Kalk voor de restauratie, renovatie en decoratie van ons patrimonium! CORIDECOR
UNILIT
• CORICAL: een minerale verf op basis van vette luchthardende kalk, marmerpoeder en natuurlijke kleurstoffen
• Bindmiddelen op basis van natuurlijke hydraulische kalk om te metselen, voegen en pleisteren
• Marmerafwerkingen MARMOLUX, CORISTIL, DECORLUX, VENESTUK
• Kant en klare mortels op basis van natuurlijke hydraulische kalk
• Hecht-, grond- en afwerkmortels • Saneringsmortels tegen optrekkend vocht & vochtige muren Thermische & akoestische isolatiemorteis
HD SYSTEM
GRUPPO TASSULLO spa
Chris VOET Tel.: 052 46 02 43 Fax : 052 46 35 77 GSM : 0475 26 72 89 K-mail : chris.voetfV/compaqnet.be
Maud BONNEVIE Tel/Fax : 081 58 35 99 GSM : 0475 26 73 25 K-mail : maud.bonnevie'«sk\net.bc
• Injectiemortels voor stabilisatie en statische verankering
Arte Arte Constructo bvba Molenberglei 18 B-2627 Schelle Tel.; 00 32 3 880 73 73 Fax : 00 32 3 880 73 70 E-mail info «art econstructo.be Web : www.arteconstructo.be
M
^
O
^
TwTweemaandelijks tijdschrift van het
1
™
ISSN 0770-4948 24 jaargang Nr. 2 maart-april 2005
Minisl Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdiiinjj Monumenten en Landschappen
•
a
CXLJ
EN
NUMENTEN, LANDSCHAPPEN ARCHEOLOGIE
Redactie Monumenten en Landschappen, Phoenix-gebouw Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel. 02-553 16 13 - Fax 02-553 16 12 E-mail: Luc.Tack@lin.vlaanderen.be Voorzitter: Luc Tack Eindredactie: Marjan Buyle en Marcel Cells Fotografie: Oswald Pauwels Vormgeving en productie: LucTack Secretariaat: Diane Torbeyns
Cover: Een van de gietijzeren, allegorische beelden in de Transe' parterre, afltomstig uit de Fonderies d'Art du Val dVsne te Parijs (foto 0. Pauwels, 2005)
Abonnementsvoorwaarden 2005
Internet
Druk
Website Monumenten en Landschappen: www.monument.vlaanderen.be
Die Keure Oude Gentweg 108, 8000 Brugge Tel.: 050-47 12 72 - Fax: 050-34 37 68
Redactiecomité
België: 32 € (ook losse nummers verkrijgbaar voor 6 € ) . CJP'ers betalen: 27 € Buitenland: 49,50 € Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr.091-2206040-95 van Monumenten ft Landschappen, Phoenix-gebouw, Albert ll-laan 19 (bus 3), 1210 Brussel met vermelding "MftL-jaarabonnement 2005". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. E-mail: DianeP.torbeyns@lin.vlaanderen.be Zonder schriftelijke opzegging voor het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd
Ere-voorzitter: E. Goedleven Voorzitter: L. Tack Kernredactie: M. Buyle, M. Cells, L Tack, Herman Van den Bossche Redactie: A. Bergmans, J. Braeken, M. De Borgher, J. De Schepper, J. Gijselinck, E. Hofkens, C. Metdepenninghen, M. Michiels, G. Plomteux, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, P. Van den Bremt, P. Van den Hove, Ch. Vanthillo, L Wylleman
Verantwoordelijke uitgever Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen Joris Scheers Afdeling Monumenten en Landschappen, Phoenix-gebouw Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel.: 02-553 16 13 - Fax: 02-553 16 12
Advertentiewerving J. Casler Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel.: 050-36 25 89 - Fax; 050-37 33 64 E-mail: casier.jan@tiscali.be - www.jancasier.be
De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.
1 n h o ud 6
De S i n t - M a r t i n u s k e r k in Stevoort: een geslaagde synthese
Christine Vanthillo en Herman van Meer
1 3
Het landgoed Drie Fonteinen te V i l v o o r d e , één van de oudste Engelse parken van België
Marcel Stappers, Roger Deneef, Hilde Kennes, Roger Vandeweert & Jo Wijnant 33
Een nieuwe bestemming voor het Agnetenklooster te Tongeren Michel Janssen, Hadewych Van Rechem en Caroline Vandegehuchte
59
Summary
Nieuw
Historische
-g-e-
B
O
R
M
U
R
Opsturen naar: Afdeling Monumenten en Landschappen - Koning Albert ll-laan 19 bus 3-1210 Brussel
Ondergetekende (facturatiegegevens)
Bestelt ex x € 25.00 - Glas in lood
Naam :
ex x € 30.00 - Middeleeuwse muurschilderingen ex x € 34.00 - De Belgische Art Nouveau en Art Deco wandtegels 1880-1940
Voornaam :.
Organisatie/instelling :.
Adres :.
ex x € 38.00 - Vlaamse en Brabantse Retabels in Belgische monumenten ex x € 38.00 - Nieuwe impulsen voor de landschapszorg ex x € 40.00 - Historische tuinen en parken Vlaams Brabant 1 ex x € 45.00 - De beeldentaal van symbolen
Postnummer
Gemeente :
ex x € 40.00 - Historische parken en tuinen Limburg I ex x € 40.00 - Historische tuinen en parken Vlaams Brabant 11
tuinen
en van
parken Vlaanderen
NIEUWE, BAANBREKENDE
BENADERING
Aan de hand van literatuuronderzoek, archiefstukken, oude 'figuratieve' kaarten (bijv. uit de Albums de Croy, circa 1600), de Ferrariskaart (1771-1775) en de wandkaarten van het hertogdom Aarschot (1759-1775), de oudste kadastrale plan (vanaf 1807), kadastrale mutatieschetsen en registers (vanaf 1833), stafkaarten (vanaf I860) en terreinonderzoek, wordt een indringend beeld geschetst van de ontwikkeling en huidige toestand van 49 historische tuinen en parken vanuit de meest diverse invalshoeken (cultuurgeschiedenis, architectuur, bodemkunde, tuinbouwkunde, dendrologie, sociale en economische geschiedenis). De opstellen steunen op een gedetailleerde inventaris van bomen, architecturale kenmerken en elementen (bijv. zichtassen of vista's, parkmeubilair, paviljoens, architecturaal microreliëf). Ook gedeeltelijk of zelfs geheel verdwenen tuinen en parken en interessante 20ste-eeuwse creaties komen aan bod, bijv. het Sint-Kamillusgesticht te Bierbeek (Lovenjoel), de aanleg bij het kasteel van Bunsbeek. TECHNISCHE
FORMAAT 21 X 29,7 CM
GEGEVENS
AUTEURS ROGER DENEEEHERUNDE DE JAECK. J O W I J N A N T CHRIS DE MAEGD.
AANTAL PAGINA'S 212
JACQUES HALFLANTS.JOS DEWINTER. LYDIE MONDELAERS. GRETA PAESMANS. JEAN-MARIE NOLF. ANDRE CRESENS,
KLEUREN-
GEORGES BUELENS. SUZANNE
ILLUSTRATIES • 148TUINEN EN
- m m.v, JULIA MEULEMANS. LOUIS BLOCKX
PARKEN
en EMILE NOTSCHAELE.
VAN AERSCHOT-VAN HAEVERBEECK
• 99 ILLUSTRATIES EINDREDACTIE ROGER DENEEF PAPIER KUNSTDRUK
FOTOGRAFIE
GALERIE ART SILK
OSWALD PAUWELS KRISVANDEVORST EN DE AUTEURS
135 G/M
1
AFWERKING GARENGENAAID GEBROCHEERD PRIJS
CONCEPT EN COÖRDINATIE LUCTACK
'CEPRO", DE NIEUWE NAAM VOOR EEN HISTORISCHE TRADITIE. Gebruiksklare pleistermortels op basis van zuivere, natuurlijk hydraulische kalk.
Loofde Heen,, De vloerverrijzenis bestaat. Een oude natuursteen- of terracottavloer
HL-JMF
en een versleten parket zijn niet verloren. Solar nv renoveert vloeren en parket zonder breken. Het resultaat is vaak beter dan nieuw en toch blijven de kosten be-
Kasteel te Wannegem - Lede
perkt tot een fractie hiervan.
Traditionele kaleimortel "Cepromill" op basis van zuivere, natuurlijk hydraulische kalk.
Solar nv beschikt over het gespecialiseerde vakmanschap en hoogstaande technologie om uw vloer opnieuw in haar oorspronkelijke staat te brengen of te reanimeren met behoud van
Verrebeekmolen te Brakel
het historisch aspect.
i Kalkverf"Fresco"op basis van geselecteerde vette luchtkalk en inerte pigmenten.
t
Bijgebouwen, Klein Seminarie te Sint-Niklaas
Natuursteen-,
terracotta-
en
parketvloeren...
mat geworden, beschadigd, loopsporen, ... Wij brengen het verleden met glans terug II BEL nu 03-766.11.66
Voeg- en metselmorteU, basispleisters, afiuerkpteisters, zoutbestendige, voehtreguierende en isolerende pleistersystemen. Traditionele afwerkingen: Marmorino, Arrieao, Silicato, Silicaatverf, ...
P.E.C. INTERNATIONALn Voor informatie over onze Cepro producten of projectadvies, neem vrijblijvend contact op;
T l . C\'\l'7'7/* ' 6 1 , . \JO / f /
P.A 'XQ 0.0**.07
slijpen - schuren - herpolijsten - kristalliseren - restaureren van natuursteen-, terracotta- en parketvloeren - wanden - trappen
Restauratie en Monumentenzorg
Een sacrale sfeer, zonder geur van 'heiligheid', kan toch de weg effenen naar een stukje hemel op aarde Het interieur van de sinds 1985 als monument beschermde dorpskerk van Stevoort (Hasselt) had ten gevolge van liturgische vernieuwingen heel wat aan ruimtelijke en artistieke kwaliteiten ingeboet. Bij de binnenrestauratie die in 2003 werd voltooid, probeerde men de historische ruimte te herstellen, zonder evenwel de huidige behoeften van een parochiegemeenschap uit het oog te verliezen. Of zoiets haalbaar is? Het werd een geslaagde synthese, zo getuigen de interieur-erfgoedconsulent en de projectarchitect. Gelovigen, toevallige voorbijgangers en geïnteresseerde toeristen kunnen nu van een stukje hemel proeven in een sober interieur waaruit alle kneuterigheid wordt geweerd.
Duiding bij een idyllisch zicht: zwanen, vrouw met parasol, man met hond (alles onder een ietwat wollige lucht) Van op het viaduct van Vilvoorde, rijdend op de Grote Brusselse Ring, zou je het als toevallige passant niet meteen vermoeden. Vlakbij ligt het gemeentelijk domein 'Drie Fonteinen', ontstaan uit een versmelting van drie aparte landgoederen. Dit park, waarvan de kern teruggaat tot het laatste kwart van de 18de eeuw, illustreert op voortreffelijke wijze de opeenvolgende trends en aanlegstijlen, die het uitzicht van de West-Europese parken en tuinen hebben bepaald tot pakweg het begin van de 20ste eeuw. Niettegenstaande het kabaal van het voorbijrazende verkeer en het gekrijs van wilde populaties exotisch aandoende halsbandparkieten, kan je er zonder twijfel prettig vertoeven. De auteurs, een dame en vier heren, laten dit althans uitschijnen en proberen elke ware tuinliefhebber te strikken. Het klinkt alvast zeer overtuigend: warempel, is dit geen omweg waard?
Wacht u van den adel aen te nemen of wat dames van hetere kringen en de bijzondere jeugdzorg soms gemeen hebben Centraal in Tongeren lag tot voor kort een echte stadskanker. Het voormalige Agnetenklooster met zijn rijke geschiedenis van bijna zes eeuwen, was een oord van leegstand en verkrotting geworden. Dit gebouwencomplex met een turbulent verleden had wisselende bewoners en gebruikers gekend. Religieus geïnspireerde vrouwen, slotzusters, heren van stand, arbeiders, studenten van een kunstacademie en daklozen hadden er allen minstens enige tijd een vaste stek. Enkele jaren geleden kocht de Vlaamse Gemeenschap het op. Het geheel wordt nu niet alleen gerestaureerd maar ook herbestemd onder het waakzame oog van een multidisciplinair team. In het hart van de oudste stad van België zal in de nabije toekomst een monument hopelijk herleven ...
I
Christine en Herman
Vanthillo van Meer
DE S1MT-MART1NUSKERK IN STEVOORT: EEN GESLAAGDE SYNTHESE
De Sint-Martinuikerk 1985 als monument
van Stevoort beschermd
werd in
omwille
van
"haar historische en artistieke waarde als classicistische pseudo-basiliek met laatgotische toren". Het interieur
had echter in de loop der
jaren zijn ruimtelijke
en artistieke
grotendeels
ten gevolge
liturgische
verloren
vernieuwingen
kwaliteiten van de
en aanpassingen
die
na het Tweede Vaticaans
Concilie in zovele
Vlaamse kerken werden
doorgevoerd.
In 2003
werd de binnenrestauratie
voltooid,
die zich tot doel stelde om de kwaliteiten de historische
ruimte
te herstellen
riseren en om het interieur
opnieuw
ten in functie van de huidige parochiegemeenschap.
van
en te valoin te rich-
behoeften
van de
De dorpskerk van Stevoort, nu een deelgemeente van Hasselt, is omringd door een oud kerkhof en ligt langs de loop van de Herk. Zij is het resultaat van verschillende bouwcampagnes. De laatgotische vierkante toren, met muurankers 1557 gedateerd, is opgetrokken uit baksteen met mergelstenen speklagen op een sokkel van ijzerzandsteen. In de torenruimte, die nu tevens de ingang is, staat een 16 eeeuws houten devotiebeeld van Christus op de koude steen in een nis. De toren is verbonden met het classicistisch schip met rechthoekig koor, gebouwd in baksteen met gebruik van arduin en mergel en ijzerzandsteen. De bouw van het schip werd uitgevoerd naar ontwerp van de Luikse architect Barthélémy Digneffe tijdens het abbatiaat van Augustina van Hamme, abdis van Herkenrode (1772-1790). Deze cisterciënzerinnenabdij bezat de tienden en het patronaatsrecht van Stevoort. Enkele jaren tevoren had dezelfde architect in haar opdracht de Sint-Gertrudiskerk in het nabijgelegen
•
•
De zijbeuken zijn
interieur wordt
De herinrichting
een overzichtelijke
ïrijgehouden waar-
hersteld
van het historisch
open ruimte met
door de ruimtelijke
(foto 0. Pauwels)
kwaliteit van het
interieur beant-
een visuele as naar
woordt aan de
het koor
huidige liturgische
(foto 0. Pauwels)
behoeften en schept
Kuringen in classicistische stijl verbouwd en vergroot. De plaatselijke adellijke familie de Libotton liet in 1787 tegen het koor een grafkapel met aparte ingang bouwen, zodat zij van hieruit rechtstreeks de diensten kon volgen. Deze kapel heet nu Palmerskapel, naar de laatste kasteelheer van Stevoort. Wegens uitbreiding van de parochiegemeenschap voegde architect Hyacinth Martens, die zelf in Stevoort woonde, in 1891-1892 twee zijbeuken toe. Het driebeukig interieur is bepleisterd en heeft een vlakke zoldering, gedragen door pilasters. Schip en zijbeuken zijn gescheiden door geprofileerde rondbogen op zware pijlers. Medaillons in stucwerk met symbolen van de eucharistie en de evangelisten, omkranst met engelenkopjes sieren de vlakken van de pijlers en de pilasters. In het midden boven de triomfboog liet abdis Augustina van H a m m e op opvallende wijze haar wapenschild in gekleurd stuc aanbrengen. De familie de Libotton liet de zoldering van haar grafkapel opsmukken met een trompe l'oeilschildering van de Tenhemelopneming van Maria. De wanden zijn versierd met nogmaals een voorstelling van de Tenhemelopneming van Maria in stucwerk
en de hoeken zijn met Lodewijk XVI-stucreliëfs van cultusvoorwerpen en muziekinstrumenten ingevuld. Na de toevoeging van de zijbeuken werd de kerk heringericht met nieuw altaren, biechtstoelen, glasramen, een doopvont. Men deed hiervoor beroep op neogotische kunstenaars zoals de beeldhouwers Pierre Peeters uit Antwerpen, F. Gussé uit Hasselt, en Gielen-Goffin uit Sint-Truiden, de glazeniers Ch. Beyaert uit Brugge en Jeurissen uit Hasselt. In 1911 werd een kruisweg besteld naar het model van deze van Jan Rosier in de Sint-Ursulakerk te Lanaken. Omstreeks 1930 kreeg de uit het Rijnland afkomstig Kirchenmaler Peter Heidbüchel opdracht een ontwerp te maken voor een kleurige decoratieve beschildering van de muren en de plafonds. Deze inrichting bleef ongewijzigd tot na het Tweede Vaticaans Concilie. Tijdens dit concilie besloten de kerkleiders de liturgie grondig te hervormen. De richtlijnen hadden tot doel nieuwe accenten te leggen en een nieuwe inhoud aan de liturgie te geven. Bij de herinrichting stond het soberheidsprincipe centraal. In die geest kregen de muren en plafonds een monochrome grijze kleur. Het hoofdaltaar, de IB^'-eeuwse communiebank en de 17 c -eeuwse
van de baksteen en de natuursteen met vernieuwing van het voegwerk en restauratie van de glasramen. De buitenrestauratie betrof dus in hoofdzaak technische ingrepen. De binnenrestauratie lag veel gevoeliger. De opdracht van de architect bestond er niet alleen in een restauratiebestek op te maken voor de schilderwerken en de restauratie van de beelden, altaren en schilderijen, maar ook het vormeloze interieur opnieuw in te richten in functie van de eigentijdse behoeften van de parochiegemeenschap. Tussen monumentenzorg en liturgie dienden compromissen gesloten te worden. Het behoud van de historische ruimte en haar inrichting diende verzoend te worden met de huidige liturgische noden en wensen (1). De Sint-Martinuskerk van Stevoort kon gelukkig rekenen op een gemotiveerd kerkbestuur, dat mede met de steun van de parochiegemeenschap, open stond voor het experiment van vernieuwing maar met respect voor de historische ruimte. Het inrichtingsconcept werd uitgewerkt door de ontwerper, die zocht naar het opnieuw herkenbaar maken van de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten, het herstellen van het eenheidskarakter van het interieur en het zinvol tot uitdrukking brengen van de liturgische beleving. Liturgievieringen zijn binnen de huidige religieuze evolutie immers niet alleen eucharistievieringen. Liturgie is een ritueel omgaan met ankerpunten van het leven zelf samen met anderen en de kerk is het gebouw dat hiervoor ruimte en vorm gegeven wordt.
De I6de-eeuwse gepolychromeerde beelden kregen nieuwe sokkels op ooghoogte en de gipsen devotiebeelden een zinvolle bestemming hoog tegen de pipers (foto 0. Pauwels)
preekstoel werden gedemonteerd en belangrijke onderdelen verdwenen. Het noordelijk zijaltaar werd verwijderd en de achterliggende muur werd doorbroken om als toegang tot de Palmerskapel te dienen. Het neorenaissance natuurstenen Sint-Jozefsaltaar in de zuidelijke zijbeuk werd wit overschilderd. Het koor was rommelig en de kerk stond overvol met stoelen. Door al deze ingrepen had het interieur van de Sint-Martinuskerk zijn kwaliteiten verloren en was tot een onaantrekkelijke en karakterloze ruimte verworden. Enkele jaren na de wettelijke bescherming van het gebouw in 1985 liet de kerkfabriek een dak- en gevelrestauratie uitvoeren. De werken omvatten dak- en timmerwerk, een behandeling tegen opstijgend vocht, herstelling en gedeeltelijke vervanging
M&L
In de kerk van Stevoort is daarom het schip 'de plaats van samenkomst', het midden waarrond de liturgische gemeenschap zich schaart. Dit wordt aangeduid door het lange tapijt, dat de longitudinale as van het schip benadrukt en dat in een U-vorm omarmd wordt door de stoelen. Het is het centrum van betrokkenheid waarrond men zich schaart. O p dit tapijt zijn de kerkmeubels voor de diverse onderdelen van de eredienst als opeenvolgende stappen in het liturgisch gebeuren geschikt. Vertrekkende vanuit de verzamelde gemeenschap met de mededeling van het woord op de lezenaar naar het midden met de symbool- of offertafel en eindigend bij het altaar waar de voorganger de kring van de gemeenschap ritueel sluit, geruggensteund door de sacrale ruimte van het koor met het tabernakel. Het tapijt waarop de liturgische viering zich ontplooit, loopt in het koor door tot het tabernakel in de apsis. Deze omarmende beweging is in de aankleding stelselmatig terug te vinden: in de U-vormige schikking van de stoelen en de omegavorm van lezenaar, altaar en tabernakel.
De verlichting, de stoelen en het liturgisch meubilair
Rondom het schip waar de vieringen plaatshebben zijn de zijbeuken vrijgehouden van stoelen. De rondgang van het leven wordt hier tijdens de processie naar de viering tot uitdrukking gebracht: vertrekkende van de doopvont langs de kruisweg en de patroonheiligen die mee op weg zijn, naar het midden, het liturgisch tapijt waar de viering plaats heeft om daarna langs de andere zijbeuk uit te monden bij de paaskaars, voor gelovigen symbool van dood en verrijzenis. Het waardevolle nog aanwezige meubilair, de biechtstoelen, het Sint-Jozefsaltaar, de kruisweg en de doopvont, werden als getuigen van een evoluerende beleving van de eredienst gerespecteerd en in de ruimte zinvol geïntegreerd. Voor de
beelden werd een opstellingsplan voorgelegd. Vooraleer esthetische aspecten in overweging te nemen - bijvoorbeeld dat beeld zou mooi tegen die muur staan - werd rekening gehouden met het historischarchitecturaal ensemble. Devotiebeelden dienen niet alleen tot versiering, zij hebben ook een functie. De waardevolle 16 c -eeuwse houten beelden van Martinus, de patroonheilige van de kerk, en van Cornelius kregen een ereplaats en werden op ooghoogte opgesteld. De gipsen beelden van Don Bosco, Donatus, Isidoor, Antonius van Padua, Johannes Berchmans en andere, hoewel in zoeterige Saint-Sulpicestijl, kregen als ensemble een zinvolle bestemming hoog tegen de pijlers van het schip. Zij
zijn uitgevoerd In een hedendaagse vormgeving (foto 0. Pauwels)
M&L
Het sacramentstabernakel kreeg een centrale plaats in het koor (foto 0. Pauwels)
zijn bij de gemeenschap ondersteunend aanwezig en nemen aldus deel aan de activiteiten in de kerk. De kleurzetting is niet hard, maar helder en warm, en accentueert in zijn nuancering onopvallend de ruimte.
•
De architect heeft zich laten bijstaan door kunstenaars: een verlichtingskunstenaar voor de lichtarmaturen en een meubelkunstenaar voor het nieuwe meubilair, de kandelaars en de beeldensokkels. Heldere langwerpige pendels, gemaakt van transparante matgeschuurde kunststof, accentueren op subtiele wijze het stapsgewijze ritme van de ruimte en ondersteunen bij een viering de feestelijkheid. Het sacramentstabernakel heeft twee onzichtbaar ingebouwde spotjes waardoor dit sacraal meubel een mystieke en mysterieuze uitstraling krijgt. De meubelkunstenaar koos voor een liturgisch meubilair met een sobere en strakke lijn zonder ornamenten of versieringen. Ook de stoelen werden speciaal voor dit interieur gekozen: leuning en zitvlak in wit
De gipsen beelden meen hedendaagse sobere opstelling (foto 0. Pauwels)
„gig^j hout, gedragen door elegante metalen poten, ,_. ,. • i- u j i n " u n kleur staat m licht contrast met de kalkstenen kerkvloer. Voor de sokkels en het klein meubilair
koos de ontwerper goudkleurig messing: goud is een kleur met een sterke symboolwaarde en staat voor goddelijke en wereldlijke macht want het is kostbaar en duur, vergaat niet en verkleurt niet; goud, het edelste van alle metalen maakt deze ruimte tot één groot sieraad. Toch is dit interieur sober en als het ware vanzelfsprekend ingericht: geen overbodige versieringen, bloempotten en bloemstukken, geen prullaria en andere kneuterigheid. Er werden bij de herinrichting van dit interieur geen fundamentele dingen gewijzigd. Wil men ooit terug naar een traditionele opstelling, dan moeten er geen grote ingrepen gebeuren: vermits alles verplaatsbaar is, moeten bij wijze van spreke alleen de tapijten opgerold worden en de meubels herschikt. Het heringerichte interieur verwijst weliswaar naar de christelijke eredienst maar is ook perfect geschikt voor niet eucharistische vieringen. Er hangt een sacrale sfeer maar zonder geur van 'heiligheid'. Er is ruimte om lezingen te houden, te vergaderen, te musiceren en te praten in een aangename sfeer. Wie de kerk betreedt, is onder de indruk van de overzichtelijke open ruimte met de visuele hoofdlijn
vanaf de ingang via het altaar naar het koor. De
EINDNQTFN
vrije ruimte in de zijbeuken is een ontmoeting- en wandelplaats voor gelovigen, toevallige voorbijgan-
(1) Het project is een realisatie van
gers en geïnteresseerde toeristen. Men kan er de
- architect Herman van Meer met zijn team
beelden als kunstvoorwerpen bekijken of ze vereren
- aannemer Frans Goedieven met Gust Dickens
met een kaars. Her en der op de grond staan sta-
- pastoor Ignace De Wit
biele, losse kandelaars. De beleving van deze ruimte
- meubelkunstenaar Roel Vandebeek
is voor iedere bezoeker verschillend, maar zij is voor
- lichtkunstenaar Hans Weyers
iedereen een stukje hemel op aarde.
- onderaannemer vanden Borre-Lauwers
RIBIIDGRAFIF BALLESTREM A., Enkele ervaringen met de conservatie en presentatie van kerkelijk kunstbezit in situ (Rijnland) in Laatgotische heeldsmjkunst in Limburg en grensland. Handelingen van het symposium, 1992,p.80-85; BUYLE M. e.a., De beeldentaal van symbolen (M&L cahier, 7), Brussel, 2002; Epifanie, Actuele kunst en religie (tent.cat.), Heverlee, 2000; FRITZ J.M., Über den rechten Umgang mit den ererbten "OrnaChristine
Vanthillo
is erfgoedconsulent
Afdeling
Monumenten
en
Herman
van Meer is architect
bij de
Landschappen
menta ecclesiae". Kirchltche Denkmalpflege heute, in Das Munster, 2, 1994, p.93-100; SIBLE DE BLAAUW, De (herinrichting van liturgische ruimten, in Eredienstvaardig, 15/3, juni, 1999, p.112-116.
Marcel Stappers, Roger Deneef, Hilde Kennes, Roger Vandeweert & Jo Wijnant
HET LANDGOED DRIE EONTEINEN TE VILVOORDE, ÉÉN VAN DE OUDSTE ENGELSE PARKEN VAN BELGIË • Het sas van Drie Fonteinen, het Craijenhoff en de Tiende van het Hoogveld te Vilvoorde In 1718, In het kaartboek van de Abdij van Ter Kameren (Brussel, Algemeen Rijksarchief, Kaarten & Plattegronden, Inventaris In handschrift.
nr. 8676,11/18)
Het landgoed
Drie Fonteinen te
sinds 1956 eigendom
van de stad,
niet alleen tot de oudste 'Engelse' parken staalkaart
behoort
landschappelijke,
van België, maar is ook een
van de opeenvolgende
aanlegstijlen,
Vilvoorde,
trends
en
die in de loop van de 19de en
het begin van de 20ste eeuw het uitzicht de West-Europese bepaald.
parken
en tuinen
Aan Drie Fonteinen, in feite
uit de samensmelting
van drie aparte
goederen,
werd tot op heden slechts
aandacht
geschonken.
bracht (1).
hebben ontstaan landsporadisch
Dit artikel is de voor-
bode van een monografie de eerstgenoemde
van
die in 2006
auteur zal worden
door uitge-
Het landgoed 'Drie Fonteinen' wordt beschouwd als één van de oudste landschappelijke, op naturalistische leest geschoeide, 'Engelse' tuinen van België. De eerste landschappelijke tuin in België zou reeds rond 1765 in Schaarbeek zijn aangelegd door Adrien-Ange Walckiers de Tronchiennes (2). Maar ook vroeger werden al tuinen ontworpen met onregelmatige of 'verwilderde' compartimenten, eerder bedoeld als contrast - symbool voor chaos — binnen een formele, barokke of rococo aanleg, niet zozeer als natuurnabootsing of -verrijking. Later werden deze 'chaotische' compartimenten vaak met de term 'jardin anglois' bedacht. Het ging om eerder kleinschalige, gesloten, welomlijnde tuincompartimenten met een woelige topografie en een overdaad aan artefacten en 'fabriekjes' (3). De echte doorbraak van de Engelse tuin dateert van 1771, toen de hertog van Arenberg het oostelijk gedeelte van zijn
Het tuchthuis van Vilvoorde, de sluis J. van Ransbeek ot Drie Fonteinen en het Hoogveld vlak vóór de aanleg een landschappelijke tuin, op de Ferrariskaart, 1771-1775
De Engelse tuin van Drie Fonteinen en de Sint-Lendnkskapel op de
De Engelse tuin van van de 'Cara Drie Fonteinen en
gegraveerde versie van de 'Carte topographique de
,
Bruxelles et de ses 9
topographique de
de Sint-Lendnks-
Bruxelles et de ses
kapel op de
environs' door
manuscriptversie
G. DeWautier, 1821
environs' door G DeWautier, 1810
Dorische zuil met bovenop een beeld van SintMichiel, de patroon van Brussel) met wVrspuitkoppen de naam Drie Fonteinen zou krijgen. De oudste afbeelding van het sas is een ets van 1659 in de 'Chorographia sacra Brabantiae' van Sanderus (5).
domein te Heverlee liet omvormen in 'Engelse' stijl. In 1773-1775 volgden delen van landgoederen in Brugelette, Baudour en Beloeil, in 1778 Heks en Drie Fonteinen te Vilvoorde. Het park van Wespelaar (1797) is de laatste belangrijke landschappelijke creaties van de 18de eeuw (4).
HET SAS VAN RANSBEEK EN DE FONTEINEN Het uitzicht van de Zennevallei ten noorden van Brussel werd grondig gewijzigd door de aanleg van de vaart Brussel-Willebroek in 1560-1561. Ter hoogte van Vilvoorde, in het verdwenen gehucht Ransbeek, werd een eerste sluis gebouwd, die aanvankelijk het sas van Ransbeek werd genoemd en na de plaatsing van een monumentale fontein (een
In de loop van de 18de eeuw werd de vaart tussen Brussel en Vilvoorde - op de linkeroever gedubbeld door de steenweg Brussel-Mechelen - een attractiepool voor de betere standen, niet alleen als excursiedoel (dank zij een groeiend aantal afspanningen en herbergen), maar ook voor de vestiging van buitenverblijven. Eenmaal ten noorden van Vilvoorde begint de zogenaamde Vlaamse Vallei, een vlak, minder aantrekkelijk landschap. Bij Nederheembeek lagen de landgoederen Meudon en Crayenhof en de herberg met lusttuin Marly. O p Vilvoords grondgebied, bij het sas van Drie Fonteinen, ontstond een gehucht dat verschillende herbergen omvatte, onder meer 'De Wilde Man' en 'Het Vliegend Hert'. Dichter bij Brussel lag het reeds vermelde buitengoed van Walckiers de Tronchiennes, naast het op het einde van de 17de eeuw aangelegde 'Mon Plaisir' van baron Pierre-Ferdinand Roose. Tussen Laken en Overheembeek werd vanaf 1781
A Het sas van de Drie
eerste versie van de Royer
Het park van
Fonteinen en het
kadasterkaart
(archief Kadaster
Drie Fonteinen,
gecreëerd door bankier Walckicrs
landgoed van baron
opgemaakt in 1813
Brabant, Brussel)
één van de oudste
de Gammerage rond
de Wellens op de
door Gllles-Joseph
landschappelijke
1778, op een litho
parken van België,
door A. Boëns, 1823
T Drie Fonteinen en
kasteel op de
het landgoed van
definitieve, Prlmi-
datum, vermoedelijk 1820-1830
Wellens met
tleve versie van de
(archief Kadaster
landschappelijke
kadasterkaart door
Brabant, Brussel)
aanleg en nieuw
J. Henry, zonder
voor de gouverneurs-generaal van de Oostenrijkse Nederlanden, aartshertogin Maria-Christina en hertog Albert, het landgoed Schonenberg aangelegd, de eerste grootschalige landschapstuin van de zuidelijke Nederlanden, nu deel van het koninklijk domein.
Omstreeks 1760 was Jean-Joseph Walckiers de Gammerages (1740-na 1810), neef van voornoemde Walckiers, begonnen met het opkopen van grote stukken landbouwgrond op de valleiflank ten westen van het sas van Drie Fonteinen, het Hoogveld (6). Rond 1775 vormde zijn eigendom een min of meer aaneengesloten geheel van circa 25 hectare, waarop hij zijn buitengoed kon uitbouwen (7). Walckiers had van zijn vader de heerlijkheid Galmaarden ('Gammerages') geërfd, leidde gedurende korte tijd de bank de Nettine, de eerste echte bank van de Oostenrijkse Nederlanden, financierde allerlei projecten en ondernemingen en was ook een gewiekst grondspeculant. Hij was onder meer een vennoot van de avonturier Frederik Romberg, die actief was als reder en in de handel op Afrika en Amerika, slavenhandel inbegrepen (8), In 1784 was Walckiers eigenaar van het kasteeldomein van Wespelaar, dat hij in 1789 hypothekeerde en in 1796 doorverkocht aan de Leuvense brouwer Leonard Artois (9). Het partnerschap met Romberg had hem grotendeels geruïneerd en de afschaffing van de heerlijke rechten in 1795 was de druppel die de emmer deed overlopen. In 1799 verkocht hij al zijn bezittingen en vertrok met de noorderzon richting Frankrijk. In 1810 verbleef hij in uiterst precaire omstandigheden te Gussets in het departement Allier (Auvergne). Zijn sterfdatum is niet bekend (10).
A De bruggrot van Drie Fonteinen, onderdeel van de vroege landschap-
DF FNGFI SE TUIN
pelijke tuin van Walckiers (foto 0. Pauwels. 2005)
M&L
De door hem rond 1778 aangelegde 'Engelse' tuin, circa 10 hectare groot, wordt voor het eerst uitdrukkelijk vermeld in een geografische naslagwerkje uit het jaar VII, 1799 of 1800(11). Dzxe "superbes jardins a l'anglaise" worden voor het eerst afgebeeld op de 'Carte topographique de Bruxelles et de ses environs' — een gegraveerde kaart op ongeveer 1/34.000, gepubliceerd in 1810 door voormalig artilieriekapitein Guillaume De Wauthier — "belle campagne hatie par Mr. De Gamarache" volgens de bijhorende toelichting (12). In een manuscriptversie op schaal circa 1/5000, die vermoedelijk gelijktijdig met de gegraveerde kaart werd opgemaakt of misschien als uitgangspunt ervoor heeft gediend
(13), maar voor sommige gedeelten tot 1821 werd bijgewerkt, wordt deze tuin gedetailleerd weergegeven. Een langgerekte vijver vertrekt als een smalle geul aan de noordrand van de lusttuin, omspoelt geleidelijk verbredend een eilandje, versmalt opnieuw tot een slingerend kanaaltje dat ondergronds verdwijnt en terug opduikt aan de overzijde van de laan, die de zuidelijke grens van de tuin vormt. Het landhuis of kasteel, een bijna vierkant blok (aangeduid met een vlagje dat verwijst naar de toelichting), ligt aan de noordwestelijke rand van de tuin, op het snijpunt van verschillende lijnen, en heeft waarschijnlijk als referentiepunt gediend bij het karteren. Deze lijnen vallen ook min of meer samen met enkele belangrijke zichtassen. De dienstgebouwen bevinden zich ten noorden van het kasteel.
•«.--'
I
iirs
*
-, ,-
.
• Interieur van de bruggrot van Drie fonteinen
Zoals blijkt uit een eerste proeve van kadasterkaart door landmeter Gilles-Joseph Royer, gedateerd 1813, wordt de afstand tussen kasteel en dienstgebouwen — nauwelijks 20 m - op de kaart van De Wautier duidelijk overdreven. De steilrand die de westflank van de Zennevallei vormt (op een afstand van 300 m tot 35 m hoogteverschil) en de daar aanwezige bronnen werden handig benut bij de aanleg. De vijver werd uitgegraven langs hoogtelijn 25 en met de uitgegraven specie werd het reliëf geaccentueerd. O p een litho van A. Boëns van 1823 wordt het kasteel getoond vanuit het oosten, mogelijk vanaf de houten uitkijktoren bij de weg langs de vaart, die door De Wautier wordt afgebeeld. Deze litho toont een naar
het kanaal afbellende grasvlakte, omkaderd door bomen. Rechts in beeld en half verscholen tussen de bomen: het kasteel, sober (de vergelijking met het 'Petit Trianon' is met de haren getrokken), met als enige versiering de balustrade waarachter de dakconstructie schuilging, boven de wit bepleisterde gevel. De bewoners konden naar verluidt (14) vanuit de salon niet alleen Vilvoorde en de de omringende dorpen bewonderen, maar ook de torens van Brussel en de Sint-Romboutstoren van Mechelen. Centraal in de litho: het bosmassief, duidelijk te situeren op de kaart van De Wautier, gevarieerd qua samenstelling en textuur, vooral bladverliezende soorten, met enkele kleinere, zuilvormige bomen op de voorgrond — misschien Ierse taxus (Taxus baccata 'Fastigiata'j of zuilvormige cipresachtigen
(foto 0. Pauwels,
2005)
M&L
1 i iH'! r^h^ -
ski • M.,
De ijskelder van
In de schaduw
Drie Fonteinen
van het ïiaduct:
(foto R. Deneef.
de ijskelder van
2002)
{Chamaecyparis oi Juniperus). Links in beeld: het beboste eilandje met vooral naaldbomen die sterk aan lorken doen denken. Een hoge, rustieke boogbrug, die ook door De Wautier wordt afgebeeld, verbindt het eiland met het vasteland. Een tweede, kleinere boogbrug, niet afgebeeld op de litho, die de versmallende geul stroomafwaarts van het eilandje overspande, verdween bij de bouw van het viadukt in 1975.
M&L
0e grot met de
gebouwde viaduct
Drie Fonteinen van
aanlegsteiger aan
van de Grote Ring
binnenuit gezien
de andere zijde van
(foto R. Deneef,
(foto R. Deneef,
het in 1976
2002)
2002)
De zwanen, de wollige lucht, het roeibootje, de vrouw met de parasol en de man met de hond vervolledigen de idylle, maar de rotspartij (uiteraard nep, in plaatselijke zandsteenknollen) die de naar de brug toe oplopende oever van het 'vasteland' vormt zorgt voor een dramatische toets. Het spectaculairste onderdeel van de Engelse tuin van Walckiers bevindt zich rechts, buiten beeld: een galerijbrug met twee dekken over de noordelijke uitloper van de vijver, een cyclopisch metselwerk van ruwe zandsteenknollen die een onregelmatige bogengaanderij vormen. Na de 25 m hoge 'rots' bij het Kasteel van Attre (Brugelette, provincie Henegouwen) en het grottencomplex in het Boekenbergpark te Deurne (15), is dit één van de opmerkelijkste artificiële grotten en tuinfollies van België. Het interieur van de Vilvoordse bruggrot — de aanwezigheid van nissen en consoles — laat vermoeden dat er ooit beelden stonden opgesteld, zoals in het park van Wespelaar (16). De grot, sinds de renaissance niet meer weg te denken uit parken en tuinen, was sinds Edmund Burke (17) als drager van het 'sublieme' - ontzagwekkend oord van duisternis en contemplatie, met symboliek geladen, stimulus voor de verbeelding... - een bijna onmisbaar onderdeel in de Engelse tuinen en landschappelijke parken, en dit tot in de 20ste eeuw. De bruggrot van Vilvoorde — vooral de constructie van het gewelf, doet onwillekeurig denken aan de door architect Ghislain-Joseph Henry in 1796 ontworpen grot te Wespelaar. Gezien de kortstondige 'personele unie' tussen beide domeinen is het niet uit-
^WNW.WX N ^
-*» •
-^ •
Het landgoed
alle eigendommen
Het met aarde
Drie Fonteinen op
het parement van
het gaat om een
van baron de
overdekt gewelf aan
ruwe zandsteen-
ijskelder die later in
de figuratieve kaart
Wellens
de oostrand van het
blokken verbergt
een pittoreske grot
uit 1837 bij de
(Rijksarchief
glad baksteen-
werd geconverteerd
verkoopakte van
Anderlecht)
vroeger bij het
metselwerk; het is
(foto R. Deneef,
landgoed Fontigny;
dus mogelijk dat
2005)
gesloten dat de Vilvoordse grot een vingeroefening geweest is van dezelfde architect. In de akte naar aanleiding van de verkoop van het goed door Stevens aan Wellens in 1810 worden trouwens ook beelden van Gilles-Lambert Godecharle vermeldt, die tussen 1791 en 1822 ook voor het park van Wespelaar beeldhouwde. De lusttuin was grotendeels ommuurd (de rode lijn op de kaart van De Wautier). Twee paviljoenen leunden aan tegen deze omheiningsmuur, onder meer in de zuidoostelijke hoek. De oprijlaan vertrok aan de Vaartdijk, niet ver van het sas, slingerde naar de vijver toe over het bovenste dek van de brugkrocht en mondde uit tussen het kasteel en de dienstgebouwen, waar zich vermoedelijk zoiets als een ere-erf bevond. Vanuit een soort van lunette, een halfronde instulping in de omheiningsmuur nabij de zuidwestelijke hoek, vertrok een tweede, rechte, met bomen afgezoomde laan. De beslotenheid van het geheel, die (ondanks de doorkijkjes) nog versterkt wordt door de omheiningsmuur, het bewogen reliëf, de kronkelende paden, en de ligging van het huis aan de rand van, in feite naast de lusttuin - dit alles beantwoordt aan het vroege, continentale type van 'jardin anglais', een type dat overigens bij echte Engelsen (of Schotten) op weinig enthousiasme kon rekenen (18). In de Primitieve kadastrale legger (19) wordt de samenstelling van het landgoed rond 1831 weergegeven: naast het huis, de stallingen en de lustgrond (perceel nr. 3 5 1 , 9 hectare) omvatte het nog een
domein hoorde
moestuin (nr. 347, bijna 23 are), een kleine boomkwekerij vlakbij de ingang aan de vaart (nr. 353, 11,5 are) en twee percelen 'hof' (nrs. 346 en 352). Deze twee percelen komen niet voor op de reeds vermelde prekadastrale kaart uit 1813; ze hebben zeer onregelmatige contouren en schijnen de lusthof te omkaderen. O p de manuscriptkaart van De Wautier en op een figuratieve kaart van 1837, die hoort bij de verkoopakte van alle goederen van De Wellens (20), worden die stroken, verborgen achter opgaande beplanting, inderdaad als moestuin voorgesteld. De uitkijktoren bij het kanaal is in 1837 verdwenen, maar een kleine rotonde geeft de plek aan waar hij gestaan heeft.
FONTIGNY FN DE IJSKELDERS Het buitenverblijf van Walckiers werd aan de noordzijde begrensd door dat van graaf PatriceFrantjois de Nény, een belangrijke figuur onder het Oostenrijks bewind (onder meer voorzitter van de Geheime Raad). Van Walckiers had hij in 1777 de herberg 'Het Vliegend Hert' gekocht. Hij liet ze afbreken en vervangen door een buitenhuis dat hij 'Fontigny' noemde (21). Het lag tegen de steenweg en de vaart aan, vlakbij het sas. De tuin, circa drie hectare groot, besloeg de helling achter het huis, omvatte ook paardenstallen, een siertempeltje, waterpartijen, een 'ermitage' en een ijskelder (22) - een configuratie die wijst op het bestaan van een landschappelijke tuin. O p de manuscriptkaart van
1VI&L
£. Ü
^ mi
De Wautier wordt dit goed, eveneens ommuurd, aangeduid onder de naam van de toenmalige eigenaar, een zekere De Beaufort. De in bedden verdeelde moestuin in de zuidwesthoek wordt duidelijk weergegeven, vage kronkelende lijntjes suggereren een aanleg a l'anglaise en het figuurtje tegen de westelijke muur aan stelt misschien een 'Chinees' tempeltje voor — een pagodedakje met opgekrulde hoeken. Schilderachtige tempeltjes en andere 'fabriekjes' vormen vaak de bovenbouw van meer prozaïsche installaties als ijs-, groente- of fruitkelders, zoals bijvoorbeeld in Wespelaar. Misschien ook hier, want ongeveer op diezelfde plaats, niet ver van de verkaveling Lenterik, bevindt een met aarde overdekt gewelf, dat door iedereen beschouwd wordt als een ijskelder, maar die gezien het cyclopisch metselwerk van ruwe zandsteenblokken totaal atypisch is voor ijskelders. Achter dit parement van ruwe zandstenen zit echter glad baksteenmetselwerk verborgen; het is dus mogelijk dat het gaat om een ijskelder die later tot een pittoreske grot werd heraangekleed. Een duidelijk herkenbare ijskelder komt daarentegen voor in de zuidrand van het domein Walckiers (momenteel bijna onder het viaduct van de Ring): gladde baksteen, sporen van een trechtervormig sas met twee nissen, en een bewaarruimte in de vorm van een ei (4,5 m horizontale diameter) op zijn dunne kant. Een derde ijskelder (momenteel dichtgemaakt) ligt verborgen in de noordoostelijke hoek van het domein Walckiers, tussen de brugkrocht en de verkaveling Lenterik. O p die plek wordt door De Wautier een heuveltje afgebeeld, een afgeknotte kegel bekroond met een gebouwtje. Dit 'fabriekje', een tempeltje of een tempelruïne, misschien wel een tholos (een koepeltje op zuilen)
zoals te Wespelaar, wordt expliciet (met vierkant grondplan) weergegeven op de kaart van 1837. Een gecanneleerde zuilstomp, het enige fragment dat bewaard bleef, staat momenteel opgesteld aan de rand van de vijver.
DE BURGEMEESTERS Na de aftocht van Walckiers kwam het landgoed Drie Fonteinen in handen van Pierre-Fran^ois Stevens, een 'nouveau riche' die zijn rijkdom te danken had aan malafide transacties met de Franse legers. Voor zover kan worden nagegaan heeft hij geen gronden of gebouwen toegevoegd. Hij verkocht het landgoed in 1810 aan Louis Wellens, vanaf 1817 baron de Wellens, burgemeester van Brussel van 1821 tot in 1830, toen hij als orangist tot aftreden werd gedwongen. Zijn zoon werd in 1825 burgemeester van Vilvoorde, maar verdween van het toneel in eigenaardige omstandigheden. Mede door het faillissement van zijn zoon moest hij het domein en de inboedel openbaar verkopen. Voor Wellens was Drie Fonteinen een buitenverblijf. Hij kocht talrijke percelen bij; in 1837 was zijn bezit reeds opgelopen tot 38 hectare. Hij liet in de jaren 1820 naast het kasteel een langgerekt gebouw (perceel nr. 348) optrekken, zijn 'cabinet d'histoire naturelle', waarin hij zijn collectie naturaliën (opgezette vogels, mineralen etc.) onderbracht. Later deed dit gebouw dienst als oranjerie; het werd afgebroken rond 1890 (23). Zoals blijkt uit hoger genoemde kaart van 1837 bleef de door Walckiers bedachte lay-out aanaangeroerd op één punt na: de oostelijke arm van de vijver is verdwenen, slechts deze met de boogbrug bestaat nog, er is dus geen eiland meer.
•*
Het domein van De Drie Fonteinen in 1867-1877 (Depot de la Guerre I867-ICH,I882) en 1891-1892 (ICM, 1895); ten noorden van het sas werd in 1878 door Edmond Hanssens een nieuw landgoed uitgebouwd.'Chateau de l'Ecluse'
• 'Chateau de L'Ecluse', gebouwd door burgemeester Hanssens in 1876, op een oude
/.»
fct** s*'*
ansichtkaart (collectie H. Stappers)
(^?c /fy^ „ „ ^ ^^ ' ^ /i^ ,
De entreepavlljoens
(foto 0. Pauwels,
aan de Konings-
200S)
losesteenweg
Advocaat Guillaume Van Volxem, kortstondig burgemeester van Brussel en in 1841-1842 ook minister van justitie, was de volgende eigenaar (24). Ook onder zijn eigenaarschap veranderde er weinig, zoals blijkt uit de stafkaarten van 1867 en 1877. Bij zijn overlijden in 1868 erfde zijn tweede echtgenote het domein; zij liet in de moestuin achter het kasteel een serrecomplex bouwen (25), maar voor de rest bleef alles bij het oude. In 1892 ging het goed over op hun dochter Jeanne-Félicité, die gehuwd was met Alfred Orban, neef van Hubert Frère-Orban (1812-1896), liberaal boegbeeld en tweemaal eerste minister. Dit was het startpunt van een reeks ingrijpende veranderingen, waarbij ook andere eigendommen werden betrokken, in de eerste plaats...
CHATEAU DE L'ECLUSE
Het domein van De Drie Fonteinen op de stafkaarten van (boven) 1930 en (onder) 1924 (ICM, 1936, 1935)
1VI&L
In 1876 liet Edmond Hanssens, de toenmalige burgemeester van Vilvoorde, een buitenverblijf bouwen op de hoogte ten noorden van het sas (26). Deze villa — een statig, wit bepleisterd, eclectisch gebouw met hoog mansardedak en oeils de b o e u f noemde hij 'Chateau de l'Ecluse'. Ze stond aan de westrand, op het hoogste punt van het eigendom. Het kluwen van lussen van het landschappelijk park dat zich op de helling tussen de villa en de steenweg uitstrekte, circa 5,2 hectare, verschijnt op de stafkaart van 1891 en staat in schril contrast met de eerder sobere, radiale structuur van de 'jardin anglais' van Walckiers die op dezelfde kaart nog vrijwel ongeschonden wordt afgebeeld. De aanleg
Tussen siervazen en paardekastanjes: de door Orban
bij de villa van Hanssens is representatief voor de 19de-eeuwse landschappelijke stijl in zijn laatste, verstarde fase: brede grintpaden die weidse lussen beschrijven, scherp afgelijnde gazons in ovalen of ellipsen. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog zal Louis Van der Swaelmen jr. heftig uitvaren tegen dit soort van ontwerpen, "het bij uitstek karakteristieke type van den leelijken vermicelli-stijl", "den faillieten boedel van den Romantischen Tuin" (27). De huidige vijver (met eilandje) in de laagte aan de oostrand van het gemeentelijk domein, nabij de 'Parktennisclub', maakte deel uit van het park van Hanssens. In dit park werd ook een openbare weg, de Surweg, opgenomen. Dergelijke privatisering is evenmin een alleenstaand geval, eerder een bescheiden voorbeeld van 'zelfbediening', vergeleken met
wat zich tezelfdertijd onder meer in Huizingen afspeelde, waar voor de aanleg van een privé-park niet alleen een openbare weg werd ingelijfd maar zelfs een gans gehucht werd afgebroken (28).
bedachte cermonlële toegang tot Drie Fonteinen, evenwijdig met de huidige Beneluxlaan (foto 0. Pauwels, 2005)
DE EENMAKING Alfred Orban slaagde erin om 'Fontigny', het 'Chateau de l'Ecluse' en het goed van Walckiers tot één groot eigendom te verenigen en zijn Vilvoordse eigendommen tot meer dan 200 hectare uit te breiden (29). Bijna de ganse ruimte tussen de vaart, de Blaesenbergweg-Koningslosesteenweg en de Antoon Van Osslaan (te Nederoverheembeek) werd tot één landschappelijk gestructureerde entiteit van circa 90 hectare samengesmolten. O p de stafkaarten van na de Eerste Wereldoorlog (1930 voor het
M&L
Vtlvorde - Lei Trois Fon'ainea,
Chateau de M. Orban - I.e jet deiu
Het waterbekken op koetshuis m het sni|punt van de
de verte
twee assen van de
(collectie M. Stappers)
Franse tuin en het
Het dal ten noorden
noordelijk gedeelte, 1924 voor het zuiden) wordt dit in beeld gebracht. Het sobere, classicistische kasteel van Walckiers vormt min of meer het centrum van een complex systeem van lussen, waarin ook de 'vermicelli' van het Chateau de L'Ecluse wordt opgenomen, zij het in vereenvoudigde vorm. In een beboste laagte bij de steenweg BrusselMechelen, meer dan een halve kilometer van het kasteel op het grondgebied Nederoverheembeek, werd een nieuwe toegang aangelegd, vermoedelijk de meest gebruikte, want het is de kortste weg naar
een Japanse
van de kasteelsite.
honlngboom op de
landschappelijk
voorgrond
aangelegd rond
(foto R. Deneef,
1895 door Orban,
2002)
• De monumentale,
plaats van het
arduinen rondboog-
neoclassicistische
poort met driehoe-
koetshuis
•
kig fronton geeft
(foto 0. Pauwels,
De nis met het
de achtergrond
toegang tot een
2005)
Heraklesbceld,
(foto 0. Pauwels,
het koetshuls op
2005)
gekasseide binnen-
M&L
O. O Ü
De 'Franse' parterre
pelde ansichtkaart
tussen het kasteel
(collectie M.
en oranjerie op een
Verstappen)
in 1908 afgestem-
Brussel. De oprijlaan (op de stafkaart gedeeltelijk in het rood aangeduid) vertakte onmiddellijk in twee armen die in weidse bochten op de kasteelsite toeliepen. Een tweede toegang verscheen in het noordwesten van het domein, aan de Koningslosesteenweg. De geblokte hekpijlers en de neoclassicistische paviljoenen langs weerzijden van de ingang bleven bewaard (de paviljoenen weliswaar met ingestort dak), het hek is verdwenen. Landschappelijk gezien was deze oprit, die langs de rand van een open vallei doorheen de beboste westrand van het domein omhoog slingert, de meest boeiende. De 'voie triomphale', de ceremoniële toegang, werd aangelegd vanuit het westen. De ruimte tussen kasteel en de holle Blaesenbergweg werd bebost, maar in een kaarsrechte, 40 m brede doorsteek werd een dubbele oprijlaan aangelegd. De rijbanen werden gescheiden door een brede strook gazon, met kunststeen afgeboord. Langs de rijbanen stonden beelden opgesteld, borstbeelden op pijlers (Romeins geklede figuren), waarvan er nog drie in de opslagruimten van de gemeentelijke plantsoendienst worden bewaard. Het spiegelboogvormige uiteinde van dit gazon is langs de kant van het kasteel nog zichtbaar. O m deze doorsteek aan te leggen werden nivelleringswerken verricht en met de weggeschraapte grond werden langs weerszijden over de ganse lengte evenwijdige wallen opgeworpen die elk met een rij bruine beuken (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV werden beplant — momenteel bomen met stamomtrekken tot 380 cm.
De 'Franse' parterre voor de oranjerie (foto 0. Pauwels,
de huidige Beneluxlaan, om na 1 km aan te knopen bij de Koningslosesteenweg, vlakbij het gehucht Koningslo. Ook dit gedeelte werd van decor voorzien: monumentale siervazen en twee rijen witte paardekastanjes (Aesculus hippocastanum) in het verlengde van de beukenrijen in het domein. Bij de brug werden twee entreepaviljoentjes opgesteld, vermoedelijk van hetzelfde model als de reeds vernoemde. Deze indrukwekkende doorsteek, terzelfdertijd oprijlaan en zichtas, bleef bewaard tot aan het VTM-complex, over een afstand van circa 800 m, maar de paviljoens zijn verdwenen.
2005)
T Het kasteel van Drie Fonteinen, in 1944 vermeld door een bombardement, op een in 1922 afgestempelde ansichtkaart (collectie M. Stappers)
De rijbanen verenigden zich bij de holle, openbare Blaesenbergweg tot één rijweg, die via een platte brug met bakstenen bruggenhoofden linea recta doorheen de akkers verder koerste, evenwijdig met
M&L
Eén van de gietijzeren, allegorische beelden in de 'Franse' parterre, afkomstig uit de
DF FRANSF TUIN
Fondenes d'Art du Val d'Osne te Parijs, een rond 1900 bekend fabrikant van artistiek straaten parkmeubilair (foto 0. Pauwels. 2005)
M&L
Deze zichtas-oprijlaan vormt de ruggengraat van een 'Franse' tuin, die qua oppervlakte slechts zijn meerdere heeft in deze van Tervuren. De Franse tuin bij het Koloniënpaleis van Tervuren werd ongeveer in dezelfde periode aangelegd naar ontwerp van de Fransman Elie Lainé, die misschien ook in Vilvoorde heeft gewerkt. De door Orban geëngageerde ontwerper liet zich ongetwijfeld inspireren door de revival van de regelmatig-geometrische, door klassieke Franse voorbeelden (Vaux-le-Vicomte, Versailles...) geïnspireerde tuinstijl op het
einde van de 19de eeuw. Publicaties zoals de 'Traite general de la composition des pares et jardins', 1879, van Edouard André en het werk van de Franse tuinarchitecten vader (Henri) en zoon (Achille) Duchêne speelden daarbij een belangrijke rol. De 'style Duchêne' (30) kende talrijke navolgers. Halverwege tussen de brug en het kasteel en ten noorden van de vista-oprijlaan werd een met beelden afgezoomde rotonde aangelegd — op- en afrit naar het imposantste gebouw van het domein: het neoclassicistische koetshuis met bijhorende paardenstallen en verblijven voor het dienstpersoneel (31),
Het door Alfred Orban in neotradltionele snjl gebouwde neerhof en {achtpavdjoen (foto R. Denecf, 2002)
Het gebouw - in baksteenmetselwerk geritmeerd door geblokte lisenen van witte natuursteen — heeft een U-vormige plattegrond. Een monumentale, arduinen rondboogpoort met een door Dorische driekwart zuilen gestut driehoekig fronton geeft toegang tot een gekasseide binnenplaats, omgeven door drie vleugels van één hoge bouwlaag met een verdieping onder de leien mansardedaken, waarin zich de verblijven voor het personeel bevonden. Alleen de middelste travee van de westelijke vleugel heeft een verdieping meer en vormt een torenachtig volume dat de partetretuin domineert en op het eindpunt ligt van één van de assen. De buitengevels werden vrij eenvoudig gehouden met overwegend rechthoekige vensters en aflijnende houten kroonlijsten. De meer uitgewerkte binnengevels zijn opgevat als een pseudo-rondboogarcade met rechthoekige deuren en vensters in neoclassicistische entablementomlijstingen, bekroond door een oculus met guirlande en rondbogige waterlijst met voluutvormige sluitsteen. De binnenkoer wordt langs de oostzijde (de tuinkant) afgesloten door een gebogen muurpartij - vanuit de partetretuin gezien een nis of exedra bedoeld als achtergrond (momenteel achter een taxushaag verborgen) voor een beeld van de worstelende Herakles.
Het gtos van de Franse tuin bevindt zich tussen de plaats waar zich het kasteel van Walckiers bevond - het wetd in 1944 bij een bombatdement vernield en de neoclassicistische oranjerie, vandaag Brasserie, volgens sommigen nog uit de tijd van Walckiers, maar op een gevelsteen komt de vermelding "Alfred Orban-Van Volxem 18 Aoüt 1894" voor. Uit de kadastrale mutatieschetsen blijkt dat het gebouw werd opgetrokken op de funderingen van een in 1879 geregistreerde serre (32). Het gaat om een typische oranjerie, een eenvoudig bepleisterd en geschilderd gebouw van zeven traveeën en één bouwlaag onder gecombineerde en afgeknotte leien schilddaken, met een op het zuiden gerichte rondboogarcade met geptofileetde archivolten. Het hoofdvolume wordt geflankeerd door aanbouwsels voorzien van een serliana met Ionische zuiltjes. De Franse partetretuin bestaat uit een rechthoek met een padenkruis en, op drie zijden, halfronde uitstulpingen. Een noord-zuid gerichte as verbond de middenttavee van het kasteel met deze van de otanjetie. De tweede as, loodtecht op de eetste, vettrekt van het Heraklesbeeld bij het koetshuis, daalt via twee trappenpartijen en twee kleine rotondes af naar de partetretuin en eindigt bij de keermuur met
M&L
VJ. — Vilvorde Les 3 Fontaines Chateau de M Orban Jardin Francais et Orangerie.
• Beelden, vazen, balustrades en inlegplanten ingrediënten van de Franse tuin, op een in 1912 afgestempelde ansichtkaart (collectie H Stappers)
balustrade aan de oostrand ervan. Een rond, stenen waterbekken vormt het ktuispunt van de twee assen. Balustrades, siervazen en beelden waren en zijn nog beeldbepalend. De grasparterres (rechthoeken met uitgespaarde zwikken) waren gestoffeerd met beelden, siervazen, in vorm gesnoeide taxus en buxus en - in de zomer - oranjerieplanten zoals in halve bol gesnoeide laurierboompjes. Het broderiewerk was herleid tot enkele eenvoudige figuren, bijvoorbeeld het klaverblad op de voorgrond van een van de oude ansichtkaarten. De patronen werden gevormd door grindstroken en linten (plate-bandes) van inlegplanten, onder meer begonia's.
De oorspronkelijke ambiance wordt door het huidige beheer nog steeds in stand gehouden, zij het minder uitbundig dan dat wat op foto's uit de tijd van Orban wordt getoond. In de vier hoeken van de parterretuin staan gietijzeren, allegorische beelden met het opschrift "Fonderies d'Artdu Vald'Osne /58 Bd Voltaire Paris', een in die tijd bekend fabrikant van min of meer artistiek straat- en parkmeubilair, onder meer straatlantaarns (33). In de grasperken staan twee stenen beelden, een mannenfiguur met helm en zonneschild (Apollo) en een vrouwenfiguur met de hoorn des overvloeds (Fortuna), beide met signatuur "L.B. Nys 1720". De balustrades werden in 1996 nagenoeg volledig vernieuwd in kunststeen.
• Het domein Drie fonteinen, omringd door woonwijken en industrie, letterlijk in de schaduw van tiet Rmgviaduct (GIS Vlaanderen, 1997-2000)
Het huidige neerhof in neotraditionele stijl (met onder meer kruiskozijnen en rondboogdeurtjes) vervangt de in 1894 afgebroken dienstgebouwen uit de tijd van Walckiers (34). Het bestaat uit meerdere constructies die U-vormig werden ingeplant rondom een gekasseide binnenplaats met een oude waterpomp, een schandpaal (vermoedelijk afkomstig van Zaventem) en een centraal gelegen jachtpaviljoen. Deze gebouwen worden thans gebruikt door de dienst groenvoorziening van de stad Vilvoorde. Rond 1900 werd het domein uitgerust met een autonome waterleiding. Ten westen van het koetshuis staat een watertoren met het jaartal 1903 in de sluitsteen van de rondboogdeur. De metalen
De Franse parterre en het viaduct (foto R. Dcneef, 2005)
vergaarbak van waaruit het water via ingenieuze ondergrondse leidingen verdeeld werd over de verschillende delen van het domein is verdwenen. Ook het kasteel werd door Orban onder handen genomen, maar deze verbouwing veranderde weinig aan het uitzicht (35). De ruimte achter de oranjerie (perceel nr. 335a) vormde het nutsgedeelte van het landgoed, met serres, remises, boomgaard en een grotendeels ommuurde moestuin. Deze ruimte sloot aan bij het neerhof en besloeg bijna acht hectare. De bakstenen tuinmuur bleef gedeeltelijk bewaard.
CAMPION EN SINT-LENDRIK Van 1893 tot 1909 was Orban ook eigenaar van het door Hanssens aangelegde domein, het Chdteau de l'Ecluse. De twee parken vloeiden in elkaar over, vormden één padennetwerk. Het is niet duidelijk welke functie het Chateau de l'Ecluse in dit geheel vervulde; mogelijk werd het verhuurd. In 1909 werd het aangekocht door Daniël Campion (36), advocaat, gemeenteraadslid en industrieel, eigenaar van Chemins de Fer Industriels, één van de laatste privé-spoorlijnen in België. Hij verrijkte het landgoed, bijna zes hectare groot, met de barokke SintLentrikkapel. Deze in 1667 gebouwde kapel stond oorspronkelijk bij de Lendriksborre, op de grens met Nederoverheembeek. Campion Hetze in 1930-
1934 steen voor steen afbreken en op haar huidige plaats aan de noordrand van het domein heropbouwen. De villa zelf werd afgebroken rond 1960. Enkele puinfragmenten en een in een grote boog opgestelde rij haagbeuken (Carpinus hetulus) markeren de plek waar ze gestaan heeft.
GEMFFNTELIJK PARK In 1928, na het overlijden van Alfred Orban, werd het domein Drie Fonteinen verkocht aan een zekere Perena, een Spaanse avonturier, die het doorverkocht aan de 'Société immobilière du Marly'. Deze maatschappij onderhandelde in de jaren 1950 met de stad Brussel, die het wilde kopen om er de begraafplaats van Brussel in onder te brengen. Dit kon gelukkig worden vermeden. Het kasteel van Orban werd in 1944 plat gebombardeerd en door de Engelse bevrijders werden in de Franse tuin grote vernielingen aangebracht. In 1956 kon de Stad Vilvoorde zowel het eigendom Campion als het voormalige domein van Orban aankopen. De noordoostelijke hoek van dit gebied werd voorbestemd voor sportinfrastructuur: een stadion, voetbalpleinen en tennisvelden. Ongeveer de helft van wat ooit het landgoed van graaf de Nény was geweest werd rond 1975 verkaveld, het huidige Lemerik. Voor de rest bleef het domein grotendeels onaangeroerd.
Het centrale bekken en de op het koetshuis gerichte as in de 'Franse' parterre (foto 0. Pauwels.
2005)
1VI&L
Alphonse Wauters, stadsarchivaris van Brussel en historicus, doet in 1855 ook een poging om de beplantingen in het door Walckiers aangelegde park te beschrijven - een beetje bevlogen: "planté d'arbres exotiques de la plus grande beauté' (37). De enige bomen die nog uit de vroege 19de of misschien de late 18de eeuw zouden kunnen stammen zijn drie platanen (Platanus x hispanica) met stamomtrekken tot meer dan 6 m. Het grootste gedeelte van de sierbeplantingen, onder meer de reeds vermelde rijen van bruine beuken langs de grote doorsteek, dateert uit de Orban-periode. Uitzonderlijk is het voorkomen van enkele oude
steeliepen (Ulmus laevis), die de opeenvolgende golven van iepenziekte hebben overleefd, en oudere exemplaren van zeldzame boomsoorten als eenbladige es (Fraxinus excelsior 'DiversifoliaV, Japanse lijsterbes (Sorbus japonica), elsbes (Sorbus torminalis) en Chinese toom (Toona sinensis).
BESLUIT Het gemeentelijk domein Drie Fonteinen te Vilvoorde is ontstaan uit de vereniging van drie verschillende landgoederen. Het oudste van de drie.
• Nr. 132 Bijlage bij MftL 24/2 maart-april 2005
B 1 N N E N K R A 1 M T
Literatuur Jo Bracken
DF KFil7F VAN MftL
Reassessing Nikolaus Pevsner Peter Draper (red.) Aldershot, Ashgate, 2004, 246 p., ISBN 0-7546-3582-1 Bundel congresbijdragen gewijd aan leven en werk van Sir Nikolaus Pevsner (1902-1983), één van de bekendste en meest invloedrijke architectuurhistorici van de 20ste eeuw. Geboren in Leipzig in de Joodse 'haute bourgeoisie', studeerde hij bij Wölfflin, Weisbach, Pinder en Kautzsch, alvorens zich toe te leggen op de Engelse kunst. In 1933 zocht hij asiel in Engeland, waar hij met zijn standaardwerk Pioneers of Modern Design (1936) de Moderne Beweging een stamboom gaf en de geschiedenis van het design tot een discipline verhief. Generaties studenten maakten kennis met de architectuurgeschiedenis via zijn Outline of European Architecture (1942). In het naoorlogs klimaat van neoromantisch nationalisme bracht zijn fascinatie voor het 'Englishness' hem aan het hoofd van de Victorian Society. Zijn magnum opus blijft evenwel de Pelican History of Art en de Buildings of England, samen 93 delen dik.
M&L
De gebroeders Bourgeois architectuur en plastique pure Iwan Strauven Brussel, Archives d'Architecture Moderne, 2005, 132 p., ISBN 2-87143-154-X
Lubomi'r Slapeta 1908-1983, Cfestmir Slapeta 1980-1999 Architectural Work Olomouc, Muzeum umëni Olomouc (www.olmuart.cz). 2003, 260 p., ISBN 80-85227-56-8
Publicatie bij de gelijknamige tentoonstelling in het CIVA (cf. MEtL 23/6 Binnenkrant p. 2-3) gewijd aan architect Victor Bourgeois (1897-1962) en zijn broer, de dichter en kunstcriticus Pierre Bourgeois (1898-1976). Victor Bourgeois geldt als één van de wegbereiders van de Moderne Beweging in België. De draagwijdte van zijn carrière als architect en lesgever aan 'La Cambre' vonden hun voedingsbodem in de relatie met zijn broer Pierre. Met hun tijdschriften Au Volant, Le Geste en 7 Arts stonden zij in het brandpunt van de avant-garde. De Cité Moderne, een tuinwijk in SintAgatha-Berchem uit de begindagen van het Belgische modernisme, betekende de doorbraak van Victor Bourgeois op de internationale scène die hem aan de wieg bracht van CIAM. Vanaf de jaren 1930 richtte hij zijn aandacht vooral op de stedenbouw, met toekomstvisies voor de Brusselse agglomeratie en de streek van Charleroi. Ook na de Tweede Wereldoorlog zette hij zijn loopbaan onverminderd voort met realisaties als het Stadhuis van Oostende en de Eternittoren op Expo 58. Na een beknopt overzicht van leven en werk van beide broers, worden een representatieve selectie van 36 projecten in woord en beeld gedocumenteerd.
Verzorgde monografie met oeuvrecatalogus (tweetalig Tsjechisch-Engels) naar aanleiding van een rondreizende tentoonstelling (Zurich 12/05/0528/06/05) gewijd aan de Tsjechische gebroeders architecten Lubomir Slapeta (1908-1983) en Cfestmir Slapeta (1908-1999), die tot de meest getalenteerde vertegenwoordigers van de tweede generatie functionalisten in Tsjechië worden gerekend. Na studies aan de prestigieuze Akademie van Breslau als leerlingen en later medewerkers van Adolf Rading en Hans Scharoun, en een verblijf in de Verenigde Staten, vestigden beide broers een gezamenlijke praktijk in Ostrava, om vanaf 1936 hun eigen carrière uit te bouwen, waarbij Lubomir zowel in de jaren 1930 als 1960 zijn meester Scharoun nog herhaaldelijk zou bijstaan. Vanwege ideologische vervolging door het Communistisch regime, wordt het zwaartepunt van hun osuvre gevormd door het modernistische eengezinshuis uit de jaren 1930, van gestandaardiseerde minimumwoningen tot opvallend geïndividualiseerde villa's, emotionele woonlandschappen met een 'organische toets' en een harmonische relatie tussen interieur en exterieur.
B I N N E I M K R A N T
Dirk Roosenburg 1887-1962 Dorine van Hoogstraten Rotterdam, Uitgeverij 010, 2005, 224 p., ISBN 90-6450-532-2 Monografie met oeuvrelijst over de Nederlandse architect Dirk Roosenburg (1887-1962), afgestudeerd aan de Technische Hogeschool in Delft, medewerker van Jan Stuyt en H.P. Berlage, en vanaf 1916 zelfstandig architect in Den Haag. Zijn omvangrijke oeuvre, dat meer dan 600 projecten omvat en bijna een halve eeuw overspant, van het interbellum tot de vroege wederopbouw, bezorgde hem een smetteloze reputatie als gedreven vakman met grote kennis van zaken, zonder evenwel aansluiting te zoeken bij avant-gardekringen. Naast tal van privé-woningen ontwierp hij in opdracht van de Rijksgebouwendienst, Rijkswaterstaat en de top van het Nederlandse bedrijfsleven. Na een beknopte biografie volgt dit voortreffelijk gedocumenteerde boek een thematische aanpak, met achtereenvolgens zijn Zeeuws werk, de overheidsgebouwen waaronder het Nederlands Paviljoen op de Wereldtentoonstelling van 1930 in Brussel, de Rijksverzekeringsbank in Amsterdam en de Afsluitdijk, vervolgens de bedrijfs- en luchtvaartgebouwen waaronderde hoofdkantoren van KLM in Den Haag en Philips in Eindhoven.
Superarchitecture Le futur de l'architecture 1950-1970 Dominique Rouillard Parijs, Editions de la Villette, 2004, 544 p., ISBN 2-903539-68-5
English Shops and Shopping An Architectural History Kathryn A. Morrison New Haven, Yale University Press, 2004, 344 p., ISBN 0-300-10219-4
Opmerkelijke, lijvige studie over de talrijke visies op de toekomst van de architectuur, de utopische modellen voor een nieuwe samenleving, die tussen 1950 en 1970 door avantgardekringen werden ontwikkeld, als antwoord op het steriele functionalisme van de wederopbouw. Een discipline in crisis bevraagt gedurende twee decennia zichzelf en de eigen toekomst, en luidt daarmee het einde van de moderniteit en het begin de eigen tijd in. Achtereenvolgens worden drie strategieën gevolgd om de architectuur in relatie te brengen tot de maatschappij: afstemming, heruitvinding en kritisch commentaar, die ook de structuur van het boek uitmaken. Onder aanvoering van Team Ten en de Smithsons, wordt in een eerste fase het ideale determinisme van de Moderne Beweging vervangen door het sociologisch functionalisme van de 'relationele' stedenbouw. In een tweede fase experimenteren Friedman, Constant en de Japanse metabolisten met de 'megastructure' die met kolossale, vaste 'macrostructuren' en flexibel ingevulde 'microstructuren' voor het laatst anticipeert op de evolutie. In de derde fase heerst de contra-utopie van het radicalisme, de 'distopie' van de realiteit, de stad als nachtmerrie, belichaamd door Archigram en Hollein, het Italiaanse nihilisme van Archizoom en Superstudio.
Lijvig en aanstekelijk standaardwerk over de typologische ontwikkeling van de winkelarchitectuur in Engeland, middelpunt van steden en metropolen, die gedurende eeuwen 'highstreet' tot een palimpsest van verandering maakte en vandaag uitzwermt over de stedelijke rand. Het permanent ontwikkelingsproces in het aanprijzen en verkopen van goederen maken de 'winkel' tot één van de meest kwetsbare bouwtypes. Net als in het geval van de pub, slaagde ook hier een nostalgisch-behoudende reflex erin, een breed gamma van historisch en architecturaal relevante winkelvoorbeelden voor het nageslacht te bewaren die een verhaal vertellen met verreikende sociale en economische implicaties. In chronologisch-typologische hoofdstukken komen aanbod: markten en stalletjes vóór 1700, luxehandel in Londen in de 18de eeuw, de evolutie van de winkelpui van 1750 tot vandaag, speciaalzaken, bazar's en galerijen, markthallen, grootwarenhuizen in de 19de en 20ste eeuw, coöperatieve winkels, winkelketens, 'mall's, supermarkten en shoppingcentra.
1VI&L
B l N N E l ^ K R A N
Bastions voor Koning en God Forten en Verdedigingswerken in het krekengebied van Oost-Vlaanderen Johan Termote 2004, 80 p., ISBN 90-74311-47-4 De Versterkingen van de Wellingtonbarrière in Oost-Vlaanderen De vesting Dendermonde, de Gentse citadel en de vesting Oudenaarde Robert Gils 2005, 86 p., ISBN 90-74311-51-2 Het Fort Liefkenshoek te Beveren Herman Cools en Raymond Van Meirvenne 2005, 80 p., ISBN 90-74311-52-0 Gent, Provinciebestuur OostVlaanderen De drie laatste deeltjes uit de langlopende reeks Kleine Cultuurgidsen behandelen een aantal belangrijke voorbeelden van historische vestingbouw, die verschillend in tijd en typologie diverse aspecten ervan belichten. Een eerste deeltje behandelt de forten en verdedigingswerken die herinneren aan de de Tachtigjarige Oorlog en de Spaanse Successieoorlog in het Krekengebied. Het tweede deeltje is gewijd aan drie vestingen van de Napoleontische Wellingtonbarrière: Dendermonde, Gent en Oudenaarde. Het derde deeltje heeft het tot de 16de eeuw opklimmende Scheldefort Liefkenshoek al onderwerp. Telkens wordt in detail ingegaan op de historische evolutie van de sites, en op de typologische eigenheid als militair bouwwerk.
Gentse Bijdragen tot de Interieurgeschiedenis vol. 33 Anna Bergmans (red.) Leuven, Peeters, 2004, 200 p., ISSN 0772-7151 Tweede bundel bijdragen uitgaande van de Studiedagen Historisch Interieur van de Vakgroep Kunst-, Muziek-, en Theaterwetenschappen van de Universiteit Gent, gewijd aan nieuwe inzichten en boeiende aspecten van de interieurgeschiedenis. Jan Van Damme behandelt 17de-eeuwse kamerlijsten aan de hand van archiefen iconografische bronnen. Joris Snaet en Claire Baisier belichten traditie en vernieuwing in de W^-eeuwse kerkarchitectuur in de Nederlanden onder invloed van Contrareformatie en barok. Mimi Debruyn gaat uitvoerig in op de bouwgeschiedenis en interieuruitrusting van Jan Peter van Baurscheits luisterrijke Paleis op de Meir in Antwerpen. Frieda Van Tyghem reconstrueert aan de hand van een boedellijst in detail de verdwenen woning van de Gentse architect JeanBaptiste Pisson (1763-1818). Wolfgang Cortjaens en Peter Lingens brengen een bijdrage over de productie aan altaren en liturgische voorwerpen in neostijlen van de Rijnlandse edelsmid Franz Wilhelm van den Wyenbergh. Leen Meganck geeft inzage in de planindeling en het comfort van de Gentse interbellumwoning. Ann Vandenbroucke sluit af met een synthese van de zilversmeedkunst in België van 1945 tot 2000.
Concrete Building Pathology Susan Macdonald (red.) Oxford, Blackwell Publishing, 2003, 310p., ISBNO-632-05251-1 Handboek voor diagnose, prognose en herstel van historisch waardevolle architectuur in gewapend beton, één van de belangrijke vraagstukken voor de monumentenzorg met betrekking tot de jonge bouwkunst. Het eerste deel gaat uitvoerig in op de sleutelmomenten in de ontwikkeling en de toepassing van gewapend beton vanaf de pionierstijd tot vandaag en de implicaties voor behoud en herstel. Het tweede deel behandelt het structureel onderzoek, de analyse van gebreken, schade en verval, en de methodiek van het herstel. Het derde deel is gewijd aan het onderhoud van gebouwen en structuren in gewapend beton, en de toekomstige ontwikkeling. Een reeks uiteenlopende casestudies rondt het geheel af.
Voor alle reacties: Jozef.Braeken® lin.vlaanderen.be De boeken liggen ter inzage in de bibliotheek van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) Koning Albert ll-laan 19 bus 5 1210 Brussel (tijdens de kantooruren)
B I W N E N K R A N T
Tentoonstelling
ROMANTIEK IN BELGIË Op drie verschillende locaties in Brussel wordt de bezoeker uitgenodigd om kennis te maken met een lang verguisde of op zijn minst te weinig genkende stijlperiode, namelijk de romantiek: in de Koninklijke musea voor schone kunsten van België, het ING Cultuurcentrum en het kleine maar stemmige Antoine Wiertzmuseum in zijn voormalige atelierwoning. Het hoofdaccent van de tentoonstelling die naar aanleiding van de 1755te verjaardag van België wordt georganiseerd, ligt op de kunst die zich heeft ontwikkeld tijdens de regeerperiode van Koning Leopold I (1831-1865). Een boeiende tijd dus, waar allerhande vernieuwende tendensen plots de kop opstaken. De tentoonstelling gaat door in het museumgebouw aan het Koningsplein, waar momenteel de IB^-eeuwse kunst is opgesteld. Na eerst in het
forum het grootse Tafereel van de Septemberdagen 1830 van Gustaf Wappers in zijn pas gerestaureerde lijst bewonderd te hebben, zal de tentoonstelling enkel via de ondergrondse doorgang naar het Museum voor Moderne Kunst bezocht kunnen worden. In het begin van het circuit wordt eerst de figuur van Koning Leopold I als stichter van de nieuwe dynastie voorgesteld. De eerste verdieping gaat in op het thema waarin vurige revolutionaire taferelen en allerhande historische evocaties elkaar afwisselen. Op de tweede verdieping, gewijd aan het landschap, zullen we stap voor stap kunnen gadeslaan hoe het romantische landschap evolueert naar een fris en goed geobserveerd plein-airisme (het schilderen in open lucht). Er wordt ook op reis gegaan naar de gebieden rond de Middellandse zee en men zal er kunnen dagdromen bij kleurrijke exotische fantasieën. Verder zullen typische thema's als liefde, dood en zelfs religie de nostalgie van de tijd weergeven. Ook al evoceren geraffineerde societyportretten de verfijnde ambiance van de romantiek, toch wordt de sociale problematiek niet uit de weg gegaan. Tenslotte krijgt de stad en het stadsleven ook de nodige aandacht.
In het ING Cultuurcentrum, gevestigd aan het Koningsplein, kan men het tweede luik van de tentoonstelling bezoeken. Deze sectie sluit volledig bij het vorige deel aan en volgt dezelfde thematische structuur. Prachtige tekeningen illustreren er de fijngevoelige en intuïtieve zoektocht van de kunstenaar, van tastende ontwerpschetsen tot voldragen kunstwerk. Ook gaan deze onbekende en al te lang verborgen kunstschatten de dialoog aan met uitgelezen sculpturen die ermee in verband staan. Een tachtigtal werken op papier getuigt van een rijke verscheidenheid aan grafische technieken en beeldende expressiemogelijkheden: gouaches, aquarellen, tekeningen in houtskool, krijt en potlood komen aan bod. Naast unieke topstukken worden ook ensembles gepresenteerd omwille van hun grote historische waarde. Meesterlijke beheersing van de techniek, fijne virtuositeit en romantische gedrevenheid herkent men in de onderscheiden stadia van het tekenproces, zowel bij vlotte schetsen, ontwerpen, detailstudies, groots opgezette composities als autonome kunstwerken. Historische themata, bijbelse of mythologische taferelen, exotische fantasieën, natuurevocaties en portretten vormen de voornaamste romantische onderwerpen. Talrijke voorstudies die aan monumentale schilderijen voorafgingen worden voor het eerst als ensemble aan het Belgisch publiek gepresenteerd.
1VI&L
m.
Tot slot is een bezoek aan het sfeervolle Antoine Wlertzmuseum een must voor elke amateur van de romantiek, gewijd aan Antoine-Joseph Wiertz, romantisch schilder, beeldhouwer en auteur waarvan de productie en de persoonlijkheid ongelijk geapprecieerd werden. Hij was te Dinant geboren op 22 februari 1806 en overleed te Brussel op 18 juni 1865. Het Wiertz Museum dankt zijn bestaan aan een gelukkige samenloop van belangen: tussen de kunstenaar, Antoine Wiertz die het voortbestaan van zijn oeuvre wenste te verzekeren en het gezag, de Belgische Staat die de identiteit van het jonge Belgische koninkrijk wenste te versterken. België had inderdaad net geen twintig jaar gelden haar onafhankelijkheid verworven, wanneer in maart 1850 Wiertz bij Charles Rogier, ministervan binnenlandse zaken, de bouw van een ruim atelier op kosten van de Natie kwam verzoeken in ruil voor bepaalde van zijn grote doeken in een eerste periode en het legaat van het hele oeuvre uit zijn atelier nadien. Het Wiertz Museum dat bestaat uit een ruim atelier, op maat van de kolossale werken van de kunstenaar en het aanpalend huis dat dienst deed als woning van de kunstenaar. Het Wiertz museum bezit een 220-tal kunstwerken in allerlei technieken van deze veelzijdige kunstenaar. De algemene inrichting en de compacte ophanging eerbiedigen de historische 19 dc -eeuwse opstelling. Het Wiertz museum bezoeken staat gelijk aan het betreden van een oord waarvan de sfeer uit vervlogen tijden aanzet tot contemplatie, reflectie en dromen.
De drie tentoonstellingen over de Romantiek lopen nog tot 31 juli 2005 in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten aan de Regentschapsstraat 3, het ING Cultuurcentrum aan het Koningsplein 6 en het Antoine Wlertzmuseum aan de Vautierstraat 62 in Brussel. Meer info: www.romantisme.be. De tentoonstellingscatalogus (uitgegeven door Lannoo voor de Nederlandstalige en Racine voor de Frans-
IVI&L
B 1 1 \ N E 1 V J K R A N T
talige versie, begint met boeiende inleidende teksten. De schilderijen, tekeningen en beelden worden alle in kleur afgebeeld en zijn geordend volgens de thematische indeling van de tentoonstelling. Het boek wordt afgesloten met een plan van Brussel waarin een historische wandeling wordt voorgesteld langs de belangrijkste standbeelden van de stad.
Archeologie
Peter Van Den Hove
]
F F N N I E U W I I P H T O P HFT VROEGSTE CHRISTFIMDOM IN VI A A N D F R F N Het archeologisch onderzoek in de Q.l . V . - Basiliek van Tongeren £as£_2 Reeds jaren worden in de Tongerse O.LV.-basiliek in het kader van de restauratiewerken, de aanleg van een vloerverwarming en de bouw van een museumkelder archeologische opgravingen uitgevoerd. De ondergrond van de basiliek herbergt immers één van de belangrijkste archeologische monumenten van ons land. Over een diepte van ca. 4 m ligt er een lagenpakket, waarin de resten van meer dan 4 eeuwen bewoningsgeschiedenis van de Romeinse stad en van ongeveer 1500 jaar middeleeuwse en latere kerkenbouw zijn ingebed. De registratie van deze uitzonderlijk rijke geschiedenis is in de restauratieen bouwwerken geïntegreerd en wordt in fasen uitgevoerd. De eerste fase van dit onderzoek, die zich in de westelijke helft van de kerk situeert, verliep van 1999 tot 2001 en heeft ons toegelaten, samen met de resultaten van een aantal proefsonderingen uit 1996 en 1997, een eerste recon-
structie te maken van wat zich de voorbije twee millennia in grote lijnen op de plek heeft voorgedaan waar nu de O.LV.-basiliek staat. Op die manier kwam informatie aan het licht over hoe omstreeks 10 v.Chr. het Romeinse leger Tongeren als hoofdstad van de Tungri stichtte, hoe de eerste generatie bewoners van deze stad nog inheemse boerderijen bouwde en hoe de volgende generaties meer geromaniseerde woningen bewoonden, aangelegd, omheen open binnenplaatsen en met muurschilderingen versierd. De grote stadsbrand die aan deze ontwikkelingen abrupt een einde maakte in 69 of 70 n.Chr., de jaren waarin in het noorden van het Romeinse Rijk de Batavenopstand woedde, heeft ook onder de kerk sporen in de vorm van een dik pakket rood verbrande leem en houtskool achtergelaten. Daarna heeft er zich een houtlemen ambachtswijk ontwikkeld, die na een kleine eeuw, omstreeks 160 n.Chr., op zijn beurt is afgebrand. Vervolgens werd de ruimte onder de O.LV.-basiliek door een luxueuze stenen stadswoning in beslag genomen, waartoe ook een klein badgebouw hoorde, die na vele verbouwingen omstreeks 275 n.Chr. in vlammen is opgegaan. Met name van deze laatste
Dit muurtje behoort tot de schamele resten van een altaar of grafmonument (cenotaaf) dat in het koor van de vroeg-middeleeuwse kerk van Tongeren stond opgesteld. In de puinlaag die de resten afdekte lagen vele honderden fragmenten beschilderde bepleistering, marmeren decoratieplaatjes en zelfs vensterglas, getuigenissen van het belang dat het monument moet gehad hebben.
B l l M N E N K R A l M T
Deze foto toont een gedeelte van de halfronde absis van het laat-Romeinse gebouw dat in een latere fase in de vroeg-middeleeuwse kerk van Tongeren werd geïntegreerd. De geel en lichtroze gekleurde lagen die zich tot tegen de binnenkant van de absis uitstrekken zijn overblijfselen van de oudste kerkvloeren.
stadswoning zijn aanzienlijke muurfunderingen en vloeren bewaard gebleven. De opgravingen van de eerste fase hebben wel niet aan het licht kunnen brengen op welke wijze het terrein in de daaropvolgende laat-Romeinse tijd (van het einde van de 3de eeuw tot het begin van de 5de eeuw) was ingericht. Het is daarentegen wel mogelijk gebleken voor het eerst een overzicht te verkrijgen van de diverse kerken die elkaar in de loop der eeuwen hebben opgevolgd. De oudste dateert uit de 5de of 6de eeuw, de tijd waarin de oude Romeinse hoofdplaats van de Tungri volledig in puin lag en de bisschoppen, die in de Romeinse tijd naar alle waarschijnlijkheid nog in Tongeren resideerden, het kleinere maar gunstiger gelegen Maastricht voor hun zetel hadden gekozen. Zij hechtten er blijkbaar toch belang aan in de oude hoofdplaats een kerk te stichten en te onderhouden. Tot in de 6de of 7de eeuw zullen aan deze eerste kerk verbouwingen worden uitgevoerd. In de 9de of 10de eeuw wordt de oude kerk dermate verbouwd, dat er eigen-
lijk van een nieuw bedehuis sprake is. Ze was aanmerkelijk breder en had een monumentalere ingang dan het vorige bouwwerk. Het is niet uit te sluiten dat de nieuwbouw met de stichting van het kapittel van Tongeren verband houdt. In de 11de eeuw werd een nieuwe kerk gebouwd, waarvan tot nu toe evenwel nog maar weinig aan het licht is gekomen. In de 12de eeuw startte de bouw van de Romaanse kerk waaraan in een latere fase een zware westertoren werd toegevoegd. Deze kerk heeft zwaar te lijden gehad van belegeringen in 1080 en 1214. In 1240 startte dan de bouw van de gotische kerk, die geleidelijk aan de oude Romaanse kerk zal vervangen.
In de puinlaag die de vloer van de vroegmiddeleeuwse kerk van Tongeren afdekt bevonden zich enkele duizenden fragmenten beschilderd pleisterwerk. Ze tonen aan dat het kerkinterieur rijk versierd was. Op het getoonde fragment is te zien dat de binnenmuur waartoe het fragment behoord heeft minstens driemaal beschilderd is geweest, met achtereenvolgens een witte verflaag, een gele verflaag en een decoratie waarin een stukje purperen mantel tegen een zwarte achtergrond in te herkennen lijkt. Een analyse van de talrijke fragmenten zal ons meer over de interieurdecoraties en - wie weet - de afgebeelde scènes leren.
In de puinlaag die het koor van de vroegmiddeleeuwse kerk van Tongeren afdekt kwamen fragmenten van in geometrische vormen gezaagde marmerplaatjes aan het licht. Die hebben naar alle waarschijnlijkheid van een wand- of vloerdecoratie van een belangrijk Romeins gebouw deel uitgemaakt en zijn in de vroege middeleeuwen in de oudste kerk van Tongeren hergebruikt.
In september 2004 startte de tweede fase van de restauratie- en bouwwerken, die zich in de oostelijke helft van de huidige kerk uitstrekt en tot augustus 2006 zal duren. In de voorbije zes maanden heeft het archeologisch onderzoek talrijke bijzondere vondsten aan het licht gebracht, waarvan er twee zo bijzonder zijn dat we ze voor het einde van de opgravingscampagne al kenbaar willen maken. Het betreft een deel van een
1VI&L
B 1 M 1 S J E M K R A N T
laat-Romeins gebouw (4de eeuw) dat in de eerste middeleeuwse kerk 5de tot 7de eeuw) werd geïntegreerd en een uitzonderlijk goed bewaard gedeelte van een Romeinse woning. Toen in 1912 in de middenbeuk van de O.LV.-basiliek een verwarmingsinstallatie werd aangelegd, stootte men bij de graafwerkzaamheden onder het transept op een oude muur. Deze muur beschreef een halve cirkel met een straal van ca. 3,5 m. Men heeft daarin de absis van een laat-Romeinse basilica willen zien, de kerk van Sint Servatius, de enige historisch gekende bisschop van Tongeren uit de Romeinse tijd. Wat de gravers van 1912 hebben overgelaten is de voorbije weken weer aan het licht gebracht. We hebben kunnen vaststellen dat de muur inderdaad uit de 4de eeuw moet dateren en de vorm van een absis (halfcirkelvormig) had. Aan de binnenkant van de absis kon bovendien een gedeelte van de erbij horende vloer blootgelegd worden. Deze vloer was in feite slechts de fundering van een hypocaustum, een typische Romeinse vloerverwarming. Op een dergelijke fundering horen normaal rijen pijlertjes te staan, waarop de tegels van het eigenlijke loopvlak rustten. Aldus creëerde men een holle ruimte waardoorheen men warme lucht liet circuleren. Aan heel deze bovenbouw herinneren vandaag alleen nog maar de negatieve indrukken in de mortel op de plekken waar ooit de pijlertjes hebben gestaan. Dit betekent dat de absis deel uitmaakte van een verwarmd vertrek van een stadswoning of van een badgebouw. Merkwaardig is tenslotte dat tussen de absismuur en de vloer met grote zorg een rij massieve tufblokken was gelegd, die duidelijk van de afbraak van een ouder gebouw afkomstig zijn en waartegen aan de binnenzijde een deels beschilderde pleisterlaag was aangebracht.
De laat-Romeinse vloerverwarming was dus tot op het niveau van haar fundering op systematische wijze ontmanteld. Wie daarvoor verantwoordelijk was, blijkt uit het lagenpakket dat we op de oude hypocaustfundering hebben aangetroffen.
1VI&L
Vanuit het noorden bekeken blijkt het altaar of grafmonument in de oudste kerk van Tongeren op een hergebruikte Romeinse kalksteen gefundeerd te zijn.
Van beneden naar boven gaat het om een viertal lagen van met zorg uitgesorteerd bouwpuin. Deze lagen waren op een opvallend zorgzame wijze vrijwel horizontaal aan de binnenzijde van de absismuur op elkaar gelegd. Het materiaal moet van de systematische afbraak van de hypocaustvloer en van het interieur van het laatRomeinse gebouw afkomstig zijn. Het diende blijkbaar ter fundering en drainage van een nieuwe vloer, die minstens tweemaal vernieuwd is geworden. De onderste vloer bestond uit een dikke laag witte kalkmortel. Daarop is in een tweede fase een nieuwe vloer aangelegd, bestaande uit een laag roze kalkmortel, waarin op vele plaatsen nog net de indrukken van marmerplaatjes zichtbaar waren. Fragmenten van dergelijke plaatjes zelf werden nog her en der in de afdekkende puinlagen aangetroffen. Het gaat om hergebruikte, oorspronkelijk Romeinse marmeren tegeltjes, zoals die in de oudheid in interieurs van luxueuze gebouwen ter decoratie van vloeren en wanden werden aangewend. Daarop is tenslotte in een derde fase nog een lemen vloer aangelegd. Deze vloeren behoren tot de oudste kerk, waarvan in de eerste fase van de werken reeds de ingang was opgegra-
ven die, op grond van Cl4-dateringen van uit de mortel afkomstige houtskool, van de 5de tot de 7de eeuw (Merovingische of vroegmiddeleeuwse periode) heeft gefunctioneerd en diverse verbouwingen heeft gekend. Nu hebben we kunnen vaststellen dat de bouwers op creatieve wijze de absis van een 4de-eeuwse stadswoning of badgebouw als koor van deze kerk hebben ingericht. Dat deze laat-Romeinse absis ten tijde van de bouw van het bedehuis nog bovengronds zichtbaar was, wijst op een hoge ouderdom van de eerste kerk van Tongeren en bevestigt de in de eerste opgravingsfase verkregen dateringen. Overigens zijn van de vroegmiddeleeuwse kerk van Tongeren in de tweede fase van het archeologisch onderzoek nog veel meer substantiële resten aangetroffen. Zo vonden we in de as van de absis een gedeeltelijk bewaarde fundering van een klein monument. Over de aard van het monument tasten we in het duister. Het kan om een altaar gaan, maar een graf of grafmonument (cenotaaf) horen ook tot de mogelijkheden. In het kerkschip tenslotte is een gedeelte van de oorspronkelijke kerkvloer bewaard gebleven. Hij helt geleidelijk over de gehele lengte van het schip van oost naar west naar bene-
B 1 N N E N K R A N T
den en is niet overal op dezelfde wijze geconstrueerd geweest. In het westelijk gedeelte bestaat hij uit een dikke mortellaag en meer naar het oosten uit hergebruikte Romeinse vloertegels. De vloer was afgedekt door een dikke laag puin, afkomstig van de afbraak van de kerk. Ook deze puinlaag bevatte grote hoeveelheden verbrijzeld bouwmateriaal, waarvan enkele duizenden fragmentjes beschilderd pleisterwerk wellicht het meest tot de verbeelding spreken. Op vele fragmenten is te zien hoe oudere muurschilderingen door jongere overschilderd zijn. De fragmenten zijn over het algemeen klein en de originele beschilderingen zijn op vele plaatsen afgesleten, maar toch hopen we er nog voldoende aanwijzingen in te vinden om te kunnen reconstrueren hoe de interieurdecoratie van de kerk er in grote lijnen kan hebben uitgezien. De conclusie van dit alles luidt dan ook dat de eerste kerk die na de ondergang van de Romeinse stad in Tongeren werd opgericht een bijzondere plaats in het vroegmiddeleeuwse religieuze landschap van Zuid-Limburg moet hebben ingenomen. Ze was uitzonderlijk rijk versierd en heeft tijdens haar bestaan van minstens drie eeuwen vele verbouwingen en aanpassingen gekend. Ze lijkt zo belangrijk dat de meest waarschijnlijke initiatiefnemers van de bouw en de daarop volgende transformaties ervan wellicht de vroegmiddeleeuwse bisschoppen van onze kerkprovincie moeten zijn geweest. Die zetelden in die tijd weliswaar in Maastricht, maar hebben blijkbaar toch ook grote belangstelling voor de oude Romeinse hoofdplaats van de Tungri getoond. Zij beschouwden zich in vele opzichten als de opvolgers van het Romeinse gezag in onze streken en zullen er alle belang bij gehad hebben een teken van hun macht achter te laten en te onderhouden in de inmiddels vrijwel verlaten, maar in de herinnering voortlevende oude hoofdplaats. Met de tweede opzienbarende ontdekking van de voorbije maanden bevinden we ons in een heel andere wereld. Het betreft de uitzonderlijk gaaf bewaarde resten van een ge-
deelte van een Romeinse stadswoning uit de 2de of 3de eeuw. Ze kwamen in het toegangsportaal naar de kloostergang op een diepte van ca. 1 m onder de huidige vloer aan het licht. Dat de resten zo gaaf zijn is paradoxaal genoeg te danken aan het feit dat de constructie is afgebrand. Daardoor zijn de wanden van een houtlemen kamer als het ware verkoold en gebakken, waarna de op die manier gefossiliseerde architectuurresten in een zich onder de kamer bevindende kelder zijn gevallen. Talrijke door het vuur verharde stukken leemwand vertonen gedetailleerde sporen van de wijze waarop de wanden geconstrueerd waren. Maar nog spectaculairder zijn de wandschilderingen die in de brandlagen bewaard zijn gebleven. Die zijn op verschillende plaatsen na de brand langs de wanden naar beneden gegleden en over elkaar heen gevouwen aan de voet van de muur of in de vulling van de kelder blijven liggen. Het uitprepareren, kunstmatig verharden en lichten van deze fragmenten zal vele weken werk kosten, en de restauratie nadien zal nog minstens een halfjaar duren, maar nu is al duidelijk dat nog nooit het interieur van een kamer van een Tongerse stadswoning uit de 2de of 3de eeuw zo gedetailleerd kon worden gereconstrueerd. Het is de bedoeling dat dit werk in een samenwerkingsverband met het restauratieatelier van de stadsarcheologische dienst van Maastricht zal worden uitgevoerd. Samenvattend kunnen we stellen dat de opgraving twee merkwaardige vaststellingen opleverde. Voor de eerste keer in Tongeren werden in situ belangrijke wandschilderingen teruggevonden van een Romeins stedelijk woonhuis in hout-en leembouw. Verder blijkt dat de kerkelijke leiders in één van de oudste bisdommen van Vlaanderen teruggrepen naar de Romeinse glans van hun voorgangers: een laat-Romeinse constructie kreeg een nieuw leven als cultusplaats van christelijk geloof.
Inventaris
Suzanne Van AerschotVan Haeverbeeck
BOUWFN nOOR DF FFIJWFN HFFN DEEL I f i N fi ARRONDISSEMENT
TURNHOUTKANTON ARENDONK Persvoorstelling van 9 maart 20Q5 te Antwerpen Met de publicatie van de inventaris van het bouwkundig erfgoed van het kanton Arendonk in de reeks "Bouwen door de eeuwen heen" wordt de inventarisatie in de provincie Antwerpen afgesloten en voor het eerst in de geschiedenis volledig afgerond. De neerslag van dit bijna dertig jaar durende onderzoek is een homogene reeks van achttien, veelal lijvige en goed geïllustreerde boekdelen, uitgebracht tussen 1976 en 2004, waarvan het bijeengebrachte basismateriaal een informatieve en sensibiliserende rol vervult. Tijdens de feestelijke voorstelling in het provinciale Infopunt Europa te Antwerpen hebben Peter De Wilde, Departementshoofd Cultuur, Joris Scheers , afdelingshoofd Monumenten en Landschappen en Dirk Van Mechelen, Vlaams Ministervan Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, bevoegd voor monumenten, landschappen, archeologie en varend erfgoed beurtelings en op eigen wijze het belang van deze realisatie onderstreept. Gegevens uit hun bijdragen zijn naast andere verwerkt in de volgende tekst. Het hoort tot de gemeenplaatsen dat inventarisatie "een zaak van lange adem" is. Het verhaal van dit project in de Provincie Antwerpen gaat terug tot het Europees Monumentenjaar 1975, georganiseerd door de Raad van Europa. Toenmalig minister van Nederlandse Cultuur en Vlaamse Aangelegenheden, Rika De Backer-Van Ocken, heeft in deze context een aantal hoofdzakelijk vrouwelijke historici
1VI&L
B l l M N E l V J K R A N T
Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen Provincie Antwerpen Arrondissement Turnhout Kanton Arendonk
^4 /^ L\M /;
i • •
kundig erfgoed en monumentenzorg. De doelstellingen, geformuleerd t i j dens de experimentele periode van 1965/66 -1972, zijn steeds behouden gebleven, omdat ze voldoende omvattend zijn en gebaseerd op de nog altijd geldende aanbevelingen van de Europese Ministerconferentie van 1969 te Brussel. "Regeringen uitten (toen) voor de eerste maal, op één en hetzelfde ogenblik en gemeenschappelijk hun ongerustheid over de bedreiging van de historische monumenten, één van de kostbaarste erfenissen van de Europese geschiedenis". "Beschermende" overzichtsinventarissen zijn in die context gegroeid. Als werkinstrument zijn ze bestemd om niet alleen voor de monumentencommissies te dienen maar evenzeer voor de stedenbouwkundige en technische diensten én andere betrokken overheden. Als gids voor de stad of streek willen ze informerend en sensibiliserend werken voor de bevolking en de bezoekers om aldus een bewustwording en soort van "spontane conservatie" te genereren. Het publiceren van het verzamelde materiaal wil de documentatie ontsluiten voor een ruim publiek en ook noden tot verder wetenschappelijk onderzoek.
wm
en kunsthistorici - als jonge tewerkgestelde werklozen - de opdracht gegeven om, binnen de in 1972 opgerichte Rijksdienst van de Monumenten en Landschapszorg onder leiding van Edgard Goedleven, de inventaris van het bouwkundig erfgoed in Vlaanderen verder op te stellen. Voor de provincie Antwerpen is het onderzoek gelijktijdig opgestart in de Antwerpse binnenstad en in de gemeenten van het arrondissement. De ploeg van de binnenstad mocht - vóór ze een eigen stek kreeg in het Jordaenshuis - de werktafel delen met het toenmalige hoofd van de Antwerpse dienst monumentenzorg, architect Lode De Barsée. De ploeg van het arrondissement kon rekenen op de gastvrijheid van het provinciebestuur dat in zijn administratief centrum een lokaal met vergezicht ter beschikking stelde.
M&L
De blijvende samenwerking in het lokale en provinciale vlak is hiermee efficiënt en vruchtbaar ingezet. De medewerkers van het eerste uur zijn mettertijd bijgestaan of vervangen door nieuwe krachten die mede met frisse inzichten en een jeugdige inzet het dynamische inventarisatieproces hebben helpen uitbouwen. Van die vroegere "inventaristen" hebben sommigen na enige of langere tijd andere taken opgenomen binnen de Monumentendienst, anderen hebben in aanverwante sectoren hun weg gevonden; de opgedane kennis en ervaring heeft ze hierbij blijkbaar verder geholpen. Het hele, inhoudelijk en technisch gecoördineerde inventaristeam heeft een methodologie uitgewerkt en verder ontwikkeld die rekening houdt met het verruimde begrip van bouw-
Vooronderzoek, kritische analyse t i j dens het veldwerk en bijkomend, meer en meer doorgedreven aanvullend onderzoek zijn de drie pijlers waarop het hele project stoelt. De resultaten voor de Stad Antwerpen zijn tussen 1976 en 1992 gepubliceerd in de reeks 3n die met haar vier lijvige boeken achtereenvolgens de oudste kern, de zestiende en negentiende-eeuwse stadsuitbreiding behandelt en wordt afgerond met de fusiegemeenten. Deze indeling volgens historisch - stedenbouwkundige groei is ook in de zustersteden Gent en Brugge toegepast. Ze biedt het voordeel de besproken items en straat - en andere inleidingen te plaatsen in hun hedendaagse omgeving en de concentraties en typologische en chronologische verschillen aan te tonen binnen een gegroeid en overzichtelijk stedelijk ensemble. Na het uitbrengen in 1985 van het Arrondissement Antwerpen in drie delen met de gemeenten in alfa-
B 1 N N E N K R A N T
betische volgorde is vanaf 1990 voor het Arrondissement Mechelen overgeschakeld naar een administratieve geografische splitsing per kanton of gegroepeerde kantons. Door een kleinere gebiedsindeling binnen het arrondissement te behandelen kunnen ook hier veldwerk, onderzoek en publicatie vlugger op mekaar volgen. De hoofdbedoeling bleef en blijft evenwel het bouwkundig erfgoed op te tekenen in een voldoende ruime geografische, historische en administratieve samenhang om bij de selectie en latere evaluatie te beschikken over een noodzakelijk overzicht en voldoende mogelijkheden tot vergelijking. Het Arrondissement Mechelen is hierdoor, naast het aparte deel van 1984 gewijd aan de Historische Binnenstad, in vier delen verschenen tussen 1990 en 1997. Hetzelfde systeem is verder toegepast voor het Arrondissement Turnhout waaraan tussen 1997 en 2004 zes delen zijn gewijd.
Het afsluitende deel 16n 6, waarin het Kanton Arendonk aan bod komt, illustreert samen met andere recente uitgaven de afgelegde weg. De blik is verruimd, de kritische blik aangescherpt en het bronnenonderzoek steviger onderbouwd om de doelstellingen meer diepgang te geven. De nederzettingen en het bewaarde erfgoed worden aldus degelijk gesitueerd in de landschappelijke, politieke en sociaal-economische en -culturele context die ze mede heeft bepaald. Voor minder gekende en doorgaans als arm beschouwde streken is dit een belangrijke invalshoek die zowel professioneel inzicht als alertheid en leergierigheid vergt. Het werkgebied wordt uitgekamd en zijn streekeigen erfgoed (her)ontdekt en ontsloten; eens gezien in de bovenlokale Vlaamse context, tekent zich duidelijker zijn identiteit af en zijn verwantschappen die zich manifesteren in specifieke materialen, aanleg van nederzettingen en ensembles, bouwtypen en vormen. Zo herbergt het voorheen sterk landelijk kanton Arendonk met zijn oude dorps -en gehuchtskernen, op kerken - of gedeelten ervan - en pastorieën na slechts weinig gebouwen en hoe-
ven van het ancien régime. De bevolkingsaangroei, verdere ontginningen ten behoeve van de landbouw en de uitbouw van de land - en waterwegen vanaf de tweede helft van de 19de eeuw hebben de streek en haar gebouwde omgeving grondig gewijzigd. Dit blijkt uit de talrijke openbare- en privé-gebouwen die soms, op enige afstand, de evolutie van de (stijl)architectuur volgen of sturen. Het kanton biedt anderzijds een indrukwekkende staalkaart van molinologie. Zo wordt in deze publicatie het vooroordeel weerlegd dat in de verste uithoek van de Antwerpse Kempen geen of weinig interessants zou te vinden zijn. De in totaal achttien delen tellende reeks voor de Provincie Antwerpen, die inmiddels ook op internet te raadplegen zijn, heeft bewezen dat een meer en meer geoefend oog en een ervaren en open geest nog heel wat ongekend en onbemind erfgoed kunnen ontdekken en documenteren. Naast circa zestienduizend items, honderden straatnota's en talrijke illustraties brengt de reeks ook tientallen gemeente-inleidingen en de algemene inleidingen die de inhoud van elk boekdeel inzichtelijk samenvatten. Samen documenteren en archiveren ze de provincie vanaf het derde kwart van de 20ste eeuw en vertegenwoordigen ze op zich een minimale vorm van conservatie. De afgewerkte inventaris kan voorts als voedingsbodem worden gehanteerd én voor het beschermingsbeleid én voor de ontwikkeling van een duurzame erfgoedreflex op regionaal, provinciaal en lokaal niveau.
Uit het globale overzicht van het erfgoedbestand kan een goed onderbouwde selectie worden gedistilleerd die zowel rekening houdt met geografische en thematische aspecten als met de omschrijving van monumenten- en stadsgezichten, de vereisten inzake algemeen belang en de artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische en andere sociaal-culturele waarden zoals bepaald in het decreet van 3 maart 1976 en zijn latere wijzi-
gingen. In de praktijk betekent dit dat slechts zowat tien percent van de opgetekende items in aanmerking komen voor het inzetten van een beschermingsprocedure op het niveau van het Vlaams Gewest. In zijn beleidsnota Ruimtelijke Ordening/ Monumenten Et Landschappen van oktober 2004 heeft Minister Dirk Van Mechelen aangestipt dat voor de erkenning en het beheer van het niet als "monument" sensu stricto beschermde erfgoed de vaststelling van de inventaris van cruciaal belang is. Dat de overzichtsinventaris totnogtoe in verschillende beleidsdomeinen als ruimtelijke ordening, cultuur, toerisme...nuttig wordt gebruikt voor basisinformatie en als referentiekader voor adviesverlening is een feit dat voor verdere uitbreiding en verbetering vatbaar is.
Op het provinciaal niveau bestaan reeds verschillende initiatieven voor erfgoedwerking zoals Monumentenwacht Vlaanderen dat naast Monumentenwacht Antwerpen trouwens in Antwerpen zijn thuisbasis heeft. De Provincie Antwerpen zelf heeft sedert 2001 een subsidieregeling voor de instandhouding van niet beschermd waardevol erfgoed; de gebouwen die als een apart item opgenomen zijn in de inventaris "Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen" worden hiertoe uitdrukkelijk gerekend "voor zover deze door ongewenste ingrepen hun waardevol karakter nog niet hebben verloren". Op het lokaal niveau zijn ook sinds enige tijd of recenter gemeentelijke monumentendiensten opgericht of uitgebreid of zijn het elders cultuurambtenaren die het erfgoed behartigen zoals in Antwerpen, Mechelen, Turnhout, Schoten, Ranst... Het is duidelijk dat een integrale en geïntegreerde zorg voor het onroerend erfgoed ook samenwerkingsverbanden veronderstelt waarbij eigenaars, bewoners, vruchtgebruikers, buren en toevallige bezoekers op diverse manieren worden betrokken; een breed en onmisbaar draagvlak kan alleen op deze wijze worden gecreëerd. De door de inventarisatie en
B I N N E T ^ K R A N T
publicatie gelegde grondvesten vragen nu om een verdere, geoptimaliseerde uit- en opbouw. Nu bewezen is dat inventarisatie een "werk van lange adem" en "geen doel op zich" is, blijkt ook dat ze "nooit af is". Actualisatie is een blijvende opgave die een diepgaande en dynamische benadering veronderstelt en in het bijzonder moet afgestemd zijn op concrete noden en op welomlijnde toepassingsgebieden. Voor de Antwerpse binnenstad dringt een dergelijke oefening zich alleszins op. De oudste kern, van de Schelde tot aan de vesten van circa 1250, is sinds 2001 op de indicatieve "Vlaamse" lijst van het Werelderfgoed geplaatst; de 16dF-eeuwse stadsuitbreiding tot aan de Leien erin fungeert als de vereiste bufferzone. Een uiteindelijke aanvraag voor inschrijving op de Werelderfgoedlijst vergt een actualisatie van de eerste inventarisatieronden om samen met de stedelijke diensten het door het Werelderfgoedcomité verwachte beheersplan uit te werken voor de kern én de bufferzone. Er is dus nog werk aan de winkel, en dit geldt ook voor de andere steden en gemeenten van de Provincie Antwerpen: op basis van het reeds verrichte onderzoek moeten nu goed doordachte mechanismen en samenwerkingsverbanden tot stand komen die, met oog voor de context, heden en in de toekomst instaan voor een waardig en creatief omgaan met het erfgoed.
Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. Inventaris van het Cultuurbezit. Architectuur. Provincie Antwerpen. Overzicht van de verschenen delen
3n a. Stad Antwerpen. Oudste kern, Gent, 1976. LXI! + 528 p., 293 zwart-wit foto's in het boekblok, 26 plannen en 16 kleurenplaten, fotoregister met 855 items. Auteurs: Miek Goossens en Greet Plomteux met medewerking van Adriaan Linters, Rita Steyaert en Paul lllegems
Bouwen door de eeuwen heen inVlaanderen
Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen
Provincie Antwerpen Arrondissement Antwerpen
Provincie Antwerpen Vrrondissement lurnhout Kanton Herenlals
| j | i JLVfJ
Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen Provincie Antwerpen Arrondissement Mechelcn Kanton Mechelen
-<
^ l«3ll
3n b. Stad Antwerpen. 16de-eeuwse stadsuitbreiding. Gent ,1979. LX + 729 p., 393 zwart-wit foto's in het boekblok, 35 plannen en 16 kleurenplaten, fotoregister met 1279 items. Auteurs: Madeleine Manderyck, Greet Plomteux en Rita Steyaert met medewerking van Adriaan Linters.
3n c. Stad Antwerpen. 19de-eeuwse stadsuitbreiding, Turnhout, 1989. XÜV + 643 p., 400 zwart-wit foto's in het boekblok, 14 plannen en 8 kleurenplaten, fotoregister met 1254 items Auteurs: Greet Plomteux en Rita Steyaert
't /^ 1 f ) l 1
Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen Provincie Antwerpen Arrondissement Turnhout Kanton Turnhout
't > ^ _ _ 1 1)11
3n d. Stad Antwerpen. Fusiegemeenten, Turnhout, 1992. L + 550 p., 321 zwart-wit foto's in het boekblok, 29 plannen en 8 kleurenplaten, fotoregister met 1056 items. Auteurs: Hilde Kennes, Greet Plomteux en Rita Steyaert
9n. Stad Mechelen. Binnenstad, Gent, 1984. LXXIX + 662 p., 335 zwart-wit foto's in het boekblok, 28 plannen en 16 kleurenplaten, fotoregister met 964 items. Auteurs: Michéle Beman (tot 31.12. 1980), Hilde Kennes en Lydie Mondelaers.
B I N N E N K R A I M T
lOn. Arrondissement Antwerpen, 3 delen, Gent, 1985. Samen CIV+ 1297 p., 683 zwart-wit foto's in het boekblok, 83 plannen en 24 kleurenplaten, fotoregister met 2684 items. Auteurs: Linda Wylleman, Greet Plomteux en Rita Steyaert Veldwerk met medewerking van Annemie Duym (1975-76), Adriaan Linters (1976), Frieda Schlusmans (1975-176)en Nanny Schrijvers
(1976-1978). Publicatie met medewerking van Hilde Ken nes.
13n 1. Arrondissement Mechelen. Kanton Lier, Turnhout, 1990. LVI+ 519 p., 283 zwart-wit foto's in het boekblok, 19 plannen en 8 kleurenplaten, fotoregister met 990 items. Auteurs: Hilde Kennes en Linda Wylleman met medewerking van Greet Plomteux en Rita Steyaert
13n 2. Arrondissement Mechelen. Kanton Mechelen, Turnhout, 1995. XLVI + 408 p., 275 zwart-wit foto's in het boekblok, 28 plannen en 8 kleurenplaten, fotoregister met 562 items. Auteurs: Hilde Kennes, Greet Plomteux en Rita Steyaert
13n 3. Arrondissement Mechelen. Kanton Puurs. Klein Brabant, Turnhout, 1995. XLII + 341 p., 242 zwart-wit foto's in het boekblok, 6 plannen en 8 kleurenplaten, fotoregister met 525 items. Auteurs: Sibylle De Sadeleer, Hilde Kennes, Greet Plomteux en Rita Steyaert.
13n 4. Arrondissement Mechelen. Kantons Duffel - Heist-op-den-Berg, Turnhout, 1997. L + 556 p., 417 zwart-wit foto's in het boekblok, 20 plannen en 8 kleurenplaten, fotoregister met 1003 items. Auteurs: Hilde Kennes en Rita Steyaert
16n 1. Arrondissement Turnhout. Kanton Turnhout, Turnhout, 1997, 54 + 596 p., 362 zwart-wit foto's in het boekblok, 56 plannen en 8 kleurenplaten, fotoregister met 1024 items. Auteurs: Sibylle De Sadeleer en Greet Plomteux.
16n 2. Arrondissement Turnhout. Kanton Westerlo, Turnhout, 2000. LVI + 285 p., 200 zwart-wit foto's in het boekblok, 10 plannen en 8 kleurenplaten, fotoregister met 449 items. Auteurs: Hilde Kennes en Rita Steyaert
16n 3. Arrondissement Turnhot. Kanton Herentals, Turnhout, 2001. 60 + 423 p., 303 zwart-wit foto's in het boekblok, 7 plannen en 8 kleurenplaten, fotoregister met 860 items. Auteurs: Hilde Kennes en Rita Steyaert.
Foto's, achtereenvolgens met medewerking van Peter Somers, Pascale Van Den Broeck, Oswald Pauwels en Kris Vandevorst Plannen en tekeningen met medewerking van Cartografie Schelde-Dijle (1976, 1979), van Myriam Dierickx (1984-1985) en van Rufin De Meerleer (vanaf 1990) Lexicon en kaftekeningen: Luc Verpoest en Paul Van Aerschot. Engelse samenvattingen: Marijke Hoflack (vanaf 1984). Uitgevers: Snoeck-Ducaju, Gent (1976 -1985), Brepols, Turnhout (1990 e.v)
Buitenkrant
16n 4. Arrondissement Turnhout. Kanton Hoogstraten, Turnhout, 2002. LXXII + 513 p., 271 zwart-wit foto's in het boekblok, 38 plannen en 8 kleurenplaten, fotoregister met 665 items. Auteurs: Sibyl lie De Sadeleer en Greet Plomteux.
16n 5. Arrondissement Turnhout. Kanton Mol, Turnhout, Turnhout, 2002. LXVI + 518 p., 330 zwart-wit foto's in het boekblok, 25 plannen en 8 kleurenplaten, fotoregister met 999 items. Auteurs: Hilde kennes en Rita Steyaert
2005 DE NEDERLANDSE RESTAURATIEBFURS ?nnR 'Vakbeurs, nnk voor breed Vlaams publiek'
16n 6. Arrondissement Turnhout. Kanton Arendonk, Turnhout, 2004. LXVIII+ 489 p., 277 zwart-wit foto's in het boekblok, 29 plannen en 8 kleurenplaten, fotoregister met 654 items. Auteurs: Sibyle de Sadeleer en Greet Plomteux.
Voor de derde maal in successie wordt 26, 27 en 28 mei a.s. de Nederlandse Restauratiebeurs (NRB) gehouden. Ruim 140 deelnemers presenteren zich in een bijzonder decor: de gerestaureerde monumentale veemarkthal van de Brabanthallen in 's-Hertogenbosch. De NRB 2005 kan met recht HET kloppend hart van de Nederlandse en inmiddels ook Vlaamse erfgoedwereld worden genoemd. Een beurs van belang voor:
M&L
B 1 1 \ 1 \ E N K R A N T
• nieuwe ontwikkelingen, technieken en materialen • brede selectie van specialisten, wetenschappers en dienstverleners • veelzijdig aanbod in demonstraties, praktische tips en deskundige adviezen • gevarieerd programma met workshops, lezingen en presentaties Deze derde beurs in wording laat weer een forse groei zien ten opzichte van de eerdere twee beurzen. Dit jaar worden ruim 140 exposanten verwacht, tegenover 124 in 2001 en 134 in 2003. Deze exposanten vertegenwoordigen tezamen meer dan 500 organisaties, instellingen en bedrijven uit de sector. Ook de groei in bezoekers zal zich doorzetten gezien de
REDUCTIE-ENTREEKAARTEN Speciaal voor de lezers van dit tijdschrift geldt een aantrekkelijke korting op de entreeprijs voor de beurs. Lezers van MftL betalen slechts € 5,- entree in plaats van € 10,-. In dit tijdschrift is een reductie-entreekaart bijgevoegd. Wilt u voor groepsbezoek meer reductie-entreekaarten ontvangen, dan kunt u die bestellen per e-mail: info@re5tauratiebeurs.nl.
M&L
belangstelling voor de beurs uit binnen- en buitenland. Afgaande op de cijfers van vorige beurzen worden voor deze beurs zeker 10.000 bezoekers verwacht. De NRB 2005 is zich ook aan het verbreden. Dit jaar is er voor het eerst een Groenplein. Steeds meer komt de nadruk te liggen op de samenhang van monumenten en hun omgeving. En "groen" maakt een wezenlijk onderdeel uit van deze omgeving. De NRB 2005 brengt de professionals op het gebied van restauratie, monumentenzorg en onderhoud en ontwikkeling van het cultureel erfgoed in contact met doorgaans hoog opgeleide belangstellenden. Restauratiebedrijven, technische en financiële adviseurs, belangenorganisaties en kennis- en opleidingscentra kunnen nieuwe ontwikkelingen, plannen, regelingen, technieken en opleidingen presenteren aan decision-makers, particuliere erfgoedeigenaren, liefhebbers en geïnteresseerden uit Nederland, België en Duitsland. Deelname uit Vlaanderen Met name richt de NRB zich ook op Vlaamse organisaties, instellingen en bedrijven. Enkele organisaties hebben zich reeds aangemeld als deelnemer en met andere wordt nog overleg gepleegd. Evenals voorgaande beurzen
worden veel geïnteresseerde bezoekers uit Vlaanderen verwacht.
Rijksmonument Na twee edities in het nieuwe gedeelte van de Brabanthallen verhuist de beurs dit jaar naar de Heusden Altenahal. Deze voormalige veemarkthal die in 1928 in gebruik werd genomen, is in mei 2001 tijdens de eerste Nederlandse Restauratiebeurs in de Brabanthallen benoemd tot rijksmonument. Nadat in 2004 de restauratie was voltooid, is de Heusden Altenahal sinds januari 2005 in gebruik als professionele evenementenhal.
B 1 N N E N K R A M T
De beurs voor monumentenzorg en het behoud van cultureel erfgoed zal dus dit jaar voor het eerst plaatsvinden in een monument. Dit zal de toch al prima sfeer op de beursvloer extra ten goede komen.
Marjan
Buy Ie
RFDRFinn FN HERFD ARCHITFCTUUR- EN ATEIIFRARrHIEVEN Studiedag, 27 mei 2QQ5
Evenement De beurs heeft een meer open karakter gekregen en ontwikkelt zich van een 'vakbeurs' in traditionele zin langzamerhand naar een evenement voor een veel breder publiek. Nu zie je naast de vele professionals gaandeweg ook steeds meer belangstellenden op de beursvloer. Eigenaren van monumenten, maar ook mensen die geïnteresseerd zijn in restauratietechnieken in het algemeen. Ook het zeer gevarieerde programma van lezingen, presentaties en workshops trekt steeds meer toehoorders en deelnemers. De vele activiteiten op de stands maken het geheel tot een bijzonder evenement voor cultureel erfgoed.
Informatie deelnemers - bezoekers Voor nadere informatie over de locatie van de beurs, de openingstijden, de deelnemers en het programma van lezingen, presentaties en workshops, raadpleeg de website van de NRB www.restauratiebeurs.nl. Wilt u nog deelnemen aan de beurs, vraag dan snel een inschrijfformulier met bijbehorende documentatie aan. Inschrijven kan nog zolang standruimte beschikbaar is: info(a) restauratiebeurs.nl. Uw aanspreekpartner per telefoon is Raoul Hijl,0031 485 322922. Digitale nieuwsbrief Elke 14 dagen verschijnt tot aan de Beurs een digitale nieuwsbrief met informatie over de laatste ontwikkelingen, deelnemers en bijzondere activiteiten. Wilt u deze Nieuwsbrief ontvangen? Geef dan uw e-mailadres door aan info(5) restauratiebeurs.nl.
Op vrijdag 27 mei vindt in Leuven een studiedag plaats over architectuuren atelierarchieven onder de titel "Bedreigd en gered". De studiedag is een initiatief van het Centrum Vlaamse Architectuurarchieven (CVAa) en KADOC-K.U.Leuven en kadert in de gelijknamige tentoonstelling die nog tot 28 mei in KADOC te zien is. Archieven van architecten(bureaus) en kunstenaars(ateliers) documenteren de gebouwde omgeving en alles wat zich achter de muren schuil houdt. Zij bevatten soms enkel plannen en tekeningen, maar vaak ook briefwisseling en bedrijfsarchivalia, schets- en modelboeken, tot foto's en maquettes toe. Die diversiteit maakt een eigen aanpak bij hun inventarisatie en ontsluiting noodzakelijk. Deze studiedag staat stil bij enkele aspecten van dat specifieke karakter. Beide organisatoren hebben op het terrein van de architectuur- en atelierarchieven hun sporen verdiend. Het Centrum Vlaamse Architectuurarchieven (CVAa) is sinds november 2003 het aanspreekpunt in Vlaanderen voor alle vragen met betrekking tot architectuurarchieven. Het wil hun opbouw, bewaring en ontsluiting verbeteren en een brugfunctie vervullen tussen architecten, archiefinstellingen, onderzoekers en het ruime publiek. In het voorjaar publiceerde het CVAa de Handleiding architectuurarchieven: inventarisatie. KADOC - Documentatie- en Onderzoekscentrum voor Religie, Cultuur en Samenleving - heeft in zijn bijna dertigjarige bestaan op het vlak van de architectuur- en atelierarchieven al een hele traditie en knowhow opgebouwd. Vanuit het neogotiekonderzoek, later verruimd naar de relatie levensbeschouwing (religie), kunst en architectuur, tot in de jaren 1960, zijn al verschillende archieven van
architecten en ateliers bij KADOC in bewaring gegeven, ontsloten en via publicaties en tentoonstellingen gevaloriseerd. Aanleiding tot deze studiedag is de tentoonstelling Bedreigd en gered. Middeleeuwse muurschildering op negentiende-eeuws papier, die van 15 april tot 28 mei in de pandgangen van KADOC te zien is. De tentoonstelling brengt het verhaal van de restauratie van een ingekleurde calque van de "Annunciatie", een schitterende, maar nu verdwenen middeleeuwse muurschildering in de Sint-Martinusbasiliek van Halle. De restauratie startte - met de steun van de Koning Boudewijnstichting - in 1998 en werd eind vorig jaar met succes afgesloten. Daarnaast toont KADOC zijn overige atelier- en architectuurarchieven, hun verwerking en bewaring.
Programma 9.30 Onthaal met koffie 10.00 Jan De Maeyer (KADOC-K.U.Leuven). Verwelkoming 10.15 Tom Avermaete (CVAa). Het Centrum Vlaamse Architectuurarchieven en de archieven van privé-architecten 77.00 Koffie 77.75 Anna Bergmans (UGent). Architectuur- en atelierarchieven, wetenschappelijk onderzoek en monumentenzorg 72.00 Godfried Kwanten (KADOC-K.U.Leuven). Het archief van de Gentse Sint-Lucasschool: stand van zaken 72.45 Middagmaal 74.30 Rie Vermeiren (KADOC-K.U.Leuven). Inhoud en ontsluiting van atelierarchieven 75.75 Bezoek aan de tentoonstelling Bedreigd en Gered op KADOC, Vlamingenstraat 39, en receptie
1VI&L
dat nog steeds de kern vormt van het domein, werd gecreëerd rond 1780 en behoort tot de eerste generatie Engelse parken op het Europese continent. Behalve het kasteel, dat in 1944 werd vernietigd, en ondanks de verminking naar aanleiding van de bouw in 1975 van het viaduct, deel van de Grote Ring rond Brussel, zijn de belangrijkste ingrediënten van deze vroege landschappelijke tuin nog aanwezig: de vijver en vooral de monumentale bruggrot, één van de opmerkelijkste tuinfollies van België. De rustieke boogbrug, zichtbaar op een litho uit 1823, is verdwenen, maar de bakstenen bruggenhoofden bleven bewaard. De uitbreiding van het landschappelijk park op het einde van de 19de eeuw en, gelijktijdig, de aanleg van een grote, strak geometrische, Franse tuin, waardoor het kasteel als het ware werd ingelijst, zijn tekenend voor de gemengde stijl die de (her)aanleg van grote landgoederen in die periode bepaalde. Een bezoek aan Drie Fonteinen is een must voor al wie geïnteresseerd is in de geschiedenis van de tuinkunst... ondanks het kabaal van het voorbijrazend verkeer op het viaduct en het gekrijs van de halsbandparkieten.
Marcel Stappers is secretaris van de heemkundige kring Hertog Hendrik I, Vilvoorde. Roger Deneefen Jo Wijnant zijn erfgoedconsulenten bij ROHM-Vlaams-Brabant, cel Monumenten & Landschappen te Leuven. Hilde Kennes is onderzoekster bij het Vlaams Instituut voor Onroerend Erfgoed. Roger Van de Weert is hoofd van de dienst groenvoorziening van de stad Vilvoorde.
Merkwaardige bomen (opname 18 juni 2002) 8. witte paardekastanje (Aesculus hippocastanum) 343 9. westerse levensboom (Thuja occidentalis), tweestammig, 180(80) & 157(80) 31. gewone plataan (Platanus x hispanica) 568, bultige stam 32. bruine beuk (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV 512 43. hangende zilverlinde (Tiliapetiolaris) A9A 44. Oostenrijkse den (Pinus nigra subsp. nigra) 256 46. Kaukasische vleugelnoot (Pterocarya fraxinifolta) 3 3 7 56. Noorse esdoorn (Acerplatanoides) 3 6 3 57. canadapopulier (Populus x canadensis) 4 0 3 76. steeliep (Ulmus laevis) 260 100. gewone plataan (Platanus x hispanica) 544, bultige stam 106. moseik (Quercus cerris) 271 122. éénbladige es (Fraxinus excelsior'DWersifoliaV 2 7 7 131. Japanse lijsterbes (Sorbus japonica) 184 157. gewone plataan (Platanus x hispanica) 629, uitzonderlijk dikke stamvoet 176. elsbes (Sorbus torminalis) 159 208. Chinese toom (Toona sinensis) 141 212. Chinese toom (Toona sinensis) 159
EINDNOTEN (1) Relevante informatie met betrekking tot Drie Fonteinen werd bekomen bij Magda Van Stevens (schepen van milieu, stad Vilvoorde). (2) Op de Ferrariskaart (1771-1775) wordt dit buitengoed op de grens met Evere, naast het 'Mon Plaisir' van Roose, echter weergegeven met een strak geometrische tuin. (3) DENEEF R., JANSSENS H., WI1NANT J. & C. SCHROEVEN C , De abdijtuinen van Averbode - historische continuïteit en landschappelijke franje. Monumenten & Landschappen 22(6). 2003, p. 37-47. (4) DUQUENNE X., Het park van Wespelaar. De Engelse tuin in België in de 18de eeuw. Brussel, 2001, p.31-42. (5) Gereproduceerd in WAUTERSA., Histoire des environs de Bruxelles, II (heruitgave van de editie van 1855). Bmxelles, Editions Culture et Civilisation, 1972, p. 7. (6) Afgebeeld op eenfiguratievekaart van de T'hiende van i Hooght velt in het kaartboek van de abdij van Ter Kameren (Brussel, Algemeen Rijksarchief, Kaarten & Plattegronden, Inventaris in handschrift, nr. 8676,11/18), gereproduceerd in LAURENT R.,
De goederen van de Abdij van Ter Kameren in Brabant. Kaartboek (21) Door NAUWELAERS J., op. cit., p.557 en WAUTERS A., op. 1716-1720, Brussel, Gemeentekrediet, 1996, p. 102.
cit., p.260 wordt Fontigny ten onrechte vereenzelvigd met het landgoed van Walckiers.
(7) Opsomming van de opeenvolgende aankopen in: NAUWELAERS J., Histoire de la ville de Vilvorde (I), Paris-Bruxelles-
(22) NAUWELAERS]., op. cit., p. 559.
Courtrai, Jos. Vermant, 1941, p. 254-256.
(23) Kadastrale opmetingsschets Vilvoorde 1894nr. 11.
(8) Over de Vonckistische sympathieën en de betrokkenheid van de familie in de Banque de Nerrine en de slavenhandel, zie de nota
(24) Oude kadastrale legger 212 Vilvoorde, art. 864. (25) Oude kadastrale legger 212 Vilvoorde, arr. 2250; kadastrale
van S. TASSIER over zijn neef Edouard-D.-S.-J. de Walckiers,
opmetingsschets Vilvoorde 1879 nr. 16.
alias Edouard Ie Magnifique' in: Biographic nationale (XXVII),
(26) Kadastrale opmetingsschets Vilvoorde 1878 nr. 6.
Bruxelles, E. Bruylant, 1938, p. 38-42.
(27) VAN DER SWAELMEN L., Twee voordrachten over moderne
(9) DUQUENNEX., o/), or., p. 6.
tuinkunst. Nieuwe vooruitzichten en toekomstige richring. Hde
(10) CASTEELS R., 800 jaar domein de Spoelherch te Wespelaar,
deel: De fouren van den tegenwoordigen openbare tuin. ArchitecturalA, 1916, p. 16.
Haacht, HAGOK, 1997, p. p. 178-180.
(11) OUDIETTE Ch., Description géographique et topographique du(28) DENEEF R. & WIJNANT J., Becrsel (Huizingen): Kasteeldépartement de la Dyle en forme de dictionnaire, Bruxelles, Armand
domein van Huizingen - provinciaal domein. Monumenten &
Gaborria, an VII, p. 172.
Landschappen 21(A), p. 12-17.
(12) DE WAUTIER G., Remarques curieuses etpeu connues sur la ville(29) Oude kadastrale legger 212 Vilvoorde (op naam van Alfred de Bruxelles et sur ses environs, Bruxelles, imprimerie André Leduc, 1810, p. 69. (13) Daarvoor pleit de aanduiding "d Mr Stevens", want Pierre-Fran5ois Stevens verkocht het landgoed in 1810 aan Louis Wellens.
Abdallah Orban), art. 2851, totaal van 1906, na nr. 521.
(30) ANDRÉ E., L'art des jardins. Traite general de la composition des pares et jardins. Paris, G. Masson, 1879; DUCHÉNE M. e.a., Architectes-paysagistes 1841-1947. Le style Duchène, Editions du
(14) Althans volgens NAUWELAERS J., op. cit., p. 556.
Labyrinthe; zie ook JELLICOE G. e.a., The Oxford companion to
(15) VAN DEN BOSSCHE H., Het Boekenbergpark te Deurne.
gardens, Oxford, New-York, Oxford University Press, 1986,
Monumenten & Landschappen 1(6), 1981, p. 10-19; SLEM-
p. 204-205.
BROUCK J. e.a.. Het Boekenbergpark in Deurne (Antwerpen).
(31) Kadastrale opmetingsschets Vilvootde 1896nr. 10.
Monumenten & Landschappen 7(1), 1988, p. 12-25.
(32) Kadasrrale opmetingsschetsen Vilvoorde 1879 nr. 2 en 1894
(16) DUQUENNEX, op. cit., p. 92-99.
nr. 11.
(17) BURKE E., A philosophical inquiry into the origin of our ideas of (33) LANDAU B., La fabrication des rues de Paris au XIXe siècle, un the Sublime and Beautiful 1757, heruitgave: London, Routledge &Kegan,1967. (18) Zie bijv. BLAIKIE Th., Sur les terres d'un jardinier. Journal de voyages, 1775-1792 (trad. J. Barrier), Besan9on, Editions de rimprimeur, 1997.
territoire d'innovation technique et politique, in; Les Annales de la Recherche urhaine (http:/ldriout.club.fr/Le_Service_de_Paris. html). (34) Kadastrale opmetingsschetsen Vilvoorde 1894 nr. 11 en 1895 nr. 11.
(19) Oude kadastrale legger 212 Vilvoorde, art. 647 nrs. 18-31.
(35) Oudekadastralelegger 212 Vilvoorde, art. 2851 nrs. 210 en 418.
(20) Opgesteld naar aanleiding van de verkoop van Drie Fonteinen
(36) Oude kadastrale leggers 212 en 212A Vilvoorde, arr. 3842.
door Wellens aan Van Volxem (Rijksarchief Anderlecht).
(37) WAUTERS A, op. cit., p. 260.
Michel Janssen, Hadewych Van Rechem en Caroline Vandegehuchte
EEN NIEUWE BESTEMMING VOOR HET AGNETENKLOOSTER TE TONGEREN
Het Agnetenklooster, de zuidrand dateert
nabij het begijnhof
van het Tongerse
in oorsprong
stadscentrum,
van het begin van de
15de eeuw en ontwikkelde
zich
voornamelijk
in de tweede helft van de 16de en 17de tot een ruim complex met een eigen woon- en slaapvertrekken, een gastenkwartier Na de opheffing
aan
eeuw
kerk,
keukengebouwen,
en
boomgaarden.
en verkoop van het
klooster
op het einde van de 18de eeuw werden de gebouwen
aangepast
tot herenhuis door een
gehoede
privé-persoon.
Vanaf het begin van de 20ste eeuw de het kloostercomplex
tot een reeks van
steeds kleiner wordende vanaf
1927 richtte
arbeidershuisjes
het stadsbestuur
woningen
in. In 1967 werd er een
restauratie
In de geest van de tijd
en werden de gebouwen door de Stedelijke
Academie
werd het voormalige
en
er nood drastische uitgevoerd
tot 1986
gebruikt
voor Schone
Kunsten. Na een lange periode
aangekocht
degradeer-
van
leegstand
kloostercomplex
door de Vlaamse
In
2001
Situeringsplan
Gemeenschap.
Na een brand op de zolderverdieping
in
• overgenomen uit
janua-
C.Vandegehuchte (1998).
ri 2003,
werd onmiddellijk
de restauratie gebouwen
aangevat.
de eerste fase van Vanaf 2005
een nieuwe bestemming
zullen
krijgen
de als
Het archeologisch bodemondenoek in het Agnetenklooster te Tongeren: een tussentijds verslag.
kantoren
voor de dienst Bijzondere
en een polyvalente
zaal in het oude
jeugdzorg refter-
(In: Archeolog/e in Umburg 77, 1998 p.41)
gebouw.
M&L
OORSPRONG EN ONTWIKKELING Het Agnetenklooster ontstond begin 15de eeuw als een "sameninghe" van religieus geïnspireerde vrouwen in een huis in de Repenstraat (1). Vanuit dat bescheiden begin ontwikkelde zich een kloosterdomein dat bijna het hele huidige blok tussen Piepelpoel, Repenstraat, Sint-Catharinastraat en Corversstraat in beslag nam. Alleen aan de Piepelpoel stonden privé-woningen. O f het hele terrein onbebouwd was vóór de vestiging van het klooster, of geleidelijk ontruimd werd naarmate het klooster uitbreidde is niet bekend.
T Plan van het klooster met aanduiding van de bewaarde gebouwen. (Opgemaakt door
De eerste bekende vermelding van de zusters dateert uit 1418 (2). Vanaf 1421 (3) worden de verwijzingen talrijker, en al in 1428 (4) krijgen de zusters de toestemming om een kapel op te richten met één of meer altaren, waar ze de mis en andere diensten mogen laten houden en de klok luiden. Ze hebben een eigen kerkhof, waar ook plaats is voor leken. In 1438 (5) nemen de zusters de regel aan van de Derde Orde van Sint Franciscus. Vijftiende-eeuwse bronnen, hoofdzakelijk registers van inkomsten en pachten, verwijzen met mondjesmaat naar de kloos-
P. Hundus, GISverantwoordelijke Stad Tongeren,
tergebouwen. Toch komt een beeld naar voor van een uitgebreid klooster, omringd door een stenen muur. Het lijkt onwaarschijnlijk dat het gebouwenbestand volledig van steen was. De specifieke vermelding " het stenen huis"{G) wijst erop dat er allicht nog veel houtleembouw aanwezig was. In 1545 kraait de rode haan op het klooster. 's Nachts brandden "ons kerck coecken en refter geheel aff met al dat daer in was" (7). De wederopbouw begint bijna onmiddellijk. De nieuwe kerk is grotendeels voltooid in 1551 (8). Het einde van de 16de en het begin van de 17de eeuw vormen een lacune in de informatie. De enige referenties naar de gebouwen betreffen kleine herstellingen, onder andere aan de vensters van de school, in 1644 (9). Dit is het eerste bewijs dat de zusters een school hadden. Midden 17de eeuw worden opnieuw grote bouwactiviteiten ondernomen. In 1655 lenen de kloosterlingen 7 550 florijnen van kanunnik Darchis van Luik voor de bouw van een nieuw dormitorium (10). Er is ook sprake van een nieuwe refter (11). Vrijwel tegelijk wordt de noordvleugel gebouwd, die in 1663 ingehuldigd wordt (12). Boven de poort komt een "steenen huijserken" voor het beeld van Sint Franciscus (13).
16.01.2001)
In augustus 1677 laat de Franse generaal Calvo Tongeren in brand steken. Het wordt de grootste ramp uit de geschiedenis van de stad en het einde van een groot deel van het middeleeuwse Tongeren. O p basis van het artikel van G. Remans (14) werd er altijd van uitgegaan dat ook het Agnetenklooster afbrandde. In de bewaarde lijsten van vernielde gebouwen (15) is daarvan geen spoor terug te vinden. Het register van het klooster van 1677 is bewaard en vermeldt geen schade door brand. Wél netjes genoteerd zijn de uitgaven van enerzijds drie gulden voor drank "om de wercklieden couragie te geven inden brandt" (16) en anderzijds 115 gulden "aende sauvegarde vande franssen die ons bewaeren souden voor den brandt" (17). Het lijkt er sterk op dat de zusters hun veiligheid afgekocht hebben (18). Na 1677 werken zij gewoon door aan het onderhoud van hun klooster.
ƒ | muMenoUugel ^\ gebouw j
voetpad
[ ] perceel
^] restanten kapel
2 j noordvkugel s\
zuuhleuget
*\
xoifurrtfltr
injimintmi
Tegen het einde van de 17de eeuw zijn er klachten over armoede door de zware oorlogscontributies die door de Fransen geëist worden tijdens de Negenjarige oorlog (1688-1697) (19). In hoeverre die armoede ook reëel was, is moeilijk na te gaan. Voor de periode 1680-1717 zijn geen overzichtelijke rekeningen en nauwelijks andere documenten bewaard. Uit de weinige bronnen blijkt dat er wel gewerkt werd aan het onderhoud van de gebouwen.
Het valt op dat er in de tweede helft van de 17de eeuw veel sloten geplaatst werden; blijkbaar voelden de zusters zich onveilig (20). Daar hadden ze mogelijk een goede reden voor: net zoals de burgers werden ze het slachtoffer van gedwongen inkwartiering van soldaten (21). De klachten van armoede duiken ook weer op, en het aantal zusters begint terug te lopen. De rekeningen van de 18de eeuw staan vol oorlogscontributies en kosten voor ingekwartierde soldaten. De laatste uitgave aan de gebouwen is genoteerd in oktober 1797: herstellingen aan de vensters van de kerk (22).
RFWnONSTFRS VAN HFT KLOOSTFR Vanaf het begin was het Agnetenklooster een tamelijk elitaire aangelegenheid. Als de vrouwe van Repen in 1421 het klooster een huis schonk (23), dan bleef die schenking min of meer 'in de familie': in de 15de eeuw waren er verschillende zusters van Repen in het klooster. De namen die in de documenten opduiken zijn die van gegoede burgerfamilies en lagere adel. Lekenzusters, werkzusters en "filles de grAcé' werden pas in de 18de eeuw vernoemd, en dan nog heel sporadisch. Nogal wat
zusters waren met elkaar verwant, en het was geen uitzondering dat twee zussen tegelijkertijd in het klooster waren. De goede connecties van de kloosterlingen zouden, naast hun financiële mogelijkheden, aan de basis gelegen kunnen hebben van de bescherming die het klooster genoot in de fatale nacht in augustus 1677. Buiten de geprofeste zusters waren er in het klooster ook kostkinderen, meisjes die er hun opvoeding kregen en al dan niet intraden wanneer ze de vereiste leeftijd bereikt hadden. De kloosterlingen werden verondersteld door handenarbeid, in casu spinnen en weven, in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Dat één en ander niet altijd zonder haperingen verliep, kan afgeleid worden uit die ene keer dat een zuster haar frustratie op papier zette: "/« ons cloester was grote turbatie op gevoert by een suster genaempt s Katherine van amstenrode der bischop was haer favorabel doer haer ffrinden wacht u van den adel aen te nemen want mense niet een mach corrigeeren en hun verlaten op hun ffrinden " (24).
nPHFFFINfi VAN HFT KI DDSTFR FN HFRRFSTFMMINfi In 1795 wordt het Prinsbisdom Luik, waar Tongeren deel van uitmaakte, ingelijfd bij Frankrijk, en wordt ook de geestelijkheid belastingplichtig. Plebaan Renier van Herck werd in Tongeren aangesteld als " repartiteur", degene die het totale geëiste bedrag moet verdelen over de lokale religieuze instellingen. Het Agnetenklooster wordt aangeslagen voor 6000 livres (25) - ter vergelijking: Kapittel van de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek: 45.000; Sint-Jacobsgasthuis: 5500; Begijnhof: 6600; Clarissen: 1500; Predikheren: 300; de abdis van Munsterbilzen: 12.500 (26). In 1797 is de definitieve opheffing van het klooster een feit. De zusters krijgen de gelegenheid hun klooster terug te kopen, maar daarvan maken ze geen gebruik (27). In de laatste jaren vóór de opheffing telt het klooster ook nog nauwelijks tien zusters. Wat er gebeurt met de inboedel, is niet bekend. Het schattingsverslag geeft een summiere beschrijving van de ligging van de gebouwen en hun functie en vermeldt dat alles in goede staat verkeert (28). O p 3 juni 1798 wordt het hele klooster in Maastricht verkocht aan Pierre Libotton uit Hasselt, die er 43.000 francs in assignaten voor neertelt (29).
Kadasterplan 1846. De plattegrond van het voormalige klooster is duidelijk herkenbaar (SAT, Fonds kaarten en plannen)
ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK 2002-2003-2004 In juni 2002 startte een noodopgraving op het zuidelijke terrein van het Agnetenklooster te Tongeren naar aanleiding van de restauratie en omvorming van het complex door de gebouwendienst van de Vlaamse Gemeenschap tot kantoorruimte voor Bijzondere Jeugdzorg. Daar het herinrichtingsplan er aanvankelijk in voorzag om een ondergrondse parking aan te leggen op het terrein dat aan de zijde van de Sint-Catherinastraat gelegen is, werd aan de buitendienst Tongeren van het toenmalige Instituut van het Archeologisch Patrimonium (het huidige Vlaams Instituut voor Onroerend Erfgoed) gevraagd om het terrein op te graven. Er werd een werkput van ca. 17m op 8m aangelegd. Toen de opgraving al in een ver gevorderd stadium was, werd toch afgezien van deze ondergrondse parking. Noodgedwongen werd dan toch maar besloten om de opgraving te voltooien en verder af te werken. Hoewel de opgegraven zone gering was in omvang zijn toch een hele reeks sporen aan het licht gekomen, die ons enerzijds informatie verschaffen over
de pre-middeleeuwse occupatie van de site en anderzijds ook interessante aanvullingen leveren met betrekking tot de Middeleeuwse geschiedenis van het Agnetenklooster.
Sporen van Romeinse bewoning Het oudste spoor op het terrein is een van noord naar zuid georiënteerde vroeg-romeinse gracht, haaks op de helling van de Tongerse heuvelrug, met V-profiel, ongeveer 3 m breed en 2 m diep bewaard. Deze gracht werd doorsneden door een opvallend diep uitgegraven standgreppel, waarin op regelmatige afstand zware palen waren ingeplant. Deze ongewoon forse houten constructie kan een lange buitenwand van een houten gebouw, een palissade of een keermuur van een terras geweest zijn. Verder werden nog enkele paalkuilen van meerdere bouwfazen aangetroffen, die echter niet tot plattegronden konden gereconstrueerd worden. Deze sporen van houten constructies dateren we in de eerste eeuw na Chr. Verder werd in de zuidwand van de aangelegde werkput een kuil aangetroffen waarvan de opvulling rijk vaatwerk, grote hoeveelheden botten van kippen, jonge varkens, schapen en visresten bevatte. Sporen van latere Romeinse steenbouw bleven beperkt tot vage uitbraaksporen in het noordoostelijk gedeelte van de opgravingput. Deze laatste sporen liepen, zoals het jaar daarop werd vastgesteld, verder onder de middenvleugel van het Agnetenklooster door. De rest van de latere Romeinse bewoningssporen werd door de bouw van de middeleeuwse huizen, het klooster en de verbouwingen ervan vernield. We konden wel vaststellen dat het volledige terrein na de Romeinse periode werd geëgaliseerd.
Het middeleeuwse Begijnhof (?) Verrassend waren de sporen van een middeleeuwse woning, in het zuiden van het terrein aan de rand van de Sint-Catherinastraat gelegen, waarvan slecht gemetselde sokkelmuurtjes overbleven. Deze waren opgebouwd uit silexblokken, baksteen- en mergelfragmenten en een witte kalkmortel en ondersteunden ongetwijfeld een houtlemen bovenbouw. Daarnaast werden, aansluitend aan deze gebouwsporen, slecht bewaarde resten van een vrijwel volledig uitgebroken stenen kelder en de aanzet van de trap ernaartoe aangetroffen. Mogelijk horen enkele kui-
len en een ronde beerput, uit mergel- en silexblokken opgebouwd, tot deze woningen. Het is wel niet duidelijk of deze gebouwensporen tot één of meerdere woningen behoren. Het geheel lijkt uit de 14de-15de eeuw te dateren, de periode waarin de opgegraven zone binnen een nieuwe stadsmuur wordt opgenomen en waarin het nieuwe terrein van het begijnhof wordt ingericht. De resten vertonen grote overeenkomsten met die van een dubbele rij begijnhofhuisjes, daterend uit de 14de of 15de eeuw die in 1995 bij een opgraving aan de Kielenstraat vlakbij Moerenpoort werden aangetroffen.
Agnetenklooster Uit een latere periode dateren boogfunderingen opgebouwd uit mergel-, baksteen-, en silexblokken aanééngezet met witte en plaatselijk roze mortel, die behoren tot niet meer bewaarde vleugels van het Agnetenklooster. Eén van deze muurfunderingen liep in oost-west richting verder door onder de kolenhandel. Een noord-zuid lopende boogfundering sluit aan bij de zuidwestelijke hoek van de huidige zichtbare middenvleugel. Later werden achter de voormalige kolenhandel nog funderingen van een gedeelte van de verdwenen kloostergebouwen aangetroffen. Ze waren uit grote mergelblokken, baksteenfragmenten en hoofdzakelijk witgrijze en roze mortel opgebouwd. Tot deze fase kunnen we ook enkele kuilen en beerputten rekenen. Tijdens het opgraven in de ruimte van de voormalige kolenhandel werden - buiten de reeds hoger vermelde funderingen van oudere delen
van het Agnetenklooster - ook de restanten van een oven en enkele kuilen opgetekend. In de zuidoostelijke hoek van het opgegraven terrein werd een bakstenen latrine aangetroffen. Deze was aan één hoek afgerond om een betere toegang tot de grote poort van het zuidelijke gebouw te verzekeren. De put werd volledig opgegraven en dateert uit het einde van de 19de eeuw. Het postmiddeleeuwse aardewerk uit deze latrine is momenteel het onderwerp van een licentiaatsverhandeling aan de K.U.Leuven. We weten bovendien dat de nabije kloostergebouwen in die periode eigendom van een notaris waren en dat diezelfde notaris ingrijpende verbouwingen en nieuwbouw heeft laten verrichten. In de loop van 2003 werd door de aannemer melding gemaakt dat in de zogenaamde zomerrefter bij het uitbreken van de vloer een oudere vloer werd aangetroffen. Deze baksteenvloer werd door onze opgravingploeg schoongemaakt en fotografisch gedocumenteerd. Bij het schoonmaken werd duidelijk dat er een oudere binnenindeling van de ruimte heeft bestaan. In de tweede week van juni 2004 werd ons gemeld dat de volledige fundering van de middenvleugel van het klooster bij het graven van een sleuf vrij kwam te liggen. Ze werd volledig vrijgelegd en bestond uit boogfunderingen, opgebouwd uit mergelblokken en silex. De fundering toonde een bouwnaad op dezelfde plek waar in het bovengrondse muurwerk reeds sporen van een verbouwing zichtbaar waren. De resultaten van het archeologisch onderzoek op het Agnetenklooster tonen eens te meer hoe het ondergrondse bodemarchief en het bovengronds beschermde erfgoed vaak onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. O m de geschiedenis en de bouwgeschiedenis van dit erfgoed ten volle te begrijpen is - in het kader van grootschalige restauratiewerkzaamheden — een begeleidend archeologisch onderzoek dan ook steeds een noodzaak. Geert Vynckier en Alain Vanderhoeven
Libotton heeft het goed blijkbaar nooit betrokken. Hij verkoopt het in 1803 voor 2500 francs muntwaarde aan de ex-scholast Paul Eustache Arnold Joseph Van Der Maesen (30). Van Der Maesen is voor zover bekend de eerste bewoner na de kloosterperiode en heeft zonder twijfel zijn stempel op het complex gedrukt. Zo laat hij in 1805 de kerk afbreken (31) en heeft hij ook verder de gebouwen aangepast " a son goüf, wat inhoudt dat hij er een herenhuis van maakte (32).
• Noordvleugel: Doslgevel. Toestand na de restauratie van 1967
In 1813 verkoopt Van Der Maesen het klooster aan Marie Margriet Micheline de Saren, ex-begijn, voor 7000 florijnen (33). Zij bewoont het klooster tot 1820 en laat het na aan haar neef Jan Philip Jozef de Saren en zijn echtgenote Marie Josephine Rubens, die er wonen tot 1849 (34). Volgens H . C . Driesen, 1892 was mevrouw de Saren van plan er een boerderij te beginnen, maar er zijn geen aanwijzingen dat ze dat plan gerealiseerd heeft. In 1826 regulariseert het stadsbestuur een nieuwbouw van Philip de Saren "in de straat tegenover het begijnhof opgerigf (de huidige Sint-Catharinastraat) omdat deze "tot nut en versiering der stad' beschouwd kon worden (35). Het primitief kadaster van 1829 (36) toont aan dat het blok tussen Piepelpoel, Repenstraat, Sint-Catharinastraat en Corversstraat nog nauwelijks bebouwd was: er is een rij huizen aan de Piepelpoel en enkele in het noordelijke deel van de Corversstraat, maar verder zijn alleen de nog bewaarde kloostergebouwen en de kolenhandel zichtbaar. Van kerk en dormitorium is geen spoor te bekennen. De kadasterkaart van 1846 (37) toont een vrijwel identieke situatie.
(foto Dienst Monumentenzorg Stad Tongeren)
In 1851 schenkt weduwe de Saren het klooster aan haar nicht Hortense Caroline de Schaetsen, gehuwd met Oscar Joseph de Schaetsen. De beschrijving is als volgt: " une maison avec remise, écurie, magasin et autres bcitiments, jardin et bosquet, située a Tongres, rue des cerceaux, joignant au nord les deux maisons ciaprès (huizen aan de Piepelpoel) et madame veuve Stas, au midi la rue devant Ie Béguinage, a Vest la rue des cerceaux et un jardin de Mr. Arckens, a l'ouest la rue des paniers. Le tout d'une contenance d'apres le cadastre de 96 ares 48 centiares ou 23 grandes verges". (38) Het gezin de Schaetsen bewoont het pand waarschijnlijk tot de voltooiing van hun huis, waarvan de bouw aangevangen wordt in 1878. Een rekening van de aannemer vermeldt een post voor het verwijderen van kapitelen van de oude kerk en het wegvoeren van puin (39). Het nieuwe huis bevindt zich
ongeveer op de plaats van het oude dormitotium. In 1889 huurt arrondissementscommissaris Nagels het klooster (40). Hij zal boven de bestaande keuken en achterkeukens "des bureaux convenables" inrichten, met een eigen uitgang in de Repenstraat. Het gebouw wordt beschreven als in goede staat van onderhoud. In 1894 wordt het complex " une maison avec écurie, remise, dépendances et jardin le tous situé a Tongres rue des cerceaux" verhuurd aan notaris Vanormelingen en zijn gezin. Na notaris Vanormelingen wordt het moeilijker om de bewoners op de voet te volgen. Het voormalige kloostercomplex-herenhuis degradeert snel, zeker vanaf 1915 tot een feeks steeds kleinere arbeidershuisjes (41). De stad richt er vanaf 1927 noodwoningen in (42). Tijdens W O U fungeert het klooster nog steeds als noodwoning. Na 1960 komen de gebouwen leeg te staan. In 1967 begint een zeer ingrijpende maar slecht gedocumenteerde restautatie van de noordvleugel, de gevels en daken van de middenvleugel en het interieur van de zomerrefter. Daarna wordt er de Academie voor Schone Kunsten gevestigd. De kerkruïne wordt opgeruimd in 1975. Krantenartikels vermelden de vondst van kapitelen, gewelfribben en andere architecturale elementen, verstoorde res-
ten van graven en een vloer (43). Het is niet bekend waar die vondsten naartoe gebracht zijn. Het Agnetenklooster wordt op 30 november 1985 beschermd ais monument. In 1986 verlaat de Academie de gebouwen en begint een lange periode van leegstand (44). In 1996-1998 wordt door de stadsarcheologische dienst te Tongeren een onderzoek uitgevoerd in de zone van de binnenkeer en in de kerkruïne (45). In 2002 en 2003 wordt door het toenmalige Instituut voor het Archeologisch Patrimonium, buitendienst Tongeren (het huidige Vlaamse Instituut Onroerend Erfgoed) de zuidelijk binnenkoer die uitgeeft op de Sint-Catherinastraat en de aanpalende gebouwen van de voormalige kolenhandel opgegraven. In de loop van 2003 en 2004 worden nog enkele andere bodemingrepen opgevolgd en waar nodig door archeologen bijkomend gedocumenteerd.
GEBQUWENBESTAND Van de kloostergebouwen zijn drie vleugels overgebleven: de middenvleugel waarvan de nok loodrecht op de Repenstraat staat en die aan weerszijden geflankeerd wordt door een vleugel die parallel met de Repenstraat verloopt. De kerk, waarvan nog enkel een ruïne rest, sluit aan bij de meest noordelijke vleugel. Een gedeelte van de oorspronkelijke ommuring bleef behouden in de Sint-Catharinastraat en sluit aan bij de zuidvleugel. Wat het bouwhistorisch en materieel technisch onderzoek in situ van het Agnetenklooster betreft werd voornamelijk de middenvleugel bestudeerd (46). De overige vleugels en vertrekken waren tijdens de restauratiewerken in 1967 immers zo ingrijpend gerenoveerd dat de fragmentarisch aangetroffen oude bouwsporen niet meer in hun oorspronkelijke context konden worden geplaatst.
A Noordvleugel: Oostgevel. Toestand
Aan de westzijde sloot het portiersterskamertje op de muur aan, en de kloostergang waarlangs men droogvoets de kerk kon bereiken. Over het oorspronkelijke uitzicht van de noordvleugel is niets bekend. Sporen van bogen van de kloostergang (op de noordgevel van de middenvleugel) bevestigen het bestaan van een overdekte ruimte, maar er is geen informatie bekend over uitzicht of indeling, behalve dat de schelpoort zich ongeveer in het midden bevond.
na de restauratie van 1967 (foto Dienst Monumentenzorg Stad Tongeren)
• Noordvleugel:
Het schattingsverslag van 1797 geeft wel enige informatie over het gebouw dat in 1663 opgetrok-
Westgevel. Toestand na de restauratie van 1967 (foto. Dienst Monumentenzorg Stad Tongeren)
Noordvleugel De noordvleugel is noord-zuid georiënteerd en sluit aan bij de middenvleugel in het zuiden en bij de kerk in het noorden. De schriftelijke bronnen bevestigen de datering van 1663 op de datumsteen in de westgevel (47). De buitenmuur aan de Repenstraat is echter ouder dan de rest van het gebouw. Deze gevel maakte deel uit van de kloosteromheining en was, op de schelpoort of hellepoort na, waarschijnlijk grotendeels blind.
M&L
• Noordvleugel: Toestand voor de restauratie van 1967. Reconstructietekening op basis van fotomateriaal (Dienst Monumentenzorg Stad Tongeren)
ken werd. De schatter, die blijkbaar langs de schelpoort binnenkwam, beschrijft een vestibule met links en rechts telkens drie kleine kamertjes die samen het portiersverblijf vormden.
Het interieur, dat na de opheffing van het klooster al de nodige veranderingen had ondergaan, werd in 1967 vrijwel volledig "gemoderniseerd ".
Na de verkoop was de noordvleugel één van de gebouwen die het weliswaar overleefden, maar grondig heringericht werden. Dat het gelijkvloers aangepast was tot keuken en achterkeukens blijkt uit het huurcontract van arrondissementscommissaris Nagels, die op de verdieping zijn "bureaux convenabkr inrichtte rond 1889. De deur in de Repenstraat en het rechthoekige venster erboven dateren uit deze periode. Het opmetingsplan van 1958 (48) toont nog de locatie van de trapkast die de directe verbinding verzorgde tussen de ingang en de kantoren. Twee ovale vensters op de tweede bouwlaag van de oostgevel, gedicht in 1967, houden waarschijnlijk ook verband met deze verbouwing. De schelpoort en het dichtgemaakte beeldnisje erboven, die in hun huidige vorm ten laatste uit de 17de eeuw dateren, bleven wel bewaard. Een waarschijnlijk 20ste-eeuwse deur in het noordelijk deel van de gevel werd, eveneens in 1967, met mergelblokken dichtgemetseld.
Middenvleugel
In de 20ste eeuw werd de noordvleugel, zoals de rest van het klooster, steeds verder opgedeeld in kleine huisjes. Te oordelen naar het uitzicht van de westgevel vóór de restauratie van 1967 kunnen er op het gelijkvloers alleen al tot vier woningen geweest zijn. Bij de restauratie van 1967 werd de gevel opnieuw 'geordend' tot een evenwichtig geheel.
De middenvleugel is oost-west georiënteerd en sluit aan bij zowel de noordvleugel als de zuidvleugel. Het is een gebouw in mergelsteen van twee bouwlagen en een zolderverdieping onder een zadeldak. O p dit pand kan, in tegenstelling tot de noordvleugel, geen sluitend jaartal geplakt worden. Het bestond in elk geval vóór de bouw van de noordvleugel, aangezien de kloostergang die toen afgebroken werd, er tegenaan gebouwd was. De middenvleugel vormde, althans gedurende een deel van de kloosterdjd, de zuidelijke grens van het klooster in strikte zin. Aan de kant van de SintCatharinastraat bevond zich immers de boerderij. Uit het bouwhistorisch onderzoek blijkt dat de zuidgevel in de loop van de eeuwen steeds meer openingen kreeg (49). De huidige toestand, met veel grote vensters in een zeer regelmatige ordonnantie, dateert ten vroegste uit de tweede helft van de 18de eeuw. Welke functie het gebouw had in het geheel van het klooster kan niet afgeleid worden uit de documenten van het klooster zelf. Volgens het schattingsverslag lag hier het gastenkwartier. Na de opheffing van het klooster werd de middenvleugel omgevormd tot woonvertrekken voor de
M&L
ï
ƒ
Middenvleugel:
de vroegere
Noordgevel. Toestand
kloostergang zijn
na afbraak van de
nog zichtbaar
aanbouw en voor
(foto F. Ulnx 1966;
de restauratie in
Dienst Monumenten-
1967. De sporen
zorg Stad Tongeren)
van de bogen van
opeenvolgende eigenaars en huurders. In de 20ste eeuw onderging de middenvleugel hetzelfde lot als de noordvleugel en veranderde in een soort appartementsblok. De doorgedreven compartimentering verklaart samen met de verschillende historische aanpassingen het chaotische uitzicht van de noordgevel net vóór de restauratie van 1967, waarbij de meeste bouwsporen verwijderd zijn. Het uitzicht van de middenvleugel is het resultaat van een grondige restauratiecampagne, die volgens de opvattingen van die tijd omstreeks 1967 onder leiding van F. Ulrix en H. Jongen werd uitgevoerd Bij deze restauratiecampagne werd de oorspronkelijke noordgevel bijna volledig vernieuwd. Volgens het opmetingsplan dat dateert van vóór 1967 was op deze gevel een opschrift bewaard: "JAN STRAUVEN VAN L O E N 1556". Momenteel is dit opschrift nog maar gedeeltelijk leesbaar. De gevel aan de Repenstraat is in zijn huidige uitzicht een product van de 19de eeuw, de 'herenhuis'-periode. Tijdens de kloosterperiode lijken er nauwelijks muuropeningen geweest te zijn. Alleen de meest westelijke travee van de middenvleugel is onderkelderd. De kelderruimte is overdekt met een mergelstenen tongewelf en was slechts langs de buitenzijde van de middenvleugel bereikbaar. O p de benedenverdieping zijn geen sporen van een trap aangetroffen. Vermoedelijk was er een externe toegang naar de eerste verdieping via een trap in de kloostergang, die tegen de noordgevel van de mid-
A Middenvleugel:
van de 19de eeuw
Oostgevel. De grote
(foto Dienst
rechthoekige
Monumentenzorg
vensters gaan terug
Tongeren)
op de verbouwingen
denvleugel was aangebouwd. O p de eerste verdieping was er wel een houten steektrap naar de zolder. Resten van de kloostergang werden ontdekt tijdens de opgravingscampagne tussen 1996 en 1998. De kloostergang kwam oorspronkelijk tot aan de Repenstraat en was met gewelven overdekt. Deze pandgang dateert vermoedelijk uit de eerste helft van de 16de eeuw. Een gedeelte van de bovenbouw bevindt zich nog in situ. In het muurwerk van mergelsteen was aan de kant van de binnenkoer een semi-cirkelvormige uitsprong gemaakt, die als wasbekken geïnterpreteerd wordt. Het originele vloerniveau in de kloostergang was bewaard gebleven en bestond uit kleine vierkante tegeltjes van 9x9 cm of 10x10 cm en 1,5 a 2 cm dik. De aardewerken tegels waren in een matrijs vervaardigd en zijn rood van kleur door het oxiderend bakproces. De tegels zijn onversierd, maar monochroom rood, geel of paarszwart van kleur. O p de rode tegels werd een kleurloos loodglazuur aangebracht, terwijl de gele en paars-zwarte tegels eerst bedekt werden met een sliblaagje vooraleer ze geglazuurd werden. Hoewel
De aanbouw bi{ de noordgevel van de middenvleugel, gezien vanuit het westen. De schets toont de situering van de westgevel (foto waarschijnlijk uit 1965, Dienst Monumentenzorg Stad Tongeren)
Noordvleugel.
blnnengevel
Sporen van de
(foto:F. Ulrix, 1966,
booggewelven van
Dienst Monumenten-
de kloostergang op
zorg Stad Tongeren)
de zuidelijke
er heel wat volledige exemplaren werden gevonden is het niet duidelijk of de tegels volgens een bepaald patroon gelegd waren. De voegen tussen de tegels werden niet met mortel, maar gewoon met zand gedicht, terwijl de tegels zelf in een dun mortelbed van kalk en zand gelegd waren. Het metselwerk van de kloostergang bestaat uit blokken mergelsteen, waartussen zich enkele gerecupereerde exemplaren met bekapte profileringen bevinden, waarschijnlijk afkomstig van een kloostergebouw dat door de brand in het begin van de 16de eeuw verwoest werd. Dat de kalk voor het metselen op de bouwwerf zelf werd geblust bewijst de vondst van een 'kalkputje' op enkele meters afstand van de middenvleugel (50). In alle vertrekken zijn meerdere opeenvolgende fasen te onderscheiden wat betreft de interieuraankleding en afwerking. Voornamelijk de laatgotische-vroegrenaissancistische fase en de 18de- en 19de-eeuwse aanpassingen zijn overal duidelijk te onderscheiden.
Wandafwerking De buitenmuren van de middenvleugel zijn opgebouwd in mergelsteen. De scheidingswanden tussen de vertrekken bestonden oorspronkelijk uit vakwerk. In de vroegste fase waren de binnenwanden in mergelsteen niet bepleisterd, maar wel wit gekalkt. O p de wanden in vakwerk is op de leemlaag een dunne witte pleisterafwerkingslaag aangebracht, die vervolgens gekalkt werd (51). In de meeste vertrekken is er bovendien een lage zwarte plint op de wanden geschilderd. In één kamer op de bovenverdieping is er boven de effen zwart geschilderde plint een naïef decoratief motief van aange-
schakelde V-vormen of driehoekjes geschilderd dat stilistisch kan gedateerd worden in het begin van de 16de eeuw. Tijdens de 18de en 19de eeuw werd het interieur grondig vernieuwd en werden alle wanden bepleisterd en gekalkt. O m een goede hechting van de pleisterlaag te bekomen werden in de mergelstenen- en vakwerkwanden vele kleine inkappingen gemaakt.
Muuropeningen Rondom verschillende vensters in de zuidelijke gevel van de middenvleugel zijn er aan de binnenzijde sporen teruggevonden van gotisch geprofileerde vensteromlijstingen. De gotische vensters waren vermoedelijk smaller en kleiner dan de huidige vensters en waren spitsboogvormig. Door het plaatsen van de huidige rechthoekige vensters zijn deze gotische vensteromlijstingen nergens volledig bewaard. Ook aan de buitenzijde zijn er plaatselijk sporen teruggevonden van gotische vensteromlijstingen. Deze profileringen werden in de 18de eeuw bedekt met een mortellaag.
Schouwen In bijna elke ruimte is een haard aanwezig. In de middelste vertrekken staan beide stookplaatsen met hun rug tegen elkaar en hebben ze een gemeenschappelijk rookkanaal. O p twee plaatsen is er een kaarsnis naast de haard. Eén ervan heeft een spits-
'WW
lull
m., 6£UJKV10£*S. m& J^ra iVw* ^*^«y«&«* * • **C«^*
.*4 ai 3^10
J»
%***-? 2-• fê*
l^-Tt <SA/fG ^y^*i.**r*W
.'S-
SSMMLU&
1 Plattegrond van de aanbouw bi{ de middenvleugel. Plan 1958/1965 (Dienst Monumentenzorg Stad Tongeren)
boogvormige opening met een gotische profilering. De binnenzijde van de nis is grijswit gekalkt. In de andere vertrekken bevindt de haard zich in de buitenmuur. In de 18de en 19de eeuw is vóór elke haard een nieuwe schouw met mantel en gestucte schouwboezem geplaatst. Gezien alle schouwen vóór het onderzoek in situ reeds beschadigd of uitgebroken waren, is beslist om de restanten van deze schouwen verder te ontmantelen (met uitzondering van een 18de-eeuwse schouw met kachelnis en decoratief stucwerk op de bovenverdieping) om de oude haardopeningen te kunnen bestuderen. In de meeste vertrekken is in de achterwand van de haard
T Middenvleugel:
(foto Dienst
Noordgevel. Toestand
Monumentenzorg
sedert de restaura-
Stad Tongeren)
A Noordvleugel:
(foto Dienst
Westgevel. Toestand
Monumentenzorg
na de restauratie
Stad Tongeren)
van 1967
een spitsboogmotief aangetroffen dat met bakstenen was uitgewerkt. De voegen en een deel van de gebogen haardwand zijn bepleisterd en afgewerkt met schijnvoegen. De pleisterlaag is in een baksteenrode kleur gekalkt. De ruimte onder het spitsboogmotief was in twee haarden nog opgevuld met haardstenen van ca. 10x13 cm waarop motieven als een dubbele adelaar, wapenschilden en portretten werden aangetroffen. Dergelijke decoratieve haardstenen kunnen stilistisch gedateerd worden op het einde van de 15de en de 16de eeuw (52).
tie van 1967
Plafonds Uit de laatgotische-vroegrenaissancistische fase zijn verschillende types van plafondafwerking te onderscheiden. Het meest voorkomend zijn troggewelven en kinderbalken die bepleisterd en gewit zijn. De moerbalken zijn niet bepleisterd, maar werden donker gebeitst en hebben aan beide zijden een geprofileerde balksleutel. Een ander type van plafond, dat in twee vertrekken werd aangetroffen is de samengestelde zichtbare balklaag met balksleutels (53) . Zowel de moerbalken, sleutelstukken als de kinderbalken en de onderzijde van de bovenliggende vloerplanken zijn wit gekalkt. In één vertrek op de benedenverdieping zijn de bepleisterde trog-
M&L
•4 Zuldvleugel; Oostgevel. De indeling van de gevel komt overeen met de verdeling In arbeldershuls|es (foto Dienst Monumentenzorg Stad Tongeren)
gewelven en de moerbalk decoratief beschilderd. De kinderbalken zijn niet bepleisterd, maar wel afwisselend rood en zwart geschildetd. O p de gewelfjes, die gewit waren, was aansluitend tegen de kinderbalken een zwarte boord geschilderd met daarover een dunnere gouden bies. Waar de troggewelven tegen de moerbalk eindigen blijven halve maantjes zichtbaar, die in dit vertrek voor de helft rood en voor de helft zwart geschilderd waren. O p de moerbalken is een renaissancistische sjabloonbeschildering van moreskenmotieven en putti met zeer symmetrisch opgebouwde rank- en bladornamenten bewaard (54). De motieven zijn uitgewerkt in witbeige op een groenige achtergrond. Het rankenmotief komt voor op de onder- en zijkanten van de moerbalk en wordt afgeboord door rechthoekige vakken in rood en zwart met respectievelijk een zwarte en een witte bies. Wat de balksleutels betreft, is telkens één van de balksleutels uitgewerkt in het dik worteleinde van de balk, terwijl het andere sleutelstuk afzonderlijk tegen de moerbalk is bevestigd. De balksleutels zijn veelal decoratief uitgewerkt, bijvoorbeeld waaiervormig gelobd, uitgewerkt met een blazoen, met gutswerk, met driehoekige motieven, etc... Soms zijn de sleutelstukken in de muur opgelegd of anders worden ze ondersteund door een ojiefvormige console.
Later, waarschijnlijk in het begin van de 19de eeuw, zijn deze oude plafonds vethuld doot vlak bepleisterde plafonds met sober geprofileerde lijsten, in twee lagen aangebracht op een constructie van genagelde tengellatten.
Zuidvleugel De zuidvleugel sluit in het noorden aan bij de middenvleugel en vormt in het zuiden de hoek van de Repenstraat met de Sint-Cathatinastraat. De oorspronkelijke functie van de zuidvleugel was die van koetshuis. De paardenstal bevond zich waarschijnlijk in de kolenhandel, gelegen op het aanpalende perceel langs de Catharinastraat, of zijn voorloper. Het kadasterplan van 1829 toont de zuidvleugel, die kort voor die tijd gebouwd moet zijn. In de vroege 20ste eeuw is de zuidvleugel aangepast tot drie huisjes. Elk van deze huisjes had een achterbouw op de huidige koer. Het uitzicht van de straatgevel aan de Repenstraat gaat rechtstreeks terug op deze periode. Bij de restauratie in 1967 werden de achterbouwsels afgebroken, maar de zuidvleugel bleef verder onaangeroerd.
M&L
Zmdvleugel: Indeling tijdens de bewoning gedurende de eerste helft van de
3
20ste eeuw.
Tl -L
Opmeting architect Willemaers 1966 (Plan bij de Dienst
2 . 0 0 A . LAÖ-EP-
Monumentenzorg Stad Tongeren)
II ^
355
E^H^Kr^?:
(3).t Zuidvleugel: Westgevel. De sporen van de bygebouwqes van de arbeiderswoningen uit de vroege 20ste eeuw zijn nog zichtbaar (foto Dienst Monumentenzorg Stad Tongeren)
« p a
5i5
E:
rré ^
Akte
n
\
•
_Z3 ?
>*
De zomerrefter
(foto Dienst
gezien vanuit het
Monumentenzorg
zuiden
Stad Tongeren'
De kerkruïne gezien vanuit het zuiden.
Zomerrefter
Kerk
Dit gebouw, ook wel verkeerdelijk de brouwerskelder of de crypte genoemd, is oost-west georiënteerd en ligt in het verlengde van de kerk. In zijn huidige vorm is het een rechthoekig gebouw van één bouwlaag, hoofdzakelijk opgetrokken in vierkante silexblokjes, met toegangen en lichtopeningen aan de west- en de zuidzijde en kleine lichtopeningen aan de noordzijde. Het interieur bestaat uit een grote ruimte onder een mergelstenen tongewelf. Aan de oostzijde liggen achter elkaar twee kleine keldertjes, die zich in feite onder de kerk bevinden.
De kerk was toegewijd aan de heiligen Franciscus, Cecilia en Agnes en is ontstaan tussen 1428 en 1438. Het eerste gebouw brandde a f i n 1545. De huidige ruïne is die van de kerk die rond 1551 voltooid werd en in 1 805 afgebroken.
Achter de ruïne is een hoek zichtbaar van het huls de
Het gebouw wekt de indruk half ondergronds te liggen, wat allicht mee bijgedragen heeft tot de namen 'brouwers kei der' en 'crypte'. De poort onder korfboog in de zuidgevel wijst er echter op dat het vloerniveau oorspronkelijk weinig verschilde van dat van de aangrenzende ruimtes aan de zuidkant. Tussen de kerk en de zomerrefter is er een hellende gang, die waarschijnlijk overdekt was en naar de zone ten noorden van de kerk leidde. Er is voorlopig geen sluitende datering voor dit gebouw. Het schilderij van de stadsbrand van 1677 toont een constructie onder zadeldak in het verlengde van de kerk, die mogelijk de zomerrefter is. Een datering voor de 17L eeuw is op basis van de constructie niet onmogelijk, maar tot op heden ontbreken zowel geschreven als andere bewijzen.
Schaetzen, op de plaats van het vroegere dormitoriiim (foto Dienst Monumentenzorg Stad Tongeren)
Het schilderij van de stadsbrand en de tekening van Remacle Leloup tonen een gotische kerk met vier traveeën onder zadeldak en met een dakruiter. O p het schilderij is aan de westzijde een vlakke puntgevel te zien met een beeldnis in de geveltop. Volgens het schattingsverslag was de kerk gebouwd in mergel, met in het koor drie houten altaren en een schip in gotische stijl met een doksaal (55). De documenten van het klooster geven geen enkele informatie over het uitzicht van de kerk. Er wordt wel verschillende keren verwezen naar de klok (56) en ook naar onderhoudswerkzaamheden aan de kerk. Nog in de 18de eeuw wordt er een nieuw plafond gemaakt, met in het midden een afbeelding van de H . Geest (57). Bij de opgravingen kwamen in de kerk resten aan het licht van een 16de-eeuwse tegelvloer, enkele graven, een klein keldertje in het koor en een grote bakstenen kelder in het zuidwestelijke deel van het schip. Verder werden er lichte mergelstenen funderingen gevonden aan weerszijden van het schip en drie mergelstenen zuilfunderingen. Het keldertje in het koor is slordig opgebouwd uit mergelblokken
1VI&L
A Tekening van
deel van de stad.
(Heken J.W. Moer-
Remacle Leloup
Het Agnetenklooster
mans, P. Severgns en
(Les délices du Pays
is zichtbaar tussen
E.Vandeplas (eds)
de Liège, Luik 1743).
de torens van de
2000 jaar Tongeren,
Zicht op het
begijnhofkerk en die 15 voor Chr.
begi|nhof van
van de O.L.Ï.-
Tot 1985, 1988
Tongereneneen
basiliek
p. 90-91)
en had een 'rooster' van drie ijzeren staven. O p enkele losse schedels na werd er niets aangetroffen. De bakstenen kelder doorbreekt het 16de-eeuwse vloerniveau en bevatte nauwelijks enige vondsten. De intacte graven die aangetroffen werden, lagen bij het koor. Het is niet duidelijk of de bakstenen kelder ooit als grafkelder gediend heeft; de situatie zoals ze in 1998 aangetroffen werd, is onder andere een gevolg van de afbraak in 1805 en de opruimactie van 1975.
Volledig verdwenen: keuken en dormitorium Van de keukens, die tussen middenvleugel en zomerrefter stonden, is niets meer over dat nog als dusdanig herkend kan worden. De opgegraven funderingen zijn uitsluitend op basis van het schattingsverslag geïdentificeerd. Het dormitorium moet zich, naar goede kloostertraditie, zover mogelijk van de meer 'openbare' delen van het klooster bevonden hebben, maar dicht bij de kerk met het oog op de nachtelijke getijdengebeden. Ondanks het feit dat er in de
bronnen nauwelijks over gesproken wordt, is een situering van het dormitorium ten noorden van de kerk allicht aanvaardbaar. De resten ervan bevinden zich dan onder het huis de Schaetzen. Het schilderij van de stadsbrand toont een complex ten noorden van de kerk, dat er op de tekening van Leloup zelfs vrij indrukwekkend uitziet. We kunnen veronderstellen dat ook de school en de vertrekken van de kostkinderen hier ondergebracht waren. Het gebouw op de tekening kan het dormitorium zijn waarvoor de zusters een lening aangingen bij kanunnik Darchis van Luik. Ook het schattingsverslag spreekt van een gebouw ten noorden van de kerk, met een grote gang, de infirmerie en op de verdieping cellen aan weerszijden van een centrale gang. Het dormitorium komt na 1797 nergens meer ter sprake, en op het kadasterplan van 1826 is het niet afgebeeld. Het lijkt er op dat Van Der Maesen en/of zijn opvolgers verantwoordelijk waren voor het afbreken, en wel zeer grondig, van keuken, kerk, dormitorium en de bovenstructuur van de zomerrefter.
Begraafplaats In 1996-1997 kwamen op de binnenkoer een veertigtal graven aan het licht. Over het algemeen was het een vrij ordelijk kerkhofje met hoofdzakelijk individuele kistgraven in parallelle rijen, iedereen begraven met het hoofd naar het westen. Er komen wel enkele oversnijdingen voor, en enkele graven
~1* 1
Enkele van de graven In de kloosterhof (foto Dienst Monumentenzorg Stad Tongeren)
zijn verstoord door de funderingen van de kloostergang. Vermoedelijk gaat het om begravingen uit de 15de en 16de eeuw. Her en der zijn ook skeletresten zonder verband gevonden. Dat kan wijzen op het ruimen van graven om plaats te maken op het kerkhof. De ruimte is overduidelijk te klein om gedurende vier eeuwen alle overledenen een plaats te hebben geboden, zelfs samen met de ruimte in de kerk. Het klooster beschikte over een grafkelder, mogelijk tevens een ossuarium, maar daarvan zijn geen sporen teruggevonden (58). G. Remans (59) vermeldt dat het kerkhof van de zusters aan de Corversstraat gelegen was, en dat daar ook graven ontdekt zijn. In de tweede helft van de vorige eeuw werden graven aangetroffen bij de aanleg van de riolering op de oprit van het huis de Schaetzen (60), ten noorden van de kerk. Het kerkhof is dus in de loop van de tijd in elk geval uitgebreid buiten de begrenzing van kerk, binnenkoer en kloostergang. Naast de zusters zelf konden ook leken zich in het klooster laten begraven, al moesten de grafrechten wel betaald worden aan de plebaan van Tongeren. Er is geen grafboek bewaard, en het is dan ook niet bekend in welke mate 'externen' hun eeuwige rustplaats in het Agnetenklooster gekozen hebben. Eén van de weinige bewaarde verwijzingen op dat vlak betreft de familie Schaetsen, die van in het begin bij het klooster betrokken waren. In 1455 schenkt Aert Schaetsen de cijns op een huis "ter ghedinckenisse Hermans sijns eersten wettighen soens die in ons kerck begraven leeght{G\Y. In 1482 bepalen Aert Schaetsen en zijn echtgenote Geertruyt
Vandenbrouck bij testament dat ze begraven willen worden in de kerk van het Agnetenklooster "voor den cruciftxe daer herman bonnen sone begraven light"(62). Eén van hun dochters is op dat moment non in het klooster.
HFRBFSTFMMINn Met de aankoop van het voormalige Agnetenklooster in 2001 door de Vlaamse Gemeenschap, kon dit belangrijke patrimonium van verdere aftakeling worden gered. Nog datzelfde jaar werd gestart met de opmaak van een dossier voor restauratie en herbestemming van de gebouwen (63). De kloostergebouwen langs de Repenstraat (noordvleugel, middenvleugel en zuidvleugel) en een vroeg 19de-eeuws pakhuis (64) (latere kolenhandel) aan de Sint-Catharinastraat zullen door de Vlaamse Gemeenschap worden ingericht als kantoren voor drie hulpverleningsdiensten voor bijzondere jeugdzorg (65) die momenteel verspreid gehuisvest zijn in gehuurde gebouwen in Tongeren en die in het Agnetenklooster worden samengevoegd, hetgeen zal resulteren in ondermeer een gemeenschappelijk secretariaat. De middenvleugel, noordvleugel en zuidvleugel worden ingericht als landschapskantoren, directieburelen, vergaderlokalen en nevenfuncties zoals sanitair, refter, kopieerruimte. De zolderruimte van
Calvarie aan de
Gevels »an het Agnetenklooster in de Repenstraat (foto 0. Pauwels)
de middenvleugel met het indtukwekkende dakgebint zal als gtote vetgaderzaal worden gebruikt. Voor de verticale circulatie dienen er in de gebouwen nieuwe trappen te worden aangebracht. Deze zijn op eigentijdse wijze vormgegeven met een transparante stalen structuur en ruwgezaagde eiken traptteden. In de middenvleugel wordt ook een strakke rechthoekige liftkoker geplaatst om de drie bestaande etages en het kelderniveau te verbinden. Naast de massieve mergelstenen funderingsbogen van de middenvleugel wordt een gang uitgegraven als verbinding tussen de drie kloostervleugels met de landschapskantoren en het voormalige pakhuis met het gemeenschappelijke secretariaat, het archief en de spreekkamers. Het gehele secretariaat wordt als een meubel in de grote open pakhuisruimte geplaatst. In het naastgelegen smallere gebouw worden de spreekkamers ondergebracht naast een lange hal met wachtruimtes. De vroegere zomerrefter met een monumentaal mergelstenen tongewelf zal als een polyvalente zaal worden ingericht en in uitbating worden gegeven aan de Toeristische Dienst van Tongeren die er een permanente tentoonstelling zal onderbrengen over het Agnetenklooster en die deze ruimte ook voor culturele doeleinden ter beschikking zal stellen aan derden.
RESTAURATIF In de nacht van 12 januari 2003 werd de middenvleugel van het Agnetenklooster door brand (66) getroffen. De historische kapconstructie brandde daarbij grotendeels af. O m zo snel mogelijk de meest dringende werken te kunnen uitvoeren werden de restauratiewerken opgedeeld in 3 uitvoeringsfasen die elk 1 kalenderjaar in beslag nemen. Fase 1 (2003) omvatte zeer dringende demontage-, consolidatie- en afschermingswerken. Fase 2 (2004) is momenteel in uitvoering en betreft de ruwbouwwerken, dakwerken, buitenschrijnwerk en gevelafwerking. Fase 3 (2005) omvat de bouwkundige afwerking, intetieurs, technische installaties en tuinaanleg. De doelstelling is enerzijds de uitvoering van een zachte restauratie met maximaal behoud van origineel materiaal en anderzijds de gebouwen zoveel mogelijk in te richten tot flexibele ruimtes, die niet alleen geschikt zouden zijn voor de beoogde kantoorfunctie maar ook voor eventuele latere functies. In de praktijk is gebleken dat de bestemming van dergelijke overheidsgebouwen door allerhande hervormingen vrij snel kan veranderen en ook de behoeften van eenzelfde dienst kunnen wijzigen. De gebouwen worden gerestaureerd en ingericht met respect voor hun historische structuur. Nieuwe
Toegangspoort in de Sint-Catharmastraat (foto 0. Pauwels)
grepen zoals trappen, kloostergang, raamstructuerlichting, buitenaanleg ... worden uitgevoerd ren, vi i een sobere eigentijdse vormgeving en teeds zoveel mogelijk op reversibele wijze. In de eerste fase van de werken werden de vervallen bestaande gebouwen geconsolideerd Eerst werden allerlei storende toevoegingen verwijderd. Zo werden bepaalde dichtgemetselde gevelopenmgen weer open gemaakt en de draagstructuur van de gebouwen vrijgelegd. Ondertussen kon ter plaatse het bouwhistorisch en materieel technisch vooronderzoek verder worden uitgevoerd. Bij enkele moerbalken waren de uiteinden ter plaatse van de muuropleg volledig weggerot en dienden er polymeerchemische herstellingen uitgevoerd. Er werd daarbij gebruik gemaakt van een ingewerkte eiken bek.sL aan de zijkanten van de balk. De balksleutels werden volledig gevrijwaard. Voorafgaandehjk aan de polymeerchemische herstellingen werden al de aangetaste balken van vloerroosteringen en dakgebinten onderzocht met "decay detecting drilt. Bij dit soort van houtonderzoek wordt een zeer dunne srompe naald met een rotatie van 8.000 toeren per minuut door het hout geboord. Het boorgat is voor het blote oog praktisch onzichtbaar en heeft een diameter kleiner dan 1 mm. Tijdens de penetratie van de naald in het hout wordt de drukweerstand gemeten en doorgegeven aan een computer die de
aangetaste zones duidelijk weergeeft op een diagram Deze methode heeft als voordeel dat op een relatief goedkope en niet-destructieve manier exact al de inwendige houtaantastingen kunnen worden opgespoord en afgelijnd. De behandeling van de aantasting kan vervolgens efficiënt worden uitgevoerd met maximaal behoud van het originele materiaal. Het I6de-eeuwse dakgebint van de middenvleugel was door de brand van januari 2003 erg beschadigd Bij de dikkere balken, zoals de spantbenen en trekkers, kon de ongeveer 1 cm dikke verkoolde laag verwijderd worden door ze af te schaven en het hout vervolgens te stralen. De gordingen en kleinere onderdelen dienden vernieuwd te worden. Voor de gevelrestauratie worden enkel de onrecupereerbaar beschadigde stenen vervangen Daarbij wordt Maastrichter mergelsteen gebruikt uit de groeve van Sibbe bij Valkenburg (NL), silex van de cementindustrie te Eben-Emael en maaskalksteen uit Vinalmont. O m de gevels aan de buitenzijde te beschermen en om aan de kloostetvleugels die in verschillende materialen zijn opgetrokken een uniform uitzicht te geven, is beslist om het parement opnieuw van een kalkafWking te voorzien Hierbij is geopteerd voor natuurlijke Engelse kalkmaterialen O p de gevels wordt eerst één laag sheltercoat aangebracht en vervolgens twee lagen Umewash met
Agnetenklooster en de kolenhandel in de Smt-Catharlnastraat (foto 0. Pauwels)
caseïne in een grijswitte kleur. De plintzones worden afgewerkt met een zwarte minerale verf. Van het oorspronkelijke buitenschrijnwerk was er helemaal niets bewaard. Als restauratieoptie werd beslist om in de historische raamopeningen opnieuw houten ramen te plaatsen met slanke en strakke grijsgeschilderde profielen en dubbele beglazing. Bij de nieuwe glasconstructies zoals de eigentijdse hal tussen zomerrefter en kapelruïne wordt de beglazing geplaatst in metalen profielen. Bij de stenen kruisvensters op het gelijkvloers van de 17de-eeuwse noordvleugel worden onderaan opnieuw houten vleugelramen geplaatst en bovenaan wordt ter vervanging van het verdwenen glasin-lood in beide raamopeningen een eenvoudige plaat dubbel glas aangebracht zonder profiel. Bij de ramen op de verdieping zijn er geen vaste houten kruisprofielen meer aanwezig en zal er een stalen kruis worden geplaatst als abstracte verwijzing naar de verdwenen structuur. Achter dit stalen kruis zullen onderaan twee houten vleugelramen worden geplaatst en bovenaan twee glasplaten zonder profiel. Hetzelfde principe met metalen kruisprofielen
wordt toegepast bij de 18de-eeuwse classicistische raamopeningen in de zuidgevel van de middenvleugel. O p basis van het bouwhistorisch en materieel technisch onderzoek van het interieur werd in overleg met de Afdeling Monumenten en Landschappen beslist om de vrijgelegde bouwhistorische elementen maximaal te conserveren en te integreren in het interieur. Door de verschillende bouwstijlen naast mekaar zichtbaar te laten getuigt het interieur van de rijke bouwgeschiedenis en permanente evolutie van dit monument. De verschillende types van plafondafwerking worden geconserveerd en hersteld. De resten van de verdwenen gotische haarden met in de haardwand een in baksteen uitgewerkt spitsboogmotief en de summiere aanzetten van de haardwangen en de rookvang, zullen worden geduid door ze op een abstracte wijze te visualiseren. De vrijgelegde gotische geprofileerde vensteromlijstingen van verdwenen ramen worden naast de huidige 18de-eeuwse vensteropeningen zichtbaar gelaten. De mergelstenen muuroppervlakken zullen niet worden bepleisterd, maar wel gekalkt in combinatie met een zwarte plintschildering.
Kapelruine aan de noordzijde van de kloostergebouwen (foto 0. Pauwels)
I Pill! lil'
• •BKB Bij de ruïnes van het gebouw met de zomerrefter en de voormalige kapel worden de muren enkel plaatselijk geconsolideerd. Na verwijdering van de destructieve begroeiing met acaciabomen zijn de verzakte funderingen plaatselijk ondervangen en werden scheuren en grote holtes opgegoten om het omvallen van sommige muren te vermijden. O p de ruïnemuren wordt als natuurlijke afdekkap een plantaardig substraat aangebracht dat vooraf gemengd is met de zaden van droogtebestendige muurvriendelijke plantjes. Na een korte periode zal de bovenzijde van de ruïnemuren met deze onderhoudsvriendelijke begroeiing worden getooid.
De 18de-eeuwse toegangspoort in de kloostermuur aan de Sint-Catharinastraat bevindt zich recht tegenover het middeleeuwse begijnhof en geeft toegang tot een eerste binnenplein waarop drie gebouwen uitgeven. Aan dit plein zullen bezoekers worden opgevangen in het voormalige pakhuis met spreekkamers en secretariaat. Door de glasstrook boven de ondergrondse verbindingsgang zal men een zicht hebben op de mergelstenen funderingsbogen van de middenvleugel en de schacht van een oude waterput. Dit toegangsplein wordt aangelegd met een verharding van afgeplatte basaltkasseien met grasvoegen. De beplanting op dit voorplein blijft sober en bestaat uit 2 notelaren (Juglans regia) en gras.
TUIN- EN PLEINAANLEG De buitenruimte bij het Agnetenklooster stond vroeger in nauwe relatie tot de gebouwen. Het betrof een aantal ruimtelijk afgebakende binnenpleinen die elk een eigen bestemming en karakter hadden. In het herbestemmingsproject wordt getracht om op eigentijdse wijze enkele verdwenen ruimtelijke begrenzingen te herstellen en de binnenpleinen opnieuw een eigen gelaat te geven (67).
Een tweede plein bevindt zich tussen het pakhuis, de middenvleugel en de zomerrefter en is nog slechts een klein overblijfsel van een grote kloostertuin die destijds ondermeer met een hoogstamboomgaard was aangeplant. Na de afschaffing van het klooster is de voormalige tuin in de 19de en 20ste eeuw afgesplitst en met woningen bebouwd. O m de relatie van dit plein met de historische gebouwen te herstellen zal het niveau opnieuw circa
M&L
Reconstructie van de kloostergang rondom de binnentuin (foto 0. Pauwels)
1,2 meter worden verlaagd tot het oorspronkelijke peil waarop ook de middeleeuwse toegang tot de zomerrefter uitgeeft. Centraal op dit plein worden in een grindverharding appelbomen (Malus domestica "Cox Orange Pippin") aangeplant als verwijzing naar de historische hoogstamboomgaard. Het belangrijkste kloosterplein was de centrale binnenhof met begraafplaats naast de hoger gelegen kapel. Aan de zuid- en westzijde werd deze besloten plek afgebakend door een inmiddels verdwenen kloostergang en aan de oost- en noordzijde door de noordvleugel met de middeleeuwse schelpoort en de monumentale kapel. O m enerzijds opnieuw een functionele overdekte verbindingsgang tussen de gebouwen te bekomen en anderzijds het binnenhof
M&L
opnieuw een besloten karakter te geven, is op eigentijdse wijze een nieuwe 'kloostergang' ontworpen. Het betreft een strakke structuur uit slanke verticale stalen kokerprofielen met daarop een dunne dakplaat. Ter plaatse van deze gang wordt ook het niveauverschil tussen de naastgelegen pleinen opgevangen. In het omsloten binnenhof worden los gesnoeide buxusmassieven aangebracht en maaskalkstenen platen met ingebeitelde teksten waardoor verwezen wordt naar de historische begraafplaats. Tegen de vrijgekomen kapelfunderingen wordt een grastalud aangebracht en een buitentrap die toegang verstrekt tot de monumentale deuromlijsting in de kapelruïne. De muurrestanten blijven behou-
•*
De zommefter van het klooster (foto 0. Pauwels)
den en de vroegere binnenruimte wordt met grote tegelplaten verhard. Boven het grote tongewelf van de zomerrefter wordt een groendak gecreëerd met een stinzebeplanting bestaande uit kruiden en grassen. Vanaf de vroegere westtoegang van de kapel wordt als verbinding naar de Repenstraat een loopbrug geplaatst tegen de perceelsscheiding. Het ingesloten tuintje achter het pakhuis wordt aangeplant met schaduwplanten, zoals varens en hartlelies. Twee schuingeplaatste klimrekken worden beplant met klimhortensia (hydrangea petiolaris).
CONCLUSIF Het Agnetenklooster heeft zich in de 15de eeuw ontwikkeld van een huis waarin enkele religieus geïnspireerde vrouwen samenwoonden tot een Franciscanessen-Tertiarissen slotklooster met alles erop en eraan, bestemd voor dames uit de betere kringen. Het gebouwencomplex dat nu nog bestaat, hetzij in opstand hetzij als ruïne, vertegenwoordigt een belangrijk deel van de kern van het klooster.
Voor een deel is aan deze gebouwen nog de evolutie af te lezen die het geheel doorgemaakt heeft. Van klooster werden de gebouwen herenhuis, waarbij een deel van de panden afgedankt werden en afgebroken. Vervolgens werden ze arbeidershuisjes en noodwoningen. Na 1967 kenden de zomerrefter en de noordvleugel een tijdelijke heropleving als onderkomen voor de Stedelijke Academie voor Schone Kunsten. Voor de anderen gebouwen, en na 1986 voor het geheel, begon de leegstand en de verkrotting. De hernieuwde belangstelling eind jaren '90 van de vorige eeuw luidde de verkoop in aan de Vlaamse Gemeenschap en de uiteindelijke restauratie en herbestemming. De gebouwen van het voormalige Agnetenklooster worden in het huidige project gerestaureerd en ze krijgen een nuttige herbestemming als kantoren voor Bijzondere Jeugdzorg en een polyvalente zaal in de zogenaamde zomerrefter. De buitenruimte en kapelruïne worden als een klein stadspark overdag permanent toegankelijk voor het publiek. Deze groene long zal tevens dienst doen als voetgangersdoorsteek tussen de verschillende aangrenzende straten en in het bijzonder fungeren als een passage op de toeristische wandelas tussen de Tongerse
Toegangspoort tot de kapel vanuit de binnentuin
Grote Markt en het middeleeuwse begijnhof. Het Agnetenklooster dat tot voor kort een echte stadskanker was, zal door dit herbestemmingsproject opnieuw verankerd worden in het hart van de O u d ste Stad van België.
Gebruikte afkortingen: AG: Agnetenklooster BSSLL: Bulletin de la Société Scientifique et Littétaire du Limbourg SAT: StadsarchiefTongeren
M&L
(foto 0. Pauwels)
Michel Janssen is architect, architectenbureau M. Janssen Tongeren. Hadewych Van Rechem is stadsarcheoloog te Tongeren. Caroline Vandegehuchte is bouwhistorica Bvba Studiebureau Monumentenzorg.
FINDNQTEN
(21) Bv. THYS Ch., Ephhnêrides tongroises: Manuscrit relatif aux batailles de Rocour et de Lafelt. 1745-1750, p. 270 "Ln het clooster
(1)
THYS Ch., Histoire du Béguinage de Tongres, Tongeren, 1881,
knechten." (SAT overdrukken 2164).
p. 355. (2)
Origo, progressus et modernus status Provinciae Germamae Inferio-
(22) SAT, AG, nr. 26 f. 13.
ris FF. Minorum Recollectorum, anno 1647. Archief van de Min-
(23) ULRIX F. en PAQUAY ]., Glossaire toponymique de la ville de Tongres et de sa franchise, in BSSLL t. 15, 1907 p. 332.
derbroeders, Sint-Truiden. (3)
(4)
SAT, AG, nr. 21 f. 178 : 5 juni 1421 '...tot behoef der arme sali-
(24)SAT,AGnr. 13f. 367r(1580).
chen susteren van Tongeren die woenechtig syn in die repen straet...".
(25 Volgens de heer Heuts, die in het Rijksarchief in Maastricht de
SAT, Kapittel, reg. 10: Computus fabricae f. 363 of PAQUAYJ.,
documenten van het Agnetenklooster bestudeert, was er ten tijde
Cartulaire de Notre Dame de Tongres, in : BSSLL t. 30, 1912,
van de opheffing nog heel wat grondbezit en kon het kloostet bezwaarlijk arm genoemd worden. Mondelinge mededeling,
p. 275. (5)
DARIS } . , Notices sur les églises du diocese de Lïegel.
17, 1896,
p. 57-60. (6)
SAT, AG, nr. 6 f. 137r.
(7)
SAT, AG nr. 27bis.
(8) Jaartal op een kapiteel dat tijdens de restauratie van 1967 in een muur in de noordvleugei ingemetseld werd. Het jaar 1551 komt
(9)
van SintAgneten bergh was oock eenen grooten officier gelageen met
waarvoor dank. (26) FRERE M., Plebaan Renier van Herck, repartiteur van Franse belastingen (1795). SAT, bibliotheek, overdrukken 2496. (27) DRIESEN H.C., Chromque tongroisede 1796a 1822, Tongeren, 1892, p. 35. (28) Proces verbal d'estimation de la maison conventuelle cy devant Ste
overeen met de schriftelijke bronnen, die na dat jaar niet meer
Agn'es a Tongres, door Cavenne en P. Honioulle, 1797. Het origi-
over bouwwerkzaamheden aan de kerk spreken (SAT, AG,
neel van bet schattingsverslag bevindt zich in het Rijksarchief in
nr. 27bis).
Maastricht. Een kopie is bij de Dienst Monumentenzorg, stad
SAT, AG nr. 23 f. 14r.
Tongeren.
(10) SAT, AG, map zonder nummer. Proces contra Nicolas Darchis (1700). (11) id.
(29) SAT, Fonds de Schaetzen, nr. 1045. (30) SAT, Fonds de Schaetzen. (31) PAQUAYJ., ff/..afc,p. 97.
(12) SAT, AG nr. 24 f. 413.
(32) DRIESEN H . C . , op. at., p. 106.
(13)SAT,AG, nr. 24f. 153.
(33) SAT, Fonds de Schaetzen, nrs. 733 en 1045.
(14) REMANS G., Twee Franciskaansche Instellingen te Tongeren, in
(34) SAT, Fonds de Schaetzen, nr. 638.
B55ii42,1928,p. 127-136.
(35) SAT, Fonds de Schaetzen, nr. 1045.
(15) o.a. PAQUAYJ., TOH^CTTO ww/wmTongeren, 1934.
(36) SAT, fonds plannen en kaarten.
(16) SAX, AG, nr. 25 f. 411.
(37) idem
(17) SAT, AG, nr. 25 f. 289.
(38) SAT, Fonds de Schaetzen, nr. 207.
(18) Een bijkomende indicatie dat het kloostet gespaard bleef is de
(39) SAT, Fonds de Schaetzen, nr. 231.
anekdote vermeld in FRERE M. en BAILLIEN H., Twee kronieken over de Frans-Hollandse oorlog 1672-1678, in BSSLL, 1854-
(40) SAT, Fonds de Schaetzen, nr. 216. Alle gegevens over verhuur, ook aan Vanormelingen, komen uit deze bundel.
1855 (SAT overdrukken 2491). De kroniek van Martinus
(41) Af te leiden uit de bevolkingsregisters, waarin ook het beroep van
Vandries vermeldt dat op 13 oogst 1678 het miraculeuze beeld
de bewoners vermeld wordt. SAT bevolkingsregisters 1846 IV,
van O.L.V. "gevlucht sijnde om den brand in St. Agneet kercke" in
1854 I, 1866 1,1880 I en VII, 1890 1,1900-1910 1,1910-1920
de ommegang meegedragen wordt. Remans meent dat er gerefe-
I, 1920-1930 V, 1930-1948 Ib en VII en 1948-1960 IX.
reerd wordt aan een beeld dat een door hem veronderstelde btand
(42) REMANS G., »/>. « t , p. 128.
in de Agnetenkerk in 1500 overleefd had. Vermoedelijk gaat het
(43) Het Belang van Limburg 08.07.1975 'Restauratie van Tongerse
hier wel degelijk om het betoemde Madonnabeeld uit de O.L.V.-
Agnetenkerk vordert goed!; Het Laatste Nieuws 07.07.1975 'Sub-
basiliek, dat bij de brand van 1677 in veiligheid gebracht was in
structie van Agnetenkerk blootgelegd te Tongeren'. Artikels bewaard
de kerk van het Agnetenklooster. De basiliek werd bij de stadsbrand immers ernstig beschadigd, terwijl de Agnetenkerk onaangeroerd bleef. (19) O.a. SAT oud regime nr. 505a: 1697: " Oodtmoedich supplicqe"
op de Dienst Monumentenzorg, stad Tongeren. (44) Het Laatste Nieuws 27.11.1986 ' Voormalig Agnetenklooster staat weer leeg'. (45) VANDEGEHUCHTE C , Het archeologisch bodemonderzoek in
aan de burgemeesters om consideratie met het klooster te hebben
het Agnetenklooster te Tongeren: een tussentijds verslag, in Archeolo-
i.v.m. het bundergeld, aangezien er al 2745=5=2 betaald is aan
gie in Limburg, 77, 1998, p. 41-44. Ook: VANDEGEHUCHTE
contributies.
C , onuitgegeven Verslag over het archeologisch vooronderzoek
(20) O.a. SAT, AG nr. 25 f. 283 en f. 300v: "aen een snaphaen tot dienst van onsen knecht tegen de vyanden en quaetwilligen ons cloosters"
van het Agnetenklooster te Tongeren, 1997. (46) Het onderzoek in situ werd uitgevoerd in juli en augustus 2002.
(1674) en een bestelling van nieuwe sloten "om ons te bewaeren"
Daaropvolgend werd de werf wekelijks opgevolgd tijdens de uit-
(1676).
voering van de demontage-, consolidatie- en afschermingswerken.
die sinds begin 2003 werden uitgevoerd tengevolge van een brand
(56) Bv. SAT, AG nr. 25 f. 327 "aen leer om den kleppel van ons kloek
op de zolderverdieping van de middenvleugel. (47)SAT,AGnr. 24, f. 413.
te binden" 1666. (57) SAT, AG losse stukken. Overeenkomst met de schrijnwerker midden 18de eeuw.
(48) Dienst Monumentenzorg, stad Tongeren. (49) VANDF.GEHUCHTE C , Onuitgegeven verslag van het mate-
(58) Er was in elk geval een grafkelder, zie SAT, AG nr. 25 f 289 en f.
rieel technisch onderzoek en de bouwhistorische inventarisatie
302v: "390pont ijser tot een rooster te maecken in ons begraefkelder"
van het Agnetenklooster, 2003
en "aenden metser van eenen put in ons begraef kelder te maecken, en vanden roester tesetten, voorts alles te dege te schicken" \611.
(50) Om kalkpap, ook vette kalk genoemd, te bekomen worden stukken kalksteen (CaCO,) gebrand op 900oC totdat verpulverde
(59) REMANS G., op.cit., p. 128.
brokken (CaO) resten. Deze worden met een grote hoeveelheid
(60) Mondelinge mededeling van de heer Jef Barée, waarvoor dank.
zuiver water geblust, tot er zich een kalkpap (Ca(OH):) vormt,
(61) SAT, AG zonder nummer, Revenus de route nature, 15c siècle.
die dan met zand en andere aggregaten kan vermengd worden tot
(62) SAT, Fonds de Schaetzen nr. 3408.
een mortelspecie.
(63) Bij dit herbestemmingsproject is een multidisciplinair ream betrokken met ondermeer bouwhistorici. archeologen, stabiliteits-
(51) Een laboratoriumanalyse heeft aangetoond dat de leemlaag
ingenieurs, tuinarchitecten, technici en architecten.
samengeteld was uit 1 deel niet hydraulische vette kalk en 8 delen gemengde aggregaten (klei, zand, stro en dierlijke uitwerpselen).
(64) Dit gebouw werd vermoedelijk net na de afschaffing van het klooster opgericht door één van de eerste particuliere eigenaars.
(52) DE MOOIJ Ch.,'s-Hertogenhoschbinnenskamers. Aspecten van de
Omwille van bouwhistorische kwaliteiten, de ligging op de kloos-
stedelijke woon- en leefcultuur 1650-1850, Zwolle, 1999.
(53) JEHEE J., Balklagen: een schets van typen, toepassing, verspreiding tersite en de verbondenheid met de kloostergebouwen is ervoor en ontwikkeling in historische Nederlandse woonhuizen, (Monu- geopteerd om dit pand te behouden en te integreren in de herbementen en bouwhistorie, Jaarboek Monumentenzorg 1996), Zwolle-Zeist, p. 39-46. (54) DE VRIES D.J., Plafonds in Nederland 1300-1800, [Restauratievademecum, bijdrage 12), Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist, 1991. (55) De gotiek leefde in de streek van Tongeren heel lang door. De
stemming.
(65) Het Comité Bijzondere Jeugdbijstand, de Bemiddelingscommissie en de Sociale Dienst. (66) Vermoedelijk is deze brand onvrijwillig ontstaan toen daklozen, die het pand frequent bezochten, een vuur hebben gemaakt om zich tijdens de zeer koude nacht van 12 op 13 januari te verwarmen.
bouw van een gotische kerk in het midden van de 16de eeuw
(67) Het dossier voor de buitenaanleg is opgemaakt in samenwerking
illustreert hoe langzaam nieuwe ontwikkelingen soms doordron-
met tuinarchitect Christian Vermander van het Buro voor Vrije
gen. Met dank aan de heer Jos Vandebrouck, kunsthistoricus.
Ruimte.
^r SUMMARY The Saint Martin's church: a successful synthesis of careful restoration and a spirited experience T h e parish church of Stevoort was built in the 18th century by the Liège architect Digneffe in a classicistic style, maintaining the late Gothic tower. At the end of the 19th century, two side aisles were added. Following Vaticanum II the Neo-Gothic furniture was dismantled and the greater part of it removed. Following the listing for protection in 1985 the facades, the roofing and the stainedglass windows were restored. The final phase consisted of the restoration and re-decoration of the interior. T h e scope of the concept was to restore the spatial qualities of the interior and to meet the actual liturgical needs. Mass is celebrated in the nave, where the altar and the lectern are set up. T h e tabernacle is located in the centre of the choir. T h e chairs are set up in a U-shape around the litur-
lithography; its abutments have been preserved. T h e estate
gical happening, keeping the side aisles clear. The 16th
comprised a network of winding walks, and two icehous-
century polychrome statues were given new soccles at eye
es; at least one of them served as a substructure for a tem-
level and the plaster devotional statues were given a place
ple-folly. Most of the garden was walled. Tree clumps and
high up against the pillars. T h e architect had the assist-
groves framed pleasant views on the surrounding country-
ance of a lighting artist and a furniture designer, who
side, the town of Vilvoorde, and, at the horizon, the tow-
opted for a sober and austere design of the liturgical furni-
ers of Brussels and Malines.
ture. Whoever enters the church is impressed with the
In 1876 a villa - Chateau de I'Ecluse - was built north of
wide open space and the visual axis from the entrance to
Walckiers' estate, and surrounded by a landscape park of
the choir.
5,2 hectares — a layout typical for the late landscape style: no straight lines, but a tangle of serpentine paths and walks, as is shown on the 1891 topographical map. In the 1890s both estates merged. A new pattern covered the former Walckiers estate, the ChAteau de I'Ecluse, and some
Estate 'Drie Fonteinen' at Vilvoorde, one of Belgium's earliest English gardens
smaller adjacent properties and farmlands. The Walckiers country house became the centre of a landscaped property of 90 hectares, including an orangery, a new farmstead in traditional vernacular style, and a monumental coach house-stable building in French neo-classical style. T h e 'French' parterre in front of the castle and the coach
T h e estate 'Drie Fonteinen' (Three Fountains) at Vil-
house-stable building and the new, straight vista lined
voorde near Brussels, created by banker J.-J. Walckiers de
with purple beeches and sculptures are typical for the neo-
Gammerages around 1780, is one of the first informal,
formal 'style Duchêne', popular in France and Belgium
naturalistic, landscaped gardens in Belgium, the so-called
about 1900. This style was mostly used to re-design the
jardin a I'anglaise, a continental interpretation of the Eng-
immediate surroundings of castle or manor, to provide a
lish landscape garden. With nearly 10 hectares, it covered
new frame for the buildings, whereas the rest of the estate
a valley slope between Walckiers' neo-classical country
would preserve a more 'natural', landscaped layout.
house and the canal Brussels-Willebroek, at that time the
During the 19th century and first decades of the 20th
most attractive scenery north of Brussels. A serpentine
century, 'Drie Fonteinen' became a green island amidst
pond at the foot of the slope seemed to spring from under
industrial development, the castle was bombarded in
a grotto, encompassed an island, and disappeared into a
1944, and in 1975 the southern part of the park was mu-
second, smaller grotto downstream. T h e first grotto in
tilated by a gigantic viaduct, but the pristine jardin anglais
coarse, white sandstone chunks, actually a bridge with
and the neo-formal 'French' garden have been preserved
two decks, is one of the country's most remarkable garden
to a large degree, thanks to the municipality, who pur-
follies. Two arched bridges connected the forested island
chased the domain in 1956, and the subsequent manage-
with the mainland. T h e largest of them appears on a 1823
ment.
]
IVI&L
tion was launched on the former entrance building, the guest quarter and the summer refectory. Especially the north wing has been heavily restored , and the interior has retained little or no remnants of the convent period. The exterior is largely a reconstruction of its 17' century state with 19' century alterations. The middle wing, possibly dating to the 15' century, has in 1967 been 'restored' to an imagined 15' century appearance on the north and west side, but kept its 18' century outlook on the south and 19' century adaptations on the east fafade. T h e interior, although seriously delapidated, has retained many original features. T h e late 18'
century
south wing, a chariot house, was divided into three houses, but remained otherwise intact on the exterior. T h e church is, in fact, a ruin, as it was thoroughly demolished in 1805. T h e summer refectory underwent interior restoration in 1967, with no record of the then existing situation. It consists now of a semi-subterranean single vaulted room.
A new destination for the St. Agnes convent in Tongeren
From 1986 onwards, the buildings were empty and decay set in. Archaeological research in the late nineties revealed the foundations of the cloister and kitchens, and sparked renewed interest. T h e complex was bought by the Flemish Government in 2001 and will, after restoration, house
' '
"
• • : • • :
T h e remaining buildings, part of the once important con-
several offices.
vent of St. Agnes in Tongeren, are currently undergoing restoration. This article presents a short history of the convent, as gleaned from written, pictorial and archaeological sources, and attempts to link the buildings to this histo-
••"•^l*
T h e convent, for women of the better classes, was founded in the early 15 r century and accepted the rule of the Franciscan Third Order in 1434. It rapidly developed into a major monastery. Already well established before that, a fire in 1545 destroyed the church and the kitchens. By 1551, a new church, be it in the then old-fashioned gothic style, was completed. T h e 80-years war led to complaints of poverty, due to excessive contributions. However, in the middle of the 17' century, a new building campaign was launched, comprising a dorter, a refectory and an entrance building, for which the 16'' century cloister was partially demolished. War haunted the area for most of the 1 8 " century, but despite contributions and the forced quartering of soldiers of all parties, the nuns kept their buildings in a good state of repair. In 1797, the convent was dissoluted. It came into the hands of successive rich local families, who transformed it into an upper-class home. In this process, the dorter, church and kitchens were torn down. During the 19' century, the convent began to deteriorate from a gentleman's home into a series of small worker's houses, an evolution that culminated in the first half of the 20' century. In 1967, a very invasive and nearly undocumented restora-
A/i&L
/ " •
>
#