de camino, steeds gepresenteerd via een foto en een tekst. De foto’s laten de voorwerpen op uiteenlopende wijzen zien en niet via een vaste standaardopstelling van de voorwerpen. Wel is zoveel mogelijk getracht het voorwerp als voorwerp te tonen, veelal zonder context in beeld of in gebruik met mensen. De voorwerpen zelf, maar ook de herkomst en verblijfplaats, maakten een doorgevoerde uniforme presentatie niet mogelijk. Vaak maken we gebruik van foto’s beschikbaar via musea of collecties. Verschillende foto’s werden apart gemaakt, meestal door Ineke Albers.
Ook de teksten zijn uiteenlopend van aard, vaak geschreven door ervaren auteurs die experts zijn op een bepaald gebied zoals kunstgeschiedenis of middeleeuwen. Vaak zijn het ook ervaringsexperts, pelgrims die voorwerpen uit eigen ervaring beschrijven. Er is zo een afwisseling van een meer descriptieve en persoonlijke presentatie. Dat weerspiegelt het profiel van de Camino Academie, waar experts uit academia en pelgrimspraktijk elkaar ontmoeten.
Het boekproject kreeg echt contouren in 2022 binnen de Camino Academie. Een belangrijk deel van de auteurs, vooral zij die meerdere voorwerpen voor hun rekening nemen, maakte deel uit van een expertgroep die vanaf 2023 als een klankbordgroep fungeerde en drie keer in Utrecht bij elkaar kwam om het project kritisch te volgen.
Hierbij een paar opmerkingen over keuzes die we maakten.
Elk van de reisfasen heeft een inleidende tekst. De tekst bij de eerste fase (het algemene ‘milieu’ van pelgrimeren, Jacobus en de camino) en de laatste fase (de ‘doorwerking’) zijn verreweg het omvangrijkst. Daar willen we zowel de bredere context als lijnen doorheen de geschiedenis presenteren.
Veel objecten zouden bij meerdere fasen van de reis een plaats hebben kunnen krijgen. Een devotieprent met Jacobus als pelgrim, een pelgrimsinsigne of een pelgrimageverslag past bij het algemene pelgrimagemilieu en de reis zelf, maar evengoed bij de terugkeer of de doorwerking in devotie. Wij maakten steeds een keuze qua situering. Soms, zoals bij prenten en insignes, komen bepaalde typen objecten bij meerdere reisonderdelen terug.
We stellen ons voor dat lezers het boek niet meteen van kaft tot kaft gaan lezen, maar het doorbladeren en bij voorwerpen openslaan. Hoewel we veel overlap en herhaling hebben willen voorkomen, wordt bij voorwerpen soms nogmaals heel kort iets hernomen dat al in de inleidingen bij de fasen is verteld. Dit om de lezer die langs de voorwerpen bladert van dienst te zijn. Een nummer tussen [..] verwijst naar het betreffende nummer van het voorwerp. Omwille van de leesbaarheid hebben we lange eigennamen als Santiago de Compostela veelal afgekort tot Santiago.
Doorgaans gebruiken we bij aanduiding van de pelgrim consequent ‘hij’. Overigens laat de verhouding vrouw/man op de camino interessante verschillen zien. Het Nederlandse ngsj-register toont over het tijdvak 1969-2022 bijna tweemaal zoveel mannelijke als vrouwelijke pelgrims (34,9% vrouw en 60,4% man). Inmiddels (2025) tonen de statistieken van het pelgrimsbureau in Santiago voor ons land: 56,7% vrouw, 43,3% man, dat is 3% meer vrouwen ten opzichte van het algemene beeld. Dit alles wel met de kanttekening dat al deze cijfers relatief zijn. Niet alle pelgrims halen hun compostela in Santiago op en komen in de statistieken en voor Nederland geldt dat slechts een fractie de volbrachte camino opgeeft bij het ngsj en in het Nederlandse register terechtkomt.
In de tekst zijn personen in klein kapitaal wanneer ze als auteur terugkeren in de bibliografie. We hebben afgezien van een notenapparaat. Wel is er een literatuurlijst opgenomen die bedoeld is als bronvermelding, maar ook als suggesties voor ‘verder lezen’. We hebben die lijst beknopt willen houden met een focus op de camino en het Nederlands perspectief. Enkele meer specifiek op een voorwerp gerichte titels treft men aan bij het betreffende voorwerp. Ook daarin is uiterste terughoudendheid betracht.




Als iemand op pelgrimstocht of bedevaart gaat (zie over terminologie de Inleiding), hoeft men meestal niet uit te leggen wat dat is. Dat geldt voor Nederland nu en toen, en eveneens voor de meeste andere landen, streken en culturen. Pelgrimeren is een praktijk die net als doop-, huwelijks- en dodenriten tot het rituele standaardrepertoire van mensen behoort. En net als bij die overgangsriten veranderen de vormgeving, de toe-eigening, betekenis en beleving ervan al naargelang plaats en tijd.
De basis van het ritueel van pelgrimeren bestaat uit het op rituele wijze naar een heilige plaats gaan en naar huis terugkeren. Plaatsen kunnen op tal van manieren heilig, sacraal, zijn.
Er zijn allereerst ‘natuurlijke’ heilige locaties. Elementen in het landschap die apart zijn, die er (soms letterlijk) uitspringen, worden verbonden met verhalen en bijzondere ervaringen. Denk aan bergen, bronnen, bomen, grotten.
Sacrale plaatsen kunnen ook plekken zijn die bijzonder worden gemaakt, gemarkeerd door bijvoorbeeld een omheining, een ordening van stenen, het bouwen van een tempel en niet in het minst door (rituele) praktijken met een symbolische lading. Het regelmatig bezoeken van zo’n locatie is zo’n praktijk. Er zijn veel aanwijzingen dat bijvoorbeeld Stonehenge (in gebruik ca. 3100-1600 v.Chr.?) een bedevaartsoord was waar in een samenspel van gecreëerde landschapselementen voorouders en kosmische machten met riten en mythen werden omringd. Plaatsen kunnen ook gekoesterd worden vanwege bijzondere gebeurtenissen of herinneringen aan bepaalde personen. Grof gezegd zijn er drie manieren waarmee met het verschijnsel van een heilige plaats wordt omgegaan. Eerst en vooral is er de traditie om die plek te verankeren in de cultuur, in de religie en in de rituele praktijken. Naast de al genoemde ‘natuurlijke’ sacrale plaatsen is de tempel daarvan een voorbeeld, een afgebakende heilige locatie. Daar woont de godheid, daar volvoeren priesters riten en verhalen de mythen over de goden en de plaats. Een tweede vorm van omgang met een sacrale plaats is meer mobiel en dynamisch. Heilige grond wordt bijvoorbeeld meegenomen en vormt elders een sacrale locus. Denk ook aan de Ark in de joodse traditie. Belangrijk voor de christelijke traditie zijn relieken, resten van heiligen (lichaam, kleding, attributen) die een plaats heilig en tot een pelgrimsoord maken, maar die ook verplaatst kunnen worden (gesplitst, verkocht, geschonken, gestolen). Een derde benadering van heilige plaatsen bepleit een breuk met het hele verschijnsel. Kritiek op heilige plaatsen, en dus ook op pelgrimeren, is er voortdurend. Kern van veel van die kritiek in met name monotheïstische godsdiensten is dat God zich niet aan een plek laat binden. Juist niet. God is alom aanwezig.
Deze drie omgangsvormen met heilige plaatsen vormen de achtergrond van de ambivalentie die altijd met pelgrimage is verbonden. Er is steeds de diepgewortelde koestering van de plek, maar tegelijk kan die plek verplaatst worden of de aandacht ervoor verboden en uitgebannen.
Sacrale plekken zijn ook sacraal omdat ze meer zijn dan de reële plek zelf. Ze worden representaties van iets anders, iets groters. Er hechten zich idealen, dromen, voorstellingen aan vast. Het worden plekken van hoop en uitzicht, heil en heling. Voorbeelden daarvan vinden we in alle tijden en culturen. Denk naast het al genoemde Stonehenge bijvoorbeeld aan Delphi in het oude Griekenland, Mekka in Saoedi-Arabië of aan de voor de hindoes heilige rivier de Ganges. Voor verschillende religieuze tradities is Jeruzalem een heilige plaats die de feitelijke stad (in feite een conglomeraat van heilige locaties) overstijgt (vgl. Stad van Hoop, Hemels Jeruzalem etc.).