Uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/408
Vlaamse overheid Beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie Afdeling openbaarheid van bestuur Havenlaan 88, bus 20 1000 BRUSSEL T : 02 553 57 25 Mail: openbaarheid@vlaanderen.be Dossiernummer: OVB/2021/408
DE BEROEPSINSTANTIE - Afdeling openbaarheid van bestuur Bevoegdheid beroepsinstantie Bestuursdecreet van 7 december 2018, titel II, hoofdstuk 3, afdeling 6. Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 tot oprichting van de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie. Voorafgaande procedure Op 20 september 2021 diende xxx (hierna: verzoeker), een verzoek in bij de school Da Vinci te Sint-Niklaas (hierna: Da Vinci school) om een afschrift te krijgen van de volgende documenten: - de communicatie van de inspecteur van de katholieke godsdienst met de school aangaande de kandidatuur van verzoeker voor een betrekking als leerkracht RKG - de identiteit van de inspecteur. De Da Vinci school heeft nagelaten om binnen de decretaal voorgeschreven termijn een beslissing te treffen. Op 1 november 2021 diende verzoeker beroep in bij de beroepsinstantie tegen de ontstentenis van beslissing vanwege de betrokken school met betrekking tot het hiervoor vermelde openbaarheidsverzoek. Dit beroep werd geregistreerd op 3 november 2021. Ontvankelijkheid van het beroep Het oorspronkelijk openbaarheidsverzoek dateert van 20 september 2021. Op 1 november 2021, de datum van het beroepschrift, is de decretale termijn voor de beslissing voor de Da Vinci school inmiddels verstreken. Bij gebrek aan beslissing heeft de termijn om beroep aan te tekenen geen aanvang genomen.
www.vlaanderen.be
Het ingestelde beroep is tijdig ingediend. De beroepsinstantie kon vaststellen dat het document waarvan een afschrift wordt gevraagd, ontegensprekelijk informatie van persoonlijke aard bevat. Voor de openbaarmaking van informatie van persoonlijke aard, moet de verzoeker, conform artikel II.40, §3 van het Bestuursdecreet, aantonen dat hij rechtstreeks en persoonlijk in zijn rechtssituatie kan worden geraakt door ofwel (1) de informatie, (2) de beslissing waarop de informatie betrekking heeft of (3) de beslissing ter voorbereiding waarvan het document dat de informatie bevat, werd opgesteld. In datzelfde artikel II.40, §3, in fine van het Bestuursdecreet wordt echter vermeld dat dit belang niet moet worden aangetoond indien de informatie van persoonlijke aard over de aanvrager zelf handelt. In casu wordt door de beroepsinstantie vastgesteld dat de informatie van persoonlijke aard betrekking heeft op verzoeker zelf en dat hij derhalve over het vereiste belang beschikt. Het ingediende beroep wordt dan ook als ontvankelijk beschouwd. Gegrondheid van het beroep Overeenkomstig artikel II.31, eerste lid Bestuursdecreet heeft het recht op passieve openbaarheid betrekking op bestuursdocumenten. Op grond van deze bepaling is elke instantie in principe verplicht aan eenieder die erom verzoekt inzage te geven in, uitleg te verschaffen over of een afschrift te bezorgen van de gewenste bestuursdocumenten. De openbaarmaking kan slechts geweigerd worden mits toepassing wordt gemaakt van één of meerdere uitzonderingen, zoals gestipuleerd in de artikelen II.33 tot en met II.39 van voormeld decreet.
1.
Inhoud van het beroepschrift
Gelet op het gebrek aan reactie vanwege de Da Vinci school op zijn openbaarheidsverzoek, zag verzoeker zich genoodzaakt beroep in te dienen.
2. Beoordeling door de beroepsinstantie Naar aanleiding van het ingediende beroepschrift, heeft de beroepsinstantie contact opgenomen met de betrokken school en een uitvoerige toelichting gekregen in dit dossier. De beroepsinstantie schetst hierbij eerst de feitelijke en juridische context van dit dossier: Het juridische kader voor de aanstelling of benoeming van leraren wordt gevormd door de Decreten Rechtspositie van 27 maart 1991 (hier in casu het Decreet Rechtspositie voor het Gemeenschapsonderwijs) die van toepassing zijn op alle leraren in het Vlaams onderwijs, dus ook op de godsdienstleraren en de leraren niet-confessionele zedenleer. Het enige verschil met andere leraren is, dat godsdienstleraren en leraren niet-confessionele zedenleer voorafgaand aan hun aanstelling door het schoolbestuur van een school voorgedragen moeten worden door de Bevoegde Instantie van de erkende eredienst of van de nietconfessionele zedenleer. De voordracht dient te gebeuren op de volgende ‘scharniermomenten’: 1° voorafgaande aan elke tijdelijke aanstelling; 2° voorafgaande aan de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur (TADD) 3° voorafgaande aan de vaste benoeming; 4° voorafgaande aan mutatie of nieuwe affectatie.
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/408
pagina 2 van 5
De voordracht is een aanstellingsvoorwaarde. Zonder voordracht kan een school een godsdienstleraar of leraar niet-confessionele zedenleer niet aanstellen. In dit geval is de Bevoegde Instantie de diocesane bisschop van Gent, vertegenwoordigd door de bisschoppelijk gedelegeerde, daar het ging om een kandidatuur van verzoeker voor een betrekking als leerkracht RKG in een school te Sint-Niklaas. In ‘normale’ gevallen wordt de voordracht gegeven door de inspecteur-adviseur r.-k. godsdienst. In dit dossier evenwel (waarin het geven van een voordracht niet mogelijk was, gelet op een juridische procedure waarin verzoeker sinds 2015 is verwikkeld tegen de diocesane bisschop van Antwerpen, de aartsbisschop van Mechelen-Brussel, de Erkende Instantie rooms-katholieke godsdienst (Interdiocesaan Centrum vzw) en een ere-inspecteur-adviseur) werd ervoor gekozen dat de bisschoppelijk gedelegeerde zelf communiceerde met het schoolbestuur van de betrokken school en met verzoeker zelf, juist omdat verzoeker zich in meerdere scholen gelegen in het bisdom Gent kandidaat had gesteld en overal om dezelfde redenen geweigerd dient te worden. De beroepsinstantie werd trouwens in kennis gesteld van de brief die vanuit het Bisdom te Gent (de Bisschoppelijk gedelegeerde voor onderwijs) op 22 september 2021 in dat verband werd gestuurd aan verzoeker en waarbij heel uitdrukkelijk de reden werd opgegeven voor de niet-voordracht van verzoeker voor de vacante betrekking. De opdracht van inspecteurs-adviseurs heeft betrekking op de inspectie en begeleiding van het vakinhoudelijke en vakpedagogische functioneren van godsdienstleraren, alsmede van het doen van vaststellingen betreffende de geschiktheid van de persoon van de godsdienstleraar om geloofwaardig als r.-k. godsdienstleraar te kunnen optreden (Decreet betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken van 1 december 1993). Wanneer inspecteurs-adviseurs voordrachten geven, dan doen zij dit echter als gemandateerde van de Bevoegde Instantie, dus conform de Decreten Rechtspositie van 1991 en niet conform de bepalingen van het Decreet betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. Uit de door de beroepsinstantie ingewonnen informatie is gebleken dat er in dit dossier enkel telefonisch contact is geweest tussen de school en de bevoegde inspecteur-adviseur r.-k. godsdienst. Er is daarvan dus geen enkele schriftelijke weerslag gemaakt. In artikel I.4, 3° van het Bestuursdecreet wordt een bestuursdocument gedefinieerd als de informatie, ongeacht de drager ervan, die in het bezit is van een overheidsinstantie. Het recht op openbaarheid kan aldus maar uitgeoefend worden voor zover het gaat om informatie die gematerialiseerd werd op een drager. In casu wordt evenwel door de beroepsinstantie vastgesteld dat de Da Vinci school niet in het bezit is van het door verzoeker opgevraagde document, daar het een onbestaand document betreft. Daar kan uiteraard geen afschrift van verleend worden. Het beroepschrift dient bijgevolg, wat betreft de communicatie tussen de school en de inspecteur-adviseur r.k. godsdienst als ongegrond te worden beschouwd. Uit het onderzoek door de beroepsinstantie is wel gebleken dat er wel een mail werd gestuurd vanuit het beleids- en overlegorgaan van de bisschoppen (Interdiocesaan Centrum) naar de school in verband met de niet-voordracht van verzoeker voor de vacante betrekking: het gaat om een mail die dateert van 16 september 2021 van het Interdiocesaan Centrum aan het schoolbestuur van de betrokken school. De beroepsinstantie heeft zelf kennis kunnen nemen van de inhoud van voormelde mail d.d. 16 september 2021. Deze mail bevat dezelfde inhoud als de brief die verzoeker reeds ontving op 22 september 2021 vanuit het Bisdom te Gent (met de vermelding van de redenen voor zijn niet-voordracht voor de betrekking in de
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/408
pagina 3 van 5
school). Zowel de beroepsinstantie als de betrokken school en het bisdom Gent zelf hebben geen bezwaar om de voormelde mail d.d. 16 september 2021 openbaar te maken, mits weglating van de persoonsgegevens die erin voorkomen (zowel in de mail zelf als in de hoofding en bij de ondertekening). De beroepsinstantie stelt namelijk nog vast dat het gevraagde document de namen bevat van een aantal natuurlijke personen, en dat deze in principe niet openbaar kunnen gemaakt worden in toepassing van artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet. Voormelde decreetbepaling bevat de verplichting om, behoudens toestemming van de betrokkene, een aanvraag af te wijzen als de openbaarmaking afbreuk doet aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Deze bepaling laat niet toe dat gegevens worden verstrekt die de identificatie van derden mogelijk maken, in de mate dat daarmee afbreuk zou worden gedaan aan de bescherming van hun persoonlijke levenssfeer. Hoewel het hier om een absolute uitzonderingsgrond gaat waardoor er geen belangenafweging moet plaatsvinden tussen het door de uitzonderingsgrond beschermde belang met het belang van de openbaarheid, vertoont de in artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet voorziene uitzonderingsgrond niettemin een relatief aspect. De decreetgever was weliswaar van oordeel dat er geen afweging vereist is met het openbaar belang dat met de openbaarheid is gediend, maar wijst er desondanks op dat telkens en in concreto geoordeeld moet worden of er al dan niet een inbreuk is gepleegd op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (Vlaams Parlement, Parl. St. 2017-2018, nr. 1656/1, blz. 58). Artikel 22 van de Grondwet waarborgt uitdrukkelijk het recht op eerbiediging van het privéleven, net zoals artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens dit doet. De bedoeling en het fundamentele uitgangspunt van de in artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet bedoelde uitzonderingsgrond bestaat er precies in om het aan iedereen toegekende grondwettelijke recht op de eerbiediging van zijn privéleven te beschermen. De beroepsinstantie merkt op dat bij het onderzoek naar de uitzonderingsgrond met betrekking tot de persoonlijke levenssfeer moet worden nagegaan of er al dan niet sprake is van informatie in een bestuursdocument die op de persoonlijke levenssfeer betrekking heeft. In casu stelt de beroepsinstantie vast dat in het gevraagde document de persoonsgegevens (naam, voornaam, mailadres) van een aantal natuurlijke personen voorkomen, dit zowel in de hoofding van de mail, als in de mail zelf en ook bij de ondertekening van de mail. Dergelijke naam- en mailgegevens behoren tot de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen. Het vrijgeven van deze persoonsgegevens maakt bijgevolg een inbreuk uit op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van die personen. De beroepsinstantie is bijgevolg van oordeel dat de openbaarmaking van voormelde gegevens afbreuk doet aan het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen en dat deze gegevens dan ook moeten worden afgeschermd in toepassing van artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet. Artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet laat echter wel de mogelijkheid dat dergelijke gegevens toch openbaar worden gemaakt, mits toestemming van de betrokken personen. De betrokken personen hebben evenwel uitdrukkelijk aan de beroepsinstantie laten weten dat ze hun toestemming daarvoor niet geven. Op basis van artikel II.45 § 2 van het Bestuursdecreet kan een document ook gedeeltelijk openbaar gemaakt worden als informatie waarop een uitzondering van toepassing is samen met andere informatie in een bestuursdocument opgenomen is, en het mogelijk is om de informatie die niet openbaar kan gemaakt worden, te scheiden van de andere informatie. Uit het voorgaande besluit de beroepsinstantie dat het gevraagde document, de mail d.d. 16 september 2021 vanuit het Interdiocesaan Centrum aan het schoolbestuur van de betrokken school kan openbaar worden gemaakt, mits weglating van persoonsgegevens van de natuurlijke personen die erin vermeld worden, zodat het beroep als gedeeltelijk gegrond kan worden beschouwd.
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/408
pagina 4 van 5
Verzoeker vroeg ook uitdrukkelijk naar de identiteit van de inspecteur. De beroepsinstantie stelt vast dat de naam van de inspecteur wordt vermeld in de voormelde mail d.d. 16 september 2021. Zoals hiervoor al uiteengezet door de beroepsinstantie, mogen de namen van personen niet worden vrijgegeven in toepassing van artikel II.34, 2° Bestuursdecreet. De beroepsinstantie verwijst hiervoor dan ook naar haar motivering op dat vlak, zoals hiervoor uiteengezet. Het ingestelde beroep wordt voor dit onderdeel, wat betreft de openbaarmaking van de identiteit van de inspecteur, dan ook als ongegrond beschouwd. Na beraadslaging,
BESLUIT: Het beroepschrift d.d. 1 november 2021 van xxx tegen de ontstentenis van beslissing van de Da Vinci school te Sint-Niklaas wordt als ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond beschouwd. Bijgevolg dient de Da Vinci school te Sint-Niklaas een afschrift te verlenen aan verzoeker van het volgende document: -
De mail van 16 september 2021 van het Interdiocesaan Centrum aan het schoolbestuur van de betrokken school, mits schrapping van de persoonsgegevens die voorkomen in de hoofding van de mail, in de mail zelf en ook bij de ondertekening van de mail.
Geen toestemming tot hergebruik van bestuursdocumenten In zoverre dit beroep geheel of gedeeltelijk gegrond werd verklaard, geldt dat deze inwilliging van de aanvraag tot openbaarmaking GEEN toestemming inhoudt om de gevraagde bestuursdocumenten te hergebruiken, als vermeld in titel II, hoofdstuk 4 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. Brussel, 3 december 2021 Voor de beroepsinstantie, afdeling openbaarheid van bestuur, Bruno ASSCHERICKX Voorzitter
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/408
pagina 5 van 5