Skip to main content

9789462498549_ inkijk

Page 1


Dominique Vermeulen & Michiel Plomp (red.)

Een eeuw parken en ar chitectuur

De Van Lunter ens, kwekers en architecten naast de Domtoren , 1803-1910

Dominique Vermeulen & Michiel Plomp (red.)

Een eeuw parken en ar chitectuur

De Van Lunterens, kwekers en architecten

naast de Domtoren , 1803-1910

Deze uitgave kwam tot stand mede dankzij financiële

steun van

Gemeente Utrecht

Provincie Utrecht

K.F Hein Fonds, Utrecht

Cultuurfonds Utrecht (Hoorn-Koster Fonds)

Stichting Dr Hendrik Muller’s Vaderlandsch Fonds

Van Baaren Stichting Utrecht

Carel Nengerman Fonds

Nederlandse Tuinenstichting

Ridderschap van Utrecht

Stadsherstel Droste Fonds

Fentener van Vlissingen Fonds SHV

VB Erfgoed & Architectuur

EVA Architecten Utrecht

Centrum Management Utrecht

Oorspronkelijk idee

Ronald Trum

Michiel Plomp

Idee omslag: Dominique Vermeulen

Ontwerp omslag en binnenwerk: Mijke Wondergem

Opmaak: Bas Reijnen

Afbeelding omslag: combinatie van: Chr Andriessen, Bezoek aan een kwekerij, 1805, tekening, Rijksmuseum, Amsterdam (KOG-ZG-3-254); H. van Lunteren, ontwerptekening Randenbroek, 1814, Archief Eemland (BNR 0175, kaart 014); W.J. Cooke, Gezicht op het Munsterkerkhof, ca. 1850, tekening, Het Utrechts Archief (cat.nr 35274)

isbn 978 94 6249 854 9 nur 693 | 694

© 2026 D C. Vermeulen, M. Plomp, p/a Uitgeversmaatschappij Walburg Pers, Zutphen © 2026 Uitgeversmaatschappij Walburg Pers, Zutphen

www.walburgpers.nl

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever

Zoveel mogelijk is getracht de eventuele rechthebbenden van de afbeeldingen te achterhalen. Rechthebbenden die in dit verband niet zijn benaderd wordt verzocht zich met de uitgever in verbinding te stellen.

Redactie

Dominique Vermeulen

Michiel Plomp

Met bijdragen van Dominique Vermeulen

Martijn Andela

Sandra J den Dulk

Renske Ek

Merel Haverman

Ronald van Immerseel †

Erik de Jong

Friso Lammertse

Pien Lammertse-Tjalma

Mirjam Lemmens

Hanneke Ronnes

Peter Verhoeff

Wanda Waanders

Inhoud

Voorwoord Michiel Plomp & Ronald Trum 7

Inleiding Erik de Jong & Hanneke Ronnes 11

d eel i – Drie generaties Van Lunteren, opkomst, bloei en einde 25

1. Swellengrebels erfenis, of hoe Hendrik van Lunteren zijn loopbaan begon Pien Lammertse-Tjalma & Friso Lammertse 27

2. De familie Van Lunteren en hun kwekerij Flora’s Hof Dominique Vermeulen & Wanda Waanders 39

d eel ii – De werken van de Van Lunterens 63

3. Principalen en patronen. De clientèle van de Van Lunterens Dominique Vermeulen 65

4. De parken van de Van Lunterens Dominique Vermeulen, Merel Haverman & Peter Verhoeff 85

5. De architectenpraktijk van drie generaties Van Lunteren Dominique Vermeulen 109

6. Van Lunteren-ensembles Dominique Vermeulen & Ronald van Immerseel 145

7. Overzicht van het oeuvre van drie generaties van Lunteren Dominique Vermeulen 171

d eel iii – Deelstudies 181

8. Het plantenaanbod van de firma H. van Lunteren & Zoon, een eerste verkenning

Renske Ek & Mirjam Lemmens 183

9. Hendrik van Lunteren als ‘architect der stadswandelingen’ in Amersfoort en Zwolle

Sandra J. den Dulk 195

10. Een tuin voor natuurhistorie: H. van Lunteren & Zoon en het Genootschap

Natura Artis Magistra 1840-1853 Erik de Jong 205

11. Het koetshuis en de parkaanleg van de Gelderse Toren, 1844-1847 Martijn Andela 221

o verzi cht van werken en veilin gen 233

Kaarten met overzicht oeuvre 234

Werkenlijst 236

Veilingenlijst 250

Kaart met overzicht veilingen 251

bijla gen 253

Bijlage 1: Boekenlijst nalatenschap Hendrik Swellengrebel 254

Bijlage 2: Netwerk van opdrachtgevers 256

Bijlage 3: Stamboom met verwantschappen 258

Bibliografie 261

Dankwoord 271

Biografieën auteurs 273

Register 275

Voorwoord

Aan de voet van de Domtoren ligt een bijzondere tuin: Flora’s Hof. Hoewel deze tuin eigendom is van de gemeente, is het allerminst een doorsnee gemeenteplantsoen. De beplanting ondergaat in het voor- en najaar steeds een metamorfose. Al zo’n vijftien jaar draagt een enthousiaste groep vrijwilligers hier zorg voor. Talloze bewoners van de stad en vele duizenden toeristen hebben inmiddels hun weg gevonden naar deze groene oase tussen al het Utrechtse steen. Burgemeester Sharon Dijksma noemt Flora’s Hof zelfs haar favoriete groene plek in de stad. De opmerkelijke negentiende-eeuwse geschiedenis van deze plek vormt de basis voor het boek dat u nu in handen heeft.

In 2004 werd Ronald Trum, een van de initiatiefnemers van dit boek, benoemd tot manager van RonDom, het toenmalige cultuurhistorische bezoekerscentrum aan het Domplein. Bij het sleutelbeheer hoorde ook Flora’s Hof, ook wel Bisschopshof genaamd. Na het passeren van een monumentale zeventiende-eeuwse poort was een eerste kennismaking met de ommuurde tuin destijds ronduit teleurstellend. Ooit in de jaren zestig aangelegd was het verworden tot een afgeleefd plantsoen met enkele bomen en een grasveldje omgeven met wat armetierige rozen en rododendrons. Toch wekte dit door fraaie historische achtergevels omringde stukje openbaar groen nieuwsgierigheid. Het informatieve boek Historisch groen: tuinen en parken in

[ afb. i ] Hendrik van Lunteren en Maria Estoppey trouwden in 1806. Deze op ivoor geschilderde miniatuurportretten (afgebeeld op ware grootte) zijn geruime tijd later vervaardigd. Anoniem, omstreeks 1822, coll. Centraal Museum Utrecht (cat. nrs. 8849 en 8850).

[ afb ii ] Flora’s Hof in zijn huidige vorm beslaat slechts een tiende van het terrein van de kwekerij die de Van Lunterens hier in de negentiende eeuw bestierden. De grote ramen in het pand grenzend aan de tuin zijn een restant van hun oranjerie. Flora’s Hof, 2015 ( fotograaf D C. Goosen), Het Utrechts Archief (cat. nr 907248)

de stad Utrecht van Tolien Wilmer bleek zelfs aandacht te besteden aan Flora’s Hof. Daaruit kwam naar voren dat de tuin het laatste overblijfsel was van de in de negentiende eeuw bloeiende kwekerij van ene Hendrik van Lunteren [ afb. ii ].

De ontmoeting met Lianne Peters, directeur van het K.F. Hein Fonds en pas afgestudeerd hovenier, leidde tot een gezamenlijke verkenning van de mogelijkheden voor herinrichting. Een bezoek aan de bibliotheek van Wageningen University & Research leverde verrassend veel informatie op, inclusief verwijzingen naar unieke, vroeg negentiende-eeuwse plantencatalogi van de firma Van Lunteren. Gaandeweg werd duidelijk dat niet één maar drie generaties Van Lunteren actief waren

geweest in de kwekerij Flora’s Hof en dat ze bovendien een belangrijke rol hadden gespeeld in de negentiende-eeuwse Utrechtse tuin- en architectuurgeschiedenis.

Tezamen met Paul de Waal is in 2007 de Stichting Vrienden van Flora’s Hof opgericht om op het stenige Domplein een ‘groene oase ’ te creëren met een knipoog naar de negentiende-eeuwse tuinstijl van de Van Lunterens. Er volgde een lange rij gesprekken met de gemeente Utrecht, Erfgoed, omwonenden, Museum Van Speelklok tot Pierement als eigenaar van het aanpalende restauratieatelier maar ook met de meest uiteenlopende fondsen om een en ander financieel mogelijk te maken. Groenpartners leverde het ontwerp en in november 2009 was het dan zover: een wethouder opende de heringerichte tuin die sedert de oplevering, zoals hierboven al gesteld, onderhouden wordt door een groep trouwe vrijwilligers [ afb. iii ].

De heringerichte tuin werd snel een begrip in Utrecht, maar dat kan niet gezegd worden van de reputatie van de familie Van Lunteren, want dat deze familie een grotere naamsbekendheid verdiende werd steeds duidelijker. Behalve in het boek van Wilmer kwamen de Van Lunterens ook in

andere publicaties voor, vooral naslagwerken. Daar lazen we dat het hier niet ging om een doorsnee hoveniersbedrijf zoals er in de negentiende eeuw in en vooral rondom de stad zovele waren. Er waren opdrachten voor de tuinen bij Paleis Soestdijk, Huis Doorn, Landgoed Vollenhoven en voor parken in Amersfoort, Zwolle en Nijmegen. De eerste aanleg van Artis in Amsterdam was verzorgd door stamvader Hendrik van Lunteren. Zijn zoon Samuel had bij Heidepark (Hilversum) en De Hemelse Berg (Oosterbeek) niet alleen de parken bedacht en aangelegd, maar ook de huizen ontworpen en gebouwd. En de derde generatie, Izaak creëerde bijvoorbeeld de buitenplaats Oostbroek, thans het paradepaardje van Het Utrechts Landschap. Deze Izaak heeft er uiteindelijk voor gekozen om Flora’s Hof te verkleinen en deftige woonhuizen te bouwen aan het Domplein, waarmee hij het gezicht van dit belangrijke plein duidelijk medebepaald heeft. In allerlei opzichten bleek de kleine groene vlek in het midden van de stad een vergeten goudmijn, om te beginnen uiteraard voor de tuin- en architectuurgeschiedenis. Wat hadden de Van Lunterens verder allemaal ontworpen? Voor wie hadden ze gewerkt? Waren de drie generaties vergelijkbaar met de Haarlemse Zochers, waar ook drie generaties actief waren in de negentiende eeuw? Stellig was de kwekerij en het ‘architectenbureau’ ook een Fundgrube voor de geschiedenis van de stad, van de provincie met misschien ook wel met lijnen naar nationale geschiedenis. Hendrik en Samuel bleken bijvoorbeeld ook direct betrokken bij de oprichting van de oudste landbouworganisatie van Nederland: het Genootschap ter Bevordering van den Landbouw en de Kruidkunde, een bijzonder actief genootschap met leden door het hele land.

Ondertussen had Michiel Plomp zich bij het bestuur van de Vrienden van Flora’s Hof gevoegd. De aanvankelijk gekscherende opmerkingen die we begonnen te maken over een eventueel boek over de Van Lunterens werden allengs serieuzer en in 2020 namen we de beslissing om, ter gelegenheid van het twaalfenhalfjarig bestaan van Flora’s Hof in zijn huidige vorm, een publicatie uit te geven over deze vergeten Utrechtse familie.

Die beslissing werd in zoverre vergemakkelijkt omdat we intussen mensen hadden leren kennen die zich als student hadden beziggehouden met

[ afb iii ] Al meer dan vijftien jaar onderhouden enthousiaste en trouwe vrijwilligers Flora’s Hof Vrijwilligers van Flora’s Hof, 2025 ( foto André Russcher).

(delen van) het oeuvre van de Van Lunterens: Pien Lammertse-Tjalma en Wanda Waanders. Verder was restauratie-architect en bouwhistoricus Dominique Vermeulen, met grote kennis van de negentiende-eeuw en vindingrijke archiefonderzoeker, op ons pad gekomen. We gingen op bezoek in Artis bij hoogleraar Erik de Jong, kenner van Nederlandse tuinkunst bij uitstek, die ons toevertrouwde dat de Van Lunterens wel eens interessanter zouden kunnen zijn dan de Zochers. Al deze mensen waren enthousiast over het initiatief en zegden toe bijdragen te willen leveren aan de publicatie. Via via zijn er nog diverse specialisten bij gekomen die aparte facetten van de vergeten ‘bloemisten’ konden uitlichten: Martijn Andela, Sandra den Dulk, Renske Ek, Ronald van Immerseel†, Merel Haverman, Friso Lammertse, Mirjam Lemmens, Hanneke Ronnes en Peter Verhoeff. Uiteindelijk heeft er zich een ‘Van Lunteren Werkgroep’ geformeerd van zo’n twaalf mensen die in 2021 een paar keer bij elkaar gekomen is.

Dat het boek uitkomt bij het vijftienjarig bestaan van Flora’s hof in plaats van bij het twaalfenhalfjarig bestaan maakt niet uit. Bij zo’n grootschalige publicatie is vertraging een vaak voorkomend

verschijnsel. De onderzoekers hebben stuk voor stuk, ieder op hun eigen terrein ongelofelijk veel gevonden. Zoveel dat we het archief van de Van Lunterens, waar we in het begin hard naar hebben gezocht, maar dat kennelijk verloren is gegaan, amper meer missen. Niet alleen kennen we nu de oeuvres van de verschillende leden van deze bijzondere familie, we kunnen hun ontwerpstijl in groen en rood van elkaar onderscheiden. Bovendien is hun positie in stad, provincie en land ook duidelijk geworden. Haarlem met de Zochers gold traditioneel als dé groene stad van het land, maar nu blijkt dat Utrecht met de Van Lunterens in de negentiende eeuw overduidelijk een belangrijke deun meeblies. Daarnaast waren de Van Lunterens ook nog eens ontwerpers van sociale architectuur, stadstuinen en interieurs. Met deze publicatie, op initiatief van de Stichting Vrienden van Flora’s Hof, hebben de Van Lunterens hun plek in de Nederlandse negentiende-eeuwse kunst en cultuur terug.

Inleiding

Dit boek verhaalt van de Van Lunterens, telgen van een familie die gedurende de hele negentiende eeuw vanuit de stad Utrecht werkzaam waren als hoveniers en kwekers, aanleggers van tuinen en architecten. Verschillende opeenvolgende generaties zouden bijdragen aan de vormgeving van landschap en stad, met name in Utrecht en Gelderland. Ze voerden opdrachten uit voor een breed netwerk aan bestuurders, industriëlen, burgers en stadsbesturen. De geschiedenis van hun werk weerspiegelt niet alleen de dynamiek van een hele eeuw, maar hun ontwerpen laten ook zien wat zij zelf aan die periode hebben bijgedragen, welke keuzes zij maakten en hoe zij hun activiteiten ontplooiden als ontwerpers en makers, als verzamelaars en kwekers van planten, als bedrijfsvoerders, als familieleden en als burgers [ afb. 0-2 ].

d e wentelend e eeuw

In 1766 startte dagloner Gijsbert van Lunteren in Leersum een gezin. In de navolgende eeuw zouden drie generaties nakomelingen zich in een familiaal netwerk professioneel en sociaal ontwikkelen en emanciperen. Twee van de zonen van Gijsbert van Lunteren, Hendrik en Dirk, begonnen als tuinknecht maar startten in 1803 hun eigen kwekerij en ontwerpbedrijf in Utrecht, door Hendrik na de dood van zijn broer in 1822 voortgezet. Dan volgen de kinderen van Hendrik, de broers Sa-

[ afb 0-1 ] Er zijn maar weinig afbeeldingen bekend van kwekerijen en bloemisterijen uit het begin van de 19de eeuw. Van klein naar groot is hier de verzameling planten uitgestald.

Henriette Knip, Bloemkwekerij van Bloemisterij A.C. en H van Eeden in Haarlem, c. 1835-1840, gouache, 37,5 x 47,5 cm, Noord-Hollands Archief, 1100 (inv.nr 46466).

[ afb. 0-2 ] Het briefhoofd van de firma H. van Lunteren & Zoon somt de uiteenlopende werkzaamheden van het bedrijf duidelijk op: ‘Bloem- en Boomkweekers, Tuinarchitecten, Specialiteit in Bouquetten, Kranzen, Corbeilles [bloemmanden], enz. ’ Briefhoofd van een nota van de Firma H. Van Lunteren & Zoon, 1909, Het Utrechts Archief (cat.nr. 711759).

muel en Esaije die tot de firma toetraden; hun broer Hendricus koos een andere loopbaan. In de jaren veertig van de negentiende eeuw wordt de volgende generatie geboren. De familie met echtgenotes en verwanten is hecht: enkele van de kleinkinderen van Hendrik van Lunteren, Izaak en Henri, worden ook boomkweker en architect en zetten het bedrijf Van Lunteren gedurende de rest van de eeuw voort. In meer dan honderd jaar maakten de mannelijke telgen van de familie een grote sociale stijging door en werden zij burgers van naam. Ze waren werkzaam als (tuin)architect, bloem- en boomkweker, ondernemers, koopman, militair, herbergier en arts, en maakten deel uit van sociale netwerken waarin zij tal van verantwoordelijkheden vervulden, ook buiten hun directe professie.

De negentiende eeuw is door historicus Niek van Sas de wentelende eeuw genoemd. In hoog

i nleid in g

tempo ontwikkelden zich politiek en economie, met name in de tweede helft. De Grondwet van het nieuwe Koninkrijk uit 1815 werd in 1848 onder Thorbecke aangepast – 1850 geldt als kantelpunt van vernieuwing in de Nederlandse cultuur. Er werd niet langer onderscheid gemaakt tussen stads- en plattelandsbestuur. De organisatie van alle gemeenten werd op dezelfde leest geschoeid en er werden gemeentelijke belastingen ingevoerd. Provincies verloren hun autonomie. Adelstand en heerlijke rechten werden afgeschaft. Dat had als gevolg dat er langzaam een gestage verschuiving plaatsvond van een primair stedelijke en gewestelijke loyaliteit naar nationale identiteit: men werd steeds meer Nederlander, zonder overigens een Gelderse of Utrechtse identiteit op te geven. De snelle wijzigingen kwamen namelijk niet zonder de kritiek dat het centrale gezag te veel macht ten opzichte van historisch gegroeide lokale en gewestelijke verhoudingen opeiste.

Een burgerlijke, en dus stedelijke, cultuur ging de samenleving steeds meer kenmerken. De aristocratie handhaafde zich en was niet dominant, maar wenste zich wel te laten gelden. Langzaam ontwikkelde zich het liberaal individualisme, en vond er een re-feodalisering in nieuwe groepen en verbanden plaats die aan het einde van de eeuw uitmondde in verzuiling. Snelle vooruitgang bracht na 1848 materialisme. Het spoorwegnet voorspelde en visualiseerde deze nieuwe dynamiek al in zijn eerste fase tussen 1839 en 1860. De grote, nieuwe mogelijkheden van vervoer en transport werden zichtbaar in de spoorlijn tussen Amsterdam en Haarlem (1839), die in 1842 en 1847 via Leiden en Den Haag werd verlengd naar Rotterdam. Een tweede lijn van Amsterdam naar Utrecht werd in 1843 aangelegd en in 1845 voortgezet naar Arnhem. De mens was meester van de natuur: stoomkracht werd ingezet ten nutte van handel en vertier. De firma H. van Lunteren & Zoon maakte direct van deze innovatie gebruik. De maatschappelijke en economische modernisering resulteerde in verstedelijking, een bouwgolf en een late industrialisering. Die ontwikkeling bracht ook pauperisme voort, en schiep een kloof tussen arm en rijk. Nederland verdween in de negentiende eeuw van het internationale politieke toneel, maar was wel een van de grootste koloniale mogendheden met de

opbrengsten waarvan de vernieuwingen werden gefinancierd.

De eerste helft van de negentiende eeuw wordt nog altijd gezien als een wat stille tijd in het nieuwe Koninkrijk waarin niet veel gebeurde, waarin steden er verpauperd bij lagen, bouwactiviteit minimaal was, centraal gezag nog niet de agenda’s beheerste en economie en burgerdom zich nog moesten ontwikkelen. Het ontstaan van de spoorweg laat echter zien dat er in deze periode voldoende gebeurde waarzonder de rest van de eeuw niet goed te begrijpen is. Architectuur in de negentiende eeuw vooral associëren met de bouwactiviteit in de tweede helft is misplaatst, want dat gaat te veel uit van het kantelpunt rond 1850 en ontkent de betekenis van langzame veranderingen en doorgaande lijnen. Het werk van de Van Lunterens laat zien dat gedurende de eerste decennia van de eeuw ontwerpactiviteit eerder in het landschap plaatsvond dan in de stad, met als paradox dat hun bedrijf met kwekerij midden in de stad Utrecht lag.

De vele landgoederen die Hendrik van Lunteren ontwierp bewijzen dat een nieuwe elite van opdrachtgevers investeerde in de vormgeving van hun status en leefwereld. Het betekende de ontwikkeling van een krachtige ontwerptypologie voor park en landschap die de firma H. Van Lunteren & Zoon de hele eeuw heeft kunnen voortzetten. Hun ontwerpwijze werd daarbij gestuurd door het levende materiaal van bomen, heesters en ander plantmateriaal waar opdrachtgevers zelf ook grote belangstelling voor hadden. Het kweken van planten en belangstelling voor de natuurlijke wereld was een geliefd tijdverdrijf voor wie het kon betalen. Mecenaat, zo leert deze situatie, bestond niet enkel uit het bevorderen van de beeldende kunsten en architectuur; tuinkunst kende een grote populariteit als onderdeel van een exclusieve, materiële levensstijl. In de loop van de negentiende eeuw kwam er een steeds bredere belangstelling voor tuin en park. De Van Lunterens verschaften met alle onderdelen van hun bedrijf – van bloemisterij tot boomkwekerij – aan een heel netwerk en velen daarbuiten toegang tot bloem en boom. Samuel van Lunteren bediende in de tweede helft van de eeuw adellijke en andere opdrachtgevers met ensembles van historiserende architectuur te

midden van parkontwerpen die de betekenis van lokaal landbezit – in weerwil van nieuwe politieke visies op de betekenis van de adel – meesterlijk visualiseerden. Hij maakte daarbij gebruik van de paradox dat zijn tijd naast vooruitgang ook doordrongen raakte van historisch besef dat zich uitte in een bewustere omgang met het nationale en lokale verleden. Die konden worden ingezet om een exclusief geachte identiteit te behouden of opnieuw uit te vinden en uit te dragen.

t uinkunst

Tuinkunst was het begrip waarmee stamvader Hendrik van Lunteren zijn werkveld in eerste instantie zal hebben gedefinieerd. Wat dat in zijn tijd betekende wordt duidelijk in Nederlandsche Tuinkunst. Handboek voor Beoefenaars der Plan-

tenkunde. Bezitters van Tuinen en Buitenverblijven. Boom- en Bloemkweekers. Hoveniers en Warmoezeniers. Door den Schrijver der Flora dat in 1837 en 1838 in Amsterdam in drie deeltjes verscheen, geschreven door een onbekende auteur. Tuinkunst gaat uit van een ‘pre-industrieel’ levensritme waar productie en oogst in de tuin afhankelijk zijn van de opeenvolgende seizoenen. De delen behandelen uitvoerig en precies de rol van het kweken van (exotische) planten, hun botanie en naamgeving, de rol van kwekerij, kassen en bomenteelt, van onderhoud, mest, zaad, en gereedschap. Ze lezen bovendien als een omvangrijke encyclopedie van bomen, heesters, bloemplanten, bollen, vruchten en groenten. Opvallend genoeg verschaffen de boeken ons ook inzicht in een typologie van ontwerpen: er i nleid in g

[ afb 0-3 ] Het door Hendrik van Lunteren ontworpen park van Vollenhoven is aangelegd als een romantische interpretatie van een natuurlijk landschap
Remigius Haanen, De buitenplaats Vollenhoven in De Bilt, ca. 18301840, olieverf op doek, Rijksdienst Cultureel Erfgoed (cat.nr 309184).

Deze manier van werken zou steeds meer ter discussie komen te staan want ze werd bij de oprichting van de Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst in Amsterdam in 1842 tegenstrijdig beschouwd aan opvattingen over een niet gebonden, vrije en hogere vorm van architectuur, los

] zijn 1. nuts-, moes- en broeituinen, vruchttuinen, boomgaarden, hakbossen en plantentuinen (nu: botanische tuinen); 2. tuinen van vermaak (voor ontspanning) zijn de bloemtuinen achter stadshuizen, kleine buitentuinen, speel-en theetuinen (in de zin van uitspanning, theepaviljoen, café); 3. gemengde tuinen, die als een combinatie van 1 en 2 aangelegd zijn op lusthoven ( buitenplaatsen) en landgoederen. Aan buitenplaatsen en lusthoven, verder van steden gelegen, geven deze boekjes de meeste aandacht wat betreft aanleg, grondsoort, beplantingen, tuinsieraden, onderhoud en gebruik. Deze buitenplaatsen stonden voor een integraal model van omgang met natuur en landschap, geschoeid op de beginselen van nut en ornament. Ingebed en verbonden met hun topografie, werden aarde en water, landbouwgrond, parkbos, park en tuin, nutstuin en architectuur tot een cultuurlandschap. Ze vooronderstelden een hoge mate aan agrarische en horticulturele activiteit om het door smaak en visie gevormde landschap met zijn grond, water en beplanting in stand te houden en zich te laten ontwikkelen [ afb. 0-3 ]. De inhoud van deze boeken schetsen in rake bewoordingen zo goed als alle aspecten van het werk van de Van Lunterens. Tuinkunst laat ook zien hoe Hendrik van Lunteren deelneemt aan tuinkunsttradities die tijdens zijn volwassenwording op nieuwe belangstelling konden rekenen vanwege een behoefte aan natuurlijker landschapsontwerpen en de introductie van vele nieuwe planten. Dat schiep goede voorwaarden om zich als kweker en ontwerper te vestigen en de vraag naar parkontwerpen te beantwoorden, ondersteund door een infrastructuur van hoveniers en uitvoerders. Maar zijn positie was ook complex. Hendrik van Lunteren was samen met zijn broer en later zijn zoons èn ontwerper èn uitvoerder/ maker èn kweker. Die status was vergelijkbaar met de timmerman/aannemer/architect in zijn tijd die ontwerp, uitvoering en bouwmaterialen als een ontwerpende, uitvoerende en commerciële bedrijvigheid met elkaar verbond.

[

van ambacht en commercieel belang. Het kan niet anders dan dat de verschillende telgen van de Van Lunterens geconfronteerd zijn met deze veranderende opvattingen. Tegelijkertijd konden ze echter ook profiteren van de verbeteringen die bijvoorbeeld de Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst vanaf 1842 zou brengen in de organisatie en status van het architectenvak, in het verspreiden van nieuwe opvattingen over materialen, stijlen, onderwijs, geschiedenis en technieken, ten aanzien van een hogere standaard in getekende representaties en over de relatie tussen ontwerptheorie en architectonische praktijk.

Het was pas veel later dat in de tuinkunst aan het eind van de negentiende eeuw en uiteindelijk bij de oprichting van de Bond van Nederlandsche Tuinkunstenaars in 1922, zou worden gepleit voor het loslaten van tuin- en parkontwerp in combinatie met een kwekerij omdat commerciële belangen zich niet juist zouden verhouden tot het artistieke ontwerp. Achteraf gezien zorgde deze verandering ervoor dat veel waardevolle, brede kennis verloren ging. Onze huidige discussie over de noodzakelijke en samenhangende kennis voor de vergroening van onze cultuur laat zien dat de tuinen landschapsarchitect voor een nieuwe vorm van emancipatie staat die het ‘architect/ontwerper’-zijn herdefinieert ten gunste van ‘aanlegger/maker’.

t ussen h o venier en ar chitect

Vooralsnog ontbrak het in de negentiende eeuw aan een eenduidige naamgeving voor een tuin- en parkontwerper. In Nederland werd dat beroep aan het eind van de achttiende eeuw en in de vroege negentiende eeuw afwisselend ‘boschgardenier’, ‘aanlegger van tuinen’ of ‘hovenier’ genoemd, en een enkele keer ‘architect’. Pas laat in de negentiende eeuw koos Leonard Springer voor de benaming ‘tuinarchitect’ zoals wij die nu kennen. Hendrik van Lunteren wordt in documenten ‘architect’ genoemd. Jan David Zocher werd in 1829 in Utrecht omschreven als een ‘zeer bouw- en aanlegkundige architect’, waarbij zijn architectuur en parkwerk gescheiden aangeduid lijken te worden. Met ‘architect’ worden hier eerder kwaliteiten geïmpliceerd dan enkel de status van bouwkundig architect. In het encyclopedische Algemeen Huishoudelijk Woordenboek schrijven M. Noël Chomel en J. A.

inleid in g

de Chalmot in 1768 dat de eigenaar van een landgoed die een nieuwe pleziertuin wil aanleggen, daartoe een bekwame architect wil zoeken ‘tot de inventie en het maaken van een plan of schets op ’t papier, die een goede kennisse en smaak in deezen heeft’. Een hovenier, vertrouwd met landmeetkunde en het daarbij behorende instrumentarium moet in staat zijn dat plan uit te voeren op de grond want ‘de wijze om een ontwerp of aftekening op een grond te maaken bestaat meer in oeffening als in een schrander begrip’. Dat betekende dat een talentvolle hovenier zich door het verwerven van schrander begrip, dat wil zeggen door zich de hogere meetkunde eigen te maken en tekenkunst te beheersen, zich tot ‘architect’ kon ontwikkelen om tuinen te ontwerpen. ‘Architect’ was dus niet een vreemde benaming voor een tuinman/kweker/ tuinaanlegger, maar hij kwam wel met specifieke eisen en verwachtingen. Chomel en Chalmot vermelden dat zo’n talent niet makkelijk te vinden is vanwege de volgende vereisten: ‘inventie’ (vindingrijkheid, oorspronkelijk idee) is van belang. De architect dient dat idee bovendien om te kunnen zetten in ‘ een plan of schets op ’t papier’. Hij bezit ‘bekwaamheid’ (talent, ervaring, inzicht), waarmee hij laat zien ten aanzien van het groene ontwerp te beschikken over ‘kennis’ (geleerdheid) en ‘smaak’ (onderscheidingsvermogen als basis voor oordelen en gevoel voor kwaliteit). Er werden dus naast de praktijk van de botanie, kennis van landschap en aarde, vaardigheid in tekenen, landmeetkunde en wiskunde, ook meer theoretische uitgangspunten belangrijk gevonden, wilde iemand aanspraak kunnen maken op een dergelijke ‘titel’.

Opvallend genoeg treffen we bij de Van Lunterens en hun tijdgenoten geen bewustzijn aan van hoe het vak van tuinontwerper in het buitenland werd benaderd. Aan het begin van negentiende eeuw adopteerde Humphry Repton de term landscape gardener, die sinds de late achttiende eeuw in Engeland in gebruik was. Daarmee bleef de relatie met de oorsprong van het vak in hovenierskunde aanwezig maar werd ook het werken op de schaal van het landschap aangeduid. Landscape gardener werd uiteindelijk vervangen door het begrip architecte-paysagiste dat rond 1800 door de Franse architect, ingenieur en tuinontwerper Jean-Marie Morel werd geformuleerd. Kennis van natuurwet-

ten paarde Morel aan de artistieke praktijk van het landschapsontwerp. Voor hem was een omschrijving van de landschapsontwerper als tuinman of jardinier niet meer geëigend, mede gezien de schaal van de toen gevraagde ontwerpen. Het refereerde te veel aan het praktische en horticulturele handwerk. Architecte alleen dekte deze expertise ook niet. Architecte-paysagiste of landschapsarchitect, karakteriseerde daarentegen prachtig zowel het ontwerpende deel van dit nieuwe beroep als het natuurwetenschappelijke en artistieke deel (paysagiste betekende tot dan vooral landschapsschilder). We vinden geen sporen van deze discussies bij de Van Lunterens, en dat duidt op een preoccupatie met de praktische kanten van het vak. Op een Internationale Bloemententoonstelling in Antwerpen in 1875 wordt (Henri?) Van Lunteren illustratief genoeg ‘tuin-bouw architect’ genoemd.1 Ook hanteerden de Van Lunterens niet het begrip tuinkunstenaar afkomstig van Kunstgärtner, waarmee men in Duitstalige landen beter opgeleide tuiniers aanduidde die siertuinen aanlegden en hun sociale positie wensten te onderscheiden van alle andere, meer economisch gebonden, hoveniers en kwekers.

Hendrik van Lunteren – slim, handig en sociaalvaardig – lijkt zich bewust te hebben willen ontworstelen aan de status van de hovenier als enkel een handwerksman. Dat hij talent had om zich te kunnen professionaliseren tot ‘architect’, blijkt al uit de nalatenschap van zijn weldoener Swellengrebel, waaraan dit boek een hoofdstuk wijdt. Als een van de erfgenamen zijn ‘alle instrumenten en papieren die tot de landmeetkunde en verdere takken der mathesis mogen behoren’ speciaal voor hem bestemd. Niet voor niets werd Hendrik van Lunteren vanaf 1842 ook direct lid van de Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst, maar met evenveel verve nam hij deel aan de verenigingen die zich bezighielden met horticulturele vernieuwing en uitwisseling. Hij legde met zulke brede ambities de basis voor de professionele ontwikkeling van zichzelf, van zijn kinderen en kleinkinderen, waar telgen zich specialiseerden tot bouwkundig architect naar de nieuwe eisen van hun tijd. Samuel, die ook bekend werd als ‘zorgarchitect’ voor charitatieve organisaties, hield zich bijvoorbeeld bezig met armoede en hygiëne als centrale opgaven in de laat negentiende-eeuwse maatschappij.

Maar het bijzondere en fascinerende van de eerste helft van de eeuw is dat Hendrik van Lunteren, zo blijkt uit de archieven, als bedrijf alles in één hand hield: ontwerp, plantmateriaal, uitvoering, vervoer, toezicht, kosten bijhouden, administratie, onderhandelingen met opdrachtgevers, aannemen van uitvoerende hoveniers, contacten met andere kwekers en leveranciers. Hierin ligt de oorsprong van het beroep van tuin- en landschapsarchitect zoals we dat nu kennen. Het is een oorsprong van belang want het laat zien dat de uitvoerende praktijk van evenveel belang was als de ontwerppraktijk. Tuin en landschap, zo laten de Van Lunterens ons begrijpen, is niet alleen een kwestie van ontwerpen, maar vooral ook van maken. Waar de latere emancipatie van tuin- en landschapsarchitect deze twee-eenheid heeft losgeknipt en de verantwoordelijkheid in verschillende handen heeft gelegd, laat de praktijk van de Van Lunterens juist zien dat tuinarchitectuur alleen begrijpen in termen van

architectuur en kunst, een oneigenlijk beeld geeft, niet alleen van de oorsprong van de tuinkunst, maar ook van haar wezenlijke betekenis. Ontwerpen, maken en instandhouden zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden [ afb. 0-4 ].

Pr o fessi o n aliserin g

Professionalisering is een proces waarbij een beroep zich tot een herkenbare en erkende professie probeert te ontwikkelen en erop uit is die beroepsuitoefening te reguleren en te controleren. De werkzaamheden van de familie Van Lunteren laten zich dan ook begrijpen als onderdeel van dat proces dat samenviel en ook mogelijk werd gemaakt door ontwikkelingen in de maatschappij van de negentiende eeuw. Professionalisering kent een binnenperspectief en een buitenperspectief die in dynamische wisselwerking tot elkaar staan. Het binnenperspectief richt zich vooral op de verhouding tussen beroep en individuele beroepsbeoe-

inleid in g

[ afb 0-4 ] Vanaf 1840 realiseerden de Van Lunterens de aanleg van Artis. Naast het ontwerp en de uitvoering, bleven ze decennialang betrokken bij de instandhouding van het park.
Elias Spanier (naar Hendrik Wilhelmus Last), Vogelgalerij en Plantenhuis in Artis, 1855, litho, Stadsarchief Amsterdam (cat. nr 010097004141).

fenaar. De ontwikkeling van vakmanschap staat centraal, en daarvoor zal Hendrik van Lunteren, bij gebrek aan een specialistische opleiding, door zelfstudie en ervaring normen, standaarden en regels als protocol voor professioneel gedrag hebben willen ontwikkelen. Zijn eigen ervaring- en kenniswereld werden de eerste leerschool voor zijn kinderen. Dat was van belang omdat opdrachtgevers en vakgenoten dan konden zien hoe er specifieke kwaliteit geleverd werd die onderscheidend was. Hendrik van Lunteren was niet de enige parkontwerper van zijn tijd. Het is alleen maar treffend dat zich in deze tijd concurrentie aftekende met Jan David Zocher jr., zoals bij de uitvoering van werk voor de stad Amersfoort tussen 1828 en 1836. Dat stond garant voor een lastig moment in zijn loopbaan, omdat er bij zijn opdrachtgevers op een goed moment andere ideeën ontstonden over planvorming, uitvoering en financiering. Hun voorkeur ging uiteindelijk uit naar Zocher. Zocher

werd overigens ook niet gevrijwaard van dat soort frustraties, zoals bijvoorbeeld bij zijn in 1839/40 geleverde ontwerp voor een parkring in het zuidelijke gedeelte van Delft, waarbij hij fouten had gemaakt en het stadsbestuur hem uiteindelijk te duur vond. Het is opvallend dat dit soort kwesties vooral ontstonden bij de opkomende nieuwe typologie van de openbare stadswandeling en het stadspark in de jaren tussen 1820 en 1840. Kennelijk vroeg dat om een nieuwe visie en organisatie bij opdrachtgevers en ontwerpers. Jan David Zocher exploiteerde die nieuwe typologie met succes, net als zijn zoon; de Van Lunterens deden dat sporadischer in Amersfoort, Zwolle, Utrecht, Elburg en Nijmegen. Hun bedrijf liep goed en ze kenden de veranderende opgaven, maar ze lijken de mogelijkheden van de nieuwe typologie van het stadspark niet volledig te hebben verkend of werden door opdrachtgevers niet als stadsparkontwerpers herkend. Hun expertise lag bij landgoedparken, in toenemende mate i nleid in g

[ afb 0-5 ] Kasteel Sandenburg is een voorbeeld van Samuel van Lunterens specialisme: het aanleggen van complete buitenplaatsen met hoofdgebouwen, bijgebouwen en parkaanleg.
Kasteel Sandenburg aan de Langbroekerwetering, 1905-1910, prentbriefkaart (naar foto), Het Utrechts Archief (cat.nr 10956).

]

in combinatie met huis en bijgebouwen [ afb. 0-5 ].

Zij konden die praktijk volhouden tot het moment dat buitenplaatsen hun belang aan het einde van de negentiende eeuw verloren en kleinschaliger villa’s als vorm van buitenleven voor een nieuwe elite hun intrede begonnen te doen. Deze nieuwe markt werd bediend door de derde generatie Van Lunteren [ afb. 0-6 ]. De Zochers hadden deze nieuwe typologie echter al veel eerder verkend. Het ontwerpersberoep onthulde hier spanningsvelden in een veranderende wereld.

Het buitenperspectief, als tweede factor voor professionalisering, vraagt de ontwerper de blik buiten de eigen grenzen te werpen. Hoe wil men zich verhouden tot de opdrachtgevers bij gemeenten en op de particuliere markt, hoe schept men een betrouwbaar netwerk aan opdrachtgevers? En hoe opent het beroep zich naar de samenleving, naar de discussies over het eigen vak, naar ontwikkelingen in de botanie, de stad en het landschap?

Dat veronderstelt een specifieke sensibiliteit, want hoe schat men zijn positie in te midden van de andere disciplines en ten aanzien van het bredere opdrachtveld? Welke strategische ruimte bestaat er om ontwikkelingen te beïnvloeden en in gang te zetten, een ander klimaat tot stand te brengen en niet alleen afhankelijk te reageren, maar ook proactief te kunnen initiëren? Met dit schakelen tussen het binnen- en buitenperspectief is Hendrik van Lunteren begonnen. De generaties na hem hebben, zo lijkt het, in de tweede helft van de negentiende eeuw beter en sneller van de vele nieuwe ontwikkelingen geprofiteerd. Samuel van Lunteren kiest vanaf de jaren 1840 niet voor niets meer en meer een loopbaan als architect. Jan David Zocher was in het milieu van de Van Lunterens overigens de grote uitzondering, tegelijkertijd misschien ook wel een model want hij was in 1809 door Lodewijk Napoleon als pensionaire uitgezonden naar Parijs en Rome en ontving een academische opleiding als

inleid in g

[ afb 0-6
Izaak van Lunteren richtte zich met zijn ontwerpen van villa’s en herenhuizen op de stedelijke elite die omstreeks 1900 opkwam. In 1894 ontwierp en bouwde hij het dubbele herenhuis in chaletstijl geheel rechts.
Gezicht op de Willemsbrug met het Willemsplantsoen in Utrecht, ca. 1895 ( fotograaf F Reisig), Het Utrechts Archief (cat.nr 63523).

[ afb 0-7 ] De gedetailleerde ontwerptekening die Hendrik voor Randenbroek maakte toont verschillende boomsoorten, bruggen, omheiningen en bankjes. Daarmee stelt het de beschouwer in staat in gedachten al door de aanleg te kunnen wandelen.

bouwkundig architect. Daar stond het getekende ontwerp voorop. Lodewijk Napoleon had zich persoonlijk beklaagd over het slechte niveau van de ontwerptekenkunst in Holland. Zochers getekende en geaquarelleerde ontwerpen voor architectuur en park verraden die academische training, overigens in combinatie met een eigen kwekerij in Haarlem. Maar soms laten ze ook zijn commerciële instelling zien, want in lijnvoering en detaillering kunnen ze behoorlijk sjabloonmatig zijn, onderdeel van bewuste, retorische idealisering.

t ekenen

We zoeken vaak naar de buitenlandse invloed op de activiteit van Nederlandse ontwerpers in landschapstijl. Die zet zich meestal vast op ont-

i nleid in g

Hendrik van Lunteren, Ontwerptekening Randenbroek, 1814, pen, potlood en aquarel, 58,5 x 86 cm, Archief Eemland (BNR 0175, kaart 013).

werpstijl, maar tegen 1800 was wel duidelijk dat tuinkunst, naast stijl en ontwerp, ook een theorie had. Er werd diepere kennis gevraagd van botanie vanwege nieuwe plantenintroducties uit de hele wereld. Nieuwe opvattingen over natuur, klimaat en landschap werden geïntroduceerd in een Nederlandse context, die zo heel anders was dan in Engeland, Frankrijk of Duitsland. Die situatie stelde nieuwe eisen aan de ontwerper. Hendrik van Lunteren was echter vanaf het begin een zich emanciperende hovenier die ging ontwerpen en een bedrijf voeren; hij was geen ontwerper met een theoretische achtergrond. De vele, zeer gevarieerde, beplantingslijsten in de archieven laten zien dat hij ontwierp vanuit en met het plantmateriaal. Dat betekent dat zijn tuin- en parkontwerpen vanuit dat

[ 19 ]

[ afb. 0-8 ] Hendrik van Lunterens ontwerptekening voor het landgoed Rhederoord (1840) aan de noordkant van Arnhem toont hoe de parkaanleg naadloos overgaat in het rivierlandschap van de IJssel.

perspectief begrepen willen worden, in combinatie met de organisatie van werkzaamheden, zoals zijn getekende ontwerpen en het maken van een park door het uitzetten van de ruimtelijke vertaling daarvan ter plekke. De kwekerij met zijn kassen vormde de centrale bron van vernieuwing: daar ligt de essentie van de firma H. van Lunteren & Zoon, op die plek waren zij verbonden met de rest van de wereld, van daaruit emancipeerden zij zich, verbreedden zij hun werkterrein en probeerden zij een marktpositie te behouden.

De eis om als architect op papier te kunnen ontwerpen, maakt de ontwerptekeningen van Hendrik van Lunteren tot intrigerende objecten. Naast het oplossen van een gesteld probleem is het ontwerp als tekening immers ook van botanisch-landschappelijke en artistieke betekenis. Naast duidelijk wil de tekenkunst het ontwerp ook overtuigend naar voren brengen, en daarmee

Hendrik van Lunteren, Ontwerptekening voor Rhederoord, 1840, pen, potlood en aquarel, 62,5 x 104,5 cm, Wageningen University & Research (cat. nr 01.442A.01).

krijgt het getekende ontwerp zijn eigen retoriek: het hoort bij een emancipatie tot ontwerper. De gekozen voorstellingswijze onderhoudt een nauwe band met het ontwerp, dat in grote lijnen de uitkomst is van hoe de ontwerper omgaat met de maakbaarheid van zijn idee door het vormgeven van aarde, water en beplanting ingegeven door een specifieke locatie in relatie tot de context. De ontwerper laat ook zien hoe hij omgaat met wat er al voorhanden is, hoe hij denkt te ontwerpen aan functie, ruimte, indeling, padenstructuur, architectuur, vorm, karakter of atmosfeer. Hopelijk integreert de tekening technische, ruimtelijke, geografische en botanische kennis en esthetische visie met overtuigingskracht.

Zo lijkt Van Lunterens ontwerp voor Randenbroek uit 1814 – aan het begin van zijn loopbaan – nog de traditie van het ontwerp als cartografisch gegeven te volgen, ingegeven door landmeetkennis

inleid in g

Bij de volgende generatie, zijn zoon Samuel, zien we dat het getekende architectonische ontwerp zich tot een hoog niveau ontwikkelde. Zijn training zal zich vooreerst hebben afgespeeld onder toeziend oog van zijn vader. Belangrijker nog is dat hij lessen kreeg op de Bouwkundige Teekenschool in Utrecht, een cruciale instelling die het product was van een onderwijsvernieuwing, die sinds 1826 onder leiding stond van de schilder, schrijver en architect Christiaan Kramm. Ook maakte hij studiereizen. Geheel in lijn met de discussies die zich binnen de Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst afspeelden over ontwerpen en tekenkunst, zal hij ook daarvan hebben geprofiteerd bij zijn loopbaan als architect. Bij Samuel begint een nieuw hoofdstuk in de professionalisering van de Van Lunterens.

d it bo ek

Dit boek over de drie generaties (tuin-)ontwerpers beslaat drie delen: het eerste is inleidend, het tweede deel behandelt de werkzaamheden van de Van Lunterens, het laatste gaat dieper in op de ontwerpopgaven aan de hand van een viertal

casussen. In hoofdstuk 1 beschrijven Pien Lammertse-Tjalma en Friso Lammertse de uitzonderlijke oorsprong van de firma Van Lunteren. Zij noemen deze terecht romanwaardig. De roman begint bij Gijsbert van Lunteren, een dagloner die werkzaam is op landgoed Schoonoord van Hendrik Swellengrebel. Gijsbert krijgt een zoon, Hendrik, die ook in de tuin van Swellengrebel werkt en om onduidelijke redenen niet alleen protegé wordt van deze gefortuneerde landgoedeigenaar, maar ook deelt in diens erfenis. Swellengrebel – ook al zo’n romanwaardige naam – schenkt de jonge twintiger zijn bibliotheek, botanische verzameling, bollen en gewassen en meer dan zestig keer zo veel geld als de andere tuinjongens. Deze omvangrijke erfenis met een geschatte waarde van 11.000 gulden, stelde Hendrik in staat om de kwekerij Flora’s Hof te beginnen [ afb. 0-1 ]. Wanda Waanders en Dominique Vermeulen gaan in hoofdstuk 2 nader in op Hendrik van Lunteren, zijn nazaten en de kwekerij die, curieus genoeg, midden in Utrecht aan de voet van de Domtoren lag. Een paar jaar nadat Hendrik erfde en Flora’s Hof begon, trad hij in het huwelijk met Maria Estoppey, een telg uit een welvarende familie. Hij trouwde daarmee onmiskenbaar omhoog; jaren later erft zij land dat onderdeel wordt van de firma. De auteurs beschrijven ook een steeds verder uitdijende kwekerij, die niet in het centrum van Utrecht lag, waar de ruimte beperkt was, maar aan de rand van de stad. Het feit dat ze leefden in een tijd dat veel buitenplaatseigenaren zich genoodzaakt zagen afstand te doen van hun geldvretende bezit, hielp ze verder in het zadel: de Van Lunterens kochten de botanische collecties die op de buitens aanwezig waren en breidden op deze manier hun collectie snel uit. Het hoofdstuk gaat ook uitgebreid in op de twee volgende generaties, met daarin interessante bijfiguren als een modiste (de echtgenote van Esaije van Lunteren die behoorde tot de tweede generatie) en, wat verder weg, Piet Paaltjens, familie via de aangetrouwde Osti-familie met wie veel zaken werden gedaan.

Deel II, ‘De werken van de Van Lunterens’, gaat uitgebreid in op het oeuvre dat de hele negentiende eeuw omspant. In hoofdstuk 3 behandelt Dominique Vermeulen het netwerk van opdrachtgevers (wat we hierboven het ‘buitenperspectief ’ noemden): het Koninklijk huis, de hoogste kringen (de

i nleid in g

[ 21 ] [ afb. 0-7 ]. Zijn tekening voor ’t Velde in Warnsveld van tien jaar later, omstreeks 1824 (zie hoofdstuk 4, p. 90), is daarentegen al veel meer een zelfstandige ontwerptekening: het park ligt geïsoleerd op het papier en is nog wat kunstmatig in tekenstijl, een beetje voorbeeldboek-achtig in opzet, maar gedetailleerder in de weergave van beplantingen die het geheel ruimtelijk en in opstand goed willen laten lezen. Ze suggereren een duidelijk verband met een beplantingsvisie, die het plan in hoge mate heeft gevormd. De parkaanleg van Rhederoord, een ontwerp uit 1840, laat een tekening zien waarop park en landschap samen zijn geschetst. Hier is sprake van een visie die het beeld oproept van een park dat in zijn ligging een geheel vormt met het wijdere landschap [ afb. 0-8 ]. Bodem, accidentatie, weiden, wegen, paden, uitzichten, water en beplantingen worden tot samenhang gebracht. De tekeningen, als visualisering van denkwerk, illustreren hoe in Van Lunterens oeuvre een interne ontwikkeling plaatsvond als gevolg van zijn groeiende ervaring met en inzicht in zijn vak. Op papier concipieerde hij een visie op basis van zijn ervaring in het landschap zelf en met kennis van de collecties op zijn kwekerij.

‘bestuursdynastie’) van Utrecht, de nieuwe elite bestaande uit industriëlen, stadsbesturen en regenten van charitatieve instellingen. Hoewel het epicentrum van de clientèle duidelijk in Utrecht lag, breidde het netwerk zich uit over de rest van het land via invloedrijke opdrachtgevers uit de stad en de provincie Utrecht.

Het architectonische werk van de Van Lunterens (het ‘binnenperspectief ’) is het onderwerp van de hoofdstukken 4, 5 en 6. Dominique Vermeulen, Merel Haverman en Peter Verhoeff behandelen in hoofdstuk 4 de parkontwerpen van de Van Lunterens. Daarbij wordt eerst ingegaan op de opkomst van de landschapsstijl in Nederland, die zorgde voor een omwenteling in de tuinkunst. Vervolgens worden aan de hand van enkele door hen ontworpen parken karakteristieke kenmerken verkend. Op basis daarvan wordt een poging gedaan om het handschrift van de Van Lunterens te ontwaren.

Vermeulen gaat in hoofdstuk 5 niet zozeer in op de bekendste ontwerpen zoals de buitenplaats Sandenburg in Tudorstijl (deze komt als typisch ensemble-ontwerp aan bod in hoofdstuk 6), maar op minder in het oog springende werken, zoals woonhuizen en het vogelhuis van Artis. Ook probeert Vermeulen antwoord te vinden op de vraag waar de drie generaties Van Lunteren hun bouwkundige kennis hadden opgedaan. Waar Hendrik begin negentiende eeuw waarschijnlijk leunde op zijn ervaring met de bouwpraktijk en mogelijk ook op de periode die hij samen met Swellengrebel in Engeland doorbracht, bezocht zijn zoon de Bouwkundige Teekenschool in Utrecht, en werd zijn kleinzoon een gediplomeerd landmeter. Vermeulen situeert de Van Lunterens nadrukkelijk tegen de achtergrond van ontwikkelingen op het gebied van de emancipatie van het architectuurbedrijf in de negentiende eeuw en de opkomst van de stedenbouw.

Dominique Vermeulen en Ronald van Immerseel bespreken in hoofdstuk 6 de creatie en herinrichting van verschillende ‘ensembles’ van huis, tuin, landgoed (inclusief bijgebouwen) en het interieur. Samuel van Lunteren leverde zeker vijftien ontwerpen voor complete buitenplaatsen. Een aantal daarvan wordt tegen het licht gehouden, zoals Scherpenzeel, waarbij opvalt dat Samuel de relatie tussen binnen en buiten – sinds de Romeinen een

centraal thema in de villa- of buitenplaatscultuur – nauwgezet uitwerkte.

Vermeulen gaat in het daaropvolgende, zevende hoofdstuk, dieper in op de nalatenschap van en de historiografie over de Van Lunterens. Al in de tijd van het bestaan van de firma verschenen overzichtswerken, maar pas recent is een completer beeld ontstaan, voor een belangrijk deel op basis van het voor dit boek verrichte onderzoek. Vermeulen spreekt op basis van het huidige onderzoek van ruim 200 ontwerpen en contextualiseert dit oeuvre door het te vergelijken met dat van de Zochers en Copijnen. Hoewel de Van Lunterens in de negentiende eeuw niet minder werden gewaardeerd dan deze twee bekende ontwerpfamilies, veranderde dit in de twintigste eeuw. Vermeulen gaat ten slotte in op de verschillende redenen waarom de drie generaties Van Lunteren in de vergetelheid raakten. Tot slot volgen in deel III de casussen. Ze werpen als microwerelden licht op hoe we ons de wereld van de Van Lunterens nog meer in detail moeten voorstellen. Ze laten ook nog eens zien welk bronnenmateriaal er tot onze beschikking staat om deze geschiedenissen te reconstrueren. Renske Ek en Mirjam Lemmens analyseren in de eerste casus van deel III (hoofdstuk 8) de plantencollectie van de Van Lunterens op basis van catalogi en tentoonstellingslijsten. De auteurs constateren dat de firma Van Lunteren de vinger aan de pols had voor wat betreft de nieuwe plantentrends en ook daadwerkelijk zelf bijdroegen aan het ontstaan van deze trends. De drie andere deelstudies gaan allemaal over de relatie tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. Het zijn geschiedenissen die draaien om spanningen die voortkomen uit de wensen, de eigen smaak, ideeënwereld en inzichten van opdrachtgevers met inbegrip van financiële kwesties. Sandra den Dulk (hoofdstuk 9) behandelt de aanleg van ‘singelparken’: wandelparken of -plantsoenen op de voormalige vestingwerken in Amersfoort en Zwolle. Amersfoort fungeert als de uitzondering op de regel dat het de Van Lunterens voor de wind ging, want bij de aanleg van het Singelpark ging het mis en stapte de opdrachtgever halverwege over naar een directe concurrent. Erik de Jong behandelt in de derde casus (hoofdstuk 10) het ontwerp voor Artis in Amsterdam. Hier betrof het ontwerp en inrichting van een kleine stadstuin,

die successievelijk uitgebreid diende te worden tot park. Vanwege de voortvarende dynamiek van de opdrachtgever zou na twaalf jaar alleen de visie van de Van Lunterens op de dierentuin als landschapspark overblijven; de eerste, oorspronkelijke aanleg was maar een kort leven beschoren. De laatste casus is van Martijn Andela (hoofdstuk 11) over een ontwerp voor de eigenaren van de Gelderse Toren van de tuin en het koetshuis. Andela laat zien hoe de Van Lunterens in dit geval moesten meebewegen met de financiële speelruimte van de opdrachtgevers, iets waarvan we ons moeten voorstellen dat dat altijd de uiteindelijke beslissingen over en uitvoering van zijn ontwerpen in hoge mate heeft bepaald.

b etekenis

Hoewel de Van Lunterens midden in de stad zetelden, was hun landschappelijk oeuvre overwegend niet-stedelijk. Particuliere opdrachtgevers vroegen vooral ontwerpen voor hun buitenplaats, overheden deden maar zeer beperkt een beroep op de Van Lunterens. De singelparken kunnen dienen als voorbeeld: de firma ontwierp er een aantal maar niet van de omvang en visie zoals het werk van J.D. Zocher jr. en diens zoon laat zien. Dat zij vooral particulieren bedienden en veel minder actief hebben bijgedragen aan de vormgeving van de publieke ruimte, is een van de redenen waarom de Van Lunterens een stuk minder bekend zijn dan hun tijdgenoten de Zochers. De laatsten waren academischer en hadden bovendien veel nadrukkelijker dan de Van Lunterens, een nationaal bereik met opdrachten door het hele land. Ondanks een aanzienlijk aantal opdrachten buiten Utrecht, werkten de broers Van Lunteren voornamelijk in deze provincie. Bovendien werd de betekenis van het werk van de Zochers tot ver in de twintigste eeuw uitgedragen door Leonard Springer (zie hoofdstuk 7, p. 177) en door Amy de Leeuw (1843-1938). De laatste verdedigde onder het pseudoniem Geertruida Carelsen hartstochtelijk de groene erfenis van haar stiefgrootvader J.D. Zocher. In plaats van met de Zochers, kunnen de Van Lunterens beter vergeleken worden met Lucas Roodbaard, een tijdgenoot van Hendrik van Lunteren. Ook hij was zeer actief binnen met name één provincie, in zijn geval Friesland. Zowel de

Van Lunterens als Roodbaard bouwden uitstekende relaties op met de provinciale landelijke elite, die de ontwerpers onderling aanbevolen en naar elkaar doorschoven, met als gevolg dat zij een stevig stempel drukten op het landschap. Dat ook Roodbaard, net als de Zochers, tegenwoordig meer bekendheid geniet dan de drie generaties Van Lunteren, heeft te maken met een aantal recente studies en met Friese trots waarvan geen Utrechtse variant bestaat.

Een andere reden dat de Van Lunterens niet zo bekend zijn heeft te maken met het feit dat we van de betekenis van het hoveniersvak en de rol van horticultuur en kwekerijen voor de tuinkunst in de negentiende eeuw nog maar heel erg weinig weten: daarin brengt dit boek verandering door juist naar de samenhang der dingen te kijken. Eenzelfde lot treft de negentiende-eeuwse architectuur en dus ook het architectonische werk van een man als Samuel van Lunteren. Werkzaamheid en oeuvres van negentiende-eeuwse architecten zijn nog maar mondjesmaat bekend en zeker niet bestudeerd in de context van opeenvolgende generaties binnen één familie; ook daar opent deze studie veel nieuwe perspectieven.

De betekenis van de Van Lunterens ligt dan ook in de evolutie van het ‘binnenperspectief ’ van hun werkzaamheden: de ontwikkeling van een intens professioneel en persoonlijk vakmanschap. In wisselwerking met het ‘buitenperspectief ’ van een steeds complexere wereld ontwikkelden zij hun vak, deskundigheid en sociale positie. Net als de eeuw waarin ze leefden, waren hun activiteiten ‘wentelend’ en zij zelf dynamisch in het tot stand brengen van een oeuvre waarin kennis, doen en maken waren ingebed in de structuur van een commerciële firma. Dat geldt net zo goed voor stamvader Hendrik van Lunteren als voor zijn nakomelingen, die met succes in de voetsporen traden van de door hun vader en grootvader uitgezette weg naar professionalisering.

n oten

1 De Tijd: godsdienstig-staatkundig dagblad, 10 april 1875.

[ 23 ] inleid in g

Het leest als een sprookje: dankzij een onverwachte erfenis kon de jonge tuinknecht Hendrik van Lunteren de bloemen boomkwekerij ‘Flora’s Hof ’ stichten aan de voet van de Domtoren. De succesvolle onderneming vormde de thuisbasis van drie generaties Van Lunteren – Hendrik, zoon Samuel en kleinzoon Izaak – die gedurende de negentiende eeuw tot de landelijke top van de horticultuur en (landschaps)architectuur behoorden. Zij waren telkens op de hoogte van internationale ontwikkelingen, of het nu ging om nieuw geïmporteerde planten, bouwtechnische innovaties of ideeën omtrent volksgezondheid.

Hun oeuvre is gerelateerd aan de grote thema’s uit de negentiende eeuw: met ontwerpen voor openbare wandelplaatsen en zelfs complete buitenplaatsen bedienden zij de Utrechtse elite. Vanuit een sterke maatschappelijke betrokkenheid zetten zij zich echter minstens zozeer in voor de verbetering van de leefomstandigheden van ‘minvermogenden’. Vanuit verschillende invalshoeken belicht dit boek deze ten onrechte vergeten familie en hun belangrijkste werken als architecten en landschapsontwerpers.

www.walburgpers.nl

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook