Skip to main content

9789048574094.inkijk_comp

Page 1


In Vlaanderen en Picardië ontstonden in de late elfde en eerste decennia van de twaalfde eeuw een aantal uitzonderlijke teksten: twee versies van het leven van de heilige Arnulfus, bisschop van Soissons en stichter van het Vlaamse klooster Oudenburg, en de autobiogra

Crépy schreef de eerste versie van het heiligenleven waarvan Hariulf van SaintArnulfus persoonlijk gekend en wist samen met Hariulf diens heiligverklaring te bewerk

Deze vier mannen waren rond het midden van de elfde eeuw

RENÉE NIP laat in dit boek zien hoe deze geschriften inzicht geven in de beleveniswereld van deze geestelijken, in een tijd dat sterke pausen de christengemeenschap leidden met de suprematie van hun morele

9 789048 574094 AUP.nl

Vlaanderen en Picardië, ca. 1000-1125

De macht van adel en kerk door de ogen van vier geestelijken

Amsterdam University Press

Afbeelding omslag: Gravensteen, foto Trougnouf (Benoit Brummer). Inzet: Museum van Schone Kunsten in Gent, ca. 1450

Ontwerp omslag: Fresj (Frederike Bouten)

Ontwerp binnenwerk: Crius Group, Hulshout

isbn 978 90 4857 409 4

doi 10.5117/9789048574094 nur 684 | 704

© R. Nip / Amsterdam University Press B.V., Amsterdam 2026

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 jº het Besluit van 20 juni 1974, Stb. 351, zoals gewijzigd bij het Besluit van 23 augustus 1985, Stb. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan de Stichting Reprorecht (Postbus 3051, 2130 KB Hoofddorp). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) dient men zich tot de uitgever te wenden.

De uitgeverij heeft ernaar gestreefd alle copyrights van in deze uitgave opgenomen illustraties te achterhalen. Aan hen die desondanks menen alsnog rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht contact op te nemen met Amsterdam University Press.

Inhoud

7.

10.

11.

Brugge

Sint-Pietersabdij

Oudenburg

Veurne Vladslo

V L A A N D E R E N

Cassel

Sint-Omaars

Saint-Omer/ Terwaan/ erouanne

Canche

Abbeville Abdij Saint-Riquier

Eine Oudenaarde Petegem Tiegem Pamele

Rijsel/ Lille Doornik/ Tournai

Atrecht/ Arras

Schelde

Dender

P I C A R D I

Beauvais Noyon

Abdij Notre-Dame de Nogent Abdij Saint-Germer-de-Fly

Catenoy Clermont-en-Beauvaisis

Vlaanderen en Picardië in de elfde eeuw.

ˆ Soissons

Abdij Saint-Médard

Reims Laon Coucy-le-Chateau

1. Een kennismaking

Drie uitzonderlijke teksten die in het eerste kwart van de twaalfde eeuw zijn voltooid in de graafschap Vlaanderen en de regio Picardië, vormen de aanzet tot deze studie. Het gaat hierbij om twee, of eigenlijk drie levensbeschrijvingen: twee versies van een heiligenleven en een spirituele autobiografie. Het heiligenleven betreft de Vlaamse heilige Arnulfus van Oudenburg, bisschop van Soissons en stichter van het Sint-Pietersklooster in Oudenburg, niet ver van Brugge. Een pupil van Arnulfus, Lisiard van Crépy, vervaardigde een eerste versie van dit heiligenleven, dat door Hariulf, derde abt van de abdij te Oudenburg, werd bewerkt en in 1114 werd voltooid. Lisiard en Hariulf gebruikten deze tweede versie om gezamenlijk de kerkelijke erkenning als heilige te bewerkstelligen van Arnulfus. Lisiard, inmiddels zelf bisschop van Soissons, was bevriend met de schrijver van de derde tekst, die wel de eerste autobiografie van de middeleeuwen wordt genoemd. De schrijver hiervan was Guibert, abt van het klooster Notre-Dame in Nogent bij Laon in Picardië. Hij beschrijft hierin zijn leven vanaf zijn geboorte. Deze vier mannen waren tijd- en streekgenoten en behoorden allen tot de geestelijke stand. Zij zullen onze gidsen zijn op onze zoektocht naar een lang voorbije wereld.

Het heiligenleven, Vita Arnulphi, episcopi Suessionensis (Leven van Arnulphus, bisschop van Soissons), is onze enige bron voor het bestaan en de wederwaardigheden van Arnulfus. In het volgende hoofdstuk vertellen we het levensverhaal van de heilige zoals dit in de twee versies ervan wordt gepresenteerd. De beide schrijvers, de hagiografen Lisiard en Hariulf, komen aan de beurt in het derde hoofdstuk, waarin hun leven en werken, hun motivatie, doelstellingen en werkwijze worden besproken.

De twee levensbeschrijvingen vinden aanvulling in een uniek geschrift van de hand van Guibert van Nogent bij Laon, dat in dezelfde tijd en regio tot stand kwam. De schrijver bood hierin inzicht in zijn spirituele groei als kloosterling en presenteerde bovendien zijn visie op kerkelijk leiderschap. Hij deed dit naar aanleiding van de rampzalige gebeurtenissen in 1112 in de stad Laon die hij zelf had meegemaakt. Hoofdstuk 4 behandelt Guibert’s leven en werken, in het bijzonder zijn zogenoemde autobiografie, getiteld Monodia (Gezangen voor één stem). Anders dan Lisiard waren Guibert en Hariulf echte schrijvers en zij hebben dan ook meer werken op hun naam staan. Voor zover deze bewaard zijn gebleven, zijn ook die geschriften van grote waarde als bronnen voor de beeldvorming van de periode die de voorbode was van de zogenoemde twaalfde-eeuwse renaissance, een tijd waarin, onder andere, handelssteden en universiteiten hun opkomst maakten.

Vlaanderen en Picardië, ca. 1000-1125

Deze drie teksten, waarbij onze vier geestelijken zijn betrokken, vormen samen een rijke bron voor onze kennis van de ontwikkelingen, in het bijzonder binnen de kerk, vanaf het midden van de elfde eeuw en de gevolgen ervan in het Frankische koninkrijk, Frankrijk, waartoe in de middeleeuwen ook Vlaanderen behoorde. Hierbij is gemakshalve gekozen voor het gebruik van de moderne terminologie Frankrijk, Franse en Fransen in plaats van het Frankische rijk, Frankisch en Franken, ook al is dit eigenlijk een anachronisme.

Deze werken stonden vanzelfsprekend niet op zichzelf en vereisen hierom toetsing en aanvulling met behulp van andere verhalende en andersoortige bronnen, bijvoorbeeld documentaire. Sommige zijn rechtstreeks geraadpleegd wanneer edities voorhanden zijn; andere op basis van bestaande wetenschappelijke literatuur. Informatie hierover is te vinden in verkorte vorm in het notenapparaat, dat voor de volledige annotatie verwijst naar de bibliografie die aan deze studie is toegevoegd.

Enkele aanvullende bronnen zijn onmisbaar en kunnen niet over het hoofd worden gezien. Voor de voorgeschiedenis van de ontwikkelingen die onze drie schrijvers meemaakten, waren dat de werken van Raoul Glaber. Deze Bourgondische monnik schreef een wereldgeschiedenis, maar ook een levensbeschrijving van de heilige Willem van Volpiano. Willem van Volpiano wist in de late tiende en vroege elfde eeuw een groot aantal kloosters van Noord-Italië tot in Normandië nieuw leven in te blazen.1 De ontwikkelingen in Picardië en Vlaanderen vonden vanzelfsprekend niet in een isolement plaats en dit maakt uitstapjes naar bijvoorbeeld het hertogdom Normandië in het westen van Frankrijk onontbeerlijk. Guibert van Nogent, had daar belangrijke contacten. Daarnaast is het verhaal van de heilige Simon van Crépy een interessante, aanvullende bron. Simon was een Picardische ridder en tijdgenoot van de heilige Arnulfus, bisschop van Soissons. Deze edelman besloot net als Arnulfus om het ridderschap achter zich te laten en monnik te worden. Zijn levensbeschrijving laat zien hoe ingrijpend de gevolgen hiervan waren voor Simons familie en hoeveel obstakels hij moest overwinnen om dit plan daadwerkelijk uit te voeren.2 Informatie over de geraadpleegde bronnen is ook in het notenapparaat en de bibliografie te vinden.

Onze drie auteurs schreven in het Latijn, de taal van de kerk en de geestelijkheid. Hun beoogde publiek bestond hierdoor voornamelijk uit geestelijken die als tolken voor de geloofsgemeenschap konden fungeren. Geestelijken waren in die tijd de geletterden, die te maken kregen met

1 Zie hoofdstuk 6.

2 Zie hoofdstuk 2.

5. Vier geestelijken

Onze vier hoofdpersonen waren weliswaar geboren in de tweede stand, de stand van de krijgers, maar ze behoorden een groot deel van hun leven tot de eerste stand, die van de oratores, de bidders. Deze stand omvatte een grote verscheidenheid aan geestelijken. Allereerst was er sprake van een tweedeling in seculiere en reguliere geestelijken. De seculiere geestelijken waren de mannen die de kerkelijke organisatie onderhielden en daarnaast verantwoordelijk waren voor de zielzorg van de aan hen toevertrouwde gelovigen. De term seculier of wereldlijk om deze geestelijken van monniken te onderscheiden stamt overigens pas uit de twaalfde eeuw.1 Seculieren of wereldheren – dit waren uitsluitend mannen – stonden met hun gezicht naar de wereld, in tegenstelling tot de reguliere geestelijken of kloosterlingen, die de wereld juist de rug wilden toekeren en waar overigens wel plaats was voor vrouwen. Er bestond een zekere rivaliteit tussen de reguliere en seculiere geestelijkheid, waarbij regulieren zich dikwijls beschouwden als superieur aan seculieren vanwege hun grotere afzondering van het wereldse. De scheiding tussen deze twee typen geestelijken was niet zo scherp als hier wordt gesuggereerd en er bestonden verschillende tussenvormen. Daarnaast kenmerkten de hoge middeleeuwen zich door een toenemend aantal kluizenaars. Dit is een verzamelnaam voor een veelsoortigheid aan religieuzen, zowel mannen als vrouwen, die dikwijls buiten de geijkte kerkelijke kaders hun leven aan God wijdden. De heilige Arnulfus heeft van alle drie categorieën geestelijken deel uitgemaakt. Hij begon als een reguliere geestelijke, als een kloosterling.

Reguliere geestelijken

Reguliere geestelijken waren kloosterlingen, monniken en nonnen, die binnen de muren van een klooster in een gemeenschap onder leiding van een abt of abdis samenleefden. Ze onderwierpen zich aan een regel en legden de geloften van gehoorzaamheid, armoede en kuisheid af. Met deze drie kloostergeloften beloofden ze onvoorwaardelijke trouw aan de abt of abdis, het afzien van enige vorm van persoonlijk bezit en een celibatair bestaan. Zij hielden zich aan de stabilitas loci , dat wil zeggen dat zij in principe hun hele leven in het klooster bleven waar ze waren ingetreden. Enkelen

1 Barrow, The Clergy in the Medieval World, p. 3.

en Picardië, ca. 1000-1125 werden naar elders geroepen, bijvoorbeeld om ergens abt of bisschop te worden. Tot de late elfde eeuw volgden de meeste kloosterlingen de Regel van Benedictus, maar dit betekende geen eenheid en uniformiteit. Van de benedictijner orde als organisatie was nog geen sprake en elk klooster behield binnen de kerk zijn autonomie. Net als in voorgaande eeuwen leidde dat tot een grote verscheidenheid die werd bepaald door lokale omstandigheden en gewoonten. Van invloed waren vanzelfsprekend de locatie en economische mogelijkheden, maar ook de banden met de omringende lekenwereld en de daar heersende cultuur. Stichters en hun nakomelingen hielden zekere verplichtingen, maar eisten ook bepaalde rechten op. Zij en andere weldoeners maakten net als hun vrienden en verwanten gebruik van de diensten van de kloosterlingen, die immers uit hun eigen gelederen afkomstig waren. Kerkelijke hervormingsbewegingen poogden met wisselend succes verandering te brengen in deze nauwe connecties tussen de reguliere geestelijken en de lekenwereld.2

De taak van de kloosterlingen in het algemeen was om voor alle christenen de weg naar het hiernamaals te bereiden. Vrij van aardse zorgen konden zij zich wijden aan het zingen van Gods lof, aan gebed, boetedoening en het herdenken van de doden. Uiteraard ging hierbij hun grootste aandacht uit naar hun eigen familie, beschermers en weldoeners naast hun medebroeders en -zusters. Aanvankelijk deden zij niet aan zielzorg en lieten zij de kerken waarvoor zij verantwoordelijk waren, door seculiere geestelijken bedienen.

Het was niet vanzelfsprekend dat monniken de priesterwijding ontvingen, maar het aantal priester-monniken nam in de loop van de elfde eeuw gestaag toe. Armen- en ziekenzorg was naast opvang van reizigers, in het bijzonder pelgrims, een plicht.

Hariulf van Saint-Riquier bewandelde de traditionele weg die al op jonge leeftijd begon. Dit betekende dat hij, zoals de meeste monniken in die tijd, als oblaat in de kloostergemeenschap was opgenomen.3 De overdracht van een kind als oblaat was een plechtige gebeurtenis en vond bij het altaar in de kloosterkerk plaats. De vader legde uit naam van zijn zoon of dochter de drie kloostergeloften af, waarna het kind de schriftelijke neerslag hiervan op het altaar legde. Deze geloften waren onherroepelijk, zowel voor de ouders als voor het kind. De heersende gedachte was dat kinderen nog onbezoedeld waren door de wereld. Het draaide er hierbij in het bijzonder om dat zij nog vrij van seksuele driften waren en dat hun opname op jonge leeftijd binnen de beschutting van de kloostermuren hen bescherming bood tegen wereldse

2 Vanderputten, Medieval Monasticisms, pp. 37-69.

3 Zie hoofdstuk 3.

5. Anselmus van Bec
4. Benedictus van Nursia, grondlegger van het Westeuropese kloosterwezen
6. Kerk van de abdij Saint-Riquier bij Abbeville
7. Tonarium van SaintRiquier, fragment

7. Vier geletterden

Onderwijs en wetenschap waren bij uitstek het terrein van de geestelijkheid.

In de volle middeleeuwen vormden kloosters en kathedralen de culturele centra, die de christelijke beginselen en de klassieke erfenis behoedden en uitdroegen, onder andere door het geven van onderwijs en het beoefenen van wetenschap. Kloosters en kathedralen beschikten over bibliotheken, waarin behalve de bijbel en de geschriften van de kerkvaders klassieke en andere gezaghebbende werken werden bewaard en vervaardigd. Met het verval als gevolg van de invasies in de negende eeuw van in het bijzonder de Vikingen waren veel kennis en wetenschap verloren gegaan. Bibliotheken waren geplunderd of door brand vernietigd. Het ontbrak daardoor in de elfde eeuw aan goed opgeleide geestelijken, terwijl er een groot tekort aan capabele docenten was. Hierin kwam, zoals we zullen zien, in de twaalfde eeuw verandering.

In de middeleeuwen diende kennis allereerst ter ondersteuning van het christelijke geloof, het geloof in God, Zijn schepping en Zijn wetten. Centraal stond daarbij de theologie, die zich bezighield met de interpretatie van de bijbel en andere geschriften die autoriteitswaarde bezaten. Dat betekende dat voor de geleerden vaststond dat deze de waarheid bevatten en dat de inhoud niet ter discussie stond. Wat wel tot discussie kon leiden was de interpretatie ervan. Wat bedoelde de schrijver precies? De taak van de geleerden bestond eruit om de juiste versie van de teksten vast te stellen, onderlinge discrepanties te verklaren en op basis daarvan de orthodoxe leer vast te stellen. Methoden voor onderzoek en onderwijs berustten ook op de nalatenschap van het Romeinse Rijk. Dat gold ook voor kennis en vaardigheden die nodig waren om de kerkelijke en maatschappelijke organisatie gaande te houden. Werken uit de oudheid, over wetgeving en recht, astronomie, geneeskunde, het agrarisch bedrijf, maar ook over filosofie, dichtkunst en didactiek hadden een vergelijkbare autoriteitswaarde als de theologische en waren ook te vinden in de klooster- en kathedraalbibliotheken. Naast economische en demografische groei, toenemende mobiliteit en hervormingsbewegingen binnen de kerk, waren vanaf de tweede helft van de elfde eeuw de centralisatiepolitiek van paus Leo IX en zijn opvolgers van grote invloed op de ontwikkelingen in onderwijs en wetenschap. Daarnaast speelde ook de vernieuwing van het zangonderwijs een rol, omdat dat essentieel was ter voorbereiding op de uitvoering van de liturgie. De toename van contacten met andere culturen in het Middellandse Zeegebied in de twaalfde eeuw zou deze in een stroomversnelling brengen.

De eerste helft van de elfde eeuw

Onderdeel van de wederopbouw van kerken en kloosters, die in de tiende eeuw op gang was gekomen, was vanzelfsprekend het herstel van de bibliotheken. In de kroniek van Saint-Riquier, die Hariulf als monnik van deze abdij had samengesteld, lezen we bijvoorbeeld dat abt Enguerrand (†1045) ter bevordering van de studie binnen het klooster vele boeken aanschafte, teksten liet afschrijven en zelf enkele geschriften vervaardigde. 1 Zijn opvolger, abt Gervin I, zette zijn werkzaamheden voort. De kroniek van Saint-Riquier bevat onder andere een opsomming van alle teksten die Gervin voor de kloosterbibliotheek had laten vervaardigen en in zesendertig banden had laten samenbrengen.2

Eerder al, rond het jaar 1000, had de hervormingsgezinde geestelijke Willem van Volpiano op zijn reizen vastgesteld dat het met het onderwijs in Frankrijk bedroevend was gesteld, waardoor bijna niemand meer de psalmen kon lezen en zingen. Daarom stichtte hij volgens zijn hagiograaf Raoul Glaber voor de geestelijken een groot aantal scholen, waar broeders met kennis van zaken onderricht moesten geven. Deze scholen moesten toegankelijk zijn voor allen die hierop af kwamen, of ze nu slaaf of vrij man waren, rijk of arm. Voor Willem van Volpiano en Raoul Glaber zal het zo vanzelfsprekend zijn geweest dat ze het niet onder woorden hoefden te brengen, maar dit onderwijs was uitsluitend voor jongens en mannen bedoeld. Voor meisjes bestonden er andere wegen om tot een goed christen te worden gevormd. Onderwijs geven was in de opvatting van Willem een vorm van liefdadigheid. De scholing die hem voor ogen stond was erop gericht om het geestelijken en leken mogelijk te maken hun religieuze verplichtingen naar behoren te vervullen. Door zijn toedoen kregen alle hervormde kloosters in Normandië een eigen school en in navolging hiervan vestigden de Normandische bisschoppen in de loop van de elfde eeuw ook scholen aan de kathedralen in de steden. Daarnaast kwamen op het platteland adellijke collegiale kerken tot stand en scholen voor de opleiding van parochiegeestelijken.3

Willems activiteiten stonden in de traditie van Cluny, waarin het streven centraal stond om de liturgie, de goddelijke eredienst in zijn oude luister te herstellen. De voornaamste taak van de kloosterlingen was om liefst de klok

1 Thompson, Hariulf’s History of St Riquier, pp. 196-198 IV.1.

2 Ledru, Saint-Riquier ; Thompson, Hariulf’s History of St Riquier, pp. 264-266 IV.32.

3 Rodulfus Glaber, Vita domini Wilhelmi, ed. Gazeau en Goullet, pp. 48-55 c. 7; Neveux, La Normandie, pp. 327-352.

Vrouwen in een mannenwereld

Dit verhaal ging tot nu toe over mannen, wat mannen hebben bedacht en hoe mannen daarmee omgingen. Het betreft hierbij niet eens alle mannen, maar slechts een kleine elite, die de maatschappij in de hoge middeleeuwen domineerde. Ze vormden de twee hoogste standen en bezaten het kerkelijke en wereldlijke gezag in deze patriarchale, hiërarchische wereldorde. Zo had God het gewild. Hiervan was iedereen, ook de mannen van de derde stand en de vrouwen van alle standen, overtuigd. Bovendien deelden allen dezelfde opvattingen over de plaats van de vrouw daarin. Het was voor iedereen vanzelfsprekend dat de man aan het hoofd stond en de vrouw aan hem ondergeschikt was. Zij werd als een gemankeerde man beschouwd, waardoor zij in lichaam en geest zijn mindere was. Zij was zwak en behoefde leiding, leiding van een man.

Dat betekende evenwel niet dat een vrouw in de maatschappelijke hiërarchie aan alle mannen onderworpen was. Zij deelde in de status van de man onder wiens verantwoordelijkheid zij viel, haar vader, broer, voogd, echtgenoot of zoon, maar zij stond boven iedere man, die tot een lagere rang behoorde. Deze verhoudingen waren alom als door God gewild geaccepteerd en stonden in het dagelijkse bestaan niet ter discussie. Geleerden stoelden de ongelijkheid van man en vrouw op theologische en medische kennis, die beide hun wortels hadden in de nalatenschap van de klassieke oudheid. Deze vakgebieden vormden geen gescheiden denkwerelden en werden beide beheerst door geestelijken, dat wil zeggen door mannen.

Het is niet verwonderlijk dat in een wereld waarin mannen de dienst uitmaakten en het mannen waren die hierover schreven, er weinig over vrouwen bekend is. De gegevens die we kunnen vinden zijn fragmentarisch en bieden geen algemeen en eenduidig beeld over het verloop van een vrouwenleven van de wieg tot het graf in de volle middeleeuwen. En, ook hier geldt dat wat we kunnen achterhalen voornamelijk vrouwen uit de hoogste kringen betreft. Daarbij komt dat de meerderheid van die schrijvers geestelijken waren, die in de mannenwereld van een kloostergemeenschap leefden waarin zij dikwijls op jonge leeftijd waren opgenomen. Zij waren sterk beïnvloed door het beeld van de vrouw dat uit de bijbel en de werken van de kerkvaders en andere autoriteiten naar voren kwam. Dit geldt in het bijzonder voor heiligenlevens waarin een vrouw de hoofdrol vervult en die door geestelijken zijn samengesteld. Met alle problemen van dien vormen zij voor ons een belangrijke bron. Vanzelfsprekend bestond ‘De Vrouw’ niet en was dit beeld niet meer dan een abstractie, die de visie op

Vlaanderen en Picardië, ca. 1000-1125 vrouwen sterk kleurde, wie zij waren, hoe zij zich gedroegen en hoe zij zich moesten gedragen.

De algemeen geaccepteerde ondergeschiktheid van vrouwen bleef niet zonder gevolgen, maar leidde niet tot onderdrukking of vrijheidsberoving, zoals dat in sommige andere culturen het geval was en is. Vrouwen werden in de christengemeenschap als regel in hun waarde gelaten, al werden zij als minderwaardig aan de man beschouwd. Dit had echter wel gevolgen voor de mogelijkheden die zij hadden. Zo waren zij in juridische zin handelingsonbekwaam en dat bleven ze nog eeuwenlang, in Nederland tot 1956 en in België tot 1958. Dat betekende bijvoorbeeld dat wanneer een vrouw uit haar eigen goederen een schenking aan een klooster wilden doen, zij daar voor niet alleen de toestemming van haar echtgenoot nodig had, maar ook zijn handtekening of zegel om de akte waarin dit werd vastgelegd rechtsgeldigheid te verlenen. Ook erfdochters en weduwen, die betrekkelijk onafhankelijk waren, moesten hiervoor een beroep op een man doen, een familielid of een voogd.

Daarnaast waren vrouwen uitgesloten van publieke ambten en ambten binnen de kerk als instituut. De uitsluiting uit de kerkelijke organisatie had misschien wel de grootste gevolgen. Vrouwen konden en kunnen geen priester of bisschop worden, laat staan paus. Ze mochten en mogen geen erediensten houden, sacramenten toedienen en zielzorg verlenen. Kortom, zij konden niet het morele gezag van de kerk uitoefenen, maar hadden slechts een dienende functie te vervullen en dat dan nog alleen onder begeleiding van een mannelijke geestelijke. Binnen de rooms-katholieke kerk is hierin tot op de dag van vandaag nauwelijks iets veranderd. Het kloosterwezen bood vrouwen in de middeleeuwen wel de mogelijkheid om een leidinggevende taak uit te oefenen, namelijk als abdis of priorin in een nonnenklooster. Ook dan waren zij echter afhankelijk van mannelijke geestelijken, die de belangrijkste taken van de kerk voor hun rekening namen, namelijk het uitvoeren van de erediensten en verlenen van zielzorg. Die taken waren nu eenmaal aan mannen voorbehouden. Dikwijls draaide het eropuit dat nonnenkloosters onder toezicht stonden van de abt van een mannenklooster.

Meisjes ondervonden er al jong de gevolgen van dat zij van jongens verschilden. Zij hadden bijvoorbeeld geen toegang tot het onderwijs aan de officiële klooster- en kathedraalscholen en later de universiteiten. Deze hadden nu eenmaal als eerste doel geestelijken op te leiden om een functie binnen de kerk te kunnen bekleden. Nonnenkloosters konden hier een alternatief bieden, zij het niet altijd een gelijkwaardig alternatief. Desondanks slaagden vrouwen er, zoals we zullen zien, steeds weer in om een actieve en invloedrijke rol te vervullen en een sterkere positie in te nemen dan we op grond van deze belemmeringen zouden verwachten.

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook