Skip to main content

Operationele_elementen_deel_7_dar16sept_0.pdf

Page 1

GROENBOEK ZESDE STAATSHERVORMING DEEL 7 OPERATIONELE ELEMENTEN

16 SEPTEMBER 2013


Inhoud HOOFDSTUK 1. BIJZONDERE FINANCIERINGSWET EN FISCALE AUTONOMIE ..................................... 4 Afdeling 1. Bijzondere Financieringswet ......................................................................................... 4 Afdeling 2. Fiscale autonomie ....................................................................................................... 13 HOOFDSTUK 2. OPENBAAR AMBT ..................................................................................................... 17 Afdeling 1. Ambtenarenzaken ...................................................................................................... 17 Afdeling 2. Uitzendarbeid ............................................................................................................. 27 Afdeling 3. Loopbaanonderbreking in de openbare sector.......................................................... 31 Afdeling 4. Responsabiliseringsbijdrage pensioenen .................................................................... 38 Afdeling 5. Maximumsalarissen per niveau.................................................................................. 43 HOOFDSTUK 3. BINNENLAND ............................................................................................................ 47 Afdeling 1. Provinciale instellingen .............................................................................................. 47 Afdeling 2. Gewestelijke volksraadpleging .................................................................................... 57 Afdeling 3. Europees Integratiefonds ............................................................................................ 62 Afdeling 4. Federaal Impulsfonds .................................................................................................. 65 Afdeling 5. Grootstedenbeleid ...................................................................................................... 76 Afdeling 6. Rampenfonds .............................................................................................................. 85 HOOFDSTUK 4. PERSONEEL EN ORGANISATIE, ICT EN INFORMATIEBEHEER, VASTGOED EN FACILITAIR MANAGEMENT ................................................................................................................ 92 Afdeling 1. Personeel..................................................................................................................... 93 Afdeling 2. Organisatie .................................................................................................................. 96 Afdeling 3. ICT en informatiebeheer ............................................................................................. 98 Afdeling 4. Vastgoed en facilitair management .......................................................................... 100 HOOFDSTUK 5. PATRIMONIUMBEHEER .......................................................................................... 103 Afdeling 1. Aankoopcomités ....................................................................................................... 103 Afdeling 2. Onteigeningen ........................................................................................................... 111 HOOFDSTUK 6. GEZAMENLIJK BEHEER VAN DIENSTEN EN INSTELLINGEN ..................................... 115 Afdeling 1. Nationaal Instituut Statistiek.................................................................................... 115 Afdeling 2. Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding ............................ 118 Afdeling 3. Federaal Crisiscentrum............................................................................................. 120 Afdeling 4. Instituut Nationale Rekeningen................................................................................ 121 Afdeling 5. Samenwerkingsverband Patrimoniale Informatie .................................................... 122 Afdeling 6. Kruispuntbank van Ondernemingen ......................................................................... 124

2


Afdeling 7. Nationale Delcrederedienst ...................................................................................... 125 Afdeling 8. Finexpo ..................................................................................................................... 127 Afdeling 9. Belgische Maatschappij voor Internationale Investering.......................................... 129 Afdeling 10. Agentschap Buitenlandse Handel .......................................................................... 131

3


HOOFDSTUK 1. BIJZONDERE FINANCIERINGSWET EN FISCALE AUTONOMIE Afdeling 1. Bijzondere Financieringswet Voorafgaande opmerking Het voorstel van bijzondere financieringswet 1 voorziet dat aan alle deelstaten samen een bijdrage in de budgettaire sanering wordt gevraagd om de financiën van de gezamenlijke overheid tegen 2016 in evenwicht te brengen. Deze bijdrage is gelijk aan: - 0,25 miljard euro in 2014. Deze bijdrage is eenmalig en is opgenomen als een eenmalige negatieve term in het voorstel van bijzondere financieringswet (nieuw artikel 81quinquies); - 1,25 miljard euro in 2015, oplopend tot 2,5 miljard euro vanaf 2016. De bijdrage vanaf 2015 wordt in mindering gebracht van de voorziene middelen in de financieringswet, meer bepaald: - voor wat de gewesten betreft: van de dotatie tewerkstellingsbeleid; - voor wat de gemeenschappen betreft: van de globale PB-dotatie; - voor wat de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie betreft: van de specifieke dotatie (artikel 65). De deelstaten zullen bij het opstellen van hun begrotingen met deze context rekening dienen te houden. Het beleidsdomein financiën en begroting zal een transparant rekenmodel uitwerken en ter beschikking stellen dat toelaat de mechanismen van het voorstel van bijzondere financieringswet te becijferen.

Wat zal er veranderen aan de Vlaamse bevoegdheid? 

Vóór de zesde staatshervorming

De financiering van de gewesten en gemeenschappen (G&G) is geregeld in de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten (BFW) en in de gewone wet van 31 december 1983 houdende organisatie van de financiering van de Duitstalige Gemeenschap. Gewesten -

1

De belangrijkste inkomsten waarover de gewesten beschikken zijn de dotatie uit de personenbelasting en, voor Brussel en Wallonië, de solidariteitstussenkomst. Deze twee financieringsbronnen zullen wijzigen.  Veruit het grootste deel van de gewestmiddelen bestaat uit de overdracht van een gedeelte van de personenbelasting (PB). Het gaat om een globale PB-dotatie voor de drie gewesten die jaarlijks wordt aangepast aan inflatie (CPI) en economische groei (BBP). Vervolgens wordt deze dotatie over de gewesten verdeeld op basis van de fiscale capaciteit (= de in ieder gewest gelokaliseerde PB).

Voorstel van bijzondere wet tot hervorming van de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, tot uitbreiding van de fiscale autonomie van de gewesten en tot financiering van de nieuwe bevoegdheden, St. Kamer, 2012-2013, 2974/1

4


-

-

-

 Sinds 2002 wordt de PB-dotatie van de gewesten verminderd met de zogenaamde “negatieve term” als compensatie voor de bijkomende overdrachten van gewestbelastingen. Om deze overdrachten budgettair neutraal te houden voor zowel de federale overheid als de gewesten, werd deze overdracht gecompenseerd door de PB-dotatie per gewest te verminderen met een forfaitair bedrag. Deze negatieve term komt overeen met het gemiddelde van de bijkomende gewestbelastingen in de periode 1999 tot en met 2001 uitgedrukt in prijzen van 2002. Sindsdien werd dit bedrag jaarlijks aangepast aan de inflatie en gedeeltelijk aan de BBP-groei.  De solidariteitstussenkomst (NST) wordt bekomen door de procentuele afwijking van de per capita opbrengst aan PB van een gewest ten opzichte van het rijksgemiddelde te vermenigvuldigen met een geïnflateerd basisbedrag en het aantal inwoners van het rechthebbende gewest. Hierdoor vertoont de NST een pervers karakter (ontwikkelingsval + omkering per capita ontvangsten). Daarnaast beschikken de gewesten ook over twee specifieke federale dotaties: een dotatie voor de wedertewerkstelling van werklozen en een dotatie voor de groepsgewijze overname van de dienst van gewestbelastingen. Enkel de eerstgenoemde dotatie zal wijzigen. Vervolgens beschikken de gewesten ook over beperkte dotaties voor specifieke bevoegdheden (landbouw, zeevisserij, …), fiscale bevoegdheden inzake gewestbelastingen en de mogelijkheid om niet-fiscale ontvangsten te innen. Gewesten kunnen ook leningen aangaan. Enkel de eerstgenoemde dotaties zullen wijzigen. Tot slot kunnen de gewesten in het kader van de toegekende bevoegdheden opcentiemen heffen of kortingen toestaan op de PB, alsook algemene belastingverminderingen of –vermeerderingen invoeren op de PB. Deze fiscale autonomie is echter beperkt tot 6,75% van de in ieder gewest gelokaliseerde PB. Dit stelsel van opcentiemen (6,75%) wordt afgeschaft.

Gemeenschappen -

-

De belangrijkste inkomsten waarover de gemeenschappen beschikken zijn een dotatie uit de PB, een BTW-dotatie en een dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld.  De dotatie uit de PB betreft een globale PB-dotatie voor de Vlaamse en Franse Gemeenschap die jaarlijks wordt aangepast aan inflatie (CPI) en economische groei (BBP). Vervolgens wordt deze dotatie verdeeld over de Vlaamse en Franse Gemeenschap op basis van de fiscale capaciteit.  De BTW-dotatie bestaat uit twee delen: de BTW-basisdotatie en de extra Lambermont-middelen. De BTW-basisdotatie betreft eveneens een globale dotatie ter financiering van de onderwijsbehoeften van de Vlaamse en Franse Gemeenschap. De dotatie wordt jaarlijks aangepast aan inflatie (CPI) en de evolutie van het aantal min 18-jarigen in iedere gemeenschap (DENAT). Vervolgens wordt deze dotatie verdeeld over de Vlaamse en Franse Gemeenschap op basis van de verdeling van het aantal leerlingen in beide gemeenschappen. De extra Lambermont-middelen worden bekomen door het jaarlijkse verschil met de BTWbasisdotatie te berekenen indien de BTW-basisdotatie (1) verhoogd wordt met een jaarlijkse opstap over de periode 2002-2011 en (2) vanaf 2007 aangepast wordt aan 91% van de economische groei (BBP). De extra Lambermont-middelen kennen hierdoor een exponentieel verloop (= “Lambermont-turbo”).  De dotatie ter compensatie van het kijk- en Luistergeld is een dotatie die bij aanvang (2002) vastgelegd werd op basis van de effectieve opbrengsten van het kijk- en luistergeld in het verleden (1999-2001). De dotatie voor iedere gemeenschap wordt jaarlijks geïndexeerd. Daarnaast beschikken de gemeenschappen over een aantal andere (minder belangrijke) specifieke federale dotaties: een deel van de uitkeerbare winst van de nationale loterij

5


-

en een dotatie ter financiering van het universitair onderwijs van de buitenlandse studenten. Deze dotaties worden niet gewijzigd. Tot slot hebben de gemeenschappen ook de mogelijkheid om niet-fiscale ontvangsten te innen en leningen aan te gaan.

ď‚§

Na de zesde staatshervorming

Naar aanleiding van de Zesde Staatshervorming zal de financiering van de G&G grondig hertekend worden. Niet alleen de huidige, bestaande, financieringsmechanismen zullen aangepast worden, ook een aantal nieuwe bevoegdheden zullen aan de G&G overgedragen worden, vergezeld van de geassocieerde middelen. Een overgangsmechanisme moet de overgang budgettair neutraal maken in het aanvangsjaar 2015. De G&G worden bijkomend geresponsabiliseerd op het vlak van pensioenen en klimaat. De Brusselse instellingen worden bijkomend gefinancierd. Gewesten, huidige bevoegdheden -

-

-

-

De globale PB-dotatie en de negatieve term worden voor alle gewesten opgeheven. Het opheffen van de negatieve term, in het bijzonder de koppeling aan 91% van het BBP, houdt een transfer in van de gewesten naar de federale overheid. De gewesten zullen voortaan zelf instaan voor het genereren van middelen via de invoering van een model van uitgebreide opcentiemen. Daartoe wordt de federale belasting verminderd met een factor gelijk aan de som van de PB-dotatie, de gecorrigeerde negatieve term en 40% van de overgedragen middelen voor de bevoegdheid inzake fiscale uitgaven. De mate van fiscale autonomie wordt uitgedrukt door de autonomiefactor, zijnde de verhouding tussen de supra bedoelde factor en de Belasting Staat. De dotaties die betrekking hebben op de bijkomende gewestelijke bevoegdheden n.a.v. het Lambermontakkoord gaan vanaf 2015 op in een nieuwe dotatie die voortaan wordt verdeeld op basis van een vaste verdeelsleutel (50,33% voor het Vlaams Gewest). Het verschil in het aanvangsjaar als gevolg van andere horizontale verdeelsleutel wordt aan het overgangsmechanisme toegewezen. De nieuwe dotatie wordt aangevuld met specifieke bijkomende middelen: 5,0 miljoen (overdracht gebouwen, niet in overgangsmechanisme opgenomen) en 626,0 miljoen (voor nieuwe bevoegdheden: participatiefonds, grootstedenbeleid, landbouwrampen, overdracht personeel (aankoopcomitĂŠs), FREG, BIRB). De NST wordt anders geconcipieerd. Een nieuw samengesteld basisbedrag, bestaande uit het geheel van de met de fiscale autonomie verbonden middelen en de aan de gewesten volgens een fiscale sleutel verdeelde dotaties alsook uit 50% van de nieuw samengestelde PB-dotatie van de gemeenschappen, jaarlijks aangepast aan de inflatie (CPI) en aan de economische groei (BBP), wordt vermenigvuldigd met 80% van het verschil tussen het inwonersaandeel van het gewest en het aandeel van het rechthebbende gewest in de federaal gebleven PB.

Gewesten, nieuwe bevoegdheden -

6

Aan de gewesten wordt de bevoegdheid voor het tewerkstellingsbeleid overgedragen. De overdracht gaat gepaard met een overdracht van middelen ten belope van 90%. De resterende 10% wordt toegevoegd aan het overgangsmechanisme (zie infra). De dotatie wordt jaarlijks aangepast aan de inflatie (CPI) en aan een percentage van de economische groei (BBP). Het genoemde percentage houdt een bijdrage in van de gewesten in de financiering van de vergrijzingskost. De overdracht van middelen wordt in 2015 gereduceerd met 831,3 miljoen euro. In 2016 gebeurt een tweede vermindering met 831,3 miljoen euro. Beide verminderingen hebben een recurrent karakter en gelden als bijdrage van de deelstaten in de sanering van de overheidsfinanciĂŤn. De


-

saneringsinspanning wordt buiten het overgangsmechanisme gehouden. 90% van de federale dotatie voor de wedertewerkstelling van werklozen (zie supra) wordt toegevoegd aan de dotatie voor het tewerkstellingsbeleid. De resterende 10% wordt toegevoegd aan het overgangsmechanisme (zie infra). De netto-opbrengst van de verkeersinbreuken wordt daarentegen afgetrokken van de dotatie. De verdeling van de dotatie over de gewesten gebeurt op basis van de federaal gebleven PB. De gewesten worden ook verantwoordelijk voor specifieke fiscale uitgaven (energiebesparende maatregelen, huisvesting, renovatie, grootstedenbeleid, dienstencheques). 60% van de overgedragen bevoegdheid wordt gefinancierd via een dotatie vanwege de federale overheid. De resterende 40% financieren de gewesten via de opcentiemen. De dotatie wordt jaarlijks aangepast aan de inflatie (CPI) en aan een percentage van de economische groei (BBP). Het genoemde percentage houdt een bijdrage in van de gewesten in de financiering van de vergrijzingskost. De verdeling van de dotatie over de gewesten gebeurt op basis van de federaal gebleven PB.

Gewesten, overgangsmechanisme Het doel van het overgangsmechanisme is de inwerkingtreding van de nieuwe BFW budgettair neutraal te laten verlopen in het aanvangsjaar. De budgettaire verschillen in het aanvangsjaar zullen bijgevolg worden uitgevlakt via een egalisatiebedrag per gewest. Dit egalisatiebedrag wordt 10 jaar nominaal constant gehouden (2015 – 2024). Vanaf het elfde jaar wordt het egalisatiebedrag lineair over 10 jaar afgebouwd (2025 – 2034). Door het verdwijnen van het overgangsmechanisme na 20 jaar realiseert de federale overheid een besparing van 10% op de overgedragen middelen voor het tewerkstellingsbeleid. Die besparing wordt lineair opgebouwd vanaf het elfde jaar. Gewesten, responsabilisering voor pensioenen en klimaat -

-

-

De bijzondere wet van 5 mei 2003 tot instelling van een nieuwe berekeningswijze van de responsabiliseringsbijdrage ten laste van sommige werkgevers van de openbare sector wordt opgeheven. De G&G moeten een stijgende responsabiliseringsbijdrage voor de pensioenen van hun ambtenaren betalen. Voor de periode 2015-2020 zijn de bedragen gespecifieerd in de BFW. Vanaf het begrotingsjaar 2021 wordt de responsabiliseringsbijdrage per entiteit bepaald door een bijdragepercentage toe te passen op de weddemassa die door de betrokken entiteit in het voorgaande kalenderjaar werd betaald. Voor het begrotingsjaar 2021 is dat bijdragepercentage gelijk aan 30% van de RSZ-werkgeversbijdrage voor pensioenen. De huidige RSZ-werkgeversbijdrage is 8,86%. Dit resulteert in een bijdragepercentage van 2,658%. Vanaf 2022 wordt het bijdragepercentage lineair opgetrokken totdat het vanaf 2028 (BFW spreekt van 2029) gelijk is aan 100% van de RSZ-werkgeversbijdrage voor pensioenen. De responsabiliseringsbijdragen worden jaarlijks ingehouden van de aan de betrokken entiteiten door de federale overheid te betalen dotaties. Via de BFW wordt voor ieder gewest een meerjarig traject voorzien, gekoppeld aan een bonus malus systeem, inzake de uitstoot van broeikasgassen in de sector van de gebouwen.

Gewesten, correcte financiering Brusselse instellingen Op grond van de specifieke situatie van de Brusselse regio (pendelaars, aanwezigheid van internationale instellingen en ambtenaren, hoofdstedelijke functies) worden de Brusselse instellingen tegen 2015 geherfinancierd ad 454 miljoen euro. De herfinanciering die gerelateerd is aan de pendelbewegingen zal door het Vlaamse en Waalse Gewest worden gedragen.

7


Gemeenschappen, huidige bevoegdheden -

-

-

-

-

-

-

Van de BTW-Lambermontmiddelen in het aanvangsjaar wordt het effect afgezonderd van de koppeling van de basis BTW-dotatie aan de economische groei in de periode 2010-2015. Dit afgezonderde deel wordt aan de globale BTW-dotatie toegevoegd en ondergaat bijgevolg de evolutie en de verdeling van de globale BTW-dotatie. Het restant van de BTW-Lambermontmiddelen wordt aan de globale PB-dotatie toegevoegd. Vanaf het aanvangsjaar zal de dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld geĂŻncorporeerd worden in de globale BTW-dotatie en bijgevolg de evolutie en de verdeling van de globale BTW-dotatie ondergaan. De globale BTW-dotatie bestaat bijgevolg uit de som van de basis BTW-dotatie bedoeld in de bestaande BFW, de afgezonderde Lambermontmiddelen en de dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld. De bedoelde som wordt in het aanvangsjaar verhoogd met bijkomende middelen omwille van de overheveling van aangelegenheden inzake het FCUD, jeugdbescherming, het FIM, de startbanen, het EIF en de loopbaanonderbreking. Vanaf het jaar volgend op het aanvangsjaar zal de globale BTW-dotatie naast de bestaande jaarlijkse aanpassing aan de inflatie (CPI) en de evolutie van het aantal min 18-jarigen (DENAT), ook aangepast worden aan 91% van de economische groei (BBP). De globale BTW-dotatie wordt jaarlijks onder de Vlaamse en Franse Gemeenschap verdeeld in functie van de leerlingen. De switch in verdelingsmechanisme van de afgezonderde Lambermontmiddelen en de dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld is nadelig voor de Vlaamse Gemeenschap. De globale PB-dotatie bestaat uit de basis PB-dotatie bedoeld in de bestaande BFW en het restant van de BTW-Lambermontmiddelen. De overdracht van middelen wordt in het aanvangsjaar gereduceerd met 356,3 miljoen euro. In 2016 gebeurt een tweede vermindering met 356,3 miljoen euro. Beide verminderingen hebben een recurrent karakter en gelden als bijdrage van de deelstaten in de sanering van de overheidsfinanciĂŤn. De saneringsinspanning wordt buiten het overgangsmechanisme gehouden. Vanaf het jaar volgend op het aanvangsjaar zal de globale PB-dotatie aangepast worden aan de inflatie (CPI) en aan een percentage van de economische groei (BBP). De globale PB-dotatie wordt jaarlijks onder de Vlaamse en Franse Gemeenschap verdeeld in functie van de federaal gebleven PB. Het genoemde percentage houdt een bijdrage in van de gemeenschappen in de financiering van de vergrijzingskost. )...

Gemeenschappen, nieuwe bevoegdheden -

-

8

het voorstel van bijzondere financieringswet bepaalt dat aan de gemeenschappen middelen zullen worden overgedragen voor bijkomende bevoegdheden op het vlak van gezinsbijslag, ouderenzorg, gezondheidszorg, ziekenhuisinfrastructuur, justitiehuizen en interuniversitaire attractiepolen. De over te dragen middelen zullen de vorm van dotaties aannemen. Onderstaande tabel toont de karakteristieken van bedoelde dotaties.


Bevoegdheid

Gezinsbijslag

Ouderenzorg

Gezondheidszorg en Hulp aan personen

Ziekenhuisinfrastructuur en Justitiehuizen Medisch-sociale diensten

Totale dotatie

6,404 miljard in 2013

3,296 miljard in 2013

0,581 miljard in 2013

Aanvangsjaar Evolutie na aanvangsjaar

2015 - dotatie per GEM * CPI * evolutie 0 t.e.m. 18 jarigen per GEM * 25% evolutie BBP per inwoner Rijk; - in aanvangsjaar negatieve correctie voor 0 t.e.m. 18 jarigen van Duitst. GEM

0,958 miljard in 2014; nominaal opgedeeld in aanvangsjaar over VG, FG en GGC 2015 - dotatie per GEM * CPI * evolutie inwoners per GEM * percentage van BBP

Verdeling

Ratio

2015 - dotatie per GEM * CPI * evolutie +80 jarigen per GEM * percentage van evolutie BBP per inwoner Rijk; - in aanvangsjaar negatieve correctie voor 0 t.e.m. 18 jarigen van Duitst. GEM - enkel in aanvangsjaar - enkel in aanvangsjaar - enkel in aanvangsjaar o.b.v. 0 t.e.m. 18 jarigen per o.b.v. +80 jarigen per GEM GEM (VG, FG en GGC) (VG, FG en GGC)

- verdeling en evolutie i.f.v. - verdeling en evolutie i.f.v. behoeften behoeften - percentage van evolutie BBP per inwoner Rijk = deelname van gemeenschappen in vergrijzingskosten

- evolutie i.f.v. behoeften - percentage van BBP = deelname van gemeenschappen in vergrijzingskosten

Interuniversitaire attractiepolen

0,087 miljard in 2015; 0,032 miljard in 2018; nominaal opgedeeld in nominaal opgedeeld in aanvangsjaar over VG en FG aanvangsjaar over VG en FG

2016 2015 - totale dotatie * CPI * - dotatie per GEM * CPI * percentage van BBP; BBP - opdeling dotatie in twee delen : 85,13% en 14,87%; deel 85,13% wordt verminderd met relatief aantal inwoners Duitst GEM

2018 - dotatie per GEM * CPI * BBP

- gereduceerd deel 85,13% jaarlijks volgens inwoners in VG, FG en GGC; - deel 14,87% jaarlijks volgens inwoners in VG en FG - verdeling en evolutie i.f.v. behoeften - percentage van BBP = deelname van gemeenschappen in vergrijzingskosten

- enkel in aanvangsjaar o.b.v. inwoners per GEM (VG en FG)

- enkel in aanvangsjaar

- evolutie i.f.v. behoeften

- evolutie i.f.v. behoeften

9


Gemeenschappen, overgangsmechanisme Het doel en de werking van het overgangsmechanisme voor de gemeenschappen is analoog aan dat van de gewesten. Zie supra. Gemeenschappen, responsabilisering voor pensioenen Naar analogie met de gewesten zal ook voor de gemeenschappen een responsabiliseringsmechanisme voor pensioenen van kracht worden. Zie supra.

Wat moet nog besproken worden?

Gewesten & Gemeenschappen -

-

Dotatiefinanciering als gevolg van de overdracht van nieuwe bevoegdheden zal vertrekken van de som van startbedragen per G/G. De vaststelling van de startbedragen dient gebaseerd te zijn op de meest recente (federale) informatie. De berekeningsbasissen dienen duidelijk gedefinieerd te worden. Bovendien dient vermeden te worden dat lang na de inwerkingtreding van de nieuwe BFW de startbedragen nog moeten bijgesteld worden (cf. Vaststelling negatieve term per gewest in 2004). Vervolgens dient bijzondere aandacht te worden besteed aan de regionale opdeling van de referentie-uitgaven in het startjaar. Deze opdeling heeft een rechtstreekse impact op de grootte van het egalisatiebedrag per G/G. Voor elke dotatie komen in het startjaar beide bedragen per G/G met elkaar overeen (ontvangsten + egalisatiebedrag = uitgaven), maar de regionale opdeling van de referentie-uitgaven bepaalt in het startjaar wel de grootte van de middelen voor ieder G/G. De regionale opdeling van de referentie-uitgaven dient bijgevolg met de grootste nauwkeurigheid te gebeuren. Een foutieve vaststelling van de opdeling van de referentie-uitgaven heeft gedurende 20 jaar gevolgen voor de middelen van het G/G. Of anders geformuleerd: na afloop van de overgangsperiode kan men de vraag stellen of de verdelingsmechanismen van de middelen wel een correcte weergave inhouden van de opdeling van de effectieve uitgaven. Het voorstel van bijzondere financieringswet bevat telkenmale een regionale opdeling van de referentie-uitgaven. Het voorstel zelf, noch de toelichting bevatten echter de noodzakelijke informatie om de opdeling te verifiëren. Het voorstel van bijzondere financieringswet voorziet in een aantal nieuwe parameters die de grootte en/of de verdeling van de globale PB- en BTW-dotatie rechtsreeks bepalen: de 0 t.e.m. 18-jarigen per gemeenschap, de +80-jarigen per gemeenschap en de federaal gebleven PB per G/G. Er dient duidelijkheid te worden gecreëerd aangaande de methodologie voor het vaststellen van deze parameters.

Gewesten De dotatie die de Brusselse instellingen zullen ontvangen als compensatie voor de pendelaars, zal gebaseerd zijn op de netto-pendelbewegingen van en naar het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het Vlaamse en Waalse Gewest zullen (vanaf 2014) de genoemde dotatie moeten dragen in functie van hun aandeel in de netto-pendelbewegingen. Laatstgenoemde opdeling dient nog te worden uitgewerkt. Bovendien dient duidelijkheid te worden gecreëerd aangaande de methodologie voor het vaststellen van de pendelbewegingen en de gebeurlijke evolutie van deze parameter (eenmalige of periodieke vaststelling).

10


Aandachtspunten

Gewesten en Gemeenschappen -

-

-

Het foutief vaststellen van de regionale opdeling van de referentie-uitgaven in het startjaar resulteert via het egalisatiebedrag in middelen die op het niveau van het gewest of de gemeenschap niet overeenstemmen met de werkelijk te financieren uitgaven (zie supra). Het egalisatiebedrag wordt 10 jaar nominaal constant gehouden en de daaropvolgende 10 jaar lineair afgebouwd. Het foutieve egalisatiebedrag laat bijgevolg 20 jaar sporen na. De keuze voor een verdeelsleutel van de middelen die afwijkt van de reële consumptie of het reële uitgavenpatroon heeft daarentegen een permanente impact. Het is eveneens denkbaar dat de som van de startbedragen zal afwijken van de economische werkelijkheid. Op deze wijze zou de federale overheid een impliciete sanering kunnen realiseren. In het voorstel van bijzondere financieringswet is bovendien een expliciete saneringsinspanning verwerkt ten laste van de G/G. Het is noodzakelijk dat er in de structuren, die deze saneringsinspanning geadviseerd heeft (en met name de Hoge Raad voor Financiën), een evenwichtige samenstelling komt, niet alleen in de Hoge Raad zelf, maar ook en vooral in de voorbereidende diensten en comités (het secretariaat van de Hoge Raad voor Financiën). Tot slot is het niet vanzelfsprekend dat de uitgaven bij ongewijzigd beleid ook effectief zullen evolueren zoals de in het voorstel van bijzondere financieringswet opgenomen middelenevolutie. Ter zake kan o.m. verwezen worden naar de toegestane groei van de federale uitgaven voor gezondheidszorg (in principe 4% reëel; doch beperkt tot 3% reëel). Een ander voorbeeld betreft de lopende uitgaven voor geneeskundige verzorging. Op basis van cijfers van het INR blijkt dat er zich over de periode 2002-2011 een gemiddelde jaarlijkse stijging van 6% heeft voorgedaan. In het rapport van de Studiecommissie voor de vergrijzing (oktober 2012) houdt de HRF – als derde voorbeeld – over de periode 2011-2030 rekening met een gemiddelde reële jaarlijkse toename van de gezondheidskosten van 2,4%. Het aan de gemeenschappen overdragen van vergrijzingsgerelateerde materies houdt bijgevolg een budgettair risico in.

Gewesten -

-

Het opzet van de fiscale autonomie in de het voorstel van bijzondere financieringswet (model van uitgebreide opcentiemen) heeft tot gevolg dat de gewesten een deel van de elasticiteitsbonus zullen genieten. Bij een elasticiteitscoëfficiënt groter dan één en bij een positieve economische groei zullen de ontvangsten uit de opcentiemen sneller toenemen dan de economische groei. In geval van een negatieve economische groei zullen ze sneller afnemen. Bij een elasticiteitscoëfficiënt kleiner dan één (maar groter dan nul) zullen de ontvangsten uit de opcentiemen trager toenemen dan de economische groei. Als gevolg van het vervangen van dotaties waarvan de evolutie en de verdeling eenduidig bepaald zijn in de BFW door regionale opcentiemen, neemt voor de gewesten dan ook de onzekerheid toe over het realiseren van een bepaald niveau aan ontvangsten. In het aanvangsjaar kunnen de opcentiemen voor het Vlaamse Gewest op 6,6 miljard euro geraamd worden. Dit komt overeen met 23,3% van de middelenbegroting van de Vlaamse Overheid. Het verlies aan elasticiteitsbonus voor de federale overheid wordt gecompenseerd door de nieuwe dotaties voor tewerkstellingsbeleid en fiscale uitgaven in het jaar volgend op het aanvangsjaar slechts aan 75% van de evolutie van het BBP te koppelen. M.b.t. de elasticiteitsbonus kan de vraag gesteld worden of deze zal opwegen tegenover de verwachte minderontvangsten voor de Vlaamse Gemeenschap. De werking van de elasticiteit (indien >1) heeft ook tot gevolg dat bij gelijkblijvende belastingwetgeving de belastingdruk gestaag toeneemt. In het verleden heeft dit de federale overheid ertoe aangezet om periodiek een belastinghervorming door te voeren.

11


Toekomstige federale belastinghervormingen zullen voortaan eveneens de regionale ontvangsten beĂŻnvloeden. De federale overheid blijft immers na de Zesde staatshervorming exclusief bevoegd voor het vaststellen van de belastbare basis en het daarbij horend beleid.

Welke nieuwe beleidsopties kan Vlaanderen nemen? Behalve voor het luik fiscale autonomie, biedt het voorstel van bijzondere financieringswet aan de deelstaten geen ruimte om eigen beleidsaccenten inzake financiering te leggen. De bevoegde beleidsdomeinen zullen echter wel nagaan of er geen eigen ontvangsten geregionaliseerd zullen worden. In voorkomend geval zullen de bijkomende eigen ontvangsten wel aanleiding geven tot beperkte beleidsaccenten.

12


Afdeling 2. Fiscale autonomie Wat zal er veranderen aan de Vlaamse bevoegdheid? 

Vóór de zesde staatshervorming

Het Vlaamse Gewest kan opcentiemen heffen of kortingen toestaan op de personenbelasting (PB), alsook algemene belastingverminderingen of –vermeerderingen invoeren op de PB in het kader van de bevoegdheden toegekend aan het gewest. Deze fiscale autonomie is beperkt tot 6,75% van de PB gelokaliseerd in ieder gewest. Bovendien mag de uitoefening van de fiscale autonomie de progressiviteit van de PB niet verminderen en niet leiden tot deloyale fiscale concurrentie (artikel 6, §2, en artikel 9, §1, BFW).

Na de zesde staatshervorming

De Zesde Staatshervorming zorgt op twee manieren voor een uitbreiding van de Vlaamse fiscale autonomie: (1) via de invoering van het model van uitgebreide opcentiemen, waardoor Vlaanderen verantwoordelijk wordt voor een aanzienlijk deel van haar inkomsten, en (2) via de overdracht van fiscale uitgaven, waardoor Vlaanderen meer mogelijkheden krijgt voor het geven van incentives via fiscaal beleid.

 -

-

-

-

Wat moet nog besproken worden?

Er moet nog duidelijk bepaald worden hoe zal worden omgegaan met procedures en geschillen met betrekking tot de overgedragen bevoegdheden (vb. wat met fiscale geschillen? (zie artikel 61 BFW, wat met lopende fiscale uitgaven gelinkt aan opgeheven federale belastingverminderingen?). Hierover is niets opgenomen in het voorstel van bijzondere financieringswet. Het voorstel van bijzondere financieringswet geeft geen duiding bij de concrete overdracht van fiscale uitgaven. We veronderstellen dat de relevante bepalingen van het WIB 92 worden behouden, en de financiële lasten worden overgedragen aan de gewesten (regeling huidige oneigenlijke gewestbelastingen). Het blijft onduidelijk in welke mate de federale overheid nog zal sleutelen aan de fiscale uitgaven vóór de overdracht en in welke mate dit dan een impact zou hebben op de over te dragen middelen. Op basis van artikel 59 van het voorstel van bijzondere financieringswet (voorgestelde artikel 54/1) kan afgeleid worden dat de ontvangsten aan regionale opcentiemen in het aanvangsjaar 2015 betrekking zullen hebben op de fiscale ontvangsten van het aanslagjaar 2015 (inkomstenjaar 2014). De gewesten kunnen vanaf 1 juli 2014 hun fiscale bevoegdheden aanwenden. Uit het voorstel van bijzondere financieringswet blijkt dat zal worden gewerkt met periodieke voorschotten en een afrekening. De modaliteiten hieromtrent, zullen worden vastgelegd bij koninklijk besluit na overleg met de gewestregeringen. Een samenwerkingsakkoord is noodzakelijk, zodat de gewesten over de noodzakelijke informatie kunnen beschikken om hun inkomsten in te schatten. Anderzijds moet wel worden verduidelijkt of en op welke manier de gewestelijke fiscale autonomie zal worden vertaald in de bedrijfsvoorheffing (vb. ervaring jobkorting). Het voorstel van bijzondere financieringswet bevestigt dat de huidige advies- en overlegstelsels van de BFW (technische uitvoerbaarheid, Rekenhof) behouden blijven. Tevens maakt dit melding van een advies van de overige gewestregeringen, al is het niet duidelijk wat hiervan precies het doel is. Dit kan in principe geen betrekking hebben op technische uitvoerbaarheid, vermits de federale overheid de dienst blijft uitvoeren.

13


 -

-

-

-

-

14

Aandachtspunten

De overdracht van fiscale autonomie heeft tot gevolg dat de inkomstenstromen van de Vlaamse overheid minder voorspelbaar worden: (1) de Vlaamse uitgebreide opcentiemen zullen worden geheven op een belastbare basis exclusief vastgesteld door de federale overheid. Zij zullen dus niet alleen afhankelijk zijn van de economische omstandigheden voor hun inkomsten, maar ook van het beleid van de federale overheid. Een samenwerkingsakkoord is noodzakelijk, zodat de gewesten tijdig worden geïnformeerd. (2) De impact van fiscale maatregelen is moeilijker voorspelbaar dan bij subsidies en andere instrumenten omdat niet wordt gewerkt met gesloten enveloppes (denk maar aan de dienstencheques). Bovendien zijn de fiscale uitgaven in hoofde van de gewesten bijzonder moeilijk voorspelbaar omwille van de volatiliteit van dergelijke uitgaven. Dit probleem stelt zich voornamelijk wat betreft de aftrek enige woning. De overdracht van fiscale autonomie gaat mogelijks gepaard met onvoldoende financiële middelen om de huidige fiscale voordelen de komende jaren te bestendigen. De oplijsting van de op dit ogenblik nog federale fiscale uitgaven zal in ieder geval na de overdracht aan de gewesten moeten worden opgenomen in de tabel met fiscale uitgaven behorend tot het Vlaamse Middelendecreet. De FOD Financiën blijft verantwoordelijk voor de inning en invordering van de gehele PB, inclusief de gewestelijk opcentiemen. De Vlaamse inkomsten zullen dus mede afhankelijk worden van de prestaties van de FOD Financiën. In dit verband rijst de vraag of de gewesten zullen zetelen in de beheers- en auditcomités van de FOD Financiën. Daarnaast is er niet voorzien in de overdracht van personele middelen. Vlaanderen wordt dus afhankelijk van de medewerking van de federale diensten voor de uitvoering van haar fiscaal beleid. In dit verband zijn afspraken tussen de FOD Financiën en de gewesten noodzakelijk. Zo moet het Vlaamse gewest de toegekende belastingverminderingen kunnen controleren op basis van de PB-aangiftes. Anderzijds veronderstellen we dat de dienst van de PB kosteloos zal zijn. Het voorstel van bijzondere financieringswet doet hierover evenwel geen uitspraak. Impact op de aanvullende belasting van gemeenten en agglomeraties: het voorstel van bijzondere financieringswet bepaalt dat de gewestelijke personenbelasting, die samenvalt met de gewestelijke opcentiemen, kortingen, belastingvermeerderingen en –verminderingen, in beginsel deel uitmaakt van de berekeningsgrondslag van de APB, dit in tegenstelling met de bestaande Vlaamse belastingverminderingen (in het kader van de winwinlening en de renovatielening) die niet in aanmerking worden genomen bij het vaststellen van de grondslag voor de berekening van de APB. Het voorstel van bijzondere financieringswet bevat een bepaling waarin wordt gesteld dat gewestelijke belastingregels doorwerken in het belastingstelsel der niet inwoners. De lokalisatiecriteria dienen evenwel nader uitgewerkt te worden in een wet, na overleg met de gewestregeringen. De gewestelijke lokalisatiecriteria voor de niet-inwoners moeten dermate worden vastgesteld dat fiscaal toerisme tussen de gewesten wordt vermeden. Het voorstel van bijzondere financieringswet bevat tevens een bepaling met betrekking tot de doorrekening van deze gewestelijke belastingregels. De problematiek van de aanvullende personenbelasting (APB) bij niet inwoners dient tevens onder de aandacht te blijven. Hierbij zou kunnen worden nagegaan of de lokalisatiecriteria zouden kunnen ingezet worden.


Welke nieuwe beleidsopties kan Vlaanderen nemen? Optie 1 (Nuloptie): Uitgebreide opcentiemen: 35,017 opcentiemen heffen (op basis van voorstel bijzondere financieringswet) Fiscale uitgaven: huidige fiscale voordelen bestendigen Optie 2: Uitgebreide opcentiemen: opcentiemen differentiëren, belastingschijven aanpassen Fiscale uitgaven: voorwaarden fiscale voordelen aanpassen, rekening houdende met bestaande gunstmaatregelen (subsidies, premies, belastingmaatregelen, enz.) Optie 3: Fiscale uitgaven: nieuwe fiscale voordelen invoeren, rekening houdende met bestaande gunstmaatregelen (subsidies, premies, belastingmaatregelen, enz.) Optie 4: Fiscale uitgaven: over te dragen fiscale voordelen afschaffen, rekening houdende met bestaande gunstmaatregelen (subsidies, premies, belastingmaatregelen, enz.)

Eerste optie: Uitgebreide opcentiemen: 35,017. opcentiemen heffen (op basis van voorstel bijzondere financieringswet), Fiscale uitgaven: huidige fiscale voordelen bestendigen

Wat houdt deze optie in? Uitgebreide opcentiemen: De federale overheid verlaagt de PB-tarieven met 25,935% (100 euro federale PB => circa 74,065 euro federale PB). Bij ongewijzigd beleid, heft Vlaanderen ongeveer 35,017 %. opcentiemen (74,065 * 0,35017 = circa 25,935 euro Vlaamse PB), zodat de belastingdruk behouden blijft. Fiscale uitgaven: Bij ongewijzigd beleid, bestendigt Vlaanderen de huidige fiscale voordelen. Een overzicht van deze voordelen is opgenomen in de bijlagen, p 1, samen met een verwijzing naar hun bespreking in de andere titels van dit Groenboek. Wat de aftrek enige woning betreft, voorziet het voorstel van bijzondere financieringswet in een technische beperking waardoor Vlaanderen dit voordeel (macro-economisch) enkel kan bestendigen onder de vorm van een belastingvermindering (voor zover deze betrekking heeft op de eigen woning). Het blijft onduidelijk wanneer en of de federale regering de bestaande belastingaftrek zal omvormen.

Wat zijn de effecten? De effecten van de opcentiemen en fiscale voordelen kan worden geanalyseerd dankzij het microsimulatiemodel FANTASI. Dit is een belangrijk instrument voor de ontwikkeling van fiscaal beleid en de raming van budgettaire effecten voor de burgers én de overheid.

Hoe wordt dit organisatorisch uitgewerkt? Zoals reeds aangegeven, blijven de processen bij de FOD Financiën (incl. klachtenbehandeling). De inkanteling is dus beperkt tot het beleid. Uitgebreide opcentiemen: het departement F&B. Fiscale uitgaven: In lijn met het Vlaamse bestuursstelsel lijkt een geïntegreerde aanpak aangewezen waarbij het departement F&B coördineert en samen met de andere beleidsdomeinen nagaat welke doelstellingen zij willen nastreven met gebruikmaking van fiscale instrumenten. Dergelijke aanpak is aangewezen omdat niet elke beleidsdoelstelling

15


kan worden nagestreefd met een fiscale maatregel, vanwege Europeesrechtelijke, nationaalrechtelijke en technische beperkingen. Het departement F&B is ook de aangewezen partner voor een inschatting van de begrotingsimpact en de controle van afrekeningen.

Tweede optie: Uitgebreide opcentiemen: opcentiemen differentiëren, belastingschijven aanpassen Fiscale uitgaven: voorwaarden fiscale voordelen aanpassen, rekening houdende met bestaande gunstmaatregelen (subsidies, premies, belastingmaatregelen, enz.)

Uitgebreide opcentiemen: Vlaanderen krijgt de mogelijkheid om gedifferentieerde opcentiemen per belastingschrijf te heffen. De regio’s kunnen dus verschillende opcentiemen per belastingschijf toepassen, maar kunnen ook de belastingschrijven zelf naar eigen inzicht indelen voor de heffing van de opcentiemen. De progressiviteitsregel blijft evenwel behouden, maar wordt versoepeld (90%regel en 1.000 euro-regel). De 6,75%-regel wordt daarentegen afgeschaft. Fiscale uitgaven: Vlaanderen wordt exclusief bevoegd voor een reeks van fiscale voordelen. Deze maatregelen worden gekenmerkt door voorwaarden. Vlaanderen kan voorwaarden aanpassen, schrappen of toevoegen in functie van haar beleidsdoelstellingen, en rekening houdende met bestaande beleidsinstrumenten en gunstmaatregelen (zie bijlagen p 1, voor een verwijzing naar de titels waar de alternatieven per maatregel nader worden geanalyseerd). Deze wijzigingen kunnen al dan niet worden gereflecteerd in de opcentiemen.

Derde optie: Fiscale uitgaven: nieuwe fiscale voordelen invoeren, rekening houdende met bestaande gunstmaatregelen (subsidies, premies, belastingmaatregelen, enz.)

Fiscale uitgaven: Vlaanderen kan nieuwe fiscale voordelen invoeren binnen haar bevoegdheden, rekening houdende met bestaande beleidsinstrumenten en gunstmaatregelen, doch kan dit uitsluitend onder de vorm van belastingverminderingen en belastingkredieten. Vlaanderen mag in geen geval de belastbare basis wijzigen en dient hierbij rekening te houden met het principe van progressiviteit.

Vierde optie: Fiscale uitgaven: over te dragen fiscale voordelen afschaffen, rekening houdende met bestaande gunstmaatregelen (subsidies, premies, belastingmaatregelen, enz.)

Fiscale uitgaven: Vlaanderen kan over te dragen fiscale voordelen afschaffen, rekening houdende met bestaande beleidsinstrumenten en gunstmaatregelen.

16


HOOFDSTUK 2. OPENBAAR AMBT Afdeling 1. Ambtenarenzaken Wat zal er veranderen aan de Vlaamse bevoegdheid? 

Vóór de zesde staatshervorming

-

Art. 87, §3, Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 op de Hervorming der Instellingen (hierna “BWHI” te noemen): geen over te dragen bevoegdheid: de Vlaamse Regering is al bevoegd voor de bepaling van het personeelsstatuut, met uitzondering van de pensioenregeling.

-

Art. 87, §4, BWHI: conform dit artikel bepaalt het APKB die algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van het Rijkspersoneel die van toepassing zullen zijn op het personeel van de Gemeenschappen en Gewesten, evenals op het personeel van de publiekrechtelijke rechtspersonen die afhangen van de Gemeenschappen en de Gewesten, met uitzondering van het personeel bedoeld in artikel 17 van de Grondwet (onderwijs). Deze bepaling van algemene principes van het administratief en geldelijk statuut in het APKB is geen over te dragen bevoegdheid maar een bevoegdheid die vervalt door afschaffing van het APKB De Vlaamse Regering is enkel verplicht een samenwerkingsakkoord te sluiten met de federale regering en de regeringen van de andere Gemeenschappen en de Gewesten over de maxima van de wedden, omwille van de impact op de pensioenen.

-

artikel 87, §2, BWHI: [“Iedere regering stelt de personeelsformatie vast van haar administratie en doet de benoemingen. Dit personeel wordt aangeworven door bemiddeling van het Vast Secretariaat voor werving van het Rijkspersoneel. Het legt de eed af overeenkomstig de wettelijke bepalingen, in handen van de overheid die de Regering daartoe aanwijst.”].

art. 87, §2, tweede lid, BWHI bepaalt dus dat de ambtenaren bij de ministeries van de gemeenschappen en gewesten de eed moeten afleggen overeenkomstig de wettelijke bepalingen. De Raad van State interpreteert deze bepaling zo dat de ambtenaren bij de ministeries van de gemeenschappen en gewesten de eed moeten afleggen volgens de eedformule die is opgenomen in het decreet van 20 juli 1831 ("Ik zweer getrouwheid aan de Koning en gehoorzaamheid aan de Grondwet en de wetten van het Belgische volk") en die geen rekening houdt met de staatshervormingen die ondertussen zijn doorgevoerd. Voor de ambtenaren bij de agentschappen met rechtspersoonlijkheid, de Vlaamse lokale besturen en de personeelsleden van de Vlaamse onderwijssector kan de Vlaamse overheid zelf de eedformule bepalen, voor de ambtenaren bij de ministeries niet (zie in dit verband het advies van de Raad van State nr. 39.284/3 van 8 november 2005 m.b.t. het voorontwerp van decreet betreffende de eed van de personeelsleden van de Vlaamse overheid). Deze bepaling is ondertussen achterhaald. De ambtenaren van de deelstaten ressorteren namelijk niet onder de Koning, maar onder de bevoegde gemeenschaps- of gewestregering. De gemeenschappen en gewesten zouden dan ook zelf de eedformule voor hun ambtenaren moeten kunnen bepalen. Artikel 192 van de Grondwet bepaalt: “Geen eed kan worden opgelegd dan krachtens de wet. Deze stelt de formule vast.” Het woord “wet” beoogt slechts de verticale taakverdeling tussen de wetgevende en uitvoerende macht. De bevoegdheden die

17


volgens de grondwetsartikelen van vóór 1 oktober 1980 bij wet moeten worden geregeld zijn niet meer uitdrukkelijk voorbehouden aan de federale wetgever. Het betreft aangelegenheden die als accessorium vervat liggen in de uitdrukkelijk aan de Gemeenschappen en Gewesten toegewezen bevoegdheden, vb. de vaststelling van het personeelsstatuut van hun personeel. Deze bepaling in de GW vormt bijgevolg geen bezwaar om de bevoegdheid tot vaststelling van de eedformule toe te kennen aan de Gemeenschappen en Gewesten, wat het personeel van hun diensten betreft (door de schrapping van art. 87, §2, tweede lid van de BWHI). -

Conform artikel 87, §2 van de BWHI is de bemiddeling van Selor verplicht bij de aanwerving van statutaire personeelsleden voor de departementen en de IVA’s zonder rechtspersoonlijkheid van de Vlaamse overheid. Door middel van een samenwerkingsprotocol dat werd afgesloten tussen Selor en de Vlaamse Regering, voert Jobpunt Vlaanderen deze selectieprocedures in de praktijk uit. Jobpunt Vlaanderen werd hiertoe aangeduid door de Vlaamse Regering. Het protocol met Selor vormde een tussentijdse oplossing in afwachting van een finale bevoegdheidsoverdracht. Gelet op het feit dat er nog geen definitieve bevoegdheidsoverdracht gebeurde, bleef de juridische eindverantwoordelijkheid voor de uitvoering van deze procedures tot op heden bij Selor liggen. Om die reden moest de Vlaamse overheid zich er ook toe engageren om deze statutaire selectieprocedures uit te voeren conform de bepalingen uit het protocol en een kwaliteitshandboek dat hier deel van uitmaakt. Op heden voert Selor geen enkele selectieprocedure voor de Vlaamse ministeries meer uit. Een overdracht van middelen voor de uitvoering van deze taken gebeurde evenwel nog niet (zie ook later). Dit omdat de juridische eindverantwoordelijkheid bij Selor bleef berusten. Gelet op de vereiste om te werken volgens het protocol en kwaliteitshandboek, kan de Vlaamse overheid m.a.w. op heden nog niet zelf een beleid voeren m.b.t. de statutaire selectieprocedures voor de Vlaamse ministeries.

Na de zesde staatshervorming

Tekst institutioneel akkoord (p. 46-47): “Openbaar ambt: Door aanpassing van de bijzondere wet op de hervorming der instellingen krijgen de deelstaten de bevoegdheid over het administratief en geldelijk statuut van hun ambtenarenkorps. De overheden zullen gezamenlijk samenwerkingsakkoorden sluiten over kwesties van globaal belang en zullen dit, verplicht, in het bijzonder doen voor wat betreft de maxima van de weddes, omwille van de impact op de pensioenen. De mobiliteit tussen de verschillende entiteiten zal mogelijk blijven.”

Voorgestelde wetteksten:  Wijziging artikel 87, § 3 en § 4, BWHI: “§ 3. Onverminderd § 4, stellen… de Gemeenschappen en de Gewesten stellen de regeling vast die betrekking heeft op het administratief en geldelijk statuut van hun vast, tijdelijk en hulppersoneel, met uitzondering van de pensioenregeling. Inzake de pensioenregeling is hun personeel onderworpen aan de wettelijke en statutaire regelen die van toepassing zijn op het vast, tijdelijk en hulppersoneel van het Rijk. Er kan een beroep worden gedaan op een ambtenaar van een andere overheid onder de voorwaarden vastgesteld door het statuut dat het personeel beheerst dat onder de benoemende overheid ressorteert. Onverminderd een eventueel Samenwerkingsakkoord dat in andere modaliteiten van overgang voorziet, kan de andere overheid aan de betrokken ambtenaar een opzegperiode van ten hoogste drie maanden opleggen § 4. Een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, genomen na advies van de Regeringen, wijst die algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van het Rijkspersoneel aan,

18


welke van rechtswege van toepassing zullen zijn op het personeel van de Gemeenschappen en de Gewesten, evenals op het personeel van de publiekrechtelijke rechtspersonen die afhangen van de Gemeenschappen en de Gewesten, met uitzondering van het personeel bedoeld in artikel 17 van de Grondwet. § 4. De gemeenschappen en de gewesten leggen de procedures, voorwaarden en regels vast volgens dewelke er een beroep kan worden gedaan op uitzendarbeid in hun diensten, in de publiekrechtelijke rechtspersonen die afhangen van de gemeenschappen en de gewesten met inbegrip van de instellingen bedoeld in artikel 24 van de Grondwet, in de ondergeschikte besturen en in de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, gebruik gemaakt kan worden van uitzendarbeid.”

 Wijziging artikel 9 BWHI: “In de aangelegenheden die tot hun bevoegdheid behoren, kunnen de Gemeenschappen en de Gewesten gedecentraliseerde diensten, instellingen en ondernemingen oprichten of kapitaalsparticipaties nemen. Het decreet kan aan voornoemde organismen rechtspersoonlijkheid toekennen en hun toelaten kapitaalsparticipaties te nemen. Onverminderd artikel 87, § 4 regelt het Het decreet regelt hun oprichting, samenstelling, bevoegdheid, werking en toezicht.”

-

Art. 87, §3, BWHI (personeelsstatuut): geen over te dragen bevoegdheid, geen effect Art. 87, §4, BWHI (APKB): De Vlaamse Regering krijgt door de afschaffing van het APKB een grotere vrijheid bij het bepalen van het personeelsstatuut. Evenwel moet volgens de huidige interpretatie van de federale overheid de Vlaamse Regering zelf zorgen voor de afschaffing van het APKB .Er moet wel een samenwerkingsakkoord gesloten worden met de federale regering en de regeringen van de andere Gemeenschappen en Gewesten m.b.t. de maxima van de wedden.

 -

-

-

-

-

Wat moet nog besproken worden?

Door de vermelde aanpassing van de BWHI wordt artikel 87, §4, vervangen. De vorige versie waarin het APKB uitdrukkelijk vermeld wordt, valt weg. Het APKB heeft geen rechtsgrond meer in de BWHI; dit kan niet meer toegepast worden en moet opgeheven worden door de federale overheid. Regel wetgevingstechniek: het uitvoeringsbesluit van de opgeheven tekst kan niet meer toegepast worden en de steller moet het uitdrukkelijk opheffen .Er wordt in de toelichting vermeld dat de gemeenschappen en gewesten elk voor zich het APKB kunnen opheffen of er wijzigingen in kunnen aanbrengen . De federale overheid moet deze juridische redenering verduidelijken waarom de bevoegdheid tot afschaffen aan de gemeenschappen en gewesten overgelaten wordt . Daarenboven laat de federale overheid door deze techniek de “ruimte” voor gemeenschappen en gewesten om slechts wijzigingen aan te brengen aan het APKB ipv het af te schaffen . Wat is de relatie of zijn de plannen met de zogenaamde "minimale rechten" bepaald in het vakbondsstatuut en uitvoerend KB die beperkingen opleggen aan de autonomie om de eigen rechtspositieregeling te bepalen? De autonomie voor werving van personeelsleden kadert sensu lato binnen de autonomie voor eigen rechtspositieregeling maar het institutioneel akkoord noch de BWHI bevat een tekst over Selor. Het institutioneel akkoord bevat geen expliciete bepaling over de schrapping van het tweede lid van artikel 87, §2, BWHI. De navolgende teksten (opties) gaan zowel voor de eed als voor Selor (art 87 §2 BWHI) ervan uit dat dit nog bespreekbaar is als amendement bij de teksten BWHI.

19


Aandachtspunten

-

Wat APKB betreft: Geen directe risico's: verruiming bevoegdheid inzake personeelsbeleid Vlaamse overheid.;zelf discussie aangaan met vakbonden over afschaffing of mogelijks aanpassing (!) APKB indien federale overheid bij haar standpunt blijft . Het verdwijnen van een gemeenschappelijke sokkel als bindingselement tussen de verschillende overheden in België is een logisch gevolg van de autonomie Gemeenschappen/Gewesten

-

Wat de uitvoering van de taken van Selor betreft: De uitvoering van de statutaire selectieprocedures voor de ministeries wordt, zoals eerder aangehaald, nu al opgenomen binnen de Vlaamse overheid, meer bepaald door Jobpunt Vlaanderen. In zoverre de uitvoering van deze selectieprocedures hier blijft liggen, lijken de risico’s eerder beperkt te zijn gelet op de continuïteit van de as-is situatie: Jobpunt Vlaanderen heeft expertise, ervaring en tools in huis om deze opdrachten uit te voeren.

-

Wat de overdracht van middelen m.b.t. Selor betreft zouden zich volgende risico’s kunnen voordoen  Er worden geen middelen overgedragen naar de Vlaamse overheid: Hoewel tot nu toe op de definitieve bevoegdheidsoverdracht werd gewacht voor de overdracht van middelen bestaat het risico dat men dit nu evenwel niet toepast. Het protocol met Selor bestaat immers reeds lange tijd bestaat en de praktijk van de uitvoering van deze procedures door de Vlaamse overheid zelf wordt als een normale praktijk ingeschat.  Er worden onvoldoende middelen overgedragen naar de Vlaamse overheid. Dit zou het geval kunnen zijn • wanneer voor de berekening van de over te dragen middelen niet de juiste referentieperiode wordt gebruikt. Aangezien Jobpunt Vlaanderen middels het protocol met Selor reeds sinds midden 2009 de statutaire selectieprocedures voor de Vlaamse ministeries uitvoert is een juiste referentieperiode het jaar 2008. • gelet op het feit dat de boekhouding van Selor een andere onderverdeling kent dan in termen van apparaatskredieten, beleidskredieten, enz. Er moet de nodige transparantie zijn met betrekking tot de investeringen die Selor destijds deed voor de uitvoering van deze opdrachten, inclusief een deel van de overkoepelende kosten die Selor droeg en die niet enkel toe te wijzen zijn aan de Vlaamse overheid (vb. infrastructuur, testinfrastructuur, testlicenties,…).  gelet op het feit dat Selor in de referteperiode kampte met wachtlijsten die opliepen tot 2 jaar. Hieruit blijkt dat de ingezette middelen van Selor op dat moment onvoldoende waren en er in feite meer middelen nodig zouden zijn voor het uitvoeren van de taken. Dit zal echter zeer moeilijk in kaart te brengen zijn. Wat de bevoegdheid voor het vaststellen van de eedformule betreft: Men kan het uiteengroeien van de tekst van de eedformule bezwaarlijk een echt risico noemen. Mogelijks ligt het schrappen van de "trouw aan de Koning" in bv. een Vlaamse eedformule gevoelig. Hoewel de uitdrukking “wetten van het Belgische volk” een materiële betekenis heeft is het aangewezen om de eedformule algemener en objectiever te formuleren voor het personeel van de diensten van de Gemeenschappen en Gewesten.

-

20


Welke nieuwe beleidsopties kan Vlaanderen nemen met betrekking tot het APKB? Optie 1 (Nuloptie): het VPS wordt ongewijzigd behouden; de afschaffing van de algemene principes creëert andere mogelijkheden voor het personeelsbeleid maar het is geen verplichting om de arbeidsvoorwaarden (VPS) aan te passen. Optie 2: het personeelsbeleid en het VPS worden (in globo of gefaseerd) aangepast aan de ruimere mogelijkheden om een andere inhoud aan de arbeidsvoorwaarden te geven.

Eerste optie (nuloptie)

Het modern HR-beleid wordt verder uitgevoerd binnen de grenzen van het (voormalig) APKB en het VPS blijft ook rekening houden met deze grenzen.

Tweede optie: het personeelsbeleid en het VPS worden (in globo of gefaseerd) aangepast aan de ruimere mogelijkheden om een andere inhoud aan de arbeidsvoorwaarden te geven.

Het APKB wordt opgeheven.(geen rekening meer mee houden voor de toekomst) Deze opheffing heeft belangrijke gevolgen voor het personeelsbeleid dat de Vlaamse Overheid kan voeren. Op tal van domeinen verwerft de Vlaamse Overheid bevoegdheden inzake het openbaar ambt. Algemeen: geen verplichting meer om voorrang te geven aan de statutaire tewerkstellingsvorm. De Vlaamse overheid beslist zelf hoe zij de verschillende tewerkstellingsvormen t.a.v. elkaar positioneert; geen verplichte aanwerving meer van contractuelen binnen de categorieën bijkomende of specifieke opdrachten, tijdelijke en uitzonderlijke personeelsbehoeften, vervangingsopdrachten en hooggekwalificeerde betrekkingen. De Vlaamse overheid bepaalt zelf in welke gevallen contractuele werving mogelijk is; geen verplicht gebruik meer van uitsluitend de statutaire en de contractuele tewerkstellingsvorm. Uitzendarbeid wordt een derde mogelijkheid (waarbij evenwel nog arbeidsrechtelijke regelingen nodig zijn om hiervan performant gebruik te kunnen maken); de Vlaamse overheid kan voor de statutaire en contractuele betrekkingen zelf de toelaatbaarheidsvereisten bepalen (opgelet voor effecten inzake de pensioenregeling statutairen – zie verder). Rechten, plichten, onverenigbaarheden, cumulatie van activiteiten: op basis van het APKB had de Vlaamse overheid al de mogelijkheid om in haar statuut de rechten, de plichten, de onverenigbaarheden en de voorwaarden inzake cumulatie te bepalen, al legde het APKB hierbij nog wel bepaalde regels op. Deze regels verdwijnen nu ook, zodat de bewegingsruimte groter wordt. Werving en stage: de Vlaamse overheid kan zelf de aanwervingsvoorwaarden bepalen. De vereiste van het diplomabezit dat overeenkomt met het niveau van de vacature, was in het APKB al afgezwakt (twee afwijkingsmogelijkheden), maar de afwijkingen kunnen nu door de Vlaamse overheid nog worden verruimd;(ter info: indien geen diplomavoorwaarde meer wordt bepaald, kan er in de pensioenregeling statutairen geen diplomabonificatie verleend worden).

21


-

de Vlaamse overheid wordt volledig bevoegd voor de wijze van bekendmaking van vacatures (geen verplichte bekendmaking in BS meer); de Vlaamse overheid kan de hoedanigheid (ambtenaar of niet) en de rechtspositieregeling van de statutaire stagiairs zelf bepalen (bvb. wijze van beĂŤindiging - negatief geĂŤvalueerde stage).

Loopbaan: de verplichte indeling van de betrekkingen in niveaus vervalt (ter info: relatie met het samenwerkingsakkoord dat maxima per niveau zal bepalen; kan ook problemen geven bij diplomabonificatie); het statuut bepaalde al de algemene regels inzake bevorderingsvoorwaarden- en procedures, zij het met in acht name van bepaalde door het APKB opgelegde regels. Deze regels vervallen, waardoor er meer bewegingsvrijheid is; bij een negatieve evaluatie met rechtsgevolgen is er geen verplichte beroepsprocedure meer bij een commissie met ten minste adviesbevoegdheid; er is geen verplichte paritaire samenstelling meer van de voormelde beroepscommissie. Tuchtregeling: de Vlaamse overheid kan zelf de soorten tuchtstraffen bepalen (er is geen verplichte keuze meer uit de in het APKB opgesomde soorten, maar er moet rekening gehouden worden met de pensioenregeling statutairen die bepaalt dat er verlies van pensioenrechten is in de ambtenarenregeling bij de hoogste tuchtrechtelijke straf); het statuut mocht nu al de nadere reglementering m.b.t. de tuchtstraffen (voorwaarden, gevolgen, procedure, waarborgen, termijnen van uitspraak, verjaring en doorhaling) bepalen. Het APKB stelde hieraan evenwel begrenzingen, die verdwijnen voor zover zij niet ingevolge algemene rechtsbeginselen of beginselen van behoorlijk bestuur moeten worden gehandhaafd (bvb. mogelijkheid om zich door een verdediger te laten bijstaan); er is geen verplichting meer om een administratieve beroepsmogelijkheid bij een commissie met ten minste adviesbevoegdheid te organiseren; ingeval een administratieve beroepscommissie bestaat is de Vlaamse overheid zelf bevoegd voor de samenstelling. Schorsing in het belang van de dienst: het statuut mocht op grond van het APKB al de regels voor de schorsing in het belang van de dienst bepalen. Het APKB legde hierin evenwel beperkingen op, die nu verdwijnen (bijv. geen recht meer op beroep bij een commissie met ten minste adviesbevoegdheid). Administratieve standen: de regels inzake jaarlijks vakantieverlof, moederschapsbescherming, ziektebescherming, maximale arbeidstijd kunnen door de Vlaamse overheid worden bepaald, zonder verdere link aan federaal bepaalde minima, maar wel nog steeds met in acht name van andere externe rechtsbronnen dan het APKB (zoals bvb. Europese regelgeving inzake vakantieverlof, de Arbeidswet inzake moederschapsbescherming, de Arbeidswet overheidssector van 14 december 2000 m.b.t. de gemiddelde arbeidstijd per week); de Vlaamse overheid mag voor de ambtenaren zelf de gevolgen bepalen van de georganiseerde werkonderbrekingen; er is geen verplichting meer om voor nieuwe verloven met (eventuele) gevolgen voor de pensioenen, een voorafgaand pensioenakkoord te vragen aan de federale overheid, of om de federale overheid van deze verloven in te lichten (tenzij de pensioenreglementering dit zelf verder oplegt).

22


Verlies van hoedanigheid van ambtenaar en definitieve ambtsneerlegging: de Vlaamse overheid bepaalt zelf in welke gevallen ontslag als ambtenaar mogelijk is en volgens welke modaliteiten, inclusief verlies van de hoedanigheid van ambtenaar vóór de normale pensioenleeftijd (bijv. bepaling in welke gevallen ontslag met of zonder opzegging mogelijk is); het statuut bepaalt volledig zelf de gevolgen van afschaffing van betrekking (bvb. mate van in aanmerking neming van de reaffectatieperiode voor de administratieve en geldelijke anciënniteit); bij ontslag wegens definitief vastgestelde beroepsongeschiktheid is er geen verplichte beroepsmogelijkheid meer bij een commissie met ten minste adviesbevoegdheid. Geldelijk statuut: het statuut bepaalt zelf de bezoldigingsregeling voor statutair en contractueel personeel, weliswaar met in acht name van het samenwerkingsakkoord inzake de maximumwedde (zie hierna); er wordt geen minimumweddenschaal per niveau meer opgelegd; de waarborgen inzake minimumbezoldiging, vakantiegeld en eindejaarstoelage die het APKB nu oplegt via een link aan de federale ambtenarenregeling, verdwijnen (in afdeling 5 wordt ingegaan op de ‘minimale rechten’ en de ‘referentiepunten’; er moet nog nagegaan worden of deze de vrijgekomen autonomie, door afschaffen AP-KB, niet terugdraait); het principe van de toekenning aan de contractuelen van de weddeschaal, het gewaarborgd minimumloon, het vakantiegeld, de eindejaarstoelage en de vergoedingen, toelagen en premies waarop de ambtenaar met hetzelfde of een gelijkwaardig ambt recht heeft, is niet langer geformaliseerd, maar in het kader van de non-discriminatie en de alignering van het statutaire en contractuele stelsel is het logisch dat dit principe na afschaffing van het APKB verder wordt in acht genomen. De verruimde bevoegdheid inzake personeelsbeleid waarvan in globo of gefaseerd door de Vlaamse overheid (VO) gebruik gemaakt wordt, heeft in een volgende fase meer dan waarschijnlijk invloed op de rechtspositieregeling voor de lokale besturen.

Welke nieuwe beleidsopties kan Vlaanderen nemen met betrekking tot Selor? Optie 1 (Nuloptie): Continuering van de huidige situatie binnen het protocol met Selor. Definitieve overdracht van de bevoegdheden, waardoor het bestaande protocol met Selor vervalt. Er gebeurt een definitieve bevoegdheidsoverdracht t.a.v. Jobpunt Vlaanderen voor wat betreft de uitvoering van de statutaire selectieprocedures voor de Vlaamse ministeries. Voor de IVA’s met rechtspersoonlijkheid en de EVA’s blijft er vrijheid van selector gelden voor de uitvoering van statutaire en contractuele selectieprocedures; voor de ministeries blijft de vrijheid van selector gelden voor de uitvoering van de contractuele selectieprocedures. Optie 2: Definitieve overdracht van de bevoegdheden, waardoor het protocol vervalt. Aangezien de Vlaamse Regering Jobpunt Vlaanderen specifiek in het kader van het protocol aanstelde voor de uitvoering van deze procedures kan, eens het protocol vervalt, het principe van vrijheid van selector van toepassing worden op de uitvoering van deze procedures, net zoals voor de contractuele selectieprocedures van de Vlaamse ministeries en de contractuele en statutaire selectieprocedures voor de IVA’s met rechtspersoonlijkheid en de EVA’s. Optie 3: Definitieve overdracht van de bevoegdheden, waardoor het bestaande protocol met Selor vervalt. Er gebeurt een definitieve bevoegdheidsoverdracht t.a.v. Jobpunt

23


Vlaanderen voor wat betreft de uitvoering van de statutaire en/of contractuele selectieprocedures voor de volledige Vlaamse overheid. Dit impliceert dat ook voor de IVA’s met rechtspersoonlijkheid en de EVA’s er geen vrijheid van selector meer is (voor de statutaire en/of de contractuele vacatures, afhankelijk van de gekozen optie).

Eerste optie

Definitieve overdracht van de bevoegdheden, waardoor het bestaande protocol met Selor vervalt. Er gebeurt een definitieve bevoegdheidsoverdracht t.a.v. Jobpunt Vlaanderen voor wat betreft de uitvoering van de statutaire selectieprocedures voor de Vlaamse ministeries. Voor de IVA’s met rechtspersoonlijkheid en de EVA’s blijft er vrijheid van selector gelden voor de uitvoering van statutaire en contractuele selectieprocedures, voor de ministeries blijft de vrijheid van selector gelden voor de uitvoering van de contractuele selectieprocedures. Deze optie vormt in feite een continuering van de huidige situatie binnen het protocol met Selor. Gelet op de mogelijke risico’s die gepaard gaan met een toepassing van het principe van vrijheid van selector (zie tweede optie) en de expertise die Jobpunt Vlaanderen in dit kader uitbouwde (aangezien zij de statutaire selectieprocedures voor de Vlaamse ministeries reeds uitvoert in het kader van het protocol met Selor), is het een logische optie om de bevoegdheid voor de uitvoering van de statutaire selectieprocedures voor de Vlaamse ministeries bij Jobpunt Vlaanderen te behouden. In deze optie blijft er voor de IVA’s met rechtspersoonlijkheid en de EVA’s van de Vlaamse overheid vrijheid van selector bestaan. Enerzijds kan dit minder logisch lijken, aangezien er op dat moment geen volledige consistentie is in de gemaakte keuzes binnen de Vlaamse overheid en voor wat betreft de wijze van uitvoering van de statutaire selectieprocedures. Anderzijds geldt voor deze entiteiten ook nu reeds de vrijheid van selector voor de uitvoering van statutaire selectieprocedures en zou het eveneens minder evident kunnen zijn om dit aan te passen.

Tweede optie

Definitieve overdracht van de bevoegdheden, waardoor het protocol vervalt. Aangezien de Vlaamse Regering Jobpunt Vlaanderen specifiek in het kader van het protocol aanstelde voor de uitvoering van deze procedures kan, eens het protocol vervalt, het principe van vrijheid van selector van toepassing worden op de uitvoering van deze procedures, net zoals voor de contractuele selectieprocedures van de Vlaamse ministeries en de contractuele en statutaire selectieprocedures voor de IVA’s met rechtspersoonlijkheid en de EVA’s. De vrijheid van selector heeft positieve en negatieve gevolgen. Negatieve gevolgen zijn: versnippering van bevoegdheid; de minder grote garantie op een gelijkwaardige uitvoering van selectieprocedures over de verschillende entiteiten heen, rekening houdend met de specifieke noden van de diverse entiteiten, alhoewel dit risico gemilderd zou kunnen worden door de kwaliteitscriteria voor selectoren; de opbouw van de vereiste expertise binnen de diverse entiteiten, hetgeen een belangrijke investering vraagt van de Vlaamse overheid (investering in het aantrekken en opleiden van werknemers zodat zij de juiste competenties hebben); de grotere investering qua infrastructuur (testlokalen, testcomputers, testlicenties, enz.) wanneer elke entiteit afzonderlijk de juiste locaties en tools moet voorzien om kandidaten te kunnen screenen;

24


-

Jobpunt Vlaanderen heeft reeds expertise, ervaring, tools,… die dan mogelijk onderbenut worden; … Voordelen zijn: een volledige vrijheid in de keuze van selector; het uitbouwen van capaciteit binnen verschillende entiteiten van de Vlaamse overheid; minder centralisering werklast (kortere doorlooptijden) …

Derde optie

Definitieve overdracht van de bevoegdheden, waardoor het bestaande protocol met Selor vervalt. Er gebeurt een definitieve bevoegdheidsoverdracht t.a.v. Jobpunt Vlaanderen voor wat betreft de uitvoering van de statutaire en/of contractuele selectieprocedures voor de volledige Vlaamse overheid. Dit impliceert dat ook voor de IVA’s met rechtspersoonlijkheid en de EVA’s er geen vrijheid van selector meer is (voor de statutaire en/of de contractuele vacatures, afhankelijk van de gekozen optie). Gelet op de mogelijke risico’s die gepaard gaan met de toepassing van het principe van vrijheid van selector (zie tweede optie) en de expertise die Jobpunt Vlaanderen in dit kader uitbouwde (aangezien zij de statutaire selectieprocedures voor de Vlaamse ministeries reeds uitvoert in het kader van het protocol met Selor), is het een logische optie om de bevoegdheid voor de uitvoering van de (statutaire) selectieprocedures voor de Vlaamse ministeries bij Jobpunt Vlaanderen te behouden. In deze optie is er ook voor de IVA’s met rechtspersoonlijkheid en de EVA’s van de Vlaamse overheid geen vrijheid van selector meer voor de uitvoering van statutaire en/of contractuele selectieprocedures (naargelang de gekozen optie), waar dit nu wel het geval is. Dan is er een grotere consistentie in de gemaakte keuzes binnen de Vlaamse overheid en voor wat betreft de wijze van uitvoering van de statutaire selectieprocedures. In diezelfde zin zou overwogen kunnen worden om ook voor de contractuele selectieprocedures van de Vlaamse overheid te voorzien dat deze via Jobpunt Vlaanderen moeten verlopen. Wat betreft de overdracht van de middelen zijn verschillende opties mogelijk in het kader van de verschillende scenario’s die hierboven werden uitgewerkt: Overdracht van de middelen t.a.v. Jobpunt Vlaanderen Overdracht van de middelen t.a.v. de entiteiten van de VO (Vlaamse ministeries, DVO en/of alle entiteiten van de Vlaamse overheid). Het lijkt daarbij logischer te zijn om de middelen te herverdelen naar de entiteiten van de Vlaamse overheid (naargelang de scope die gevat wordt door de gekozen optie), aangezien recent werd beslist tot een overschakeling van een dotatie- naar een facturatiemodel voor Jobpunt Vlaanderen. Het overdragen van de middelen naar Jobpunt Vlaanderen zou in feite terug resulteren in de toekenning van een dotatie, hetgeen minder logisch is gelet op deze eerdere beslissing.

Welke nieuwe beleidsopties kan Vlaanderen nemen met betrekking tot de eed? Optie 1 (Nuloptie): De VO blijft de wettelijke bepalingen van de eedformule gebruiken voor de ambtenaren (en eventueel contractuele personeelsleden) DVO (i.t.t. lokale besturen en onderwijs). Optie 2: De VO stemt haar eedformule voor de ambtenaren (en eventueel contractuele personeelsleden) DVO af op deze voor de lokale besturen en het onderwijs.

25


Optie 3: De VO blijft de wettelijke bepalingen van de eedformule gebruiken voor de ambtenaren (en eventueel contractuele personeelsleden) DVO en de lokale besturen en onderwijs passen hun eedformule aan deze wettelijke bepalingen aan. Optie 4: Geen eedformule opleggen aan de ambtenaren DVO maar de loyauteitsverklaring van de contractuelen overnemen. De verplichting van een eedformule fungeert evenwel ook in andere (federale) reglementeringen zoals pensioenen; er is tevens een verband met strafrechtelijke bepalingen.

26


Afdeling 2. Uitzendarbeid Wat zal er veranderen aan de Vlaamse bevoegdheid? 

Vóór de zesde staatshervorming

De regels inzake uitzendarbeid die vandaag van toepassing zijn op de diensten van de Vlaamse overheid, de lokale besturen (en het onderwijs) zijn opgenomen in de wet van 24.07.1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers. De uitzendarbeid is geregeld binnen de federale bevoegdheid inzake het arbeidsrecht. Wat de diensten van de Vlaamse overheid betreft, moet daarbij ook rekening worden gehouden met het APKB. Doordat dit APKB alleen contractuele tewerkstelling toelaat voor zover de overheid zelf als contractueel werkgever optreedt (en bij uitzendarbeid niet de Vlaamse overheid, maar de uitzendorganisatie contractueel werkgever is), blokkeert dit APKB voor de diensten van de Vlaamse overheid op heden de inschakeling van gelijk welke vorm van uitzendarbeid, zelfs wanneer deze vorm arbeidsrechtelijk al mogelijk is. Vormen van uitzendarbeid die op heden arbeidsrechtelijk mogelijk zijn bij de DVO, bij de lokale besturen en bij het onderwijs (maar die vanwege het APKB nog niet bij de DVO kunnen worden toegepast): de tijdelijke vervanging van een contractueel personeelslid van wie de uitvoering van de arbeidsovereenkomst is geschorst (bv. voltijdse loopbaanonderbreking); de tijdelijke vervanging van een contractueel personeelslid dat zijn prestaties voor bepaalde tijd heeft verminderd (deeltijdse loopbaanonderbreking). Vormen van uitzendarbeid die nog niet door de DVO en de lokale besturen mogen worden toegepast: de tijdelijke vermeerdering van werk (nog geen arbeidsrechtelijke regeling voor overheidssector); het uitzonderlijk werk (nog geen arbeidsrechtelijke regeling voor overheidssector); de tijdelijke vervanging van een contractueel personeelslid van wie de arbeidsovereenkomst is beëindigd (nog geen arbeidsrechtelijke regeling voor overheidssector); de tijdelijke vervanging van ambtenaren die hun functie niet of slechts deeltijds uitoefenen (de federale overheid besliste dat zolang er geen uitvoeringsbesluiten zijn voor de vormen die nog arbeidsrechtelijk geregeld moeten worden, er ook geen gebruik mag worden gemaakt van deze laatste vorm, hoewel die al bij wet van 24.07.1987 werd geregeld); terbeschikkingstelling met het oog op een indienstneming in een vacature. Tot slot moet worden gewezen op Flexpunt dat een ad hoc oplossing biedt voor het niet kunnen beroep doen op uitzendarbeid. Toepasselijke federale regelgeving: Overheidsadministratie (DVO): Wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers; APKB (= KB van 22 februari 2000 tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de Colleges van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie, alsook op de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen.

27


Lokale besturen: Wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers.

Na de zesde staatshervorming

Tekst institutioneel akkoord (p. 31): “Uitzendarbeid: • Alle arbeidsrechtelijke bepalingen die de uitzendarbeid regelen blijven federaal ; • de Gewesten en de Gemeenschappen worden bevoegd om uitzendarbeid in hun respectievelijke overheidsdiensten en lokale besturen toe te staan, en de Gewesten worden bevoegd om in het kader van tewerkstellingstrajecten op uitzendarbeid een beroep te doen.”

Voorgestelde wetteksten:  Vervanging artikel 87, § 4, BWHI: “§ 4. Een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, genomen na advies van de Regeringen, wijst die algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van het Rijkspersoneel aan, welke van rechtswege van toepassing zullen zijn op het personeel van de Gemeenschappen en de Gewesten, evenals op het personeel van de publiekrechtelijke rechtspersonen die afhangen van de Gemeenschappen en de Gewesten, met uitzondering van het personeel bedoeld in artikel 17 van de Grondwet. § 4. De gemeenschappen en de gewesten leggen de procedures, voorwaarden en regels vast volgens dewelke er een beroep kan worden gedaan op uitzendarbeid in hun diensten, in de publiekrechtelijke rechtspersonen die afhangen van de gemeenschappen en de gewesten met inbegrip van de instellingen bedoeld in artikel 24 van de Grondwet, in de ondergeschikte besturen en in de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, gebruik gemaakt kan worden van uitzendarbeid.”

 -

-

-

28

Wat moet nog besproken worden?

De nieuwe paragraaf 4 van het artikel 87 van de Bijzondere Wet geeft de Gemeenschappen/Gewesten de bevoegdheid om de procedures, voorwaarden en regels vast te stellen volgens welke er een beroep kan worden gedaan op uitzendarbeid in hun diensten en lokale besturen. De arbeidsrechtelijke regelingen inzake uitzendarbeid blijven federaal. Als de nieuwe paragraaf 4 van het huidige artikel 48 van de wet van 24.07.1987 vervangt, moet het duidelijk zijn welke aspecten van (de verschillende vormen van) uitzendarbeid in de toekomst nog tot het arbeidsrecht zullen worden gerekend, en welke de aspecten dan door de Gemeenschappen/Gewesten zelf zullen mogen worden geregeld. Klaarblijkelijk blijft de definitie van wat onder “uitzonderlijk werk” wordt verstaan, verder vastgesteld bij CAO NAR, algemeen bindend verklaard door de Koning, of door de Koning (≠ CAO werkgevers), al staat dit niet in de nieuwe paragraaf 4 zelf. De Gemeenschappen/Gewesten zijn bij de vaststelling van de regels, procedures en voorwaarden voor inschakeling van uitzendarbeid gehouden aan de regels van het federaal vastgestelde syndicaal statuut. Het is echter mogelijk dat de vaststelling van procedures voor de inschakeling van uitzendarbeid in de overheidsdienst, zelf ook leidt tot toevoegingen aan het syndicaal statuut, met de vraag dan of de regio’s voor zulke toevoeging bevoegd zijn. Het huidige artikel 48 van de wet van 24.07.1987 (bevoegdheid van de Koning om de voorwaarden, regels en procedures voor uitzendarbeid in de overheidssector te bepalen) geldt alleen voor zover het gaat om overheidswerkgevers die niet onder de CAO-wet vallen. De nieuwe paragraaf 4 van de Bijzondere Wet sluit niet uit dat de Gemeenschappen/Gewesten ook de voorwaarden, regels en procedures bepalen voor overheidswerkgevers die onder de CAO-wet vallen (bvb. De Lijn), wat dus toch bepaalde arbeidsrechtelijke bevoegdheden bij de Gemeenschappen/Gewesten zou doen terechtkomen?


-

-

In het kader van het huidige artikel 48 moeten er voor een aantal vormen van uitzendarbeid (bvb vervanging van een contractueel werknemer van wie de arbeidsovereenkomst is geschorst) geen bijkomende regels, voorwaarden en procedures worden vastgesteld, hetgeen wel het geval lijkt op basis van de nieuwe paragraaf 4 van de Bijzondere Wet. Het is onduidelijk of het Onderwijs voor uitzendarbeid onder de regeling van de privé dan wel onder de overheidsregeling valt.

Aandachtspunten

Indien de regelgevende bevoegdheid federaal blijft, moet er over worden gewaakt dat de regio's kunnen participeren aan de eventuele wijzigingen/aanvullingen die aan de reglementering inzake uitzendarbeid moeten worden aangebracht in functie van een gebruik bij de overheid. De bevoegdheid inzake uitzendarbeid bij de overheid wordt aan de Gemeenschappen/Gewesten gegeven. Dit betekent dit dat deze bevoegdheid bij decreet moet worden uitgeoefend?

Welke nieuwe beleidsopties kan Vlaanderen nemen? Uitgangspunt: de federale overheid neemt de belemmeringen op basis van het APKB weg, maar behoudt de arbeidsrechtelijke bevoegdheid inzake uitzendarbeid; de Gemeenschappen/Gewesten verwerven alleen de bevoegdheid om de regels, voorwaarden en procedures voor de inschakeling van uitzendarbeid overeenkomstig de federaal bepaalde vormen in hun respectieve overheidsdiensten en de lokale besturen vast te stellen. Optie 1 (Nuloptie): De Vlaamse overheid maakt geen gebruik van haar mogelijkheden om uitzendarbeid in overheidsdienst in te schakelen. Optie 2: De Vlaamse overheid maakt gebruik van haar mogelijkheden om uitzendarbeid in overheidsdienst in te schakelen.

Eerste optie (nuloptie)

Deze optie houdt in dat de Vlaamse overheid geen regels, voorwaarden en procedures vaststelt voor de inschakeling van uitzendarbeid bij haar overheidsdiensten en de lokale besturen, en effectief geen beroep doet op de uitzendarbeid. Deze optie gaat in tegen de Beleidsnota Bestuurszaken 2009-2014 (punt 3.3), met name het onderzoek met de sociale partners over de wijze waarop bij de overeid de interim-noden moeten worden ingevuld. Bovendien kunnen lokale besturen nu al gebruik maken van welbepaalde vormen van uitzendarbeid.

Tweede optie

Deze optie komt tegemoet aan de Beleidsnota Bestuurszaken 2009-2014 (punt 3.3), doordat uitzendarbeid in de overheidssector wordt mogelijk gemaakt en gereglementeerd. Doordat de gevallen waarin uitzendarbeid wordt gebruikt, federale bevoegdheid blijven, zal dan wel nog met de sociale partners moeten worden onderzocht in welke van de door de federale overheid mogelijk gemaakte gevallen, de Vlaamse overheidswerkgevers en de lokale besturen effectief beroep op uitzendarbeid zullen kunnen doen. De Vlaamse overheid zal

29


voor deze gevallen (met respect voor het syndicaal statuut) moeten uitmaken welke regels, voorwaarden en procedures moeten worden gehanteerd, zowel bij haar eigen diensten en instellingen als bij bvb. de provincies, gemeenten, agglomeraties en federaties van gemeenten, kerkfabrieken, verenigingen van provincies en gemeenten, alsook alle instellingen die hiervan afhangen.

30


Afdeling 3. Loopbaanonderbreking in de openbare sector Wat zal er veranderen aan de Vlaamse bevoegdheid? 

Vóór de zesde staatshervorming

De regels inzake verlof voor loopbaanonderbreking die vandaag van toepassing zijn op het personeel van: de diensten van de Vlaamse overheid; de lokale besturen, het onderwijs; vinden hun oorsprong in de Herstelwet van 22 januari 1985. Samengevat omvat deze wet inzake loopbaanonderbreking de volgende bepalingen: Een personeelslid heeft recht op een uitkering wanneer hij zijn arbeidsprestaties volledig onderbreekt; de Koning bepaalt het bedrag van de uitkeringen alsmede de nadere voorwaarden en regelen tot toekenning van deze uitkeringen; Een personeelslid heeft recht op een volledige onderbreking van zijn arbeidsprestaties met één maand, verlengbaar met één maand in geval van palliatieve verzorging van een persoon; Een personeelslid heeft recht op een uitkering als het zijn arbeidsprestaties vermindert met 1/5, 1/4, 1/3 of 1/2 van het normaal aantal arbeidsuren van een voltijdse betrekking; de Koning bepaalt het bedrag van de uitkering, de nadere voorwaarden en de regels inzake toekenning van de uitkering; Een personeelslid heeft recht op een vermindering van de arbeidsprestaties met 1/5 of 1/2 van het normaal aantal arbeidsuren van een voltijdse betrekking voor de palliatieve verzorging van een persoon; De koning kan andere gevallen bepalen waarin men recht heeft op een onderbreking van de beroepsloopbaan of een vermindering van de arbeidsprestaties met 1/5 of 1/2 van een voltijdse betrekking. Voor de lokale besturen omvat artikel 99 van de Herstelwet een machtiging om deze stelsels toe te passen op hun personeel. Bij de uitvoering van deze wet opteerde de federale overheid voor sectorspecifieke koninklijke besluiten. Hierdoor zijn er thans niet één, maar verschillende aparte regelingen die voor het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid, de Vlaamse openbare instellingen die niet onder het personeelsstatuut van de DVO vallen, het personeel van de Vlaamse lokale besturen en het onderwijs soms gelijklopende, soms verschillende bepalingen omvatten. De sectorspecifieke regelingen zijn de volgende: Vlaamse overheid: Koninklijk besluit van 7 mei 1999 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan: voor het statutair personeel, met uitbreidingsmogelijkheid van sommige regelingen tot het contractuele personeel. De statuutgever bepaalt vervolgens de onderdelen van dit KB die door middel van zijn personeelsregelgeving op het eigen personeel van toepassing worden gemaakt, na akkoord van de federale ministerraad en de federale minister van pensioenen; Koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen (uitsluitend voor het contractuele personeel). Lokale besturen: Koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor statutaire en contractuele personeelsleden.

31


-

-

-

Ministerieel besluit van 17 december 1991 tot uitvoering van artikel 13, 15, 20 en 27 van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van de onderbrekingsuitkeringen; het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 tot invoering van een recht op ouderschapsverlof in het kader van de onderbreking van de beroepsloopbaan; het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 tot invoering van een recht op loopbaanonderbreking voor bijstand of verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid in 1999; het koninklijk besluit nr. 474 van 28 oktober 1986, tot opzetting van een stelsel van door de Staat gesubsidieerde contractuelen bij sommige plaatselijke besturen; de federale omzendbrief van 16 juni 1993 betreffende de loopbaanonderbreking bij de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten. De provincie, de gemeenten en de instellingen die ervan afhangen regelen zelf in de plaatselijke rechtspositieregeling een beperkt aantal aspecten met betrekking tot de toepassing van de loopbaanonderbreking (leidinggevende functies, aanvraagwijze en opzegging).

-

-

-

-

Onderwijs: Leerplichtonderwijs en hoger onderwijs:  koninklijk besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho – medische centra;  verder geregeld via het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2011 en het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2002 (voor de hogescholen). Universiteiten:  koninklijk besluit van 7 mei 1999:  administratief en technisch personeel;  academisch personeel enkel wat betreft de thematische verloven, de universiteitsbesturen nemen daartoe op basis van het BVR van 01.12.98 de nodige uitvoeringsmaatregelen;  Vrije universiteiten: vallen niet onder loopbaanonderbreking, wel onder tijdskrediet; Contractuele personeelsleden met uitzondering van de niet gesubsidieerde personeelsleden van het vrij gesubsidieerd onderwijs:  het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen.  het KB van 12 augustus 1991 voor wat de loopbaanonderbreking voor medische bijstand of ouderschapsverlof betreft. De niet gesubsidieerde contactuele personeelsleden van het vrij gesubsidieerd onderwijs vallen onder de regeling van het tijdskrediet.

Naast de door de federale overheid (RVA) uitbetaalde onderbrekingsuitkeringen (op basis van de hierboven vermelde besluiten) hebben de personeelsleden uit de hoger vermelde sectoren gedurende een periode van maximaal twee jaar ook recht op een aanmoedigingspremie vanwege het Vlaams Gewest (Vlaams Subsidieagentschap voor Werken en Sociale Economie).

Na de zesde staatshervorming

Tekst institutioneel akkoord (p. 30-31): “Overheveling van de voorwaarden en financiering voor loopbaanonderbreking in de openbare sector: regionalisering van de loopbaanonderbreking voor het lokale, provinciale, communautaire en regionale openbaar ambt, alsook in het onderwijs, met uitsluiting van contractuele personeelsleden die onder het tijdskrediet vallen.”

32


Pagina 84 van het federaal regeerakkoord: “Bovendien zullen de voorzieningen en de financiering van de loopbaanonderbreking in de overheidsdiensten van de Gewesten en Gemeenschappen naar de Gewesten worden overgedragen, voor meer financiële responsabilisering.”

Pagina 98 van het federaal regeerakkoord: “Het loopbaanonderbrekingsstelsel zal geleidelijk met dat van het tijdskrediet worden gelijkgeschakeld. Deze gelijkschakeling moet in 2020 rond zijn. Deze wijzigingen zullen met de deelstaten worden overlegd, rekening houdend met de overdracht van deze bevoegdheid in het kader van de 6e staatshervorming.” “Parallel hiermee zal de regering, in overleg met de sociale partners, nagaan hoe op termijn de stelsels van tijdskrediet, loopbaanonderbreking en de andere thematische verlofregelingen in een individuele loopbaanrekening kunnen worden geïntegreerd”

Voorgestelde wettekst:  Artikel 57 voorstel van bijzondere wet m.b.t. de Zesde Staatshervorming 2: “De voorwaarden, het bedrag en de betaling van de vergoedingen voor loopbaanonderbreking voorzien in Afdeling V van hoofdstuk IV van de Herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen zijn van toepassing op de Gemeenschappen en Gewesten, elk voor het overheidspersoneel waarvan de rechtspositie tot hun bevoegdheid behoort, totdat de Gemeenschappen en Gewesten deze bepalingen, ieder wat hem betreft, vervangen of opheffen.”

Samengevat wordt de Vlaamse overheid dus voor het statutair en contractueel personeel bevoegd voor de reglementering inzake loopbaanonderbreking algemeen en thematische stelsels zowel voor de publieke sector als de lokale sector, en het onderwijs. Daarnaast staat de Vlaamse overheid voortaan ook in voor het beheer en de betaling van de onderbrekingsuitkeringen, en het controle en sanctioneringssyteem. Dit komt bovenop de aanmoedigingspremies die nu al in het kader van de eigen bevoegdheid worden uitbetaald. Het federaal regeerakkoord vermeldt, naast de overheveling van de voorwaarden en financiering inzake loopbaanonderbreking in de openbare sector naar de regio’s, de volgende wijzigingen aan het stelsel verlof voor loopbaanonderbreking: de vermindering van de maximumduur voor voltijdse en deeltijdse loopbaanonderbreking (algemeen stelsel) van 72 naar 60 maanden; de verhoging van de leeftijdsgrens voor deeltijdse loopbaanonderbreking tot aan de pensioenleeftijd van 50 naar 55 jaar; de invoering van een vierde maand ouderschapsverlof in uitvoering van de Europese Richtlijn 2010/18/EU; de geleidelijke gelijkschakeling van het verlof voor loopbaanonderbreking met tijdskrediet tegen 2020 in overleg met de regio’s. Tussen december 2011 en augustus 2012 voerde de federale overheid de wijzigingen vermeld onder het eerste tot en met derde streepje uit. .. De gelijkschakeling met tijdskrediet maakt nog het voorwerp uit van onderzoek

 -

2

Wat moet nog besproken worden?

Het artikel 57 van het voorstel van bijzondere wet m.b.t. de Zesde Staatshervorming bepaalt dat zolang de Gemeenschappen/Gewesten deze wet niet voor zichzelf hebben opgeheven, de Herstelwet van 22 januari.1985 op hen van toepassing blijft inzake voorwaarden en bedrag en betaling van onderbrekingsuitkeringen. Het is echter niet de Herstelwet van 22 januari 1985 die het bedrag bepaalt, maar wel een in ministerraad St. Senaat, 2012-2013, 5-2232/1

33


-

-

-

-

overlegd KB, zodat de in het boven vermeld artikel gebruikte verwijzing niet volledig correct is. De Herstelwet zegt dat de onderbrekingsuitkeringen worden bepaald door de Koning in een ministerraad overlegd besluit. Het artikel 57 wekt hierdoor de indruk dat zolang de Herstelwet niet door een gemeenschap/gewest is opgeheven, de federale overheid verder het bedrag van de onderbrekingsuitkeringen bepaalt. Het federaal regeerakkoord houdt in dat de stelsels van loopbaanonderbreking en tijdskrediet tegen 2020 naar elkaar toe moeten groeien. Wie heeft welke bevoegdheid en wanneer start men met de gelijkschakeling. Details over de organisatie van de bevoegdheidsoverdracht zelf: timing, op welke wijze worden de regio’s betrokken, … Eventuele personeelsoverdracht van de RVA naar de Vlaamse overheid: hoeveel personeelsleden, welke financiële middelen, overdracht van RVA personeel al dan niet gedeeltelijk voorafgaand aan de overdracht van de bevoegdheden; Aantal aanvragen en budgetten loopbaanonderbreking Vlaamse openbare sector, lokale sector en onderwijs? Omvang van financiële middelen die worden overgedragen. Betreft het een recurrent bedrag of evolueert het bedrag ook in de richting van de middelen voor tijdskrediet?

 -

-

Aandachtspunten

Onvoldoende personeel, infrastructuur, gegevens en geldmiddelen van de federale overheid overkomen om de continuïteit van het beheer van het systeem te verzekeren en om nieuwe initiatieven te nemen. Indien de Vlaamse overheid eigen accenten wil leggen of de reglementering verruimen, kan haar beleid worden gehypothekeerd door wijzigingen aan de reglementering die de federale overheid nog voorafgaand aan de overheveling doorvoert met een weerslag op de over te dragen budgets.

Welke nieuwe beleidsopties kan Vlaanderen nemen? Optie 1 (Nuloptie): De reglementeringen die op het ogenblik van de overheveling voor de publieke sector, de lokale besturen en het onderwijs gelden worden, verder toegepast, zonder wijziging door de Vlaamse overheid. Optie 2: De Vlaamse overheid stelt een einde aan de verschillende reglementeringen per sector en formuleert een globale reglementering voor de totaliteit van de Vlaamse publieke sector, de lokale besturen en het onderwijs. Optie 3: De Vlaamse overheid behoudt het onderscheid tussen de reglementeringen in de Vlaamse publieke sector, de lokale besturen en het onderwijs, maar geeft hieraan een nieuwe inhoud al dan niet met behoud voor de drie sectoren van een gemeenschappelijke stam. Optie 4: De Vlaamse Regering stelt een einde aan de betaling van onderbrekingsuitkeringen en aanmoedigingspremies, maar biedt nog wel de mogelijk onbetaald de loopbaan te onderbreken. Optie 5: De Vlaamse Regering stel een einde aan het stelsel van de loopbaanonderbreking. D.w.z. zowel aan de mogelijkheid om verlof te nemen, als aan de uitbetaling van onderbrekingsuitkeringen en aanmoedigingspremies.

34


Eerste optie (nuloptie) De reglementeringen die op het ogenblik van de overheveling voor de publieke sector, de lokale besturen en het onderwijs gelden worden verder toegepast, zonder wijziging door de Vlaamse overheid. De federale beleidsdoelstellingen richten zich op: besparingen door middel van een verstrenging van de toekenningsvoorwaarden en; de gelijkschakeling van de loopbaanonderbreking met het tijdskrediet. De regio’s beschikken wat de publieke sector en het onderwijs betreft over een reglementering die zij rekening houdend met federale begrenzingen zelf hebben kunnen invullen. De lokale besturen vallen onder de “oude” reglementering van de privé sector (KB van 2 januari 1991). Er is tussen de DVO en het onderwijs een verschil in regeling tussen statutaire en contractuele personeelsleden. Bij de lokale besturen zijn de regelingen voor de statutaire en contractuele personeelsleden gelijk. De federale overheid maakt gebruik van de RVA om de onderbrekingsuitkeringen te betalen en de nodige controles uit te voeren. Indien de Vlaamse overheid dit beleid voortzet, is het nodig dat: - de huidige reglementering ongewijzigd verder kan worden toegepast; - de subentiteiten van de RVA die zich met de loopbaanonderbreking in het Vlaamse publieke sector, de lokale besturen en het onderwijs bezig houden, worden geregionaliseerd; Voor zover al eigen accenten aan de regelgeving konden worden gegeven, blijft coherentie bestaan met het huidige personeelsstatuut De reglementering die op het ogenblik van de overheveling voor de publieke sector, de lokale besturen en het onderwijs gelden worden verder toegepast, zonder wijziging door de Vlaamse overheid. Effecten: De burger vraagt loopbaanonderbreking inclusief onderbrekingsuitkering aan de geregionaliseerde RVA-subentiteiten en vraagt de aanmoedigingspremie bij het Vlaams Subsidieagentschap WSE. Er zijn aldus 2 Vlaamse diensten betrokken bij de aanvraag. Dit is niet wenselijk vanuit klantvriendelijkheid, administratieve lasten, één loket, … De Vlaamse overheid bevat 2 dossierverwerkende diensten voor de aanvragen van loopbaanonderbreking: De geregionaliseerde RVA-subentiteit (aanvraag tot recht op loopbaanonderbreking en uitbetaling van onderbrekingsuitkering) en het Vlaams Subsidieagentschap WSE (aanmoedigingspremie). Beide diensten voeren maandelijkse betalingen uit met bijhorende financiële en fiscale verrichtingen. Het parallel bestaan van 2 uitbetalingsdiensten zou een inefficiënt gebruik van personeel/ middelen betekenen.

Tweede optie

De Vlaamse overheid stelt een einde aan de verschillende reglementeringen per sector en formuleert een globale reglementering voor de totaliteit van de Vlaamse publieke sector, de lokale besturen en het onderwijs. Stakeholders: de Vlaamse Regering/ de functioneel bevoegde ministers; de regelgevende subentiteiten van bestuurszaken (departement en ABB) en onderwijs, beleidsdomein WSE (overname rol RVA), de representatieve vakorganisaties, VVSG, … Mogelijke effecten:

35


-

-

uniformisering van de reglementering van de Vlaamse publieke sector, de lokale besturen en het onderwijs (in zoverre dit mogelijk is, gelet op de eigenheden van de onderwijssector; Misschien één overkoepelend besluit en daaronder de verschillende regelingen die zoveel als mogelijk op elkaar worden afgestemd. administratieve vereenvoudiging; alignering van statutaire en contractuele personeelsleden; aanpassing van de uitbetalingsmechanismen van de onderbrekingsuitkeringen zoals die van de RVA worden overgenomen; mogelijke assimilatie van onderbrekingsuitkeringen en aanmoedigingspremies in één en dezelfde soort van uitkering door één Vlaamse uitbetalingsinstantie. Het groeperen van de uitbetaling levert efficiëntiewinsten op (knowhow, betaling binnen één dienst, ..)

Organisatorisch zal de keuze moeten worden gemaakt binnen welk beleidsdomein de overkoepelende regelgevende bevoegdheid komt en in welk beleidsdomein de uitbetalingsinstantie komt (samen met de aanmoedigingspremie). Aangezien het beleidsdomein WSE/VSAWSE al instaat voor de uitbetaling van de aanmoedigingspremies is het logisch om ook de regelgeving en de uitbetaling van onderbrekingsuitkeringen bij dit beleidsdomein/agentschap te positioneren.

Derde optie

De Vlaamse overheid behoudt het onderscheid tussen de reglementeringen in de Vlaamse publieke sector, de lokale besturen en het onderwijs, maar geeft aan elke sector een nieuwe invulling al dan niet met behoud voor de drie sectoren van een gemeenschappelijke stam. Stakeholders: de Vlaamse Regering/de functioneel bevoegde ministers; de regelgevende subentiteiten van bestuurszaken (departement en ABB) en onderwijs, beleidsdomein WSE (overname rol RVA), de representatieve vakorganisaties, VVSG, … Mogelijke effecten: meerdere regelgevende instanties zonder dat de begrenzingen die nu federaal zijn opgelegd nog gelden, minder evidentie tot uniformiseren de vaststelling van de gemeenschappelijke stam en de functie van uitbetalingsinstantie kunnen nog steeds bij het beleidsdomein WSE/VSAWSE worden gepositioneerd. De sectorale regelgeving vereist dan nog wel drie bijkomende regelgevende actoren; complexering van het administratief beheer van de loopbaanonderbreking; aanpassing van de uitbetalingsmechanismen van de onderbrekingsuitkeringen zoals die van de RVA worden overgenomen; assimilatie van onderbrekingsuitkeringen en aanmoedigingspremies in één en dezelfde soort van uitkering blijft nog altijd mogelijk; uiteengroeien van de verschillende stelsels

Vierde optie

De Vlaamse Regering stelt een einde aan de betaling van onderbrekingsuitkeringen en aanmoedigingspremies, maar biedt nog wel de mogelijkheid onbetaald de loopbaan te onderbreken; Dit vereist overgangsbepalingen voor personeelsleden die hun loopbaan onderbreken met betaling van onderbrekingsuitkeringen en/of aanmoedigingspremies.

Vijfde optie

De Vlaamse Regering stel een einde aan het stelsel van de loopbaanonderbreking. D.w.z. zowel aan de mogelijkheid om verlof te nemen, als aan de uitbetaling van onderbrekingsuitkeringen en aanmoedigingspremies. 36


Dit vereist overgangsbepalingen voor personeelsleden die hun loopbaan onderbreken met betaling van onderbrekingsuitkeringen en/of aanmoedigingspremies.

37


Afdeling 4. Responsabiliseringsbijdrage pensioenen Wat zal er veranderen aan de Vlaamse bevoegdheid?  -

Vóór de zesde staatshervorming

Art. 179 van de Grondwet: "Geen pensioen, geen gratificatie ten laste van de staatskas kan worden toegekend dan 3 krachtens een wet. " ( )

-

Art. 87, §3, BWHI: ”Onverminderd § 4, stellen de Gemeenschappen en de Gewesten de regeling vast die betrekking heeft op het administratief en geldelijk statuut van hun vast, tijdelijk en hulppersoneel, met uitzondering van de pensioenregeling. Inzake de pensioenregeling is hun personeel onderworpen aan de wettelijke en statutaire regelen die van toepassing zijn op het vast, tijdelijk en hulppersoneel van het Rijk."

-

Art. 9 BWHI: In de aangelegenheden die tot hun bevoegdheid behoren, kunnen de Gemeenschappen en de Gewesten gedecentraliseerde diensten, instellingen en ondernemingen oprichten of kapitaalsparticipaties nemen. Het decreet kan aan voornoemde organismen rechtspersoonlijkheid toekennen en hun toelaten kapitaalsparticipaties te nemen. Onverminderd artikel 87, § 4, regelt 4 het hun oprichting, samenstelling, bevoegdheid, werking en toezicht." ( ).

financiering

Pensioenregeling

Federaal

-

Federaal

Entiteit in kwestie (vnl. bijdrage Pool parastatalen)

-

Pool: Federaal Niet Pool: entiteit in kwestie (Vlaams Parlement / VR)

Ministeries + Onderwijs Zelfstandige agentschappen Aangesloten Pool Niet aangesloten Pool

-

-

BW responsabiliseringsbijdrage van 5 mei 2003. Deze bijzondere wet legt een bijdrage op aan de gemeenschappen en gewesten wat betreft de ministeries, het Onderwijs en de Parlementen ( 5). Het is dus geen over te dragen bevoegdheid: de Federale Regering blijft bevoegd voor de bepaling van de pensioenregeling en van de responsabiliseringsbijdrage.

Na de zesde staatshervorming

Tekst institutioneel akkoord (p. 55): “Responsabilisering inzake pensioenen [voetnoot: Zolang het globale bedrag als gevolg van de progressieve verhoging van de bijdrage tot 8,86% lager ligt dan het globale bijdragebedrag van de wet van 2003 zal er naar het globale bedrag van de wet van 2003 verwezen worden] De vergrijzingskosten mogen dan wel vooral op het federaal vlak liggen, toch moeten de Gewesten en Gemeenschappen meer aan de budgettaire kost van de vergrijzing bijdragen. 3

. Artikel 179 is in de Grondwet ingevoerd in 1844. Deze bepaling is dus niet aangepast aan de huidige staatsstructuur. Er is consensus dat iedere wetgevende akte die door een parlement wordt besproken en goedgekeurd, een wet, decreet of ordonnantie dus, de basis voor een pensioenregeling kan vormen. 4 dit artikel 87 §4 is de basis voor het APKB dat de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van het Rijkspersoneel bepaalt die van toepassing zullen zijn op het personeel van de Gemeenschappen en Gewesten, evenals op het personeel van de publiekrechtelijke rechtspersonen die afhangen van de Gemeenschappen en de Gewesten, met uitzondering van het personeel bedoeld in artikel 17 van de Grondwet (onderwijs). 5 Deze BW werd voorafgegaan door de BW van 27 april 1994

38


Men stelt daarom voor om vanaf 2012, na overleg met de deelstaten, de berekeningsregels van de bijzondere wet van 5 mei 2003 in werking te stellen om de responsabiliseringsbijdrage van elke deelstaat vast te leggen. Deze regels zullen, via de nieuwe bijzondere financieringswet, vanaf 2016 op progressieve en lineaire wijze worden aangepast opdat deze bijdrage tegen 2030 gelijk is aan die die geldt voor het contractueel personeel. [voetnoot: Momenteel 8,86%]”

Voorgestelde wetteksten:  Nieuw artikel 65quinquies BFW: §1. De Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest, het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, de Franse Gemeenschapscommissie en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie zijn voor de begrotingsjaren 2015 en volgende een responsabiliseringsbijdrage verschuldigd voor de pensioenen van hun ambtenaren. Voor de begrotingsjaren 2015 tot en met 2020 worden de responsabiliseringsbijdragen als volgt bepaald: 1° voor de Vlaamse Gemeenschap de bedragen per begrotingsjaar volgens onderstaande tabel: 2015 84.463.244 EUR 2016 93.781.301 EUR 2017 103.099.358 EUR 2018 112.417.416 EUR 2019 121.735.473 EUR 2020 131.053.530 EUR 2° voor de Franse Gemeenschap de bedragen per begrotingsjaar volgens onderstaande tabel: 2015 55.938.253 EUR 2016 62.109.209 EUR 2017 68.280.166 EUR 2018 74.451.122 EUR 2019 80.622.079 EUR 2020 86.793.035 EUR 3° voor het Waalse Gewest de bedragen per begrotingsjaar volgens onderstaande tabel: 2015 3.881.061 EUR 2016 4.309.074 EUR 2017 4.737.087 EUR 2018 5.165.101 EUR 2019 5.593.114 EUR 2020 6.021.127 EUR 4° voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest de bedragen per begrotingsjaar volgens onderstaande tabel: 2015 766.156 EUR 2016 850.541 EUR 2017 934.926 EUR 2018 1.019.310 EUR 2019 1.103.695 EUR 2020 1.188.080 EUR 5° voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie de bedragen per begrotingsjaar volgens onderstaande tabel: 2015 30.292 EUR 2016 33.553 EUR 2017 36.814 EUR 2018 40.075 EUR 2019 43.336 EUR 2020 46.597 EUR 6° voor de Franse Gemeenschapscommissie de bedragen per begrotingsjaar volgens onderstaande tabel: 2015 142.186 EUR 2016 157.675 EUR 2017 173.164 EUR 2018 188.652 EUR 2019 204.141 EUR

39


2020

219.630 EUR

Vanaf begrotingsjaar 2021 wordt de responsabiliseringsbijdrage per entiteit bepaald door een bijdragepercentage toe te passen op de weddenmassa die door de betrokken entiteit in het voorgaande kalenderjaar werd betaald. Het bijdragepercentage bedoeld in het derde lid wordt als volgt vastgesteld: 1° voor het begrotingsjaar 2021: op 3/10de van het percentage van de sociale bijdrage die iedere werkgever moet betalen voor zijn werknemers die onderworpen zijn aan het pensioenstelsel dat geldt voor werknemers; 2° voor de begrotingsjaren 2022 tot en met 2028 wordt de teller van de breuk uit het 1° jaarlijks met een eenheid verhoogd; 3° vanaf begrotingsjaar 2029 is het bijdragepercentage gelijk aan het percentage van de sociale bijdrage die iedere werkgever moet betalen voor zijn werknemers die onderworpen zijn aan het pensioenstelsel dat geldt voor werknemers. §2. De in aanmerking te nemen weddenmassa's zijn deze die onderworpen zijn aan de afhouding bedoeld in artikel 60 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen. Voor de vaststelling van de weddenmassa bedoeld in paragraaf 1, derde lid, wordt rekening gehouden met het geheel van de wedden en de pensioenen betaald in de loop van het betrokken kalenderjaar. §3. De Koning bepaalt vanaf begrotingsjaar 2021 ieder jaar, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de regeringen van de in het eerste lid bedoelde overheden, het bedrag van de door elke overheid voor het lopende begrotingsjaar verschuldigde responsabiliseringsbijdrage. De in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde entiteiten delen ten laatste tegen 1 maart volgend op het kalenderjaar aan de federale minister van Financiën het bedrag mee van de in aanmerking te nemen weddenmassa bedoeld in paragraaf 2. §4. De in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde bedragen en de overeenkomstig paragraaf 3 vastgelegde bedragen worden in mindering gebracht van: 1° voor de gewesten: de middelen bedoeld in titel IV, hoofdstuk II, afdeling 4, toegekend aan het betrokken gewest; 2° voor de gemeenschappen: de middelen bedoeld in titel IV, hoofdstuk III, afdeling 3, onderafdeling 2, toegekend aan de betrokken gemeenschap; 3° voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie: de haar toegekende middelen bedoeld in artikel 65 en eventueel de middelen bedoeld in de artikelen 47/8 en 47/7. 4° voor de Franstalige Gemeenschapscommissie: de haar toegekende middelen bedoeld in artikel 65bis.”

In het voorstel van bijzondere financieringswet zijn volgende krachtlijnen opgenomen: - De BW van 2003 wordt opgeheven m.i.v. 1 januari.2015 - De bedragen van de respo bijdrage zijn opgenomen in art. 65quinquies van de BFW zelf voor de jaren 2015-2020. Vanaf 2012 treedt het groeipad naar de 8,86% op het bruto in voege. Dit wordt bereikt in 2030. - Er is een (groot) verschil met de ramingen 2010 en 2012. - Deze bedragen worden ineens afgetrokken van de federaal door te storten middelen; de bedragen moeten dus niet meer bij in ministerraad overlegd KB, na overleg G&G, bepaald worden. De G&G zullen dus ook niet meer kunnen “talmen” met de betaling er van. - Het Vlaamse vehikel (VPF) zal dus vanaf 2015 niet meer strikt nodig zijn voor de betaling aan de federale overheid (nog wel voor interne betaling? Egalisatie begroting?)

40


-

Uit het voorstel van bijzondere financieringswet volgt:  De verhoging van de respo-bijdragen gaat pas in vanaf 2015  Zoals in 2012, wordt van de G&G verwacht dat zij het verschil met de normaal te betalen respo (BW 2003) provisioneren zodat dit bij consolidatie effect heeft op het totale Belgische begrotingssaldo.

Aandachtspunten

Fase 1: (tot 2015) het huidige berekeningssysteem berekent de responsabilseringsbijdrage op de totale pensioenmassa en loonmassa van alle statutairen van alle overheden samen ( 6), en slaat dan om naar de gemeenschappen en gewesten in verhouding tot hun resp. loonmassa over de totale loonmassa van alle gemeenschappen en gewesten samen. Een overheveling van federale ambtenaren naar de gemeenschappen en gewesten zal weinig of geen effect hebben voor zover de overheveling +/- gelijk is in verhouding tot de omvang van de resp. gemeenschappen en gewesten ( 7). Fase 2: (vanaf 2016 tot 2030): Het huidige berekeningssysteem zal voor de invoering van de progressief opklimmende bijdrage moeten aangepast worden. De kans bestaat dat vanaf 2016 de responsabiliseringbijdrage berekend wordt in verhouding tot de loonmassa van de betrokken gemeenschappen en gewesten (zonder relatie naar het totaal aan loonmassa van alle Belgische overheden samen). Ongeacht de oorzaak van de stijging van de loonmassa zal de responsabiliseringsbijdrage verhogen, ook indien de stijging het gevolg is van overdracht van personeel vanuit de federale overheid. Indien men deze verdoken kost wil vermijden zal de te ontwerpen berekeningswijze daarvoor een specifieke parameter moeten bepalen. Aangezien in het voorstel van bijzondere financieringswet de bedragen respo 2015-2020 zijn bepaald, kan de 6de Staatshervorming op deze reeds vastgestelde bedragen geen effect hebben. Maar vanaf het in voege treden van het % groeipad in 2021, zal het effect van de Staatshervorming zijn volle effect krijgen.

Welke nieuwe beleidsopties kan Vlaanderen nemen? Optie 1 (Nuloptie): het berekeningssysteem voor de progressief opklimmende respobijdrage vanaf 2016 wordt niet aangepast. Het effect van de overdracht van personeel wordt verrekend in de budgettaire enveloppe van de overdracht. Optie 2: het berekeningssysteem voor de progressief opklimmende responsabiliseringsbijdrage vanaf 2016 wordt aangepast teneinde ongewenste neveneffecten te vermijden.

Eerste optie (nuloptie)

Een effect van de overheveling op de responsabiliseringsbijdrage is niet wenselijk, maar .er wordt niet gekozen voor een ingreep in de berekeningswijze. In deze optie kan er wel voor gekozen worden om de extra kost te verrekenen via de budgettaire massa die overgedragen wordt. Hierbij 2 opmerkingen: De responsabiliseringsbijdrage bestaat niet bij de federale overheidsdiensten, en zit dus niet in de daar geldende loonkost. Het effect van de overheveling op de Vlaamse responsabiliseringsbijdrage zal dus extern moeten berekend en toegevoegd worden. 6

Dus inclusief de federale overheid Dus weinig of geen effect als een G met 45% van de loonmassa van alle G&G samen 45% van de overheveling ten laste krijgt.

7

41


-

In de periode 2016 – 2030 zal de bijdragevoet lineair groeien tot 8,86% van de bruto loonmassa. Het is de vraag hoe men in het jaar X van overheveling, de verrekening van deze groei zal doorvoeren.

Tweede optie

De responsabiliseringsbijdrage zal vanaf 2016 wellicht procentueel op de loonmassa voor de statutairen berekend worden. We kunnen er niet vanuit gaan dat de federale overheid de loonmassa van de overgehevelde statutaire personeelsleden zal neutraliseren. Indien een verhoging van de kost van de responsabiliseringsbijdrage door de overheveling in het kader van Staatshervorming 6 niet wenselijk is, zullen de gemeenschappen en gewesten een neutralisatie van de loonmassa van de overgehevelde statutairen moeten aankaarten. Een volledige neutralisatie zal minstens met 2 factoren rekening moeten houden: De lineair stijgende bijdrage (tot “8,86%” in 2030) ( 8); De loonkost van de overgehevelde statutairen die zal stijgen door index, cao’s, vergrijzing enz.

8

8,86% is de huidige patronale pensioenbijdrage voor contractuelen

42


Afdeling 5. Maximumsalarissen per niveau Wat zal er veranderen aan de Vlaamse bevoegdheid?  -

Vóór de zesde staatshervorming

Art. 87, §3, BWHI: ”Onverminderd § 4, stellen de Gemeenschappen en de Gewesten de regeling vast die betrekking heeft op het administratief en geldelijk statuut van hun vast, tijdelijk en hulppersoneel, met uitzondering van de pensioenregeling. Inzake de pensioenregeling is hun personeel onderworpen aan de wettelijke en statutaire regelen die van toepassing zijn op het vast, tijdelijk en 9 hulppersoneel van het Rijk." ( )

-

-

Het koninklijk besluit van 22 mei 1992 (gewijzigd door het KB van 20 juli 2000 = loutere omzetting in euro) tot uitvoering van art. 53, §2, van het A.P.-K.B. (wat betreft minimumweddeschalen en maximumbedragen per niveau ( 10)). Het is dus geen over te dragen bevoegdheid: de gemeenschappen en gewesten waren reeds bevoegd om de salarissen te bepalen, maar hun bevoegdheid was beperkt door een KB in uitvoering van het A.P.-K.B.. Deze formeel wettelijke beperking wordt nu vervangen door een samenwerkingsovereenkomst (zie hierna).

Na de zesde staatshervorming

Tekst institutioneel akkoord (p. 46-47): “Openbaar ambt: Door aanpassing van de bijzondere wet op de hervorming der instellingen krijgen de deelstaten de bevoegdheid over het administratief en geldelijk statuut van hun ambtenarenkorps. De overheden zullen gezamenlijk samenwerkingsakkoorden sluiten over kwesties van globaal belang en zullen dit, verplicht, in het bijzonder doen voor wat betreft de maxima van de weddes, omwille van de impact op de pensioenen. De mobiliteit tussen de verschillende entiteiten zal mogelijk blijven.”

Voorgestelde wetteksten:  Wijziging artikel 87, § 3 en § 4, BWHI: “§ 3. Onverminderd § 4, stellen… de Gemeenschappen en de Gewesten stellen de regeling vast die betrekking heeft op het administratief en geldelijk statuut van hun vast, tijdelijk en hulppersoneel, met uitzondering van de pensioenregeling. Inzake de pensioenregeling is hun personeel onderworpen aan de wettelijke en statutaire regelen die van toepassing zijn op het vast, tijdelijk en hulppersoneel van het Rijk. Er kan een beroep worden gedaan op een ambtenaar van een andere overheid onder de voorwaarden vastgesteld door het statuut dat het personeel beheerst dat onder de benoemende overheid ressorteert. Onverminderd een eventueel Samenwerkingsakkoord dat in andere modaliteiten van overgang voorziet, kan de andere overheid aan de betrokken ambtenaar een opzegperiode van ten hoogste drie maanden opleggen § 4. Een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, genomen na advies van de Regeringen, wijst die algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van het Rijkspersoneel aan, welke van rechtswege van toepassing zullen zijn op het personeel van de Gemeenschappen en de Gewesten, evenals op het personeel van de publiekrechtelijke rechtspersonen die afhangen van de Gemeenschappen en de Gewesten, met uitzondering van het personeel bedoeld in artikel 17 van de Grondwet. 9

dit artikel 87 §4 is de basis voor het APKB dat de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van het Rijkspersoneel bepaalt die van toepassing zullen zijn op het personeel van de Gemeenschappen en Gewesten, evenals op het personeel van de publiekrechtelijke rechtspersonen die afhangen van de Gemeenschappen en de Gewesten, met uitzondering van het personeel bedoeld in artikel 17 van de Grondwet (onderwijs). 10 KB van 22 mei 1992 tot uitvoering van art. 53, §2 van het KB van 22 november 1991 tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de Rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de Executieven en van de publiekrechtelijke rechtspersonen die er van afhangen

43


§ 4. De gemeenschappen en de gewesten leggen de procedures, voorwaarden en regels vast volgens dewelke er een beroep kan worden gedaan op uitzendarbeid in hun diensten, in de publiekrechtelijke rechtspersonen die afhangen van de gemeenschappen en de gewesten met inbegrip van de instellingen bedoeld in artikel 24 van de Grondwet, in de ondergeschikte besturen en in de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, gebruik gemaakt kan worden van uitzendarbeid.”

 Wijziging artikel 9 BWHI: “In de aangelegenheden die tot hun bevoegdheid behoren, kunnen de Gemeenschappen en de Gewesten gedecentraliseerde diensten, instellingen en ondernemingen oprichten of kapitaalsparticipaties nemen. Het decreet kan aan voornoemde organismen rechtspersoonlijkheid toekennen en hun toelaten kapitaalsparticipaties te nemen. Onverminderd artikel 87, § 4 regelt het Het decreet regelt hun oprichting, samenstelling, bevoegdheid, werking en toezicht.”

Door de wijzigingen die door het voorstel van bijzondere wet met betrekking tot de Zesde Staatshervorming aangebracht worden in artikel 87, § 3, en artikel 9 BWHI, verkrijgen de G&G volstrekte autonomie om het administratief en geldelijk statuut van hun personeel te bepalen, zonder dat deze autonomie beperkt wordt door een geheel van “algemene principes”. Dat betekent dat er geen sprake meer is van een verplicht samenwerkingsakkoord met betrekking tot de maxima van de weddes.

 -

-

-

-

44

Wat moet nog besproken worden?

In de memorie van toelichting bij art. 41 van het voorstel van bijzondere wet wordt gesteld:  Verwijzend naar het advies van de Raad van State bij het AP-KB van 22 december 2000 wordt gemeld dat in de federale pensioenregeling een maximumbedrag zal worden opgenomen, a.h.w. een loonplafond voor de pensioenberekening. Dit loonplafond zou gelden voor de federale overheid en voor de G&G zonder dat daarover een samenwerkingsakkoord gesloten wordt.  Er wordt in de toelichting niet gesteld of de bepaling van het/de loonplafond(s) in overleg met de G&G zal gebeuren, of er een algemeen plafond komt of per niveau, ook wordt niets over de techniek vermeld, nl. of op het loonbedrag dat het loonplafond overstijgt, de FOP bijdrage of Pool-bijdrage verschuldigd is enz., enz.  In de toelichting wordt gemeld dat dezelfde werkwijze zal gevolgd worden voor de bepaling “dienstactiviteit”; de federale pensioenregeling zal dus, nog meer dan nu, bepalen welke afwezigheden gelijkgesteld worden met geleverde prestaties (geen automatisme meer van gelijkstelling van “DA” op basis van het statuut van de betrokken overheid).  Er is ook nog onduidelijkheid over de door de Vlaamse Regering gevraagde inspraak in ruil voor de verhoogde respo-bijdrage. Het KB van 22 mei 1992 bepaalde niet alleen de 5 maximumbedragen per niveau, maar ook een minimumweddenschaal per niveau; in het institutioneel akkoord en in het voorstel van bijzondere wet is alleen sprake van de maximumbedragen. In het verleden was er reeds onduidelijkheid over de draagwijdte van de beperking: was een weddenschaal die uitstijgt boven het maximumbedrag van het betrokken niveau onwettig, of werden de pensioenrechten beperkt tot het maximum? Bij de uitvoering van de 5de staatshervorming is gebleken dat er enerzijds ook bij de federale overheid weddenschalen bestaan die de maxima per niveau overstijgen, en dat er daar anderzijds weddencomplementen werden toegekend (die in aanmerking komen


-

voor de pensioenberekening) ( 11) en waardoor de maxima per niveau de facto ook overstegen werden. In deze is de vaste rechtspraak van de Raad van State zeker relevant: hoewel het aanmerken van een regel als algemeen principe, voor de federale overheid geen obstakel vormt om daarvan af te wijken, die afwijking toch tot gevolg heeft dat zij niet langer kan beschouwd worden als een algemeen principe waardoor de gemeenschappen en gewesten gebonden zijn ( 12). Nog te onderzoeken: wat is de samenhang met de “minimale rechten” (KB 3 juli 2005 tot bepaling van de minimale rechten in de zin van art. 9bis van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel ( 13)? en de “referentiepunten” – cf. protocol 150.427 SC18 van 27 september 2000)? ( 14)

 -

-

-

-

Aandachtspunten

Indien het samenwerkingsakkoord niet goed bepaald wordt, bestaat het risico dat de boven vermelde onduidelijkheid blijft bestaan. De maxima zijn sinds 1992 niet verhoogd aan de (inter)sectorale overeenkomsten. Een aantal weddenschalen overschrijden hierdoor de maxima. Door de diverse evolutie en inhoud van de sectorale akkoorden in de gemeenschappen en gewesten (wedden-verhoging, toelagen, sociale voordelen, …) zal het moeilijk zijn om één intersectorale lijn te bepalen. In deze is de vaststelling dat de gemeenschappen en gewesten gevraagd worden om steeds meer bij te dragen tot de federale pensioenkost van hun ambtenaren, een relevant gegeven. Een laatste meer principieel aandachtpunt is de congruentie met het loopbaan- en beloningsbeleid. Het betreft in eerste instantie het behoud van de indeling in niveaus (al dan niet gekoppeld aan diploma). Bovendien zal het aanhouden van maxima per niveau remmend werken ten aanzien van de doorgroei (gekoppeld aan steeds hogere verloning) binnen een niveau. Om een ongelijke toepassing door de federale overheid en de gemeenschappen en gewesten te vermijden is het wenselijk dat concrete afspraken gemaakt worden over de gevolgen van het niet naleven van de samenwerkingsovereenkomst.

Welke nieuwe beleidsopties kan Vlaanderen nemen? Optie 1 (Nuloptie): De bedragen vermeld in het KB 22 mei 1992 worden niet aangepast. Optie 2: De bedragen vermeld in het KB 22 mei 1992 worden aangepast aan de evolutie van de (intersectorale akkoorden). Optie 3: De bedragen vermeld in het KB 22 mei 1992 worden aangepast aan de evolutie van de (intersectorale akkoorden), en er komen concrete afspraken die duidelijkheid scheppen over de concrete toepassing en die de gemeenschappen en gewesten voldoende ruimte laten om hen toe te laten hun loopbaan- en beloningsbeleid autonoom te ontwikkelen..

11

Opname in art. 8 van de algemene pensioenwet 21 juli 1844 Arrest Leclercq (R.v.St., Leclercq, nr. 47.689 van 13 mei 1994, bevestigd in o.m. R.v.St. , Jadot, nr. 98.735 van 7 september 2001). 13 De minimale rechten verwijzen naar de gewaarborgde bezoldiging 21+ jaar, vakantiegeld, arbeidsduur en jaarlijkse vakantie. 14 Arbeidsduur, jaarlijkse vakantie, moederschapsrust, (bezoldigde) afwezigheid wegens ziekte, deeltijdse prestaties, LBO, haard/standplaatstoelage, gewaarborgde bezoldiging 21+ jaar, vakantiegeld en eindejaartoelage, enz. 12

45


Eerste optie (nuloptie)

Het niet aanpassen van de bedragen aan de (inter)sectorale overeenkomsten zou onredelijk zijn. Het zou de gemeenschappen en gewesten dwingen in een keurslijf dat vele maten te klein is (objectief wegens niet mee geëvolueerde bedragen; naar de toekomst wegens geen marge om een loopbaan- en beloningsbeleid te ontwikkelen).

Tweede optie

Het aanpassen van de bedragen aan de (inter)sectorale overeenkomsten is een “minimum minimorum”. Bij deze optie is het logisch dat er tevens een afspraak komt tot regelmatige actualisering aan de (inter)sectorale overeenkomsten. Blijft de vaststelling dat bij deze optie de gemeenschappen en gewesten weinig marge hebben om volledig autonoom een eigen loopbaan- en beloningsbeleid te ontwikkelen.

Derde optie

Deze optie is gesteund op de vaststelling dat de gemeenschappen en gewesten meer bijdragen in de pensioenkost van hun ambtenaren. De bedragen worden niet alleen geactualiseerd aan de evolutie (sinds 1992) van de (inter)sectorale overeenkomsten, maar zijn er ook afspraken over een regelmatige actualisering aan de toekomstige (inter)sectorale overeenkomsten, over een duidelijke toepassing en sanctionering van de bepalingen van het samenwerkingsakkoord, en zijn er afspraken die ruimte geven aan de gemeenschappen en gewesten om volledig autonoom een eigen loopbaan- en beloningsbeleid te ontwikkelen.

46


HOOFDSTUK 3. BINNENLAND Afdeling 1. Provinciale instellingen Wat zal er veranderen aan de Vlaamse bevoegdheid? 

Vóór de zesde staatshervorming

Het betreft een organieke aangelegenheid waarvoor vandaag de FOD Binnenlandse Zaken, Algemene Directie Instellingen en Bevolking bevoegd is.

Na de zesde staatshervorming

Tekst institutioneel akkoord (p. 45) “ De nodige grondwetsartikelen zullen worden gewijzigd teneinde de volledige uitoefening van de autonomie van de Gewesten ten aanzien van de provincies te garanderen, zonder afbreuk te doen aan de huidige specifieke bepalingen van de pacificatiewet en aan die van de functie van de gouverneurs”.

Alle bevoegdheden inzake de provincies worden overgeheveld naar de Gewesten met uitzondering van de huidige specifieke bepalingen in de pacificatiewet en van de bepalingen ten aanzien van de functie van de gouverneurs. Dit veronderstelt een wijziging van de Grondwet, namelijk artikelen 5 (tweede lid), 11bis, 41 (eerste en vijfde lid), 159, 162, 170§ 3 en 190. De artikelen 6, 7 en 156 zijn niet voor herziening vatbaar verklaard. Dit impliceert dat de Gewesten niet gerechtigd zijn om de provincies af te schaffen, die dus minstens als een louter territoriale of administratieve omschrijving behouden moeten blijven. Einde juli 2013 werden voorstellen tot herziening van de artikelen 5, tweede lid, 11bis, 41,162 en 170, §3 van de Grondwet bij de Senaat ingediend 15. Uit de memorie van toelichting bij het voorstel tot herziening van artikel 41 blijkt dat de Gewesten de bevoegdheid krijgen op grond van hun bevoegdheid bedoeld in art. 6 § 1, VIII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen om de provinciale instellingen af te schaffen of te wijzigen, of in geval van afschaffing te vervangen door bovengemeentelijke besturen. Dit vereist tevens een wijziging van artikel 6, §1, VII , van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen. Om de volledige autonomie van de gewesten ten overstaan van de provinciale instellingen te realiseren werd er bij de Senaat een voorstel tot wijziging ingediend betreffende de artikelen 20, 21, 27 en 35 van de BWHI. In artikel 6, §1 van het BWHI worden systematisch de begrippen bovengemeentelijk, bovengemeentelijk bestuur en bovengemeentelijk belang ingeschreven daar waar sprake is van de tegenhangers ervan op de gemeentelijke en provinciale bestuursniveaus. In de bepaling onder 1°, wordt het vierde lid aangevuld met de volgende zinnen: “Wanneer de provinciale instellingen worden afgeschaft of vervangen worden door bovengemeentelijke besturen, gebeurt dit zonder afbreuk te doen aan de functie van de provinciegouverneurs. Als een gewest de provinciale instellingen afschaft, heeft de gouverneur, binnen zijn ambtsgebied, de hoedanigheid van commissaris van de regering van de staat, de gemeenschap of het gewest.”

15

St. Senaat, 2012-2013, nrs. 2235/1, 2236/1, 2237/1, 2238/1 en 2239/1.

47


Verder wordt de functie van gouverneur van het administratief arrondissement BrusselHoofdstad geschrapt. In artikel 6, § 3, BWHI, waarin bepaald wordt waarover de betrokken (regeringen) en de bevoegde (federale overheid) overleg dienen te plegen wordt de bepaling 1°, opgeheven bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988 als volgt hersteld:“1° over de uitoefening van de provinciale gedeconcentreerde bevoegdheden, in geval van opheffing van de provinciale instellingen”.

Het handelt hier over de gedeconcentreerde bevoegdheden die desgevallend de federale regering of de gemeenschapsregeringen aan de provincies hebben toegekend. De Gewesten moeten bij de uitoefening van deze bevoegdheden, zich strikt beperken tot de contouren van het herziene artikel 41 van de Grondwet. Ze zijn dus onder meer niet gemachtigd om de mechanismen ingevoerd bij de pacificatiewet van 9 augustus 1988 tot wijziging van de gemeentewet, de nieuwe gemeentewet, de gemeentekieswet, de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de provinciewet, het Kieswetboek en de organieke wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen te wijzigen, af te schaffen of over te dragen. Ze zijn evenmin bevoegd ten aanzien van de regels bepaald in de artikelen 5, 5bis, 70, 3° en 8°, 126, tweede en derde lid, en titel XI van de provinciewet, noch aangaande de organisatie en het beleid met betrekking tot de politie of de brandweerdiensten. Gelet op het ingrijpend karakter van de eventuele afschaffing van de provincies en in voorkomend geval, de eventuele vervanging ervan door bovengemeentelijke besturen en rekening houdend met de grote autonomie die hierbij aan de gewesten wordt toegekend, achten de indieners van dit voorstel tot herziening van het grondwetsartikel 41, het noodzakelijk dat het Vlaams Parlement deze beslissing(en) neemt met een tweederde meerderheid op voorwaarde dat er een meerderheid van de parlementsleden aanwezig is. Herziening van de grondwetsartikelen 159 en 190 is overbodig aangezien in het voorstel tot herziening van artikel 162 GW bepaald wordt dat de artikelen 159 en 190 van toepassing zijn op verordeningen en voorschriften van de bovengemeentelijke besturen. Het betreft hier meer bepaald de toepassing door de hoven en de rechtbanken van de bovengemeentelijke besluiten op voorwaarde dat deze met de wetten overeenstemmen en dat deze slechts verbindend zijn nadat ze bekendgemaakt zijn in de vorm bij de wet bepaald. Het Rekenhof controleert de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, van de openbare instellingen die van de Federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten afhangen, alsook van de provincies. In geval van afschaffing van de provinciale instellingen en de vervanging ervan door bovengemeentelijke besturen kan het Vlaamse Gewest mits herziening van artikel 180 van de Grondwet, bij decreet bijkomende taken toekennen aan het Rekenhof. Voor de uitoefening van deze bijkomende taken ontvangt het Rekenhof een vergoeding. De hoogte van deze vergoeding wordt per decreet vastgelegd op eensluidend advies van het Hof.

 -

Wat moet nog besproken worden?

Opheffing functie van arrondissementscommissaris

De problematiek van de opheffing van de functie van arrondissementscommissaris wordt beschreven in de bijlagen (p. 4) In geval van de opheffing van de functie van arrondissementscommissaris dienen te wetswijzigingen doorgevoerd te worden.: 48


   

De gecoördineerde wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken Het Kieswetboek De gemeentekieswet De wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen

De VO (Vlaamse Overheid) wordt bevoegd om een andere invulling te geven aan – of de functie van arrondissementscommissaris op te heffen en de bevoegdheid van het Rekenhof ten overstaan van de provincies anders in te vullen of op te heffen. De adjunct-arrondissementscommissaris van Tongeren heeft evenwel specifieke taken, vermeld in artikelen 22, 23 en 24 van de Pacificatiewet. Deze artikelen betreffen wijzigingen in het Algemeen Kieswetboek , artikelen 15, 91, 92 (bis), 93 102, 107 en 196). Daarnaast zijn er ook specifieke taken toevertrouwd aan deze adjunct-arrondissementscommissaris in artikel 64 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken. In de voorstellen tot wijziging van de grondwet en de bijzondere wet op de hervorming van de instellingen is er evenwel nog geen sprake van de afschaffing van de functie van arrondissementscommissaris. -

Provinciale fiscaliteit:

Momenteel worden de provincies voor een significant gedeelte gefinancierd door inkomsten uit provinciebelastingen en overdrachten van belastingen geïnd door de federale overheid. Als het Gewest volledige autonomie verkrijgt ten overstaan van de provinciale instellingen valt de provinciale autonomie en dus ook de basis voor de provinciale belastingen weg. Kan Vlaanderen Vlaamse belastingen heffen in de plaats van de huidige provinciebelastingen. Verkrijgt Vlaanderen die bevoegdheid?

Aandachtspunten

Brede waaier aan mogelijke opties voor invulling van de bevoegdheid De opties die het Vlaamse Gewest kan nemen ten overstaan van de provinciale instellingen gaan van de status quo (ongewijzigd handhaven van de provinciale instelling, over het beperken van de taakstelling en de bevoegdheden(wijzigen), over een wijziging van grenzen van de provincies (in zoverre het geen staatsgrenzen of grenzen van het taalgebied betreft), de invulling als gedeconcentreerde instellingen, de afschaffing van de provinciale instellingen en de vervanging ervan door op te richten bovenlokale territoriale organen met gebiedsgerichte bevoegdheden (behorend tot de bovenlokale bevoegdheidssfeer), tot de afschaffing van de provinciale instellingen zonder meer, waardoor de term provincie enkel nog staat voor een door het Vlaams Gewest te omschrijven territorium. Iedere keuze voor een mogelijke optie of voor varianten erop heeft verschillende implicaties voor de Vlaamse overheid. In de huidige stand van de zaken heeft het Vlaams Gewest, gelet op het ontbreken van de volledige autonomie ten overstaan van de provinciale instellingen, nog geen beleidslijnen uitgezet over de toekomst van het intermediaire bestuursniveau, afgezien van de visie die we terugvinden in het Witboek Interne Staatshervorming ten aanzien van het provinciaal bestuursniveau waarbij in de Vlaamse bestuurlijke organisatie, de klemtoon ligt bij de gemeenten en de Vlaamse overheid: “De provincies bevinden zich als intermediair bestuursniveau tussen de gemeenten en de Vlaamse overheid. De interne staatshervorming leidt tot een sluitende lijst van provinciale bevoegdheden die een grondgebonden karakter hebben. De provincies fungeren daarbij ook als regisserend en afstemmend intermediair niveau. Dit betekent dat er een duidelijke bepalingkomt van het provinciaal belang. De notie van provinciaal belang wordt nu in artikel 2 van het provinciedecreet op drie

49


manieren ingevuld: (1) bovenlokale taakbehartiging, (2) ondersteunende taken op verzoek van gemeenten en (3) gebiedsgerichte samenwerking. In artikel 2 van het provinciedecreet worden twee bijkomende beperkingen ingeschreven. Ten eerste zullen de provincies op het vlak van de niet-grondgebonden aangelegenheden, zoals opgesomd in de artikelen 4 en 5 van de Bijzondere Wet op de Hervorming van de instellingen slechts bevoegdheden kunnen uitoefenen indien en voor zover hen deze door of krachtens de wet of het decreet werden toegekend. Ten tweede zal de Vlaamse Regering in een bestuursakkoord ook taken met betrekking tot deze materies kunnen toevertrouwen aan de provincies.”

Deze visie wordt in dit document gelijkgesteld aan de nuloptie, waarbij ervan uitgegaan wordt dat de VO haar gemaximaliseerde autonomie niet aanwendt om wijzigingen aan te brengen in de hier beschreven visie op het provinciaal bestuursniveau. Gelet op het brede scala van alternatieve invullingen die gegeven kunnen worden aan dit bestuursniveau, naast de status quo en de beperking tot een louter territoriale gebiedsomschrijving los van elke institutionele betekenis, beperkt dit document zich tot de beschrijving van de drie opties. Het betreft de twee uiterste opties “status quo” (1) en “afschaffing van de provinciale instellingen zonder meer” (3) en de optie die ingeschreven is in het voorstel tot herziening van artikel 41 GW, namelijk de vervanging van de provinciale instellingen door bovengemeentelijke besturen. Alle andere opties situeren zich tussen deze drie in een breed veld van mogelijkheden die binnen het bestek van dit document onmogelijk exhaustief te beschrijven zijn.

Welke nieuwe beleidsopties kan Vlaanderen nemen? Gelet op het brede scala aan mogelijkheden tot het hertekenen van het Vlaamse bestuurlijk landschap waarover de VO zal beschikken, wanneer zij volledige autonomie ten overstaan van de provinciale instellingen heeft verworven werd ervoor geopteerd om zich in de context van deze bijdrage aan het groenboek te beperken tot de beschrijving van drieopties. Het betreft de ijkpunten op een waaier van mogelijkhedennamelijk de nuloptie aan de ene zijde van het spectrum en de herleiding van het begrip provincie tot een louter territoriale omschrijving aan de andere met in het midden optie 2, die letterlijk voorzien is in de voorstellen tot herziening van de grondwet namelijk de vervanging van de provinciale instellingen door bovengemeentelijke besturen. Tussen de twee uiterste opties bevinden zich naast optie 2 tal van mogelijkheden om het intermediaire bestuursniveau op een alternatieve manier in te vullen via deconcentratie of decentralisatie. Ook begrippen als agglomeraties en federaties van gemeenten of stads- en streekgewesten naast eventuele nieuwe vormen van bovengemeentelijke territoriale organen vinden hun plaats in dit debat. De conclusies van de regioscreening bieden hiervoor een leidraad. De keuze voor de behandeling in dit bestek van een aantal mogelijke tussenvormen zou arbitrair zijn. Het is niet de bedoeling van deze bijdrage om door deze keuze een reeks van andere plausibele beleidsalternatieven naar de achtergrond te verschuiven noch om een voorkeur uit te spreken voor de nuloptie of haar tegenpool of de optie van de vervanging van de provinciale instellingen door bovengemeentelijke besturen. Het is wel de bedoeling om de vork waarbinnen de VO haar beleid kan bepalen aan te geven. Optie 1 (Nuloptie): De federale beleidsvisie en de federale beleidsinstrumenten worden ongewijzigd overgenomen. Dit betekent dat het provinciaal belang niet langer gewaarborgd zal worden door de Grondwet maar dat de provinciale instellingen blijven functioneren 50


weliswaar met de gesloten taakstelling, die het resultaat is van de interne staatshervorming. Optie 2 (Vervanging door bovengemeentelijke besturen): Het Vlaamse Gewest maakt gebruik van de mogelijkheid geboden door de herziening van artikel 41 GW door de provinciale instellingen af te schaffen en ze te vervangen door bovengemeentelijke besturen. Optie 3 (Afschaffing provinciale instellingen zonder meer) : De provincies worden louter territoriale gebiedsomschrijvingen en worden als bestuursniveau afgeschaft. In deze optie worden de provincieraden en deputaties opgeheven.De consequentie hiervan is het wegvallen van het provinciaal beleid, dat in vele gevallen gericht is op ondersteuning van de lokale en andere overheden, streekgericht is of aanvullend is op het sectoraal beleid van de Vlaamse overheid. Verder betekent dit dat alle provinciale verzelfstandigde agentschappen opgeheven worden en het provinciaal onderwijs zijn inrichtende macht verliest. De door de provincies ingerichte politie-, brandweer-, en ambulanciersopleidingen dienen door een ander bestuursniveau overgenomen te worden. Deze veiligheidsopleidingen worden door de federale overheid erkend. Het Vlaamse bestuurlijke organisatie zal enkel nog bestaan uit het gemeentelijke en het Vlaamse niveau.

ď‚§

Eerste optie (nuloptie)

Wat houdt deze optie in? De provincies functioneren tussen het gemeentelijk en het Vlaamse niveau als intermediair bestuursniveau. De provincieraadsleden worden rechtstreeks verkozen en de provincies kunnen provinciale belastingen heffen. Artikel 6, § 1, van de BWHI stelt dat de provincieraden alles regelen wat van provinciaal belang is; zij beraadslagen en besluiten over elk onderwerp dat hen door de federale overheid of door de gemeenschappen is voorgelegd. We kunnen in dat verband niet spreken van federale beleidsdoelstellingen. Het gaat hier over organieke regelgeving. De federale beleidsinstrumenten zijn de volgende en hebben betrekking op de ondersteuning van de diensten van de Provinciegouverneur: FinanciÍle ondersteuning van de provinciale brandweerscholen Informeren van de provinciale diensten (diensten van de Gouverneur) over het systeem van schadeloosstelling inzake algemene rampen om dit beter te doen functioneren om te komen tot een betere beantwoording aan de rechten van het slachtoffer. Verbeteren van CALIS (informaticasysteem voor het beheer van procedures voor schadeloosstelling. Co-beheer ten aanzien van het personeel van de diensten van de Provinciegouverneur. Leveren van ondersteunende diensten aan de werking van de instellingen die afhangen van de Minister van Binnenlandse Zaken, waaronder de Provinciegouverneurs. Deze federale beleidsopties kunnen niet overgenomen worden gelet op het institutioneel akkoord dat stelt dat inzake de autonomie van de Gewesten ten overstaan van de provinciale instellingen geen afbreuk gedaan mag worden aan de functie van de Provinciegouverneur.

51


Wat zijn de effecten? De stakeholders zijn de leden van de provinciale bestuursorganen, de provinciegouverneurs, de arrondissementscommissarissen, personeelsleden van sommige provinciale diensten of instellingen. Zij worden betrokken bij de bevoegdheidsoverdracht via de onderhandelingen tussen de provincies en de VO in het kader van de opmaak van een gesloten lijst van de provinciale bevoegdheden inzake grondgebonden materies en de decretale verankering van een aantal niet-grondgebonden bevoegdheden en de daarop gebaseerde beheersovereenkomsten in het kader van de interne staatshervorming. Bij gelijkblijvend beleid zijn er geen noemenswaardige effecten voor de samenleving noch significante financiĂŤle kosten of baten. Het betreft hier immers een organieke aangelegenheid en de budgettaire middelen daarvoor zijn in hoofdorde terug te vinden in de provinciale budgetten. Een eerste ruwe raming van de hieraan gekoppelde personeelsbehoeften (apparaatkredieten en huisvesting van personeel) komt neer op 1 bijkomende functie op niveau A1 voor de juridische ondersteuning van de regelgevende bevoegdheid van de Vlaamse overheid. De nuloptie heeft geen enkel effect op de coherentie van strategische en andere adviesraden noch op reeds genomen beleidsbeslissingen van de Vlaamse Regering. De bevoegdheidsoverdracht komt niet in conflict met de uitgangspunten van de interne staatshervorming.

Hoe wordt dit organisatorisch uitgewerkt? Aangezien het hier een organieke bevoegdheid betreft is het aangewezen om de bevoegdheid onder te brengen bij het Agentschap Binnenlands Bestuur.

ď‚§

Tweede optie

Wat houdt deze optie in? Het Vlaamse Gewest maakt gebruik van de mogelijkheid geboden door de herziening van artikel 41 GW door de provinciale instellingen af te schaffen en ze te vervangen door bovengemeentelijke besturen. Bij een decreet dat aangenomen wordt met een twee-derde meerderheid op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van het Vlaams Parlement deelneemt aan de stemming worden de provinciale instellingen afgeschaft en bovengemeentelijke besturen opgericht.

Wat zijn de effecten? De stakeholders zijn de leden van de provinciale bestuursorganen, de provinciegouverneurs, de arrondissementscommissarissen, personeelsleden van sommige provinciale diensten of instellingen. Ook de steden en gemeenten zijn stakeholders vermits er met hen overlegd zal moeten worden met het oog op de bepaling van de bevoegdheden en de voorwaarden waaronder de gemeente kan aansluiten tot een bovengemeentelijks bestuur. Hetzelfde geldt voor de intergemeentelijke verenigingen en de interbestuurlijke samenwerkingsverbanden waarbij gemeenten, provincies en de Vlaamse overheid betrokken zijn.

52


Het ligt in de lijn der verwachtingen dat deze bovengemeentelijke besturen bevoegdheden zullen uitoefenen die zich zullen situeren op het vlak van de bovenlokale belangenbehartiging en van de gebiedsgerichte samenwerking binnen af te bakenen regio’s. De conclusies in het kader van de Vlaamse regioscreening kunnen richtinggevend zijn voor deze indeling van het grondgebied in regio’s waarvoor bovengemeentelijke besturen bevoegd zijn. Deze keuze heeft geen effect op bepaalde beleidsdoelstellingen wel op bepaalde beleidsinstrumenten. Het bovengemeentelijk bestuursniveau zal een nieuw intermediair bestuursniveau vormen. Dit betekent dat de op basis van sectorale decreten, door de provincies opgerichte provinciale entiteiten met als doelstellingen ondersteuning en coördinatie van het Vlaams beleid, eveneens verdwijnen en de Vlaamse overheid deze ondersteunende en coördinerende activiteiten zal dienen over te nemen of de bovengemeentelijke besturen hiervoor bevoegd te maken. Voor wat de impact betreft van de afschaffing van de provinciale instellingen wordt verwezen naar de derde optie. De oprichting van bovengemeentelijke besturen vereist nieuwe organieke regelgeving, houdende de missie en de oprichting van deze bovengemeentelijke besturen. Verder moet daarin bepaald worden: de samenstelling, organisatie, bevoegdheid en werking van de instellingen van deze nieuwe openbare besturen, de verkiezing van de organen, de financiering ervan, de fiscaliteit en het toezicht op de handelingen, reglementen en verordeningen van de bovenlokale besturen. Concreet moet dus ingevuld worden: de bevoegdheden zijn van de bovengemeentelijke besturen; de bevoegdheden zijn van de organen van deze besturen; de samenstelling van deze organen; de bestuursperiode; de verhouding tot de Vlaamse overheid, de gemeentebesturen en de agglomeraties en federaties van gemeenten 16; de ambtelijke organisatie; de rechtspositie is van het personeel; waar de zetels van deze besturen gevestigd zullen zijn; de boekhoudkundige en verplichtingen inzake financiële en beleidsrapportering van toepassing zijn; de organisatiebeheersing (interne controle); het bestuurlijk toezicht zal verlopen; de rechtstreekse verkiezing van de raden; de voorwaarden waaronder de bovengemeentelijke besturen zich met elkaar kunnen verstaan en verenigen.. De bevoegdheid van het Vlaamse Gewest is op territoriaal vlak beperkt tot de Vlaamse provincies met uitzondering van de gemeenten genoemd in artikel 7 van de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en voor de gemeenten Komen-Waasten en Voeren. Dit impliceert dat uitsluitend de federale wetgever bevoegd is 16

Men kan ervan uitgaan dat recentere regelgeving voorrang heeft op vroegere. Dat geldt enkel in de gevallen waarbij de latere regelgeving duidelijk afwijkt van de vroegere. Het verdient dan ook aanbeveling om in de organieke regelgeving met betrekking tot de bovengemeentelijke besturen de wet van 26 juli 1971, houdende de organisatie van de agglomeraties en federaties van gemeenten, formeel te wijzigen en desgevallend op te heffen.

53


om te regelen of en in welke mate de zes randgemeenten en Voeren deel kunnen uitmaken van een bovengemeentelijk bestuur. Het voorstel van herziening van artikel 41 GW impliceert dat het bovengemeentelijk bestuur sowieso een raad heeft. Daarnaast stelt het voorstel tot herziening van artikel 162 GW dat het decreet dat de basis vormt voor de bovengemeentelijke besturen de toepassing verzekert van de volgende principes: rechtstreekse verkiezing van de leden van de desbetreffende raden; bevoegdheid van de desbetreffende raden voor alles wat van bovengemeentelijk belang is; decentralisatie van bevoegdheden naar de bovengemeentelijke besturen; de openbaarheid van de vergaderingen van de desbetreffende raden; de openbaarheid van de begrotingen en de rekeningen; het optreden van een toezichthoudende overheid of van de federale wetgevende macht op te beletten dat de wet wordt geschonden of het algemeen belang geschaad. Verder wordt in hetzelfde voorstel tot herziening van artikel 162 GW gesteld dat verscheidene bovengemeentelijke besturen zich kunnen verenigingen onder der voorwaarde en op de wijze die in een decreet wordt bepaald. Om niet geconfronteerd te worden met een bestuursvacuüm dient er een regeling uitgewerkt te worden waarbij een uitdoofscenario voor wat de provinciale instellingen betreft, gecoördineerd verloopt met de oprichting en de installatie van de nieuwe bovengemeentelijke besturen. - Impact op het personeel: Het aantal voltijdse personeelsleden tewerkgesteld door de Vlaamse provincies bedraagt ca. 6.000. (zie bijlagen, p. 6). Naargelang de bevoegdheden die toegewezen zullen worden aan de bovengemeentelijke besturen zal nagegaan dienen te worden welke categorieën van het provinciepersoneel over zullen gaan naar de personeelsformaties van de bovengemeentelijke besturen of van de Vlaamse overheid.

Hoe wordt dit organisatorisch uitgewerkt? Aangezien het hier een organieke bevoegdheid betreft is het aangewezen om de bevoegdheid onder te brengen bij het Agentschap Binnenlands Bestuur. Deze optie is evenwel dermate ingrijpend dat het aangewezen is om hierbij het departement Bestuurszaken te betrekken.

Derde optie

Wat houdt deze optie in? Een mogelijk nieuwe beleidsvisie is de omvorming van het provinciale bestuursniveau naar een louter administratieve indeling van het territorium. Om de rol en de wijze van overleg en advisering in te vullen dient op het niveau van de VO een politieke tweederde meerderheid te bestaan.. De betrokken partners voor overleg en advisering zijn de VVSG, de VVP, Vlabest, College van provinciegouverneurs. De stakeholders zijn de leden van de provinciale bestuursorganen, de provinciegouverneurs, de arrondissementscommissarissen ende personeelsleden van de provinciale instellingen.

54


Er bestaat weinig kans dat de vertegenwoordigers van het provinciale bestuursniveau zich zullen kunnen inschrijven in deze beleidsoptie.

Wat zijn de effecten? Deze keuze heeft geen effect op bepaalde beleidsdoelstellingen wel op bepaalde beleidsinstrumenten. Het schrappen van de provinciale instellingen als bestuursniveau heeft als gevolg dat met betrekking tot zowel de grond- en de persoonsgebonden materies enkel het gemeentelijke en het gewestelijk niveau overblijven. Dit betekent dat de op basis van sectorale decreten, door de provincies opgerichte provinciale entiteiten met als doelstellingen ondersteuning en coördinatie van het Vlaams beleid, eveneens verdwijnen en de Vlaamse overheid deze ondersteunende en coördinerende activiteiten zal dienen over te nemen. Voor een overzicht van het beleid van de VO, waaraan provincies een bijdrage leveren (zie bijlagen, p. 6) -

Andere effecten:  Afschaffing van de provincieraadsverkiezingen;  Verdwijnen van de deputatie niet alleen als provinciale instelling maar ook als administratief rechtscollege; (zie bijlagen)  Opheffing van de functie van arrondissementscommissaris, adjunctarrondissementscommissaris; (zie bijlagen)  Overgang van het provinciepersoneel naar het gemeentelijk of het Vlaamse bestuursniveau. (De Vlaamse provincies tellen ruw geschat 6.000 provinciepersoneelsleden)  Wijziging van: (omwille van de afschaffing van de functie van arrondissementscommissaris) o De gecoördineerde wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken o Het Kieswetboek o De gemeentekieswet o De wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen  In geval van schrapping van art. 162 1° van de Grondwet (beginsel van de rechtstreekse verkiezing van de provincieraden) boet het provinciaal bestuursniveau in aan democratische legitimiteit;  Er zouden efficiëntiewinsten geboekt worden (uitsparing van de kosten voor het in standhouden van provincieraden en deputaties);  Bepaalde activiteiten van de provincies zal de Vlaamse overheid slechts kunnen overnemen mits overname van het personeel en de gelden die hiervoor ingeschreven zijn in de provinciebudgetten;  Deze beleidsoptie heeft eveneens tot gevolg dat het provinciaal onderwijs haar inrichtende macht verliest. Het betreft hier meestal de inrichting van gespecialiseerd onderwijs met een relatief hoge kostprijs. Overname door de Vlaamse of gemeentelijke overheden dringt zich hier op. Het aantal voltijdse personeelsleden tewerkgesteld door de Vlaamse provincies bedraagt ca. 6.000. (zie bijlagen).

-

De kosten en baten voor de doelgroep, de overheid en de samenleving:  De financiële kosten en baten: Deze zijn afhankelijk van de keuzen die de VO maakt ten aanzien van de hogervermelde beleidsprocessen waarin de provincies al dan niet een rol spelen die financiële implicaties heeft.

55


Voor wat de financiën betreft, kan gesteld worden dat alle uitgaven van de provincies ter ondersteuning van het beleid van de VO opgenomen zijn in de provinciale budgetten. De som van de provinciale budgetten voor het werkingsjaar 2013 situeren zich om en bij 1.300.000.000 euro. Bij het afsluiten van het werkingsjaar 2010 vertegenwoordigden de provinciale activa een waarde van ca. 2.600.000.000 euro.  Impact op administratieve lasten: Hier geldt een analoge redenering.  Impact op personeel: Mits afschaffing van de provinciale instellingen zal er een oplossing gevonden moeten worden voor wat de tewerkstelling van het provinciepersoneel (met uitzondering van de diensten van de gouverneur) betreft. Afhankelijk van welke provinciale taken overgenomen worden door het gemeentelijke dan wel het Vlaamse bestuursniveau dient provinciepersoneel overgenomen te worden in het kader van een verevening.  Impact op het vlak van de centrale ICT-toepassingen, de individuele ICT-uitrusting en het informatiebeheer. Aanpassingen op het vlak van de ICT zullen afhankelijk zijn van de keuze die de VO overheid maakt inzake het verderzetten of anders organiseren van de bijdrage en ondersteuning van het provinciaal bestuursniveau op de diverse hoger beschreven beleidsdomeinen. - Effecten op andere beleidsthema’s:  In verschillende sectorale decreten is een rol weggelegd voor de provincies. De bevoegdheden van de provincies inzake grondgebonden materies alsook de bevoegdheden die decretaal verankerd zijn en vastgelegd in bestuursakkoorden tussen de Vlaamse overheid en de provincies dienen toegewezen te worden aan andere bestuursniveaus of aan de eventueel op te richten bovengemeentelijke besturen.

56


Afdeling 2. Gewestelijke volksraadpleging Wat zal er veranderen aan de Vlaamse bevoegdheid? 

Vóór de zesde staatshervorming

Deze bevoegdheid bestaat vandaag niet. De grondwet verleent bevoegdheid aan gemeenten en de provincies om respectievelijk gemeentelijke of een provinciale volksraadplegingen in te richten. De voorwaarden waaronder dit georganiseerd moet worden, zijn opgenomen in respectievelijk het gemeente- en het provinciedecreet.

Na de zesde staatshervorming

Tekst institutioneel akkoord (p. 46): “Volksraadpleging: Mogelijk voor de gewesten, over aangelegenheden van Gewestelijk belang”.

Voorgestelde wetteksten:  Nieuw artikel 39bis Grondwet: “Met uitsluiting van de aangelegenheden die betrekking hebben op de financiën of op de begroting of die met een meerderheid van tweederde van de uitgebrachte stemmen moeten worden geregeld, kan over de uitsluitend aan de gewestelijke organen opgedragen aangelegenheden, in het betrokken gewest, een volksraadpleging worden gehouden. De in artikel 134 bedoelde regel bepaalt de nadere regels en de organisatie van de volksraadpleging, en wordt aangenomen met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van het betrokken Parlement aanwezig is. Een wet, aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bedoelde meerderheid voorziet in bijkomende meerderheidsvereisten voor het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.”

Wat moet nog besproken worden?

Onduidelijk is wat bedoeld wordt met de begrippen als gemeentelijke, provinciale aangelegenheden. Een wettelijke definitie van de begrippen gemeentelijk of provinciaal belang wordt niet geboden door de Grondwet. Er bestaat in de wetgeving ook geen exhaustieve opsomming van de gemeentelijke bevoegdheden. Doorgaans gaat men ervan uit dat alles wat niet uitdrukkelijk op een ander overheidsniveau behandeld wordt, tot de bevoegdheid van de gemeente behoort. De provinciale bevoegdheden worden in algemene termen omschreven in artikel 2 van het Provinciedecreet als betrekking hebbend op de bovenlokale belangenbehartiging, initiatieven met het oog op de gebiedsgerichte samenwerking tussen besturen in een regio of op ondersteunende taken op verzoek van andere overheden. In dit verband moet rekening gehouden worden met de grondwettelijke bevoegdheid van gemeenten en provincies om eveneens volksraadplegingen in te richten. Stel dat het gewest een volksraadpleging wenst te organiseren over de problematiek van de mobiliteit in het Vlaams Gewest. Voorgestelde ingrepen in de verkeersinfrastructuur zouden hoewel ze heilzame gevolgen kunnen hebben voor de mobiliteit in het hele gewest, een sterke impact kunnen hebben op een bepaalde provincie of gemeente.

57


Aandachtspunten

Ten aanzien van de invoering van de gewestelijke volksraadpleging werden in het kader van de herziening van de Grondwet twee voorstellen ingediend bij de Kamer van Volksvertegenwoordigers 17. Het betreft het voorstel tot invoeging van een artikel 39bis GW en het voorstel tot herziening van artikel 142 GW. Het voorgestelde artikel 39bis GW bepaalt dat in het betrokken gewest over de uitsluitend aan de gewestelijke organen opgedragen materies een volksraadpleging gehouden kan worden. Uitgesloten zijn evenwel aangelegenheden die betrekking hebben op de financiën of op de begroting of die met een meerderheid van twee derde van de uitgebrachte stemmen moeten worden geregeld. Voor wat het Vlaamse Gewest betreft dient een decreet de nadere regels te bepalen alsook de organisatie van een gewestelijke volksraadpleging te regelen. Dit decreet dient aangenomen te worden met een meerderheid van twee derde van de uitgebrachte stemmen, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van het betrokken parlement aanwezig is. Het voorstel tot herziening van artikel 142 GW stelt dat het Grondwettelijk Hof bij wege van beslissing uitspraak doet over elk gewestelijke volksraadpleging voorafgaandelijk aan de organisatie ervan, onder de voorwaarden en op de wijze bepaald door de wet. De voorwaarden en de modaliteiten van deze nieuwe bevoegdheid worden bepaald in Hoofdstuk IV van titel I van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof en in hoofdstuk VIIIbis van titel V van dezelfde wet, zoals ze zullen worden aangenomen in het kader van deze hervorming.In titel I van deze bijzondere wet, wordt een hoofdstuk IV ingevoegd, luidende “Hoofdstuk IV. De controle op de volksraadplegingen.” Het Grondwettelijk Hof doet bij wege van beslissing uitspraak en gaat daarvoor, voorafgaandelijk aan de gewestelijke volksraadpleging na of de in artikel 1 bedoelde normen alsook de voorwaarden en modaliteiten van artikel 39bisGWgerespecteerd zijn. Het onderzoek van het Hof heeft zowel betrekking op de naleving van de normen die het gewoonlijk controleert als op de naleving van het organieke decreet. Het onderzoek van het Hof kan uiteraard geen betrekking hebben op de opportuniteit van de volksraadpleging. Het Hof gaat na of de vooropgestelde volksraadpleging betrekking heeft op een van de “uitsluitend aan de gewestelijke organen opgedragen aangelegenheden”, die uitvoerbaar is op gewestelijk niveau zonder medewerking van een andere deelstaat of van de federale overheid, en of de volksraadpleging geen betrekking heeft op de financiën of op de begroting of op de aangelegenheden die met een tweederdemeerderheid moeten worden aangenomen. Het Hof controleert verder of de andere bevoegdheidsverdelende regels, titel II en de artikelen 170, 172 en 191 GW, artikel 143 GW evenals, in samenhang met deze verschillende regels, de internationale en supranationale verplichtingen van België. De volksraadpleging mag niet leiden tot het in vraag stellen, het betwisten, het minimaliseren, het wijzigen van de draagwijdte of de interpretatie van de rechten en vrijheden, of in samenhang met deze normen (en meer bepaald de principes van gelijkheid en non-discriminatie). Er mag eveneens geen afbreuk gedaan worden aan de in artikel 16bisvan de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen en de in artikel 5bis van de bijzondere wet van 12 januari 1989, betreffende de Brusselse instellingen bedoelde garanties. Het Hof onderzoekt eveneens of de volksraadpleging wel degelijk niet bindend is. 17

St. kamer, 2012-2013, 2966/1 en 2969/1

58


Het verzoek daartoe wordt ingediend door de voorzitter van het Vlaams Parlement. Dat gedagtekend verzoek bevat het voorwerp van de volksraadpleging en de formulering van de vraag die gesteld zal worden alsook het administratief dossier. De griffier van het Grondwettelijk Hof brengt onmiddellijk de verzoeken ter kennis van de Ministerraad, van de gewest- en gemeenschapsregeringen, van de voorzitters van de andere wetgevende assemblees dan die waarvan de vraag uitgaat en van de initiatiefnemer van de volksraadpleging. Deze kunnen binnen tien dagen na ontvangst van de kennisgevingen door de griffier een memorie tot het Hof richten. De memories die niet binnen deze termijn werden ingediend worden uit de debatten geweerd. De memorie van toelichting bij het nieuwe artikel 39bis GW stelt dat de gewestelijke volksraadpleging geen betrekking mag hebben op aangelegenheden die de Grondwet aanmerkt als federale, gemeenschaps-, agglomeratie- of provincieaangelegenheden.

Welke nieuwe beleidsopties kan Vlaanderen nemen? Optie 1 (Nuloptie): Er is geen nuloptie vermits er geen federaal beleid bestaat ten overstaan van een volksraadpleging. De Grondwet laat geen federale volksraadpleging toe. Optie 2: De Vlaamse overheid maakt gebruik van zijn bevoegdheid tot het inrichten van een gewestelijke volksraadpleging.

ď‚§

Tweede optie

Wat houdt deze optie in? De Vlaamse overheid maakt gebruik van zijn bevoegdheid tot het inrichten van een gewestelijke volksraadpleging. Het beleidsinstrument is een decreet dat de voorwaarden bepaalt waaraan een gewestelijke volksraadpleging dient te voldoen. Meer over de veelheid van aspecten die in dat decreet geregeld moeten worden is terug te vinden in de bijlagen, p. 21. De doelgroep(en) in deze optie zijn moeilijk af te bakenen vermits een volksraadpleging mogelijk moet zijn over alle gewestelijke aangelegenheden. De Vlaamse gemeentebesturen zijn stakeholders. Zonder de medewerking van deze besturen is de organisatie van een volksraadpleging op gewestelijke schaal niet mogelijk. Op de gemeentebesturen dient een beroep gedaan te worden bij de organisatie van een Vlaamse volksraadpleging. Het overleg dat met specifieke belangengroepen gevoerd zal worden en het advies dat ingewonnen zal worden bij de geĂŤigende adviesorganen en de daarbij te volgen procedure is afhankelijk van wat ten aanzien van het betrokken beleidsthema sectoraal is bepaald. Zoals hoger vermeld zijn de gemeentebesturen voor wat de gewestelijke volksraadplegingen betreft, permanente stakeholders omwille van de logistieke ondersteuning die naar alle waarschijnlijkheid van hen zal worden gevraagd. Zij worden bij de organisatie ervan betrokken door de VO (Vlaamse Overheid) via de provinciegouverneurs.

59


Wat zijn de effecten? - Kosten voor de overheid en de samenleving:  Als we de globale kostprijs in rekening nemen van recente volksraadplegingen die gehouden werden door de gemeenten: Zulte, Lier, Gent en Antwerpen dan komen we tot de vaststelling dat de kostprijs voor de organisatie van een volksraadpleging op ca. 2 à 2,5 euro/inwoner geraamd kan worden. Indien men ervoor opteert om de volksraadpleging elektronisch te laten verlopen kan in geval er nieuwe hard- en software dient aangekocht te worden de prijs oplopen tot 4,5 euro/inwoner. De aankoop hiervan vertegenwoordigt een eenmalige kost. Voor Vlaanderen betekent dit ruw geschat zo’n 14 miljoen euro. (zie bijlagen, p. 41)  Volksraadplegingen kunnen afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van het representatief stelsel.  Bepaalde belangengroepen, bevolkingscategorieën zouden zich door de Vlaamse overheid gepasseerd kunnen voelen. De voorzichtige belangenafweging, na consultatie en overleg met diverse stakeholders, vertegenwoordigers uit het middenveld, alvorens de politieke verantwoordelijkheid op te nemen om een beleidsbeslissing te nemen, is niet aan de orde, wanneer de Vlaamse overheid haar beleidsbeslissingen afstemt op de uitslag van een volksraadpleging.  Een andere mogelijke kost is een breuk in de consistentie en de continuïteit van het gevoerde beleid van het Vlaams Gewest. - Baten voor de overheid en de samenleving:  Volksraadplegingen kunnen de afstand tussen de burger en de Vlaamse overheid verkleinen en het democratisch draagvlak van de beleidsbeslissingen verhogen. De organisatie van een volksraadpleging vereist dat de burger op een heldere en volledige manier geïnformeerd over de voor- en nadelen van een bepaalde beleidsoptie.  De nieuwe bevoegdheid heeft geen impact op de lopende projecten n.a.v. de interne staatshervorming noch op een meer geïntegreerd sectoraal beleid: o De nieuwe bevoegdheid voldoet aan het principe dat maximaal twee bestuursniveaus bevoegd mogen zijn voor bestuurslaag overschrijdende processen vermits de gewestelijke volksraadpleging enkel aangewend kan worden binnen de grenzen van de gewestelijke bevoegdheden. o Deze nieuwe bevoegdheid dient niet geheel noch gedeeltelijk overgedragen te worden naar het lokale en/of provinciale niveau. De mogelijkheid tot het inrichten van een gemeentelijke of provinciale volksraadpleging is reeds in de Grondwet ingeschreven. (artikel 41).

60


o De interne staatshervorming dient naar aanleiding van deze nieuwe bevoegdheid niet aangepast te worden uit hoofde van een geĂŻntegreerd sectoraal beleid.

Hoe wordt dit organisatorisch uitgewerkt? Het ligt in de lijn der verwachtingen dat het Agentschap Binnenlands Bestuur zal instaan voor de organisatie van eventuele gewestelijke volksraadplegingen, rekening houdend met zijn ervaringen met de lokale en de provinciale verkiezingen.

61


Afdeling 3. Europees Integratiefonds Wat zal er veranderen aan de Vlaamse bevoegdheid? 

Vóór de zesde staatshervorming

IMC Integratie in de Maatschappij - protocolakkoord Integratiefonds periode 2007-2013 Vanaf de nieuwe programmaperiode 2014-2020 wordt voorzien in de oprichting van een Europees Integratiefonds binnen een Migratiefonds.

Na de zesde staatshervorming

Tekst institutioneel akkoord (p. 45): “Europees Integratiefonds: Opheffen, middelen naar de Gemeenschappen overhevelen. De federale overheid houdt op middelen in te zetten voor projecten die tot de bevoegdheden van de Gemeenschappen of de Gewesten behoren”.

Voorgestelde wetteksten:  Het nieuwe artikel 40quinquies, eerste lid, 4° BFW, regelt de overheveling van de middelen  Het nieuwe artikel 48/1, § 1, eerste lid, 6° BFW, voorziet een overgangsmechanisme

Aandachtspunten

De invloed van deze opheffing op de concrete opdrachten, activiteiten, processen, … is als volgt: Opmaak van een aangepast protocolakkoord tussen de Gemeenschappen dat volgende elementen bevat: - Afspraken met betrekking tot de coördinatie ten aanzien van de Europese Commissie en de vertegenwoordiging in het SOLID committee. - Afspraken maken over de rapportering over de volledige programmatie bij afloop van het EIF programma (eind 2015). - Herberekening van het verdelingspercentage van de Europese middelen over de gemeenschappen, inclusief een herberekening met betrekking tot Brussel. - Herverdeling van de federale middelen en hierbij rekening houden met de cofinancieringsmiddelen van de federale overheid. - Afspraken maken over de verantwoordelijke autoriteit (één Gemeenschap neemt dit op zich of een beurtrolsysteem). - Uitbreiding voorzien van de taken van de beheers- en certificeringsautoriteit (ESFAgentschap). Dit kan geregeld worden in een Besluit van de Vlaamse Regering op basis van het aangepaste decreet van 10 september 2010. - Aanpassing van het EIF meerjarenplan en beheers- en controlesysteem. - Aanpassing van de regeling mbt de auditautoriteit. - Afspraken met de federale overheid dat zij over de nieuwe situatie aan de Europese Commissie zullen communiceren.

Welke nieuwe beleidsopties kan Vlaanderen nemen? Optie 1 (Nuloptie): De federale beleidsvisie en de federale beleidsinstrumenten worden ongewijzigd overgenomen. Bij de indiening van het Meerjarenprogramma 2007-2013 werd

62


het beheers- en controlesysteem voor België in een aparte format beschreven. In dit document wordt het ESF-Agentschap Vlaanderen aangeduid als beheers- en certificeringsautoriteit voor het Vlaamse luik van het Belgische EIF-programma. Optie 2: Voorstel om IMC-protocolakkoord voor de invoering van het Integratiefonds in België uit 2007 als basis te nemen + oprichting IMC-werkgroep die kan instaan voor de voorbereiding van de werkingsmodaliteiten van het Migratiefonds 2014-2020.

Eerste optie (nuloptie)

Bij de indiening van het Meerjarenprogramma 2007-2013 werd het beheers- en controlesysteem voor België in een aparte format beschreven. In dit document wordt het ESF-Agentschap Vlaanderen aangeduid als beheers- en certificeringsautoriteit voor het Vlaamse luik van het Belgische EIF-programma. Inspectie Financiën werd aangeduid als auditautoriteit. De rechtsgrond voor het beheer en de certificering werd geregeld door de wijziging van het Decreet van 8 november 2002 houdende de oprichting van de vzw ESF-agentschap bij het Decreet van 16 juli 2010 houdende diverse bepalingen inzake het beleidsdomein Werk en Sociale Economie. De aanstelling van Inspectie Financiën als auditautoriteit werd op 10 september 2010 geregeld via het Besluit van de Vlaamse Regering houdende de wijziging van het Besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2007 houdende de aanduiding van de Vlaamse Auditautoriteit voor de Europese Structuurfondsen en houdende de oprichting van de Auditcel van de Auditautoriteit. Het document met de beschrijving van het Belgische beheers- en controlesysteem voor het EIF werd nog niet formeel goedgekeurd door de Europese Commissie. In het ontwerp ontbrak een auditstrategie voor het Nederlandstalig luik van het EIF-programma. Na de formele aanstelling van de Vlaamse auditautoriteit werd de auditstrategie ingediend. In maart 2011 voerde de Europese Commissie een audit van het Belgische beheers- en controlesysteem uit. De Europese Commissie stelde vast dat het Belgische systeem goed functioneert, maar dat verbeteringen mogelijk zijn, vooral op het vlak van coördinatie tussen de verschillende luiken (federaal, Vlaams, Franstalig). Zeker wat betreft de auditstrategie, dient er een betere coördinatie te worden voorzien. De Europese Commissie vraagt daarom om de nodige aanpassingen te doen aan de auditstrategie. Vervolgens kan het beheers- en controlesysteem finaal worden goedgekeurd.

Tweede optie: Voorstel om IMC-protocolakkoord voor de invoering van het Integratiefonds in België uit 2007 als basis te nemen + oprichting IMC-werkgroep die kan instaan voor de voorbereiding van de werkingsmodaliteiten van het Migratiefonds 2014-2020

Aangezien het nieuwe Fonds voor asiel en migratie voortbouwt op onder andere het Integratiefonds periode 2007-2013, wordt voorgesteld het IMC-protocolakkoord voor de invoering van het Integratiefonds in België uit 2007 als basis te nemen. De werkingsmodaliteiten van het Europees Integratiefonds werden in 2006 door een IMC werkgroep voorbereid. De werkgroep legde een nota en protocolakkoord voor aan de IMC ‘Integratie in de Maatschappij’ op 14 november 2007. In het protocolakkoord werd beslist over de aanstelling van de autoriteiten die betrokken zijn bij het beheer van het Integratiefonds, evenals de modaliteiten voor het beheer en de samenwerking tussen de verschillende autoriteiten.

63


Het kan overwogen worden om enkel de federale middelen over te hevelen, maar technische bijstand voor de federale overheid te behouden zodat zij als beheersautoriteit kunnen blijven functioneren. Ook de regeling voor de auditautoriteit kan behouden blijven. Voorstel voor de werkingsmodaliteiten van het luik Integratie van het Fonds asiel en migratie (Migratiefonds) periode 2014-2020 De Vlaamse overheid stelt voor opnieuw een IMC werkgroep op te richten die kan instaan voor de voorbereiding van de werkingsmodaliteiten van het Migratiefonds periode 2014-2020 in België. Voor het luik Integratie heeft de Vlaamse overheid volgende voorstellen: -

Beheersautoriteit

Elke bevoegde politieke autoriteit zal voor het luik dat hem betreft, verantwoordelijk blijven voor het beheer, de opvolging, de evaluatie, de controle en de zichtbaarheid van zijn subprogramma. Voor wat betreft het luik Integratie zal de Vlaamse Gemeenschap de vzw ESF-Agentschap Vlaanderen opnieuw aanduiden als afgevaardigde autoriteit. -

Budget

De middelen die aan België worden toegekend voor het volledige Migratiefonds bedragen voor de periode 2014-2010, 79.592.179 euro De verdeling tussen de verschillende programmaonderdelen en jaarprogramma’s zijn nog niet bekend. -

Verdeling

In het IMC-protocolakkoord Integratiefonds periode 2007-2013 werd de formule vastgelegd die de verdeling van de Europese middelen mogelijk maakt, in functie van de demografische parameters die in de Europese reglementering worden vermeld. Deze verdeling moet opnieuw bekeken worden. -

64

Voorstel:  Oprichting van een IMC werkgroep dat de werkingsmodaliteiten van het Europees Fonds voor Asiel en Migratie in België zal voorbereiden.  De IMC werkgroep bereidt een protocolakkoord voor dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de Interministeriële Conferentie Integratie in de Maatschappij.


Afdeling 4. Federaal Impulsfonds Wat zal er veranderen aan de Vlaamse bevoegdheid? 

Vóór de zesde staatshervorming

Artikel 5, §1, II, 3° BWHI: “De persoonsgebonden aangelegenheden bedoeld in artikel 59bis, § 2bis van de Grondwet, zijn: (…) II. Wat de bijstand aan personen betreft: (…) 3° Het beleid inzake onthaal en integratie van inwijkelingen.”

Na de zesde staatshervorming

Tekst institutioneel akkoord en federaal regeerakkoord: “(p. 45): Federaal Impulsfonds Migrantenbeleid : opheffen, middelen naar de Gemeenschappen overhevelen [De kwestie van de huidige financiering van de FIM-projecten door de Nationale Loterij zal worden bestudeerd.] De federale overheid houdt op middelen in te zetten voor projecten die tot de bevoegdheden van de Gemeenschappen of de Gewesten behoren. (p. 51): Begrotingssynthese van de overhevelingen Federaal Impulsfonds voor Migrantenbeleid = 8,0 miljoen euro. (p. 129): Het Impulsfonds voor Migratiebeleid (IFM) en het beheer van het Europees Integratiefonds (EIF) worden naar de Gemeenschappen overgeheveld. (p. 164): De regering zal de continuïteit waarborgen van de door het federale Impulsfonds (IFMB) ondersteunde federale projecten ter bestrijding van de discriminaties en ter bevordering van de diversiteit.”

Voorgestelde wetteksten:  Het nieuwe artikel 40quinquies, eerste lid, 4° BFW, regelt de overheveling van de middelen  Het nieuwe artikel 48/1, § 1, eerste lid, 6° BFW, voorziet een overgangsmechanisme De memorie van toelichting bij het voorstel van bijzondere financieringswet: (p.7): “De financiering van de andere aan de gemeenschappen overgehevelde bevoegdheden (Justitiehuizen, jeugdbescherming, het Fonds voor Collectieve Uitrustingen en Diensten (FCUD), het Federaal Impulsfonds Migrantenbeleid (FIM) …) zal gebeuren via één of meerdere dotaties en verdeeld worden via sleutels die verbonden zijn met bevolking.”

Artikel 40quinquies, eerste lid, 4°, BFW bepaalt verder dat de overheveling van de middelen wordt gekaderd in de BTW-overdracht, waarbij de vaststelling van de dotatie in twee fasen zal gebeuren. In een eerste stap wordt de totale dotatie bepaald en vervolgens wordt deze dotatie verdeeld over de Vlaamse en de Franse gemeenschap. In de memorie van toelichting bij dit artikel wordt expliciet gesteld dat de middelen voor het Federaal Impulsfonds worden opgenomen in de totale dotatie: (p.46):

65


“ 4° de bijkomende middelen omwille van de overhevelingvan aangelegenheden inzake het Fonds voorCollectieve Uitrustingen en Diensten (FCUD), jeugdbescherming,het Federaal Impulsfonds Migrantenbeleid(FIM), de startbanen, het Europees Integratiefonds (EIF)en de loopbaanonderbreking.”.

Het basisbedrag van de dotatie (vanaf 2015) wordt vanaf 2016 jaarlijks geïndexeerd, aangepast aan 91 % van de groei van het bruto binnenlands product en de evolutie van het aantal inwoners jonger dan 18 jaar. Stap 2, verdeling van de dotatie tussen de Franse en Vlaamse gemeenschap, gebeurt op basis van de leerlingensleutel (op basis van de door het Rekenhof uitgevoerde telling van het aantal leerlingen voor het schooljaar dat aanvangt in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar)

Wat moet nog besproken worden?

-

De huidige financiering van de FIM-projecten gebeurt (grotendeels) door de Nationale Loterij. Het is niet duidelijk of de middelen waarvan sprake is in artikel 38, 4°, BFW die worden opgenomen in de dotatie, nog steeds van de Nationale Loterij zullen komen. Nationale Loterijmiddelen hebben een afgebakende bestemming. Het al dan niet afkomstig zijn van de middelen van de Nationale Loterij heeft bijgevolg impact op de gekozen opties (zie verder bij optie 4 en optie 5). Idealiter zou het FIM via reguliere middelen moeten kunnen worden gefinancierd.

-

De middelen afkomstig van het Federaal Impulsfonds zullen deel uitmaken van een globale dotatie. Het is niet duidelijk wat de ruimte is voor de besteding van die dotatie door Vlaanderen: zal er nog steeds een afgebakend bedrag (moeten) voorzien worden voor het Impulsfonds of niet? In elk geval kan er op dit moment, op basis van de ontwerpteksten niet bepaald worden over welk bedrag Vlaanderen zal kunnen beschikken voor een (eventueel) Impulsfonds.

-

Er wordt op pagina 164 van het federaal regeerakkoord verwezen naar de federale projecten in het Federaal Impulsfonds voor het Migrantenbeleid. De federale regering zal de continuïteit van de federale projecten ter bestrijding van discriminaties en ter bevordering van diversiteit waarborgen. Bestrijding van discriminatie is op zich geen federale bevoegdheid, maar gelieerd aan discriminatie in een bepaald beleidsdomein; dit kan een gemeenschaps- of gewestmaterie zijn, of ook een federale materie. Het verleden leert dat projecten die op het federale budget werden gesubsidieerd niet noodzakelijk projecten waren die tot federale bevoegdheden behoorden. Het ging tevens om voorzieningen die in het hele land activiteiten ontplooien of zelfs gewoon om grote projecten. Er dient dan ook duidelijkheid te worden geschapen over de juiste inhoud van de projecten die federaal zullen gesubsidieerd worden; dit om te vermijden dat de subsidiëring van usurperende bevoegdheden wordt bestendigd. Indien het zou gaan over gemeenschaps- (of gewest)materies die worden opgenomen door voorzieningen die niet enkel in Vlaanderen werken, is het mogelijk dat de gemeenschappen (en gewesten) hierover rechtstreekse afspraken maken.

66


Welke nieuwe beleidsopties kan Vlaanderen nemen? Optie 1 (Nuloptie): de federale beleidsvisie en de federale beleidsinstrumenten worden ongewijzigd overgenomen. Optie 2: optimalisering van de huidige werking van het FIM. Optie 3: experimentele projectsubsidies. Optie 4: inkanteling in het lokale integratiebeleid. Optie 5: stopzetting federaal Impulsfonds.

Eerste optie (nuloptie)

Wat houdt deze optie in? -

Achtergrondinfo

Op initiatief van de federale regering is in 1991 door een Interministeriële Conferentie een Fonds voor het Migrantenbeleid opgericht dat bestemd is voor steun aan projecten die een gunstig kader bieden voor de maatschappelijke integratie van personen van vreemde oorsprong, de preventie van discriminatie en de interculturele dialoog. De financiering van het FIM gebeurt o.a. via de winsten van de Nationale Loterij. Jaarlijks wordt bij de verdeling van deze winsten een bedrag toegekend aan het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding (verder afgekort: CGKR) dat in dit verband als secretariaat fungeert. Zowel in 2010 als in 2011 bedroeg het totaalbudget 8 mio euro. Hiervan was 5 mio euro afkomstig vanuit het budget van de Nationale Loterij. In 2010 en 2011 gebeurde er telkens een bijpassing van 3 mio euro door de federaal bevoegde minister. De verdeling van de middelen voor het FIM gebeurt sinds jaar en dag via een vaste verdeelsleutel: na aftrek van de middelen voor het CGKR (rol van secretariaat – 3%) en de federale projecten (22,2%), is 75% van de overblijvende middelen voorbehouden voor projecten in de 5 grote steden (Brussel, Antwerpen, Gent, Charleroi en Luik), de overige 25% is verdeeld over actiezones in Vlaanderen en Wallonië. Als resultaat van deze verdeling wordt een bedrag van 2.686.589,60 euro voorbehouden voor de Vlaamse Gemeenschap. Voor de actiezones in Vlaanderen wordt 951.264,02 euro voorzien, voor de steden Antwerpen en Gent samen 1.011.244,40 euro, voor Brussel (Vlaamse Gemeenschapscommissie) een budget van 724.081,18 euro. In 2012 bedroeg het totale bedrag voor de Vlaamse Gemeenschap 2.665.432,71 euro. Sinds 2002 is de Vlaamse Gemeenschap belast met de coördinatie van de selectie– en adviseringsprocedure van de Nederlandstalige projecten. In 2006 werd deze procedure bijgestuurd op basis van een nota aan de leden van de Vlaamse Regering (VR/2006/1301/DOC.0023) (zie bijlagen, p. 42). Jaarlijks worden in het kader van het FIM middelen toegekend voor de inhoudelijke opvolging, zowel in de steden Antwerpen, Gent en Brussel als voor actiezones in de rest van Vlaanderen. Voor de actieszones in Vlaanderen is die opvolging ingebed binnen het Agentschap voor Binnenlands Bestuur, afdeling SII, team Integratie.

67


-

Impulskarakter

Het FIM heeft een duidelijk impulskarakter. In de projectoproep 2006 werd dat als volgt omschreven: ‘Het fonds geeft gedurende een beperkte periode een impuls aan projecten die klaar omlijnd en vernieuwend zijn. Het fonds heeft dus niet de bedoeling om in een recurrente of structurele financiering te voorzien. Men wenst een impuls te geven om bepaalde projecten leven of nieuw leven in te blazen.’ Als gevolg van dit impulskarakter kunnen enkel projecten worden gesubsidieerd, met een maximale looptijd van 1 jaar. -

Actiezones

Bij de projectoproep worden actiezones afgebakend. Enkel projecten die plaatsvinden in één of meerdere van deze actiezones kunnen gesubsidieerd worden. Wat betreft de Nederlandstalige projecten werkt het huidige FIM met 27 prioritaire actiezones plus de grootsteden Antwerpen, Gent en Brussel. (zie bijlagen, p. 42) De zones in de grootstedelijke centra zijn verder gepreciseerd in deelgemeenten of wijken. Het concept van prioritaire actiezones van het FIM laat toe een extra stimulans te geven in specifieke steden en gemeenten. -

Doelgroep

Het doel van de projectoproep betreft de maatschappelijke integratie van ‘personen van vreemde afkomst of nationaliteit’. In Vlaanderen wordt binnen deze doelgroep nog bijzondere aandacht gegeven aan nieuwkomers en vrouwen. Gezien de projecten als doel hebben de sociale en culturele mix in de samenleving te versterken, zijn ook de autochtone Vlamingen impliciet doelgroep van de projectoproep. -

Projectindieners

Projecten kunnen worden ingediend door:  Leden van de Vlaamse Regering  Steden en gemeenten  OCMW  Provincies  Verenigingen met rechtspersoonlijkheid of verenigingen die erkend zijn door een openbare overheid, publieke of private instellingen, hetzij in eigen naam, hetzij in partnerschap met een openbare overheid -

Beleidsprioriteiten

Voor het FIM worden momenteel zowel federale als Vlaamse beleidsprioriteiten bepaald. Projecten moeten in beide sets van beleidsprioriteiten passen. Bij ongewijzigde overname blijven alle huidige beleidsprioriteiten behouden. (zie bijlagen, p. 42) -

Subsidiabele kosten  Personeelsmiddelen  Werkingsmiddelen  Investeringen

Maximaal 50% van de personeelskost van een project kan op het FIM worden verhaald. Voor de totale projectoproep geldt dat maximum 30% van de middelen mogen worden besteed aan personeelskosten en maximum 50% van de middelen mogen worden besteed aan investeringen.

68


-

Procedure  Jaarlijkse oproep door minister bevoegd voor het inburgerings- en integratiebeleid. De oproep verschijnt in het Staatsblad.  De volledige procedure wordt voorbereid en afgehandeld door het Agentschap voor Binnenlands Bestuur, afdeling Stedenbeleid, Inburgering en Integratie. Deze afdeling is momenteel reeds belast met de coördinatie van de selectie- en adviseringsprocedure van de Nederlandstalige projecten en zal bij overkomst van het FIM de volledige rol van algemeen secretariaat (nu opgenomen door het CGKR) opnemen.  Voor de selectie van de projecten uit de 27 actiezones in Vlaanderen wordt advies ingewonnen van de Vlaamse bevoegde administraties en de betrokken steden of gemeenten. De steden stellen voor hun advies een onafhankelijke selectiejury samen. De Vlaamse Regering neemt de definitieve beslissing over deze projecten.  Voor de selectie van de projecten uit de steden Brussel, Antwerpen en Gent wordt een bindend advies uitgebracht door respectievelijk de VGC, en het stadsbestuur van Antwerpen en Gent. De steden stellen daarvoor een onafhankelijke selectiejury samen.  Voor elk goedgekeurd project worden besluiten goedgekeurd, met daarin de te behalen resultaten en indicatoren.

Wat zijn de effecten? -

-

-

-

De Vlaamse overheid zal de rol van het CGKR als algemeen secretariaat moeten overnemen. Het secretariaat op het CGKR wordt voor de Vlaamse projecten momenteel door 1 VTE opgenomen. De middelen daarvoor worden van het FIM afgehouden. Binnen het Agentschap voor Binnenlands Bestuur zal daarvoor 1 VTE moeten worden aangeworven. De indiening en de administratieve opvolging van de projecten gebeurt momenteel aan de hand van ICT-applicatie Cen@tor (www.fim-fipi.be). Deze applicatie wordt door het CGKR uitbesteed aan een externe firma IT Optics. Voor de licentie, het onderhoudscontract, het netwerkbeheer, de externe server worden de middelen momenteel betaald vanuit de werkingsmiddelen van het FIM. Er zal moeten nagegaan worden of deze ICT-software kan worden overgenomen door de Vlaamse overheid. Indien dat niet mogelijk of aangewezen is, moet de Vlaamse Overheid een nieuwe applicatie ontwikkelen. Het FIM moet een juridische verankering hebben binnen de Vlaamse regelgeving. Het kan worden ingebed in het ontwerp van decreet betreffende het Vlaamse Integratie- en Inburgeringsbeleid, zoals dat nu voorligt bij het Vlaams Parlement (hierin is een artikel opgenomen dat projectfinanciering mogelijk maakt). Dit moet tevens in het te ontwerpen BVR worden meegenomen. De communicatie over het FIM zal vlotter en eenduidiger verlopen (één Vlaams secretariaat, enkel Vlaamse beslissing).

Tweede optie: optimalisering van de huidige werking van het FIM

Wat houdt deze optie in? -

Impulskarakter

Er moet duidelijkheid komen omtrent de definitie van het begrip ‘impuls’. Een impuls moet eindig zijn in de tijd, maar dat impliceert niet dat de subsidiëring moet beperkt zijn tot een jaar. Een impuls kan ook een eenmalige financiering zijn die over verschillende jaren loopt. Het FIM zou kunnen evolueren naar een systeem waar een verschillende projectduur

69


mogelijk is, met een maximum van 3 jaar. De middelen kunnen worden aangewend om experimenteerruimte te bieden, maar tevens als opstap naar een reguliere subsidiëring. -

Actiezones

Het gebruik van prioritaire actiezones heeft een meerwaarde. De huidige actiezones zijn echter gedateerd. Het is aangewezen om de zones uit te breiden tot alle steden en gemeenten met een lokaal integratiebeleid. Momenteel zijn dat 52 steden en gemeenten. (zie bijlagen, p. 42) -

Projectindieners

Een aanzienlijk deel van de projecten in het FIM wordt ingediend door verenigingen van etnisch-culturele minderheden. De kwaliteit van deze dossiers kan echter nog verbeteren. Het is dan ook aangewezen dat er in de toekomst meer werk wordt gemaakt van ondersteuning van deze organisaties bij zowel de projectopstelling (het dossier) als de projectuitvoering. De steden en gemeenten met een lokaal integratiebeleid kunnen hier een rol in spelen. Deze ondersteuning kan eventueel naar de toekomst toe nog uitgebreid worden door de federaties, ondersteund door het Forum ven Etnisch-culturele Minderheden, te responsabiliseren ten aanzien van hun doelgroep. Tot slot kan er ook, in de richtlijnen voor de juryleden, op aangestuurd worden om de doelgroep beter te betrekken bij de selectieprocedure. -

Beleidsprioriteiten

Gezien de Vlaamse overheid de beleidsprioriteiten kan bepalen, wordt het mogelijk deze te beperken en te vereenvoudigen. De algemene doelstellingen van het FIM (integratie bevorderen, discriminatie bestrijden en interculturele dialoog verzekeren) blijven wel behouden. Een jaarlijkse aanpassing blijft wenselijk in functie van de maatschappelijke noden of de accenten die de overheid wil leggen. -

Subsidiabele kosten

Op het gebied van infrastructuur en investeringen biedt het FIM een unieke opportuniteit voor vele organisaties. De huidige richtlijn dat maximaal 50% van de totale subsidiepot gebruikt mag worden voor investeringen en infrastructuur moet behouden blijven. Hier is een gedegen opvolging op lange termijn noodzakelijk, evenals een duidelijke en transparante procedure in het geval de voorwaarden voor infrastructuurprojecten niet nageleefd worden. Daarnaast kan, volgens de huidige regels, maximaal 30% van de subsidiepot worden besteed aan personeelsmiddelen. Er wordt voorgesteld dit percentage op te trekken tot 50%. De huidige reglementering bevoordeelt sterkere, grotere vzw ’s en besturen, gezien zij makkelijker in de cofinanciering voor de personeelskosten kunnen voorzien. Het subsidiëren van personeelskosten is vaak onontbeerlijk voor de kwalitatieve uitvoering van de projecten. Er wordt dan ook voorgesteld om de personeelskosten van de individuele projecten voor 100% te subsidiëren.

Wat zijn de effecten? -

70

Vlaanderen maakt duidelijke keuzes in functie van actuele beleidsuitdagingen in het kader van het (lokaal) integratiebeleid. Er is een betere afstemming tussen het lokale integratiebeleid en het FIM doordat vanuit alle steden en gemeenten met een lokaal integratiebeleid projecten kunnen worden ingediend.


-

-

Kleinere organisaties (waaronder eigen organisaties van etnisch-culturele minderheden) worden beter ondersteund en hebben een grotere kans om een project te kunnen uitvoeren. 1 jaar is te kort voor een volwaardig experiment; met de verlenging van de maximale duur tot 3 jaar zal de kwaliteit van de projecten en het FIM als instrument voor het beleid toenemen. Nadeel is wel dat tijdens de eerste twee jaar van het nieuwe systeem er minder projecten zullen kunnen worden goedgekeurd.

Derde optie: experimentele projectsubsidies

Wat houdt deze optie in? Het FIM wordt geschoeid op de leest van de projectoproep ‘Gezocht: managers van diversiteit’. -

Actiezones

Er is niet langer sprake van actiezones. Er kan vanuit het hele Vlaamse grondgebied worden ingediend. Focus ligt eerder op de kwaliteit van de projecten dan op de territoriale inplanting ervan. -

Projectindieners  Steden en gemeenten  OCMW  Verenigingen met rechtspersoonlijkheid of verenigingen die erkend zijn door een openbare overheid, publieke of private instellingen, op individuele basis of in samenwerking met een openbare overheid

-

Beleidsprioriteiten

De culturele en etnische diversiteit in onze samenleving is een feit. De aanhoudende externe immigratie, in combinatie met een groeiende groep nieuwe Vlamingen, maakt dat Vlaanderen nog verder zal verkleuren. Met het integratiebeleid wil de Vlaamse overheid inwerken op de gevolgen van migratie. Een doeltreffend en efficiënt integratiebeleid is noodzakelijk om tot een leefbare samenleving te komen. Het stimuleren van samenleven in diversiteit is één van de expliciete doelstellingen van het integratiebeleid. De doelstelling en de beleidsfocus worden ingezet rond 1 strategische doelstelling nl. ‘het samenleven in diversiteit’. De impulsdimensie wordt vnl. ingezet in het versterken van de dynamieken van de sociale samenhang van de samenleving. De afgelopen jaren werd in de projectoproep ‘Gezocht: managers van diversiteit’ telkens ingezet op één specifieke beleidsprioriteit (o.m. huwelijksmigratie, samen inburgeren, oefenkansen Nederlands). Op die manier werd gefocust op specifieke uitdagingen waarvoor het beleid stond. Er werd gekozen voor het werken in de diepte, i.p.v. in de breedte. -

Subsidiabele kosten  Personeelsmiddelen  Werkingsmiddelen

71


-

Doelgroep

Gezien de projectoproep focust op ‘het samenleven in diversiteit’ is de gehele samenleving doelgroep van de projectoproep. Sterker dan in het huidige concept van het FIM wordt de focus gelegd op projecten die zowel autochtone als allochtone Vlamingen bereiken. -

Procedure

In de huidige adviseringsprocedure van de oproep ‘Gezocht: managers van diversiteit’ is er geen structureel advies van de steden en gemeenten voorzien. Het is aangewezen om, indien het FIM wordt omgeturnd in de richting van ‘Managers van Diversiteit’ toch een structureel advies in te bouwen van de steden en gemeenten met een lokaal integratiebeleid. Het integratiebeleid kiest immers voor een duidelijke regiefunctie van steden en gemeenten voor hun lokale integratiebeleid. Voor de advisering op Vlaams niveau wordt gebruikt gemaakt van een jury, samengesteld uit experten (in functie van de gekozen beleidsprioriteit) en de betrokken Vlaamse administraties. De volledige administratieve opvolging kan, zonder meerkost, worden opgenomen door het Agentschap voor Binnenlands Bestuur, afdeling Steden, Inburgering en Integratie. Deze afdeling behandelt nu reeds de projecten in het kader van de oproep ‘Gezocht: managers van diversiteit’. -

Opvolging van de projecten

De opvolging en begeleiding van de projecten kan mee gebeuren door het Kruispunt Migratie en Integratie. Het Kruispunt MI neemt die rol ook al op voor de huidige projecten in het kader van de oproep ‘Gezocht: managers van diversiteit’.

Wat zijn de effecten? -

De geconcentreerde inzet van middelen, op die plaatsen waar zich een grootste problematiek voordoet, is niet langer mogelijk. Projecten kunnen vanuit heel Vlaanderen worden ingediend; focus ligt op de kwaliteit van de projecten. Er wordt sterk gefocust op één of een beperkt aantal beleidsprioriteiten, gekozen in functie van actuele uitdagingen. Er zal een sterker beleidsondersteunend effect zijn. Investeringsprojecten kunnen niet meer. Het huidige FIM werd voor 50% aangewend voor investeringskosten, vaak van kleinere vzw’s. Het aantal mogelijke indieners wordt beperkt. Zo kunnen o.m. provincies niet langer indienen, wat spoort met de ‘interne staatshervorming’. Wellicht zal er, door de hogere kwaliteitseisen, minder mogelijkheid zijn voor kleinere vzw’s (o.m. eigen organisaties van etnisch-culturele minderheden). Er is geen vast voorbehouden bedrag voor de 3 steden; als gevolg daarvan zullen de middelen die naar die steden gaan hoogstwaarschijnlijk afnemen.

Vierde optie: inkanteling in het lokale integratiebeleid

Wat houdt deze optie in? Het FIM wordt ingekanteld in het lokale integratiebeleid. Het lokale integratiebeleid zal vanaf januari 2014 worden opgenomen in de strategische meerjarenplanning van de steden en gemeenten. De regelgeving voor het lokale integratiebeleid is opgenomen in het integratiedecreet van 28 april 1998, gewijzigd door de decreten van 30 april 2009 en 6 juli 2012. Als bijlage is het BVR van 26 oktober 2012 opgenomen (zie bijlagen, p. 53), waarin

72


o.m. de beleidsprioriteiten voor 2014-2019 zijn opgenomen en de verdelingscriteria voor de middelen worden bepaald. -

Impulskarakter

De inkanteling in het lokale integratiebeleid geeft de steden en gemeenten ademruimte om middelen in te zetten voor experimentele projecten. De volledige regie ligt bij de steden en gemeenten. Zij bepalen zelf waarop ze willen inzetten (uiteraard binnen de Vlaamse beleidsprioriteiten die een ruim kader bieden), wie ze dat willen laten uitvoeren en voor welk bedrag. Op die manier vormt het FIM een logische aanvulling op het in de strategische meerjarenplanning uitgewerkte lokale integratiebeleid. -

Actiezones

De impulsmiddelen worden toegekend aan de 52 Vlaamse steden en gemeenten die bij de beleidscyclus 2014-2019 een lokale integratiesubsidie zullen ontvangen (zie bijlagen, p. 52) .Gezien de Brusselse gemeenten geen middelen voor een lokaal integratiebeleid kunnen ontvangen, zal voor Brussel een aparte regeling worden uitgewerkt via een subsidiëring aan de VGC. De VGC kan op die manier, binnen haar regiefunctie voor het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, projectsubsidies uitkeren aan organisaties die mee uitvoering geven aan haar integratiebeleid. De berekening van de subsidies per stad of gemeente gebeurt op basis van objectieve criteria i.v.m. achterstand, aanwezigheid en concentratie van ‘personen van vreemde herkomst’. De bijlage geeft een simulatie van de verdeling van de huidige middelen van het FIM over de betrokken 52 gemeenten. Het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad zou in dit scenario het huidige bedrag uit het FIM behouden. -

Projectindieners

De 52 steden en gemeenten en de VGC bepalen wie projecten kan uitvoeren. Voor de totstandkoming en uitvoering van het lokale integratiebeleid is de participatie van bijzondere doelgroepen van het integratiebeleid (zie verder onder doelgroep) wel verplicht. -

Beleidsprioriteiten

Het integratiebeleid is een inclusief beleid. Dit beleid wordt gerealiseerd binnen de verschillende beleidssectoren, grotendeels via algemene maatregelen maar als dat nodig is via een specifiek aanbod. Hierbij is er nood aan een regisseur. Dit mandaat wordt in het integratiedecreet toegekend aan het lokale bestuur. Dat betekent dat de steden of gemeenten binnen de grenzen van het subsidiariteitsbeginsel voor de uitwerking, sturing, afstemming en uitvoering van het inclusieve lokale integratiebeleid zorgen. Ze coördineren hiertoe de relevante actoren in de eigen stad of gemeente en betrekken de doelgroep van het integratiebeleid en hun organisaties bij dat beleid. Er worden voor de uitvoering van het lokale integratiebeleid vijf Vlaamse beleidsprioriteiten geformuleerd (zie BVR van 26.10.2012 – bijlagen, p. 53). Elk van de 52 steden en gemeenten geeft in haar strategische meerjarenplanning een lokale invulling aan de Vlaamse beleidsprioriteiten, door het formuleren van doelstellingen, actieplannen en acties. Om de coherentie met het gevoerde lokale integratiebeleid te waarborgen, kunnen de impulsprojecten als acties geïntegreerd worden binnen de strategische meerjarenplanning 2014-2019 van de gemeenten. Deze acties kunnen dan een onderdeel vormen van de lokale actieplanning die zal worden opgesteld.

73


-

Subsidiabele kosten  Personeelsmiddelen  Werkingsmiddelen  Investeringen

De middelen worden de steden en gemeenten besteed in het kader van de strategische meerjarenplanning 2014-2019. De middelen kunnen besteed worden tot eind 2019. -

Doelgroep

Doelgroep van het lokale integratiebeleid is de gehele bevolking. Hierbij moet er bijzondere aandacht worden gegeven aan volgende categorieën: 1° personen die legaal en langdurig in België verblijven en die bij hun geboorte niet de Belgische nationaliteit bezaten of van wie minstens een van de ouders bij geboorte niet de Belgische nationaliteit bezat, in het bijzonder diegenen die zich in een vaststelbare achterstandspositie bevinden; 2° personen die legaal in België verblijven en die wonen of woonden in een woonwagen of waarvan de ouders dat deden. Daarnaast richt het integratiebeleid zich ook op vreemdelingen zonder wettig verblijf, meer bepaald vreemdelingen die zich in België bevinden zonder wettig verblijfsstatuut en die wegens een noodsituatie begeleiding vragen. -

Procedure

Er is geen aparte projectoproep meer vanuit de Vlaamse overheid. De projectcriteria en de voorwaarden worden door de gemeente, als regisseur, lokaal zelf ingevuld. Elke gemeente bepaalt zelf de invulling en de inzet van de middelen. De gemeente kan een samenwerking aangaan met derden, met andere organisaties voor de uitbesteding van een aantal taken i.f.v. het voeren van een lokaal integratiebeleid. -

Opvolging van de projecten

Het Agentschap voor Binnenlands Bestuur is bevoegd voor het financieel toezicht. De acties worden door het agentschap jaarlijks opgevolgd via de voortgangsrapportage in het kader van de strategische meerjarenplanning.

Wat zijn de effecten? -

-

-

74

Er is een geconcentreerde inzet van middelen, op die plaatsen waar zich de grootste problematiek voordoet. Er wordt aansluiting gezocht bij het lokale integratiebeleid; de keuze van de Vlaamse overheid om de regierol voor het lokale integratiebeleid bij de lokale besturen te leggen wordt consequent doorgetrokken. Projecten kaderen binnen een lokaal ontwikkeld beleid, wat de coherentie van de maatregelen garandeert. Er is een herverdeling tussen de actiezones op basis van objectieve criteria. Antwerpen en Gent verliezen een deel van de middelen, gezien er niet langer een voorafname wordt gegarandeerd. Het is mogelijk dat onafhankelijke projectindieners minder kans krijgen. Steden en gemeenten kunnen ervoor opteren om de projecten in eigen beheer uit te voeren. Mogelijk wordt vooral op projecten ingezet die uitvoering geven aan het reguliere beleid. Hierdoor kan de innovatie en de creativiteit onder druk komen te staan.


Knelpunt Inkanteling in het lokale integratiebeleid vergt een reguliere financiering, die minstens zeker is voor de lokale legislatuur. Indien de middelen voor het FIM vanuit de Nationale Loterij blijven komen, kan het bedrag jaarlijks schommelen. Een mogelijkheid om dit op te vangen is slechts een deel van het FIM in het lokale integratiebeleid in te kantelen en een andere deel als projectoproep te behouden.

Vijfde optie: stopzetting Federaal Impulsfonds

Wat houdt deze optie in? Er moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de middelen niet of slechts beperkt zouden overkomen naar Vlaanderen. In dat geval kan het FIM zonder grote problemen worden stopgezet, het zijn immers impulsmiddelen die toegekend worden aan projecten die maximum 1 jaar lopen.

Wat zijn de effecten? -

-

-

-

Antwerpen, Gent en de VGC verliezen projectmiddelen die momenteel mee bijdragen tot de uitvoering van hun lokaal integratiebeleid. Gezien de middelen voor deze 3 zones vastliggen én hun advies bindend is, kunnen zij immers zelf bepalen welke projecten worden geselecteerd. Antwerpen en Gent verliezen personeelsmiddelen en (beperkte) werkingsmiddelen voor de opvolging en de coördinatie van het FIM. Deze middelen worden via het FIM betaald. In totaal ging het om respectievelijk 30.000 (Antwerpen) en 29.777 euro voor 2012. Het Agentschap voor Binnenlands Bestuur verliest middelen om 1 VTE te betalen, met beperkte werkingsmiddelen. In totaal ging het om 66.949,5 euro in 2012. Deze middelen worden momenteel aangewend voor de coördinatie en opvolging van het FIM voor zone Vlaanderen. In de praktijk doen veel kleine organisaties beroep op het FIM, vaak voor het uitvoering van noodzakelijke investeringen. Die mogelijkheid verdwijnt.

Opmerking Gezien het gaat om middelen uit de winsten van de Nationale Loterij kunnen deze enkel worden ingezet voor de doeleinden die door de Nationale Loterij worden vastgesteld. Het is m.a.w. niet mogelijk om bij een beperkte overkomst van de middelen deze middelen elders in te zetten.

75


Afdeling 5. Grootstedenbeleid Wat zal er veranderen aan de Vlaamse bevoegdheid? 

Vóór de zesde staatshervorming

Het federaal Grootstedenbeleid vindt zijn grondslag in de Wet van 17 juli 2000 "tot bepaling van de voorwaarden waaronder de plaatselijke overheden een financiële bijstand kunnen genieten van de Staat in het kader van het stedelijk beleid". De uitvoeringsmodaliteiten daarvoor zijn opgenomen in het Koninklijk Besluit van 12 augustus 2000. Hierin werden de elf steden opgesomd waarmee overeenkomsten kunnen worden afgesloten. Bij Koninklijk Besluit van 26 september 2001 zijn enkele steden aan de lijst toegevoegd. In een volgende fase is met de Programmawet van 27 december 2004 overgegaan tot driejarenprogramma’s stadscontracten. De uitvoeringsmodaliteiten hiervoor zijn geregeld in het KB van 28 april 2005. Met de programmawet van 22 december 2008 is dit dan omgevormd tot de contracten “Duurzame stad”

Na de zesde staatshervorming

Tekst institutioneel akkoord (p. 45): “Naar de deelstaten - De federale overheid houdt op middelen in te zetten voor projecten die tot de bevoegdheden van de Gemeenschappen of de Gewesten behoren. Grootstedenbeleid – 87,5 miljoen euro (totaal voor Vlaanderen, Wallonië en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest).”

(p. 47): “Materies waarvoor de Gewesten in de toekomst de exclusieve bevoegdheid zullen hebben en waarvoor de uitgaven zullen worden overgeheveld: Belastingvermindering – grootstedenbeleid (renovatie van woningen); 18 Belastingvermindering – Grootstedenbeleid (renovatie van woningen) – 0,6 miljoen euro”

Voorgestelde wetteksten:  Het nieuwe artikel 35octies BFW regelt de overheveling van middelen  Nieuw artikel 5/5, § 4, 6° BFW: “§4. De gewesten zijn exclusief bevoegd voor de belastingverminderingen en belastingkredieten met betrekking tot de volgende uitgaven: 6° uitgaven voor vernieuwing van woningen gelegen in een zone voor positief grootstedelijk beleid;”

Uittreksel memorie van toelichting bij het voorstel van bijzondere financieringswet: “De nieuwe bijkomende middelen bedragen in totaal 625 979 428 euro. Deze nieuwe bijkomende middelen vloeien onder meer voort uit de overheveling van aangelegenheden inzake: (…) - het grootstedenbeleid; (…)” (p. 38) “2° Belastingverminderingen en belastingkredieten waarvoor enkel de gewesten bevoegd zijn In een aantal domeinen zullen enkel nog de gewesten belastingverminderingen of belastingkredieten kunnen verlenen. Deze domeinen zijn gelieerd aan de fiscale uitgaven die overeenkomstig het Institutioneel Akkoord naar de gewesten worden overgeheveld. Het betreft met name: (…) 18

Dit onderdeel wordt besproken in Deel 7, hoofdstuk 1, over de bijzondere financieringswet.

76


Deze uitgaven houden verband met de bestaande materiële bevoegdheden van de gewesten inzake monumenten en landschappen, stadsvernieuwing, huisvesting en rationeel energiegebruik (artikel 6, § 1, I, 4° en 7°, IV en VII, eerste lid, h), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen), en met de nieuwe naar de gewesten over te hevelen bevoegdheden inzake werkgelegenheid en grootstedenbeleid.” (p. 26)

Wat moet nog besproken worden?

De over te hevelen bevoegdheden en bedragen moeten verder geconcretiseerd worden. Voor de overdracht ‘Grootstedenbeleid – 87,5 miljoen euro’ gaat het wellicht over de overdracht van de middelen voor de contracten ‘duurzame stad’. Dit is niet gevat onder de usurperende bevoegdheden. Voor fiscaliteit gaat het wellicht om twee concrete fiscale maatregelen die de federale regering via de programmawet van 8 april 2003 heeft gelanceerd om het wonen in steden en de renovatie van woningen in probleembuurten te bevorderen: uitstel van herschatting van het kadastraal inkomen bij renovaties, belastingvermindering voor verbeteringswerken aan een woning). Verder zijn er nog enkele andere zaken van Grootstedenbeleid waarvan nauwer moet onderzocht worden hoe de bevoegdheidsoverdracht gebeurt: tewerkstelling (170 startbaanovereenkomsten); gemeentelijk administratieve sancties (momenteel onthalen 27 gerechtelijke arrondissementen/politiezones één bemiddelaar die betoelaagd wordt door het Grootstedenbeleid + gespecialiseerde begeleiding (taskforce) van de gemeenten bij de toepassing van de administratieve sancties); trajectbegeleiding van geregulariseerden (drie OCMW’s ontvangen tezamen jaarlijks 382.000 euro voor deze opdracht).

Aandachtspunten

-

Het programma Grootstedenbeleid is zeer gericht op sociale cohesie in de achtergestelde stadsbuurten en richt zich tot kwetsbare doelgroepen (bv. nieuwkomers). Dit aspect gaat best niet verloren bij de bevoegdheidsoverdracht.

-

Een beperkt deel van de middelen wordt ingezet voor tewerkstelling, vnl. in achtergestelde buurten (vb. wijkwerkers, …). Een humane bevoegheidsoverdracht raakt bij voorkeur niet aan tewerkstelling (in achtergestelde buurten).

Welke nieuwe beleidsopties kan Vlaanderen nemen? Optie 1 (Nuloptie): De contracten ‘duurzame stad’ en de aanpak hiervoor worden overgenomen door het Vlaamse stedenbeleid. Optie 2:De middelen en bedragen voor de betrokken steden uit de contracten ‘duurzame stad’ worden toegevoegd aan het Vlaams stedenfonds. Optie 3:De middelen uit de contracten ‘duurzame stad’ worden toegevoegd aan het stedenfonds en verdeeld onder de 13 centrumsteden op basis van de verdeelcriteria van het stedenfonds. Optie 4: De middelen uit de contracten ‘duurzame stad’ worden toegevoegd aan het stedenfonds en verdeeld onder nieuwe steden met grootstedelijke uitdagingen.

77


Optie 5: Met de middelen uit de contracten ‘duurzame stad’ wordt beleidsruimte gecreëerd om een stadsregionaal hefboombudget te creëren. Optie 6: De middelen uit de contracten ‘duurzame stad’ worden toegevoegd aan de subsidiemiddelen voor stadsvernieuwingsprojecten. Optie 7: De middelen uit de contracten ‘duurzame stad’ worden gebruikt om een cofinancieringsbundel te creëren voor Europese projecten uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) voor de prioriteit ‘duurzame stedelijke ontwikkeling’ 20142020. Optie 8: De middelen uit de contracten ‘duurzame stad’ worden gebruikt om de toekomstige stadsprogramma’s als opvolger van de stadscontracten te ondersteunen.

Eerste optie (Nuloptie): De contracten ‘duurzame stad’ en de aanpak hiervoor worden overgenomen door het Vlaamse stedenbeleid.

Wat houdt deze optie in? De contracten ‘duurzame stad’ en de aanpak hiervoor worden overgenomen door het Vlaamse stedenbeleid. In de veronderstelling dat de bevoegdheid zou worden overgedragen vanaf 2013 dan betekent dit een voorziening van 22.393.513 euro (excl. personeelskost voor 1 VTE). De contracten ‘duurzame stad’ kunnen in principe overgenomen worden zonder de bevoegdheidsgrenzen te overschrijden. In de nuloptie zouden de middelen gaan naar Antwerpen, Gent, Mechelen, Oostende en Sint-Niklaas.

Wat zijn de effecten? - De effecten zijn gelijkaardig aan deze van de contracten ‘duurzame stad’ nu, met name hefboomprojecten in achtergestelde buurten in de betrokken steden. Mocht de overdracht van de middelen slechts zorgen voor een éénmalige vastlegging, dan zijn de effecten uitdovend na een jaar. Er is een administratieve kost voor de betrokken steden en de betrokken entiteit op Vlaams niveau om de contracten ‘duurzame stad’ vorm te geven en op te volgen. Dit is immers (nog) niet gevat door het planlastendecreet. - De bedragen voor de betrokken steden zijn ramingen op basis van verdelingen in het verleden (op basis van verdeling 25/04/2012):  Antwerpen: 2 x 7,6 miljoen euro  Gent: 2 x 1,5 miljoen euro  Mechelen: 2 x 200.000 euro  Oostende: 2 x 360.000 euro  Sint-Niklaas: 2 x 400.000 euro Contracten Duurzame Stad – historisch overzicht (bedragen voor 2013 liggen nog niet vast, contracten moeten nog goedgekeurd worden)

Antwerpen Gent 78

Duurzame Stad Duurzame Stad Duurzame Stad Duurzame Stad 2009 2010 2011 2012 16.785.905 16.785.905 15.791.941 15.297.976 8.334.690 7.277.371 5.233.372 3.189.372


Oostende Mechelen Sint-Niklaas Totaal

2.622.978 731.234 784.849 29.259.656

413.116 731.234 784.849 25.992.475

398.116 731.234 784.849 22.939.512

383.116 731.234 784.849 20.386.547

- De nuloptie draagt niet bij tot een geïntegreerd sectoraal beleid maar heeft bijzondere aandacht voor achtergestelde buurten in aandachtsteden. Dit is de kracht en hefboomwaarde ervan.

Hoe wordt dit organisatorisch uitgewerkt? De nuloptie sluit aan bij de uitgangspunten van de interne staatshervorming (max. 2 bestuursniveaus, subsidiariteitsbeginsel), maar houdt bijvoorbeeld geen rekening met het planlastendecreet. Voor deze optie moet een nieuwe decretale basis gecreëerd worden.

Tweede optie: De middelen en bedragen voor de betrokken steden uit de contracten ‘duurzame stad’ worden toegevoegd aan het Vlaams stedenfonds

Wat houdt deze optie in? De middelen en bedragen voor de betrokken steden uit de contracten ‘duurzame stad’ worden toegevoegd aan het Vlaams stedenfonds.

Wat zijn de effecten? - De aandacht blijft gaan naar de vijf betrokken steden van het huidige federaal grootstedenbeleid. De hefboomfunctie blijft daar bewaard. Maar door de inbedding in het stedenfonds met behoud van het juiste aandeel per stad, is er geen extra planlast en speelt het subsidiariteitsbeginsel maximaal. - De extra bedragen voor de betrokken steden bovenop het stedenfonds liggen in de lijn van onderstaande ramingen (op basis van verdeling 25/04/2012)  Antwerpen: 2 x 7,6 miljoen euro  Gent: 2 x 1,5 miljoen euro  Mechelen: 2 x 200.000 euro  Oostende: 2 x 360.000 euro  Sint-Niklaas: 2 x 400.000 euro Contracten Duurzame Stad – historisch overzicht (bedragen voor 2013 liggen nog niet vast, contracten moeten nog goedgekeurd worden) Duurzame Stad Duurzame Stad Duurzame Stad Duurzame Stad 2009 2010 2011 2012 Antwerpen 16.785.905 16.785.905 15.791.941 15.297.976 Gent 8.334.690 7.277.371 5.233.372 3.189.372 Oostende 2.622.978 413.116 398.116 383.116 Mechelen 731.234 731.234 731.234 731.234 Sint-Niklaas 784.849 784.849 784.849 784.849 Totaal 29.259.656 25.992.475 22.939.512 20.386.547 - Een gevolg van deze keuze is dat de betrokken steden de middelen niet meer prioritair moeten inzetten in achtergestelde buurten. Dit blijft wel een mogelijkheid.

79


- Op zich draagt dit deze optie beter bij tot een geïntegreerd sectoraal beleid. Hoe wordt dit organisatorisch uitgewerkt? Deze optie sluit aan bij de uitgangspunten van de interne staatshervorming (max. 2 bestuursniveaus, subsidiariteitsbeginsel), en sluit aan bij het planlastendecreet. De Vlaamse prioriteiten voor het stedenfonds zullen de inzet van de middelen bepalen. Deze optie vraagt wel een herziening van het decreet en uitvoeringsbesluit met betrekking tot het stedenfonds (wijziging vastleggingskrediet & verdeelsleutel). Deze optie ligt niet voor de hand omdat de stedenfondsmiddelen voor Mechelen en Oostende samenhangen met het waarborggedeelte van het vroeger Sociaal Impulsfonds. Doordat het evolutiepercentage voor het stedenfonds 3,5% bedraagt (artikel 5 decreet) heeft dit een jaarlijkse impact op de Vlaamse begroting.

Derde optie: De middelen uit de contracten ‘duurzame stad’ worden toegevoegd aan het stedenfonds en verdeeld onder de 13 centrumsteden op basis van de verdeelcriteria van het stedenfonds

Wat houdt deze optie in? De middelen uit de contracten ‘duurzame stad’ worden toegevoegd aan het stedenfonds en verdeeld onder de 13 centrumsteden op basis van de verdeelcriteria van het stedenfonds.

Wat zijn de effecten? - De middelen worden verdeeld onder de 13 centrumsteden (en de VGC: samen te bekijken met regionalisering middelen naar Brussels Hoofdstedelijk Gewest) die in aanmerking komen voor het stedenfonds. De hefboomfunctie van de middelen komt alle 13 centrumsteden tegemoet. - De middelen worden in deze optie niet meer ingezet in de vijf huidige rechthebbende steden van het federaal grootstedenbeleid. Vooral voor Mechelen en Oostende is dit nadelig gezien zij in het stedenfonds nog recht hebben op het gewaarborgd aandeel als SIF+ gemeente. Daardoor zijn zij samen met Genk de enige steden waarbij het aandeel stedenfondsmiddelen tot nu toe jaarlijks gelijk blijft. - Een gevolg van deze keuze is dat de steden de middelen ook niet meer prioritair moeten inzetten in achtergestelde buurten. Dit kan wel nog steeds.

- Op zich draagt deze optie ook beter bij tot een geïntegreerd sectoraal beleid. Hoe wordt dit organisatorisch uitgewerkt? Deze optie sluit aan bij de uitgangspunten van de interne staatshervorming (max. 2 bestuursniveaus, subsidiariteitsbeginsel), en sluit aan bij het planlastendecreet. Deze optie vraagt ook een herziening van het decreet en uitvoeringsbesluit met betrekking tot het stedenfonds (wijziging vastleggingskrediet). Doordat het evolutiepercentage voor het stedenfonds 3,5% bedraagt (artikel 5 decreet) heeft dit een jaarlijkse impact op de Vlaamse begroting. Dit is eventueel op te vangen door de middelen uit de contracten ‘duurzame stad’ als een voorafname in te schrijven (dus zonder indexering). Op dat vlak blijven die middelen uit de contracten duurzame stad nog een tijd

80


een belangrijke hefboomwaarde behouden, bezwaren ze niet de Vlaamse begroting en is de meerwaarde ook uitdovend door inflatie.

Vierde optie: De middelen uit de contracten ‘duurzame stad’ worden toegevoegd aan het stedenfonds en verdeeld onder nieuwe steden met grootstedelijke uitdagingen

Wat houdt deze optie in? De middelen uit de contracten ‘duurzame stad’ worden toegevoegd aan het stedenfonds en verdeeld onder nieuwe steden met grootstedelijke uitdagingen (vb. Vilvoorde: In de socioeconomische typologie van gemeenten van Belfius is Vilvoorde gecatalogiseerd als regionale stad net zoals andere centrumsteden als Aalst, Genk, Kortrijk, Mechelen, Roeselare, Sint-Niklaas en Turnhout).

Wat zijn de effecten? - Er komen hefboommiddelen voor andere (kleinere) steden met grootstedelijke uitdagingen. Een nadeel is dat de vijf huidige rechthebbende steden van het federaal grootstedenbeleid middelen en dus ook hefboomwaarde verliezen. - Dit vergt een herziening van het decreet en uitvoeringsbesluit met betrekking tot het stedenfonds. - Op zich draagt deze optie ook bij tot een geïntegreerd sectoraal beleid.

Hoe wordt dit organisatorisch uitgewerkt? Deze optie sluit aan bij de uitgangspunten van de interne staatshervorming (max. 2 bestuursniveaus, subsidiariteitsbeginsel), en sluit aan bij het planlastendecreet. Deze optie vraagt een herziening van het decreet en uitvoeringsbesluit met betrekking tot het stedenfonds en heeft een negatieve impact op de huidige begunstigde steden.

Vijfde optie: Met de middelen uit de contracten ‘duurzame stad’ wordt beleidsruimte gecreëerd om een stadsregionaal hefboombudget te creëren

Wat houdt deze optie in? Met de middelen uit de contracten ‘duurzame stad’ wordt beleidsruimte gecreëerd om een stadsregioneel hefboombudget te creëren. Dit kan ook eventueel op BI 309 ‘Initiatieven in het kader van stedenbeleid’.

Wat zijn de effecten? - Om stedelijke uitdagingen aan te pakken is vaak een stadsregionale aanpak nodig. Dit sluit aan bij de ambities van het groenboek ruimte Vlaanderen. In de ‘strategische projecten ruimtelijke ordening’ heeft RWO aandacht voor een stadsregionale aanpak. In het kader van de interne staatshervorming en het beleidsplan ruimte (groenboek) wint een stadsregionale aanpak zonder bijkomende structureren aan belang. Het budget voor de contracten ‘duurzame stad’ zou kunnen ingezet worden als een hefboombudget voor stadsregio’s om bijvoorbeeld te werken aan stadsregionale duurzame mobiliteit, een stadsregionaal woonbeleid, een stadsregionale kansarmoede- en integratieaanpak, e.d.

81


- Complementair versterkend beleid door de Vlaams minister van Stedenbeleid met andere beleidsdomeinen wordt mogelijk. - Op zich kan deze optie ook bijdragen tot een geïntegreerd sectoraal beleid.

Hoe wordt dit organisatorisch uitgewerkt? Deze optie sluit op het eerste zicht minder aan bij de uitgangspunten van de interne staatshervorming (max. 2 bestuursniveaus, subsidiariteitsbeginsel). Maar bij een juiste uitwerking van het concept hoeft het zeker geen extra bestuursniveau te betekenen, maar kan het net perfect aansluiten bij de bestaande bestuursniveaus. Voor deze optie moet een nieuwe decretale basis gecreëerd worden. Er kan eventueel aansluiting gevonden worden bij de strategische projecten stadsregio’s van Ruimte Vlaanderen of de geïntegreerde territoriale investeringen in het kader van het cohesiebeleid 2014-2020.

Zesde optie: De middelen uit de contracten ‘duurzame stad’ worden toegevoegd aan de subsidiemiddelen voor stadsvernieuwingsprojecten.

Wat houdt deze optie in? De middelen uit de contracten ‘duurzame stad’ worden toegevoegd aan de subsidiemiddelen voor stadsvernieuwingsprojecten.

Wat zijn de effecten? -

De extra middelen zouden van stadsvernieuwing een grotere hefboom kunnen maken. Ook de conceptbegeleiding als instrument zou kunnen versterkt worden.

-

Op zich kan deze optie ook bijdragen tot een geïntegreerd sectoraal beleid.

Hoe wordt dit organisatorisch uitgewerkt? Deze optie sluit aan bij de uitgangspunten van de interne staatshervorming (max. 2 bestuursniveaus, subsidiariteitsbeginsel). In principe is er geen aanpassing van het decreet en uitvoeringsbesluit voor stadsvernieuwing noodzakelijk. Stadsregionale stadsvernieuwingsprojecten zouden via een partnerschap tussen stad en randgemeente(n) door de stad kunnen ingediend worden.

Zevende optie: De middelen uit de contracten ‘duurzame stad’ worden gebruikt om een cofinancieringsbundel te creëren voor Europese projecten uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) voor de prioriteit ‘duurzame stedelijke ontwikkeling’ 2014-2020

Wat houdt deze optie in? De middelen uit de contracten ‘duurzame stad’ worden gebruikt om een cofinancieringsbundel te creëren voor Europese projecten uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) voor de prioriteit ‘duurzame stedelijke ontwikkeling’ 20142020.

82


Wat zijn de effecten? - Bij aanvang van EFRO 2007-2013 had Vlaanderen een cofinancieringsbudget voor de projecten uit de prioriteit ‘stedelijke ontwikkeling’. Met de komst van de nieuwe Vlaamse regering en de gewenste besparingen in het kader van de begrotingsuitdagingen is dit cofinancieringsbudget weg gesaneerd. Vlaanderen heeft steeds een goede benuttigingsgraad gehad van Europese middelen. Goede cofinanciering was hierbij één van de stimulerende factoren. Anderzijds is het beter de cofinancieringsregeling voor het toekomstige cohesiebeleid 2014-2020 globaal te bekijken. Het specifieke hefboomeffect van de contracten ‘duurzame stad’ zou verdwijnen door het op te nemen als een cofinancieringsbudget.

- Op zich kan deze optie bijdragen tot een geïntegreerd sectoraal beleid. Hoe wordt dit organisatorisch uitgewerkt? Deze optie sluit aan bij de uitgangspunten van de interne staatshervorming (max. 2 bestuursniveaus, subsidiariteitsbeginsel). Voor deze optie moet een decretale basis voorzien worden bij het begrotingsdecreet.

Achtste optie: De middelen uit de contracten ‘duurzame stad’ worden gebruikt om de toekomstige stadsprogramma’s als opvolger van de stadscontracten te ondersteunen

Wat houdt deze optie in? De middelen uit de contracten ‘duurzame stad’ worden gebruikt om de toekomstige stadsprogramma’s als opvolger van de stadscontracten te ondersteunen. Dit sluit aan bij de ambities uit de beleidsbrief ‘steden’ 2012-2013, alsook bij de motie 1781 van mevrouw Michèle Hostekint, de heren Marc Hendrickx en Veli Yüksel en de dames Liesbeth Homans, Veerle Heeren en Griet Coppé met de vraag om voldoende ruimte vrij te maken voor de opvolger van de stadscontracten 2008- 2012, met name de komende stadsprogramma’s. Die moeten een platform vormen om acties en middelen te bundelen rond een onderhandelde gezamenlijke doelstelling voor Vlaanderen en zijn steden;

Wat zijn de effecten? - De introductie van een programma-benadering als opvolger van de stadscontracten tussen steden en Vlaanderen is een belangrijke bestuurlijke vernieuwing. Het programma beschrijft de gezamenlijke doelstellingen die het stadsbestuur (als vertegenwoordiger van een breder publiek-privaat lokaal netwerk) en de Vlaamse overheid willen realiseren binnen maatschappelijke uitdagingen (ruimte, sociaal, klimaat). Het programma biedt een kader om verschillende activiteiten en projecten op elkaar af te stemmen die samen tot de realisatie van een welbepaalde lange termijn en strategische doelstelling kunnen leiden. Het stadsprogramma vertrekt steeds van een gedeeld, gemeenschappelijk belang en zal enkel betrekking hebben op die doelstellingen en acties waar de lokale en de Vlaamse overheid samen willen aan werken en mekaar daar ook voor nodig hebben. De stadsprogramma’s ondersteunen het proces dat moet leiden tot het aligneren van acties en middelen van verschillende overheden rond een onderhandelde gezamenlijke doelstelling. Ze dus geen nieuw instrument waarvoor per definitie bijkomende financiële middelen moeten worden gezocht of dat een nieuwe administratieve last met zich meebrengt. Mogelijks kunnen bijkomende middelen wel helpen om andere sleutelacties op sleeptouw te nemen. 83


- Een nadeel is dat de vijf huidige rechthebbende steden van het federaal grootstedenbeleid de middelen uit de contracten ‘duurzame stad’ en dus ook hefboomwaarde verliezen.

- Op zich kan deze optie bijdragen tot een geïntegreerd sectoraal beleid. Hoe wordt dit organisatorisch uitgewerkt? Deze optie sluit aan bij de uitgangspunten van de interne staatshervorming (max. 2 bestuursniveaus, subsidiariteitsbeginsel). Ook voor deze optie moet een decretale basis gecreëerd worden.

84


Afdeling 6. Rampenfonds Wat zal er veranderen aan de Vlaamse bevoegdheid? 

Vóór de zesde staatshervorming

Noch het rampenfonds, noch het landbouwrampenfonds worden uitdrukkelijk vermeld in de Grondwet of in de BWHI bij het bepalen van gewestelijke of federale materies. Deze materie behoort dan ook tot de residuaire bevoegdheden van de federale staat.

Na de zesde staatshervorming

Tekst institutioneel akkoord (p.44): “Landbouwrampenfonds: Naar de Gewesten Rampenfonds: Naar de Gewesten”

Volgens de tabel met financiële middelen die opgenomen werd in het institutioneel akkoord beschikt het Rampenfonds over 11,8 miljoen euro middelen waarmee het personeel, de werking en de gebouwen betaald worden. Voorgestelde wetteksten:  Nieuw artikel 6, § 1, II, 5° BWHI: “De aangelegenheden bedoeld in artikel 107quater van de Grondwet zijn: II. Wat het leefmilieu en het waterbeleid betreft: 5º De financiële tegemoetkoming naar aanleiding van schade veroorzaakt door algemene rampen”.

 Het nieuwe artikel 35octies BFW regelt de overheveling van de middelen

Wat moet nog besproken worden?

In het institutioneel akkoord werd het bedrag van 11,8 miljoen euro opgenomen voor wat betreft de geraamde over te dragen budgetten aangaande de opdracht van het rampenfonds (Nationaal Fonds voor Algemene Rampen). Daarnaast wordt geen melding gemaakt van het aantal mensen of middelen dat overgedragen zal worden voor de opdrachten van het landbouwrampenfonds (Nationaal Fonds voor Landbouwrampen). We beschikken evenmin over informatie over de middelen (apparaat / personeel) van de diensten van de gouverneur voor de afhandeling van de vergoedingsdossiers in het kader van het rampenfonds. De bedragen in de tabellen zijn immers wellicht enkel bedoeld voor het beleid dat overkomt. Hierin zitten dus nog geen personeelskosten en personeelsequiperingskosten (ICT, huisvesting, logistiek) in. Dit zou in een latere fase worden vastgelegd.

 -

Aandachtspunten

Zoals beschreven in artikel 37 en 38 van de wet van 12 juli 1976, kunnen zowel het Landbouwrampenfonds als het Rampenfonds gespijsd worden door schatkistvoorschotten of leningen op korte termijn (ten laste van de algemene thesaurie), dotaties ingeschreven op de begroting van de FOD Financiën, schenkingen en legaten, de opbrengst van beleggingen van bezittingen, een gedeelte van de opbrengst van de Nationale Loterij en/of de toewijzing van een gedeelte van de jaarlijkse taks op de verzekeringsverrichtingen. 85


Naar verluid gebeurt de huidige financiering voornamelijk via leningen ten laste van de algemene thesaurie; slechts een beperkte bijdrage wordt momenteel geleverd via de Nationale Loterij. Via actuele berichtgeving in de pers wordt gecommuniceerd dat de Nationale kas voor Rampenschade op dit moment geen middelen zou bevatten. Ondanks dit gebrek aan middelen worden er als gevolg van versoepelde regelgeving de laatste jaren meer rampen erkend, waardoor er maandelijks ca 2 miljoen euro uitgekeerd wordt. Het “Nationaal Fonds voor Landbouwrampen” heeft als (voornaamste inkomen) een dotatie van de Nationale Loterij. In geval van een erkende ramp is het soms nodig een beroep te doen op voorschotten uit de Schatkist of op leningen op korte termijn, die de Nationale Kas voor Rampenschade aangaat. Het voorstel van bijzondere wet houdende institutionele maatregelen besproken ter zitting van 5 maart 2008 (stuk 4-602/1) bevat het voorstel om na overdracht van de bevoegdheid tot het toekennen van de vergoedingen aan slachtoffers van landbouwrampen, de Nationale Loterij 50% van deze vergoedingen ten laste te nemen. De ten laste neming opgenomen in dit voorstel zou maximaal 2,12 miljoen euro per jaar en per gewest bedragen. Dit cijfer kan richtinggevend genomen worden voor de jaarlijkse te verwachten uitgaven van dit fonds. In het voorliggend institutioneel akkoord dd. 11 oktober 2011 lijken geen bedragen vermeld te worden voor de overdracht van het landbouwrampenfonds. Het institutioneel akkoord kent aan de aangelegenheid beheerd door het Rampenfonds wel een budget toe van 11,8 miljoen euro. Belangrijk te vermelden is het groot aandeel aan landbouwdossiers in de schadedossiers die afgehandeld worden door het algemeen rampenfonds (gegevens tot en met februari 2012). Door de dekking van meest voorkomende natuurrisico’s in de brandverzekering is sinds 2007 het aandeel landbouw in de uitbetalingen van het rampenfonds zeer sterk toegenomen. Voor Vlaanderen is dit nog meer uitgesproken. Van de na 2007 behandelde dossiers is 84% van de vergoedingen, uitbetaald aan landbouwers (zie tabel 1) .Onderzoek dringt zich dan ook op in het kader van E&E of de splitsing tussen het algemene Rampenfonds en het Landbouwrampenfonds te overwegen is en welk beleidsdomein best trekker-coördinator is in deze. Tabel 1: overzicht van de verdeling van vergoedingen landbouw in functie van de totaal uitbetaalde vergoedingen door het rampenfonds

Voor 2007 België Vlaanderen Na 2007 België Vlaanderen -

86

Waarde van schadedossiers landbouw (euro)

Totale waarde van schadedossiers

Belang (%)

83.420.535 76.722.745

226.364.056 144.876.877

37% 53%

41.248.748 37.671.191

56.299.957 44.675.734

73% 84%

De uitbetaling van dergelijke vergoedingen in geval van natuurrampen vergt – in naleving van de Europese staatssteunregels – de aanmelding ervan bij de Europese Commissie. Indien dit in het verleden niet zou zijn gebeurd, ondergaan deze uitbetaalde dossiers in de toekomst mogelijks nog een rechtsmatigheidstoets op Europees niveau. In voorkomend geval moet de federale overheid, overeenkomstig vorige paragraaf ook hiervoor de verantwoordelijkheid blijven dragen.


-

Een transitieperiode tussen wettelijke en feitelijke overheveling is niet aan te raden. Het is niet nodig een overgangsperiode te voorzien tussen de inwerkingtreding van de wijziging van de bijzondere wetgeving die de bevoegdheidsoverdrachten juridisch regelt en de praktische uitvoering van die overheveling. Integendeel, het is uitermate belangrijk dat duidelijk bepaald wordt dat de overdracht ingaat vanaf een bepaalde datum en dat de gewesten slechts bevoegd worden voor rampen die zich voordoen vanaf deze datum. Op deze manier is duidelijk dat er geen federale lasten uit het verleden aan de gewesten zullen overgedragen worden en ontstaat er evenmin een vacuĂźm naar aanleiding van de overdracht. Vanaf 1 juli 2014 zullen de gewesten bevoegd zijn voor het vergoeden van de schade op hun grondgebied die veroorzaakt werd door algemene rampen. Het Nationale Fonds voor algemene rampen zal enkel nog instaan voor de vergoeding van schade veroorzaakt door een algemene ramp die heeft plaatsgevonden voor die datum en zal worden vereffend.

-

De visies van de andere gewesten met betrekking tot de overdracht van de bevoegdheden inzake het rampenfonds zijn momenteel nog niet gekend.

-

Om vlot dossiers te kunnen afhandelen, zal toegang tot het Rijksregister wellicht noodzakelijk zijn.

-

Er werden geen samenwerkingsakkoorden teruggevonden in het Belgisch Staatsblad die door de bevoegdheidsoverdracht opgeheven moeten worden. Op dit moment wordt evenmin de nood aangevoeld om nieuwe samenwerkingsakkoorden te sluiten om de juridische, organisatorische of beleidsmatige gevolgen van de bevoegdheidsoverdracht naar het Vlaamse Gewest volledig sluitend te maken. Er bestaat wel een samenwerkingsverband op federaal niveau tussen de FOD Binnenlandse Zaken / FOD Binnenlandse Zaken en de FOD FinanciĂŤn (thesaurie) waarbij de thesaurie rechtstreeks de leningen regelt die de bevoegde overheden aangaan voor de vergoedingen aan de slachtoffers van voornoemde rampen indien hiervoor de nodige overheidsmiddelen ontbreken op dat moment.

Welke nieuwe beleidsopties kan Vlaanderen nemen? Optie 1 (Nuloptie): De erkenning van de ramp en de bepaling van de soort (algemeen of landbouw) van de ramp gebeurt door de Minister van Binnenlandse Zaken. Dit zal nu moeten gebeuren door een Minister van de Vlaamse overheid. De federale wetgeving moet omgezet worden in Vlaamse regelgeving. Optie 2: Men zou de tussenkomst van het rampenfonds kunnen aanpassen indien de middelen niet afdekkend genoeg zijn: inkomsten verhogen of uitgaven verlagen. Hierbij zou men ook een PPS-formule kunnen overwegen zodat expertise van buitenaf wordt binnengehaald. Het Nationaal Fonds voor algemene rampen komt slechts in uitzonderlijke gevallen tussen voor schade veroorzaakt door algemene rampen. Dit volgt uit het feit dat de verzekering tegen natuurrampen sinds 2007 verplicht is opgenomen in de brandverzekering. Net zoals de federale overheid thans doet, zullen de gewesten het toekennen van een tussenkomst inzake schade die veroorzaakt is door natuurrampen afhankelijk kunnen maken van het verzekerd zijn tegen natuurrampen. Optie 3: Voor deze bevoegdheidsoverdracht werd beslist om nog geen verdere opties uit te werken en samen met de overdracht van het landbouwrampenfonds te wachten tot er meer

87


duidelijkheid bestaat over de teksten.

Eerste optie: Bestaande toestand as is overnemen en inbedden in de structuren van de Vlaamse overheid

Wat houdt deze optie in? De erkenning van de ramp en de bepaling van de soort (algemeen of landbouw) van de ramp gebeurt door de Minister van Binnenlandse Zaken. Dit zal nu moeten gebeuren door een Minister van de Vlaamse overheid. Ook hebben de gemeentebesturen een ondersteunende rol te spelen in het coördineren van de dossiers voor het rampenfonds. De effectieve aanvraag wordt ingediend bij de provinciegouverneur. De coördinatie met de gemeentebesturen en het provinciale niveau moet nu ook gebeuren vanuit de Vlaamse overheid. Ook is er een rapporteringsplicht en moet de reeds beschikbare informatie over het verleden overgenomen worden door de Vlaamse overheid: Het Rampenfonds verzamelde tot 2006 alle schade-aangiften bij erkende overstromingen, en beschikt hierdoor over nuttige informatie voor de Gewesten om te voldoen aan de rapporteringsvereisten naar b.v. de Europese Commissie i.k.v. de overstromingsrichtlijn of milieurapportering. Er bestaat een samenwerkingsverband op federaal niveau tussen de FOD Binnenlandse Zaken / FOD Binnenlandse Zaken en de FOD Financiën (thesaurie) waarbij de thesaurie rechtstreeks de leningen regelt die de bevoegde overheden aangaan voor de vergoedingen aan de slachtoffers van voornoemde rampen indien hiervoor de nodige overheidsmiddelen ontbreken op dat moment.

Hoe wordt dit organisatorisch uitgewerkt? Het is vandaag nog onduidelijk in welk beleidsdomein deze bevoegdheidsoverdracht het beste wordt ondergebracht. Door de sterke samenhang met het landbouwrampenfonds is het beleidsdomein landbouw en visserij zeker een optie.In het kader van het toekomstige beleid inzake risicobeheer in het nieuwe Gemeenschappelijke Landbouwbeleid, wordt onder meer nagedacht over de uitbouw van verzekeringen en fondsen voor de Vlaamse landbouwsector. Deze denkoefening werd georganiseerd in het kader van een Task Force risicobeheer. Deze oefening is momenteel geschorst tot zolang er geen zekerheid is omtrent het nieuwe Europese kader voor risicobeheer en omtrent de regionalisering van het Rampenfonds en het Landbouwrampenfonds. Dit is dan ook betekenisvol met betrekking tot de eventuele toewijzing aan andere beleidsdomeinen dan het beleidsdomein LV. In de memorie van toelichting bij het voorstel van bijzondere wet m.b.t. de Zesde Staatshervorming wordt gesteld: “Wat de beleidsmateries energie en leefmilieu betreft, worden enerzijds de aangelegenheden inzake het Rampenfonds en … overgeheveld.”

Dit doet vermoeden dat men de overheveling ziet gebeuren naar het beleidsdomein LNE. De andere beleidsdomeinen die betrokken zijn: Beleidsdomein MOW omwille van het overhevelen van schadevergoeding uit het Rampenfonds t.g.v. wateroverlast. De behandeling van de aanvragen gebeurt door het beleidsdomein MOW. Voor het overige heeft het beleidsdomein MOW in het verleden reeds meermaals technisch advies gegeven ikv de procedures voor het rampenfonds. Dit kan zowel

88


advies zijn mbt de raming van de kosten voor herstel of heropbouw maar ook adviezen ivm risico’s en gevaren. -

Beleidsdomein FB omwille van het overhevelen van schadevergoeding uit het Rampenfonds t.g.v. wateroverlast. De coördinatie van de uitbetalingen gebeurt door de FB.

-

Beleidsdomein bestuurszaken, omwille van de daar ondergebrachte opdracht van crisiscoördinatie. Deze opdracht spitst zich echter op crisisbeheer binnen de Vlaamse overheid. Er is een kleine uitbreiding van de opdracht te verwachten inzake coördinatie tussen het nationaal crisiscentrum en de Vlaamse overheden enerzijds, en de provincies en de Vlaamse overheden anderzijds. In het beleidsdomein bestuurszaken bestaat echter geen expertise omtrent het afhandelen van schadedossiers naar burgers toe.

-

Beleidsdomein LNE omwille van expertise rond schadedossiers. Het beleidsdomein LNE is steeds bevoegd geweest is voor het aanleveren van informatie over de milieu-, natuur, en energie-aspecten bij rampen. Dit is echter enkel expertise gericht op het vaststellen van de schade. Er dient opgemerkt te worden dat sommige rampen ook via het decreet milieuschade kunnen worden behandeld, betrokken afdeling van het departement LNE in deze gevallen is AMMC. Er zijn tot op heden echter nauwelijks toepassingsgevallen van het Milieuschadedecreet geweest. Bijgevolg moet de mogelijkheid open gehouden worden voor eventueel verder overleg n.a.v. toekomstige concrete schadegevallen.

De landbouwrampen worden geregeld door de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen. Deze wet is zowel van toepassing op algemene rampen (bevoegdheid van de Minister van Binnenlandse Zaken) als op landbouwrampen (bevoegdheid van de Minister van Landbouw). Sinds 1 oktober 2002 vallen landbouwrampen onder de bevoegdheid van de federale minister die belast is met landbouw en worden ze behandeld door de Algemene Directie Economisch Potentieel van de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie. De behandeling van de dossiers gebeurt door de gouverneur, daarin bijgestaan door het personeel dat door de FOD Binnenlandse Zaken ter beschikking wordt gesteld. De bevoegde dienst van de FOD Economie controleert de beslissingen van de gouverneur en gaat eventueel in beroep tegen deze beslissingen. Het Rampenfonds (FOD Financiën) staat in voor de uitbetaling, na daartoe opdracht gekregen te hebben van de bevoegde dienst van de FOD Economie. De bevoegde dienst van de FOD Economie is onderdeel van de Cel Coördinatie bij de algemene directie Economisch Potentieel van de FOD Economie. Zoals voor het Rampenfonds (algemene rampen) beschikt elke provincie over personeel van de FOD Binnenlandse Zaken om de «rampendossiers» te behandelen. De FOD Financiën (Schatkist) staat in voor de uitbetaling van zowel landbouwrampen als algemene rampen. Er zijn verschillende beleidsniveaus betrokken bij de uitoefening van dit beleid. Zo hebben de gemeentebesturen een ondersteunende rol te spelen in het coördineren van de dossiers voor het rampenfonds. De effectieve vergoedingsaanvraag wordt ingediend bij de provinciegouverneur. Naast een ondersteunende rol hierin, beslissen zij ook over de aanvragen. Daarnaast treden volgende actoren op in de procesflow tot erkenning van een gebeurtenis als landbouwramp: -

de Gemeentelijke Commissie tot Vaststelling van Schade aan Teelten.

89


Deze commissie, die in elke gemeente is ingesteld, is als volgt samengesteld:  de burgemeester of zijn afgevaardigde, voorzitter;  de bevoegde dienstchef van de plaatselijke controle der directe belastingen of zijn afgevaardigde;  de gewestingenieur van de buitendiensten van de afdeling «Structuur en Investeringen» van het ALV (beleidsdomein LV), hierna “gewestingenieur” genoemd;  een door de burgemeester aangewezen expert-landbouwer;  een op voorstel van de gewestingenieur aangewezen expert-landbouwer. -

Het Koninklijk Meteorologisch Instituut (KMI)

Het KMI bestudeert de weersomstandigheden die de oorzaak waren van omstandige schade aan teelten en kan de uitzonderlijke hevigheid of het uitzonderlijke karakter ervan aantonen (beoordeeld over een periode van ten minste 20 jaar). Er moet worden onderzocht of de rol van het KMI niet binnen de Vlaamse overheid door (VMM, MOW) kan worden opgenomen.

Wat zijn de doelgroepen en effecten? Aangezien het beleid ongewijzigd overgenomen wordt, heeft deze overdracht geen effecten op de kosten, baten en administratieve lasten van de rechtsonderhorigen. Eveneens is de rechtszekerheid voor de onderhorigen bij deze optie de grootste. Anderzijds zullen er wel extra beheerskosten veroorzaakt worden in de administratie wanneer er geen personele middelen van de federale overheid zouden overkomen.

Tweede optie: Aanpassen van de regelgeving rond het rampenfonds

De federale beleidsvisie wordt gevat door: KB d.d. 18 augustus 1976 tot vaststelling van de vorm en de termijn van indiening der aanvragen tot financiële tegemoetkoming wegens schade aan private goederen veroorzaakt door natuurrampen (algemene rampen of landbouwrampen). KB van 20 augustus 1976 betreffende de wijzen van raming van de schade aan private goederen veroorzaakt door natuurrampen (algemene rampen) KB van 20 augustus 1976 betreffende de vergoeding der schade aangericht aan roerende goederen van dagelijks of huiselijk gebruik door natuurrampen (algemene rampen). KB van 23 februari 1977 tot bepaling van de voorwaarden en de wijzen van opening van de herstelkredieten inzake natuurrampen, en van het rentevoetgedeelte en de kosten waarvan de staat de last op zich neemt. KB van 24 februari 1977 tot vaststelling van het tarief der financiële staatstegemoetkoming in de erelonen en onkosten van de deskundigen waarop de getroffenen een beroep hebben gedaan voor de vaststelling en de schatting der schade aan private goederen veroorzaakt door natuurrampen (algemene rampen). Er stelt zich de problematiek van de erkenning van een ramp waarbij de gehanteerde criteria momenteel niet optimaal zijn alsook het (hiermee verbonden) probleem dat de financiële reserves in het Rampenfonds de laatste jaren meermaals ontoereikend bleken en er lange wachttijden ontstonden in de schadeloosstelling. De overdracht opent perspectieven voor optimalisaties in deze, al dan niet in partnership met de waterbeheerders, verzekeringsmaatschappijen, …

90


ď‚§

Derde Optie: Wachten met het uitwerken van beleidsopties

De werkgroep rond de overheveling van het rampenfonds, volgt de visie van het beleidsdomein landbouw en visserij inzake de overheveling van het landbouwrampenfonds en onderschrijft dus ook de aanbeveling van de SERV dat alle bevoegdheden eerst moeten overkomen zoals ze nu geregeld zijn. Pas na het verwerven van kennis, ervaring en samenwerking met de diverse belangengroepen kan met kennis van zaken beoordeeld worden waar hervormingen nodig zijn. Bovendien dienen in een gewijzigd beleid omtrent het landbouwrampenfonds de nieuwe beleidsvisies op EU-niveau rond risicobeheerbeleid meegenomen worden. Deze zijn momenteel evenwel nog niet gekend, gelet op de grote onzekerheid hieromtrent. Daarnaast is een nieuw beleid sterk afhankelijk van de financiĂŤle mogelijkheden van het rampenfonds en van de mogelijkheden tot ondersteuning van andere risicobeheersinstrumenten in de landbouw. Beide zijn eveneens nog onbekend.

91


HOOFDSTUK 4. PERSONEEL EN ORGANISATIE, ICT EN INFORMATIEBEHEER, VASTGOED EN FACILITAIR MANAGEMENT Inleidende opmerking De Vlaamse overheid beschikt in deze fase nog niet over gedetailleerde informatie m.b.t. de impact van de staatshervorming op het vlak van P&O, ICT/informatiebeheer en vastgoed/facilitair management. De reden voor het niet hebben van deze gedetailleerde informatie bestaat uit volgende componenten: Gebrek aan zicht op de uitwerking van de federale fiches waarin de “as is” – situatie binnen de federale overheid wordt uitgewerkt; De onduidelijkheid m.b.t. welke beleidskeuzes Vlaanderen zal maken m.b.t. de nieuwe bevoegdheden. De vaststellingen en aanbevelingen die hieronder terug te vinden zijn, zijn deels gebaseerd op de verkregen ingevulde horizontale sjablonen inzake P&O, ICT/informatiebeheer en vastgoed/facilitair management maar ook op heel wat andere bronnen zoals: de fiches staatshervorming van februari 2012; de verschillende werkgroepen zesde staatshervorming binnen bestuurszaken m.b.t. P&O, ICT/informatiebeheer en vastgoed/facilitair management; een werksessie P&O, ICT/informatiebeheer, vastgoed/facilitair management met de verschillende clusters van het groenboek van april 2013; vergaderingen binnen de Vlaamse task force staatshervorming; vergaderingen binnen de interfederale task force staatshervorming; overleg met het kabinet Bestuurszaken; recente bevoegdheidsoverdrachten in casu de verkeersbelasting; adviezen van Vlabest en SERV inzake staatshervorming; SBOV-onderzoek inzake staatshervorming.

92


Afdeling 1. Personeel Bepaalde betrokken entiteiten van de Vlaamse overheid melden dat de sleutelpersonen momenteel op federaal niveau worden geïdentificeerd en herplaatst naar niet-geïmpacteerde federale diensten/entiteiten. Op die manier ontstaat een heuse leegloop van de betrokken diensten/entiteiten en riskeert de Vlaamse overheid geen enkele expertise mee over te krijgen. Op federaal niveau moet men er alles aan doen om het personeelsbestand kwantitatief en kwalitatief (aantal, niveaus, competenties) intact te houden zoals dat bestond voor het Vlinderakkoord van oktober 2011. Er wordt verder vastgesteld dat federale contactpersonen soms wegvallen en niet worden vervangen. Vraag is hier om voor elke bevoegdheidsoverdracht een federale tegenhanger te blijven hebben. Binnen bepaalde federale diensten/entiteiten bestaat momenteel heel wat tegenzin om te worden overgeheveld omdat men denkt hier financiële nadelen te zullen door ondervinden. Hier moet de Vlaamse overheid de mogelijkheid worden geboden om zichzelf als werkgever voor te stellen, zoals dat bijvoorbeeld ook het geval was bij de laatste bevoegdheidsoverdracht naar de Vlaamse overheid nl. de verkeersbelasting. Vanuit de VO-entiteiten wordt gevraagd dat gewaakt wordt over de proportionaliteit van niveaus en competenties van personeelsleden die overkomen. Zo kan het niet zijn dat er voor een taak disproportioneel veel mensen overkomen van een bepaald niveau of met competenties die niet aansluiten bij de opdracht die moet worden opgenomen. Voor bepaalde bevoegdheidsoverdrachten moet het mogelijk zijn het personeel niet over te nemen, bijvoorbeeld in het geval bepaalde functies niet bestaan binnen de Vlaamse overheid en ook niet zullen worden gecreëerd. Sommige betrokken entiteiten van de Vlaamse overheid erkennen een nood aan de overheveling van een voorhoede van federale ambtenaren naar het Vlaamse niveau. Staatssecretaris voor ambtenarenzaken Bogaert en premier Di Rupo verklaarden zich hier eerder mee akkoord. De Vlaamse overheid vraag in dat kader: dat dit contingent tijdig overkomt, dus ruim voor de officiële overheveling. dat dit contingent een voldoende kritische massa kent, en dus in proportie staat tot de grootte van de bevoegdheidsoverdracht. dat de Vlaamse overheid inspraak krijgt in de keuze van deze mensen en dat het principe van vrijwilligheid wordt nagestreefd. dat deze voorhoede ter beschikking zou worden gesteld door de federale overheid en dus ook in federale loondienst blijft. dat een sluitende regeling wordt uitgewerkt zodat deze personen geen nadelen ondervinden van hun vroegtijdige overdracht. Naast beleidsmensen is het noodzakelijk en vanzelfsprekend dat ook de noodzakelijke ondersteuning (personeel en middelen inzake P&O, ICT/informatiebeheer, vastgoed/facilitair management, …) mee overkomt. Bijzondere aandacht moet gaan naar de overdracht van ondersteuning bij gedeeltelijke overdrachten en naar de overdracht in het geval de ondersteuning niet intern wordt opgenomen. De overdrachtsprocedure van het personeel moet herbekeken kunnen worden door de Vlaamse overheid, samen met de federale overheid en de andere betrokken deelstaten. Basisprincipes die de Vlaamse overheid vooropstelt zijn personeelsoverheveling op basis van vrijwilligheid, competenties en waarden. De procedure moet in elk geval zo snel mogelijk duidelijk worden.

93


De inschaling van de nieuwe ambtenaren binnen de deelstaten wordt steeds moeilijker doordat de loopbanen van de federale overheid en de deelstaten doorheen de jaren steeds verder uit elkaar zijn gegroeid en nog moeilijk vergelijkbaar zijn. De uitwerking van het behoud van hun graad, bezoldiging, anciënniteit, toelagen, vergoedingen, premies of andere voordelen moet worden doorgesproken met alle betrokken gemeenschappen en gewesten. Het is duidelijk dat de personeelsregularisatie de nodige voorbereiding vergt en een belangrijke budgettaire impact heeft. Om dit tijdig voor te bereiden is de Vlaamse overheid afhankelijk van de informatie die federaal aangeleverd wordt. Eens duidelijk is wie overkomt moeten de betrokken personeelsdossiers zo snel als mogelijk worden overgemaakt. Het is duidelijk dat de impact op het vlak van personeel zeer divers is, gaande van geen impact (wanneer er bijvoorbeeld alleen regelgeving overkomt zonder personeel) tot een zeer grote impact wanneer volledige (of grote onderdelen van) entiteiten worden overgeheveld. Deze grote diversiteit zal fasering en maatwerk vragen inzake personeelsaangelegenheden. Naast de vraag of de middelen die meekomen met het personeel zullen volstaan, leeft de vraag ook binnen de betrokken entiteiten van de Vlaamse overheid of er überhaupt genoeg mensen zullen overkomen om de opdracht kwalitatief uit te voeren. In sommige gevallen is er immers sprake van een nieuwe bevoegdheid die men parallel mag ontwikkelen, van een personeelsonderbezetting op federaal niveau, of van een scheefgetrokken werklast tussen Nederlandstalige dossiers en Franstalige dossiers waarbij het product of de dienstverlening meer wordt afgenomen binnen Vlaanderen maar dit zich niet vertaalt in correcte verhouding tussen taalrollen. Sommige Vlaamse entiteiten hebben het dus nu reeds over bijkomende aanwervingen waarvan de kost momenteel nog niet is meegerekend. Zeker in de gevallen waar er binnen de Vlaamse overheid nog geen kennis over aanwezig is denkt men na over deze piste. Het spreekt voor zich dat de overdracht van personeel rekening moet houden met de lopende MOD/MOF-rationaliseringsoefening en de bredere toepassing van Vlimpers binnen de Vlaamse overheid. Ondersteuningsbehoeften inzake personeel worden momenteel weinig kenbaar gemaakt vanuit de betrokken VO-entiteiten. Dit is niet verwonderlijk gezien de grote onduidelijkheid die gepaard gaat met het personeelsluik. Toch enkele belangrijke ondersteuningsbehoeften inzake personeel die uit de verschillende documenten/overlegmomenten, waarvan sprake in de inleiding, werden gehaald: selectie, onthaal, coaching, competentiemanagement, functieclassificatie, opleiding, verloning en voordelen. Momenteel wordt de oefening federaal gecoördineerd door de kanselarij van de eerste minister en verzorgen zij een communicatielink met de directeurs P&O van de betrokken entiteiten. Het zou raadzaam zijn mocht één iemand hiervoor de volle verantwoordelijkheid op federaal niveau opnemen. Er is nog steeds geen betrouwbaar beeld over het aantal personeelsleden dat zal overgedragen worden naar Vlaanderen. De Vlaamse overheid vraagt met aandrang aan de federale overheid een overzicht van alle entiteiten en diensten die geïmpacteerd zijn door de staatshervorming en dit voor de afgelopen jaren 2010 - 2011 - 2012 - 2013: Over hoeveel personeelsleden (verdeeld per taalgroep, in koppen, VTE en niveau) beschikt de betrokken federale entiteit om de bevoegdheden uit te voeren? Over welk budget beschikt de betrokken federale entiteit voor deze personeelsinzet? En wenst de Vlaamse overheid eveneens meer zicht op het volgende:

94


-

-

Hoeveel personeelsleden (in koppen, VTE en niveau) zullen de overstap maken naar de Vlaamse overheid om de betrokken bevoegdheden uit te voeren? Hoeveel ondersteunende personeelsleden (in koppen, VTE en niveau) worden mee overgeheveld? Wat is het personeelsbudget (loonkosten en equiperingskosten) van de betrokken federale entiteit voor het deel van het personeel dat naar Vlaanderen zou worden overgeheveld?

95


Afdeling 2. Organisatie Het is vaak onduidelijk hoe men, eens beslist is wanneer de bevoegdheid officieel overkomt, de bevoegdheid organisatorisch zal opvangen. Een opvangstructuur waarbij een inkanteling niet meteen plaatsvindt is in dat opzicht aan te raden tot de beleidskeuzes gemaakt zijn. Zo’n opvangstructuur kan daarbij van langere duur zijn, zeker binnen de beleidsdomeinen en de entiteiten waar de impact zeer groot is. Binnen een opvangstructuur worden de bevoegdheden in bulk tijdelijk naast de bestaande organisatie geplaatst en primeert continuïteit boven snelle integratie. In een volgende regeerperiode kunnen de structuren en processen dan grondig worden herbekeken. De inkantelingspistes of de oprichting van nieuwe entiteiten zijn per beleidsoptie wel al beter uitgewerkt. Daar kan in functie van de optie de bevoegdheid bij één of zelfs meerdere bestaande entiteiten worden geplaatst. Ook de oprichting van nieuwe entiteiten is soms een piste en in dat opzicht moet worden gewezen op de noodzaak van een duidelijke motivering gezien het groot aantal entiteiten die de Vlaamse overheid vandaag reeds telt en de versnippering die hier soms mee gepaard gaat. Sommige bevoegdheden impacteren meerdere entiteiten en beleidsdomeinen. Daar wordt de vraag soms gesteld om de bevoegdheid uiteen te trekken over de entiteiten en beleidsdomeinen of die centraal te organiseren. Deze belangrijke keuze moet duidelijk gemotiveerd worden. De inrichting van de organisatie moet uiteraard rekening houden met alle belanghebbenden, zoals de burgers, de gebruikers, de sociale partners, de koepelorganisaties, de drukkingsgroepen, de adviesraden en overleginstanties, … . De betrokkenheid van al deze spelers moet snel duidelijk zijn. De interferentie met de lokale en provinciale besturen heeft natuurlijk potentieel een grote organisatorische impact, zeker in het geval waar men er voor kiest om de subsidiariteit te laten spelen en men bepaalde bevoegdheden met de bijhorende middelen deels of volledig doorgeeft aan de lokale besturen met het oog op een grotere beleidsvrijheid. Men kan deze staatshervorming natuurlijk ook aanwenden om specifieke lokale en provinciale bevoegdheden die beter op Vlaams niveau worden uitgeoefend terug te brengen naar dat beleidsniveau. In ieder geval moet het principe van de interne staatshervorming worden gerespecteerd, nl. dat een bestuurlijk proces maximum door 2 bestuursniveaus mag worden behandeld. Daar waar mogelijk moet zoveel mogelijk gebruik gemaakt worden van reeds bestaande regelgeving zoals het gemeentedecreet of het decreet intergemeentelijke samenwerking. Voorts moet bij de implementatie van de zesde staatshervorming zoveel mogelijk gebruik gemaakt worden van bestaande interbestuurlijke informatiestromen met respect voor principes zoals de eenmalige gegevensopvraging. Het bereiken van een geïntegreerd sectoraal beleid moet steeds voorop staan zonder evenwel de noodzaak aan een transversale en horizontale coördinatie uit het oog te verliezen. In het verleden hebben de opeenvolgende staatshervormingen vaak tot een te grote diversiteit geleid op het vlak van beleidsvisie, aanpak en regelgeving.Eens meer bekend is over de details van de organisatorische impact moet men in detail gaan nagaan wat de organisatorische impact is op de thema’s van de leidraad interne controle / organisatiebeheersing, wat de risico’s zijn, de kans dat deze risico’s zich voordoen, de impact die dit heeft en de mogelijke maatregelen die te nemen zijn. De maturiteit van de entiteiten op elk thema wordt geacht een score 3 te hebben nl. “De beheersmaatregelen zijn aanwezig. Ze zijn gestandaardiseerd, gedocumenteerd, gecommuniceerd en worden toegepast.” Naast de impact op structuren en processen moet men natuurlijk ook rekening houden met het verschil in organisatiecultuur tussen de ontvangende Vlaamse overheid en de overgehevelde ambtenaren. 96


Ondersteuningsbehoeften inzake organisatie worden momenteel weinig kenbaar gemaakt door de betrokken VO-entiteiten. Dit is niet verwonderlijk gezien de grote onduidelijkheid die gepaard gaat met het organisatieluik. Toch enkele belangrijke ondersteuningsbehoeften inzake organisatie die uit de verschillende documenten/overlegmomenten, waarvan sprake in de inleiding, werden gehaald: procesmanagement, organisatiecultuur en veranderingsmanagement. Momenteel wordt de oefening federaal gecoördineerd door de kanselarij van de eerste minister en verzorgen zij een communicatielink met de directeurs P&O van de betrokken entiteiten. Het zou raadzaam zijn mocht één iemand hiervoor de volle verantwoordelijkheid voor “organisatie” op federaal niveau opnemen. Dit kan dezelfde persoon zijn zoals voorgesteld bij het onderdeel “personeel”. Tot slot vraagt de Vlaamse overheid aan de federale overheid de organogrammen van alle entiteiten en diensten die geïmpacteerd zijn door de staatshervorming.

97


Afdeling 3. ICT en informatiebeheer Er zijn twee aspecten van belang inzake ICT: -

De ICT-ondersteuning van de administratie met specifieke applicaties (digitale aanvraagformulieren, berekeningsapplicaties, databanken met de historiek van vorige en nieuwe dossiers, … ). De generieke basisinfrastructuur (netwerk, servercapaciteit, ..) kan, technisch gezien, vlot aangereikt worden door e-IB. Over de specifieke applicaties zal een strategie moeten uitgewerkt worden. Dit kan het bouwen van een eigen applicatie zijn, het kopiëren van de bestaande federale toepassing, of het blijven gebruiken van de bestaande federale toepassing. Elke optie heeft haar eigen haalbaarheid, kostprijs en timing. Zowel eenmalig bij de opzet als recurrent voor de exploitatie en het onderhoud. Bij het transitietraject van elke herverdeelde bevoegdheid, kan best een ICT-spoor opgenomen worden, dat deze aspecten in kaart brengt, begroot en uitvoert op een afgestemd tempo met de rest van de bevoegdheidsherverdeling. Bij eventuele gegevensuitwisselingen tussen de ontvangende Vlaamse administratie en de federale administratie van herkomst kan het in vele gevallen efficiënt zijn om de betrokken dienstenintegratoren in te schakelen. Dit is de Vlaamse Dienstenintegrator en op federaal vlak FEDICT en KSZ. De eventuele machtigingen van een federale administratie van de privacycommissie (CPVP) blijven zonder meer behouden voor gegevensuitwisselingen voor dezelfde administratieve doelstelling. Ze dienen dus niet opnieuw gemachtigd te worden.

-

Anderzijds de ICT-uitrusting van de individuele ambtenaren. Er dienen afspraken gemaakt te worden over die uitrusting en hoe deze wordt gefinancierd. Men kan in de onderhandelingen vertrekken van een forfaitair bedrag per ambtenaar voor de basisuitrusting (pc en basissoftware zoals office) en de kosten verbonden met data-opslag, e-mail e.d. De begrotingsinstructies van de Vlaamse regering (VR_2013_1705_MED_0262_2) hanteren hierbij de volgende normen:  1000 euro eenmalig-ICT (vb bij uitbreiding kader) +  Jaarlijkse werking-ICT: 2725 euro per jaar.

Het basisprincipe bij overdracht van informatie is: informatie volgt de bevoegdheid. Informatie wordt dus in principe mee overgeheveld. De overheveling gaat onvermijdelijk gepaard met splitsing van informatie, die alleen maar pragmatisch kan worden aangepakt volgens deze criteria of een combinatie daarvan: volgens taal (vb. kinderbijslagdossiers voor Vlamingen, Franstaligen…) volgens belang (dossiers die uitsluitend betrekking hebben op de belangen van Vlaamse, Franstalige… bestuursinstanties) volgens status: lopende dossiers worden overgeheveld Afgesloten dossiers (de archieven): in tegenstelling tot lopende dossiers blijven deze idealiter gespaard van splitsing. ze worden integraal en onverdeeld in bewaring gegeven bij het Algemeen Rijksarchief (of een andere federale administratie), waarbij afspraken worden gemaakt over de raadpleegbaarheid door de regionale administraties.

98


Op federaal niveau mogen de investeringen inzake ICT en informatiebeheer niet stilvallen omdat men in een overgangsperiode zit. Het is belangrijk dat de ICT-werkingskosten en ICT-investeringskosten mee worden overgeheveld. De Vlaamse overheid moet echter wel rekening houden met heel wat opleidingsbehoeften en bijkomende investeringen inzake ICT en informatiebeheer. Extra budget moet hiervoor worden voorzien. Het spreekt voor zich dat continuïteit heel belangrijk is bij de overdracht van bevoegdheden waar veel ICT mee gepaard gaat. Continuïteit primeert boven een te snelle integratie. Eveneens belangrijk is hoe het geheel aan ICT en informatie te linken is binnen de globale ICT- en informatiebeheerpolitiek van de Vlaamse overheid. Ondersteuningsbehoeften worden momenteel weinig kenbaar gemaakt door de VOentiteiten. Dit is niet verwonderlijk gezien de grote onduidelijkheid die gepaard gaat met het luik ICT en informatiebeheer. Toch enkele belangrijke ondersteuningsbehoeften inzake ICT en informatiebeheer die uit de verschillende documenten/overlegmomenten, waarvan sprake in de inleiding, werden gehaald: ondersteuning aankoop ICT, procesbegeleiding en ICTopleiding. Momenteel wordt het ICT/informatiebeheer-verhaal op federaal niveau thematisch opgevolgd, nl. per bevoegdheidsoverdracht. Raadzaam is om hier één verantwoordelijke aan te stellen die aanspreekbaar is voor alle gemeenschappen en gewesten. Volgende vragen werden recentelijk aan het federale niveau gesteld: 1. 2. 3. 4. 5.

Welke centrale toepassingen (datacenters, applicaties) op federaal niveau zijn geïmpacteerd m.b.t. de betrokken bevoegdheid? Welke middelen zijn nodig voor het onderhoud van elke toepassing, zowel naar menskracht als naar budgettaire middelen op jaarbasis? Welke middelen zijn nodig voor de exploitatie van elke toepassing, zowel naar menskracht als naar budgettaire middelen op jaarbasis? Over welke ICT-uitrusting beschikken de individuele federale ambtenaren? Over welk budget beschikt de betrokken federale entiteit voor deze ICT-uitrusting?

In samenspraak met de andere gemeenschappen en gewesten worden deze vragen in de toekomst verder uitgewerkt.

99


Afdeling 4. Vastgoed en facilitair management Ook m.b.t. vastgoed en facilitair management is er momenteel nog erg veel onduidelijkheid over de impact van de staatshervorming. Op federaal vlak wordt deze problematiek weinig gecentraliseerd ondanks het feit dat het hebben van één aanspreekpunt voor vastgoed en facilitair management voor alle deelstaten onontbeerlijk is. Enkele belangrijke pijnpunten die naar boven komen: Het is opmerkelijk te vermelden dat er nog gebouwen en goederen moeten overgedragen worden n.a.v. de vijfde staatshervorming. Belangrijk ook in dit opzicht is hoe de nieuwe huisvesting te linken is aan de globale huisvestingspolitiek binnen de Vlaamse overheid, dit zowel voor de gebouwen in eigendom, als deze onder huurcontract (ligging, functionaliteit, kwaliteit, …). Hoe wordt het personeel inzake huisvesting op een optimale manier ingezet? Hetzelfde geldt voor de link tussen de facilitaire dienstverlening die mee overkomt en de bestaande facilitaire dienstverleningspolitiek. Hoe kunnen de interne en externe facilitaire dienstverlening optimaal worden georganiseerd? Hoe wordt het personeel inzake facilitaire dienstverlening op een optimale manier ingezet? Het is nu reeds duidelijk dat voor de aspecten vastgoed en facilitair management moet worden gezorgd voor een overgangsfase waarbij federale ambtenaren (indien nodig) gefaseerd de overstap maken naar nieuwe gebouwen en nieuwe facilitaire ondersteuning. Er komen uiteraard niet alleen gebouwen en infrastructuur over waarin ambtenaren hun taken uitoefenen maar er is ook een overdracht van gebouwen en uitrusting noodzakelijk voor overheidstaken en dienstverlening. Deze kunnen zeer omvangrijk kunnen zijn en komen niet voor herallocatie in aanmerking (zoals de plantentuin van Meise of het gesloten federaal centrum De Grubbe te Everberg). Voor deze sites moet worden bekeken of de infrastructuur voldoet voor de taken die worden verwacht binnen de Vlaamse overheid. Ondersteuningsbehoeften worden momenteel weinig kenbaar gemaakt binnen de betrokken VO-entiteiten. Dit is niet verwonderlijk gezien de grote onduidelijkheid die gepaard gaat met het luik inzake vastgoed en facilitair management. Toch enkele belangrijke ondersteuningsbehoeften inzake vastgoed en facilitair management die uit de verschillende documenten/overlegmomenten, waarvan sprake in de inleiding, werden gehaald: algemene ondersteuning facilitair management, prospectie en inhuring van gebouwen op voor de nieuwe locaties, functioneel en technisch ontwerp van de nieuwe locaties, inrichting van de locaties. Momenteel wordt het luik vastgoed en facilitair management op federaal niveau thematisch opgevolgd, nl. per bevoegdheidsoverdracht. Raadzaam is om hier één verantwoordelijke aan te stellen die aanspreekbaar is voor alle gemeenschappen en gewesten. Omdat de betrokken VO-entiteiten moeilijk inzicht konden geven in deze problematiek werden volgende vragen recentelijk aan het federale niveau gesteld: 1. Over welke huisvesting en andere onroerende goederen beschikt de betrokken federale entiteit (en) om de bevoegdheden uit te voeren? Ten behoeve van de overdracht voor de onroerende goederen in eigendom, hadden we graag de volgende basisinformatie verkregen:

100


-

kadastraal nummer (belangrijk als definitie van het onroerend goed voor het opstellen van het KB van overdracht) locatie (gemeente, adres) gedeeld of volledig gebruik overdracht geheel of gedeeltelijk oppervlakte geheel oppervlakte deel in gebruik aantal werkplekken aantal parkeerplaatsen

Voor de gehuurde goederen ontvangen we graag de volgende basisinformatie: locatie (gemeente, adres) gedeeld of volledig gebruik geheel of gedeeltelijk over te dragen  is het huurcontract opsplitsbaar in geval van gedeeltelijk gebruik gehuurde oppervlakte aantal werkplekken aantal parkeerplaatsen huurkost 2012 omschrijving van evolutie van de huur (bv. volgens gezondheidsindex, bepaalde contractuele verhogingen of verlagingen van de huurprijs) huurlasten looptijd van het contract met eventuele opzegmogelijkheden en verlengmogelijkheden Voor alle goederen ontvangen we graag de volgende basisinformatie: gebouwgebonden kosten  onderhoud (gewoon en totale waarborg)  energiekosten (water, elektriciteit, gas, stookolie, …)  verzekeringen  aantal personen (eigen personeel) dat zich bezig houdt met deze opdrachten geplande of nodige investeringen en onderhoud  aantal personen (eigen personeel) dat zich bezig houdt met deze opdrachten  geraamde kost van deze werken schoonmaak (inclusief ruitenwas)  in geval van eigen personeel: aantal  in geval van uitbestede schoonmaak: kostprijs onthaalpersoneel  in geval van eigen personeel: aantal  in geval van uitbesteed onthaal: kostprijs verzending  in geval van eigen personeel: aantal  in geval van uitbestede verzending: kostprijs bewaking (omschrijving van de opdracht: nacht, 24/7, …)  in geval van eigen personeel: aantal  in geval van uitbestede bewaking: kostprijs Indien het niet mogelijk is per gebouw aan te geven hoeveel personen zich bezig houden met technisch beheer, projecten, vastgoedbeheer, … dan kan dit hier worden weergegeven. Hoeveel personen houden zich bezig met: algemene leiding over de facilitaire diensten vastgoedbeheer studie en uitvoering van bouwprojecten technisch beheer van de gebouwen.

101


2. Wat is de overige facilitaire dienstverlening (drukkerij, voertuigen, catering, post, aankoopcentrale, logistiek, …) binnen of aan de betrokken federale entiteit(en)? -

-

-

-

102

is er een behoefte aan (digitaal)drukwerk  in eigen beheer • aantal betrokken personeelsleden • infrastructuur • kostprijs van investeringen en onderhoud  extern • kostprijs voertuigen  hoeveel dienstvoertuigen worden overgeheveld  hoeveel personen houden zich bezig met het vlootbeheer catering  op welke locaties wordt catering (warm of koud) voorzien voor de overgedragen bevoegdheden (adres)  worden deze locaties ook overgedragen  in geval de catering door eigen personeel uitgevoerd: aantal  in geval van uitbestede catering: kostprijs postbedeling (tussen gebouwen)  in geval van eigen personeel: aantal  in geval van uitbestede postbedeling: kostprijs verhuizingen  in geval van eigen personeel: aantal  in geval van uitbestede verhuizingen kostprijs aankoopcentrale  van welke centrale dienstverlening aangaande aankoop maken de overgedragen bevoegdheden gebruik (kantoormateriaal, papier, voertuigen, brandstoffen, kledij, meubilair, …)  in geval van eigen personeel: aantal  in geval van uitbestede aankoopcentrale: kostprijs andere specifieke facilitaire behoefte


HOOFDSTUK 5. PATRIMONIUMBEHEER Afdeling 1. Aankoopcomités Wat zal er veranderen aan de Vlaamse bevoegdheid? 

Vóór de zesde staatshervorming

De dienst vastgoedakten heeft de bevoegdheid om akten voor te bereiden en te laten ondertekenen door de Vlaamse instrumenterende ambtenaren ten verzoeke van het Vlaamse Gewest, de Vlaamse Gemeenschap en een aantal instellingen op basis van artikel 95 van het decreet van 18 december 2009 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2010.

Na de zesde staatshervorming

Tekst institutioneel akkoord (p. 44): “Aankoopcomités: naar de Gewesten” Voorgestelde wetteksten:  Nieuw artikel 6quinquies BWHI: “Binnen de grenzen van hun bevoegdheden zijn de gemeenschappen en de gewesten bevoegd om te bepalen wie handelingen met een onroerend karakter kan authentificeren, waarbij een gemeenschap, gewest, bestuur bedoeld in artikel 6, § 1, VIII, openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, of een organisme dat aan de controle of administratief toezicht van een van de voornoemde overheden onderworpen is of een dochterentiteit van deze entiteit, partij is, alsook handelingen betreffende de organisatie en het interne bestuur van een entiteit die onderworpen is aan de controle of het administratief toezicht van een of meerdere van de voornoemde overheden of van een dochterentiteit van deze entiteit.”

Analyse en Toelichting: De Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest, binnen de grenzen van hun bevoegdheden, zijn bevoegd om te bepalen wie handelingen met een onroerend karakter kan authentificeren, waarbij de gemeenschap , het gewest, een ondergeschikt bestuur, een OCMW, of een entiteit die aan de controle of het administratief toezicht onderworpen is van een van de voornoemde overheden of een dochterentiteit van deze entiteit, partij is, alsook de handelingen betreffende de organisatie en het interne bestuur van een entiteit die onderworpen is aan de controle of het administratief toezicht van een van de voornoemde overheden of een dochterentiteit van een van deze entiteiten. HET AUTHENTIFICEREN VAN HANDELINGEN MET EEN ONROEREND KARAKTER De overdracht, aanwijzing of vestiging van zakelijke rechten en onroerende zekerheden en handelingen die betrekking hebben op huur. In elk geval moeten hieronder begrepen worden de handelingen die de aankoopcomités heden ten dage stellen zoals onder meer: de voorbereiding, onderhandeling, voltooiing en de nazorg van minnelijke verwervingen (met of zonder onteigeningsbesluit) onteigeningen (met inbegrip van het inleiden en vervolgen van de procedures tot onteigening in naam en voor rekening van het organisme dat tot de onteigening heeft besloten) vrijwillige of gedwongen vervreemdingen (openbaar, uit de hand of bij ruiling) inbreng van onroerend(e) goed(eren) in een vennootschap het vestigen, wijzigen of opheffen van onroerende zakelijke rechten

103


-

-

het opstellen van schattingsverslagen en het voeren van onderhandelingen het verlijden van akten die aan de hypothecaire formaliteit onderworpen zijn, er authenticiteit aan verlenen, het maken van uitgiften, het laten registreren van akten en het organiseren van openbare verkopingen het optreden als onafhankelijk deskundige of als controleorgaan

HANDELINGEN BETREFFENDE DE ORGANISATIE EN HET INTERNE BESTUUR Hieronder vallen in elk geval de handelingen die de aankoopcomités nu stellen: oprichting (vennootschappen, verenigingen, stichtingen) wijziging van statuten fusie organisatie en intern bestuur … VOOR WIE KAN ER OPGETREDEN WORDEN ? De bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest strekt zich uit (elk wat hun bevoegdheden betreft) tot: de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest de ondergeschikte besturen de OCMW’s alle entiteiten die aan hun controle of administratief toezicht zijn onderworpen van een van de voornoemde entiteiten of een dochterentiteit van deze entiteit (bijv. overheidsdiensten en departementen, administratieve diensten met boekhoudkundige autonomie, instellingen die van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest afhangen, zoals instellingen van openbaar nut, autonome overheidsbedrijven of instellingen of ondernemingen die de Vlaamse Gemeenschap, het Vlaamse Gewest of een van de voornoemde overheden of entiteiten controleert). WAT IS CONTROLE ? Onder de controle uitgeoefend door de Vlaamse Gemeenschap, het Vlaamse Gewest, de ondergeschikte besturen of de OCMW’s over de bedoelde entiteiten (zoals vennootschappen, verenigingen of stichtingen), zoals de controle uitgeoefend door deze entiteiten over hun dochterentiteiten, wordt verstaan: ofwel een specifiek administratief toezicht over hun beheer ofwel de bevoegdheid om meer dan de helft van de leden van de raad van het bestuurs, directie- of toezichtsorgaan voor te dragen ofwel de controle van meer dan de helft van het kapitaal van de bedoelde entiteit of vennootschap. WAT IS INHERENT AAN DEZE BEVOEGDHEIDSOVERDRACHT ? De bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest omvat eveneens: de bevoegdheid om zelf te bepalen wie handelingen met een onroerend karakter kan authentificeren of handelingen stellen betreffende de organisatie en het interne bestuur; de wijze te bepalen waarop de personen die ze hiertoe machtigen de voornoemde handelingen authentificeren (bijv. bepalen dat diegene die werden aangeduid om deze bevoegdheden uit te oefenen tegenover derden niet hoeven te doen blijken van een bijzondere lastgeving); een autonome bevoegdheid: zo kunnen zij een eigen dienst oprichten en/of kunnen ze een beroep doen op diensten van derden, al dan niet publieke ambtenaren, zoals landmeters, vastgoedmakelaars, notarissen enz. Zij kunnen deze dienst ook machtigen om op te treden voor de instellingen en de rechtspersonen die onder toepassingsgebied van het nieuwe artikel vallen; 104


-

-

de bevoegdheid om over te gaan tot aanwijzing van (openbaar) instrumenterende ambtenaren, die al dan niet optreedt als derde, ten aanzien van de hiervoor genoemde entiteiten; een instrumentele bevoegdheid voor rekening van derden maar enkel voor personen die onder toezicht of onder het gezag van de deelstaten staan; zo zal het Vlaamse Gewest bevoegd zijn om de gemeenten toe te staan of te verplichten om een beroep te doen op een door het Vlaamse Gewest opgerichte dienst; de Vlaamse Gemeenschap zal over dezelfdebevoegdheid beschikken voor de OCMW’s.

 -

Welk comité is bevoegd voor de schatting, onderhandelingen en het ondertekenen van akten van onroerende goederen gelegen in het Waalse Gewest en/of het Brussels Hoofdstedelijk Gewest maar toebehoren aan een Vlaamse entiteit of lokaal bestuur ? Indien een entiteit geen beroep wenst te doen op het “Vlaams Aankoopcomité” voor een aankoop/verkoop heeft zij dan nog de mogelijkheid om beroep te doen op het “Federaal Aankoopcomité” ?

 -

-

-

Wat moet nog besproken worden?

Aandachtspunten

Het is van uitzonderlijk belang toegang te krijgen tot de federale database van de FOD Financiën (vergelijkingspunten, registratie, kadaster…) om het gelijkheidsbeginsel en de rechtszekerheid te kunnen blijven hanteren ten aanzien van de burger, zeker in het kader van onteigeningen. Alle handelingen met betrekking tot de organisatie en het interne bestuur (= vennootschapsakten) vereisen een grondige en specifieke kennis van de vennootschapswetgeving/wetgeving VZW en wetgeving m.b.t. de stichtingen. In het kader van de economische malaise en kostenbesparingen bij de lokale besturen kan er een enorme toevloed zijn van akten m.b.t. deze specifieke akten: 159 Vlaamse autonome gemeentebedrijven 11 Vlaamse autonome provinciebedrijven 90 Vlaamse dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen circa 350 instellingen onderworpen aan de controle van de Vlaamse overheid Het al dan niet verplichtend karakter van de dienstverlening. De werklastmeting is nog steeds niet voorhanden ondanks herhaalde toezeggingen. Evenzo de opgave van hoeveel personeel er overkomt van welk niveau. Overgangsmaatregelen uitwerken met betrekking tot dossiers die reeds ingeleid zijn bij de federale aankoopcomités, inclusief de dossiers van gerechtelijke onteigeningen De grote achterstand in bestaande dossiers. De niet-behandeling van dossiers wegens overbevraging en onderbemanning per jaar (circa 3500). De coherentie bij onteigeningen en de gelijke behandeling van de onteigenaars en de onteigenden.

Welke nieuwe beleidsopties kan Vlaanderen nemen ? Optie 1 (Nuloptie): Overname van taken van de federale aankoopcomités . Optie 2: Inkanteling in bestaande slagkrachtige entiteiten: het departement Financiën en Begroting en het Extern Verzelfstandigd Agentschap (EVA) Vlaamse Landmaatschappij. Optie 3: Inkanteling in bestaande slagkrachtige entiteiten: het departement Financiën en Begroting en het Intern Verzelfstandigd Agentschap (IVA) De Vlaamse Belastingdienst.

105


Eerste optie (nuloptie): overname van een aantal taken van de federale aankoopcomités

Wat houdt deze optie in? -

Overname van een aantal taken van de federale aankoopcomités, met inbegrip van de schattingen en de onderhandelingen voor zover het om vastgoeddossiers gaat alsmede handelingen met betrekking tot de organisatie en intern bestuur.

Wat zijn de effecten? -

Het takenpakket van de Vlaamse aankoopcomités (nu nog dienst vastgoedakten) wordt veel uitgebreider:  het bepalen van de waarde van onroerende goederen;  de plaatsbeschrijving met opstallen;  het voeren van onderhandelingen;  het opvolgen van gerechtelijke onteigeningen;  het voorbereiden en ondertekenen van kredietakten van sociale bouwmaatschappijen  het ondertekenen van akten met betrekking tot de organisatie en het intern bestuur

-

Het aantal akten zal drastisch verhogen (van 240 naar circa 10.000).

-

Indicatoren geven aan dat de verwachte vraag naar de dienst van de aankoopcomités stijgt met 3 tot 5% per jaar:  Aankopen: stijging van publieke investeringen in infrastructuur; toename van de complexiteit van de wetgeving; invoering van de btw op notariële erelonen, …e.a.  Verkopen: noodzaak wegens budgettair evenwicht voor overheden en lokale besturen;  Nieuwe opdrachten: akten van vennootschappen, verenigingen en stichtingen  Achterstand: er is extra capaciteit vereist voor het wegwerken van de bestaande achterstand en van de niet-behandeling van dossiers.

-

Decentralisatie van de organisatie. Er zijn naast de centrale diensten in Brussel onder meer regionale aankoopcomités in Antwerpen, Brugge, Gent (1 en 2), Hasselt, Kortrijk, Mechelen en Brussel (VlaamsBrabant). Op dit ogenblik worden bepaalde comités geclusterd: Gent 1 en Gent 2, Brugge en Kortrijk, Antwerpen en Mechelen (deels), Hasselt en Mechelen (deels).

-

Leeftijdspiramide en grote uitstroom van medewerkers. De federale aankoopcomités bemannen 227,9 VTE, waarvan 113,7 Nederlandstaligen (eind 2012). Praktisch 60 % is ouder dan 51 jaar.

-

De doorlooptijd van een dossier is voor vele opdrachtgevers te lang. Slechts 40% van de aan- en verkopen wordt binnen de 12 maanden beëindigd.

Voordelen:  De aankoopcommissarissen hebben veel expertise en knowhow wat betreft de juridische kennis, het schatten, het voeren van onderhandelingen en het opvolgen van gerechtelijke onteigeningsdossiers.

106


 Deskundigheid op basis van objectieve data ten behoeve van de opdrachtgevers en de burger. Nadelen:  De verankering van deze expertise binnen de Vlaamse overheid zal zeer tijdelijk zijn gezien de zeer grote uitstroom (zie hierboven en hieronder).  De federale aankoopcomités hebben een vrij grote zelfstandigheid binnen de FOD Financiën. De integratie van de federale medewerkers in het Vlaamse personeelskader en de bestaande overheidsstructuur zal bijzondere uitdagingen stellen.

Hoe wordt dit organisatorisch uitgewerkt? De Vlaamse aankoopcomités kunnen geïntegreerd worden binnen het beleidsdomein Financiën en Begroting en eventueel fuseren met de diensten Vastgoedakten en Patrimoniumbeheer.

Tweede optie: Inkanteling in bestaande slagkrachtige entiteiten: het departement Financiën en Begroting en het Extern Verzelfstandigd Agentschap (EVA) Vlaamse Landmaatschappij

Wat houdt deze optie in? Nieuwe doelstellingen -

Naast de behandeling van vennootschapsdossiers het behandelen van vastgoeddossiers (inclusief schatten en onderhandelen) in het algemeen en minnelijke onteigeningen in het bijzonder met als doel een significante vermindering van de doorlooptijd van een vastgoeddossier bewerkstelligen, waardoor - onder meer - de investeringsprojecten sneller kunnen gerealiseerd worden, waarbij de nadruk blijft liggen op:  een kwalitatieve en klantvriendelijke dienstverlening;  de rechtszekerheid;  onafhankelijkheid en objectiviteit;  een gelijke behandeling van de particulier (gelijkheidsbeginsel).

-

Het coördineren van onroerende strategieën in het algemeen belang en het belang van de Vlaamse overheid met het oog op een snellere uitvoering van investeringsprojecten.

Deze twee doelstellingen kaderen tevens in één van de 24 sleutelprojecten in het kader van een “Slagkrachtige overheid” (VIA Vlaanderen In Actie Pact 2020). Gezien de huidige onderbemanning van de federale aankoopcomités kunnen de Vlaamse Aankoopcomités niet op kwantitatieve en kwalitatieve wijze hun diensten verlenen aan de opdrachtgevers zonder over te gaan tot bijkomende aanwerving van gekwalificeerd personeel en/of grondige optimalisatie van processen. Het is dan ook van primordiaal belang voorafgaande strategische beslissingen te nemen die hun invloed zullen hebben op:  de in te halen achterstand van vastgoeddossiers in het algemeen en gerechtelijke onteigeningen in het bijzonder;  de te verwachten jaarlijkse aangroei van dossiers (3% tot 5%);

107


 het budget dat rekening houdt met het behoud (en mogelijke verbetering) van de kwalitatieve en kwantitatieve dienstverlening en (vooral) de vermindering van de doorlooptijd van een dossier. Mogelijke pistes om deze uitdaging aan te gaan door efficiëntieverhoging binnen de capaciteit van de aankoopcomités (deels gebaseerd op het rapport opgemaakt door het studiebureau McKinsey & Company) -

-

-

Operationele verbeteringen: Mogelijke impact: 20% à 30% efficiëntieverhoging, vermindering doorlooptijd (scenario 1). Gedeeltelijke uitbesteding van schattingen: Mogelijke impact: daling werklast met 13%, vermindering doorlooptijd (scenario 2). Taken laten uitvoeren door opdrachtgever: Mogelijke impact: daling werklast met 25%, vermindering doorlooptijd (scenario 3). Prioriteren van opdrachten: Mogelijke impact: tussen 30% en 75%, daling volume, vermindering doorlooptijd (scenario 4). Prijszetting van diensten: Mogelijke impact: tussen 5% en 10% (in te schatten op basis van een test) daling volume; impact op de doorlooptijd is onbekend (scenario 5).

Hoe wordt dit organisatorisch uitgewerkt? Opties: De synergie die thans embryonaal ontstaan is tussen de Vlaamse Landmaatschappij (het verrichten van schattingen en plaatsbeschrijvingen enerzijds en het voeren van onderhandelingen anderzijds) en de dienst vastgoedakten (voorbereiden en ondertekenen van akten) naar aanleiding van enkele proefprojecten, verder structureel uitbreiden via een geïntegreerde samenwerking om een all-inclusive dienstverlening aan te bieden, zeker met het oog op de kwaliteitsbewaking. Het departement Financiën en Begroting voert de regisseur-rol en gezagsfunctie uit. De Vlaamse Landmaatschappij ondersteunt de operatie vanuit haar knowhow. De Vlaamse Landmaatschappij heeft de expertise en de knowhow voor schattingen in ruraal en licht verstedelijkt gebied. Voor eigendommen in sterk verstedelijkte gebieden en/of voor complexe eigendommen kan de Vlaamse Landmaatschappij deze expertise verder ontwikkelen. De toekomstige Vlaamse aankoopcomités, vanuit hun regierol, bereiden de akten voor, ondertekenen deze en zorgen voor de nazorg en de opvolging van gerechtelijke onteigeningen, met bijstand van advocaten aangesteld via een centrale pool. Deze opvolging van gerechtelijke onteigeningen kan ook door de onteigenende overheid gebeuren, waarbij zij zelf een advocaat aanstelt alsmede de gerechtelijke onteigeningsprocedure opvolgt in nauw overleg met de door haar aangestelde advocaat. Een samenwerkingsverband wordt tot stand gebracht tussen de Vlaamse Landmaatschappij en het departement Financiën en Begroting om controle uit te oefenen op de gedane schattingen en de opgemaakte facturen met het oog op de kwaliteitsbewaking van zowel de schattingen en de facturen: de individuele controle geschiedt bij de Vlaamse Landmaatschappij, de systeemcontrole bij het departement Financiën en Begroting (ook voor dossiers waar de Vlaamse Landmaatschappij partij is). Het departement Financiën en Begroting zorgt ook, indien nodig, voor de pooling van externe landmeters/experten voor schattingen via een bestek of raamcontract. Binnen het samenwerkingsverband waarvan hierboven sprake, wordt het schattingsverslag en de prijszetting gecontroleerd. De Vlaamse aankoopcomités en de Vlaamse Landmaatschappij sluiten een samenwerkingsakkoord af met de FOD Financiën om toegang te verkrijgen tot de 108


-

-

-

-

-

-

-

federale database met het oog op het verkrijgen van vergelijkingspunten en (vooral) het verkrijgen van de meest actuele gegevens van eigenaars en eigendommen. Gezien de Vlaamse Belastingdienst in de toekomst zal instaan voor de inning van bepaalde registratierechten en successierechten en sowieso toegang tot de federale database moet hebben, kan een samenwerkingsakkoord met haar afgesloten worden en wederzijdse informatie uitgewisseld worden. Ook binnen de Vlaamse Belastingdienst zullen schatters fungeren. Mogelijker wijze kan ook hier een structurele samenwerking/integratie opgezet worden met de Vlaamse Landmaatschappij en het departement Financiën en Begroting te meer daar de Vlaamse Belastingdienst ook regionaal zal verankerd worden in een aantal steden van Vlaanderen. De Vlaamse aankoopcomités hebben nood aan allerhande informatie met betrekking tot eigendommen (stedenbouwkundig uittreksel, bodemattest, beschermingsmaatregelen). Zo deze informatie digitaal kan aangeleverd worden (bijv. via een kruispuntenbank) kan de doorlooptijd van een vastgoeddossier sterk kan gereduceerd worden. De diverse intercommunales en studiebureaus kunnen een belangrijke factor zijn in de dienstverlening naar onder meer de gemeenten toe (zij doen schattingen - weliswaar onder controle van de bestaande aankoopcomités - en voeren onderhandelingen). Wanneer er vraag is, kan het bijzonder nuttig zijn voorafgaande raamcontracten af te sluiten. Er dient verder overleg plaats te vinden met de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat om mee betrokken te worden in het project van elektronische handtekening van akten en de digitale opslag van alle akten (Nationale Aktenbank). Een Vlaamse dienst ‘Opmetingen en Waarderingen’, bij voorkeur, in te richten binnen de Vlaamse Landmaatschappij die kan optreden voor de Vlaamse Belastingdienst, de Vlaamse aankoopcomités en andere vragende partijen, maar met de nodige kwaliteitsbewaking, georganiseerd zoals hierboven vermeld. De kennis met betrekking tot onteigenen is nu verspreid over diverse instanties. Het moet de bedoeling zijn, deze kennis op een transparante manier te centraliseren, maar gelijktijdig ook te ontsluiten, voor zowel overheden als particulieren, voor wat betreft:  de administratieve onteigeningsprocedure;  de gerechtelijke onteigeningsvergoeding;  de onteigeningsvergoeding.

-

-

-

Derde optie: Inkanteling in bestaande slagkrachtige entiteiten: het departement Financiën en Begroting en het Intern Verzelfstandigd Agentschap (IVA) De Vlaamse Belastingdienst

Het departement Financiën en Begroting, vanuit haar regierol, neemt de omschreven taken van de federale aankoopcomités over, met uitzondering van de opmetingen en waarderingen, voor zover het om vastgoeddossiers gaat. Binnen de Vlaamse Belastingdienst zal een Vlaamse dienst ‘Opmetingen en Waarderingen’ ingericht worden, die zowel zal optreden voor de Vlaamse aankoopcomités als voor de fiscale schattingen van de Vlaamse Belastingdienst. Bij deze inkanteling binnen de Vlaamse Belastingdienst moet er een strikte interne functiescheiding voorzien worden conform de huidige federale organisatie van AKRED. Dit om te vermijden dat schattingen beïnvloed zouden kunnen worden door de andere, fiscale, taken van de Vlaamse Belastingdienst.

Takenpakket Vlaamse dienst ‘Opmetingen en Waarderingen’: De Vlaamse dienst ‘Opmetingen en Waarderingen’ zal voor de toekomstige Vlaamse Aankoopcomités instaan voor alle opmetingen en waarderingen van hun dossiers. Wanneer een overheid overgaat tot onteigening van een onroerend goed dient de onteigende volledig en voorafgaand schadeloos te worden gesteld. Om een correcte

109


-

-

-

-

onteigeningsvergoeding te bepalen dient de administratie de normale venale waarde van het te onteigenen goed te bepalen. Tevens bevat de onteigeningsvergoeding nog andere componenten, zoals onder meer de waardevermindering van de overblijvende delen, de wederbeleggingsvergoeding en wachtintresten, kosten voor wederafsluiting en afpaling. Naast de vergoeding voor de onteigende dient ook een vergoeding te worden bepaald voor de aan gebruikers - zoals een huurder of pachter - berokkende stoornis. Naast onteigeningsvergoedingen zullen de Vlaamse Aankoopcomités ook venale waarden van onroerende goederen dienen te bepalen met het oog op het afsluiten van louter minnelijke transacties. De Vlaamse dienst ‘Opmetingen en Waarderingen’ zal voor de Vlaamse Belastingdienst instaan voor de waardering van goederen in het kader van de geregionaliseerde registratie- en successierechten. De waardering betreft hier enerzijds onroerende goederen die het voorwerp uitmaken van een mutatie, hetzij onder de levenden, hetzij bij overlijden. Deze waardering kan uitgevoerd worden in diverse fasen van het invorderingsproces. Anderzijds moeten er ook andere goederen gewaardeerd worden zoals de maatschappelijke rechten in vennootschappen die deel uitmaken van het actief van een nalatenschap.

Positionering Vlaamse dienst ‘Opmetingen en Waarderingen’: Zowel de Vlaamse Aankoopcomités als de Vlaamse Belastingdienst hebben behoefte aan inzicht in de venale waarden van onroerende goederen. Het takenpakket voor beide entiteiten is sterk overlappend. De finaliteit van de waarderingen is echter verschillend en elk van beide kennen afzonderlijk typerende aspecten. Gezien echter de sterke overlap en gezien het feit dat voor de uitoefening van beide takenpakketten de raadpleging van grotendeels dezelfde databronnen noodzakelijk is (onder meer Locostat, Loco, Cadnet), lijkt het aangewezen de vereiste expertise te centraliseren in één organisatie die opdrachten voor beide entiteiten kan uitvoeren. Op die manier kan een equipe worden uitgebouwd die de evolutie van de verkoopprijzen van onroerende goederen, rekening houdend met lokale nuances, kan opvolgen en deze ook omzetten in de te bepalen vergoedingen en waarden. Het lijkt aangewezen deze dienst te positioneren bij Vlabel, gezien het aantal verrichtingen waarvoor een post factum, hetzij een andere controle of waardering noodzakelijk is. De bijkomende expertise die vereist is voor het bepalen van onteigeningsvergoedingen kan als attribuut van de vastgoedexpertise bijkomend in deze cel gepositioneerd worden. Vandaag wordt deze expertise ook gecentraliseerd bij de Dienst Opmetingen en Waarderingen (het vroegere kadaster), als onderdeel van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie. De dienst van de registratieen successierechten wordt verzorgd door de Administratie van de Rechtszekerheid, de federale aankoopcomités zijn ondergebracht bij de Patrimoniumdiensten. Nadelen/risico’s: Zoals hierboven beschreven moet een strikte functiescheiding gehanteerd worden bij de inkanteling. Schattingen moeten objectief gebeuren zonder dat er belangenvermenging mogelijk is. De taken voor de aankoopcomités beperken zich niet tot een loutere waardering. Voor de Vlaamse Aankoopcomités moet mogelijks ook een opmeting en een plaatsbeschrijving gebeuren. Het is belangrijk dat deze competenties worden uitgebouwd binnen de toekomstige Vlaamse dienst ‘Opmetingen en Waarderingen’.

110


Afdeling 2. Onteigeningen Wat zal er veranderen aan de Vlaamse bevoegdheid? 

Vóór de zesde staatshervorming

Uit artikel 79 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen volgt dat, naast de federale overheid, ook het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap grondwettelijk bevoegd zijn voor onteigeningen. De deelstatelijke bevoegdheid is evenwel onderworpen aan de federale wetten inzake gerechtelijke procedures en aan het grondwettelijk principe van de billijke en voorafgaandelijke schadeloosstelling. Artikel 79 bepaalt: “§ 1. Onverminderd § 2, kunnen de Regeringen overgaan tot onteigeningen ten algemenen nutte in de gevallen en volgens de modaliteiten bepaald bij decreet, met inachtneming van de bij de wet vastgestelde gerechtelijke procedures en van het principe van de billijke en voorafgaande schadeloosstelling bepaald bij artikel 11 van de Grondwet. § 2. De Vlaamse Regering en de Franse Gemeenschapsregering kunnen, ieder wat haar betreft en enkel inzake de culturele aangelegenheden, in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad overgaan tot onteigeningen ten algemenen nutte in de gevallen en volgens de modaliteiten bepaald bij de wet. § 3. De overeenkomsten inzake afstand in der minne, de kwijtingen en andere handelingen in verband met het verkrijgen van onroerende goederen, kunnen zonder kosten worden gesloten door toedoen van het lid van de Regering dat daartoe gemachtigd werd.”

Na de zesde staatshervorming

Tekst institutioneel akkoord (p. 44): “Onteigeningen: Overdracht naar de Gewesten van de onteigeningsprocedure, behalve voor de onteigeningen die door de federale overheid of de rechtspersonen die van haar afhangen gebeuren, en die aan de federale procedure onderworpen blijven

Voorgestelde wetteksten:  Nieuw artikel 6quater BWHI: “De gewesten bepalen de gerechtelijke procedure die specifiek van toepassing is in geval van onteigening ten algemenen nutte van een goed in het betreffend gewest gelegen, met inachtneming van een billijke en voorafgaande schadeloosstelling zoals bepaald in artikel 16 van de Grondwet, met uitzondering van de federale bevoegdheid voor het bepalen van de gevallen waarin en de modaliteiten, met inbegrip van de gerechtelijke procedure, volgens dewelke tot onteigening ten algemenen nutte kan worden overgegaan door de federale overheid en de rechtspersonen die door of krachtens de wet gemachtigd werden om tot onteigeningen ten algemenen nutte over te gaan”

 Wijziging artikel 79, § 1 en § 2, BWHI: “§ 1. Onverminderd § 2, kunnen de Regeringen overgaan tot onteigeningen ten algemenen nutte in de gevallen en volgens de modaliteiten bepaald bij decreet, met inachtneming van de bij de wet bij het decreet bedoeld in artikel 6quater vastgestelde gerechtelijke procedures en van het principe van de billijke en voorafgaande schadeloosstelling bepaald bij artikel 11 van de Grondwet. § 2. De Vlaamse Regering en de Franse Gemeenschapsregering kunnen, ieder wat haar betreft en enkel inzake de culturele aangelegenheden, in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad overgaan tot onteigeningen ten algemenen nutte in de gevallen en volgens de modaliteiten bepaald bij de wet en met inachtneming van de gerechtelijke procedures bepaald door de overeenkomstig de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen bevoegde wetgever.”

111


Analyse en Toelichting DOEL De Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest die reeds bevoegd zijn om over te gaan tot onteigeningen ten algemenen nutte, worden nu gemachtigd specifieke normen uit te werken met betrekking tot de gerechtelijke procedure. De onteigeningen die plaatsvinden op het grondgebied van het Vlaamse Gewest zullen onderworpen zijn aan de procedure aangenomen door het Vlaamse Gewest. WIJZE -

De gewest- en gemeenschapsregeringen kunnen overgaan tot onteigeningen ten algemenen nutte in de gevallen en volgens de modaliteiten bepaald bij decreet, met inachtneming van de bij de wet vastgestelde gerechtelijke procedures en van het principe van de billijke en voorafgaande schadeloosstelling bepaald bij artikel 16 van de Grondwet. Het betreft een accessoire bevoegdheid ten opzichte van de materiĂŤle bevoegdheden van de deelgebieden, onder meer inzake ruimtelijke ordening, huisvesting en economisch beleid.

-

De regeringen zijn eveneens bevoegd om, in gewest- en gemeenschapsmateries, andere rechtspersonen te machtigen om tot onteigeningen over te gaan.

BEPERKINGEN -

-

-

-

-

-

Een decreet kan de gevallen en de voorwaarden waarin tot onteigening kan worden overgegaan bepalen, maar het mag geen inbreuk maken op de gerechtelijke procedureregels die op federaal niveau blijven. De onteigeningen die plaatsvinden op het grondgebied van een bepaald gewest zullen onderworpen zijn aan de procedure aangenomen door het betrokken gewest, behalve wat betreft de onteigeningen door de federale overheid en door de instellingen die door haar werden gemachtigd om tot onteigening over te gaan, die onderworpen blijven aan de federale procedure. Net zoals de federale bevoegdheid is de bevoegdheid van de gewesten beperkt door de principes van artikel 16 van de Grondwet en door artikel 1 van het Eerste Aanvullend protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens. Bovendien is, mede gelet op artikel 144 van de Grondwet, enkel de gewone rechter bevoegd om aan personen die houder zijn van rechten inzake het onteigend goed de gepaste juridische bescherming toe te kennen. De federale wetgever zal verder de gevallen bepalen waarin en de modaliteiten volgens dewelke de Vlaamse en Franse Gemeenschap kunnen onteigenen in culturele aangelegenheden in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, maar het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest zal bevoegd zijn om de gerechtelijke procedure te bepalen. De gewesten zullen hun bevoegdheid moeten uitoefenen met respect voor het evenredigheidsbeginsel, gelet op de bevoegdheid van de federale staat inzake de organisatie van de gerechtelijke procedure. De maatregelen die de gewesten zullen kunnen nemen inzake onteigening zullen slechts een marginale weerslag mogen hebben op de manier waarop de vrederechter zijn werk organiseert

ď‚§

Wat moet nog besproken worden?

-

Zie afdeling 1 AankoopcomitĂŠs

-

Dient in het decreet expliciet opgenomen te worden welke entiteiten/lokale besturen kunnen onteigenen ?

112


Aandachtspunten

Zie afdeling 1 Aankoopcomités

Welke nieuwe beleidsopties kan Vlaanderen nemen? Optie 1 (Nuloptie): De federale wetgeving wordt ongewijzigd overgenomen. Optie 2: Er wordt een nieuw Vlaams onteigeningsdecreet opgemaakt.

Eerste optie: nuloptie

Wat houdt deze optie in en wat zijn de effecten? De bestaande federale wetgeving wordt ongewijzigd overgenomen. Op zich heeft de overname van de federale wetgeving geen effecten. Evenwel moet de afdeling Onteigeningen samen gelezen worden met de afdeling Aankoopcomités. In dit ruimer geheel zijn er wel effecten vast te stellen. Door de overname van de taken van de federale aankoopcomités zal het Vlaamse Gewest zelf het nodige kunnen doen om de huidige achterstand qua behandeling van dossiers in te halen. Bovendien zou men per onteigenend beleidsdomein een nieuwe cel kunnen oprichten die de Vlaamse aankoopcomités kan ondersteunen om de doorlooptijd van de dossiers zo nog te verlagen.

Hoe wordt dit organisatorisch uitgewerkt? De inkanteling van regelgevingen zoals onteigeningen hoort in principe aan een horizontaal beleidsdomein toe. Desondanks is het departement MOW bereid zich kandidaat te stellen om deze taak op zich te nemen.

Tweede optie: Er wordt een nieuw Vlaams onteigeningsdecreet opgemaakt

Wat houdt deze optie in? Er wordt een nieuw Vlaams onteigeningsdecreet opgemaakt dat een eenvoudige en eenduidige procedure zal zijn en dat de knelpunten van de huidige federale wetgeving oplost, en waarbij enerzijds een efficiënte en indien nodig snelle onteigening de doelstelling is en anderzijds rekening wordt gehouden met de belangen van alle betrokkenen zodat een evenwichtige situatie wordt gecreëerd tussen de rechten van de onteigenende overheid en de onteigende.

Wat zijn de effecten? Doordat dit nieuwe decreet de knelpunten van de huidige federale wetgeving oplost, kan Vlaanderen zelf de noodzakelijke wijzigingen in de wetgeving doorvoeren en worden efficiëntere en indien nodig snellere onteigeningen gerealiseerd. De noodzakelijke overheidsinvesteringen kunnen zo versneld worden waardoor ook de kosten zullen verminderen en de doelstelling van algemeen belang sneller wordt bekomen. De opmerkingen onder afdeling 1. Aankoopcomités gelden ook hier. 113


Door de overname van de taken van de federale aankoopcomitĂŠs zal het Vlaamse Gewest zelf het nodige kunnen doen om de huidige achterstand qua behandeling van dossiers in te halen. De knowhow inzake onteigeningen dient ook bij de Vlaamse aankoopcomitĂŠs aanwezig te zijn. Bovendien zou men per onteigenend beleidsdomein een nieuwe cel kunnen oprichten die de Vlaamse aankoopcomitĂŠs kan ondersteunen om de doorlooptijd van de dossiers zo verder te verlagen.

Hoe wordt dit organisatorisch uitgewerkt? De inkanteling van regelgevingen zoals onteigeningen hoort in principe aan een horizontaal beleidsdomein toe. Desondanks is het departement MOW bereid zich kandidaat te stellen om deze taak op zich te nemen. Overleg met alle onteigeningsbevoegde beleidsdomeinen is in elk geval nodig, los van de gekozen piste.

114


HOOFDSTUK 6. GEZAMENLIJK BEHEER VAN DIENSTEN EN INSTELLINGEN Afdeling 1. Nationaal Instituut Statistiek Het Nationaal Instituut voor de Statistiek zal worden geïnterfederaliseerd. Welke nieuwe perspectieven biedt de interfederalisering voor het Vlaamse beleid? Doel van interfederalisering: Het Interfederaal Statistisch Platform of ISP (zie verder) wordt de ‘draaischijf’ voor het Belgisch Statistisch Systeem en waakt erover dat de verplichtingen ten aanzien van Eurostat optimaal worden ingevuld en uitvoering wordt gegeven aan de beslissingen van het Interministerieel Comité voor Statistiek. De standpunten die op de internationale fora worden verdedigd vanuit het Belgisch Statistisch Systeem gebeuren door een vertegenwoordiger van ISP (nu: ADSEI) en weerspiegelen zowel de informatienoden van de federale staat als van de gewesten/gemeenschappen. Via de juridische constructie van ISP worden zo ook de deelstaten ‘erkend’ door Eurostat; ADSEI en de gewesten/gemeenschappen worden gelijkwaardige partners bij de productie en ontsluiting van openbare statistieken die nodig en nuttig zijn ter ondersteuning van het beleid van het federaal niveau en van de deelstaten. Let wel: dit voorstel handelt enkel over de werkzaamheden van ADSEI als nationaal instituut van de statistiek. Het interfereert niet in de autonomie van de federale en regionale instellingen die hun sectoriele statistieken produceren en verspreiden in het kader van hun beleid. Beoogde effecten voor de deelstaten: Vlotte toegang tot gemeenschappelijke databanken die relevante informatie bevatten voor regionaal beleid zodat de deelstaten snel en gelijktijdig over dezelfde kwaliteitsvolle informatie kunnen beschikken als de federale instellingen; Kosten efficiënt gebruik van gemeenschappelijke infrastructuur waarbij kennis en informatie worden gedeeld. Vb. mogelijkheid om metadata in te voeren en te consulteren in een online toepassing (voor gemeenschappelijke data of zelfs specifieke regionale datasets). Hierdoor ontstaat eveneens een overzicht van de beschikbare openbare statistieken van het Belgisch Statistisch Systeem; Mede-eigenaarschap van toe te passen methoden bij de productie van administratieve data met het oog op koppeling en gemeenschappelijke ontsluiting van data voor hergebruik (vb. Censusdatabank), enquêtes met gemeenschappelijke interesse/internationale verplichtingen, het datamanagement (vb. techniek voor cleaning van data, weging van enquêteresultaten, seizoenuitzuivering van reeksen), bevolkingsprojecties voor federaal - gewesten (formuleren hypothesen); enz.

Hoe wordt dit organisatorisch uitgewerkt? Gemeenschappelijk Interfederaal Statistisch Platform (ISP): ISP wordt een autonome juridische entiteit, opgericht op basis van samenwerkingsprotocol (wet/decreet/ordonnantie). Het verenigt het nationaal instituut voor statistiek (nu: ADSEI) en de gewestelijke of communautaire instellingen die door de deelstaten worden aangeduid om de openbare statistiek te coördineren binnen hun beleidsniveau (nu: SVR, IWEPS en BISA). De samenstelling zal paritair zijn (ieder twee vertegenwoordigers) en het voorzitterschap

115


wordt intern en roterende ingesteld. Er wordt gestreefd naar consensus. Er wordt gerapporteerd aan een Interministerieel Comité voor Statistiek. Het mandaat van het ISP behelst : Het aanmaken en verspreiden van internationale statistieken en meer bepaald de statistieken die door het Europees statistisch programma verplicht worden aan de lidstaten; Het aanmaken en verspreiden van statistieken die noodzakelijk zijn voor het voeren van een federaal, regionaal of communautair regeringsbeleid, en die bepaald worden door het Interministerieel Comité; Het voorbereiden en uitwerken van ‘algemene’ samenwerkingsprotocollen en de voorbereiding, uitvoering en opvolging van internationale richtlijnen. De sectorale samenwerkingsprotocollen blijven onder de verantwoordelijkheid van de bevoegde sectorale ministers. Er mag geen onderlinge tegenstrijdigheid zijn. De organisatie wordt gedragen door een Strategische Raad die wordt ondersteund door een Methodologisch en een Operationeel Comité alsook een gemeenschappelijk secretariaat. Interministerieel Comité voor Statistiek: De beslissingen worden politiek genomen door een Interministerieel Comité Statistiek dat paritair wordt samengesteld tussen federaal niveau en deelstaten. Dit comité zal onder meer beslissingen nemen over de programmatie van statistieken die in het kader van het Europees Statistisch Programma moeten worden geproduceerd (nu: federale minister van Economie), de algemene samenwerkingsprotocollen tussen ADSEI en regionale/communautaire diensten die statistieken produceren en verspreiden, de toepassing van internationale richtlijnen, de planning en het budget van ISP. Overlegorganen: Hoge Raad voor Statistiek is nu samengesteld uit vertegenwoordigers van federaal INR (ADSEI, FP, NBB), deelstaten, universiteiten, sociale partners. In de toekomst wordt de vertegenwoordiging van ADSEI en van deelstaten (SVR, IWEPS, IBSA) vervangen door vertegenwoordiging vanuit ISP. De werking moet geoptimaliseerd worden (vb. thematische werkgroepen) die de inbreng van experten uit de betrokken domeinen (federaal/deelstaten) mogelijke maakt; Coördinatiecomité Statistiek is nu samengesteld uit vertegenwoordigers van de deelstaten en federaal INR. Nu kunnen deelstaten enkel punten ter bespreking agenderen. Voorstel om Coördinatiecomité op te heffen. De taken worden overgenomen door het ISP. Middelen: Middelen vanuit ADSEI en gewestelijke statistiekinstellingen voor onafhankelijk secretariaat (voorbereiding van vergadering van ISP en notulering, dispatching van documenten van Eurostat naar ADSEI en deelstaten). Regelgeving: Wijziging van statistiekwet: de deelstaten moeten als volwaardige partners worden vermeld in de wet zoals de leden van het INR waardoor alle actoren (h)erkend worden als leden van het Belgisch Statistisch Systeem; afschaffing van Coördinatiecomité, wijziging van meerdere artikels over accreditering van methoden en datasets (nu mag enkel ADSEI accrediteren), toegang tot databanken, enz; Te onderzoeken: andere wetten die raakvlakken hebben met statistiekproductie en verspreiding vb. Privacy Commissie (Statistisch Toezichtcomité is nog steeds niet opgericht), maar ook samenwerkingsprotocols en KB over organisatie van specifieke statistieken (vb. geboorte- en sterftestatistieken, organisatie van O&O-enquêtes en samenstellen van de overheidskredieten voor O&O (GBAORD);

116


Binnen de Vlaamse overheid Organisatie: Studiedienst van Vlaamse Regering moet zijn coördinerende functie en de ondersteuning bij kwaliteitsborging van Vlaamse regionale statistiek versterken; Overlegorgaan: Platform Statistiek met vertegenwoordigers van 13 domeinen wordt meer betrokken bij voorbereiding van standpuntbepaling van Vlaamse overheid op federale en internationale fora; Beslissingsorganen: Minister-president is coördinerend minister voor statistiek en zal Vlaamse overheid vertegenwoordigen in het op te richten Interministerieel Comité voor Statistiek; De ministers van de Vlaamse Regering blijven bevoegd voor productie van sectorale statistieken en het nakomen van verplichtingen die internationale organisaties hen opleggen op het gebied van rapportering. Zij onderhandelen en zijn politiek verantwoordelijk voor sectorale samenwerkingsakkoorden. Middelen: Aanspreekpunten in 13 domeinen (zie Platform Statistiek) moeten tijd krijgen; Inzetten van middelen voor gemeenschappelijke projecten en initiatieven in kader van ISP (vb. voor grotere steekproef, bijkomende vraagmodule in survey). Dit hoeft geen meer kost te zijn, integendeel door heroriëntatie van middelen en inbreng van meerdere actoren kan de kost worden verlicht. Regelgeving: Afstemming met decreet elektronisch gegevensbeheer;

Hoever staan we al? De hierboven vermelde voorstellen zijn op administratief niveau besproken tussen de drie gewestelijke statistiekinstellingen SVR, IWEPS en IBSA. De voorstellen zijn informeel getoetst bij de respectievelijke regionale ministers.

Aandachtspunten -

-

-

De federale instanties worden evenals de regionale instellingen geconfronteerd met een personeelsvermindering terwijl er taken van overleg en coördinatie bijkomen. De betrokken actoren hebben een verschillend statuut: SVR (IVA), IWEPS Wallonië (wetenschappelijke instelling), IBSA Brussel (team bij secretaris-generaal-wijziging aangekondigd), ADSEI (administratie binnen FOD Economie). Relatie met integratie in INR waarvan ADSEI deel uitmaakt (virtueel netwerk) Het samenstellen van een Belgisch Statistisch programma zal niet eenvoudig zijn en in bepaalde gevallen een wezenlijke impact op de gegevensverzameling in Vlaanderen hebben. Aandacht voor sectorale samenwerkingsprotocols.

117


Afdeling 2. Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding Het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding zal worden geïnterfederaliseerd. Welke nieuwe perspectieven biedt de interfederalisering voor het Vlaamse beleid? Met de oprichting van het “interfederaal Centrum voor gelijke kansen en voor bestrijding van discriminatie en racisme” voert Vlaanderen - minstens gedeeltelijk - art. 40 van het ‘Gelijkekansendecreet’ 19 uit. Dit artikel geeft vertaling aan een aantal EU-richtlijnen 20 en stelt dat de Vlaamse Regering een onafhankelijk gelijkheidsorgaan moet aanduiden. Art. 9 van het ‘decreet evenredige arbeidsparticipatie’ 21 voorziet dergelijke verplichting voor arbeidsrechtelijke kwesties. De 13 Meldpunten Discriminatie, die in uitvoering van art. 42 en 43 van het Gelijkekansendecreet door Vlaanderen werden opgericht, zullen ingekanteld worden in het interfederaal Centrum. Gelijke Kansen in Vlaanderen, die momenteel de omkadering van de Meldpunten op zich neemt, zal hierdoor meer tijd kunnen investeren in de uitbouw van een transversaal non-discriminatiebeleid op Vlaams niveau. Het interfederaal Centrum zal vanuit zijn onafhankelijke positie een advies- en monitoringsfunctie kunnen uitoefenen op dit beleid.

Hoe wordt dit organisatorisch uitgewerkt? Gelijke Kansen in Vlaanderen volgt de uitbouw van het interfederaal Centrum op. In het bijzonder ziet zij nauwlettend toe op een goede overdracht van de Meldpunten Discriminatie. De oprichting van het interfederaal Centrum en de overdracht van de Meldpunten zullen enkele aanpassingen aan de regelgeving 22 vergen. Eens het interfederaal Centrum een feit is, zal Gelijke Kansen in Vlaanderen meer tijd kunnen investeren in de uitbouw van een Vlaams transversaal non-discriminatiebeleid. Daarnaast zal de administratie goede contacten uitbouwen met het interfederaal Centrum, opdat een complementaire werking gerealiseerd wordt. Voor 2013 en 2014 is de tussenkomst van Vlaanderen in de werking van het interfederaal Centrum vastgelegd op 681.550 euro (2013) en 738.000 euro (2014). Daarna zal de jaarlijkse inbreng van Vlaanderen 787.200 euro bedragen.

Hoever staan we al? Op 23 juli 2012 werd het Samenwerkingsakkoord voor de oprichting van het interfederaal Centrum gesloten tussen de federale overheid en de deelstaten. Momenteel wordt politiek onderhandeld over de praktische uitwerking hiervan. Tegelijkertijd worden op politiek niveau 19

Decreet van 10 juli 2008 houdende het kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid’, Belgisch Staatsblad 23 september 2008 20 -Artikel 13 Richtlijn 2000/43/EG van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (Rasrichtlijn); -Artikel 12 Richtlijn 2004/113/EG van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten (Geslachtsrichtlijn Goederen en Diensten); -Artikel 20 Richtlijn 2006/54/EG van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking) (Geslachtsrichtlijn Arbeid – herschikking). 21 Decreet houdende evenredige participatie op de arbeidsmarkt, Belgisch Staatsblad 26 juli 2002. 22 O.a. opheffing van het besluit van 3 juli 2009 van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de voorwaarden voor erkenning en subsidiëring van de gelijkebehandelingsbureaus en wijzigingen aan het gelijkekansendecreet.

118


de onderhandelingen gevoerd over de interfederalisering van het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen, en de oprichting van een Belgische mensenrechteninstelling.

Aandachtspunten -

integratie of het verder gescheiden houden van het interfederaal IGVM goede overdracht van de Meldpunten Discriminatie verhouding van het interfederaal Centrum/Instituut met de op te richten mensenrechteninstelling. ontbreken van een instelling bevoegd voor discriminatie op grond van taal.

119


Afdeling 3. Federaal Crisiscentrum De gewesten zullen worden betrokken bij het Federaal Crisiscentrum. Welke nieuwe perspectieven biedt de betrokkenheid voor het Vlaamse beleid? -

Betere samenwerking op vlak van beveiliging van vitale infrastructuren en vitale diensten zodat de VO de beveiliging vanuit haar eigen bevoegdheden beter kan garanderen. Rampenplanning op gewestelijk niveau optimaliseren. Reden: Indien er vandaag al krijtlijnen worden uitgeschreven, ontbreken toch nog de procedures. Informatiedoorstroming van Vlaamse overheden met overheidsdiensten van andere bestuursniveaus beheren (niet ad hoc) o.a. d.m.v. een éénduidig contactpunt. Beleidsmatige afstemming met het federaal crisiscentrum om proactieve maatregelen te nemen inzake noodplanning en crisisbeheer Structureler afstemming met het federaal crisiscentrum op vlak van crisiscommunicatie

Hoe wordt dit organisatorisch uitgewerkt? -

-

Coördinatietaak door het CCVO (crisiscoördinatie Vlaamse overheid) op vlak van noodplanning, crisisbeheer en infrastructuur voor crisisbeheer met volgende principes:  Inhoudelijk werk blijft bij het betreffende beleidsdomein zelf. CCVO coördineert.  Directe communicatielijnen tussen Vlaamse overheidsdiensten enerzijds en federale, provinciale en gemeentelijke anderzijds, blijven aangehouden. Actualisatie en beheer van inventarissen crisismanagement en crisiscontacten Het CCVO klaart de betrokkenheid van de Vlaamse overheid met de disciplines uit 23. VO neemt geen rol in actieve waakzaamheid bij het federaal crisiscentrum 24.

Hoever staan we al? -

CCVO opgericht in 2012, operationeel in april 2013 en vanaf dan permanent bereikbaar Inventaris contacten crisismanagement niet actueel. Directe communicatielijnen tussen verschillende Vlaamse overheidsdiensten en het federaal, provinciaal niveau bestaan. Overleg tussen CCVO en Nationaal Crisiscentrum vindt plaats in concrete dossiers. Bij beleidsdomein LNE is een crisismanager actief.

Aandachtspunten -

Kennisopbouw bij de VO is nodig om met meer inzicht de beleidsopties op te stellen. Beleidsopties kunnen nu nog niet opgesteld worden (cfr advies SERV 25). Naast LNE, MOW en WVG (AZG), kan voor sommige crisissen ook de betrokkenheid van andere beleidsdomeinen nodig zijn. Deze zijn nu nog niet geraadpleegd. CCVO heeft minimale middelen (in personele en financiële middelen). De betrokkenheid bij nationaal crisiscentrum mag geen extra taken voor de Vlaamse overheid creëren. Er zijn drie fasen van crisiscoördinatie, de gemeentelijke, de provinciale en de federale fase. Het is niet voorzien, noch de bedoeling om een vierde fase bij te creëren.

23

De 5 disciplines zijn: hulpverleningsoperaties, medische,sanitaire en psychosociale hulpverlening, politie, logistieke steun, informatie aan de bevolking. 24 Noch op vlak van planning, coördinatie en opvolgen van risico-events, noch op vlak van bescherming van personaliteiten en instellingen. 25 Hiermee wordt de aanbeveling van de SERV onderschreven dat alle bevoegdheden eerst moeten overkomen zoals ze nu geregeld zijn. Pas na het verwerven van kennis, ervaring en samenwerking met de diverse belangengroepen kan met kennis van zaken beoordeeld worden waar hervormingen nodig zijn.

120


Afdeling 4. Instituut Nationale Rekeningen De deelstaten zullen worden geïntegreerd in het Instituut voor de Nationale Rekeningen. Welke nieuwe perspectieven biedt de integratie voor het Vlaamse beleid? De actualisatie en uitbreiding van het samenwerkingsakkoord met betrekking tot de werking van het INR betekent ontegensprekelijk een stap voorwaarts inzake geïntegreerde gegevensuitwisseling wat een kwaliteitsverhogend effect heeft op de beleidsvoorbereiding van federale en regionale maatregelen. De raad van bestuur van het INR heeft trouwens zelf aangegeven dat ze deze hervorming als een buitenkans ziet om de betrouwbaarheid en de volledigheid van de statistieken verder te verbeteren. Hierdoor kunnen de betrouwbaarheid en de volledigheid van de statistieken verfijnd en verbeterd worden, interpretaties kunnen gemeenschappelijk uitgeklaard worden. Dit moet uiteindelijk toelaten om beter te voldoen aan de eisen die door Europa in de six- en twopack zijn gesteld.

Hoe wordt dit organisatorisch uitgewerkt? Het samenwerkingsakkoord wordt gewijzigd waardoor de deelstaten ook vertegenwoordigd worden in de raad van bestuur en in het wetenschappelijk comité voor prijsobservatie en analyse. De deelstaten hebben in alle organen van het INR stemrecht. Het samenwerkingsakkoord kan gewijzigd worden waardoor, naast de deelstaten, ook de lokale overheden in de raad van bestuur (met stemrecht) en wetenschappelijke comités worden vertegenwoordigd.

Hoever staan we al? Er werden nog geen initiatieven genomen.

Aandachtspunten Er kan mogelijkerwijs enige overlap met bestaande initiatieven tot samenwerking ontstaan. Op initiatief van de NBB en de statistiekinstellingen van de gewesten is er reeds een samenwerking tot stand gekomen waarbij elk gewest iemand afvaardigt om – samen met de NBB en in de kantoren van de NBB – ontbrekende regionale statistieken aan te maken. Dit project vloeit niet voort uit een bepaalde wet of uitvoeringsbesluit. De bedoelde werkzaamheden situeren zich op drie terreinen: De aanmaak van de ontbrekende regionale macro-economische aggregaten van de bestedingszijde van het BBP; De opmaak van trimestriële regionale BBP-reeksen; Het op punt stellen van de regionale overheidsrekeningen van de lagere overheden volgens ESR95. Bij het actualiseren van het samenwerkingsakkoord kan ervoor geopteerd worden om alle bestaande samenwerkingsvormen in het akkoord te vatten.

121


Afdeling 5. Samenwerkingsverband Patrimoniale Informatie Het samenwerkingsakkoord van 24 oktober 2002 zal worden herzien om de oprichting van het Agentschap voor patrimoniale informatie mogelijk te maken. Welke nieuwe perspectieven biedt dit voor het Vlaamse beleid? De bevoegdheidsoverdracht voor registratie- en successierechten op grond van het Lambermont-akkoord vereist de toegang tot de databanken en documenten in het bezit van de AAPD. Daarnaast beschikt VLABEL reeds over de kadastrale gegevens voor de inning van de OV. Het akkoord over het gezamenlijk beheer van patrimoniale gegevens op grond van het Institutioneel akkoord en de bevoegdheidsoverdracht inzake registratie- en successierechten verlopen thans niet gecoördineerd.

Hoe wordt dit organisatorisch uitgewerkt? Het is aangewezen om het samenwerkingsakkoord, dat in elk geval zal moeten worden aangepast als gevolg van het advies van de Raad van State, bij te sturen. De doelstelling van het Lambermont-akkoord inzake het gezamenlijk beheer van de gegevens van de patrimoniumdocumentatie kan worden gerealiseerd zonder een oprichting van een nieuw API-agentschap. Dit is enerzijds het gevolg van belangrijke nieuwe technologische evoluties waarbij webservices ingezet kunnen worden voor het op afstand samen beheren van gegevens volgens een samenwerkingsmodel. Anderzijds heeft Vlaanderen gedurende 10 jaar geïnvesteerd in een Grootschalig Referentiebestand (GRB). Het GRB is gerealiseerd als cartografische referentiebasis en bevat onder meer kwalitatieve informatie over percelen en gebouwen. Daarnaast beheert en ontsluit het samenwerkingsverband GDI-Vlaanderen tal van thematische geografische gegevens (Vlaamse voorkooprechten, watertoets, …). De combinatie van beide elementen is nieuw ten opzichte van ruim 10 jaar geleden en maakt dat een netwerkbenadering, gebaseerd op het principe van authentieke gegevensbronnen, het meest aangewezen, kwaliteitsvol en kostenefficiënt model is, eerder dan de oprichting van een afzonderlijk centralistisch agentschap. De netwerkbenadering is gebaseerd op een kosteloze uitwisseling van gegevens, het afbakenen van verantwoordelijkheden in verband met authentieke gegevensbronnen, het toepassen van e-governementprincipes en een zo groot mogelijk hergebruik van overheidsinformatie. Bij die netwerkbenadering moeten ook andere partijen als volwaardige partners worden betrokken (lokale overheden, landmeters, architecten, notarissen, netbeheerders, …). Vlaanderen ziet het API dan ook als een organisatorisch en technisch kader om voor percelen en gebouwen een authentieke bron uit te werken in een geïntegreerd stelsel van authentieke gegevensbronnen.

Hoever staan we al? Patrimoniale informatie in Vlaanderen blijft verspreid over de federale staat, die in hoofdzaak privaatrechtelijke gegevens beheert via Kadaster, Registratie en Hypotheek en de Gewesten die in hoofdzaak publiekrechtelijke gegevens beheren.

Aandachtspunten Bij gebrek aan een samenwerkingsakkoord over het gezamenlijk beheer van patrimoniale informatie wordt de uitoefening van de over te dragen bevoegdheden inzake de aankoopcomités bemoeilijkt aangezien er in voorkomend geval geen structurele toegang is tot de databanken van de AAPD. Ook andere entiteiten hebben voordeel bij toegang tot de 122


databanken van de AAPD voor het beheer van hun patrimonium, evenals voor de vervulling van sommige van hun taken.

123


Afdeling 6. Kruispuntbank van Ondernemingen De gewesten zullen worden vertegenwoordigd in de Kruispuntbank van Ondernemingen. Welke nieuwe perspectieven biedt de vertegenwoordiging voor het Vlaamse beleid? Het Vlaamse Gewest zal vertegenwoordigd worden door een medewerker die zeer goed op de hoogte is van de KBO-werking, en de kwaliteit van dienstverlening en de data-kwaliteit). CORVE lijkt hier best geplaatst vermits dagelijks bezig met het verrijken en ontsluiten van de KBO-data en alle feedback die daaruit voortvloeit (vanuit de Vlaamse en lokale besturen). Er kan op termijn gestreefd worden naar een vorm van medebeheer en inspraak van de gemeenschappen en gewesten in het KBO-beheer, die verder gaat dan de voorgestelde formule (die nu beperkt is tot een zitplaats in een adviserend kwaliteitscomité). Het probleem is hierbij wel dat de KBO zelf ook geen formele organisatie is, maar een “product” van de FOD Economie.

-

-

In dit comité zal de stem desnoods wel gehoord worden, maar levert dit geen enkele garantie op dat er ook naar die stem geluisterd wordt, dat de juridische, administratieve en praktischlogistieke consequenties van de gewenste kwaliteits-ingrepen worden uitgevoerd. Hierbij wordt bv. gedacht aan : De constructie met de betalende ondernemingsloketten. Dit vormt de grootste rem op de KBO-kwaliteit doordat het zeer ontmoedigend werkt voor de ondernemers; Bepaalde ‘simpele’ verbeterings- en concordantie-processen op de KBO-data (bv. synchronisatie van ondernemingen en vestigingen ; snellere stopzettingen ) ; Grotere rol voor de ‘private search’, d.i. de inlog-mogelijkheid voor bedrijven om zelf gegevens aan te passen ; In het algemeen zou Vlaanderen veel meer inzage en inspraak moeten krijgen in de wezenlijke voedings-processen van KBO en in de consultatie-mogelijkheden. Het blijft o.i. problematisch dat Graydon sneller de informatie uit de Handelsrechtbanken publiceert dan de KBO.

Hoever staan we al? Er is nu reeds informeel vaak overleg tussen CORVE en KBO. Een formalisering van dit overleg vergt weinig bijkomende inspanning maar versterkt wel de positie van het Vlaams Gewest.

Aandachtspunten De Vlaamse overheid wil liefst een effectieve stem verwerven in het kwaliteitsbeheer van KBO. Twee zwaktes : In hoeverre zal de stem opwegen tegen de stem van de federale instituten die in overtal zijn ; Het Kwaliteitscomité heeft slechts een adviserende rol : het kan dus enkel ‘aanbevelingen’ formuleren.

124


Afdeling 7. Nationale Delcrederedienst De rol van de deelstaten in de Nationale Delcrederedienst zal worden vergroot. Welke nieuwe perspectieven biedt dit voor het Vlaamse beleid? De Nationale Delcrederedienst (ONDD) is een openbare kredietverzekeraar die bedrijven en banken verzekert tegen politieke en commerciële risico’s van internationale handelstransacties die betrekking hebben op kapitaalgoederen, industriële producten, aannemingswerken en diensten. Hiervoor werkt ONDD samen met banken op basis van risksharingsschema’s. Daarnaast verzekert ONDD directe investeringen in het buitenland. Ook financiert ONDD handelstransacties van beperkte omvang. ONDD oefent deze taken uit als een autonome overheidsinstelling die staatsgarantie geniet. De activiteiten zijn vooral gericht op niet-OESO-landen aangezien de verzekerden daar de meeste risico’s aantreffen. Bovendien is de ONDD op internationaal vlak actief in verschillende werkgroepen rond kredietverzekering, dit zowel binnen de Europese Unie, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling als de Berner Unie (Internationale Unie van Verzekeraars van Kredieten en Investeringen). Binnen de Club van Parijs neemt ONDD ook actief deel aan gesprekken over schuldherschikking. De dossiers die worden behandeld tijdens vergaderingen van de Raad van Bestuur van Delcredere, hebben betrekking op een aantal operationele instrumenten ter bevordering van het internationaal ondernemen van o.m. Vlaamse bedrijven. De instrumenten die de Vlaamse Overheid aan bedrijven aanbiedt (via FIT) richten zich vooral bij de exportfinanciering op Vlaamse KMO’s en ontwikkelingslanden. De activiteiten van ONDD zijn vooral gericht op niet-OESO-landen aangezien de meeste risico's van de verzekerden zich daar bevinden. Bovendien kan ONDD alle bedrijven verzekeren. Deze instrumenten zijn een uitbreiding en aanvulling van het bestaand instrumentarium van FIT. Door de versterkte vertegenwoordiging van het deelstaatniveau kan een betere belangenbehartiging van de Vlaamse industrie, een grotere eenheid in het economische beleid van de Vlaamse regering en homogenisering van exportbeleid worden bereikt.

Hoe wordt dit organisatorisch uitgewerkt? De voorbereiding en opvolging van de dossiers in de raden van bestuur van de Delcrederedienst, Finexpo, BMI en ABH moeten worden voorbereid en opgevolgd vanuit een globale beleidsbenadering inzake de Vlaamse economische diplomatie De interactie tussen de diverse betrokken overheidsdiensten moet worden bevorderd en de versnippering van het beleid moet worden tegengegaan.

Hoever staan we al? De raad van bestuur van Delcredere telt momenteel 11 vertegenwoordigers van het federale niveau en 9 van de Gewesten, 3 van elk Gewest. Voor FIT is dit momenteel (anno 2013) mw. C. Tillekaerts, Gedelegeerd bestuurder (met plaatsvervanger de heer T. Fiers, PMV).

Aandachtspunten De onderlinge verhouding in niet-gewestelijke vertegenwoordiging wordt niet aangekaart in het Institutioneel akkoord, wat ook de SERV aangeeft. De SERV pleit er voor dat het aandeel per gewest in de intergewestelijke vertegenwoordiging overeenstemt met de sociaaleconomische realiteit van de gewesten

125


Om de coรถrdinatie binnen de Raad van Bestuur en van de dossiers naar behoren te kunnen vervullen, zijn extra middelen een vereiste.

126


Afdeling 8. Finexpo De rol van de gewesten in Finexpo zal worden vergroot. Welke nieuwe perspectieven biedt dit voor het Vlaamse beleid? Finexpo is een interministerieel adviescomité dat wordt beheerd door de Administratie van Buitenlandse Zaken; het wordt voorgezeten door de Directeur-generaal Bilaterale Zaken van de FOD Buitenlandse Zaken en de FOD Financiën levert de vicevoorzitter. Het Comité bestaat uit federale vertegenwoordigers van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel, Ontwikkelingssamenwerking, Financiën, Economie, Begroting, de Nationale Delcrederedienst en de Gewesten. De tussenkomst van Finexpo is gericht op bedrijven die uitrustingsgoederen en aanverwante diensten exporteren. Er zijn twee soorten tussenkomsten van de Staat: de één biedt een financiering aan competitieve marktvoorwaarden terwijl de andere het toelaat om overheidssteun toe te kennen aan projecten die gerealiseerd worden in ontwikkelingslanden. Er zijn vijf instrumenten: de eerste, de intreststabilisatie, betreft kredieten die gefinancierd worden aan marktvoorwaarden; de ander vier zijn de intrestbonificatie, de intrestbonificatie met gift, de gift en de lening van Staat tot Staat via dewelke hulp toegekend wordt. De activiteitsdomeinen en bevoegdheden van Finexpo zijn een aanvulling aan de bestaande instrumenten van de Gewesten (bijv. export van uitrustingsgoederen door Vlaanderen (FIT) op basis van het MB 11/02/2000 aangepast door het MB 31/03/2006). De grootte van de onderneming is niet belangrijk wel de toegevoegde waarde voor België. De doellanden voor Finexpo situeren zich op de ontwikkelingslanden opgesomd op de lijst van de Oeso Arrangement (terug te vinden op de site www.oecd.org/tad/exportcredits/CountryClassificationforaidandrepayment.htm). Door de versterkte vertegenwoordiging van het deelstaatniveau kan een betere belangenbehartiging van de Vlaamse industrie worden bereikt. Een grotere eenheid in het economische beleid van de Vlaamse regering kan worden nagestreefd evenals . homogenisering van exportbeleid

Hoe wordt dit organisatorisch uitgewerkt? De huidige samenstelling van het Finexpo Comité (12 federale en 6 gewestelijke vertegenwoordigers) sluit een mate van partijdigheid niet uit. Het gewicht in de beslissingen van de gewesten zou toenemen via 2 ingrepen: Voorzitterschap De vertegenwoordiging van de Gewesten kan versterkt worden door een Gewestelijke vertegenwoordiger te benoemen tot voorzitter en tot ondervoorzitter, met een beurtrol tussen de verschillende Gewesten (Wallonië en Vlaanderen hebben de meeste dossiers). Samenstelling Comité Een meerderheid van vertegenwoordiging van de gewesten in de overheidsdelegatie Verder zou een gecoördineerd treden moeten worden voorzien, zowel op het niveau van de raden van bestuur (monitoring en afstemming) als bij het beheer van de dossiers. In het geval van Finexpo is, gezien de omvang van het budget van Finexpo (jaarlijks +/- 100 mio Euro waarvan 65 mio euro voor Staatsleningen en 37,05 mio euro voor de andere instrumenten) is een permanente invulling van deze taak voor voorbereiding van dossiers en opvolging van projecten een must.

127


De voorbereiding en opvolging van de dossiers in de raden van bestuur van de Delcrederedienst, Finexpo, BMI en ABH moet gebeuren vanuit een globale beleidsbenadering inzake de Vlaamse economische diplomatie. De interactie tussen de diverse betrokken overheidsdiensten moet worden bevorderd en de versnippering van het beleid moet worden tegengegaan.

Hoever staan we al? Het Finexpo Comité bestaat vandaag uit 18 leden (samenstelling van het Finexpo-comité KB van 25 februari 2003) waaronder 2 voor elk Gewest. De overige leden behoren allen tot de Federale Overheid (12). De 18 leden van het Finexpo Comité zijn: FOD Financiën (2 vertegenwoordigers), FOD Buitenlandse Zaken (2 vertegenwoordigers), FOD Economie (1 vertegenwoordiger), FOD Budget (1 vertegenwoordiger), Directie-generaal Ontwikkelingssamenwerking (1 vertegenwoordiger), Federaal Agentschap voor de kredietverzekering van de export (NDD) (1 vertegenwoordiger), Regionale exportagentschappen (Awex (2), FIT (2), Brussels Export (2)), de ondervoorzitter (Federale administratie IEFA (Internationale en Europese financiële aangelegenheden) (bilaterale entiteit)) (1), Secretaris (IEFA) (1), Buitenlandse handel (Federaal) (1), Kleine en Middelgrote ondernemingen (Federaal) (1).

Aandachtspunten Indien een gewestelijke vertegenwoordiger benoemd wordt tot voorzitter en ondervoorzitter van Finexpo, moeten afspraken gemaakt worden met de andere gewesten over een beurtrol. De onderlinge verhouding in niet-gewestelijke vertegenwoordiging wordt niet aangekaart in het Institutioneel akkoord, wat ook de SERV aangeeft. De SERV pleit er voor dat het aandeel per gewest in de intergewestelijke vertegenwoordiging overeenstemt met de sociaaleconomische realiteit van de gewesten De dossiers die worden behandeld tijdens vergaderingen van Finexpo hebben betrekking op een aantal operationele instrumenten ter bevordering van het internationaal ondernemen van o.m. Vlaamse bedrijven. Om de bijhorende taken mbt de dossiers Finexpo (die momenteel tijdelijk door FIT worden opgevolgd) naar behoren te vervullen wordt gerekend op een minimale inzet van extra personeelsleden (eventueel over te hevelen). Taken van personeelsleden: Aanleveren van dossiers en evaluatie Opvolging van dossiers Afrekening van dossiers

128


Afdeling 9. Belgische Maatschappij voor Internationale Investering De rol van de deelstaten in de Belgische Maatschappij voor Internationale Investering zal worden vergroot. Welke nieuwe perspectieven biedt dit voor het Vlaamse beleid? BMI investeert enkel in duurzame investeringen die de Belgische economie ten goede komen. Delokalisatie met afbouw van de Belgische werkgelegenheid komt dus niet in aanmerking. Het grootste deel van de investeringen van BMI, vindt plaats om een nieuwe afzetmarkt te creëren in het land of de regio van investering. Andere redenen kunnen zijn: exploitatie van grondstoffen (energie, mineralen, landbouw,…) of een vestiging dichter bij de grondstoffen of halffabrikaten. Naast de vergroting van haar eigen afzet, kan de nieuwe investering een cluster genereren van Vlaamse consultants, dienstenleveranciers (logistiek!), toeleveranciers en partners. In meer risicovolle landen scheppen de investeringen vertrouwen, en door de samenwerking met de multilaterale organisaties trekken ze nieuwe bronnen van financiering aan. Flanders Investment & Trade kan, mits een grotere betrokkenheid bij BMI, bij het plannen van haar acties rekening houden met de overigens altijd zeer grote investeringen van BMI, zoals het dat nu al doet met de dossiers van Finexpo, Delcredere, haalbaarheidsstudies en uitrustingsgoederen. Het belang hiervan stijgt overigens exponentieel op beloftevolle afzetmarkten waar nog weinig Vlaamse aanwezigheid is. Verder zal een versterkte rol van de Vlaamse overheid in dit Agentschap leiden tot een homogenisering van het bevoegdheidspakket buitenlandse handel dat aan de gewesten is toegewezen

Hoe wordt dit organisatorisch uitgewerkt? Er moet een relatief aantal vertegenwoordigers van de Gewesten zijn. De Participatiemaatschappij Vlaanderen is de meest natuurlijke Vlaamse partner van de BMI, aangezien haar missie grotendeels overeenkomt met die van haar grote federale broer. Het grootste deel van haar investeringen doet ze overigens in samenwerking met BMI. -

Om de onder 1 genoemde reden zou echter ook Flanders Investment &Trade aanwezig moeten zijn in de Raad van Bestuur. De input van FIT zou o.m. de volgende kunnen zijn:  inzage in en opvolging van de investeringsdossiers teneinde de investeerders te betrekken bij haar acties,  aanbrengen van nieuwe dossiers die niet binnen de scope vallen van de activiteiten van PMV,  verweving met de projecten van de multilaterale instellingen, die door de dienst “internationale financiële instellingen” van FIT worden opgevolgd,  facilitering van de contacten met multilaterale investeringsagentschappen (EBRD, EIB, IFC, MIGA,..) waar de dienst IFI van FIT veelvuldige contacten mee heeft)

Verder moet de voorbereiding en opvolging van de dossiers in de raden van bestuur van de Delcrederedienst, Finexpo, BMI en ABH gebeuren vanuit een globale beleidsbenadering inzake de Vlaamse economische diplomatie De interactie tussen de diverse betrokken overheidsdiensten moet worden bevorderd en de versnippering van het beleid moet worden tegengegaan.

129


Hoever staan we al? De gewesten hebben nog geen vertegenwoordiging in de Raad van Bestuur van BMI, die bestaat uit vertegenwoordigers van de overheid en van de privĂŠsector (15 leden).

Aandachtspunten De onderlinge verhouding in niet-gewestelijke vertegenwoordiging wordt niet aangekaart in het Institutioneel akkoord, wat ook de SERV aangeeft. De SERV pleit er voor dat het aandeel per gewest in de intergewestelijke vertegenwoordiging overeenstemt met de sociaaleconomische realiteit van de gewesten Via BMI dient Vlaanderen ook inzage/inspraak te krijgen in de dossiers van de Belgische Maatschappij voor Investeringen in Ontwikkelingslanden (BIO), de dochtermaatschappij van BMI die investeringen in ontwikkelingslanden financiert.

130


Afdeling 10. Agentschap Buitenlandse Handel De rol van de deelstaten in het Agentschap voor de Buitenlandse Handel zal worden vergroot. Welke nieuwe perspectieven biedt dit voor het Vlaamse beleid? De activiteitsdomeinen en bevoegdheden van het Agentschap voor de Buitenlandse Handel vallen volledig onder de gewestelijke bevoegdheid voor het afzet- en uitvoerbeleid. De vertegenwoordiging van de Vlaamse overheid moet er op toe zien dat het Agentschap voor Buitenlandse Handel in de eerste plaats de belangen van de gewesten dient. Een versterkte rol van de Vlaamse overheid in dit Agentschap zal leiden tot een homogenisering van het bevoegdheidspakket buitenlandse handel dat aan de gewesten is toegewezen.

Hoe wordt dit organisatorisch uitgewerkt? De vertegenwoordiging van de gewesten kan extra versterkt worden door een gewestelijke vertegenwoordiger te benoemen tot voorzitter en tot ondervoorzitter. De dossiers in de raden van bestuur van de Delcrederedienst, Finexpo, BMI en ABH moeten worden voorbereid en opgevolgd vanuit een globale beleidsbenadering inzake de Vlaamse economische diplomatie De interactie tussen de diverse betrokken overheidsdiensten moet worden bevorderd en de versnippering van het beleid tegengegaan. De benoeming van de voorzitter en ondervoorzitter van het Agentschap voor de Buitenlandse Handel worden geregeld in artikel 8 van het Samenwerkingsakkoord tussen Federale overheid en de Gewesten met betrekking tot de oprichting van een Agentschap voor Buitenlandse Handel van 24 mei 2002. Dit samenwerkingsakkoord bepaalt dat de voorzitter en ondervoorzitter verkozen worden door de raad van bestuur uit zijn midden en bevat verder enkel een bepaling over een dubbele pariteit voor deze functies inzake taalregime en inzake publiek/private sector. De benoeming van een gewestelijke vertegenwoordiger tot voorzitter en tot ondervoorzitter heeft geen financiĂŤle consequenties.

Hoever staan we al? Momenteel is de voorzitter een Nederlandstalige vertegenwoordiger van de federale overheid, de ondervoorzitter is een Franstalige gewestelijke vertegenwoordiger van de private sector.

Aandachtspunten Het Institutioneel akkoord geeft geen indicaties waaruit precies de versterkte rol van de gewesten moet bestaan, hetgeen ook door de SERV wordt opgemerkt. Gaat het over een versterkte aanwezigheid in de overheidsdelegatie, de private vertegenwoordiging of beiden? Indien een gewestelijke vertegenwoordiger benoemd wordt tot voorzitter en ondervoorzitter van het Agentschap voor de Buitenlandse Handel, moeten afspraken gemaakt worden met de andere gewesten over een beurtrol.

131


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook