Zorgwijzer verschijnt acht keer per jaar | Jg. 8 nr. 60 | ISSN 2034 - 211 x | Zorgnet-Icuro, Guimardstraat 1, 1040 Brussel | Afgiftekantoor Gent X | P 902010
zorg wijzer
60 | Magazine | juni 2016
Minister De Block over gezondheidsdoelstellingen:
"Alle actoren zijn belangrijk, maar uiteindelijk draait alles rond de patiĂŤnt" 09 Aanslagen in Brussel: achter de schermen van de zorg 17 Naar een terugbetaling van psychologische zorg 26 Oog voor elkaar: ontmoetingen creĂŤren met mensen in armoede
Colofon Zorgwijzer is het magazine van Zorgnet-Icuro. Zorgwijzer verschijnt acht keer per jaar. ISSN 2034 - 211 x Redactie & coördinatie: Zorgnet-Icuro (Lieve Dhaene, Catherine Zenner, Deborah Schollaert) i.s.m. Zorgcommunicatie.be (Filip Decruynaere, Annelies Van Brussel) Vormgeving: www.dotplus.be Fotografie: Peter De Schryver, Jan Locus, Johan Martens © Zorgnet Vlaanderen Guimardstraat 1, 1040 Brussel, tel. 02-511 80 08. www.zorgneticuro.be Het volgende nummer van Zorgwijzer verschijnt in de week van 4 juli 2016. Wenst u Zorgwijzer toegestuurd te krijgen of een adreswijziging door te geven, contacteer dan Chris Teugels, chris.teugels@zorgneticuro.be.
60 03 Editoriaal 04
Interview met minister Maggie De Block: “We gaan de moeilijke gesprekken niet uit de weg”
09
Dossier aanslagen in Brussel
17
Naar een terugbetaling van psychologische zorg
20
Revalidatieconventies GGZ komen uit de kast
23
Hoge tevredenheid bij medewerkers ouderenzorg, maar werkdruk stijgt
24
HRwijs ondersteunt socialprofitorganisaties met advies en tools
26
Oog voor elkaar: ontmoetingen creëren met mensen in armoede
28
Opleidingen maken zorgsector wegwijs in schuldenproblematiek
30
Masterclass brengt nieuwe directies woonzorgcentra samen
Voor advertenties in Zorgwijzer, contacteer Els De Smedt, tel. 09-363 02 44, eds@zorgneticuro.be.
zorgwijzer | 2
EDITORIAAL
Moeilijke gesprekken “We gaan de moeilijke gesprekken niet uit de weg”, zegt federaal minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid Maggie De Block in een uitgebreid interview met Zorgwijzer. De minister koestert het vaste voornemen om eindelijk eens werk te maken van enkele dossiers die al meer dan vijftien jaar ons gezondheidssysteem klemrijden en ondermijnen. Het gaat om even complexe als gevoelige werven zoals de ziekenhuisfinanciering, de herijking van de nomenclatuur en de organisatie van de gezondheidsberoepen (KB 78). Haar voorgangers, van diverse signatuur, waren het er ook allemaal over eens dat hier ‘zeer dringend’ iets moest veranderen, maar het ontbrak hen aan de moed en de daadkracht om er effectief werk van te maken. En, toegegeven, de sector in al zijn geledingen zocht veeleer naar het rempedaal dan gas te geven. Zal het deze keer wel lukken? Minister De Block lijkt alvast vastberaden en onze steun heeft ze. In theorie zijn zowat alle betrokken partners het overigens in grote lijnen al jaren eens over de oplossingen. Oplossingen die ondertussen ook wetenschappelijk voldoende onderbouwd zijn. De praktijk blijkt echter vaak weerbarstiger te zijn. Zoals dat gaat, toont elke partij als puntje bij paaltje komt de neiging de eigen belangen voorop te stellen. Onlogisch is dat niet, zeker als de achterban van zich laat horen. Wat vandaag echter opvalt, is dat ook die achterban van de verschillende koepelorganisaties – en dan
3 | juni 2016
met name van de artsen en de ziekenhuizen – overtuigd is van de noodzaak van fundamentele veranderingen. Stilstand is niet langer een optie, beseft iedereen. Dat betekent niet dat alles nu van een leien dakje loopt. Achter de schermen wordt overlegd dat het een lieve lust is, maar met goede voornemens alleen komen we er niet. Er is ook lef nodig om knopen door te hakken in zeer complexe dossiers. Lef ook om het algemeen belang van de gezondheidszorg op langere termijn boven het eigen belang op kortere termijn te stellen. Bovendien zijn dit niet alleen inhoudelijk complexe dossiers, maar evenzeer structureel en staatskundig. Niet alleen de federale overheid is betrokken, maar ook de gewesten en de gemeenschappen. En al klinkt het unisono dat de samenwerking tussen de diverse overheden “vlot en constructief” verloopt, in werkelijkheid zit er meer dan eens ruis op die communicatie. Niets is vanzelfsprekend in deze dossiers. Minister De Block laat zich in deze Zorgwijzer ook uit over de organisatie van de hulpverlening na de aanslagen op 22 maart in Zaventem en Brussel. Heel wat ziekenhuizen waren hierbij direct betrokken en toonden hun paraatheid. Goed twee maanden later blikken we met enkele hoofdrolspelers terug op die crisisperiode. Hoe goed waren de ziekenhuizen hierop voorbereid? Wat doet zo’n crisissituatie met een organisatie? En met de
mensen die er werken? Het is een boeiend dossier geworden dat een blik achter de schermen van de hulpverlening werpt. Het is passend dat we als samenleving hulde brengen aan alle hulpverleners die in de moeilijkst denkbare omstandigheden heel professioneel en met volle inzet het beste van zichzelf gaven om de vele slachtoffers zo goed mogelijk te verzorgen. Peter Degadt Gedelegeerd bestuurder
Beleid
Interview met federaal minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid Maggie De Block
zorgwijzer | 4
“We gaan de moeilijke gesprekken niet uit de weg” Na vele jaren discussie en een hele rist ministers die zich liever niet waagden in het wespennest van de ziekenhuis financiering, de nomenclatuur en KB 78, lijkt er eindelijk schot te komen in deze cruciale dossiers voor de toekomst van onze gezondheidszorg. Ook op andere domeinen vat federaal minister van So ciale Zaken en Volksgezondheid Maggie De Block de koe bij de horens. “Ik ben niet het type dat wacht op initiatieven van anderen, ik neem zelf het initiatief.” Op diverse werven gonst het dan ook van de bedrijvigheid, voor en achter de schermen. In uw beleidsnota kondigt u gezondheids doelstellingen aan. U wilt ‘de basiswaar den van het stelsel (toegankelijkheid, kwaliteit, kost…) in concrete doelstel lingen’ vertalen. Is dat ondertussen gebeurd? Minister Maggie De Block: Werken met gezondheidsdoelstellingen is absoluut nodig. Het beleid moet weten waar het naartoe wil, zodat alle beslissingen in dezelfde richting gaan. Algemeen is het ons doel om de gezondheid van de burger te versterken. Dat betekent dat de patiënt centraal moet staan in al onze beslissing en. Alle actoren in de gezondheidszorg zijn belangrijk, maar uiteindelijk draait alles om de patiënt. Dat mogen we niet uit het oog verliezen. Die algemene doelstelling willen we vertalen in subdoelen en actieplannen. Belangrijk hierbij is het overleg met de andere beleidsniveaus. We moeten met z’n allen dezelfde doelstellingen nastreven. Een mooi voorbeeld is het tabaksplan, waarvoor de verschillende ministers, zowel federaal als in de deelstaten, zullen moeten samenwerken. Zo kunnen we alle maatregelen op elkaar afstemmen, waarbij elk zijn rol speelt. Niet alleen in het beleid trouwens: ook de burger moet zijn verantwoordelijkheid nemen met een gezonde levensstijl. In het tabaksplan formuleren we voor de eerste keer concrete doelstellingen: uit de Gezondheidsenquête 2013 van het
5 | juni 2016
Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid bleek dat 19% van de Belgen dagelijks rookt. Tegen 2018 willen we dat aantal onder de 17% krijgen. We moeten de mensen activeren. Veel mensen staan daarvoor open, maar hebben veel vragen. Ook over gezonde voeding bijvoorbeeld. Steeds meer mensen zijn met hun gezondheid bezig. Dat is positief. Overleg met alle belanghebbenden is een leitmotiv in uw beleidsnota, maar u wou ook de organisatie van dat overleg vereenvoudigen en moderniseren. Hoe staat het daarmee? Niet zo lang geleden hebben we een halve eeuw RIZIV gevierd. Het huidige overlegmodel heeft zijn verdiensten, maar vandaag staan we vijftig jaar en zes staatshervormingen verder. Een modernisering is nodig. Ik wil het overleg vlotter doen lopen, met kortere lijnen en een permanent karakter. Ik wil de commissies in de FOD Volksgezondheid en in het RIZIV beter op elkaar afstemmen en in aantal beperken. Ook het overleg met de gemeenschappen kan vlotter. Er zijn heel veel commissies en in al die commissies kom je voortdurend dezelfde mensen tegen. Dat kan efficiënter. Tegelijk wil ik de organen actiever maken én vanuit het beleid samen met de commissies beslissingen nemen. In het verzekeringscomité zijn er bijvoorbeeld al meer actieve tussenkomsten van mensen van het kabinet, waardoor we sneller op één lijn zitten. Maar we zijn er nog niet. Dit vergt een hele cultuurverandering: het overleg blijft behouden, maar het beleid neemt eraan deel. Een kortere besluitvorming is nodig. Altijd opnieuw met dezelfde doelstellingen voor ogen: de financiële toegankelijkheid van onze gezondheidszorg vrijwaren, werken aan kwaliteit en aan een duurzaam systeem. We staan op een kantelpunt. De uitdagingen komen in een versneld tempo op ons af. Ook in de farmacie. We zijn koplopers op het gebied van geneesmiddelen en we moeten er alles aan doen om dat zo te houden. Investeren in onderzoek en
ontwikkeling in de farmaceutische sector is goed voor de patiënten, maar ook voor innovatie, economie en tewerkstelling.
Regionale verschillen Ook de ziekenhuizen staan op een kan telpunt. Een taskforce bereidt de her vorming van de ziekenhuisfinanciering, van de nomenclatuur en van KB 78 voor. Waar staan we vandaag? Ook hier is een mindshift nodig. Vandaag denken we nog te veel in termen van ligdagprijs en beddenhuis. We moeten de gezondheidszorg anders organiseren. Niet langer ziekenhuizen zullen gefinancierd worden, maar veeleer netwerken van zorgverleners. Ook hier plaatsen we de focus op de patiënt, die effectief door een netwerk verzorgd wordt. De ziekenhuisfinanciering is een enorme werf. Het landschap is heel divers: regionale, supraregionale en universitaire ziekenhuizen, publieke, private en gemengde voorzieningen, ziekenhuizen met een link met een ziekenfonds enz. We hebben nood aan een nieuw zorglandschap, maar we vertrekken niet van een wit blad. Wat iedereen ondertussen beseft, is dat niet elk ziekenhuis nog alles zal kunnen doen in de toekomst. Studies van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) tonen keer op keer dat expertise en voldoende volume nodig zijn voor een goede kwaliteit van de medische zorg. Op 28 april 2015 heb ik in het parlement mijn Plan van Aanpak voorgesteld en in juni 2015 is een overleggroep met alle stakeholders aan de slag gegaan. Die overleggroep komt om de zes weken samen. Ik wil een beleid dat door alle actoren gedragen wordt. Regionale verschillen sluit ik hierbij niet uit. We hebben bijvoorbeeld zeven universitaire ziekenhuizen in ons land, maar niet in elke provincie. En dat is ook niet per se nodig. Zeer gespecialiseerde zorg hoeft trouwens niet altijd tot universitaire centra beperkt te blijven. We onderzoeken de mogelijkheden en werken met pilootprojecten. Een eerste oproep is er geweest voor de moeder-kindzorg,
waar we zeven pilootprojecten hebben toegewezen. Als we de moeder-kindzorg anders organiseren, te beginnen in de prenatale fase met een herwaardering van de functie van vroedvrouwen, kunnen we naar een betere organisatie toe werken, met een kortere ligduur in de ziekenhuizen als gevolg. Een volgende oproep voor pilootprojecten zal gaan over de evolutie naar meer thuishospitalisatie. Denk aan de mogelijkheden van chemotherapie thuis in sommige contexten. Al die pilootprojecten zullen grondig geëvalueerd worden met het oog op een betere organisatie van de gezondheidszorg. De ziekenhuizen zijn zich trouwens vandaag al aan het organiseren in netwerken. Er worden op het terrein al afspraken gemaakt over gezamenlijke investeringen. De zeven universitaire ziekenhuizen werken ook meer en meer samen. Denk bijvoorbeeld aan de investering in het centrum voor protontherapie dat in Leuven zal komen. Alleen door op alle niveaus afspraken te maken, kunnen we onze gezondheidszorg efficiënt, kwalitatief hoogstaand, toegankelijk en betaalbaar houden. Loopt het overleg over de nieuwe finan ciering vlot? Zit u op schema wat timing betreft? We hebben vooraf mijlpalen uitgezet en we waken strikt over de timing. Natuurlijk loopt het ene dossier al gemakkelijker dan het andere. Iedereen is het erover eens dat we meer kwaliteit moeten beogen. Minder evident worden de gesprekken als het gaat over de afbouw van capaciteit. Maar ook die gesprekken gaan we niet uit de weg. Het is vaak complex. We moeten ook rekening houden met externe factoren en toekomstige ontwikkelingen, zoals de vergrijzing. De vergrijzing heeft niet alleen een grote impact op de ouderenzorg, maar op het hele gezondheidsbeleid. Ondertussen lopen diverse studies. Wat de laagvariabele zorg betreft, is er al duidelijkheid: hier kunnen we met een bedrag per patiënt werken. Moeilijker ligt het bij de mediumvariabele zorg met comorbiditeiten en meer kans op complicaties. Een studie moet uitwijzen welke pistes haalbaar zijn. Voor mij is het heel belangrijk dat de financiële situatie van de ziekenhuizen verbetert. Ja, ik wil een financiering van de netwerken, maar uiteindelijk moet het hele ziekenhuislandschap hier beter van worden. De MAHA-studies tonen jaar na jaar dat het de verkeerde kant opgaat. We
moeten onze ziekenhuizen financieel gezonder maken, zodat ze op netwerkniveau kunnen blijven investeren. Ook kwaliteitscriteria zullen een rol spelen in de nieuwe financiering. We gaan voor criteria waarop ziekenhuizen zelf een impact hebben, bij voorkeur outcome criteria die vertrekken van wat voor de patiënt belangrijk is. Het Karolinska Instituut in Zweden is een voortrekker op dat gebied. Voor prostaatchirurgie is dan bijvoorbeeld niet langer de grootte van de prostaat de beslissende indicator voor de keuze van chirurgie, maar wel de criteria die er voor de patiënt toe doen: continentie en potentie. Ik wil het ook niet te ingewikkeld maken. Geen twintig criteria voor één ingreep. Ik wil het aantal registraties beperken en vereenvoudigen. We zullen stapsgewijs werken: eerst zal kwaliteit maar een kleine impact hebben op de financiering, maar gaandeweg zullen we dat belang optrekken.
Minister Maggie De Block: “Ja, ik wil een financiering van de netwerken, maar uiteindelijk moet het volledige ziekenhuislandschap hiervan beter worden. De MAHA-studies tonen jaar na jaar dat het de verkeerde kant opgaat. We moeten onze ziekenhuizen financieel gezonder maken, zodat ze op netwerkniveau kunnen blijven investeren.”
Elkaar geen vliegen afvangen Wanneer voorziet u de implementatie hiervan? In het najaar hakken we knopen door over de methodiek van financiering voor laag-, medium- en hoogvariabele zorg. Eens hierover duidelijkheid is, kunnen we geleidelijk aan tot de uitvoering overgaan. Een stapsgewijze overschakeling dringt zich op, want ook andere dossiers, waaronder de hervorming van de nomenclatuur, hebben een impact. Over de nomenclatuur zal nog veel overleg nodig zijn. Dat is normaal, want je raakt ermee aan de inkomsten van de artsen. Maar de situatie vandaag is niet gezond. Artsen die veel verdienen, moeten vaak een groter deel afstaan aan de ziekenhuizen. Dat leidt tot een ongezonde competitie tussen de ziekenhuizen over de afhoudingen. Ziekenhuizen moeten samenwerken in plaats van elkaar vliegen af te vangen. Een ‘wapenwedloop’ leidt nergens heen en is voor niemand goed. Het zorgt voor te hoge investeringen in apparatuur die niet optimaal kan worden ingezet. Dat heeft trouwens mee bijgedragen tot de slechte financiële situatie van veel ziekenhuizen. We hebben lang gedacht dat ziekenhuizen niet failliet konden gaan, maar ondertussen beseffen we allemaal dat zelfs banken failliet kunnen gaan. Toen ik in 1999 voor het eerst in de Kamer kwam, was al sprake van noodzakelijke veranderingen. We zijn nu zeventien jaar verder. Het moet er maar eens van komen.
Het Kenniscentrum liet recent weten dat er een overaanbod aan spoeddiensten is, met een versnippering van de middelen en een gebrekkige financiering tot gevolg. U verklaarde toen dat u dat probleem wou aanpakken. Hoe? Laat me eerst opmerken dat wij de studies van het Kenniscentrum niet zomaar overnemen. Het centrum onderzoekt altijd diverse pistes en formuleert verschillende mogelijkheden. Op basis daarvan starten wij het overleg. De kern van de zaak is dat elke patiënt snel geholpen moet kunnen worden op het juiste niveau en met een aanvaardbare interventietijd. Het is onmogelijk om voor elk medisch specialisme ‘s nachts een arts aanwezig te hebben in elk ziekenhuis. Daarom moeten we werken aan een goede organisa-
zorgwijzer | 6
tie en heldere afspraken. Vandaag heeft zowat elk ziekenhuis een spoeddienst. Dat kost het ziekenhuis bijzonder veel geld, terwijl de activiteit soms relatief beperkt is. We moeten binnen elke regio bekijken wat mogelijk is. Grotere equipes kunnen een oplossing bieden. Ook voor een betere work life balance van de artsen. In kleinere ziekenhuizen zijn sommige artsen één nacht op twee van wacht. Dat is onhoudbaar. Elke regio is anders. In grootstedelijk gebied is het eenvoudiger om samen te werken dan in minder bevolkte streken. We moeten daarmee rekening houden. Voorts geloof ik in meer integratie van de huisartsenwachtposten en de spoeddiensten. Dat kan in het ziekenhuis zelf, maar dat hoeft niet per se. In de regio Leuven-Tienen loopt momen-
7 | juni 2016
teel een proefproject met één centraal telefoonnummer 1733. Ook hier zullen we rekening houden met geografische verschillen, maar de trend is duidelijk: meer samenwerking tussen ziekenhuizen onderling én tussen ziekenhuizen en huisartsen. Tegelijk moeten we ook werk maken van betere informatie aan patiënten, zodat ze weten waar ze met welk probleem terechtkunnen. Begrijp ik het goed dat u de oplossin gen zo veel mogelijk vanuit de sector laat komen, met ruimte voor regionale verschillen, en dat u zo weinig mogelijk wilt opleggen? Een belangrijk criterium voor de huisartsenwachtposten is dat ze geïntegreerd moeten samenwerken met de zieken-
huizen. Dat is een duidelijk kader. Hoe dat concreet in de praktijk gestalte krijgt, moet geval per geval bekeken worden. Ziekenhuizen hoeven in elk geval niets te vrezen. Er is werk genoeg! Hoe lang moeten mensen soms niet wachten op een spoedgevallendienst? Een chirurg van wacht die zeventien kleine wondjes moet naaien en dan plots bij een patiënt met een zwaar trauma een operatie van acht uur moet uitvoeren, dat is ook niet ideaal. Een betere organisatie is voor iedereen goed, in de eerste plaats voor de patiënt.
Samen sterker Sinds 9 april mogen verpleegkundigen vaccinaties uitvoeren zonder aanwezig heid van een arts. Is dat een eerste stapje
“Toen ik in 1999 voor het eerst in de Kamer kwam, was er al sprake van noodzakelijke veranderingen. We zijn nu zeventien jaar verder. Het moet er maar eens van komen.” in de hervorming van het KB 78 over de gezondheidsberoepen? Dat staat er los van. De Hoge Gezondheidsraad gaf een positief advies hiervoor, omdat de kans op complicaties bijzonder klein is. Het is een gezondheidsdoelstelling om de vaccinatiegraad te verbeteren. De sensibilisering hiervoor zit goed, maar in de praktijk zijn er soms knelpunten. Griepvaccinatie in een woonzorgcentrum werkt maar optimaal als alle bewoners gevaccineerd zijn. Maar als je moet wachten tot elke bewoner zijn huisarts gezien heeft, kan dat soms lang duren. Door verpleegkundigen de toelating te geven om alleen te vaccineren, kunnen we griep beter voorkomen. Het KB 78 gaan we structureel aanpakken, maar beslissingen die we nu al kunnen nemen, nemen we al. Ik heb bijvoorbeeld ook de podologen erkend, omdat ze een toegevoegde waarde bieden bij de behandeling van voetproblemen bij diabetici. Het KB 78 is vandaag te piramidaal. Ik wil een nieuw model, waar de patiënt centraal staat en niet de hiërarchie. Veel experten zien in de dure medicijnen een van de grootste bedreigingen voor ons systeem van gezondheidszorg. Sinds april betaalt het RIZIV Nivolumab terug, een medicijn tegen huidkanker. Kostprijs: 130.000 euro per jaar. Geschat aantal pa tiënten: 300 à 350 per jaar. Velen vrezen dat het budget zal ontsporen en dat er een fundamentele oplossing nodig is. Mijn standpunt hierover blijft ongewijzigd. Ik heb een toekomstpact afgesloten met de farmaceutische industrie, in het belang van de patiënt. Elk jaar zijn er medicijnen die niet langer onder patent zijn en dus goedkoper worden. Dat geeft ons ruimte om te blijven innoveren. Het gaat om 350 miljoen euro per jaar… … een bedrag dat volgens critici niet vol staat. Daarmee ben ik het niet eens. De toenemende concurrentie zorgt voor prijsdalingen. Tegen hepatitis C was lange tijd maar één medicijn beschikbaar. Vandaag zijn er verschillende alternatieven. Gevolg: de prijs daalt, wat ons meer ruimte geeft voor nieuwe geneesmiddelen. Het moeilijkst blijft medicatie tegen zeldzame ziekten, zoals Soliris. In België gaat het over twintig patiënten; dan is het duidelijk dat je niet heel sterk staat in de onderhandelingen met het farmabedrijf
dat dit geneesmiddel produceert. Daarom zoek ik samenwerking met andere landen. Met Nederland en Luxemburg hebben we al een akkoord. Andere landen zullen aansluiten. Ik wacht niet op een Europees initiatief, ik neem zelf het initiatief. Met Denemarken, Noorwegen en Zweden hebben we ondertussen ook goede contacten. Met hoe meer landen we de krachten bundelen, hoe sterker we staan en hoe beter we erin zullen slagen om de prijzen van dure geneesmiddelen onder controle te houden. Ik huiver bij de gedachte aan een geneeskunde met twee snelheden, waarbij dure geneesmiddelen alleen toegankelijk zouden zijn voor wie het kan betalen.
Meest kwetsbaren Amper 6% van de uitgaven in de gezond heidszorg gaat naar de geestelijke ge zondheidszorg (GGZ). U hebt extra mid delen uitgetrokken voor de netwerken kinderen en jongeren, maar is er geen meer fundamentele inhaalbeweging voor de GGZ nodig? De GGZ heeft te lang te weinig aandacht gekregen. De helft van de patiënten is jonger dan 14 jaar: daar vinden we de meest schrijnende situaties. Daarom hebben we de Gids voor Kinderen en Jongeren uitgewerkt. Ik kan niet garanderen dat zich nu geen schrijnende situaties meer zullen voordoen, maar het opzet van de Gids lijkt te slagen: er worden geen patiënten meer doorgeschoven, elke voorziening neemt haar verantwoordelijkheid en er is samenwerking op het terrein. Daarnaast is er een algemene visie nodig voor de GGZ. We mogen niemand vergeten. Zeker niet de meest kwetsbaren die geen stem hebben en voor wie niemand opkomt. In Bierbeek is onlangs een afdeling voor geïnterneerde mannen geopend. Dat is een samenwerking tussen Justitie en Volksgezondheid, met een reconversie van psychiatrische bedden en een bijkomende investering van 750.000 euro per jaar. Binnenkort opent een vleugel voor vrouwelijke geïnterneerden in Zelzate. En eind dit jaar opent in Antwerpen het tweede Forensisch Psychiatrisch Centrum. We nemen dus wel degelijk initiatieven. Ook wat de medische begeleiding betreft: sinds april is een erkenning met de beroepstitel ‘Forensische psychiatrie’ mogelijk. De maatschappij toont haar waardigheid in de
manier waarop ze omgaat met de meest kwetsbare en minst mondige burgers. Ik wil daarvan werk blijven maken. Hoe staat het met de terugbetaling van psychologische hulp? En met de erken ning van psychotherapeuten? Zullen alleen masters in aanmerking komen? We zitten in de finale overlegfase voor de erkenning van de klinisch psycholoog en klinisch orthopedagoog. Primordiaal voor mij is de kwaliteit van de zorgverlening. Alleen als daarover de nodige garanties bestaan, kan van een terugbetaling sprake zijn. Het KCE geeft waardevolle input, maar ik luister naar álle actoren in dit verhaal. Ik hoop dat het compromis dat we als regering uitwerken, gezien zal worden als een correcte behandeling van zij die dit werk al jaren doen. In 2018 studeert een dubbele cohorte artsen af. Hoe staat het met de voorbe reidingen daarop? Zullen er voldoende stageplaatsen zijn? De problematiek van de dubbele cohorte wordt grondig voorbereid. Ik heb het initiatief genomen voor een studie over de zogenaamde spare capacity: de stagecapaciteit binnen erkende diensten voor stage, maar ook in ziekenhuizen die in bepaalde specialismen nog geen stagediensten hebben. De resultaten worden besproken op de Hoge Raad voor Artsen-Specialisten en Huisartsen. Op basis van de eerste gegevens verwacht ik dat er nog voldoende buffercapaciteit aanwezig is om artsen op een degelijke manier op te leiden. Ook het Ministerieel Besluit van 23 april 2014 wordt herzien en zal een verantwoorde versoepeling inhouden van de erkenning van stagediensten, onder meer door een bijsturing van de anciënniteitsvereisten voor de stagemeesters en hun team. Er wordt ook meer nadruk gelegd op een multidisciplinaire begeleiding van de arts in opleiding. Ten slotte heb ik op voorstel van de Medicomut tien miljoen euro voorzien voor de financiering van stagemeesters buiten de universitaire ziekenhuizen. Na vele jaren van discussie heb ik beslist om hiervoor ruimte vrij te maken. Op die manier zullen we de dubbele cohorte kunnen opvangen en jonge artsen alle kansen bieden om zich te ontwikkelen.
zorgwijzer | 8
Aanslagen
Dossier aanslagen in Brussel
22 maart – Achter de schermen van de hulpverlening Brussel, dinsdag 22 maart. Nog nooit is terreurgeweld zo dichtbij. Bomaanslagen op Brussels Airport en in het metrostation Maalbeek eisen 32 doden en talloze gewonden. Nieuwsbeelden laten oorlogstaferelen zien, getuigen krijgen het meedogenloze geweld nauwelijks verteld. 22 maart wordt een intense dag voor heel wat zorg- en hulpverleners en hun organisaties. Die dag doen ze waarvoor ze getraind zijn: patiënten opvangen en verzorgen. Enkele maanden later blikken enkelen van hen – vanuit hun uiteenlopende functies – met ons terug op de rollercoaster die zij achter de rug hebben, en op de voorbereiding en nazorg die nodig zijn om zulke gebeurtenissen aan te kunnen.
Federaal minister van Volksgezondheid Maggie De Block
“Medische hulpverlening zeer vlot verlopen” “Onze zorgverleners hebben zich op 22 maart honderd procent ingezet. De medi sche hulpverlening is zeer vlot verlopen”, oordeelt federaal minister van Volksge zondheid Maggie De Block. “De slachtof fers kregen snel de best mogelijke zorgen en de nodige opvang. Dat blijft voor mij het belangrijkste.”
sites betrokken bij de opvang na de aanslagen in Brussel. De slachtoffers werden verspreid over universitaire en regionale ziekenhuizen, en brandwondencentra in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Antwerpen, Waals-Brabant, Vlaams-Brabant, Henegouwen, Oost- en West-Vlaanderen, Luik en Limburg.
Zoals ook Marc Noppen, CEO van het UZ Brussel, aangeeft (zie interview p. 10-11), ziet minister De Block de aanslagen in Parijs vorig jaar als een belangrijke cesuur. “Wij hebben alle ziekenhuizen na de aanslagen in Parijs gevraagd om hun capaciteit in kaart te brengen, in geval van aanslagen in ons land. Die voorbereiding heeft ervoor gezorgd dat onze ziekenhuizen en andere spelers binnen de Dringende Geneeskundige Hulpverlening vlot met elkaar en met ons als overheid hebben samengewerkt op 22 maart. De medische interventie- en noodplannen hebben prima gewerkt.”
Minister De Block: "Na de aanslag op de luchthaven zijn nooddiensten uit Brusselse en Vlaams-Brabantse ziekenhuizen in actie geschoten. Het crisiscoördinatiecentrum van de FOD Volksgezondheid heeft alle zeven Belgische universitaire ziekenhuizen en alle Vlaams-Brabantse ziekenhuizen op de hoogte gebracht. Ziekenhuizen in de omliggende provincies kregen de vraag om versterking te sturen. Hun ziekenwagens en MUG’s stonden klaar op afgesproken plaatsen langs de snelwegen.”
48 ziekenhuizen betrokken
“Die versterking vanuit de provincies konden we onmiddellijk inzetten, samen met medische ploegen in Brussel, toen het
In totaal waren 48 Belgische ziekenhuis-
9 | juni 2016
Versterking
“De medische interventie- en noodplannen hebben prima gewerkt.” metrostation Maalbeek een nieuw doelwit bleek te zijn”, gaat minister De Block verder. “Defensie was ook betrokken. Het Militair Ziekenhuis ving zowel slachtoffers met brandwonden van de luchthaven en van het metrostation als lichtgewonden van de luchthaven op. Het stond in voor de eerste opvang en verwees indien nodig door naar de juiste ziekenhuizen (zie p. 14 en 15).” Ons land kreeg daarenboven vanuit het buitenland hulp aangeboden. “Ook Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg, Nederland, Frankrijk en het Health Security Committee van de EU boden medische hulp aan. Daarop hebben we geen beroep hoeven te doen. Twee slachtoffers werden secundair wel naar Franse brandwondencentra overgebracht.
Marc Noppen, CEO UZ Brussel
“Eén advies: wees voorbereid” Slechts twee woorden heeft hij nodig. “Professiona lisme en solidariteit”, antwoordt Marc Noppen beslist op de vraag hoe hij 22 maart zou samenvatten. We gaan met de CEO van UZ Brussel terug naar de dag die niemand in het ziekenhuis voorspeld had, maar waarvoor toch draaiboeken en crisisplannen klaar lagen. “Alles is verlopen zoals het hoort.” “Zowel ons ziekenhuis als ons volledige systeem heeft wat mij betreft bijzonder professioneel gereageerd. De dagdagelijkse beslommeringen en discussies werden zonder meer aan de kant geschoven. Iedereen stond er, mensen zonder shift boden zich spontaan aan en in een twintigtal minuten hadden we meer dan voldoende ruimte en capaciteit vrijgemaakt. In een mum van tijd ontstond er bovendien een uniek teamgevoel. Iedereen is er voluit voor gegaan”, vertelt Marc Noppen. “Volgens het spreidingsplan dat tussen de Brusselse ziekenhuizen afgesproken is, moet het UZ Brussel op crisismomenten zoals 22 maart twintig patiënten per uur kunnen opvangen. Dankzij de efficiënte dispatching van de FOD Volksgezondheid werd het aantal slachtoffers heel goed verspreid over de ziekenhuizen, ook buiten Brussel – wellicht uit vrees voor volgende aanslagen in Brussel. Het UZ Brussel heeft uiteindelijk acht zwaargewonde slachtoffers opgevangen. Een negende slachtoffer overleed in de ziekenwagen op weg naar hier. Het aantal patiënten viel dus relatief goed mee, maar hun verwondingen waren ongezien zwaar. Al onze medewerkers die op een of andere manier betrokken waren, hebben hun job voorbeeldig gedaan.”
Een voorbereid ziekenhuis is er twee waard Een van de redenen voor die vlotte gang van zaken is de voorbereiding die in het UZ Brussel klaarlag. “De aanslagen in Parijs in november vorig jaar hebben ons aan het denken gezet”, verklaart Marc Noppen. “We hebben ons rampenplan toen grondig geüpdatet. In het kader van onze JCI-accreditatie waren we al met die oefening bezig, maar de terreur vorig jaar, zo dicht bij ons, benadrukte de noodzaak. Bovendien konden we in huis een beroep doen op experts. Onze universiteit organiseert namelijk een masteropleiding in Disaster Medicine.”
Marc Noppen: “De aanslagen in Parijs in november vorig jaar hebben ons aan het denken gezet.”
De lock down van Brussel en het optrekken van het dreigingsniveau naar het hoogste niveau 4 vorig jaar waren voor het UZ Brussel al een belangrijke oefening. “We hebben toen in het weekend met het directiecomité de koppen bij elkaar gestoken, samen met onder meer onze securitymensen, technische dienst, facilitydienst
zorgwijzer | 10
“Talloze collega’s hebben hun persoonlijk verhaal over hoe dichtbij de terreur voor hen kwam. Als mens laat je dat niet koud.” en communicatiemanager. Concreet hebben we scenario’s uitgeschreven en risicoanalyses gemaakt. Wat level 4 precies inhoudt en welke maatregelen dat met zich meebrengt, was voor niemand duidelijk. We hielden er echter bijvoorbeeld ook rekening mee dat het ziekenhuis zelf een target kon zijn. Het ziekenhuis bleef open, beslisten we toen, maar we namen verschillende maatregelen. Enkele voorbeelden: onze in- en uitgangen gingen op één na dicht, we kregen extra beveiliging van de politie en militairen en extra activiteiten zoals avondseminaries werden afgelast. Interne communicatie was op dat moment een van onze prioriteiten. Onze medewerkers zaten met heel wat vragen en daarop zijn we proactief ingegaan, bijvoorbeeld via onze interne Facebookgroep. Toen op 22 maart het dreigingsniveau opnieuw naar level 4 gebracht werd, lagen onze draaiboeken dus klaar om krachtdadig te reageren en kort op de bal te spelen.”
Lessen Als CEO van UZ Brussel neemt Marc Noppen enkele lessen mee na de crisis van maart. “Improvisatie is op dergelijke momenten onmogelijk. Onze voorbereidingen na Parijs bleken cruciaal. Mijn advies luidt dus: wees voorbereid. Voordien hadden we al scenario’s geoefend. We hebben bijvoorbeeld onlangs een black-out gesimuleerd om onze energievoorziening grondig te testen. Een andere tip: hou de communicatie zo eenduidig mogelijk. Iemand moet knopen doorhakken en de zogenoemde commandolijn aanvoeren.” “Communicatie is cruciaal op dagen zoals 22 maart. Helaas heeft naar verluidt Astrid, het communicatiesysteem voor de Belgische hulp- en veiligheidsdiensten, niet volledig naar behoren gefunctioneerd. Dat was extra problematisch omdat ook de gsm-netwerken weggevallen waren. Via gewone telefoonlijnen en internetcommunicatie hebben we dan maar
11 | juni 2016
contact gehouden met collega’s in andere ziekenhuizen. Communicatie blijkt dus een belangrijk werkpunt.”
Laat je niet koud Niet enkel als CEO was Marc Noppen bij de aanslagen betrokken; ook als vader en collega onder de zorgverleners houdt hij herinneringen vast. “Het was via een van mijn dochters dat ik vernam dat er bommen ontploften op de luchthaven. Zij werkt aan de incheckbalie, maar had voor die ene dag van shift gewisseld. Tijdens een meeting ontving ik van haar sms’jes waaruit ik begreep dat er iets heel ernstigs aan de gang was, heel dichtbij. Een andere dochter was die ochtend met de metro op weg naar de VUB. Zelf was ik een dag voordien op de luchthaven geland na een congres in het buitenland. En zo hebben talloze collega’s hun persoonlijk verhaal over hoe dichtbij de terreur voor hen kwam. Als mens laat je dat zeker niet koud.” “Dat merken we trouwens ook in de manier waarop patiënten en medewerkers belang hechten aan symbolen. Het bezoek van ons koningspaar enkele dagen na de aanslagen had een bijzondere impact op hen. Ik stond daar toch wat versteld van. De para’s aan onze ingang geven een zeker veiligheidsgevoel, hoewel je dat eigenlijk allemaal liever niet nodig zou hebben.” Intussen heeft het UZ Brussel 22 maart een plaats gegeven. “We hebben de bladzijde omgedraaid. Iedereen heeft zijn of haar verhaal kunnen doen en enkele medewerkers hebben een beroep gedaan op onze psychologen om alles zijn plaats te kunnen geven. We zijn terug op adem gekomen. Als CEO doe ik mijn job sindsdien eigenlijk nog liever. Voor dit soort gebeurtenissen kan je niet opgeleid worden, maar je beseft eens te meer welke belangrijke rol je als ziekenhuis kan en moet opnemen.”
CGG bieden psychologische hulp Zorg- en hulpverleners die betrokken wa ren bij 22 maart en worstelen om de ge beurtenissen verwerkt te krijgen, kunnen vaak rekenen op psychosociale bijstand in hun eigen organisaties. Maar ook de Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg (CGG) bieden actief hulp aan iedereen die het moeilijk heeft. Hulpverleners en mantel zorgers kunnen bij hen terecht. Onder de indruk zijn van crisismomenten zoals de aanslagen in Brussel is niet vreemd. Wie op langere termijn (ernstige) gevolgen ondervindt, kan gespecialiseerde psychologische zorg opzoeken. Het gaat om mensen die kampen met posttraumatische stressstoornissen en een sterk gevoel van onveiligheid dat hen belemmert in hun dagdagelijkse leven.
Gespecialiseerd aanbod Een aantal CGG organiseert tijdelijk een bijzonder aanbod. Gespecialiseerde medewerkers bieden in eerste instantie een kortdurend, intensief programma aan van maximaal vijf sessies. Wie na de vijf sessies nog ondersteuning nodig heeft, wordt verder geholpen of doorverwezen.
Folder De CGG willen kinderen, jongeren, volwassenen en ouderen bereiken, en ook hulpverleners en mantelzorgers die mee ingestaan hebben voor de zorgverlening aan slachtoffers en nabestaanden. In een folder geven de CGG de precieze contactgegevens voor begeleiding en een korte vragenlijst over posttraumatische stress. Wie twijfelt of hij gespecialiseerde hulp nodig heeft, kan bij zijn huisarts of een Centrum voor Algemeen Welzijnswerk in de buurt terecht. Voor een folder met meer uitleg over het ondersteuningsaanbod van de CGG, zie www.zorgneticuro.be, rubriek publicaties
Edgard Eeckman, communicatiemanager UZ Brussel
“Schaalgrootte en gebetenheid pers waren belangrijke aandachtspunten”
Als woordvoerder van het UZ Brussel en voormalig communicatieman van het Belgische Rode Kruis, is Edgard Eeckman gepokt en gemazeld in cri siscommunicatie. “De ervaring die we in huis hebben en onze interne afspraken kwamen op 22 maart bijzonder goed van pas. Op het vlak van communicatie schiet op zulke dagen een automatische machi nerie op gang. Dat neemt niet weg dat de schaalgrootte van deze crisis – het hele land was in de ban – de gebetenheid van de pers en het onveiligheidsgevoel be langrijke extra aandachtspunten waren.” “Onze patiënten beschermen, onze zorgverstrekkers ondersteunen en de reputatie van onze organisatie bewaken”, vat Edgard Eeckman zijn opdracht op 22 maart samen. “En in die volgorde. De slachtoffers die wij in het UZ Brussel verzorgden, waren onze prioriteit.”
Honger naar emo-verhalen De communicatie met de media was daarom een voortdurend aandachtspunt in het UZ Brussel. “Onze media bleken namelijk zeer hongerig te zijn naar emo-verhalen”, getuigt Edgard Eeckman. “Aanvragen van media om slachtoffers te interviewen, hebben we altijd afgehouden. Eén patiënt wou graag zelf zijn verhaal doen aan journalisten en daar kunnen we niet tussenkomen, maar onaangekondigde journalisten in onze gangen werden de deur gewezen. Ik stel vast dat we stilaan naar Britse toestanden evolueren; we moesten er actief over waken dat 22 maart niet emotioneel ‘uitgemolken’ werd.”
“We moesten er actief over waken dat 22 maart niet emotio neel ‘uitgemolken’ werd.”
Edgard Eeckman: “De meeste druk kwam van de pers, maar aangezien iedereen – ook onze medewerkers – met prangende vragen over veiligheid zat, communiceerden we ook intern in real time.”
Interne afspraken In het UZ Brussel lagen, ook wat communicatie betreft, een aantal afspraken voor crisismomenten zoals de aanslagen klaar. “Zo is het duidelijk afgesproken dat ik als centrale woordvoerder optreed. Onze communicatiedienst ging meteen aan de slag om de perscommunicatie in goede banen te leiden en ook de interne communicatie stond onmiddellijk hoog op ons prioriteitenlijstje. De meeste druk kwam van de pers, maar aangezien bij deze crisis iedereen – ook
onze medewerkers – met prangende vragen over veiligheid zat, communiceerden we ook intern in real time. Via onder meer ons nieuw intranet, een digitale nieuwsbrief en de vaste overlegmomenten hebben we voortdurend gecommuniceerd. Ook onze patiënten moesten op de hoogte gebracht worden van de uitzonderlijke maatregelen in ons ziekenhuis. Enkelen zagen bijvoorbeeld hun ingreep uitgesteld worden. Het was aan onze medewerkers om hen juiste informatie te geven en aan ons om hen daarin te ondersteunen.”
zorgwijzer | 12
Dr. Nima Hosseinpour Tabrizi, spoedarts UZ Brussel
“ ’s Avonds wilde ik ook gewoon naar mijn gezin” Dr. Nima Hosseinpour Tabrizi, urgen tiearts in het UZ Brussel, was vanop de eerste linie betrokken bij de opvang van de slachtoffers op 22 maart. “Ik was ver antwoordelijk voor de patiënten in kritie ke toestand die bij ons binnengebracht werden. 22 maart is de ergste ramp die ik tot nu toe meegemaakt heb. Onze ca paciteit werd niet volledig benut en in de namiddag stabiliseerde de situatie, maar ’s avonds wilde ik zoals zovele zorgver leners gewoon naar huis, om mijn vrouw en kind goed vast te pakken.” Rond 8 uur ’s ochtends kreeg dr. Tabrizi een telefoontje van het ziekenhuis. “Ik kreeg te horen dat er bommen ontploft waren op de luchthaven en dat Defensie ter plaats was om alles te coördineren. Ik ben onmiddellijk op zoek gegaan naar meer nieuws. Hoewel de omvang van de terreur toen nog niet duidelijk was, heb ik niet gewacht om contact op te nemen met de noodcentrale om de capaciteit van het UZ Brussel om slachtoffers op te vangen, door te geven. Kort nadat ik in het ziekenhuis aangekomen was, werden de eerste slachtoffers binnengebracht. Dat was het begin van een rollercoaster”, vertelt dr. Tabrizi.
Onzekerheid Met ‘rollercoaster’ bedoelt de spoedarts vooral de onzekerheid die 22 maart typeerde. “Chaos en paniek bleven uit. De aanslagen vonden ’s ochtends en in de week plaats. Op dat moment zijn ziekenhuizen goed bemand en liggen de spoed afdelingen niet vol. We waren dus goed voorbereid. Zeker sinds de aanslagen in Parijs vorig jaar en door de recente huiszoekingen in Molenbeek, oefenen we – binnen het kader van de masteropleiding in Disaster Medicine – nog intenser op rampscenario’s en terreuraanslagen. De zenuwen stonden vooral gespannen door de onzekerheid. We wisten niet hoeveel aanslagen we nog konden verwachten en hoeveel slachtoffers er verzorgd zouden moeten worden.”
“Wij, spoedartsen, gaan ervan uit dat we overspoeld zullen worden met patiënten, maar die overrompeling bleef uit, gelukkig maar.” en alle operatiezalen werden beschikbaar gemaakt. Iedereen stond paraat: studenten, verpleegkundigen, assistenten, chirurgen, artsen… Zelfs de keukendienst was voorbereid om extra broodjes te voorzien om iedereen de hele dag op de been te houden. De solidariteit in het ziekenhuis was hartverwarmend.”
lijk zijn er altijd zaken voor verbetering vatbaar. Een van de lessen die wij hieruit trekken, is dat we alert moeten zijn voor communicatie en onze internetverbindingen in het bijzonder. Doordat heel wat mensen via livestreaming de gebeurtenissen wilden volgen, vertraagde onze verbinding.
“Op zulke momenten gaan wij, spoedartsen, ervan uit dat we overspoeld zullen worden met patiënten, maar die overrompeling bleef uit, gelukkig maar”, gaat dr. Tabrizi verder. “Uit vrees voor andere aanslagen in Brussel werden heel wat slachtoffers van de aanslag op Brussels Airport trouwens buiten Brussel verzorgd. De slachtoffers werden op een efficiënte manier verdeeld over de meer dan twintig betrokken ziekenhuizen. In de namiddag werd de situatie opnieuw normaal.”
We hebben van de debriefing trouwens ook gebruik gemaakt om met collega’s te praten over wat de aanslagen met ons als mensen hebben gedaan. Mijn vrouw zegt soms dat ik als spoedarts al iets te veel gezien heb en te onverschillig ben geworden. Alle zorgverleners zijn nu eenmaal getraind om het hoofd koel te houden op crisismomenten. Maar dat wil niet zeggen dat we achteraf geen nood hebben om alles op een rijtje te zetten. Op 22 maart was ik ’s avonds ook blij om naar huis te kunnen gaan. Mijn vrouw werkt op de luchthaven, maar was die week nog met ouderschapsverlof. Als terreur zo dichtbij komt, kent iedereen wel iemand die net ontsnapt is aan het gevaar en dan doemt meteen de ‘Wat als…?’-vraag op, ook in mijn hoofd.”
Wat als…? In het UZ Brussel werd de opvang op 22 maart intussen al geëvalueerd. “Ons intern noodplan heeft volgens mij goed gewerkt. Iedereen, van de directie tot op de vloer, wist wat hij moest doen. Natuur-
Dr. Tabrizi: “Mijn vrouw zegt soms dat ik als spoedarts al iets te veel gezien heb en te onverschillig ben geworden. Alle zorgverleners zijn nu eenmaal getraind om het hoofd koel te houden op crisismomenten. Maar dat wil niet zeggen dat we achteraf geen nood hebben om alles op een rijtje te zetten.”
“In het UZ Brussel namen we in elk geval alle nodige voorzorgen: onze spoeddienst werd vrijgemaakt, op onze afdeling intensieve zorgen werden elf bedden voorzien
13 | juni 2016
zorgwijzer | 13
Bart Demuynck, Militair Hospitaal Koningin Astrid
“Deze ramp overtrof onze verwachtingen” “Onze medewerkers zijn in zekere mate vertrouwd met dit soort omstandighe den, maar de impact van de aanslagen overtrof onze oefeningen en verwach tingen”, evalueert Bart Demuynck, directeur Administratie en Logistiek van het Militair Hospitaal Koningin Astrid in Neder-over-Heembeek. Het ziekenhuis nam de eerste coördinatie op zich na de aanslagen. “Een van de zaken die we zeker onthouden, is de goede samen werking met de ziekenhuizen.” Het Militair Hospitaal Koningin Astrid in Neder-over-Heembeek was een van de ziekenhuizen die het meest betrokken was bij de eerste opvang van de slachtoffers van de terreuraanvallen. “Dat is zo voorzien in de noodplannen, aangezien we zo dicht bij Brussels Airport gelegen zijn. Op 22 maart hebben wij dus de eerste opvang van slachtoffers georganiseerd”, blikt Bart Demuynck terug. “Na de eerste noodoproep zijn meteen drie van onze MUG-teams naar Zaventem gereden. We organiseerden de Voorwaartse Medische Post (VMP) op Zaventem en het Militair Hospitaal was als tweede VMP actief. We zijn onmiddellijk begonnen met de triage en evacuatie van de slachtoffers. Elk jaar oefenen we dergelijke rampscenario’s, maar het niveau van deze ramp overtrof toch wel onze verwachtingen.”
Vlotte samenwerking In totaal ving het Militair Hospitaal Koningin Astrid de dag van de aanslagen 93 patiënten op. “Alles verliep snel. De slachtoffers die bij ons binnenkwamen, zaten onder het grijs stof. Het was een kwestie om zo snel mogelijk de ernst van hun situatie juist in te schatten, hen te behandelen of hen naar andere ziekenhuizen over te brengen. Ook met onze helikopters hebben we patiënten geëvacueerd.” “De samenwerking en uitwisseling met de andere ziekenhuizen verliepen die dag vlot. Zo herinner ik me dat bijvoorbeeld twee kinderen eerst in het ziekenhuis van Halle opgenomen werden, maar dan snel naar ons brandwondencentrum overgebracht werden toen bleek dat hun brandwonden ernstiger waren dan gedacht. Zo goed als meteen waren twee helikopters van Defensie hiervoor ter beschikking. Omgekeerd hebben wij ook patiënten met bijvoorbeeld
neurotrauma’s vlot uitgewisseld met andere ziekenhuizen die meer geschikt zijn voor dergelijke opvang. We stonden voortdurend in contact met de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid en de andere ziekenhuizen.”
“Noem het een ‘militaire reflex’. Nog meer dan andere ziekenhuizen hielden wij rekening met een reeks van aanslagen.”
nood aan nieuw materiaal. Elke militair heeft namelijk standaard een medische kit op zak om massale bloedingen te stoppen. Die kit is eigenlijk bedoeld om zichzelf vlug te helpen in gevechtssituaties. Op 22 maart hebben onze mensen natuurlijk massaal hun verbanden gebruikt voor de slachtoffers. Vanuit onze militaire reflex willen wij ons dan onmiddellijk met nieuw materiaal voorbereiden op meer aanslagen en nog meer slachtoffers. Dat was wat ons die dag in eerste instantie dreef. Ik vermoed dat dat ons onderscheidt van de meer klassieke medische interventies.”
Oorlogsramp De verwondingen van de patiënten in het Militair Hospitaal noemt Demuynck ‘typische oorlogsverwondingen’. “Onze mensen zijn getraind op alle facetten van de ramp. We waren betrokken bij elke grote ramp in België, zoals de gasexplosie in Gellingen en de treinramp van Buizingen. Bovendien worden onze mensen ook uitgestuurd naar oorlogsgebieden. Al die ervaring konden we op 22 maart bijzonder goed gebruiken. Anders dan bij andere crises in ons land tot nu toe, was dit een echte oorlogsramp.”
Bart Demuynck: “Het was een kwestie om zo snel mogelijk de ernst van de situatie van de slachtoffers juist in te schatten, hen te behandelen of hen naar andere ziekenhuizen over te brengen.”
Zelf was Bart Demuynck die dag volop in de weer met het interne beheer van de crisis. “Behalve medische zorg verstrekken, moesten we als ziekenhuis immers ook familieleden opvangen en het DVI (Disaster Victim Identification Team) ondersteunen. Daarenboven waren we ook bezig met de veiligheid van het ziekenhuis zelf. Als militair ziekenhuis konden we namelijk ook een doelwit zijn van een volgende aanslag.”
‘Militaire reflex’ Die bedachtzaamheid voor een nieuwe aanslag in Brussel was een van de belangrijkste bekommernissen in het Militair Hospitaal. “Noem het een ‘militaire reflex’. Nog meer dan andere ziekenhuizen hielden wij rekening met een reeks van aanslagen. Onze militairen hebben immers buitenlandse ervaring en weten dat het vaak niet stopt na één of twee bommen. Nadat we de eerste reeks slachtoffers hadden opgevangen, hebben we dus onmiddellijk onze stocks aangevuld. Onze militairen die op de plaats van de aanslagen aanwezig waren, hadden ook
zorgwijzer | 14
Jeroen Geeraerts, medisch coördinator Fire & Emergency Services Brussels Airport Company
“We keren nog elke dag een beetje terug naar 22 maart”
Jeroen Geeraerts: “’s Ochtends hoorde ik plots veel communicatie via ons radiosysteem. Ik begreep meteen dat dit geen oefening was, maar een reële ramp op onze luchthaven.”
Zoals voor zovele zorg- en hulpverleners startte 22 maart voor Jeroen Geeraerts als een gewone werkdag. “Maar ’s och tends hoorde ik plots veel communicatie via ons radiosysteem. Ik begreep meteen dat dit geen oefening was, maar een re ële ramp op onze luchthaven”, vertelt hij. Als medisch coördinator bij de Fire & Emergency Services van Brussels Air port was hij nauw betrokken bij de me dische hulpverlening op de luchthaven. “22 maart blijft bij onze dienst nog even nazinderen.” Net aangekomen op zijn werkplek in brandweerkazerne Noord van de luchthaven, haastte Jeroen Geeraerts zich meteen naar de vertrekhal, de plaats van de aanslagen. “Onze brandweer was al ter plaatse en het medische team is onmiddellijk begonnen met de triage van slachtoffers in de vertrekhal. Ik zag ook teams van onder meer het Militair Hospitaal (als directie medische hulpverlening), brandweerzone Vlaams-Brabant West en Brussel, het Rode Kruis en verschillende MUG-teams van ziekenhuizen uit de buurt. Onze ziekenwagen, acht artsen en
15 | juni 2016
twee verpleegkundigen van MEDA bvba, onze contractant voor medische dienstverlening, hielpen de verschillende MUGteams om de slachtoffers te stabiliseren voordat ze naar ziekenhuizen werden overgebracht. Snelheid bij de evacuatie was onze topprioriteit op dat moment, want de dreiging was nog niet onmiddellijk geweken.”
“Snelheid bij de evacuatie was onze topprioriteit, want de dreiging was nog niet onmiddellijk geweken.”
Voorbereid
Elke dag terug
“Ik vind dat we trots mogen zijn over de manier waarop we die dag gereageerd hebben”, gaat Jeroen Geeraerts verder. “Iedereen heeft zijn uiterste best gedaan en de bijzondere nood- en interventieplannen van de luchthaven hebben gewerkt. Intern testen we de procedures regelmatig en elke twee à drie jaar wordt een grote rampenoefening georganiseerd. Dankzij die voorbereidingen wisten onze mensen op 22 maart precies wat ze moesten doen. Onze brandweerploeg die op dat moment dienst had, kreeg daarenboven snel versterking van zo’n vijftig extra medewerkers die spontaan kwamen helpen of opgeroepen waren.”
Sinds de aanslagen is het groepsgevoel binnen Brussels Airport Company naar Jeroens aanvoelen nog versterkt. “Dit was ongezien en de aanslagen hebben een diepe indruk nagelaten. Het was voor onze dienst geen interventie zoals anders. Gewoonlijk keren wij terug naar onze kazerne en kunnen we een interventie netjes afronden. Maar nu keren we nog elke dag een beetje terug naar 22 maart wanneer we naar onze werkplek, de plaats van de aanslagen, komen. Brussels Airport Company biedt psychosociale begeleiding aan alle medewerkers, maar met collega’s praten is minstens even belangrijk om dit alles een plaats te geven.”
Kurt Van Steenwinkel, psycholoog Algemeen Ziekenhuis Jan Portaels
“22 maart kan je niet zomaar van je afspoelen” Heel wat medewerkers in ziekenhuizen beleefden op 22 maart zaken die ze nog nooit eerder ervaren hadden. Psychoso ciale ondersteuning was voor velen van hen dan ook geen overbodige luxe. Kurt Van Steenwinkel werkt als psycholoog in het Algemeen Ziekenhuis Jan Portaels in Vilvoorde en begeleidde collega’s na de gebeurtenissen. “Zorgverleners worden regelmatig geconfronteerd met moeilijke situaties die een impact kunnen hebben, maar die dag was uitzonderlijk en kan je niet zomaar van je afspoelen.” Het Algemeen Ziekenhuis Jan Portaels ligt vlakbij Brussels Airport en ving 27 slachtoffers van de terreuraanslagen op. “Zelf werd ik op de dag van de aanslagen intern op de hoogte gebracht via de zorgdirectie”, vertelt Kurt Van Steenwinkel. “We kregen een briefing en met mijn collega’s sprak ik een rolverdeling af. Twee van hen hebben zich gefocust op de onmiddellijke
Kurt Van Steenwinkel: “De vraag die we het vaakst krijgen, luidt: ‘Is het normaal dat ik nog steeds denk aan wat er die dag gebeurd is?’”
“Ik heb slechts twee artsen gezien na 22 maart. Ik ben er nochtans zeker van dat heel wat van hun collega’s met dezelfde vragen en onzekerheden hebben geworsteld.” opvang van patiënten en hun families in het ziekenhuis, terwijl een andere collega en ik ons concentreerden op het personeel op alle afdelingen van het ziekenhuis. Al snel merkten we dat de aanslagen een grote impact hadden op sommige van onze mensen.”
Bont allegaartje Kurt Van Steenwinkel en zijn collega’s brachten de dag na de aanslagen voor het eerst de medewerkers samen die nood hadden om hun verhaal te vertellen. “Zo’n 35 mensen waren aanwezig op het debriefingsmoment. Ze vormden een bont allegaartje. We zagen verpleeg- en zorgkundigen, maar bijvoorbeeld ook mensen van de logistieke dienst die extra brancards hadden gesjouwd, poetspersoneel dat veel bloed had moeten opruimen en mensen die de slachtoffers hadden geregistreerd. Stuk voor stuk hadden ze zaken meegemaakt waarmee ze normaal gezien niet geconfronteerd worden in hun job. Tijdens de debriefing konden ze van elkaar horen hoe anderen die dag beleefd hadden en konden ze elkaar steunen”, aldus Kurt Van Steenwinkel. Opvallend genoeg zoeken bitter weinig artsen psychosociale ondersteuning op. “Ik vermoed dat de cultuur bij artsen daarin een rol speelt. Zij stellen zich minder gemakkelijk kwetsbaar op. Ik heb slechts twee artsen gezien na 22 maart. Ik ben er nochtans zeker van dat heel wat van hun collega’s met dezelfde vragen en onzekerheden hebben geworsteld. We kunnen alleen hopen dat zij hun eigen manier hebben gevonden om hiermee op een goede manier om te gaan”, besluit Kurt Van Steenwinkel.
‘Landen’ uit overlevings modus Enkele dagen na de eerste debriefing hadden de psychologen van het Algemeen Ziekenhuis Jan Portaels meer persoonlijke
contacten met medewerkers die daaraan nood hadden. Kurt Van Steenwinkel: “De eerste 24 tot 48 uur zit je in een overlevingsmodus. Pas daarna krijg je tijd om stil te staan en na te denken. Je ziet mensen dan als het ware ‘landen’. De vraag die we het vaakst krijgen, luidt dan: ‘Is het normaal dat ik nog steeds denk aan wat er die dag is gebeurd?’ Voor mensen die met die vraag zitten, bied je in eerste instantie opvang en probeer je te schetsen wat ‘normale reacties’ zijn. Zorg- en hulpverleners worden geregeld geconfronteerd met moeilijke situaties, maar 22 maart was uitzonderlijk. Het is normaal dat sommige collega’s het daar moeilijk mee hebben. Onze advies luidt steeds: hou jezelf in het oog en zorg goed voor jezelf. Symptomen als slecht slapen, piekeren en sneller emotioneel worden, zijn normaal. Maar als je blijft worstelen met wat er is gebeurd en je merkt dat het energie blijft vreten, dan kan je baat hebben bij professionele hulp. In ons ziekenhuis hebben we met verschillende medewerkers nog enkele keren samengezeten. Eén persoon die de gebeurtenissen van 22 maart bleef herbeleven, hebben we doorverwezen naar verdere hulp.”
In perspectief Intussen zijn de meeste medewerkers in het ziekenhuis weer overgegaan naar de orde van de dag. “Uiteindelijk blijft de wereld voortdraaien. Onze mensen verzorgen nieuwe patiënten en gaan verder met hun job. Dat plaatst alles mee in perspectief.” “Dat sluit niet uit dat mensen het opnieuw moeilijk kunnen krijgen. Een volgende crisis kan de emoties van 22 maart opnieuw wakker maken. Daarom hebben wij onze leidinggevenden geadviseerd om hun mensen op te volgen zodat we snel degenen die het lastig krijgen, kunnen helpen. Wij weten ook precies wie nauw betrokken was bij 22 maart en zullen ook over hen blijven waken vanop een afstand.”
zorgwijzer | 16
GGZ
Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg stelt getrapt model voor
Naar een terugbetaling van psychologische zorg? Steeds meer Belgen kampen met psy chologische moeilijkheden, maar omdat de ziekteverzekering psychologische zorg vandaag meestal niet terugbetaalt, blijft deze zorg moeilijk toegankelijk. Het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) stelt nu een sys teem op twee niveaus voor. Een eerste algemeen niveau is vlot toegankelijk en vangt vaak voorkomende en gematigde problemen op. Een tweede niveau is niet direct toegankelijk en biedt gespeciali seerde zorg aan wanneer de zorg op het eerste niveau niet volstaat. Gedelegeerd bestuurder Koen Lowet van de Belgische Federatie van Psychologen en stafme dewerker Gorik Kaesemans van Zorg net-Icuro spreken van een doorbraak. “Uit onderzoek blijkt dat de Belgen steeds meer kampen met psychologische moeilijkheden”, stelt het KCE. Het gaat dikwijls om ‘milde en matige problemen’, zoals angst, stress, burn-out, depressieve
gevoelens, relationele of familiale moeilijkheden. Vaak is er nog geen sprake van een specifieke psychiatrische aandoening. Maar als men niet ingrijpt, kan het psychisch lijden langdurig worden en moeilijker te behandelen. Naast een zware last voor de betrokkene, zijn die problemen ook een grote belasting voor de samenleving, in de vorm van absenteïsme. Volgens het RIZIV (cijfers van 2013) liggen mentale problemen aan de basis van een derde tot de helft van de aanvragen voor een invaliditeitsuitkering. Dat komt neer op een stijging met bijna 60% over een termijn van tien jaar. Nochtans kunnen deze minder ernstige problemen vaak worden overwonnen met de hulp van een daartoe opgeleide hulpverlener. Het huidige aanbod van psychologische zorg voldoet echter niet aan de behoeften. En daarbij komt nog dat dit type van zorg amper wordt terugbetaald door de ziekteverzekering.
Een model met twee niveaus De studie van het KCE werd uitgevoerd op vraag van het RIZIV, de FOD Volksgezondheid en de Belgische Federatie van Psychologen, in het kielzog van de wet van april 2014 ter erkenning van het beroep van klinisch psycholoog. Het KCE onderzocht organisatie- en terugbetalingsmodellen van psychologische zorg in andere landen en ontwikkelde een model op maat van de Belgische realiteit. Het model omvat een systeem op twee niveaus. Voor het eerste niveau lieten de onderzoekers zich mee inspireren door de pilootprojecten van de ‘Eerstelijns Psychologische Functie’ (ELPF) die recent in Vlaanderen werden opgezet in samenwerking met het onderzoekscentrum LUCAS van de KU Leuven. Dit eerste niveau staat open voor iedereen, zonder voorschrift of criteria inzake diagnose of ernst van het probleem. Psychologen die speciaal opgeleid zijn voor de eerste
Koen Lowet en Gorik Kaesemans: “Het momentum is er. Dit rapport van het KCE kan de basis worden van een grote doorbraak voor de geestelijke gezondheidszorg.”
17 | juni 2016
aanpak van de meest voorkomende psychische problemen, kunnen iedereen snel opvangen tegen een beperkte vergoeding. Op dit eerste niveau kunnen maximum vijf sessies worden gegeven. Het doel is vooral om het probleem in te schatten en de mensen een professioneel duwtje in de rug te geven. Uit de ervaring met de Vlaamse ELPF-projecten blijkt dat 88% van de mensen na (minder dan) vijf sessies geholpen is. Daarnaast kunnen ze personen die nood hebben aan een langere ondersteuning of meer gespecialiseerde zorg, sneller doorverwijzen. De eerstelijnspsychologen kunnen hun hulp op vele plaatsen aanbieden: in huisartspraktijken, huisartsenwachtposten, wijkgezondheidscentra, CLB’s, CAW’s enz., wat zou moeten zorgen voor een ruime geografische spreiding. Daarnaast zijn er ook mensen die liever hun psychische problemen bespreken met hun vertrouwde huisarts. Om de huisartsen die centrale rol verder te laten vervullen, beveelt het KCE aan om hiervoor een ‘langere consultatie’ met een verhoogd honorarium in te stellen. De financiële bijdrage voor de patiënt zou voor beide vormen van eerstelijnspsychologische zorg identiek zijn. Zowel de psycholoog op de eerste lijn als de huisarts kan per patiënt een beroep doen op een eenmalig psychiatrisch advies. Patiënten die rechtstreeks naar de psychiater gaan zouden in het KCE-model meer remgeld betalen.
het bepalen van de criteria van hun opleidingen, het oprichten van regelgevende instanties en het organiseren van de toegang tot de (toekomstige) gedeelde elektronische dossiers. De financiering van een dergelijk systeem is bovendien complex, want de bevoegdheden voor de geestelijke gezondheidssector zijn verdeeld over de federale en de gemeenschapsoverheden.
Positieve reacties Koen Lowet van de Belgische Federatie van Psychologen is tevreden met het voorstel van het KCE. “De erkenning van de klinisch psycholoog was een belangrijke stap, maar om de toegang tot de geestelijke gezondheidszorg te verbeteren, is meer nodig. Vandaag stapt slechts 5% van de mensen met psychische klachten naar een psycholoog. De drempels zijn te hoog. Het model dat het KCE voorstelt, ontsluit de hulpverlening, voorziet financiering en integreert de GGZ in de eerste lijn met een rechtstreekse toegang. Het model sluit bovendien aan bij good practices uit het buitenland én bij de ervaringen met de pilootprojecten ELPF. Het getrapte systeem met twee niveaus is logisch. Belangrijk is dat een psycholoog op beide niveaus kan werken, zelfs voor één patiënt. Dat is
goed voor de continuïteit van de zorg. Het voorstel van het KCE is globaal genomen een enorme doorbraak voor de geestelijke gezondheidszorg.” “Natuurlijk hebben we nog kritische bedenkingen. Dat ook huisartsen zonder bijkomende opleiding psychologische hulp mogen verlenen op het eerste niveau, vinden we niet kunnen. Enige bijscholing lijkt ons op zijn plaats. Verder rekenen we erop dat de samenwerking met de huisarts voor het functioneel bilan vlot en niet archaïsch wordt georganiseerd. Voor het tweede, gespecialiseerde niveau voorziet het voorstel van het KCE eveneens een beperking van het aantal sessies, zonder zich uit te spreken over het exacte aantal. Ook dat vinden we goed: op die manier duurt de behandeling niet oneindig. We vinden het alleen niet logisch dat die evaluatie door een controlepsycholoog van het RIZIV zou gebeuren. We zien hier een belangenconflict, want het RIZIV is dan tegelijk verzekeraar én controleur. Waarmee onze leden het ook moeilijk hebben, is de bankiersrol van de CGG op dat gespecialiseerde niveau. Een psycholoog moet voor het tweede niveau zijn vergoeding krijgen via het CGG. Dat creëert een onevenwichtige samenwerking.”
Het KCE stelt een organisatiemodel met twee niveaus voor.
Meer gespecialiseerde zorg Voor sommige mensen zullen de vijf sessies van de eerste lijn niet volstaan. Zij kunnen meer gespecialiseerde zorg krijgen. Hiervoor moeten een huisarts en een psycholoog van de eerste lijn samen een ‘functioneel bilan’ maken. Het KCE stelt voor dat de gespecialiseerde psychologische zorg zou worden gegeven in of in samenwerking met de Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg (CGG). Zelfstandige psychologen met een privépraktijk kunnen een samenwerkingsovereenkomst met een CGG afsluiten waardoor ze ook financiering van het RIZIV kunnen ontvangen. Het blijft uiteraard ook mogelijk om een privépsycholoog buiten het systeem te raadplegen, maar de ziekteverzekering zal die dan niet terugbetalen.
Hervorming niet van vandaag op morgen De hervorming kan voor het KCE niet van vandaag op morgen plaatsvinden. Er is eerst nog veel werk aan de winkel: het opleiden van voldoende hulpverleners,
zorgwijzer | 18
Grote doorbraak Ook Gorik Kaesemans van Zorgnet-Icuro reageert in hoge mate positief op het model van het KCE. “Ook wij hebben natuurlijk nog onze bedenkingen, maar laat ons vooral het positieve benadrukken: dit kan een enorme stap vooruit zijn om meer zorg voor de geestelijke gezondheid te realiseren. In die zin betreuren we dat de Belgische Federatie van Psychologen bij haar leden a priori’s aanwakkert. Het KCE mikt niet op een bankiersrol voor de CGG, maar wil hun rol als gespecialiseerde multidisciplinaire centra versterken in een getrapt systeem. Als we nu met z’n allen dit voorstel steunen, dan kunnen we eindelijk de noodzakelijke hervormingen doorvoeren. Het voorstel van het KCE is getoetst bij alle betrokkenen en er is een groot draagvlak voor.” “Voor Zorgnet-Icuro had de huisarts een meer centrale rol als toegangspoort mogen krijgen. Uit cijfers van de OESO weten we dat 78% van de Belgen nu al met zijn psychische problemen eerst bij de huisarts aanklopt. Dankzij ondersteuning door psychologen op de eerste lijn kan de huisarts versterkt worden om psychische problemen beter te herkennen, patiënten met lichte problemen zelf verder te helpen of ze gericht door te verwijzen bij meer ernstige problemen. Dat de CGG een centrale rol krijgen op het tweede niveau, vinden wij dan weer positief en logisch. Waarom zou je de bestaande structuren en netwerken niet gebruiken? Wij pleiten ervoor om de deskundigheid op alle niveaus in te zetten en complementair samen te werken in plaats van schotten te bouwen tussen actoren. Dat garandeert echte zorgcontinuïteit. Het KCE-rapport is een stevige basis om op voort te bouwen. Nog niet alle modaliteiten liggen vast, maar laat ons de positieve dynamiek vasthouden en constructief verder werken.” “Daarmee ben ik het volledig eens”, zegt Koen Lowet. “Het verheugt me ook dat Vlaams minister Vandeurzen oprechte interesse toont voor de voorstellen van het KCE. Ook federaal minister De Block toont ambitie. Het momentum is er, we moeten het grijpen. De samenwerking zal vooral op het terrein vorm moeten krijgen. Hiervoor hebben we het initiatief genomen om ‘regionale psychologenkringen’ op te richten, naar analogie van de huisartsenkringen. Zo willen we het contact tussen psychologen in elke regio versterken. Allemaal samen zullen we de hervormingen moeten realiseren. We hopen ook dat de CGG hun psychologen zullen aanmoedigen om hieraan te participeren.”
19 | juni 2016
“Duidelijke optie voor brede toegankelijkheid” Eén van de auteurs van het KCE-rapport is Jef Adriaenssens. Hij is tevreden met het grote draagvlak voor het model dat het KCE voorstelt. Wat heeft het KCE uit modellen in andere landen geleerd? Jef Adriaenssens: We hebben vijf landen bestudeerd waar psychotherapie al wordt terugbetaald. In vier van die landen is hiervoor een verwijzing van de huisarts nodig, in Zwitserland zelfs van een psychiater. Wij hebben uiteindelijk voor een veel bredere toegankelijkheid geopteerd voor de eerste lijn. Uit de pilootprojecten ELPF blijkt immers dat heel veel klachten niet zuiver psychisch van aard zijn. Vaak is er sprake van een biopsychosociale context, waar ook economische, sociale of financiële problemen meespelen. Soms bestaat de oplossing uit een doorverwijzing naar het OCMW, het CAW of zelfs de VDAB. Waarom is gekozen voor een hulpverlening op twee niveaus? Wij geloven in stepped care: je start met de laagste intensiteit van zorgverlening. Wil je een stapje hoger, dan is een soort van filter nodig: het functioneel bilan. Sturen we alle mensen meteen naar de gespecialiseerde zorg, dan doe je aan overshooting, laat je het systeem dichtslibben én wordt het geheel onbetaalbaar. Uit de pilootprojecten ELPF leren we dat mensen na gemiddeld drie sessies geholpen zijn. 88% van de mensen is geholpen na vijf sessies. Die mooie cijfers tonen dat de eerste lijn heel veel kan doen. Is er méér zorg nodig, dan wordt een functioneel bilan opgemaakt. Het idee hierachter is dat de klinisch psycholoog een beperkte kennis heeft van de somatiek en dat omgekeerd de huisarts vaak minder kennis heeft van de psychologie: om beide invalshoeken te hebben, moeten we de huisarts en de klinisch psycholoog samenbrengen. Dat hoeft daarom niet letterlijk samen te zijn met een aparte consultatie: in veel gevallen zal een kort verslag via SUMHER (summarized electronic health record) volstaan. Jef Adriaenssens: “Sturen we alle mensen meteen naar de gespecialiseerde zorg, dan doe je aan overshooting, laat je het systeem dichtslibben én wordt het geheel onbetaalbaar.”
Revalidatieconventies
Revalidatieconventies GGZ komen uit de kast
“Wat wij doen is zo specifiek, dat we moeilijk onder één noemer te vangen zijn”
De zesde staatshervorming beroert ook de GGZ revalidatieconventies. Het gaat om een heel diverse groep van voorzie ningen die tot voor kort door het RIZIV erkend en gefinancierd werden, maar nu onder Vlaamse bevoegdheid komen. Om dat onbekend onbemind is, hebben deze revalidatiecentra een brochure gemaakt waarin ze zichzelf voorstellen. Tegelijk formuleren ze enkele beleidsaanbevelin gen voor de toekomst. “Wij zijn zo divers en specifiek dat een beleid op maat nodig is”, zegt Martie Mol, voorzitter van de werkgroep GGZ revalidatieconventies van Zorgnet-Icuro. Met haar en met staf medewerker Ludewei Pauwelyn brengen we de GGZ-conventies in kaart. “Specifiek aan de GGZ-revalidatieconventies is dat ze op maat van bepaalde noden in een regio gemaakt en goedgekeurd zijn door het RIZIV. Er zit geen lijn in deze voorzieningen: ze bieden allemaal een concreet antwoord op een reële nood en hebben allemaal een individuele overeenkomst met het RIZIV lopen”, zegt Ludewei Pauwelyn. “Sommige revalidatieconventies zijn residentieel, andere ambulant. Sommige maken deel uit van een ruimere vzw, andere werken volledig autonoom.” “Met de zesde staatshervorming krijgt Vlaanderen heel wat nieuwe bevoegdheden. En aangezien de revalidatieconventies een kleine sector en een heel diverse groep vormen, is het niet evident om hier snel expertise op te doen. Daarom willen wij de Vlaamse overheid met deze brochure de nodige input geven om een beleid te ontwikkelen. Naast deze publicatie werken we ook aan addenda, waarin we dieper ingaan op concrete voorstellen, bijvoorbeeld over de financiering van de infrastructuur en de specifieke integratie in de GGZ.”
“De brochure bestaat uit drie luiken”, vervolgt Ludewei Pauwelyn. “Eerst geven we een algemene voorstelling van de revalidatieconventies: wie zijn ze, wat doen ze, welke doelgroepen hebben ze, over welk budget gaat het enz. In een tweede luik formuleren we enkele beleidsaanbevelingen. We brengen de sterktes en de zwaktes in het huidige beleid in kaart, zodat een nieuw Vlaams beleid hierop kan inspelen. De zesde staatshervorming creëert kansen om de regelgeving en richtlijnen minder complex en rigide te maken. Ee overregularisering van registraties en administratie komt de werking niet ten goede. Ten slotte stellen de verschillende revalidatieconventies zich in een portfolio individueel voor.” “De brochure is overigens gemaakt in overleg met leden en een aantal niet-leden van Zorgnet-Icuro: de hele sector is betrokken. Het draagvlak ervoor is dan ook groot. Wij willen alle deelnemers hiervoor uitdrukkelijk bedanken”, benadrukt Ludewei Pauwelyn.
Spannende periode “Het is een spannende periode voor de GGZ-revalidatieconventies”, beaamt Martie Mol. “Waar wil de Vlaamse overheid naartoe met ons? Het is verleidelijk om de conventies te proberen zien als één groep of één sector, maar het specifieke aan ons is net dat we erg verschillend zijn. Veel van de conventies hebben jaren gewerkt als innovators: kleinschalig en zoekend, maar altijd heel gepassioneerd en oplossingsgericht. Net door die historiek zijn de conventies heel sterk op samenwerken en op maat gericht. We zijn allemaal relatief klein en alleen halen we het niet. Dat maakt tegelijk onze zwakte en onze kracht
zorgwijzer | 20
“Betrokkenheid en autonomie zijn belangrijke pijlers” Martie Mol is voorzitter van de Werkgroep GGZ revalidatieconventies van Zorgnet-Icuro en ook directeur van Therapeutische Gemeenschap ‘de evenaar’ en van Revalidatiecentrum ‘de keerkring’. Het zijn meteen twee mooie voorbeelden van wat een GGZ revalidatieconventie kan zijn. “De Therapeutische Gemeenschap ‘de evenaar’ bestaat al sinds 1968, maar werd pas in 2000 als revalidatieconventie erkend. Wij vangen jongvolwassenen met een ernstige persoonlijkheidsstoornis residentieel op voor een intensieve therapie van één jaar. Dat gebeurt in twee rijhuizen in de stad Antwerpen. We kiezen bewust voor een heel gewone, alledaagse of ‘genormaliseerde’ omgeving midden in de samenleving. De cliënten nemen deel aan het leven. Betrokkenheid en autonomie zijn twee belangrijke pijlers. De cliënten beslissen samen met het team over heel wat thema’s. Vandaag vinden we dat wijd verspreid terug in de herstelgerichte aanpak, die mensen in hun waarde laat en werkt op de krachten en de talenten van elke cliënt.” “RC ‘de keerkring’ is een dagcentrum met dezelfde principes. Het bestaat pas sinds 1 januari 2015 en is gekoppeld aan het Netwerk Sara (regio Antwerpen) binnen de hervorming GGZ-volwassenen (artikel 107). We werken ontwikkelingsgericht op de competenties van cliënten. Zowel een heroriëntatie naar een vorm van werk als het therapeutisch bouwen aan de eigen identiteit staan centraal. De meeste cliënten van het revalidatiecentrum ‘de keerkring’ hebben ernstige psychiatrische klachten. We onderzoeken wat misgaat, maar focussen tegelijk heel sterk op de mogelijkheden.”
uit. Wij zijn het gewend om goed samen te werken met andere organisaties, maar we zijn ook kwetsbaar.” “Ik begrijp dat Vlaanderen zijn beleid wil rationaliseren. Tegelijk zijn we voorzichtig, want we beseffen dat er nogal wat misverstanden leven. De term ‘revalidatie’ doet veel mensen aan ‘chronisch’ denken. Maar dat is het niet. In de Therapeutische Gemeenschap ‘de evenaar’ geven we bijvoorbeeld intensieve therapie die gericht is op ontwikkeling en verandering, zodat nadien geen hulpverlening meer nodig is.
21 | juni 2016
Dat is dus niet chronisch, integendeel.” “Dat is het gevaar: we passen in geen enkel hokje. Niet bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH), niet in de ouderenzorg en al helemaal niet bij de revalidatieconventies voor fysische revalidatie. Onze heimat is de geestelijke gezondheidszorg, waar we goed geïntegreerd zijn.” “Met de overkomst naar Vlaanderen zal voor de GGZ-revalidatieconventies een nieuwe financiering uitgewerkt worden. Vlaanderen kiest voor een gemeenschap-
Revalidatieconventies van divers pluimage De revalidatieconventies GGZ vormen een van de voorzieningsvormen in de GGZ, naast bijvoorbeeld de Centra Geestelijke Gezondheidszorg of de psychiatrische ziekenhuizen. Er zijn zes vormen van GGZrevalidatieconventies: • de psychosociale revalidatie voor volwassenen • de psychosociale revalidatie voor kinderen en jongeren • de revalidatie voor personen met een verslavingsproblematiek • de moeder-babyeenheden in psychiatrische ziekenhuizen • de revalidatie-inrichtingen voor kinderneuropsychiatrie • de centra voor ambulante revalidatie
pelijke aanpak, met de Vlaamse Sociale Bescherming en de persoonsvolgende financiering. Het systeem zal niet eenvoudig over te hevelen zijn naar de GGZ-revalidatieconventies en we signaleren dan ook een aantal randvoorwaarden. Het inschatten van de zorgzwaarte bijvoorbeeld zal allicht niet lukken met BelRAI, laat staan dat je op basis hiervan de financiering gaat bepalen. We rekenen erop dat Vlaanderen de tijd zal nemen om een goed beleid op maat uit te werken. Er is in elk geval een grote bereidheid om in dialoog te gaan. Met de brochure zorgen we alvast voor de nodige achtergrond en documentatie”, zegt Martie Mol.
Flexibiliteit “In afwachting van een oplossing ten gronde, verwachten we van de overheden enige flexibiliteit op de korte termijn”, vult Ludewei Pauwelyn aan. “Een aantal knelpunten vraagt dringend om een oplossing. Zo is er op het gebied van infrastructuur veel werk aan de winkel. Het RIZIV heeft hierin de jongste jaren niet meer geïnvesteerd. Daarnaast betekent de overdracht van RIZIV naar de Vlaamse overheid in zekere zin een standstill: alleen zeer hoogdringende investeringen worden opgenomen. Renovatiewerken worden al enkele jaren vooruitgeschoven, maar je kunt de noodzakelijke onderhouds- en aanpassingswerken niet blijven uitstellen.” “Een ander heikel punt is het barema van onze psychiaters, die nu als adviserend
Ludewei Pauwelyn en Martie Mol: “Veel van de conventies hebben jaren gewerkt als innovators: kleinschalig en zoekend, maar altijd heel gepassioneerd en oplossingsgericht. Net door die historiek zijn de conventies sterk op samenwerken gericht. We zijn allemaal relatief klein en alleen halen we het niet. Dat maakt tegelijk onze zwakte en onze kracht uit.” geneesheer worden betaald. In de praktijk betekent dat dat ze elders bijna dubbel zoveel kunnen verdienen. Andere GGZ-vormen, zoals de Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg, kampen overigens met hetzelfde probleem. Voor de duidelijkheid: hiermee zitten we weer in de federale materie en vragen we een globale aanpak. Het blijft een complexe situatie.” “Nog een aandachtspunt is wat de cliënt betaalt voor hulpverlening in een CGG, een psychiatrisch ziekenhuis of een revalidatieconventie. Vlaamse en federale beslissingsbevoegdheden komen hier samen, maar het is voor iedereen aangewezen om de bestaande verschillen weg te werken en om cliënten duidelijkheid te verschaffen.” “In de brochure gaan we ook in op de specifieke noden per conventievorm. Bijvoorbeeld de ambulante zorg vanuit de moeder-baby-eenheden en de leemtes in het zorgaanbod van de psychosociale revalidatiecentra voor volwassenen. Ten slotte moet op korte termijn ook een oplossing komen voor de conventies die een tijdelijke looptijd hebben”, zegt Ludewei Pauwelyn. “Het gaat dan om de recent erkende centra in het kader van de netwerken GGZ voor volwassenen (artikel 107) en GAUZZ (Gedragsstoornissen bij Autisme en Zware Zorgbehoevendheid). Maar bijvoorbeeld ook over de moeder-baby-eenheden die al een jarenlange expertise hebben, maar nog altijd geen structurele overeenkomst kennen.”
Sterke visie “De integratie van de GGZ revalidatieconventies in de geestelijke gezondheidszorg is ondertussen verworven”, zegt Martie Mol. “Wij vervullen zowel in de netwerken voor volwassenen als in die voor kinderen en jongeren een essentiële rol, met name die van ‘alternatieve aanvullende behandeling’. Afhankelijk van het conventietype nemen de revalidatiecentra opdrachten op binnen de functies 1, 2, 3 en 4 van de hervorming GGZ voor volwassenen. We werken complementair aan de andere
voorzieningen. We vragen dan ook dat de omschrijving van de specifieke opdrachten van de GGZ-revalidatiecentra in het Vlaamse decreet geestelijke gezondheidszorg opgenomen wordt. Verder vragen de revalidatieconventies meer financiële armslag, ook voor ICT en onderzoek. Tot nu zoekt elk centrum zijn eigen weg, maar de verwachtingen veranderen en de eisen worden steeds scherper. Denk maar aan het elektronisch dossier, waarop ook wijmoeten inzetten. Op het gebied van onderzoek willen we graag nauwer samenwerken met universiteiten. Dat gebeurt vandaag al, maar te weinig structureel.” “Ten slotte willen we dat de overheid rekening houdt met regionale verschillen. De noden zijn overal anders. Per regio moeten we bekijken wat het aanbod is en waar er hiaten zijn. Let wel, we passen voor een ‘herverdeling van de schaarste’. We vragen ook niet dat elke regio alles aanbiedt: sommige diensten zijn zo gespecialiseerd dat ze gerust regio-overstijgend aangeboden kunnen worden. Denk aan de moeder-baby-eenheden, die hun expertise ook ambulant en outreachend kunnen uitdragen.” “Samengevat vragen we van de overheden om te werken vanuit een sterke visie. De jongste jaren beweegt er heel wat in de geestelijke gezondheidszorg, waarbij elke overheid interministerieel haar verantwoordelijkheid neemt. Dat en-en-verhaal is een meerwaarde. Die samenwerking dreigt door de schaarse middelen onder druk te komen. Partners worden tegen elkaar uitgespeeld in plaats van ze constructief te laten samenwerken. Kijk maar naar de situatie op het gebied van de arbeidszorg. Wij pleiten voor het slaan van bruggen en voor een regelluwe context die een goede integratie van de revalidatieconventies in de geestelijke gezondheidszorg mogelijk maakt”, besluit Martie Mol. De brochure kan vanaf 20 juni gedownload worden via www.zorgneticuro.be, rubriek publicaties
zorgwijzer | 22
HR-Beleid
Medewerkersmonitor toont spreidstand
Hoge tevredenheid bij medewerkers ouderenzorg, maar werkdruk stijgt Medewerkers in de woonzorgcentra zijn erg gemotiveerd en heel tevreden over hun werkgever. De jobinhoud, de goede samenwerking met collega’s, de sfeer op de afdeling en het coachend leider schap worden als heel positief ervaren. Toch is het niet allemaal rozengeur en maneschijn. De werkdruk neemt jaar na jaar toe en ook de lichamelijke belas ting is niet min. Dat blijkt uit de ‘Mede werkersmonitor Ouderenzorg 2015’ van Bing Research. Aan deze bevraging in de herfst van 2015 namen 62 woonzorg centra deel, voornamelijk uit de provin cies West-Vlaanderen en Antwerpen. Onderzoekster Ingrid Goovaerts geeft toelichting. Negen op de tien medewerkers is tevreden tot heel tevreden over de werkgever. 96% doet zijn werk graag en evenveel medewerkers vinden hun job zinvol. Voor de grote meerderheid is het werk ook uitdagend en biedt het takenpakket voldoende afwisseling. Ook het directe leiderschap scoort hoog. 77% van de medewerkers vindt dat de leidinggevende het team op een goede manier aanstuurt. 82% krijgt waardering van de leidinggevende. In schril contrast daarmee staan de cijfers over de werkdruk en de lichamelijke belasting: de helft van de medewerkers heeft er last van.
Maatregelen nodig “Jaar na jaar zien we een lichte verbetering in de hogere doelen: de medewerkers tevredenheid en de retentie”, stelt Ingrid Goovaerts vast. “Tegelijk zien we echter een stijging van de werkdruk. Je kunt dat op twee manieren bekijken. Je kunt de grote algemene tevredenheid en de hoge loyauteit benadrukken en besluiten dat de werkdruk dan wel niet zo erg zal zijn. Of je kunt de nadruk leggen op de hoge werkdruk en op de lichamelijke klachten, en vaststellen dat ondanks die gebreken de medewerkers zich toch gelukkig voelen. In elk geval mogen we niet blind zijn voor de stijgende werkdruk. Er is een kentering
23 | juni 2016
nodig. 48% van de medewerkers is niet tevreden over de huidige werkdruk. In 2007 was dat nog 33%. Eén op de twee medewerkers heeft vaak tot regelmatig last van rugpijn door het werk. In andere sectoren zou dat tot een hoog ziekteverzuim leiden, maar in de woonzorgcentra is de hulpvaardigheid onder collega’s erg groot. Ik vrees echter dat er geen rek meer op zit. De overheid moet maatregelen nemen”, zegt Ingrid Goovaerts.
Bufferen Opvallend is dat in enkele woonzorgcentra de werkdruk als minder problematisch wordt ervaren. Ingrid Goovaerts: “Die woonzorgcentra hebben niet meer personeel in dienst, maar ‘bufferen’ vaak. Als de nood hoog is, springt de animator of zelfs de directeur bij. De medewerkers zien dat en dat helpt de beleving van de werkdruk te verminderen. Ook familieleden, mantelzorgers en vrijwilligers zullen in de toekomst allicht nog meer ingeschakeld worden.” “Dat belet echter niet dat de roep vanuit de sector naar meer ondersteuning en meer personeel zeer terecht is. De zorgzwaarte is de jongste jaren fel toegenomen. Het werk wordt daardoor zwaarder. De medewerkers in de ouderenzorg zijn heel gemotiveerd en dragen goed zorg voor elkaar, maar we mogen de ogen niet sluiten voor de werkdruk en de lichamelijke belasting”, besluit Ingrid Goovaerts. De volledige resultaten van de Medewerkersmonitor Ouderenzorg 2015 kan u raadplegen via www.bing-research.com
Ingrid Goovaerts: “De medewerkers in de ouderenzorg zijn heel gemotiveerd en dragen goed zorg voor elkaar, maar we mogen de ogen niet sluiten voor de werkdruk en de lichamelijke belasting.”
HR-beleid
HRwijs ondersteunt socialprofitorganisaties met advies en tools
“Openheid is cruciaal” Small mag dan beautiful zijn, het heeft ook zijn keerzijde. Kleine zorgorgani saties hebben het soms moeilijk om de nodige expertise in huis te halen. Bij voorbeeld voor een hedendaags HR-be leid, wat meer en meer een noodzaak is. Gelukkig staan die organisaties er niet alleen voor. De website annex nieuws brief HRwijs van Verso biedt organisaties uit de socialprofitsector al enkele jaren advies en ondersteuning. Er zijn ook tal van vormingen en studiedagen. Sinds kort vind je op HRwijs ook een handige HR-scan en in de zomer kan je naar een Summer Course. Reden genoeg om even aan te kloppen bij projectverantwoorde lijke Pieter Vleugels. Uit een bevraging van de socialprofitsector in 2011 bleek een nood aan management ondersteuning te leven. Vooral kleinere organisaties konden enige ondersteuning best gebruiken, met name dan in hun personeelsbeleid. De Vlaamse overheid was bereid hierin te investeren. Een jaar later werd de website HRwijs gelanceerd. “De doelgroep van HRwijs is erg breed: van woonzorgcentra tot sociaal-culturele organisaties”, zegt Pieter Vleugels. “Het gaat om een tienduizendtal organisaties. Met de website en een nieuwsbrief bieden we vooral veel praktische ondersteuning in de vorm van tools, sjablonen en checklists, waarmee de organisaties direct aan de slag kunnen. Geen dure theorieën dus, maar voorbeelden van vacatures, een leidraad voor een functioneringsgesprek en mogelijke vragen voor een selectieprocedure. We delen ook graag praktijkvoor-
Pieter Vleugels: “In veel organisaties verlopen evaluatiegesprekken in één richting. Dat is een gemiste kans. Wie tot een echt gesprek met zijn medewerkers komt, haalt daar veel uit. Vraag je medewerkers wat goed loopt en wat beter kan. Ga het gesprek aan met oudere medewerkers. En met wie vaak afwezig is. Wie goed communiceert met zijn medewerkers, krijgt ze mee.”
zorgwijzer | 24
beelden. Naast dat gratis aanbod stellen we een aantal experten ter beschikking die op maat werken tegen haalbare prijzen. Iedereen uitde social profit kan bij ons terecht, maar in de praktijk doen vooral kleinere organisaties een beroep op ons. Zij hebben vaak geen eigen personeelsdienst of geen HR-medewerker met de nodige expertise. In de ouderenzorg bijvoorbeeld zijn de middelen doorgaans beperkt. HR is dan vaak iets ‘wat erbij komt’ en niet meteen prioriteit krijgt. Een mogelijke oplossing is om met drie of vier organisaties samen te werken; dat biedt kansen, maar natuurlijk ook uitdagingen.”
Verandering als hefboom “We krijgen heel uiteenlopende vragen”, vertelt Pieter Vleugels. “Gespreksvoering komt dikwijls terug. Hoe ga je het gesprek aan met een medewerker die vaak afwezig is? Of hoe verloopt een loopbaangesprek? Een ander thema dat vaak opduikt, is het omgaan met oudere medewerkers. Veel leidinggevenden voelen zich af en toe wat onzeker. Ze hebben niet overal meteen een antwoord op. Vaak begint het met één concreet geval waarvoor ze geen oplossing vinden en dat de aanzet vormt om de dingen eens grondiger te bekijken. Bijvoorbeeld: hoe pak je ziekteverzuim aan? Of hoe voorkom je burn-out? Met HRwijs geven we advies, maar doen we niet aan consultancy. We verhelderen de vraag van de organisatie, we gaan soms één of twee keer langs voor een gesprek, maar daar blijft het bij. Voor verdere begeleiding kan de organisatie een beroep doen op een expert.” “Sommige organisaties in de social profit hebben al een goed uitgewerkt HR-beleid, andere staan echt nog in de kinderschoenen. De focus ligt bij elke organisatie anders, afhankelijk van de historiek en de concrete problematieken. Soms is een groot veranderingsproject de aanzet om het HR-beleid te professionaliseren. Een nieuwbouwproject bijvoorbeeld roept veel vragen op en is dikwijls een hefboom om stil te staan bij het medewerkersbeleid. Er is in elk geval een trend om het HR-beleid ernstig
25 | juni 2016
aan te pakken. Het is dan wel nodig om hiervoor iemand vrij te stellen. Er zijn immers niet alleen ad-hocvragen die opduiken, maar ook structurele thema’s zoals de leeftijdspiramide in de organisatie of het diversiteitsbeleid.”
Openheid maakt het verschil Organisaties die nog geen structureel HR-beleid voeren, kunnen op korte termijn een verschil maken. “Een goed begin is om het gesprek aan te gaan met je medewerkers”, weet Pieter Vleugels. “In veel organisaties verlopen evaluatiegesprekken in één richting. Dat is een gemiste kans. Wie tot een echt gesprek met zijn medewerkers komt, haalt daar veel uit. Vraag je medewerkers wat goed loopt en wat beter kan. Ga het gesprek aan met oudere medewerkers. En met wie vaak afwezig is. Wie goed communiceert met zijn medewerkers, krijgt ze mee. Openheid is cruciaal. Leidinggevenden spelen hierin een belangrijke rol.” Het betrekken van medewerkers kan nog een stap verder gaan. “Een aantal organisaties betrekt de medewerkers al bij het vormgeven van de functie. Zo krijgen mensen meer autonomie, uiteraard binnen de mogelijkheden van de organisaties. Wie mensen mee laat nadenken en beslissen, krijgt gemotiveerde medewerkers. Dat kan ook in kleine zorgorganisaties werken. Er zijn woonzorgcentra die bijvoorbeeld inzetten op coachingvaardigheden. Dat lijkt niet zo spectaculair, maar het kan een grote impact op de werkvloer hebben en het kan zelfs leiden tot een cultuurverandering naar meer transparantie.” De relatie werkgever-werknemer is al enkele jaren aan het veranderen. “We evolueren meer in de richting van een ‘onderhandelingsrelatie’. Het is een relatie met geven en nemen, al van bij de aanwerving. Vroeger had de werkgever zijn medewerkers voor het kiezen. Vandaag is dat niet meer zo. Dat geeft werknemers meer gewicht in het aanwervingsgesprek. Het wordt meer dan vroeger een dialoog met vragen en verwachtingen van beide kanten.”
Gewoontes in vraag durven stellen
Een ander actueel thema is het diversiteitsbeleid. “Je kunt er niet meer naast kijken: diversiteit is een realiteit”, stelt Pieter Vleugels vast. “Toch vertaalt zich dat nog niet op de werkvloer. De oorzaken zijn velerlei: diplomavereisten, strikt afgebakende functies, een gebrek aan beleid…. Diversiteit is ruimer dan multiculturaliteit. Een gezond evenwicht in leeftijden en tussen mannen en vrouwen is ook belangrijk. Met kleine ingrepen, bijvoorbeeld in de vacaturetekst, kan je het verschil maken. Omgaan met diversiteit blijft een uitdaging. We moeten durven onze gewoontes in vraag te stellen. Onze cliënten zijn divers en het is goed als ook ons medewerkersbestand een afspiegeling van de maatschappij is. Meer diversiteit leidt bovendien tot meer creativiteit, meer innovatie en meer efficiëntie.” Een recent aanbod op HRwijs is de HRscan. “Aan de hand van elf vragen geeft de HR-scan organisaties een eenvoudige stand van zaken van hun HR-beleid. De scan is een handig instrument om het gesprek aan te gaan in organisaties. Hij kan bijvoorbeeld de leidraad vormen tijdens een workshop met directieleden en medewerkers. De scan samen invullen, zal al snel tot debat leiden. Denkt iedereen hetzelfde over elk thema? Allicht niet. Dat levert discussies op die de situatie in kaart brengen en die kunnen helpen om prioriteiten te stellen.” “Deze zomer organiseren we voor de tweede keer ook een summer course. Tijdens deze tweedaagse bouwen we met de deelnemers een strategie voor hun personeelsbeleid uit. De deelnemers wisselen ervaringen uit, wat erg inspirerend kan werken. Uit de summer course van vorig jaar is trouwens een ‘lerend netwerk’ gegroeid: de deelnemers komen nog geregeld samen en moedigen elkaar aan in het professionaliseren van hun HR-beleid. Wie interesse heeft, kan beter snel inschrijven, want we beperken het aantal deelnemers tot twaalf”, lacht Pieter Vleugels. www.hrwijs.be
GGZ
Oog voor elkaar
Ontmoetingen creëren met mensen in armoede “Arm maakt ziek en ziek maakt arm. Dat geldt ook voor de geestelijke ge zondheidszorg”, weet stafmedewerker GGZ Ann Moens. Daarom werkte Zorg net-Icuro graag mee aan het project ‘Oog voor elkaar’, een initiatief van Cera dat bruggen bouwt tussen armoedebestrij ding, welzijn en geestelijke gezond heidszorg. Zes projecten verspreid over Vlaanderen verbinden CGG, CAW en ver enigingen waar armen het woord nemen. Voluit heet het project* ‘Oog voor elkaar – vormt en verbindt elkaar’. Het is een vervolg op een eerder project ‘Oog voor elkaar – ook met elkaar’. Opnieuw is het de bedoeling om de nulde, de eerste en de tweede lijn met elkaar in contact te brengen. Concreet gaat het om mensen in armoede, Centra voor Algemeen Welzijn en Centra Geestelijke Gezondheidszorg. In Brussel, Halle-Vilvoorde, Leopoldsburg, Maasmechelen, Sint-Niklaas en Oostende werd telkens een trio met deze actoren gevormd. Het doel is om de toegankelijkheid van welzijnswerk en gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg voor mensen in armoede te verbeteren. Brugfiguren in elke organisatie kunnen vragen van collega’s hierover beantwoorden, doorverwijzen en een genuanceerd beeld verspreiden. “Het is nodig om elkaar en elkaars aanbod op een positieve manier te leren kennen”, klinkt het. “Even belangrijk is te bouwen aan begrip voor elkaars leef- en werkwereld.”
Waarderende benadering Specifiek voor de aanpak in dit project is de ‘waarderende benadering’. Geen focus op knelpunten, tekorten en drempels, wel op positieve ervaringen en kansen. Wat is er nodig om van uitzonderlijk goede ervaringen de nieuwe standaard te maken? Welke krachten gaan er schuil achter best practices? Dat soort vragen stond centraal.
De zes trio’s kregen de begeleiding van coach Koen Joly van KEIK. “De waarderende benadering was soms wat verrassend, maar heeft toch voor verbinding gezorgd”, zegt Koen Joly. “We werkten in vier fasen: de ontdekkingsfase, de droomfase, de ontwerpfase en de realisatiefase. Het ontdekken en het dromen over hoe het zou zijn in de ideale wereld, kan voor de waardevolle inspiratie zorgen, zeker als je die metaforen in beelden vertaalt. De kracht van een droombeeld is groot en zegt vaak meer dan duizend woorden. Een beeld geeft ook focus tijdens het hele traject. Het project in Brussel werkte bijvoorbeeld met het beeld van een marktplein waar mensen elkaar ontmoeten bij een fontein. Het centrale beeld in Oostende was een vlieger, met als kernwoorden: verbinding, emoties, ruimte voor talenten. Vele vliegers samen staan voor gemeenschappelijkheid en diversiteit. In Halle-Vilvoorde werd dan weer geopteerd voor het beeld van een bos, gekoppeld aan het sprookje over ‘de oude vrouw in het bos’.” Uiteraard bleef het niet bij dromen. Elk project realiseerde vormingen, evenementen en andere activiteiten. In Oostende was er in januari bijvoorbeeld een sociaal-artistiek project met een valiezenexpo. Mensen kregen een valies en konden er iets in opbergen waar een verhaal aan vasthing: een foto, een tekening, een boek, een gedicht… “Een belangrijk aandachtspunt in alle projecten was de nadruk op elkaar leren kennen als mensen, veeleer dan als organisaties. Wat drijft ons? Wat geeft ons goesting? Netwerken ontstaan tussen mensen, niet tussen organisaties. Daarnaast hebben we vooral aandacht gehad voor de kansen. Dat is niet evident. Veel mensen hebben de neiging om al bij de start van een project te denken ‘Oei, dat zal niet gemakkelijk zijn.’”
Project zindert na “Officieel is het project nu afgesloten”, zegt Koen Joly, “maar in de praktijk loopt het verder en zindert het na. In Maasmechelen bijvoorbeeld wordt gewerkt aan een toneelproductie voor komend najaar. Bij de diverse teams leeft een sterk gevoel van ‘eigenaarschap’: het is ‘hun’ project. Vandaar dat het ook zes totaal verschillende projecten geworden zijn. Maar toch met één mooie, rode draad: ontmoeting creëren. Met elkaar praten in plaats van over elkaar praten. Samen een koffie drinken en naar elkaar luisteren, kan in het begin wat confronterend zijn. Iemand die zegt ‘bij jullie geraak ik nooit binnen’, dat is toch even slikken voor een CGG. Maar als je mensen samenbrengt, dan vinden ze elkaar doorgaans. En dat werkt in twee richtingen. Mensen in armoede leren de hulpverlening beter kennen en hulpverleners beseffen beter wat het betekent om arm te zijn. Daarnaast heeft ook de ontmoeting van de zes teams bevruchtend en inspirerend gewerkt. Uitwisseling van ervaringen en ideeën maakt mensen rijker.” Ook Zorgnet-Icuro wil verder aan de slag met de opgedane ervaringen en kennis. “Dit project is op tal van manieren een oogopener geweest”, zegt Ann Moens. “De Centra Geestelijke Gezondheidszorg willen laagdrempelig en op maat werken, ook voor de meest kwetsbare mensen. Hoe beter we elkaar kennen als organisaties en als mensen, hoe betere zorg we kunnen verlenen en hoe beter we ook kunnen inzetten op preventie.” * Het project wordt gesteund door Cera, de Federatie van Diensten voor Geestelijke Gezondheidszorg, KEIK – Mensen in beweging, Netwerk Tegen Armoede, SOM federatie van sociale ondernemingen, de Vlaamse overheid en Zorgnet-Icuro.
zorgwijzer | 26
Ann Moens en Koen Joly: “Netwerken ontstaan tussen mensen, niet tussen organisaties.”
Deelnemers aan het project • Brussel: CGG Brussel, CAW Brussel, Vrienden van het Huizeke, Pigment • Halle-Vilvoorde: CGG Ahasverus, CGG PassAnt, CAW HalleVilvoorde, (W)arm-kracht, RISO • Leopoldsburg: DAGG Lommel, CGG LITP, CAW Limburg, Ons Centrum • Maasmechelen: CGG LITP, CAD Limburg, CAW Limburg, SOMA • Oostende: CGG Noord-WestVlaanderen, CGG Prisma, CAW Noord-West-Vlaanderen, BMLIK Oostende • Sint-Niklaas: CGG Waas & Dender, CAW Oost-Vlaanderen, Welzijnsschakel De Springplank
27 | juni 2016
Waarom een project als ‘Oog voor elkaar’? De zin van een project als ‘Oog voor elkaar’ blijkt uit tal van vaststellingen. • Zo is er een duidelijk verband tussen psychische problemen en de socio-economische status: 72% van de mensen die een beroep doen op een OCMW of een CAW ervaren een toestand van psychisch onwelbevinden. 58% van hen kent een milde depressiviteit. 36% ondernam reeds een poging tot zelfdoding en 20% doet een beroep op de geestelijke gezondheidszorg. Dat zijn allemaal veel hogere cijfers dan bij mensen die geen beroep doen op sociale ondersteuning. • Mensen met geestelijke gezondheidsproblemen zijn kwetsbaar. Mensen in armoede zijn kwetsbaar.
Mensen in armoede mét geestelijke gezondheidsproblemen zijn op die manier dubbel kwetsbaar. Die groep valt al te vaak tussen de mazen van het net. • Medewerkers van CGG, CAW en armoedeverenigingen kennen elkaar niet of onvoldoende. Ze weten niet altijd welk aanbod de anderen hebben, wat hun sterkten zijn, hoe ze naar elkaar kunnen doorverwijzen… Kruisbestuiving tussen de drie actoren van de nulde, de eerste en de tweede lijn blijft nodig. Er is meer begrip nodig voor elkaars leefwereld en de beeldvorming over elkaar moet genuanceerd worden. Bron: Projectrapport ‘Oog voor elkaar’.
Schuldenlast
Hoe omgaan met patiënten en cliënten met financiële problemen?
Opleidingen maken zorgsector wegwijs in schuldenproblematiek “Geld is een taboe. Geldproblemen zijn een nog veel groter taboe en naar het OCMW of een andere budget- en schuld hulpverlener stappen, is vaak helemaal onbespreekbaar. Wij willen die drempels weghalen, want de schuldenproblema tiek neemt toe”, vertellen Mohamed El Omari en Miet Remans van het Vlaams Centrum Schuldenlast (VCS). Ook zorg organisaties komen geregeld in contact met mensen die financieel in woelig vaarwater zitten. “We kunnen nog veel van elkaar leren om zorgvragers met financiële problemen opnieuw op pad te helpen.” Het VCS is het steunpunt en expertisecentrum voor budget- en schuldhulpverleners in Vlaanderen. Het centrum werkt samen met de 322 instellingen die in Vlaanderen erkend zijn om aan schuldbemiddeling te doen. Dat zijn de OCMW’s, CAW’s en OCMW-verenigingen. Ook advocaten, gerechtsdeurwaarders en notarissen mogen aan schuldbemiddeling doen. Het VCS informeert deze schuldbemiddelaars, organiseert opleidingen en staat hen juridisch bij. “Maar ook andere organisaties komen geregeld in contact met mensen met schuldproblemen. In Vlaanderen vragen jaarlijks 60.000 tot 65.000 gezinnen immers budget- of schuldhulp”, zegt Miet Remans. “En vaak zijn dat mensen die ook met gezondheidsproblemen kampen en bijvoorbeeld hun ziekenhuisfactuur niet kunnen betalen. Bij niet minder dan 51 procent van de schulddossiers in Vlaanderen zit een zogenoemde gezondheidsschuld.”
Sleutelfiguren De zorg- en welzijnssector heeft dus dikwijls te maken met cliënten en patiënten met schuldproblemen. Het VCS organiseert daarom sinds kort opleidingen voor zorgorganisaties, zodat zij hun patiënten en cliënten een eerste advies kunnen geven en kunnen doorverwijzen. “Noem het ‘de vermaatschappelijking van de schuldenproblematiek’”, zegt Mohamed
El Omari, met een knipoog. “Niet enkel gespecialiseerde schuldbemiddelaars zijn aan zet; meer en meer organisaties raken betrokken en kunnen het verschil maken voor mensen met een schuldenlast. Zorgorganisaties kunnen signalen opvangen, ze kunnen een eerste advies geven of doorverwijzen naar een schuldbemiddelaar of naar een andere instantie die kan helpen.”
formatie- en hulpkanalen. Samen met Zorgnet-Icuro bekijken we hoe we onze opleidingen nog verder kunnen afstemmen op de sector. We hebben al enkele open opleidingen georganiseerd, maar willen ook graag meer toegespitst werken en bijvoorbeeld voor een groep woonzorgcentra specifieke vormingen organiseren.”
Miet Remans: “Zorg- en hulpverleners zijn sleutelfiguren. Medewerkers van sociale diensten, diensten voor patiëntenbegeleiding en facturatiediensten zijn misschien de eerste mensen aan wie je denkt als het gaat over schuldproblemen en afbetalingsplannen. Maar wij merken dat bijvoorbeeld ook medewerkers in de thuiszorg of in woonzorgcentra betrokken zijn. Zij vangen vaak sneller signalen op wanneer iemand het financieel krap krijgt en de portefeuille voor boodschappen leeg blijft, brieven ongeopend blijven of de vaste kappersafspraak overgeslagen wordt.”
Opleidingen Vanuit dat idee gaf het VCS al opleidingen aan medewerkers van ziekenfondsen, wijkgezondheidscentra en thuiszorgmedewerkers. Miet Remans: “In ziekenhuizen hebben we ook al vormingen gegeven aan medewerkers van de debiteurenadministratie, facturatiedienst, boekhouding, financiële dienst en de dienst patiëntenbegeleiding. Telkens werken we op maat van de vragen van die organisaties en de achtergrond van de medewerkers. Enkele thema’s die in de meeste programma’s terugkomen, zijn bijvoorbeeld het profiel van mensen met schulden en hun vaak beperkte sociale en administratieve vaardigheden en de mogelijkheden van minnelijke en gerechtelijke vorderingen. We staan stil bij de functie van incassobureaus, gerechtsdeurwaarders en de schuldbemiddelaar. “We geven ook praktische tips en tricks mee. Zo krijgen de deelnemers een budgetplanner en een overzicht van in-
Miet Remans en Mohamed El Omari: “Noem het ‘de vermaatschappelijking van de schuldenproblematiek’. Meer en meer organisaties raken betrokken en kunnen het verschil maken voor mensen met een schuldenlast.”
zorgwijzer | 28
Budgetbegeleiding Het VCS probeert zijn opleidingen zo volledig mogelijk te maken, maar dat betekent niet dat deelnemers achteraf naar buiten wandelen als volleerde schuldbemiddelaars. Mohamed El Omari: “Dat blijft de taak van erkende schuldbemiddelaars. Zij onderzoeken de schuld van mensen, maken afbetalingsplannen op, spreken
“Bij niet minder dan 51 procent van de schulddossiers in Vlaanderen zit een zogenoemde gezondheidsschuld.” termijnen af en proberen schikkingen af te spreken met schuldeisers. Zij kunnen ook het beheer van het budget overnemen van kwetsbare patiënten en cliënten. Wat zorgorganisaties kunnen doen, situeert zich veeleer op het terrein van de budgetbegeleiding. Dat wil zeggen dat medewerkers van zorgorganisaties wel een eerste advies geven aan de patiënten en cliënten met financiële moeilijkheden en hen naar andere instanties kunnen doorverwijzen. Vaak kan je al veel bereiken door patiënten te helpen met bijvoorbeeld alles in orde te brengen met hun ziekenfonds, ombudsdiensten te contacteren in verband met consumentenkredieten of met de fiscus contact op te nemen. Vaak is het ook een kwestie van mensen te motiveren om hun problemen op een rijtje te zetten en hen weerbaar te maken.”
Collectieve schuldregeling Waar ziekenhuizen ook vaak bij betrokken raken, zijn collectieve schuldregelingen. Mohamed El Omari legt uit: “Dit is wat ook weleens het ‘faillissement van particulieren’ genoemd wordt. Collectieve schuldregelingen zijn echt maatwerk. Het gaat van de tachtigjarige man die in de problemen komt omdat hij een operatie van 3.000 euro plots niet kan betalen, tot gezinnen die een schuldenberg van tienduizenden euro’s meeslepen. Collectieve schuldregelingen zijn een juridische oplossing. Het voordeel hierbij is dat ziekenhuizen de schuld zeker minstens gedeeltelijk zullen terugbetaald krijgen en dat ze op gelijke voet staan met andere schuldeisers, hoewel ze vaak een kleinere schuld opeisen. Een nadeel is de lange looptijd van zeven jaar en de kostprijs van zulke regelingen. Dat maakt collectieve schuldregelingen niet altijd interessant.” “Het VCS waarschuwt verder nog voor het inzetten van incassobureaus en gerechtsdeurwaarders. “Meer en meer overheden
29 | juni 2016
en socialprofitorganisaties maken gebruik van die optie om openstaande facturen betaald te krijgen. Dat moedigen wij niet aan. Het levert organisaties veel meer op om goede afspraken te maken met de OCMW’s in verband met budgetbeheer. De inschakeling van een incassobureau of gerechtsdeurwaarder zou pas de laatste stap mogen zijn en uiteraard moet dan goed toezicht gehouden worden op de manier waarop die externe invorderaar de schuld probeert te recupereren.”
Samenwerking Het VCS wil niet alleen de zorg- en welzijnssector sensibiliseren, maar maakt de oefening ook in de andere richting. “Onze schuldbemiddelaars weten namelijk niet altijd goed hoe ze moeten omgaan met mensen met een psychische kwetsbaarheid”, aldus Miet Remans. “Daarom werken we momenteel al samen met het Netwerk Geestelijke Gezondheidszorg regio Ieper-Diksmuide. Ook met de Centra Geestelijke Gezondheidszorg willen we samenwerken. We streven immers naar een schuldbemiddeling van hoge kwaliteit en dat betekent dat schuldbemiddelaars oog moeten hebben voor de achtergrond van de mensen die ze bijstaan. Voor onze thematische opleiding over hoe omgaan met mensen met een psychische of psychiatrische problematiek, kregen we input vanuit de geestelijke gezondheidszorg en schreven al ruim honderd OCMW- en CAW-medewerkers zich in. Daaruit blijkt dat we veel van elkaar kunnen leren.”
Meer info? Surf naar www.vlaamscentrumschuldenlast.be om het opleidingsaanbod van het VCS te ontdekken. Specifieke informatie – ook op maat van de gezondheidssector – is te vinden op www. eerstehulpbijschulden.be.
portret
Masterclass brengt nieuwe directies woonzorgcentra samen Het wordt intussen een beetje traditie: Zorgnet-Icuro zet dit jaar opnieuw een masterclass op voor de nieuwe directies van woonzorgcentra. Deze vijfdaagse cursusreeks geeft een introductie in de diverse beleidsdomeinen die van belang zijn voor het managen en leiden van een woonzorgcentrum. De eerste twee dagen zijn inmiddels achter de rug. Zorgwijzer maakte gebruik van deze samenkomst om een portret te maken van een van de deelnemers: Harald Van Drom, op 1 april 2016 gestart als algemeen directeur van woonzorgcentrum Christine in Ekeren. “Ik ben een nieuw gezicht in de sector. Voordien was ik 26 jaar lang directielid bij een grote bank, een functie met een hoge verantwoordelijkheid en veel werkdruk. Wat ik fijn vond waren de vele klantencontacten, het uitwerken van een kwaliteitsvol personeelsbeleid, het nastreven van klantentevredenheid en gemotiveerde medewerkers. Ik haalde ook veel jobvreugde uit het realiseren van commerciële resultaten. In die functie werd ik zeer stressbestendig, onder meer door de files tijdens mijn veelvuldige verplaatsingen (70.000 kilometer per jaar). De laatste jaren werden vele processen in de banken sterk gedigitaliseerd, ten nadele van de persoonlijke contacten met de klant, die me net goed lagen.” “Ondernemen is doorheen de jaren een passie geworden. Ik heb veel besprekingen gehad met ondernemers die mij hebben geïnspireerd. In de huidige context van de toenemende vergrijzing kies ik bewust voor sociaal ondernemerschap.
Ik ben altijd getraind geweest in het leveren van kwaliteit en het bewaren van een hoge klantentevredenheid. Dat wil ik ook in deze sector bewerkstelligen. Ik merk dat mensen het vaak hebben over het aanbod aan eten en drinken, net zoals wanneer ze op vakantie gaan. Ons aanbod moet daarin top zijn. Daarnaast zijn onze mensen erg afhankelijk van bezoek en animatie. Ze moeten de dag heel vlot beleven met veel afleiding en zonder te wachten. We hebben het nodige personeel om een kwaliteitsvol aanbod te leveren: het is belangrijk dat we dit zo goed mogelijk inzetten en dat we zorgen voor een aanbod op maat.” “De kern is te luisteren naar de verzuchtingen van de bewoners. Ik maak me heel afhankelijk van hun reacties en die van hun familie wanneer ze het zelf niet meer kunnen vertellen. De gebruikersraden gaan voortaan frequenter door dan wettelijk vereist. En ik loop regelmatig door de gangen om te luisteren naar bewoners, hun familie en de medewerkers, om in te schatten wat er leeft. Ik wil de problemen structureel aanpakken: nu worden ze te vaak punctueel opgelost. Als er opmerkingen zijn over eten en drinken, dan bespreken we dit met de kok. Als men zegt dat er regelmatig wasgoed kwijtraakt, dan is het mijn taak ervoor te zorgen dat dit morgen niet meer gebeurt.” “Een goede financiële huishouding is uiteraard de grond van alles. Ons spaargeld is recent ingezet om ons aanbod aan assistentiewoningen uit te bouwen. Nu moeten we terug een spaarreserve
opbouwen om andere projecten te realiseren. Het is dus belangrijk dat we onze kwaliteitsvoorwaarden realiseren zonder extra financiële middelen aan te spreken. Er zijn nog wel wat efficiëntiewinsten mogelijk door onze werkorganisatie te optimaliseren. Ter illustratie: onze verschillende leefgroepen werken allemaal op een andere manier. Nochtans ben ik ervan overtuigd dat als de afdelingen beter overleggen over hoe ze de zaken aanpakken en waarom, ze veel van elkaar kunnen leren en de processen beter op elkaar kunnen worden afgestemd. We moeten efficiënter omspringen met de tijd zodat we die nog meer kunnen inzetten voor onze bewonerszorg.” “Ik geloof tot slot ook dat we nog meer kunnen werken met vrijwilligers om de zorg kwaliteitsvoller te maken. Recent nog meldde zich een nieuwe vrijwilliger aan met een burn-out: zijn huisarts had hem aangeraden om zijn hulp aan te bieden in onze voorziening. Hij gaat nu regelmatig wandelen met onze bewoners en voelt zich goed. Dergelijke oplossingen zijn voor iedereen een meerwaarde.” “Ik moet uiteraard nog sectorspecifieke kennis uitbouwen. De informatie die we meekregen in de masterclass helpt hierbij, ik weet ook dat ik de staf van Zorgnet-Icuro kan aanspreken bij specifieke vragen. Dat helpt om als beginnend directeur in de sector de juiste antwoorden te vinden.” CZ
zorgwijzer | 30
OB65066
De zorgsector en de witte economie zijn volop in beweging. De nieuwe reeks Z-Healthcare plaatst zorg en innovatie opnieuw in de kijker. Z-Healthcare werpt niet enkel een blik op de technologische evoluties in de sector, maar toont ook hoe innovatie voor meer comfort, meer levenskwaliteit en een menselijkere aanpak zorgt.
Z-Healthcare
Elke woensdag op Kanaal Z
In samenwerking met:
Een wakkere kijk op zorg. KBC blijft investeren in een wereld vol verandering. Als sectorspecialist zijn we daarom graag uw partner in al uw bank- en verzekeringszaken.
KBC Social Profit staat voor u klaar.