Werelddenkers
Een nieuwe geschiedenis van de filosofie, tot aan Descartes
Gerard Drosterij en Bob van Geffen
Amsterdam University Press
Afbeelding omslag: Delphische Sibylle. Fresco in de Sixtijnse Kapel, door Michelangelo Buonarroti gemaakt in 1509, Rome.
Schutblad voor: de uitgestrektheid van de Griekse cultuur aan het begin van haar filosofie (ca.750-300 v.Chr.). Getekende kaart uit 2023 door Rolf Weijburg. Schutblad achter: het Romeinse Rijk in het eerste deel van de vierde eeuw. Getekende kaart uit 2023 door Rolf Weijburg.
Ontwerp omslag: Suzan Beijer
Ontwerp binnenwerk: Crius Group, Hulshout
isbn 978 90 4855 854 4
e-isbn 978 90 4855 855 1 doi 10.5117/9789048558544 nur 732
© Gerard Drosterij en Bob van Geffen / Amsterdam University Press B.V., Amsterdam 2023
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 jº het Besluit van 20 juni 1974, Stb. 351, zoals gewijzigd bij het Besluit van 23 augustus 1985, Stb. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan de Stichting Reprorecht (Postbus 3051, 2130 KB Hoofddorp). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) dient men zich tot de uitgever te wenden.
De uitgeverij heeft ernaar gestreefd alle copyrights van in deze uitgave opgenomen illustraties te achterhalen. Aan hen die desondanks menen alsnog rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht contact op te nemen met Amsterdam University Press.
Inhoudsopgave
Deel I Wat is filosofie?
Inleiding tot deel I 17
1. Wat is filosofie? 19
De bewustwording van wijsbegeerte door leren, kennen en kunnen 19
Doelen en methoden van de filosofie 20
De methode van filosofie en de invloed van het modern-wetenschappelijke denken 23
Logica, ethiek, techniek, contemplatie: vier manieren van filosofisch kennen 25
2. Het religieuze en politieke aspect van de filosofie 31
Werelddenkers: het begrijpen van de wereld en de mens, en je verhouding daartoe 31 Politiek en religie: twee fundamentele thema’s in de filosofie 32
3. Over de opzet van het boek 47
Een ‘westerse’ filosofiegeschiedenis is een ‘Euro-mediterrane’ geschiedenis van de filosofie
actualiteit van werelddenkers
Deel II Het begin van de filosofie
Inleiding tot deel II
1. De verbeelding van bewustwording 59
Inleiding tot het hoofdstuk 59
Homo sapiens sapiens: de ontwikkeling van de mens in vogelvlucht 59
De veruiterlijking van kennis: afbeeldingen, objecten en taal 60
De theorie van de spiltijd: de menselijke bestaansbewustwording 63
2. Bewustwording van filosofie 67
Inleiding tot het hoofdstuk: mythen en mythologie 67
Van mythen naar de mythologie: Homerus en Hesiodus 69
De schepping van de kosmos als thuis voor mensen en goden 70
De stoutmoedigheid van Prometheus: wens en waarschuwing 72
Een mythische psychologie: het conflict tussen Achilles en Agamemnon 76
Tussen anankè en tuchè: de tragedie van de mens 82
3. Tussen kunstmatig en waarachtig: Plato over mythologie en filosofie 87
De filosofische waarde van de mythologie 87
Plato’s onderscheid van drie vakgebieden 88
Het leven dat ons toevalt en overkomt: Plato’s mythe van Er 93
De mythen en hun veranderd zicht op goden en mensen 98
4. Het begin van de Griekse filosofie 101
Het ontstaan van de vroege Griekse filosofie rond 600 v.Chr. 101
De vraag naar de natuur en de kwestie van oneindigheid: de Milesische filosofen
104
Het lijkt logisch, maar verandert voortdurend, of toch niet? Heraclitus en Pythagoras 106
5. Filosofie wordt een zelfstandig vak 113
De logische kracht van het denken: Parmenides van Elea 113
De paradox van het denken: Zeno van Elea 116
Een mechanisch-materialistische opvatting van de werkelijkheid:
Democritus van Abdera 118
Een balans en een conclusie: de filosofie wordt zich bewust van zichzelf 120
6. Een kleine geschiedenis van de polis, in het bijzonder Athene 125
Inleiding tot het hoofdstuk 125
Een schets van de Griekse polis, haar opbouw en cultuur 126
Het politieke bestel van Sparta en Athene en de hervormingen ervan 130
De strijd tussen aristocraten en democraten in Athene 135
7. De intrede van de praktische filosofie: Socrates van Athene 141
Inleiding tot het hoofdstuk 141
De horzel van Athene 142
Socrates, een praktisch wijsgeer 143
Valt kennis aan te leren? De ontmoeting van Socrates met Protagoras van Abdera 145
8. De rechtszaak tegen Socrates en zijn verdediging 157
De aanklachten tegen Socrates en zijn verdediging 157
Een menselijke wetenschap 160
Hoe moet de terechtstelling van Socrates nu beoordeeld worden? 169
Deel III Plato en Aristoteles: grootmeesters van de Griekse filosofie
Inleiding tot deel III 177
1. De kracht van het denken: Plato 179
Een korte biografie van Plato 179
Plato’s drievoudige onderzoeksagenda 181
Symposion: de mens als wezen tussen het aardse en het geestelijke 186
Denken aan vormen is de ware werkelijkheid 196
Het verhaal van de grot: vier stadia van het Platoonse kenproces 204
2. De inherente beperking van het denken: Aristoteles 213
Een korte biografie van Aristoteles 213
Aristoteles’ uitdaging: een kritische voortzetting van Plato’s gedachtegoed 215
De onherleidbaarheid van denken en ervaren: Aristoteles’ epistemologie 217
Volwassenwording in de natuur: Aristoteles’ ontologie 224
Terugblik op de twee vorige hoofdstukken en een vooruitblik 232
3. Het voortreffelijke functioneren van de ziel: ethiek bij Plato en Aristoteles 235
Inleiding tot de komende hoofdstukken 235
Plato over de driedeling van de ziel 236
Aristoteles’ verdere ontwikkeling van Plato’s theorie van de ziel 242
Voortreffelijkheid van karakter: Aristoteles over handelen 251
4. Naar ieders verdienste: Plato’s politieke filosofie
Inleiding tot hoofdstukken 4 en 5: een verkenning van het begrip
259
‘politiek’ 259
Is rechtvaardigheid het recht van de sterkste? Socrates in discussie met Thrasymachus 264
Van aristocratie naar tirannie: Plato’s schets van de ontaarding van de polis 272
De ‘filosofenstaat’: Plato’s voorstelling van de ideale polis 277
5. De gemengde staatsvorm: Aristoteles’ politieke filosofie 287
Algemene rechtvaardigheid: de volkomen voortreffelijkheid als spiegel voor de burger 287
Rechtvaardigheid als voortreffelijk handelen 290
Specifieke rechtvaardigheid als herstellende rechtvaardigheid 295
Specifieke rechtvaardigheid als politieke rechtvaardigheid 298
Het gevaar van politiek eenheidsdenken 305
Politeia: het streven naar een evenwichtig politiek bestel 310
Aristoteles en Plato over burgerschap: het vermogen om te besturen en bestuurd te worden 317
Deel IV De hellenisering, latinisering en kerstening van
1. Het hellenisme: de verspreiding van de Griekse filosofie 337 Inleiding 337
De verovering van Griekenland door Macedonië 337
Hellenisme: de verspreiding en vermenging van de Griekse filosofie 338
2. Filosofie van twijfel en wantrouwen: het scepticisme en cynisme 343
Inleiding: de dubbelzinnige interpretatie van Socrates’ gedachtegoed 343
Autarkie als zelfgenoegzaamheid: Antisthenes van Athene 344
Cynisme en kosmopolitisch burgerschap: Diogenes van Sinope 347
3. Het stoïcisme: de beschaafde versie van het cynisme 351
De monarchie van (seksuele) vrijheid: Zeno van Citium 351
De inherente goddelijkheid van de materie: Cleanthes van Assus en Chrysippus van Soli 354
Het inzien van de logische gang der dingen: de stoïsche ethiek 357
Tot besluit: verschillen en overeenkomsten in de Griekse filosofie 359
4. Epicurus: de filosofie van het welbegrepen eigenbelang 363
Een teruggetrokken, maar niet onttrokken bestaan: Epicurus van Samos 363
Epicurus’ ontologie en epistemologie 364
De instrumentalisering van de filosofie, of een kenleer die vanzelf in een ethiek overgaat 366
Conventioneel natuurrecht: welbegrepen eigenbelang als basis van rechtvaardigheid 370
Besluit: het hellenisme aan de vooravond van de Romeinse overheersing 372
5. Rome op z’n sterkst: Marcus Tullius Cicero en de filosofie van recht en bestuur 375
Inleiding 375
Een schets van de cultuur en structuur van de Romeinse republiek (600-44 v.Chr.) 377
De ontwikkeling en karakter van het Romeinse politieke bestel en het recht 379
De cirkel van Scipio: de hellenisering van Rome 387
Een groots leven in de nadagen van de Romeinse republiek: Marcus Tullius Cicero 390
Een eclecticus: de filosofie van Cicero 394
De officiis: over de verantwoordelijkheden van de Romeinse magistraat 397
Cicero’s uitleg van de Res Publica Romana en het natuurrecht 407 Lichamelijk en geestelijk vrijgemaakt: Epictetus 413
6. De eerste eeuwen van het christendom 417 Inleiding 417
Het Joodse volk en zijn cultuur 417
De Joodse verwerking van de Griekse filosofie: Philo van Alexandrië 418
Een praktische uitdaging voor de filosofie: Jezus van Nazareth 421
Jezus wordt Christus: het verhaal van Paulus 426
Justinus de martelaar en de ‘kerkvaders’ 437
De emanatieleer: Plotinus 442
Wat is nu eigenlijk christendom? 446
De Cappadociërs: Gregorius van Nazianze, Gregorius van Nyssa, Basilius de Grote 451
7. Aurelius Augustinus: de waarheid als geschenk 455
Inleiding 455
De intellectuele ontwikkeling van Augustinus 456
Augustinus’ Belijdenissen: waarom ware kennis een geschenk is 459
Het verhaal van de perenboomgaard: een fundering van christelijke ethiek 467
God? 471
De sociaal-politieke omstandigheden in de derde en vierde eeuw 473
Het besturen van twee werelden: De Civitate Dei 476
8. De Romeins-christelijke visie: geloof als bron van de universele rede 485
Terug naar de mythen? 485
Augustinus en het uiteengaan van Oost en West 488
De zwanenzang van het Oosten: Boëthius 490
Het ontstaan van de orthodoxie 493
vastleggen in taal 496
Deel V Het ontstaan van Europa: de middeleeuwen (500-1000)
Inleiding tot deel V 503
De moeilijkheid van de term ‘middeleeuwen’ 504
De moeilijkheid van de grenzen van de middeleeuwen 506
De moeilijkheid van het christelijk karakter van de middeleeuwen 509
De moeilijkheid van het christelijk denken 513
Conclusie: hoe zien we de middeleeuwen? 514
1. Het einde van het West-Romeinse rijk en de contouren van een nieuwe samenleving 517
De vijfde en zesde eeuw: de politieke transformatie van het WestRomeinse rijk 517
Toegewijd leven: hoe het christelijke denken en handelen in kloosters vorm krijgen 521
Twee wegen naar het Westen 525
De invloed van kloosters op taal, onderwijs en cultuur 526
De economische en politieke betekenis van kloosters 528
De regel van Benedictus van Nursia 531
2. Tussen Augustinus en Karel de Grote: de filosofie in de eerste
eeuwen van de middeleeuwen 537
De vorming van een kloof tussen Oost en West 537
Filosofie van de theologische ontkenning: Dionysius de Mysticus 542
Gratia supponit naturam, of de genade vervangt de natuur: Gregorius de Grote 550
Een eerste vastleggen van christelijke cultuur: Isidorus van Sevilla 555
3. Vroeg humanisme: de filosofische theologie van de islam 557
Weer wordt een religieuze ervaring filosofie en politiek: Mohammed 557
De verdere ontwikkeling en kenmerken van de vroege islam 559
De jonge islamitische filosofie en het jonge christendom: Johannes
Damascenus 565
De verhouding tussen de wereld en het goddelijke in de islamitische filosofie 568
De islam als mystiek: Râbi’a van Basra 569
Klassieke islamitische filosofen over de verhouding tussen geloof en rede 571
Een synthese van filosofie, mystiek en orthodoxie: Al-Ghazali 578
Samenvatting van het middeleeuwse islamitische denken 581
4. Joodse filosofie: dialoog met een onkenbare God 585
5. Christelijke renaissance van de Pax Romana: Karel de Grote 587
De Karolingische eenwording van bestuur 587
De latinisering van de filosofie: Alcuinus 591
Een christelijke emanatieleer: Scotus Eriugena 594
Tussenconclusie: de spanning tussen de Griekse en de Latijnse geest 597
6. Het begin van de scholastiek 599
Noordwest-Europa rond 1000: het ontginningsgebied wordt zelfstandig 599
Economische welvaart en de omgang met geld: een nieuwe mentaliteit 601
De verwerkelijking van de kerkelijke organisatie en de emancipatie van haar onderwijs 603
Geloven om te kunnen begrijpen: Anselmus van Canterbury 612
Het menselijke leven dat in God is: Hildegard von Bingen 617
Het verlangen om het geloof verstandelijk te aanvaarden: Abelardus 620
De ‘universaliastrijd’ tussen ratio en credo: Petrus Abelardus en Bernardus van Clairvaux 626
Slot: de rede als fundament en steen des aanstoots 631
7. Opmaat voor de late middeleeuwen: de investituurstrijd en de breuk met het Oosten 633
Deel VI De late middeleeuwen: filosofie, theologie en politiek, een onderlinge uitdaging
Inleiding tot deel VI: een tussenstand van de middeleeuwen 641
Een typisch ‘laatmiddeleeuws’ misverstand: de zaak Galilei 642
1. De hervorming van de antieke metafysica 647
Het begin van het wetenschappelijke waarheidsbegrip van Averroës 647
De scholastieke repliek op Averroës: Thomas van Aquino 653
Thomistisch-dialectische metafysica: het denken als een vrij proces 657
Voorbeeld: de vermeende godsbewijzen van Thomas 661
Andere manieren van filosofisch kennen volgens Thomas 664
De verhouding tussen filosofie en theologie: een voorbeeld 666
Leren door ervaring en tussenconclusie 668
De rechtsopvatting van Thomas 670
2. Het nominalisme: over God filosofeer je niet 677
De metafysica onder vuur van verschillende kanten 677
Filosofie als weten en als geloven: William van Ockham en Duns Scotus 681
Modernisering in de middeleeuwse cultuur, in de ethiek en techniek 688
Een nieuwe investituurstrijd en het Grote Schisma tussen keizer en paus 690
De vernieuwing van de tweerijkenleer: Marsilius van Padua 692
Conclusie: denken los van God 697
3. Reform: het christelijke humanisme in de vijftiende eeuw 699
Inleiding 699
Reformatie en reform: een eerste verkenning en verheldering 699
De democratisering van de mystiek: de Moderne Devotie 702
De ‘ontdekking’ van het speculatieve verstand: Nicolaas van Cusa 707
Waarom zou God vrouwen slecht hebben geschapen? Christine de Pizan 714
Het Italiaanse humanisme en de cultuur van de middeleeuwse stadstaat 718
De verwerping van de tussenmens: kennis vanuit de mens zelf 719
De instrumentalisering van de politiek: Niccolò Machiavelli 726
De ‘middeleeuwen’ ten einde 735
De balans van de nieuwe weg 737
4. Van reform naar Reformatie: de politisering van de christelijke geloofshervorming 739
Inleiding: subjectivering van de filosofie en centralisering van de macht 739
Reform en Reformatie: de missie van Maarten Luther en Desiderius
Erasmus 742
Luthers denken: filosofie bezien vanuit het Bijbels geloof 746
Luthers kijk vanuit het geloof op de samenleving 749
Nieuwe eenheid, of spannende verdeeldheid? 752
Het ethisch gezag van de geestelijke macht: Johannes Calvijn 757
5. De kwestie van soevereiniteit en het probleem van tolerantie 763
Inleiding: de soevereiniteitsvraag en het tolerantieprobleem 763
Wat is absolute soevereiniteit? De Franse Reformatie en Jean Bodin 765
Nieuwe ruimte voor de filosofie: Michel de Montaigne 770
De monarchomachen en het recht van opstand 771
6. De strijd om het politieke en geestelijke leven in de Nederlanden in de zestiende eeuw 775
Inleiding tot het hoofdstuk 775
Het verhaal van de Nederlanden deel I: een inleiding 776
Het verhaal van de Nederlanden deel II: Bourgondische centralisatie 777
Ontwikkeling van gilden en stedelijk burgerschap in de Nederlanden 779
Het verhaal van de Nederlanden deel III: verdere verzakelijking onder
Habsburgs bewind 781
Nederlandse verscheidenheid: godsdienstig, politiek en filosofisch 783
Het verhaal van de Nederlanden deel IV: de politisering van de godsdienst 785
Het verhaal van de Nederlanden deel V: polarisatie en de vraag naar soevereiniteit 790
Het verhaal van de Nederlanden deel VI: de ideologische strijd om staat en kerk 797
Hervormde en calvinistische theologie, filosofie en politiek 802
Het verhaal van de Nederlanden deel VII: einde en een nieuw begin 808
813
815
Deel I
Wat is filosofie?
Inleiding tot deel I
Het is onze ervaring dat veel mensen merken dat ze nog niet klaar zijn met leren, ofwel omdat hun interesses nog dieper gaan, of omdat ze vinden nog te weinig geleerd te hebben. Zij zitten met allerlei vragen, zoals: Misschien wil ik wel verder leren, maar wat dan? Wat motiveert mij nu werkelijk? Hoe kan ik mijn gedachten handen en voeten geven, zonder mijzelf te verliezen, maar tegelijkertijd een bouwsteen in de samenleving zijn?
Precies dit soort vragen vormden de aanleiding om dit boek te schrijven. Voor ons is filosofie die zucht naar verder denken en naar het zoeken van doordachte opvattingen over de wereld.
Wij behandelen de geschiedenis van de filosofie als een volledig doorlopend verhaal: alles wat aan gedachten wordt ontwikkeld, steunt altijd op wat er allemaal aan is voorafgegaan, en elke gedachte leidt weer tot nieuwe ontwikkelingen. En in het verdere verloop van de geschiedenis zijn nog altijd de eerste en oudste gedachten ergens terug te vinden.
Een geschiedenis van de filosofie is echter ook filosofie, want net als bij elk fenomeen waarover je een verhaal vertelt, gaat er – al of niet duidelijk – een idee schuil achter dat verhaal. In dit geval is dat een idee van wat filosofie is. We zullen daarom dit eerste deel beginnen met uit te leggen wat volgens ons dat idee van de filosofie is. In de rest van het boek zullen veel filosofen aan het woord komen over wat zij ervan denken en hoe ze die gedachten vorm gegeven hebben.
Hoewel wij zo goed mogelijk de opvattingen van de denkers willen weergeven, zullen wij dat ook proberen te doen op zo’n manier dat de lezer de grote waarde én de schoonheid van filosofie kan zien. We zullen daarbij een leeshulp aanreiken in de vorm van een schema. Daar beginnen we mee. De lezer zal dan direct ervaren wat filosoferen is: via eenvoudige vragen al snel bij gecompliceerde antwoorden komen.
Daarna beginnen we met de beschrijving van de filosofie als een geschiedenis van de menselijke beschaving, in die zin dat zich in iedere gedachte ook een politieke en religieuze context ontvouwt, die beide ook een ontwikkeling kennen. Daarmee bedoelen we dat een nauwgezet begrijpen van mens en werkelijkheid (filosofie) altijd vragen oproept. Deze vragen hebben beschavingen gevormd en daarmee ook weer de geschiedenis van de filosofiebeoefening.
1. Wat is filosofie?
De bewustwording van wijsbegeerte door leren, kennen en kunnen
Wat filosofie is, zal wel altijd een vraag blijven, en dat is maar goed ook. In dit boek gaan we uitleggen waarom dat zo is.
In elke inleiding in de filosofie valt te lezen dat het begrip ‘filosofie’ afkomstig is van het Griekse woord filosofia, een samenstelling van filia, wat liefde of vriendschap betekent, en van sofia, wijsheid. In het Nederlands is het mooi vertaald met ‘wijsbegeerte’.
Dit betekent eigenlijk nog niks, want wat is die wijsheid dan?
Belangrijker is echter dat dit woord duidt op iets dat almaar doorgaat, het is een voortdurende begeerte. De betekenis van de begeerte naar wijsheid doet denken aan een natuurlijke toestand, als iets wat mensen met hun geboorte meekrijgen. Wijsbegeerte verwijst naar een ingebouwd menselijk verlangen om te begrijpen, te willen weten, een permanente staat van nieuwsgierigheid naar wat de dingen te betekenen hebben, naar wat er om je heen gebeurt of hoe je je voelt.
Deze betekenis van filosofie moge oppervlakkig lijken, een beetje naïef zelfs, want het is nog niet duidelijk wat wijsheid is, maar toch is het zoeken naar wijsheid vele eeuwen lang als dé kern van de menselijke conditie bestempeld – en is het ook al die tijd voor problemen blijven zorgen. Mensen verlangen als vanzelf naar groei en wijsheid, en ondertussen neemt dat allerlei verschillende vormen aan in culturen, intellectuele vermogens, karaktertrekken enzovoort.
De uitspraak ‘de mens is van nature filosofisch’ is vaak te horen, maar is op zich nog geen definitie van wat filosofie als activiteit is. Het is eerder een beschrijving van de mens, een karakterisering, maar dan wel een die meteen de reikwijdte van het begrip ‘filosofie’ laat zien: filosofie als natuurlijke activiteit is eigenlijk overal, en iedereen heeft er toegang toe. Je hoeft er als mens niet veel voor te doen om de aantrekkingskracht van een toestand van wijsbegeerte te ervaren – die zit in je. De vraag is alleen in hoeverre mensen in staat zijn om iets met die begeerte of dat verlangen te doen, maar dat is een volgende stap.
Filosofie als een voor ieder toegankelijke activiteit houdt dus ook in: het goed leren om te gaan met dat verlangen naar wijsheid, proberen te begrijpen wat dat verlangen inhoudt, waar het vandaan komt. Filosofie is ook een gevoelsactiviteit. Een filosoof wil de eigen beleving van wijsbegeerte begrijpen en daar grip op krijgen: wat betekent het woord ‘wijsheid’ dat ik
gebruik en wat is het doel waarnaar het verwijst? Waar zit mijn verlangen, valt dat te lokaliseren? Hoe moet ik daarmee omgaan in de wereld? En wanneer heb ik dat doel bereikt? Dat zijn allemaal grote vragen die voortkomen uit een bewustwording van dat verlangen. Dat zorgt ervoor dat die vragen ook weer overdacht zullen worden. Filosofie stopt nooit: van filosofie komt filosofie. Een volgende omschrijving van filosofie is dus: de bewustwording van de wijsbegeerte. Daarin ontstaat een specifieke aandacht voor het leer- en kenproces zelf als belichaming van die bewustwording. Filosofie is dan ook een ‘kritische’ activiteit, ook een woord dat afkomstig is uit het Grieks: krinoo, wat ‘onderscheiden, onderscheid maken’ betekent. Het verlangen naar wijsheid uit zich in een zoektocht en die zoektocht begint bij het op de juiste manier maken van onderscheid en de resultaten daarvan in betekenissen vertalen. De filosoof is als een detective die voortdurend raadsels voor de voeten geworpen krijgt, maar ook zelf weer nieuwe ontdekt. In de wijsbegeerte onderzoekt de wijsgeer de wereld en daarbij worden ook de eigen aanspraken van de filosofie en de veronderstellingen daarover onderdeel van kritiek. Dit is het kenproces van de filosofie.
Doelen en methoden van de filosofie
Een van de belangrijkste vragen in de filosofie is dan ook wat kennis eigenlijk is. Het kennen of leren van iets, wat is dat, hoe doe je dat en waar meet je aan af dat het kennis is? Bezien we het kenproces van een afstand, dan zijn er vele manieren van kennen: onderzoeken, doen, denken, weten, twijfelen, lezen enzovoort. De lerende mens verdiept zich op tal van manieren. Om beter te begrijpen of om te leren, sport hij, leest hij, gaat hij in gesprek, oordeelt hij, twijfelt en bidt hij.
Het onderdeel in de filosofie dat zich richt op het tot stand komen van kennis en de geldigheid ervan wordt ‘kenleer’ of ‘epistemologie’ genoemd (epistemè is ‘kennis’ in het Grieks). Een centrale vraag hierbij is welk doel die kennis en het vergaren ervan heeft. Waar richt je je op als je zoekt naar de betekenis van de dingen, als je ook gericht bent op het doordenken van dat zoekproces?
Doorgaans wordt een onderscheid gemaakt tussen theoretische en praktische doelen en wij zullen dat ook doen. Theoretische doelen in de filosofie gaan over het denken over het kennen van de dingen; praktische filosofie gaat over het denken over het doen van dingen. Filosofie gaat over hoe je het beste kunt denken over de dingen en over hoe die het beste gedaan kunnen worden. Bijvoorbeeld: wat is goed sporten? De theoretische filosofie
concentreert zich op het denken over de werkelijkheid van het sporten zelf en zoekt hoe daarover zo goed mogelijk nagedacht kan worden. Neem bijvoorbeeld de betekenis van sporten als zodanig: wat is dat sporten, en hoe kan de essentie daarvan gevonden worden? De praktische filosofie is het bewuste verlangen om dingen goed te doen en daar kritisch over te zijn en zoekt daarom bijvoorbeeld hoe je het beste kunt sporten.
Het onderscheid tussen theorie en praktijk is in de filosofie een veel beschreven kwestie, eigenlijk in alle wetenschappen. Vaak wordt dat onderscheid ook wel als tegenpolen gepresenteerd. ‘Theoretisch’ is dan: algemeen, abstract, diep, maar ook vaag en onbruikbaar; ‘praktisch’ is dan concreet, to the point, maar ook subjectief en opportunistisch. Je kunt er dus verschillende kanten mee op. Sommigen vinden dat filosofie gereserveerd zou moeten zijn voor het pure theoretische denken. Zij zien dat als de enige echte filosofie, want het gaat over de onderliggende structuren van de werkelijkheid. Zij menen dat filosoferen over het menselijke handelen niet mogelijk is, want de mens is subjectief, grillig en onvoorspelbaar en voortdurend aan verandering onderhevig. Daar, menen zij, zijn geen echte theorieën over mogelijk. Anderzijds zijn er ook filosofen die juist fronsen bij het idee van zuiver theoretisch denken. Zij vinden dat wereldvreemd, ongrijpbaar, onbewijsbaar en ‘metafysisch’. Filosofie moet juist praktisch zijn, nuttig en relevant, zo stellen zij. Laat haar vooral ingezet worden voor concrete, maatschappelijke oplossingen. Ten onrechte wordt dit verschil ook wel eens vereenzelvigd met het verschil tussen de alfa- en de bètawetenschappen: alfa staat dan voor de taal en poëzie, het chaotisch toveren met woorden om het geheel te vangen, en bèta staat voor het exacte meten en weten van de kleinst kenbare details. De alfa weet bijna niets van alles, en de bèta weet alles van bijna niets.
Wij vinden dit soort tegenstellingen spijtige polariseringen die de werkelijkheid geweld aandoen. Alsof filosofen vage denkers zijn, geobsedeerd door de grote vragen van het leven, zonder dat ze hun eigen veters kunnen strikken. Of dat praktisch georiënteerde filosofen altijd met kortetermijnoplossingen bezig zijn, maar niet goed kunnen nadenken over het grote geheel.
Het interessante van deze tegenstellingen is dat er veronderstellingen over kennis achter zitten, en over het proces van kennen. De meest voorkomende is dat theoretische kennis algemene en logische kennis is, maar niet bruikbaar, en dat praktische kennis bijzonder en doorvoeld is, maar niet geschikt voor het overzicht. Dat hoor je bijvoorbeeld in de uitspraak: ‘Theoretisch kan dit misschien wel waar zijn, maar in de praktijk is het altijd anders’. Nadenken, zo meent men, is theorie, en toepassen is praktijk. Filosofie is dan de theorie.
Deze veronderstelling is wat ons betreft veel te kort door de bocht.
In dit boek gaan we uit van een opvatting van filosofie waarin theoretisch en praktisch juist bij elkaar horen en onderling doordacht moeten worden. Het belang hiervan is wellicht beter te begrijpen als we nog een onderscheid toevoegen aan de filosofie van het kennisproces.
Naast het verschil in het doel van kennisvermeerdering kun je namelijk ook het verschil in de methode ervan onderscheiden. We gebruiken daarvoor een veelvoorkomend onderscheid tussen de inductieve methode en de deductieve. Deze termen komen uit het Latijn en betekenen ‘heenleiden’ of ‘invoeren’ (induco) en ‘wegbrengen’ of ‘afleiden’ (deduco). Inductie is dan het kennen vanuit of door middel van ervaringen. Je neemt als uitgangspunt een aantal bijzondere, ervaarbare gevallen (de praktijk) en je probeert door middel van de ordening van die gevallen tot een algemeen inzicht over de werkelijkheid te komen (de theorie). Deductie vertrekt juist vanuit een algemeen gezichtspunt (theorie); je maakt een begrip, definitie, ordening of hypothese, en kijkt dan naar welke gevallen daaraan in de werkelijkheid beantwoorden.
Een voorbeeld van inductie is de jaarlijkse vogelteldag. Je kijkt hoeveel vogels van een bepaalde soort er in je tuin zitten en op basis daarvan worden conclusies getrokken over hoeveel exemplaren er van die soort (nog) in het land zijn. Een voorbeeld van deductie is het opsporen van misdadigers. Je hebt vastgesteld wat in de samenleving niet mag en gaat op zoek naar degenen die aan dat gedrag beantwoorden.
De kennis over iets kan echter ook op beide manieren benaderd worden. Bijvoorbeeld: je hebt gesport en de opgedane ervaring zet je aan het denken over hoe het die laatste maanden op de sportschool eigenlijk gaat. Je trekt inductief conclusies uit losse belevenissen en ervaringen. Je kunt echter ook deductief nadenken op basis van een gezichtspunt, een voornemen, een beeld of een regel, en kijken of dat de laatste tijd is uitgekomen. In het geval van die sporttraining kan het trainingsschema erbij gehaald worden en leg je jouw resultaten ernaast.
Duidelijk moge zijn, en dat zie je al aan de voorbeelden, dat je niet door alleen inductie of alleen deductie tot kennis kan komen. Beide hebben elkaar nodig: een trainingsschema wordt samengesteld op basis van ervaringen uit het verleden. Aan de hand van ervaringen terugkijken kan alleen als je van tevoren een filter hebt aangelegd, waarmee je voor de overzichtelijkheid de ontelbare indrukken die je opdeed kunt selecteren (je wil bijvoorbeeld een paar kilo kwijt).
In onze benadering van de geschiedenis van de filosofie gaan we uit van een filosofie-opvatting die is gebaseerd op deze twee benaderingen:
theoretisch-praktisch en deductief-inductief. Er zijn nog heel andere benaderingen denkbaar, maar we beperken ons hier tot het verschil in doel en het verschil in methode, omdat die combinatie het ook mogelijk maakt om theoretische en praktische filosofie bij elkaar te houden. Juist de combinatie is interessant: die maakt de vraag naar filosofie complexer, maar in de goede en letterlijke zin; ze toont zich als ‘samengesteld’ en ‘ineengevlochten’ en krijgt daardoor meer diepte.
Nadenken over iets is namelijk niet per se ‘theoretisch’, en het doen van iets niet automatisch ‘praktisch’, want door middel van de inductieve weg kan praktische ervaring tot theorie worden en door middel van deductie kan een theoretische observatie heel praktisch worden. Theorie en praktijk (doelen) zijn aan elkaar gekoppeld door inductie en deductie (methoden). Denken kan ervaring worden, en omgekeerd. Tegelijkertijd helpt de aandacht voor de complexiteit van beide om ze ook goed – analytisch – van elkaar te onderscheiden. Hoe nodig dat is, zullen we nog zien.
Toegepast op het denken en doen, stellen we voor om filosofie als het bewust nadenken over hoe je tot kennis komt, uiteen te rafelen in vier varianten.
Figuur 1 Doel en methode van filosofie
Doel en methode van filosofie
Methode van filosofie
Doel van filosofie
Denken
Deductief door middel van begrippen
Inductief door middel van ervaringen
Theorie variant 1 variant 2
Doen
Praktijk variant 3 variant 4
De methode van filosofie en de invloed van het modernwetenschappelijke denken
We moeten wat dieper ingaan op dit punt, omdat er in onze tijd veel te doen is over wat we moeten verstaan onder kennen en onder wetenschap, wat een belangrijke vorm van kennen is. Die discussie over wat wetenschap is, is van invloed op onze kijkwijze in dit boek – en ook op het lezen ervan.
Als filosofisch denken in verschillende varianten te schetsen is, dan leidt dat meteen tot de vraag wat denken over kennen dan eigenlijk is en
hoe je vanuit het denken tot de ervaarbare werkelijkheid kunt komen, en andersom. Wat betekent het dat je iets kent (theorie), of dat je iets kunt (praktijk), en hoe bepaal je dat? Hoe weet je iets zeker? Hoe kan ik vanuit bepaalde gevallen die ik heb waargenomen iets zeggen over hoe het in dat soort gevallen in het algemeen gaat?
In onze tijd zien we dat een manier van kennen dominant is die deze vragen nauwelijks toelaat. Kennis wordt namelijk pas als kennis beschouwd als die kennis of gedachte of ervaring bewezen kan worden. De maatstaf is bewijsbaarheid en daaronder verstaat men herhaalbare proefondervindelijkheid. Pas dan is het objectief, en pas als kennis objectief is, is die aannemelijk. Je hebt pas iets aan kennis als die objectief beschreven en gemeten kan worden, zodat andere mensen kunnen meekijken of die klopt – zo vindt men. Als bijvoorbeeld iemand beweert dat Jezus over water kon lopen, dan moeten we, zo menen deze wetenschappers, eerst maar eens kijken of een mens over water kan lopen, en zo ja onder welke omstandigheden, bijvoorbeeld aan de hand van bewegingssnelheid, gewicht en waterdichtheid. Als niet proefondervindelijk en objectief kan worden vastgesteld dat een mens over water kan lopen, dan klopt de uitspraak ‘Jezus kon over water lopen’ niet. Dan is dat geen kennisuitspraak, hoogstens een individuele overtuiging, een subjectieve poëtische uitdrukking, of een religieuze stelling – in ieder geval in wetenschappelijk opzicht onzin en niet iets waar je echts iets aan hebt.
De afgelopen eeuwen is vanuit de proefondervindelijke wetenschap de vraag gesteld wat filosofie en filosofische kennis eigenlijk zijn. Produceert filosofie wel kennis naar deze maatstaven? Deze wetenschappelijke opvatting verscherpt de hoe-vraag van het kennen, de methode. Neem de uitspraak ‘de mens is van nature een wijsgerig wezen’ die wij zojuist gedaan hebben. Kan dat wel? Is die uitspraak een vorm van kennis of is het iets anders – bijvoorbeeld een wens of een willekeurige gedachte? Op het eerste gezicht kan deze uitspraak moeilijk bewezen worden; daarvoor moet je bijvoorbeeld gaan onderzoeken hoe je de term ‘van nature’ kan meten en bewijzen. Daarvoor moet je hem eerst heel precies definiëren en checken voordat je hem kunt gebruiken. Maar is dat de bedoeling van filosofie?
Laten we de kwestie eens omdraaien: is die vereiste van bewijsbaarheid filosofisch gesproken wel houdbaar om goede kennis te krijgen? Waarom zou filosofie bewijsbaar en meetbaar moeten zijn, als haar doel wijsheid is, en het beter begrijpen en doorgronden van zaken? Waarom zouden vriendelijkheid, verliefdheid, inspiratie, inzicht, wijsheid, bewijsbaar en meetbaar moeten zijn om kennis genoemd te worden? Als dat alles niet proefondervindelijk gemeten en herhaald kan worden, is het dan onzin?
De wijze van vragen verraadt al wat ons standpunt is: we willen de opvatting dat kennis bewijsbaar en meetbaar moet zijn niet afdoen als onzin, maar wel de opvatting bekritiseren dat deze proefondervindelijke bewijsbaarheid de enige bestaansvorm van kennis is, en zeker in de filosofie. Het gaat in de filosofie vooral om een ander soort kennen. Het criterium van bewijsbaarheid beperkt de vraag naar kennis op een ernstige manier. Het leidt ertoe dat heel veel redeneringen, inzichten en waarnemingen niet als kennis gedefinieerd kunnen worden, want ze zijn onzeker, niet-bewijsbaar of subjectief. Als dat de enige kennis zou zijn, dan zou de reis op zoek naar wijsheid nu al eindigen, nog voor die begonnen is. De werkelijkheid is echter breder dan alleen dat wat objectief meetbaar is.
In het volgende deel zullen we zien dat Plato’s leermeester Socrates hiervan al een belangrijk punt maakt, vier eeuwen vóór de jaartelling. Het is zijn overtuiging dat de belangrijkste kennis juist niet te bewijzen valt en dat er andere criteria aan te pas moeten komen om die kennis te karakteriseren. Socrates zegt dat veel kennis, zoals het vinden van een heel eigen antwoord op een persoonlijk dilemma, of het stuiten op een inzicht (groots of gedetailleerd), meestal nauwelijks te bewijzen is, maar dat dat niet betekent dat die kennis willekeurig of waardeloos is en niet gebruikt of met anderen gedeeld kan worden.
Er zijn dan dus ook andere criteria voor kennis nodig dan alleen die van objectiviteit. De bewijsbaarheid van kennis is voor Socrates niet per se onzinnig, maar op de meeste inzichten helemaal niet van toepassing. De meeste kennis is geen kwestie van weten, stelt hij, maar van wijswording. Het is een proces waarin je probeert om iets beter te begrijpen of beter te kunnen. Dat gaat gepaard met het besef dat we eigenlijk maar weinig weten of kunnen weten. Het is deze opvatting over kennis – over filosofie – die in het vroege Griekse denken gestalte krijgt, ontwikkeld wordt en tot ver daarna in de middeleeuwen een zeer grote invloed heeft.
Logica, ethiek, techniek, contemplatie: vier manieren van filosofisch kennen
In plaats van de objectieve bewijsbaarheid van iets na te streven, is het in de filosofie nuttiger en interessanter om te vragen hoe het inzicht tot stand is gekomen. De hoe-vraag is vaak belangrijker dan de wat-vraag. Het gaat er dan om kennis te wegen of te beoordelen in termen van overdraagbaarheid van de uitkomst: wat was het proces dat tot kennis leidde en kan dat proces ook iemand anders tot dat inzicht brengen? Het ‘wetenschappelijke’ criterium
van herhaalbaarheid houden we dus vast, maar we vullen dat begrip anders in. Wat wordt hiermee bedoeld?
We hadden in het voorgaande vier globale vormen van filosofische kennis onderscheiden op basis van doel en methode. Deze indeling is handig om te bepalen hoe we kunnen aankijken tegen al die manieren en opvattingen van kennis die we zullen tegenkomen in de filosofie. Maar zij kan ons ook iets meer vertellen over de kennisdimensie van die vormen van kennis. Wat is de specifieke filosofische onderscheiding tussen die kennisvormen?
Elk van de vier vormen van kennis heeft een specifieke kwaliteit, en die verschilt op basis van de vraag in hoeverre die specifieke kwaliteit tot inzicht kan leiden bij andere mensen, dus of zij op een bepaalde manier (methode) en met hetzelfde resultaat (doel) herhaald kan worden. Voor herhaalbaarheid hoef je echter niet alleen naar het resultaat van de herhaling te kijken, zoals gezegd, want veel kennis is niet of nauwelijks herhaalbaar. En kennis die herhaalbaar is doet vaak slechts uitspraken over een heel specifiek element van de werkelijkheid, zoals de temperatuur in graden Celsius als meetresultaat op een bepaald moment. Dit soort kennis, hoe vaststelbaar ook, vergt een interpretatiekader, zonder welk er slechts data (gegevens) overblijven.
Toch wordt veel kennis gedeeld, dat is de natuur van het kennen. Als je muziek mooi vindt, hoeft een ander dat niet te vinden, maar toch zoek je als mens daarover communicatie. De oplossing kan zijn – althans voor een deel – om te zoeken naar wát er van jouw bevinding herhaalbaar is, en dat vind je door naar het hóe te kijken. Naar de gedachten en argumenten die jou tot die overtuiging en dat inzicht brachten.
Laten we naar die vormen van kennis beter kijken.
Een voorbeeld van kennen dat herhaalbaar is, is logica. Logica is de wetenschap die uit de formulering van een uitspraak, dus uit de vorm ervan, de geldigheid van die formulering vaststelt. Deze kennis kan in regels vertaald worden, waarbij vormen van het denken in formules worden gezet. Het bekendste voorbeeld hiervan – van Aristoteles – is het volgende voorbeeld van een redenering die klopt:
Alle mensen zijn sterfelijk
Socrates is een mens
Conclusie: Socrates is sterfelijk
Deze redenering is sluitend en wordt een ‘syllogisme’ genoemd. In de uitspraak wordt (in de eerste regel) een eigenschap (sterfelijkheid) gegeven aan een grote verzameling (alle mensen): de major van het syllogisme. Een
lid uit die verzameling (de tweede regel) zal dus ook die eigenschap hebben en sterfelijk zijn: de minor. Als in de tweede regel had gestaan: ‘Socrates is sterfelijk’, dan kan de conclusie niet zijn dat Socrates een mens is, want niet alles wat sterfelijk is, is een mens. Stellen dat Socrates sterfelijk is, zou dan een vormfout zijn, en dus een foute minor opleveren. Een minor moet immers aansluiten bij hetzelfde onderwerp als de major en aangeven dat de minor een deel is van het onderwerp in de major. Als dat logisch correct wordt gedaan, leidt het syllogisme tot een ware uitspraak, waar die ook over gaat.
De logica, die als een wetenschappelijke discipline binnen de filosofie ontwikkeld wordt, biedt een uitgebreid en gesystematiseerd geheel van dit soort denkregels.
Regels kunnen echter ook voor praktische zaken gemaakt worden. Regels die het ‘doen’ omschrijven of zelfs voorschrijven. Een bepaalde handeling kan zo uitgevoerd worden dat die hetzelfde resultaat teweegbrengt als toen die regel op een ander moment werd uitgevoerd. Ook voor zulke verrichtingen moeten dan regels opgesteld worden om hetzelfde resultaat te kunnen behalen. Bijvoorbeeld zoals het recept voor een kwarktaart of de juiste afstelling van een machine die bepaalde spijkerbroeken produceert. Het doel is dat steeds dezelfde kennis behaald wordt: een kwarktaart, een spijkerbroek. Zulke herhaalbare praktische regels met dezelfde resultaten worden ‘technieken’ genoemd.
De mogelijkheid om kennis in regels te vatten, wordt vaak ‘weten’ genoemd, zoals in het motto ‘meten is weten’. Maar de vraag is of dat helemaal klopt. Er is ook kennis die niet of nauwelijks in regels te vatten is en dat soort kennis wordt vaak ‘wijsheid’ genoemd. Het gros van de menselijke handelingen valt daaronder, want die zijn nauwelijks te herhalen. Het is dus maar de vraag welke menselijke handelingen als een ‘techniek’ kunnen worden betiteld, tenminste op een wijze waarbij de inhoud van de kennis steeds hetzelfde is. Veel van de waarde van praktische kennis bestaat in de bijzonderheid ervan. Gelukkig maar, anders werden we allemaal verliefd op dezelfde persoon…
Hierbij is de ervaring (hierboven de inductieve weg genoemd) vaak leidend. In veel gevallen is de ervaringskennis maar eenmalig geldig, en wel binnen een bepaalde, tijdelijke situatie. Daarmee is dit soort kennis niet waardeloos, verre van. Ervaringskennis heeft eigen kwaliteiten, in een bijzondere zin. Juist de toepassing in dat ene geval kan deze kennis zo waardevol maken. Hij is alleen niet of nauwelijks herhaalbaar, want in volgende momenten is de benodigde kennis weer net wat anders. De subtiele bewegingen van Rembrandt als hij een portret schilderde, de bewegingen van een geniale voetballer als hij een doelpunt maakt, een
bepaalde handeling van een onderwijzer in een klas: al die processen zijn elke keer weer anders. Zonder afbreuk aan hun waarde of werkzaamheid te doen zijn dit soort ‘wijze’ handelingen niet of nauwelijks in regels te vatten. Veel van deze wijsheid die gebaseerd is op het handelen en inductief is, noemen we ‘ethiek’.
Daarnaast proberen we goed theoretisch na te denken over onze ervaring. We zullen dat ‘contemplatie’ noemen: de intellectuele kunst om gevoelig te denken. ‘Contemplatie’ is een term die de associatie oproept met meditatie of een religieuze geestestoestand. Dat is echter te beperkt gedacht – en mogelijk het gevolg van het moderne ‘wetenschappelijke’ bewustzijn waarin we zijn opgegroeid. Bij contemplatie spelen ervaringen en intuïties in het denken een grote rol. Deze geven aanleiding tot denken of worden opgeroepen door het denken en geven aanleiding tot vergezichten of hypothesen als platform voor eropvolgende gedachten. Tijdens contemplatie kunnen ook (denk)regels gevolgd worden, maar dan is het de vraag of door middel van die regels een volgende keer dezelfde kennis bereikt wordt. Contemplatieve kennis is niet willekeurig, maar het is een niet of nauwelijks in regels te vatten theoretische kennis die ontstaat op basis van ervaringen. Het doel is tot inzichten te komen, maar het proces, de methode moet ervoor zorgen dat het resultaat uiteindelijk toch niet vaag of lukraak is. Dat contemplatieve proces is echter grillig, intuïtief en heel veelzijdig. Een voorbeeld hiervan is het denkproces over de keuze om een bepaalde vaccinatie te nemen of juist niet. Dat denken gaat gepaard met allerlei ervaringen en inzichten op basis van statistieken, gelezen boeken, gevoerde gesprekken, bespiegelingen, momenten van hoop en vrees, enzovoort. Het beoogde resultaat is een afgewogen verhaal, weliswaar niet wetenschappelijk volgens huidige maatstaven, maar potentieel wijs en inzichtelijk en dus zeer waardevol – los van de vraag of er nu wel of geen vaccinatie komt. Dit proces zou bruikbare inzichten kunnen geven voor een concreet mens en voor, bijvoorbeeld, een bestuurder, maar zonder dat dat inzicht beschouwd kan worden als een objectieve weergave van de realiteit en zonder dat het kan worden vastgelegd in een concrete handleiding die telkens tot hetzelfde resultaat leidt en daarmee overdraagbaar is. Er zijn overigens genoeg mensen die dat toch proberen.
Komen we terug bij het eerste oningevulde schema en passen we daarin de bovenstaande beschrijvingen, dan komen we uit op het volgende figuur.
Figuur 2 Vormen van filosofische kennis, ‘eenvoudig’
Vormen van filosofische kennis (eenvoudig)
Methode van kennen
Doel van kennen
Denken
Deductief door middel van begrippen
Theorie logica denken door middel van taal syllogisme
Doen
Praktijk techniek doen door middel van taal
Bakken volgens een recept. schilderen in een opdracht voor de tekenles, of van een genrestuk.
Inductief door middel van ervaringen
Contemplatie denken door middel van ervaringen
dagdromen, een liefdesbrief schrijven, luisteren naar muziek en je afvragen wat je ervan vindt.
ethiek doen door middel van ervaringen
even een leerling apart nemen omdat je weet dat die een moeilijke tijd heeft; of de juiste manier vinden om iemand te ondersteunen die slecht ter been is.
2. Het religieuze en politieke aspect van de
filosofie
Werelddenkers: het begrijpen van de wereld en de mens, en je verhouding daartoe
Als in de filosofie denken en doen verbonden zijn, zoals boven omschreven, dan dienen we de filosofie niet alleen te benaderen als theorie, maar ook als een concrete praktijk van filosoferen. Een geschiedenis van de filosofie is net zo goed een geschiedenis van filosofen in hun tijd. Nu we een introductie tot de ‘filosofie’ hebben gehad, is het goed om stil te staan bij het begrip ‘filosofen’ en hoe wij daarnaar kijken.
Wat zijn nou filosofen, hebben zij een beroep, een bepaald wereldbeeld of een bepaalde denkwijze? Wie waren deze denkers? Wat deden zij? Welke mensen zal de lezer aantreffen in het komende verhaal?
Als je kijkt naar de eerste filosofen, dan blijken dat mannen en enkele vrouwen (vrouwelijke filosofen zijn in de oude tijden duidelijk in de minderheid, maar er zijn sterke aanwijzingen dat hun bijdragen naar de achtergrond zijn gedrukt) te zijn die de mensen, vooral degenen die betrokken zijn in het bestuur, iets willen bijbrengen. Ze proberen zowel kennis over te brengen als inzicht in de wijze waarop kennis overgebracht kan worden. Hoe kom je tot inzicht en hoe leer je filosofie?
Deze educatieve betekenis is van begin af aan essentieel in de filosofie en wordt gezien als een voorwaarde om een goed mens te worden, en een goede samenleving in te richten. Deze filosofen roepen op om een goed mens te worden. Voor de oude filosofen is filosofie vooral praktische filosofie: wijsbegeerte als een vorm van goed handelen, als persoon en als burger, ondanks de moeilijk te beantwoorden vraag: ‘Wat is goed?’
De meeste filosofen die wij zullen ontmoeten, óók van het eerste uur, zijn dus mensen die maatschappelijk betrokken zijn, een roeping hebben, maar ook een beroep, en daar de filosofie op betrekken. Een tweesnijdend zwaard hanteren zij: hun handelen is voer voor filosofie en de filosofie is voer voor hun handelen. Ook degenen die vooral met theoretische filosofie bezig zijn, en discussiëren met studenten en collegae en zoeken naar de grote verbanden in de kosmos, zijn politiek actief en trotseren daarvoor soms zelfs grote gevaren. Het gros van de filosofen die wij gaan ontmoeten is dus niet alleen te kenschetsen als grote denkers, maar ook als grote mensen, die in hun stad of regio bewonderd worden