Skip to main content

SV_rapport_2020_5_vruchtbaarheidsdaling.pdf

Page 1

RAPPORT STATISTIEK VLAANDEREN, 2020/5

DALING VAN DE VRUCHTBAARHEID BIJ JONGVOLWASSENEN IN DE BELGISCHE GEWESTEN TUSSEN 2010 EN 2019 EDWIN PELFRENE, MARTINE CORIJN, JAN PICKERY & INGRID SCHOCKAERT


INHOUD SAMENVATTING 3 INLEIDING 5 1

GEBRUIKTE DATA EN METHODEN

7

1.1 Beschikbare gegevens

7

1.2 Vruchtbaarheid

8

1.3 Geboorterang van het kind

9

1.4 Nationaliteit

10

1.5 Opleidingsniveau

11

2 BEVINDINGEN

15

2.1 Totale vruchtbaarheid

15

2.2 Vruchtbaarheidscurve naar leeftijd

16

2.3 Totale vruchtbaarheid naar rang

18

2.4 Nationaliteit moeder

20

2.5 Opleidingsniveau moeder

24

3 BESPREKING

31

BESLUIT 36 LITERATUURLIJST 37 BIJLAGEN 39


DALING VAN DE VRUCHTBAARHEID BIJ JONGVOLWASSENEN IN DE BELGISCHE GEWESTEN TUSSEN 2010 EN 2019 EDWIN PELFRENE, MARTINE CORIJN, JAN PICKERY & INGRID SCHOCKAERT* * De auteurs houden eraan de leden van de begeleidingsgroep van het rapport te bedanken: Prof. dr. Jan Van Bavel (demograaf KU Leuven), Els Bauwens (demograaf Stad Gent) en Christine Van Peer (Statistiek Vlaanderen).

SAMENVATTING Tussen 2010 en 2019 daalde het aantal geboorten in België met 11% en het totale vruchtbaarheidscijfer (TVC) met 15%. Die dalingen zijn zichtbaar in alle gewesten van het land (daling TVC van 1,81 naar 1,55 in het Vlaamse Gewest). Wat daarbij opvalt is de terugval van de vruchtbaarheid op de jongere moederschapsleeftijden tussen 20 en 30 jaar. In recente jaren is voor de vruchtbaarheid de leeftijdsgroep van 30-34-jarigen de belangrijkste vijfjaarsleeftijdsgroep geworden. Dit reflecteert zich in een stijging van de gemiddelde moederschapsleeftijd, zowel totaal genomen (van 29,7 jaar in 2010 naar 30,7 jaar in 2019 in Vlaams Gewest) als voor het 1ste kind (van 28,3 naar 29,1 jaar). De opsplitsing naar nationaliteit van de moeder leert dat TVC het laagst ligt bij vrouwen met de Belgische nationaliteit. Belgische vrouwen laten in alle gewesten een relatief sterke daling in TVC optekenen tussen 2010 en 2019, naar hoogstens nog anderhalf kind per vrouw (van 1,72

naar 1,42 in het Vlaamse Gewest). Opmerkelijk is de daling van TVC voor de brede nationaliteitsgroep ‘NietEU’ in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (van 3,45 naar 2,97), met vrij sterke dalingen van de vruchtbaarheid op jonge moederschapsleeftijden (tot leeftijd 25) en lichtere dalingen tot leeftijd 35. De opsplitsing naar opleidingsniveau van de moeder toont een scherpe daling tussen 2010 en 2016 van het totale vruchtbaarheidscijfer bij Belgische vrouwen in het Vlaamse Gewest, vooral in de groep met een masterdiploma (van TVC 1,73 naar 1,36). De daling is het scherpst bij de 25-29-jarigen maar ook zichtbaar bij de 30-34-jarigen. In de opleidingsgroepen bachelor (of gelijkgesteld) en hoger secundair onderwijs is de daling beperkter, en hoofdzakelijk gesitueerd bij de min30-jarigen. In de opleidingsgroep lager secundair onderwijs (of lager) wordt daarentegen een stijging van de totale vruchtbaarheid vastgesteld tussen 2010 en 2016.


INLEIDING Tussen 2010 en 2019 daalde het aantal geboorten in België met 11% (van 129.173 naar 115.565). Die daling zette zich door in alle gewesten: -10% voor het Vlaamse Gewest (VG; van 70.079 naar 62.862), -11% voor het Waalse Gewest (WG; van 40.482 naar 36.068) en -11% voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (BHG; van 18.612 naar 16.635). Hoe vertalen die dalingen in geboorten zich in termen van vruchtbaarheid? ‘Vruchtbaarheid in demografische zin’ verwijst naar het feitelijk gerealiseerde aantal

geboorten per vrouw. In dit rapport bekijken we zowel de waargenomen totale vruchtbaarheid als de vruchtbaarheid per leeftijd van vrouwen tussen 15 en 49 jaar. Ook de uitsplitsing naar geboorterang van het kind wordt verkend. Aanvullend is er aandacht voor de variatie van de vruchtbaarheid naar nationaliteitsgroepen en voor het verband tussen de vruchtbaarheid en het opleidingsniveau, althans voor zover de data hiervoor toereikend zijn.

5


1.


GEBRUIKTE DATA EN METHODEN 1

1.1 BESCHIKBARE GEGEVENS De bron van de gegevens over de bevolking en de geboorten is Statbel, het Belgische statistiekbureau. Jaarlijks ontvangt Statistiek Vlaanderen van Statbel een kopie van de bevolkingsgegevens, meer bepaald met versluierde data voor elke persoon in de bevolking. In die bevolkingsbestanden is het telkens mogelijk om het onderscheid te maken tussen de ‘wettelijke’ en de ‘niet-wettelijke’ bevolking (bijlage 1). De wettelijke bevolking naar Belgisch recht omvat de personen die ingeschreven zijn in een regulier bevolkingsregister van het Rijksregister, zoals het gewone bevolkingsregister (Belgen en vreemdelingen die gemachtigd zijn tot vestiging op het Belgische grondgebied) of het vreemdelingenregister (vreemdelingen die toegelaten of gemachtigd zijn tot een verblijf van meer dan 3 maanden op het Belgisch grondgebied, hetzij voor bepaalde of onbepaalde duur). Personen die ingeschreven zijn in het wachtregister voor asielzoekers of illegaal op het grondgebied verblijvende personen horen niet tot de wettelijke bevolking. Ze zijn derhalve niet opgenomen in de officiële bevolkingscijfers van Statbel. In dit rapport gaat het over de levendgeborenen en de vruchtbaarheid bij de wettelijke bevolking volgens de inschrijving van de nieuwe jonggeborenen in het Rijksregister van de natuurlijke personen (Rijksregister), meer bepaald voor de kalenderjaren tussen 2010 en 2019. Het bestand van de levendgeborenen per kalenderjaar heeft administratief een voorlopige en een definitieve versie. Het bestand met ‘voorlopige data’ is afgeleid uit de vastleggingen binnen het Rijksregister na afsluiting van de controleperiode (gewoonlijk halfweg maart van het navolgende kalenderjaar). Koppeling nadien met de gegevens van de wettelijk verplichte geboorteaangifteformulieren van de burgerlijke stand levert het bestand met ‘definitieve data’ van levendgeborenen per kalenderjaar. Sedert 2010 hanteert de bron Statbel als regel dat de vastleggingen in het Rijksregister prioriteit hebben op de registraties in de wettelijke geboorte(of overlijdens)aangifteformulieren. Bij een verschillende geboortedatum van de moeder bijvoorbeeld wordt de opslag in het Rijksregister als de juiste datum genomen (omdat dit regelmatig wordt gecontroleerd en zo nodig geactualiseerd). De wettelijke geboorteaangifteformulieren leveren dus vooral aanvullende informatie, zoals het opleidingsniveau van vader en moeder van het kind.

7


Concreet beschikken we voor deze studie over ‘definitieve data’ voor de kalenderjaren 2010-2016 en over ‘voorlopige data’ voor de kalenderjaren 2017-2019 (geen nader gecontroleerde info over de geboorterang van het kind noch info over het opleidingsniveau van de moeder zoals opgeslagen in het wettelijke geboorteaangifteformulier).

1.2 VRUCHTBAARHEID Het vruchtbaarheidscijfer per leeftijd (LVC, leeftijdsspecifiek vruchtbaarheidscijfer) is de verhouding tussen het aantal ‘levendgeborenen’ bij vrouwen van een bepaalde leeftijd en het ‘gemiddelde aantal vrouwen’ van die leeftijd in het beschouwde kalenderjaar. Afgekort wordt dat genoteerd als f(x) naar fertility rate voor leeftijd x. Het totale vruchtbaarheidscijfer (TVC) is de som van de vruchtbaarheidscijfers per leeftijd (in de regel van 15 tot en met 49 jaar; hier gerapporteerd). Het TVC is gelijk aan het aantal kinderen dat een vrouw in haar vruchtbare levensjaren zou krijgen als ze (bij overleven) op elke leeftijd dezelfde vruchtbaarheid zou kennen als die van het beschouwde jaar. Het is bij uitstek een conjuncturele maat (Indicateur conjoncturelle de fécondité) of periodemaat, die in de regel meer schommelt dan het ‘finale afstammingscijfer’ dat de totale vruchtbaarheid uitdrukt aan het einde van de vruchtbare levenscyclus van een bepaalde generatie (of geboortecohorte) van vrouwen (Van Bavel & Bastiaenssen, 2007). Statistische diensten hanteren 2 bepalingen voor de leeftijd x ten behoeve van demografische parameters: 1) Leeftijd volgens de laatste verjaardag = het aantal voorbije verjaardagen. Die leeftijdsbepaling omvat 2 opeenvolgende geboortecohorten. Zo bijvoorbeeld zijn vrouwen die 20 jaar zijn bij de geboorte van het kind in 2010 ofwel geboren in 1990 (zelf al verjaard) ofwel in 1989 (nog niet verjaard). 2) Leeftijd volgens het geboortejaar of leeftijd ‘tijdens het jaar bereikt’ = het aantal gehele jaren tussen observatie- en geboortejaar. Die leeftijdsbepaling omvat telkens 1 geboortecohorte (allen in hetzelfde kalenderjaar geboren), maar is in de regel opgebouwd uit 2 opeenvolgende leeftijden volgens de laatste verjaardag. Aldus zijn bijvoorbeeld vrouwen van de geboortecohorte 1990 bij de geboorte van het kind in 2010 ofwel 19 ofwel 20 jaar (naargelang hun eigen verjaardag dat jaar al dan niet voorbij is). Uitzonderingen zijn: 1) de 0-jarigen (allen geboren in het observatiejaar, derhalve nog niet verjaard); 2) de opmeting aan de start van het kalenderjaar (allen van hetzelfde geboortejaar delen op dat moment dezelfde leeftijd).


Naargelang de optie verschilt zowel het aantal geboorten dat in rekening wordt gebracht als de bepaling van het gemiddeld aantal vrouwen per leeftijd van de moeder (bijlage 2). In dit rapport hanteren we de leeftijd van de moeder ‘volgens haar laatste verjaardag’, de optie die ook het Europese statistiekbureau Eurostat aanbeveelt. In demografische vooruitzichten daarentegen gaat de voorkeur uit naar de leeftijd ‘volgens het geboortejaar’ (Federaal Planbureau & Statbel, 2008: 56). Voor het opstellen van de vruchtbaarheidsmaten is het van groot belang om alle geboorten mee te tellen. Bijgevolg is de groep van geboorten met ontbrekende waarden voor de leeftijd van de moeder herverdeeld over de vruchtbare leeftijden van vrouwen volgens de verdeling van de (valide) groep met gekende leeftijden. Hier is meer bepaald afgestemd op de zogenaamde dubbele classificatie’ naar leeftijd van de moeder: volgens haar laatste verjaardag en haar geboortejaar. Voor de gepresenteerde observatiejaren met definitieve data (2010-2016) is het aantal ontbrekende waarden voor de leeftijd van de moeder beperkt (minder dan 0,5%); in het geval van voorlopige data ligt dat soms hoger (2017: 0,8% voor VG, 1,3% voor BHG; 2019: 0,6% voor BHG). Naast TVC wordt ook de gemiddelde moederschapsleeftijd en de bijhorende standaarddeviatie gerapporteerd. Daarbij zijn de moederschapsleeftijden gewogen aan de verdeling van de leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers (bijlage 3).

1.3 GEBOORTERANG VAN HET KIND De geboorterang van het kind verwijst naar de rangorde van het kind onder de levendgeborenen bij zijn moeder (waarbij ook een interne rangorde onder meerlingen is vastgelegd). Meer bepaald is gekeken hoe de totale vruchtbaarheid zich uitsplitst naar rang van het kind volgens een eenvoudige decompositie naar rang (1, 2, 3+) van de jaarlijkse leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers. Dat biedt vooral zicht op welk aandeel die onderscheiden rangen innemen in het totale vruchtbaarheidscijfer en hoe dat evolueert doorheen de observatieperiode. Het biedt echter geen goede aanduiding van de eigenlijke kans van overgang naar een volgende rang voor de moeder (pariteit), vermits niet wordt afgestemd op de opeenvolgende risicopopulaties van moeders naar hoogste rang van hun kinderen (zoals het geval is bij een maat als parity progression ratio).

9


In doorsnee moet gerekend worden met rond 1% ontbrekende waarden voor dit kenmerk. Die zijn hier bijgeteld bij rang-3+, vanuit de algemene veronderstelling dat het risico van ontbrekende waarden het grootst is voor de hogere rangen. Zij volgen dan ook de leeftijdsverdeling voor die groep (rang-3+).

1.4 NATIONALITEIT Drie brede groepen zijn onderscheiden naar huidige nationaliteit van de moeder: ‘Belg’, ‘Andere EU’-staatsburger, ‘Niet-EU’-staatsburger (derdelander). EU verwijst hier naar de EU28, waartoe dus ook nog het VK gerekend wordt (uitgetreden op 1/02/2020). De focus ligt op nationaliteit van de moeder en niet op die van het kind, dit om vruchtbaarheidscijfers naar nationaliteitsgroep te kunnen bepalen (aan de hand van de overeenkomstige risicopopulatie van vrouwen). Een aantal ontbrekende waarden voor de nationaliteit van de moeder is geteld in de ontvangen jaarlijkse bestanden met geboorten: • Voor 2010 (met definitieve data) gaat het om 223 cases op een totaal van 129.173 geboorten bij moeders met een wettelijk verblijf in België. Dat is omgerekend 0,17%. Per gewest is het procentuele aandeel van ontbrekende waarden 0,15% voor VG, 0,14% voor WG en 0,34% voor BHG. • Voor 2019 (met voorlopige data) gaat het om 3.449 cases op 115.565 geboorten bij moeders met een wettelijk verblijf in België, of 3,0%. Per gewest is het procentuele aandeel van ontbrekende waarden 2,7% voor VG, 2,3% voor WG en 5,6% voor BHG. De ontbrekende waarden zijn toegewezen aan de groep ‘Niet-EU’, omdat in die groep de opvolging van dit kenmerk bij veronderstelling het moeilijkst ligt. De verdere opsplitsing naar leeftijd van de moeder binnen elk van de onderscheiden nationaliteitsgroepen toont trouwens dat ontbrekende waarden voor de moederschapsleeftijd allemaal geteld zijn binnen de nationaliteitsgroep ‘Niet-EU’. Die zijn derhalve verdeeld volgens de in die nationaliteitsgroep waargenomen distributie van gekende moederschapsleeftijden. Concreet gaat het per gewest om volgende aantallen: • Voor 2010 (met definitieve data): 99 (ontbrekende waarden voor leeftijd moeder) voor VG, 56 voor WG en 63 voor BHG, wat zich vertaalt als respectievelijk 1,5%, 1,8% en 1,2% van de nationaliteitsgroep ‘Niet-EU’. • Voor 2019 (met voorlopige data): 198 voor VG, 88 voor WG en 97 voor BHG, wat zich vertaalt als respectievelijk 2,3%, 2,2% en 2,0% van de nationaliteitsgroep ‘Niet-EU’.


Tabel 1 toont verschillen in de naar nationaliteitsgroep onderscheiden risicopopulaties per gewest: 1) de vrouwelijke bevolking tussen 15 en 49 jaar is meer verscheiden naar nationaliteit in BHG; 2) er is stijging van het aandeel van niet-Belgen tussen 2010 en 2019, vooral in VG en in BHG (voornamelijk van ‘Andere EU’).

Tabel 1. Verdeling vrouwelijke bevolking tussen 15 en 49 jaar over nationaliteitsgroepen Belgische gewesten, 2010 en 2019, in % NATIONALITEIT MOEDER

Vlaams Gewest

Waals Gewest

Brussels Gewest

Belg Andere EU Niet-EU N = 100% Belg Andere EU Niet-EU N = 100% Belg Andere EU Niet-EU N = 100%

2010

2019

Δ IN PPT.

91,4 4,9 3,7 1.421.000 89,3 7,5 3,3 805.000 61,2 24,3 14,5 285.000

87,2 7,4 5,4 1.392.000 88,1 7,4 4,6 796.000 56,8 27,9 15,3 309.000

-4,2 +2,5 +1,7 -1,2 -0,1 +1,3 -4,4 +3,6 +0,8

Noot: N afgerond op het duizendtal; Δ in ppt. = verschil in procentpunt (bepaald op de gemiddelde jaarbevolking). Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

1.5 OPLEIDINGSNIVEAU Vier opleidingsgroepen zijn onderscheiden op basis van gekende informatie over het opleidingsniveau van de moeder volgens haar hoogst behaalde diploma: ‘Lager secundair onderwijs of lager’ (LSO- = ISCED 0-2), ‘Hoger secundair onderwijs’ (HSO = ISCED 3), ‘Bachelor of gelijksoortig’ (BA = ISCED 4-6) en ‘Master of hoger’ (MA+ = ISCED 7-8). Het opleidingsniveau van de moeder is enkel aangeduid in ontvangen bestanden met definitieve data van de bron Statbel, wat maakt dat 2016 voor dit kenmerk momenteel het meest recente beschikbare observatiejaar is. Tevens is enkel binnen de groep Belgen woonachtig in het Vlaamse Gewest het aandeel ontbrekende waarden voor het opleidingsniveau van de moeder beperkt (<5%). Concreet gaat het in die groep om 2.211 ontbrekende waarden op een totaal van 59.205 geboorten in 2010 (3,7%), en om 2.146 ontbrekende waarden op 52.715 geboorten in 2016 (4,1%).

11


We hanteren 2 scenarioâ&#x20AC;&#x2122;s voor toewijzing van deze ontbrekende waarden over de 4 onderscheiden opleidingsgroepen: 1) Basisscenario: toewijzing volgens de verdeling van de geboorten over de opleidingsgroepen van de moeder met valide informatie: - 2010: 8% LSO-, 39% HSO, 33% BA, 20% MA+ - 2016: 8% LSO-, 38% HSO, 33% BA, 21% MA+ 2) Voorkeurscenario: 15% LSO-, 50% HSO, 25% BA, 10% MA+. In deze optie, die onze voorkeur heeft, is er oververtegenwoordiging van LSO- en HSO versus ondervertegenwoordiging van BA en MA+. Het totaal van de toegewezen ontbrekende waarden per opleidingsgroep is vervolgens over de moederschapsleeftijden (tussen 15 en 49 jaar) verdeeld volgens de distributie voor gekende (valide) waarden van de opleidingsgroep in kwestie. Op basis van de EnquĂŞte naar de Arbeidskrachten (EAK) van Statbel verdeelt de gemiddelde vrouwelijke bevolking met Belgische nationaliteit in het Vlaamse Gewest tussen 15 en 49 jaar zich in 2010 en 2016 zoals aangegeven in tabel 2 over de 4 onderscheiden opleidingsgroepen. De tabel toont een duidelijke verschuiving naar een gemiddeld hoger opleidingspeil.

Tabel 2. Verdeling gemiddelde vrouwelijke bevolking tussen 15 en 49 jaar met Belgische nationaliteit over opleidingsgroepen Vlaams Gewest, 2010 en 2016, in % OPLEIDINGSNIVEAU MOEDER

Lager Secundair Onderwijs/Lager (LSO-) Hoger Secundair Onderwijs (HSO) Bachelor (BA) Master of hoger (MA+) N = 100% Noot: N afgerond op het duizendtal. Bron: Statbel, EAK, bewerking Statistiek Vlaanderen

2010

2016

22,1 40,1 25,4 12,4 1.298.000

18,0 38,6 26,9 16,5 1.235.000


13


2.


BEVINDINGEN

2

2.1 TOTALE VRUCHTBAARHEID Figuur 1 toont duidelijk de daling na 2010 van het totale vruchtbaarheidscijfer in elk van de Belgische gewesten. In het Brussels Hoofdstedelijke Gewest (BHG) is er vrijwel een continue daling tussen 2009 en 2019, van TVC gelijk aan 2,10 in 2009, over 2,03 in 2010 naar 1,68 in 2019 (-17% tussen 2010 en 2019). In het Vlaamse Gewest (VG) is er gestage daling tussen 2010 en 2019, van TVC 1,81 naar 1,55 (-14%). In het Waalse Gewest (WG) is er daling tussen 2010 en 2018, van TVC 1,85 naar 1,59 (-14%). Globaal voor België gaat de evolutie van 1,85 in 2010 naar 1,58 in 2019 (-15%).

Figuur 1. Evolutie totaal vruchtbaarheidscijfer (TVC) Belgische gewesten en België, 1990-2019 Vlaams Gewest

Waals Gewest

Brussels Gewest

België

2,25 2,00 1,75 1,50 1,25 1,00 1990

1995

2000

2005

2010

2015

2019

Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

Het totale vruchtbaarheidspeil van 2019 voor het Vlaamse Gewest is hiermee teruggevallen tot het lagere peil van het jaar 2000. Voor het Waalse Gewest is dat 1995; voor het Brussels Hoofdstedelijke Gewest is het de laagste waarde sinds 1990 (men zou voor gelijkaardige lage waarden al moeten teruggaan tot medio de jaren 1980, met TVC-1985 = 1,64). Het totaal vruchtbaarheidspeil blijft het hoogst in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest maar komt in recente jaren wel veel dichter te liggen bij dat voor het Vlaamse of Waalse Gewest, die overigens nauw zijn gaan samenvallen.

15


2.2 VRUCHTBAARHEIDSCURVE NAAR LEEFTIJD Figuren 2a tot 2d tonen de vruchtbaarheidscurven naar leeftijd voor de kalenderjaren 2010 en 2019, voor België en zijn gewesten. Wat vooral opvalt is de terugval in alle gewesten van de vruchtbaarheid op de jongere moederschapsleeftijden, inzonderheid op de leeftijden tussen 20 en 30 jaar. Figuur 2a. Leeftijdsspecifieke vruchtbaarheid Vlaams Gewest, 2010 en 2019, f(x) 2010

2019

0,20

0,15

0,10

0,05

0,00 15

20

25

30

35

40

45

35

40

45

Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

Figuur 2b. Leeftijdsspecifieke vruchtbaarheid Waals Gewest, 2010 en 2019, f(x) 2010

2019

0,20

0,15

0,10

0,05

0,00 15

20

25

Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

30


Figuur 2c. Leeftijdsspecifieke vruchtbaarheid Brussels Gewest, 2010 en 2019, f(x) 2010

2019

0,20

0,15

0,10

0,05

0,00 15

20

25

30

35

40

45

Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

Figuur 2d. Leeftijdsspecifieke vruchtbaarheid België, 2010 en 2019, f(x) 2010

2019

0,20

0,15

0,10

0,05

0,00 15

20

25

30

35

40

45

Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

De vruchtbaarheidscurven van het Vlaamse en Waalse Gewest ogen gelijk, zij het dat die voor het Vlaamse Gewest meer gepiekt is (met top op 30 jaar in 2019) en minder gespreid over de leeftijden (zie de standaarddeviatie rond de gemiddelde moederschapsleeftijd in tabel 3). Tevens is er aanduiding van een wat meer geprononceerde stijging van de vruchtbaarheid op de leeftijden boven de 35. De curve voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest ligt breder gespreid over de leeftijden, met ook zichtbare stijgingen op oudere leeftijden (38+).

17


Tabel 3 vat de ontwikkelingen van figuur 2 samen: • TVC daalt in alle gewesten tussen 2010 en 2019 met 0,25 tot 0,35 punten. Procentueel geeft dat een daling van 14% voor het Vlaamse Gewest en voor het Waalse Gewest, alsmede een daling van 17% voor Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. • De gemiddelde moederschapsleeftijd stijgt met minstens een jaar: +1,0 jaar voor het Vlaamse Gewest, +1,1 jaar voor het Waalse Gewest en +1,3 jaar voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (het gewest met de oudste gemiddelde moederschapsleeftijd). • Geen of slechts minieme contractie van de reproductieve levensfase van vrouwen tussen 2010 en 2019 zoals aangeduid door de standaarddeviaties. Niettemin is vanaf 2017 in alle gewesten de leeftijdsgroep van 30-34-jarigen de voornaamste vijfjaarsleeftijdsgroep voor de vruchtbaarheid geworden. Voordien was dat enkel het geval voor BHG (sinds 2004) terwijl voor VG en WG dat nog de leeftijdsgroep van 25-29-jarigen was.

Tabel 3. Vruchtbaarheidsmaten Belgische gewesten en België, 2010 en 2019 2010

TVC Vlaams Gewest Waals Gewest Brussels Gewest België

1,81 1,85 2,03 1,84

Leeftijd moeder RG SD 29,7 4,8 29,5 5,3 30,7 5,9 29,8 5,1

2019

TVC 1,55 1,59 1,68 1,58

Leeftijd moeder RG SD 30,7 4,8 30,6 5,2 32 5,8 5,1 30,9

Noot: RG = rekenkundig gemiddelde, SD = standaarddeviatie (gewogen aan de verdeling van de vruchtbaarheidscijfers per leeftijd). Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

2.3 TOTALE VRUCHTBAARHEID NAAR RANG Figuur 3 illustreert voor het Vlaamse Gewest dat de krimpende vruchtbaarheid op jongvolwassen leeftijden in de jaren tussen 2010 en 2016 zijn weerslag vindt in een daling van de TVC-waarde voor geboorten van rang 1 (rang-1) bij decompositie van de maat naar geboorterang van het kind. De daling (d) is het grootst en meest zichtbaar in de figuur voor rang-1 geboorten (d1=-0,09). Voor rang-2 geboorten is de daling beperkter (d2=-0,04) voor rang-3+ geboorten zeer beperkt (d3+=-0,02).


Figuur 3. Decompositie TVC naar geboorterang van het kind Vlaams Gewest, 2010-2016 1

2

3+

1,00

0,75

0,50

0,25

0,00 2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

Tabel 4 voegt voor rang-1 geboorten per gewest nog de gemiddelde leeftijd van de moeder en bijhorende standaarddeviatie toe. In 2016 is de gemiddelde moederschapsleeftijd bij rang-1 geboorten gelijk aan 28,7 jaar in het Vlaamse Gewest, wat goed anderhalf jaar jonger is dan het gemiddelde berekend over alle geboorten van dat jaar (30,3 jaar). Net zoals voor alle geboorten (tabel 3) vinden we ook hier voor rang-1 geboorten een duidelijke stijging in elk gewest van de gemiddelde moederschapsleeftijd voor het 1ste kind tussen 2010 en 2016 (VG=+0,6 jaar, WG=+0,9 jaar, BHG=+1,0 jaar).

Tabel 4. Vruchtbaarheidsmaten voor rang-1 Belgische gewesten en BelgiĂŤ, 2010 en 2016 2010

TVC Vlaams Gewest Waals Gewest Brussels Gewest BelgiĂŤ

0,83 0,82 0,91 0,83

Leeftijd moeder RG SD 28,3 4,6 27,5 5,1 29,1 5,5 28,2 4,9

2016

TVC 0,74 0,69 0,76 0,72

Leeftijd moeder RG SD 28,7 4,6 28,4 5,0 29,8 5,8 4,9 28,8

Noot: RG = rekenkundig gemiddelde, SD = standaarddeviatie (gewogen aan de verdeling van de vruchtbaarheidscijfers per leeftijd). Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

19


2.4 NATIONALITEIT MOEDER Tabel 5 toont met betrekking tot het vruchtbaarheidspeil naar nationaliteitsgroep in 2019: • de groep vrouwen met Belgische nationaliteit heeft de laagste TVCwaarde (1,42 in VG); • de groep vrouwen uit een andere EU-lidstaat neemt de middenpositie in (1,82 in VG); • de groep vrouwen van de groep ‘Niet-EU’ behoudt een hoge TVC-waarde (3,27 in VG).

Tabel 5. TVC per nationaliteitsgroep van de moeder Belgische gewesten, 2010 en 2019 NATIONALITEIT MOEDER

Vlaams Gewest

Waals Gewest

Brussels Gewest

Belg Andere EU Niet-EU Belg Andere EU Niet-EU Belg Andere EU Niet-EU

2010

2019

1,72 2,04 3,51 1,79 1,82 3,46 1,87 1,58 3,45

1,42 1,82 3,27 1,49 1,63 3,32 1,50 1,36 2,97

TVC Δ

-0,30 -0,22 -0,24 -0,30 -0,19 -0,14 -0,37 -0,22 -0,48

%Δ

-17 -11 -7 -17 -10 -4 -20 -14 -14

Noot: Δ = absoluut verschil 2019-2010, % Δ = relatief (procentueel) verschil tegenover waarde 2010. Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

De vruchtbaarheidsdaling tussen 2010 en 2019 wordt in alle nationaliteitsgroepen waargenomen: • bij vrouwen met Belgische nationaliteit is de daling in alle gewesten markant en van dezelfde grootteorde, zowel in absolute zin (daling TVC met 0,30 punten in VG en WG; met 0,37 punten in BHG) als in relatieve zin (-17% in VG en WG; -20% in BHG); • bij ‘Andere EU’ is de daling geringer, zowel absoluut (-0,20 punten in alle gewesten) als relatief (-10% in VG en WG; -14% in BHG); • bij ‘Niet-EU’ is de daling in relatieve zin geringer dan in de overige nationaliteitsgroepen in VG (-7%) en in WG (-4%); in BHG is die relatieve daling groter (-14%) en gelijk aan die voor de nationaliteitsgroep ‘Andere EU’.


Figuur 4a. Leeftijdsspecifieke vruchtbaarheid: Belgische vrouwen Vlaams Gewest, 2010 en 2019, f(x) 2010

2019

0,20

0,15

0,10

0,05

0,00 15

20

25

30

35

40

45

Noot: curven zijn afgevlakt (voortschrijdend gemiddelde over aansluitende leeftijden). Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

Figuur 4b. Leeftijdsspecifieke vruchtbaarheid: Niet-EU-vrouwen Vlaams Gewest, 2010 en 2019, f(x) 2010

2019

0,20

0,15

0,10

0,05

0,00 15

20

25

30

35

40

45

Noot: curven zijn afgevlakt (voortschrijdend gemiddelde over aansluitende leeftijden). Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

21


Figuur 4c. Leeftijdsspecifieke vruchtbaarheid: Belgische vrouwen Waals Gewest, 2010 en 2019, f(x) 2010

2019

0,20

0,15

0,10

0,05

0,00 15

20

25

30

35

40

45

Noot: curven zijn afgevlakt (voortschrijdend gemiddelde over aansluitende leeftijden). Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

Figuur 4d. Leeftijdsspecifieke vruchtbaarheid: Niet-EU-vrouwen Waals Gewest, 2010 en 2019, f(x) 2010

2019

0,20

0,15

0,10

0,05

0,00 15

20

25

30

35

40

Noot: curven zijn afgevlakt (voortschrijdend gemiddelde over aansluitende leeftijden). Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

45


Figuur 4e. Leeftijdsspecifieke vruchtbaarheid: Belgische vrouwen Brussels Gewest, 2010 en 2019, f(x) 2010

2019

0,20

0,15

0,10

0,05

0,00 15

20

25

30

35

40

45

Noot: curven zijn afgevlakt (voortschrijdend gemiddelde over aansluitende leeftijden). Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

Figuur 4f. Leeftijdsspecifieke vruchtbaarheid: Niet-EU-vrouwen Brussels Gewest, 2010 en 2019, f(x) 2010

2019

0,20

0,15

0,10

0,05

0,00 15

20

25

30

35

40

45

Noot: curven zijn afgevlakt (voortschrijdend gemiddelde over aansluitende leeftijden). Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

23


Figuren 4a tot 4f tonen: 1. Vlaams Gewest/Waals Gewest: • bij Belgische vrouwen situeert de vruchtbaarheidsdaling zich op jongvolwassen leeftijden (tot 30/31 jaar). Er is daarbij geen stijging op hogere leeftijden. • bij vrouwen van de groep ‘Niet-EU’ is er naast daling van de vruchtbaarheid op jongere leeftijden (tot 25/26 jaar) ook lichte stijging op oudere leeftijden (rond 30 jaar en daarna).

2. Brussels Hoofdstedelijk Gewest: • bij Belgische vrouwen is er analoog vruchtbaarheidsdaling op jongvolwassen leeftijden; • bij vrouwen van de groep ‘Niet-EU’ is er een markante daling van de vruchtbaarheid op de leeftijden tussen 18 en 25 jaar, met daarnaast een meer beperkte vruchtbaarheidsdaling op de oudere leeftijden tot 35 jaar en een lichte remonte op leeftijden boven de 40 jaar. Een brede spreiding op een relatief hoog niveau blijft behouden, wat tekent voor het hogere totale vruchtbaarheidscijfer van 2019 (2,97) in vergelijking met de Belgen (1,50). Voor de groep ‘Ander EU’ kan aanvullend meegegeven worden dat vruchtbaarheidsdaling tot de leeftijd van 35 jaar is aangeduid in VG en BHG, naast een merkbaar toegenomen vruchtbaarheid op de oudere leeftijden (tot boven de 40 jaar).

2.5 OPLEIDINGSNIVEAU MOEDER Tabel 6 geeft grotendeels gelijke resultaten met betrekking tot het vruchtbaarheidspeil naar opleidingsniveau van de moeder volgens het basis- en het voorkeurscenario (bij vrouwen met Belgische nationaliteit in het Vlaamse Gewest): • Er is een scherpe daling tussen 2010 en 2016 van het totale vruchtbaarheidscijfer bij Belgische vrouwen van de opleidingsgroep MA+ (TVC daalt van 1,77 naar 1,39 in het basisscenario; van 1,73 naar 1,36 in het voorkeurscenario). • Voor de opleidingsgroepen BA en HSO is de daling beperkter. • Voor LSO- is er stijging van de TVC-waarde, van een bijzonder lage waarde voor 2010 naar een meer gemiddelde waarde voor 2016. Merk nog op dat de groep HSO de hoogste TVC-waarde behoudt in beide jaren, terwijl MA+ zakt naar de laatste in rang in 2016 onder de 4 opleidingsgroepen.


Tabel 6. TVC naar opleidingsniveau van de moeder met Belgische nationaliteit Vlaams Gewest, 2010 en 2016 OPLEIDINGSNIVEAU MOEDER

Lager Secundair Onderwijs/ Lager (LSO-) Hoger Secundair Onderwijs (HSO) Bachelor (BA) Master of hoger (MA+) Totaal

BASISSCENARIO 2010 2016 Δ

VOORKEURSCENARIO 2010 2016 Δ

1,33

1,57

+0,24

1,37

1,62

+0,25

1,84

1,63

-0,21

1,86

1,66

-0,20

1,78 1,77 1,72

1,59 1,39 1,55

-0,19 -0,38 -0,17

1,76 1,73 1,72

1,57 1,36 1,55

-0,19 -0,37 -0,17

Noot: na weging volgens herverdeling ontbrekende waarden (missing values) over de opleidingsgroepen: 1 Basisscenario: · valid cases 2010 = 8% LSO-, 39% HSO, 33% BA, 20% MA+ · valid cases 2016 = 8% LSO-, 38% HSO, 33% BA, 21% MA+ 2 Voorkeurscenario = 15% LSO-, 50% HSO, 25% BA, 10% MA+ Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

Figuren 5a tot 5d tonen de verschuiving tussen 2010 en 2016 in gecumuleerd vruchtbaarheidspeil (gesommeerde LVC) naar opleidingsniveau van de moeder in de 4 voor de vruchtbaarheid belangrijkste 5-jaarsleeftijdsgroepen. • Voor vrouwen met de Belgische nationaliteit en een opleidingsniveau MA+ (1 op 5 moeders volgens het basisscenario) is de vruchtbaarheid het hoogst in de leeftijdsgroep van de 30-34-jarigen, gevolgd door de 25-29-jarigen. In de oudste afgebeelde leeftijdsgroep (van 35-39-jarigen) zijn de (gesommeerde) LVC-waarden al veel lager. Niettemin vinden we ook hier relatief hoge waarden voor de opleidingsgroep MA+. In de jongste leeftijdsgroep (van 20-24-jarigen) worden voor MA+ zeer lage LVC genoteerd. Daling van de vruchtbaarheid tussen 2010 en 2016 voor MA+ wordt in alle leeftijdsgroepen aangeduid. Ze is meest pregnant bij de 25-29-jarigen (daling Σ f(x) = -0,17), maar wordt ook aangeduid bij de 30-34-jarigen (-0,11) en - in nog mindere mate - bij de 35-39-jarigen (-0,08). • Voor Belgische vrouwen met opleidingsniveau BA (1 op 3 moeders volgens het basisscenario) situeert de vruchtbaarheid zich voornamelijk in de leeftijdsgroepen van 25-29-jarigen en 30-34-jarigen. Dat ligt lager bij de 20-24-jarigen en 35-39-jarigen. Daling van de vruchtbaarheid tussen 2010 en 2016 situeert zich voor BA voornamelijk bij de 25-29-jarigen (-0,11); ze is nauwelijks aangeduid bij de 30-34-jarigen (-0,02). De resultante daarvan is dat die beide leeftijdsgroepen anno 2016 praktisch een gelijk aandeel leveren qua bijdrage aan de totale vruchtbaarheid, terwijl voorheen (anno 2010) de leeftijdsgroep van 25-29-jarigen nog duidelijk op het voorplan kwam.

25


• Voor Belgische vrouwen met opleidingsniveau HSO (2 op 5 moeders volgens het basisscenario) komt de leeftijdsgroep van de 25-29-jarigen vooraan qua vruchtbaarheid. Dan volgt de groep van de 30-34-jarigen. Een lichte daling van de vruchtbaarheid tussen 2010 en 2016 wordt hier genoteerd bij de 25-29-jarigen (-0,05). De grootste daling is voor de 20-24-jarigen (-0,09). Globaal genomen gaat het profiel van HSO inzake de vruchtbaarheid binnen de onderscheiden leeftijdsgroepen wat sterker aanleunen bij dat van BA. • Voor Belgische vrouwen met opleidingsniveau LSO- (1 op 12 moeders volgens het basisscenario) blijven vooral de beide jongste leeftijdsgroepen van belang. In de oudere leeftijdsgroepen (van de dertigers) ligt de vruchtbaarheid merkbaar lager. Geen daling van de vruchtbaarheid tussen 2010 en 2016 wordt aangeduid. Daartegenover wordt stijging van de vruchtbaarheid vastgesteld. Die is het sterkst voor de jongste leeftijdsgroep van de 20-24-jarigen (+0,12), dan volgen de 30-34-jarigen (+0,07) en de 35-39-jarigen (+0,04).

Figuur 5a. Vruchtbaarheidscijfers van Belgische vrouwen van 20-24 jaar Vlaams Gewest, 2010-2016, f(x) 2010

2016 0,40

Lager Secundair Onderwijs/Lager (LSO-)

0,53 0,31

Hoger Secundair Onderwijs (HSO)

0,22 0,10

Bachelor (BA)

0,06 0,04

Master of hoger (MA+)

0,02 0,00

0,20

0,40

0,60

Noot: verdeling ontbrekende waarden volgens voorkeurscenario = {15% LSO-, 50% HSO, 25% BA, 10% MA+}. Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen


Figuur 5b. Vruchtbaarheidscijfers van Belgische vrouwen van 25-29 jaar Vlaams Gewest, 2010-2016, f(x) 2010

2016 0,46

Lager Secundair Onderwijs/Lager (LSO-)

0,47 0,75

Hoger Secundair Onderwijs (HSO)

0,70 0,77

Bachelor (BA)

0,66 0,55

Master of hoger (MA+)

0,38 0,00

0,20

0,40

0,60

Noot: verdeling ontbrekende waarden volgens voorkeurscenario = {15% LSO-, 50% HSO, 25% BA, 10% MA+}. Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

Figuur 5c. Vruchtbaarheidscijfers van Belgische vrouwen van 30-34 jaar Vlaams Gewest, 2010-2016, f(x) 2010

2016 0,30

Lager Secundair Onderwijs/Lager (LSO-)

0,36 0,51

Hoger Secundair Onderwijs (HSO)

0,50 0,66

Bachelor (BA)

0,64 0,79

Master of hoger (MA+)

0,69 0,00

0,20

0,40

0,60

Noot: verdeling ontbrekende waarden volgens voorkeurscenario = {15% LSO-, 50% HSO, 25% BA, 10% MA+}. Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

27


Figuur 5d. Vruchtbaarheidscijfers van Belgische vrouwen van 35-39 jaar Vlaams Gewest, 2010-2016, f(x) 2010

2016 0,14

Lager Secundair Onderwijs/Lager (LSO-)

0,18 0,17

Hoger Secundair Onderwijs (HSO)

0,19 0,19

Bachelor (BA)

0,19 0,31

Master of hoger (MA+)

0,23 0,00

0,20

0,40

0,60

Noot: verdeling ontbrekende waarden volgens voorkeurscenario = {15% LSO-, 50% HSO, 25% BA, 10% MA+}. Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen


29


3.


BESPREKING

3

Recente vruchtbaarheidsdaling bij jongvolwassenen vergt nog uitklaring De kernbevinding van onze analyse is de daling van de vruchtbaarheid bij jongvolwassenen. Het Federaal Planbureau (FPB) rapporteert dezelfde bevinding voor de jaren tussen 2009 en 2018, waarvan uitvoerig verslag in haar jongste publicatie over de demografische vooruitzichten voor België en zijn gewesten (FPB & Statbel, 2020: 27-32). Kort gesteld onderscheidt het FPB 4 periodes met aparte ontwikkelingen voor de vruchtbaarheid (in demografische zin) vanaf medio de jaren 1960 tot heden: 1) daling TVC tussen halfweg de jaren 1960 en halfweg de jaren 1970 wegens daling en toenemende beheersing van de kinderwens (‘babybust’ na de babyboom); 2) een 1ste fase van uitstel van het moederschap bij min-25-jarigen tussen halfweg de jaren 1970 en halfweg de jaren 1980, zonder vooralsnog een stijging van de vruchtbaarheid op hogere leeftijden; 3) een 2de fase van uitstel van het moederschap tussen halfweg de jaren 1980 en 2010, met een voortgaande, diepe daling van de vruchtbaarheid bij min-25-jarigen naast een opvallende stijging van de vruchtbaarheid bij 30-plussers (geduid als inhaaleffect na uitstel), ingevolge de progressieve deelname van vrouwen aan het hoger onderwijs en navolgende inschakeling op de arbeidsmarkt; 4) opnieuw daling van het TVC sedert 2009/2010, maar nu vooral door daling van de vruchtbaarheid bij vrouwen jonger dan 30 (dus ook bij de 25-29-jarigen) en stagnatie op oudere leeftijden (‘babybug’-generatie volgens het FPB & Statbel). Een afdoende verklaring voor de recente evolutie ontbreekt vooralsnog, temeer omdat de transitie voor vrouwen naar participatie aan het hoger onderwijs en navolgende inschakeling op de arbeidsmarkt feitelijk al grotendeels achter de rug ligt.

31


Een aantal elementen zijn wel geopperd: • De impact van de financieel-economische crisis die in 2008 losbarstte en die in het bijzonder jonge gezinnen heeft getroffen (Goldstein e.a., 2013; Comolli, 2017; FPB & Statbel, 2019 & 2020). Volgens die hypothese zou het gaan om een tijdelijke, conjuncturele daling van de vruchtbaarheid, meer bepaald voor de jaren tussen 2010 en 2014 (De Beer & Latten, 2018). De hypothese, met aanduiding van een time lag voor het effect, ligt in lijn met voorgaande bevindingen en besluiten (Sobotka e.a., 2011; Neels, 2013). Vraag is waarom een inhaaleffect (met het opnieuw opveren van de vruchtbaarheid) zich nog niet manifesteerde na de heropleving van de economische conjunctuur? • FPB & Statbel (2020) stippen ook de mogelijkheid aan van een meer structurele omslag door te verwijzen naar de gepercipieerde toegenomen onzekerheid wereldwijd ten gevolge van nieuwe maatschappelijke vraagstukken (waaronder het klimaat), die in het bijzonder de nieuwe, hyper-geconnecteerde generaties jongeren en jongvolwassenen scherp aanvoelen en bezighouden (zie de klimaatmarsen). Er zijn inderdaad aanwijzingen dat ontwikkelingen elders heden een sterkere lokale impact hebben. Een studie naar de gevolgen voor de vruchtbaarheid van de economische recessies van begin jaren 1990 en van de jaren 2008-2010 in 5 Scandinavische landen toont aan dat de vruchtbaarheidsdaling van begin jaren 1990 nog sterk verklaard kon worden door de landelijke ontwikkelingen terwijl die daling in de nasleep van de financieeleconomische crisis van 2008 veel meer uniform verliep, los van de specifieke situatie in de 5 bestudeerde landen. Voor de auteurs van de studie is het besluit dat in de geconnecteerde wereld van vandaag gepercipieerde onzekerheden elders nu overal hun impact laten gevoelen (Comolli e.a., 2019). • Ook de moeilijke woonmarkt voor jongvolwassenen kan als verklarende factor aangemerkt worden. Een aanwijzing is die zin is het toegenomen aandeel (bij de ouders) thuisinwonende vrouwen tussen 25 en 29 jaar in recente jaren (VG: van 19% in 2010 naar 21% in 2018; WG: van 18% naar 25%; BHG: van 12% naar 17%; bron: Statbel). Vandorpe e.a. (2007) wijzen in dat verband op de toenemende mismatch tussen het (dure) aanbod aan woongelegenheden en de gewijzigde vraag met nieuwe aspiraties inzake woonkwaliteit en comfort. • Mogelijks speelt er ook een effect van verscherpte onzekerheden ten gevolge van het nieuwe aanbod van zogenaamde flex-jobs, die – althans voor degenen die daarop zijn aangewezen – diepte-investeringen in de toekomst (een huis, een kind) zo niet verhinderen dan toch bemoeilijken. • Wat zeker een rol kan spelen is de toegenomen instabiliteit van partnerrelaties. Het aantal alleenwonenden en het aantal alleenstaande ouders (hier weliswaar vooral bij 40- en 50-jarigen) is sinds de eeuwwisseling sterk gestegen (ongeveer +30% in beide groepen), met scheiding van samenwonende partners als belangrijkste aanleiding (Corijn & Pickery, 2020). Het spreekt voor zich dat dit gevolgen heeft voor de realisatie van de kinderwens.


Welk referentiescenario voor de nabije toekomst? FPB & Statbel (2020) verwijzen naar andere factoren die een herstel van de totale vruchtbaarheid naar een hoger niveau zouden kunnen bevorderen, zoals de toegenomen aandacht voor gendergelijkheid en de balans tussen werk en privéleven, of nieuwe ontwikkelingen inzake medisch geassisteerde voortplantingstechnieken. Allemaal redenen voor het FPB – en zijn raad van experts (waaronder leden van Statistiek Vlaanderen) – om in het referentiescenario van haar jongste demografische vooruitzichten uit te gaan van een stabilisatie op de middellange termijn (tegen 2030) van de waarde van TVC voor België op 1,7 kinderen per vrouw, gelijk aan het conjuncturele vruchtbaarheidspeil van halfweg de jaren 1970 (thans 1,6). Een lichte remonte op termijn blijft de verwachting, vooreerst omdat studies over de kinderwens bij koppels vaak eenduidig een in de tijd vrij stabiele kinderwens (2-kinderen-norm) aangeven (Van Peer, 2019), maar daarnaast ook omdat in cohorte-studies de finale afstamming telkenmale veel stabieler is dan wat met een conjuncturele maat als TVC wordt opgemeten (Myrskylä, 2013). Vooralsnog echter is er aanduiding in 5 Europese landen dat op de korte termijn het plannen van kinderen naar beneden wordt bijgesteld ten gevolge van de Corona-pandemie (Luppi e.a., 2020).

Zeer lage vruchtbaarheid onder Belgen in het Vlaamse Gewest De opsplitsing naar nationaliteitsgroepen toont dat vrouwen met de Belgische nationaliteit een lagere (periode) totale vruchtbaarheid hebben dan vrouwen met een vreemde, niet-Belgische nationaliteit. In alle gewesten is er onder de Belgische vrouwen ook een vrij sterke daling van de totale vruchtbaarheid tussen 2010 en 2019, zowel in absolute zin (-30 punten in VG/ WG; -37 punten in BHG) als in relatieve zin (-17% in VG/WG; -20% in BHG). Die daling situeert zich voornamelijk bij jongvolwassenen onder de 30 jaar. In het Vlaamse Gewest hebben Belgische vrouwen gemiddeld geen anderhalf kind meer (TVC 1,42 in 2019). Daarmee komen zij onder de drempel van ‘very low period total fertility’ (Zeman e.a., 2018). In het Waalse (1,49) en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (1,50) worden evenzo zulke lage TVCwaarden voor Belgische vrouwen opgetekend.

Opmerkelijke daling van de vruchtbaarheid bij Niet-EU in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest De daling van TVC is relatief genomen het sterkst in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (in totaal -17% tussen 2010 en 2019 versus -14% in de beide overige gewesten). Die relatief sterke daling wordt in alle onderscheiden nationaliteitsgroepen waargenomen. Ze is vooral opmerkelijk op de jonge moederschapsleeftijden (tussen 18 en 25 jaar) in de nationaliteitsgroep ‘Niet-EU’, met aanpalend ook vruchtbaarheidsdaling op de oudere leeftijden tot 35 jaar. Niettemin blijft de TVC-waarde voor

33


die nationaliteitsgroep relatief hoog (gemiddeld 3 kinderen per vrouw), wat maakt dat de waargenomen daling een andere betekenis heeft dan voor de Belgen. Mogelijks speelt hier een zich wijzigende samenstelling van groep ‘NietEU’ in het hoofdstedelijke gewest een rol, met een daling van het aandeel buitenlandse vrouwen uit Turkije en landen van Noord-Afrika (van 5,8% in de totale vrouwelijke bevolking tussen 15 en 49 jaar in 2010 naar 5,1% in 2019). Daarnaast kenmerkt de hoofdstedelijke bevolking zich door een grote migratie-intensiteit (veel immigratie én veel emigratie), dat een typisch leeftijdspatroon volgt waarbij jonge gezinnen de hoofdstedelijke regio verlaten – in toenemende mate ook inwoners die geen Belg zijn (Charlier e.a., 2019).

Dalende vruchtbaarheid bij hoger opgeleide vrouwen De sterkste daling inzake TVC onder vrouwen met de Belgische nationaliteit (in het Vlaamse Gewest) tussen 2010 en 2016 is waargenomen bij hoger opgeleiden van niveau MA+ (van 1,73 in 2010 naar een zeer lage TVC 1,36 in 2016 in het voorkeurscenario). Die daling situeert zich voornamelijk onder de leeftijdsgroep 25-29-jarigen, maar wordt ook opgemerkt bij de 30-34-jarigen. Ook bij de opleidingsgroepen BA en HSO is er een merkbare daling tussen 2010 en 2016 van de vruchtbaarheid onder 25-29-jarigen. Kan de economische conjunctuur die daling verklaren? In 2016 was er duidelijk al sprake van een opgeveerde economische conjunctuur. Blijkbaar moeten andere factoren ter verklaring in aanmerking worden genomen. Hierboven is al gewezen op meer culturele/ideële verklaringen, waaronder de nieuwe, gepercipieerde onzekerheden wereldwijd. Men kan aannemen dat die meer dan de ‘materiële’ verklaringen de groep van hoger opgeleide jongvolwassenen raakt. Vooralsnog echter is niet duidelijk of dit een structureel dan wel conjunctureel gegeven is. In het laatste geval laat zich recuperatie van de vruchtbaarheid in een latere levensfase verwachten (Testa, 2014).

Lage maar stijgende vruchtbaarheid bij laag opgeleide vrouwen Opvallend is de lage (periode) totale vruchtbaarheid van 2010 in de groep met het laagste opleidingsniveau (LSO). Een betrekkelijk laag cohort vruchtbaarheidspeil in lager opgeleide groepen werd al gerapporteerd voor de jaren 2002-2005 op basis van een gedetailleerde cohortstudie op het niveau van Belgische gemeenten (Wood e.a., 2020). De auteurs wijzen erop dat vooral hoger opgeleide vrouwen begin jaren 2000 het meest profiteerden van nieuwe regelingen met betrekking tot de combinatie van werk & gezin en van het aanbod van kinderopvang. Dit had in hun studie duidelijk impact voor de kans op een tweede kind.


Nieuw in deze studie is de waargenomen stijging van de (periode) totale vruchtbaarheid bij de groep LSO- tussen 2010 en 2016. Mogelijks biedt dit aanduiding van enige sociale correctie op dit vlak in de loop der voorbije jaren. Globaal (volgens de TVC-waarden) is er in 2016 sterkere aansluiting van de opleidingsgroep LSO- bij de overige opleidingsgroepen dan in 2010. Niettemin gaat het hier om een beweging tegen de algemene trend in, met stijging van de vruchtbaarheid onder de min-30-jarigen, inzonderheid bij de 20-24-jarigen.

Registratie opleidingsniveau als problematisch gegeven Een kanttekening bij de registratie met vruchtbaarheidscijfers naar opleidingsniveau van de moeder is gepast: • Vooreerst is er het punt van ontbrekende waarden (vaak meer dan 5%), zo niet van foutieve of gebrekkige informatie voor dit kenmerk in het geboorteregister. De parallelle geboorteregistratie van Kind & Gezin biedt daarover allicht meer valide informatie maar ontbeert de evidente link met de ‘wettelijke bevolking’. • Vervolgens stelt zich een probleem van toewijzing van het opleidingsniveau voor jonge leden van de (vrouwelijke) bevolking. In onze studie werd op de jonge moederschapsleeftijden (min-20-jarigen) praktisch de ganse vrouwelijke populatie het opleidingsniveau LSO- of HSO toegekend. Velen onder hen zullen nochtans finaal een hoger opleidingsniveau bereiken, wat maakt dat de vruchtbaarheidskansen op die leeftijden voor die opleidingsgroepen feitelijk te laag zijn ingeschat (wegens overschatte populatienoemers). Variaties in die toewijzingen werden uitgeprobeerd en toonden inderdaad betekenisvolle verschuivingen aan in de vruchtbaarheidsmaten (niet gepresenteerd). Van belang echter voor ons is dat in die variaties de in tabel 6 aangemerkte richtingen en grootteordes van de verschuivingen tussen 2010 en 2016 overeind blijven. • Ten slotte moet eraan herinnerd worden dat de populaties van de opleidingsgroepen van vrouwen op de vruchtbare leeftijden (met de Belgische nationaliteit en woonachtig in het Vlaamse Gewest) geschat zijn volgens de EAK. Dat blijven puntschatters die sowieso aan toevalfluctuaties onderhevig zijn maar mogelijks ook systematische bias vertonen (bijvoorbeeld als gevolg van bepaalde toewijzingen binnen EAK van ontbrekende waarden voor het kenmerk opleidingsniveau van de respondent). In algemene zin verdient het de voorkeur om voor de inschatting van het verband tussen de vruchtbaarheid en het opleidingsniveau na te gaan hoe die gebeurtenissen elkaar opvolgen in de levensloop van goed bestudeerde generaties van vrouwen tussen pakweg 20 en 45 jaar (Zeman e.a., 2018). Uiteindelijk blijven de longitudinale cohort studies, of althans bevragingen bij cohorten na afsluiting van de vruchtbare levensfase, van onschatbaar belang om over de meer complexe vraagstellingen zekerheid te verkrijgen (Wood e.a., 2020; Nisén e.a., 2020).

35


4

BESLUIT

De gepresenteerde data tonen duidelijk de aanhoudende daling van de totale vruchtbaarheid in de Belgische gewesten tussen 2010 en 2019. Deze daling situeert zich voornamelijk bij de groep van jongvolwassenen. De opsplitsing naar nationaliteit van de moeder toont aan dat de vruchtbaarheidsdaling tussen 2010 en 2019 markant is onder de Belgen, met voor het Vlaamse Gewest een inslag richting ‘zeer lage periode totale vruchtbaarheid’. Die vruchtbaarheidsdaling situeert zich vrijwel exclusief in de leeftijdsgroep van jongvolwassenen (tot 30 jaar). Parallel zien we in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest een relatief sterke daling van de vruchtbaarheid bij vrouwen afkomstig van buiten de Europese Unie (naar TVC=3), vooral dan op jonge moederschapsleeftijden. De sterkste daling van de periode vruchtbaarheid tussen 2010 en 2016 wordt opgetekend in de opleidingsgroep MA+, gevolgd door de opleidingsgroep BA. Die daling is het sterkst in de leeftijdsgroep van 25-29-jarigen, maar is voor de opleidingsgroep MA+ ook aangeduid in de leeftijdsgroep van 30-34-jarigen. Ter verklaring is het deels nog gissen, maar duidelijk is wel dat zowel materiële als culturele factoren daarin hun plaats hebben. Toegenomen gepercipieerde onzekerheid over de toekomst is daarin mogelijks een factor.


LITERATUURLIJST

5

Charlier J., Debuisson M., Hermia J.-P., Pelfrene E (2019). Onderzoeksrapport: Migraties tussen gewesten van België. BISA/IBSA, IWEPS & Statistiek Vlaanderen. Comolli C.L. (2017). The fertility response to the Great Recession in Europe and the United States: Structural economic conditions and perceived economic uncertainty. In: Demographic Research, 36/51: 1549-1600. Comolli C.L, Neyer G., Andersson G., Dommermuth L., Fallesen P., Jalovaara M., Jónsson A., Kolk M. & Lappegård T. (2019). Beyond the Economic Gaze: Childbearing during and after recessions in the Nordic countries. Stockholm Research Reports in Demography, 16. Corijn M. & Pickery J. (2020). SV-Rapport 2020/3 - Veranderen van huishoudpositie in het Vlaamse Gewest: alleenwonend en alleenstaande ouder. Brussel: Statistiek Vlaanderen. De Beer J. & Latten J. (2018). De weerbarstige relatie tussen baby’s en conjunctuur. In: Demos - bulletin over bevolking en samenleving, 34/9, Oktober 2018. FPB & Statbel (2008). Bevolkingsvooruitzichten 2007-2060. Brussel: Federaal Planbureau & Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie. Planning Paper 105, Mei 2008. FPB & Statbel (2019). Demografische vooruitzichten 2018-2070 – Bevolking en huishoudens. Brussel: Federaal Planbureau, Januari 2019. FPB & Statbel (2020), Demografische vooruitzichten 2019-2070 – Bevolking en huishoudens, Brussel: Federaal Planbureau, Maart 2019. Goldstein J.R., Kreyenfeld, M., Jasilioniene, A., Örsal, D. (2013). Fertility reactions to the ‘Great Recession’ in Europe: Recent evidence from order-specific data. In: Demographic Research, 9/4: 85-104. Luppi F., Arpino B., Rosina A. (2020). The impact of COVID-19 on fertility plans in Italy, Germany, France, Spain and UK. In: SocArXiv Papers, 22 mei 2020 (https://osf.io/preprints/socarxiv/wr9jb/). Myrskylä M., Goldstein J.R., & Cheng Y.A. (2013). New cohort fertility forecast for the developed world. In: Population and Development Review, 39/1: 31–56. Neels K., Theunynck Z., & Wood J. (2013). Economic recession and first births in Europe: recession-induced postponement and recuperation of fertility in 14 European countries between 1970 and 2005. In: International Journal of C-Public Health, 58/1: 43-55.

37


Nisén J., Klüsener S., Dahlberg J., Dommermuths L., Jasilioniene A., Kreyenfeld M., Lappegård T., Li P., Martikanen P., Neels K., Riederer B., Te Riele S., Szabó L., Trimarchi A., Viciana F., Wilson B., Myrskylä M. (2020). Educational differences in cohort fertility across sub‑national regions in Europe. In: European Journal of Population, Springer Verlag, 20/08/2020. Testa M.R. (2014). On the positive correlation between education and fertility intentions in Europe: Individual- and country-level evidence. In: Advances in Life Course Research, 21: 28–42. Testa M.R. (2017). Will highly educated women have more children in the future? In: Vienna Yearbook of Population Research 2017, 15. Sobotka T., Skirbekk, D. & Philipov (2011). Economic recession and fertility in the developed world. In: Population Development Review, 37/2: 267-306. Van Bavel J., & Bastiaenssen V. (2007). De recente evolutie van de vruchtbaarheid in het Vlaamse Gewest: update 2006. Brussel: VUB, Interface Demography Working Paper 2007-1. Vandorpe L., Vanden Broucke S. & Vandekerckhove B. (2007). Het verlaten van de ouderlijke woning in Vlaanderen en de relatie met de woningmarkt. Vlaamse overheid, Departement RWO - Woonbeleid, November 2007. Van Peer C, (2019). SV-Rapport 2019/3 - Kinderwens in Vlaanderen. Brussel: Statistiek Vlaanderen. Wood J., Klüsener S., Neels K., & Myrskylä M. (2020). Shifting links in the relationship between education and fertility, In: Popul Space Place., 29 June 2020. Zeman, K., Beaujouan, E.., Brzozowska, Z., & Sobotka, T. (2018). Cohort fertility decline in low fertility countries: Decomposition using parity progression ratios. In: Demographic Research, 38/25: 651-690.


6

BIJLAGEN

BIJLAGE 1 : WETTELIJKE BEVOLKING EN GEWOONLIJK VERBLIJVENDE BEVOLKING De wettelijke bevolking naar Belgisch recht (legally resident population) omvat de personen die ingeschreven zijn in een regulier bevolkingsregister van het Rijksregister (van de natuurlijke personen), zoals het gewone bevolkingsregister (Belgen en vreemdelingen die gemachtigd zijn tot vestiging op het Belgische grondgebied) of het vreemdelingenregister (vreemdelingen die toegelaten of gemachtigd zijn tot een verblijf van meer dan 3 maanden op het Belgisch grondgebied, hetzij voor bepaalde of onbepaalde duur) (Wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen). Personen die ingeschreven zijn in het wachtregister voor asielzoekers of illegaal op het grondgebied verblijvende personen horen niet tot de wettelijke bevolking. Ze zijn derhalve niet opgenomen in de officiĂŤle bevolkingscijfers van Statbel (Wet 24 mei 1994 tot oprichting van een wachtregister voor vreemdelingen die zich vluchteling verklaren of die vragen om als vluchteling te worden erkend). Asielzoekers zijn gedeeltelijk wel opgenomen in de bevolkingscijfers van Eurostat over de gewoonlijk verblijvende bevolking (usually resident population), meer bepaald indien hun verblijf in het land al meer dan 12 maanden bedraagt of de intentie daartoe aanwezig is (Verordening (EG) nr. 862/2007 van het Europese Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken over migratie en internationale bescherming). De (wettelijke) bevolkingsgegevens van het voorgaande jaar, zowel wat betreft de loop (geboorten, overlijdens, binnenlandse en internationale migraties) als de stand van de bevolking, worden door Statbel opgemaakt en vastgelegd in maart van het nieuwe jaar, na afsluiting van de controleperiode. De stand van de bevolking op 31 december van het voorgaande jaar is de resultante van de stand aan het begin van dat jaar en het saldo van de bewegingen in de loop ervan. Die eindstand op 31 december van het voorgaande jaar is gelijk aan de beginstand van het nieuwe jaar.

39


BIJLAGE 2 : BEPALING VRUCHTBAARHEIDSCIJFERS OP HET LEXIS-DIAGRAM Naargelang de bepaling van de leeftijd van de moeder worden andere elementen van het Lexis-diagram (abscis: jaar t; ordinaat: leeftijd x) in aanmerking genomen ter bepaling van de leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers (age-specific fertility rates), zowel voor de telling van het aantal geboorten in de teller als voor de risicobevolking in de noemer (data VG, 2017). Figuur 1B. Aantal geboorten naar leeftijd moeder op het Lexisdiagram 1. Leeftijd x volgens geboortejaar

x_(begin t)

LB

x_(begin t+1)

2. Leeftijd x volgens de laatste verjaardag

x_(begin t)

LB

x_(begin t+1)

303 20j

20j

20j

20j

240

240

191 19j

19j

jaar (t)

jaar (t)

In model 1, met vruchtbaarheidscijfers volgens de leeftijd van de vrouwen tijdens het jaar bereikt, worden de levendgeborenen (live births, LB) in kalenderjaar (t) geteld onder de generatie vrouwen die dat jaar 20 zullen worden volgens hun geboortejaar, In totaal zijn er dat 431, waarvan 191 bij nieuwe moeders van 19 jaar en 240 bij nieuwe moeders van 20 jaar volgens hun laatste verjaardag. Ter bepaling van de risicobevolking is het rekenkundig gemiddelde genomen van de vrouwelijke bevolking van 19 jaar op 1 januari (t) en van de vrouwelijke bevolking van 20 jaar op 1 januari (t+1); zie de stippellijn (met gemiddelde leeftijd = (19,5 + 20,5)/2 = 20 jaar), Merk op dat het hier dezelfde generatie (geboortecohorte) van vrouwen betreft, zij het met verschillende (opeenvolgende) leeftijden volgens hun laatste verjaardag in de loop van het jaar, In model 2, met vruchtbaarheidscijfers volgens de leeftijd van de vrouwen op de laatste verjaardag, worden de levendgeborenen in kalenderjaar (t) geteld onder de groep vrouwen die 20 jaar zijn volgens hun laatste verjaardag, In totaal zijn er dat 543, waarvan 240 bij nieuwe moeders van de geboortecohorte (t-20) en 303 van de geboortecohorte (t-21), Ter bepaling van de risicobevolking is het rekenkundig gemiddelde genomen van de vrouwelijke bevolking van 20 jaar op 1 januari (t) en van die op 1 januari (t+1); zie de stippellijn (met gemiddelde leeftijd = (20,5 + 20,5)/2 = 20,5 jaar), Merk op dat het hier 2 verschillende (opeenvolgende) generaties van vrouwen betreft, zij het met dezelfde leeftijd volgens hun laatste verjaardag.


BIJLAGE 3 : BEPALING GEMIDDELDE MOEDERSCHAPSLEEFTIJD Voor de bepaling van de gemiddelde moederschapsleeftijd (en bijhorende standaarddeviatie) liggen 2 opties voor: 1) De feitelijke gemiddelde moederschapsleeftijd, die volgt uit de verdeling van geboorten volgens de leeftijd van de moeder bij geboorte van het kind; 2) De voor de omvang van de opeenvolgende generaties van vrouwen gestandaardiseerde gemiddelde moederschapsleeftijd, waarbij de moederschapsleeftijden zijn gewogen aan de verdeling van de leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers (als relatief/procentueel aandeel van het totale vruchtbaarheidscijfer). Ter verduidelijking van (2): Als bijvoorbeeld de generatie geboren in 1989 toevallig vrij omvangrijk is, dan zullen er in 2019 sowieso veel dertigjarigen zijn; derhalve ook veel kinderen geboren bij vrouwen van 30 jaar ongeacht hun ’vruchtbaarheidskalender‘ of ‘timing’ voor het krijgen van kinderen. De voornoemde standaardisatie uitgaande van de leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidskansen controleert voor dit effect. Zij geeft de typische leeftijd aan waarop vrouwen hun kinderen krijgen uitgaande van de voorliggende periodecijfers. In de praktijk liggen beide gemiddelden, het gewone gemiddelde en het voor de omvang van de opeenvolgende generaties van vrouwen gecontroleerde gemiddelde (in de vruchtbare levensfase), dicht bij elkaar. Tabel B1. Gemiddelde moederschapsleeftijd en standaarddeviatie: bepaling volgens 2 methodes Belgische gewesten en België, 2010 en 2019 2010

Methode Vlaams Gewest Waals Gewest Brussels Gewest België

Gewoon RG SD 29,9 4,8 29,6 5,4 30,7 5,5 29,9 5,1

Standaardisatie RG SD 29,7 4,8 29,5 5,3 30,7 5,9 29,8 5,1

2019

Gewoon RG SD 30,4 4,72 30,2 5,15 31,6 5,42 30,5 4,99

Standaardisatie RG SD 30,7 4,77 30,6 5,20 32 5,78 30,9 5,07

Noot: leeftijd moeder volgens haar laatste verjaardag. Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

Zie ook: Van Bavel & Bastiaenssen, 2007.

41


COLOFON Verantwoordelijke uitgever Statistiek Vlaanderen Havenlaan 88, 1000 Brussel Auteurs Edwin Pelfrene Martine Corijn | martine.corijn@vlaanderen.be Jan Pickery | jan.pickery@vlaanderen.be Ingrid Schockaert | ingrid.schockaert@vlaanderen.be Concept & grafische vormgeving The Oval Office Statistiek Vlaanderen Depotnummer D/2020/3241/263


Statistiek Vlaanderen Havenlaan 88 bus 20 1000 Brussel statistiekvlaanderen.be


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
SV_rapport_2020_5_vruchtbaarheidsdaling.pdf by Vlaanderen-be - Issuu