Update van de statistiek van de geconsolideerde Vlaamse overheidsinvesteringen augustus 2022
DEPARTEMENT KANSELARIJ & BUITENLANDSE ZAKEN
www.vlaanderen.be
Update van de statistiek van de geconsolideerde Vlaamse overheidsinvesteringen DKBUZA augustus 2022
1. Inleiding
Deze nota is de 4de versie van de publicatie die in april 2019 verscheen, en na de updates van april 2020 en mei 2021. Investeringen zijn belangrijk. Een economie moet zich vernieuwen en voorbereiden op de toekomst. Niet alleen worden oudere, afgeschreven activa vervangen door nieuwe productiemiddelen, maar economische actoren zoals bedrijven, en overheidsinstellingen kunnen ook beslissen om te investeren in nieuwe activa. Dat verhoogt het productiepotentieel van een economie en biedt meer of betere mogelijkheden om producten te maken en bruto toegevoegde waarde te realiseren. Naast de private sector, zijn ook de overheden belangrijke investeringsactoren. Voorbeelden van publieke investeringen zijn het bouwen van weg- en haveninfrastructuur om het vervoer van goederen en personen gemakkelijker te maken, het ondersteunen van infrastructuur voor senioren, investeringen in milieutechnologie en zo meer. Vlaamse publieke investeringen gebeuren niet enkel door de Vlaamse overheid in enge zin. Ook lokale publieke actoren zoals gemeenten en provincies en semi-publieke entiteiten zoals intercommunales en maatschappijen voor nutsvoorzieningen zijn actief. Het gaat in deze nota niet om federale actoren die binnen Vlaanderen actief zijn (bijvoorbeeld spoorweginfrastructuur door Infrabel of nieuwe gebouwen voor het gevangeniswezen door de Regie der Gebouwen). Die actoren worden immers federaal aangestuurd. Deze nota ontstond op vraag van de minister-president die een antwoord wou geven op de nood aan een omvattend beeld van de investeringsinspanningen van de Vlaamse publieke actoren. Dit kadert dan weer in de noodzaak aan voldoende publieke investeringen, zoals aangehaald in de Commissie Algemeen Beleid, Financiën en Begroting (Europese Commissie) in 2017 en 2018 toen het landenrapport van België vanwege de Europese Commissie aan bod kwam. Voorliggende nota van de investeringsinspanningen van de Vlaamse overheid beslaat nu de periode 2014-2020. In vergelijking met vorige versies is de definitie van de overheidsinvesteringen gewijzigd, dit als resultaat van een tweede rapport van de Werkgroep ‘Leesbaarheid van de begroting’. Er dient benadrukt te worden dat het een antwoord wil bieden op de omvang van de investeringsinspanningen van de Vlaamse overheden en is daarom veeleer macro-economisch van invalshoek dan budgettair.
1
Het rapport probeert op basis van de combinatie van allerlei bronnen een geconsolideerde investeringsstatistiek van de Vlaamse actoren te ontwikkelingen. Daarbij werden de aanbevelingen voor een definitie van overheidsinvesteringen van de Werkgroep ‘Leesbaarheid van de begroting’ als basis gebruikt, gericht op vergelijkbaarheid in tijd en ruimte (internationaal). De definitie is nochtans niet 100% gelijk: doordat deze nota de inspanningen van de Vlaamse overheden (kern + lagere besturen) in ogenschouw neemt moeten dubbeltellingen die kunnen ontstaan doordat de Vlaamse overheid subsidies geeft aan lokale besturen en deze laatsten dan op hun beurt de investeringen uitvoeren vermeden worden (zie verder).
2. Perimeter
De volgende actoren worden begrepen onder de Vlaamse perimeter: A. Luik 1: De Vlaamse publieke investeringen (Vlaamse overheid in de Vlaamse begroting) B. Luik 2: De investeringen van de lokale besturen die rapporteren in het kader van de BBCboekhouding (Beleids- en Beheerscyclus). Het gaat om gegevens die het agentschap Binnenlands Bestuur (ABB) beheert. Het gaat om gemeenten & OCMW’s, autonome gemeentebedrijven, provincies, autonome provinciebedrijven, en OCMW-verenigingen van publiek recht. C. Luik 3: De investeringen van de lokale besturen die niet rapporteren in BBC: dienstverlenende verenigingen (bijvoorbeeld West-Vlaamse Intercommunale), opdrachthoudende verenigingen (bijvoorbeeld Digipolis), projectverenigingen (veelal rond toeristische projecten), Provinciale Ontwikkelingsmaatschappijen (POM’s) en eredienstbesturen. Deze lijst werd afgestemd met de lijst van instellingen die het INR als publieke actoren erkent. Sommige entiteiten die bijdragen tot de Vlaamse publieke investeringen behoren volgens het INR tot de marktsector (bijvoorbeeld Farys, vele intercommunales, sociale verhuurkantoren) en blijven hier dus ook buiten beschouwing. De investeringsstatistiek kan op dat punt als een onderschatting gezien worden.
3. Definiëring van de investeringen
De investeringen van verschillende overheden binnen de Vlaamse perimeter worden in kaart gebracht. Belangrijk is dat het geheel van de investeringen wordt geconsolideerd, wat betekent dat dubbeltellingen voor investeringsstromen tussen de publieke actoren worden vermeden. Immers, de Vlaamse overheid doet zelf investeringen en verleent ook investeringssubsidies aan lokale besturen. De investeringen van de lokale besturen worden gefinancierd deels uit eigen middelen en deels uit die toegekende investeringssubsidies. De lokale besturen geven ook onderling investeringssubsidies (bijvoorbeeld van de gemeenten naar de autonome gemeentebedrijven). Daarom worden de onderlinge investeringssubsidies tussen de hier besproken overheden buiten beschouwing gelaten. De investeringssubsidies aan niet-overheden (privé bedrijven, gezinnen, VZW’s) en aan federale en/of internationale instellingen worden wel opgenomen. Die zitten immers niet in de Vlaamse perimeter. De bepaling van de geconsolideerde Vlaamse investeringen aligneert zich op de definiëringen van de werkgroep “Leesbaarheid van de begroting” (eerst op het rapport van 4 december 2018 en vervolgens op het rapport van 25 februari 2021). In het rapport van 25 februari 2021 is sprake van kerninvesteringen, het equivalent van het aggregaat P.51 uit de nationale rekeningen, en kapitaaloverdrachten als ondersteuning voor investeringen door derden, het aggregaat D.92. 2
Voor luik 1 is deze methodiek grotendeels van toepassing, met die uitzondering dat de investeringsbijdragen aan lagere besturen niet opgenomen worden. Immers de lagere besturen komen zelf ook aan bod in de geconsolideerde investeringsstatistiek met de werkelijk door henzelf geboekte investeringen. Voor de overige luiken wordt aan de hand van het beschikbare materiaal getracht daar zo goed als kan bij aan te sluiten. In het eerste rapport van de werkgroep van 2018 werden investeringen in de vorm van financiële participaties ook als een bijkomende schil ingebracht. De idee was dat door deze activa in rekening te brengen bijgedragen wordt aan een gunstig investeringsklimaat. Dit werd niet meer weerhouden in de nieuwe definitie van 25 februari 2021, omdat deze uitgaven zich niet rechtstreeks vertalen in investeringen in het jaar zelf en zich ook niet altijd in investeringen vertalen. Dit is meteen ook het verschilpunt met vorige versies van de geconsolideerde investeringsstatistiek. De volgende lagen worden onderscheiden: KERN: Investeringsuitgaven •
• •
Luik 1: Vlaamse overheid: saldo van bruto investeringen en desinvesteringen in immateriële en materiële vaste activa, inclusief gesubsidieerd onderwijs en overige nettoaankopen van niet-financiële vaste activa (dit zijn voornamelijk gronden). Het gaat om uitbreidingsinvesteringen en vervangingsinvesteringen. Voorbeeld: de aankoop van een bestaand kantoorgebouw. In het ESR 2010 dienen alle O&O uitgaven gekapitaliseerd te worden en dus als investering beschouwd te worden (dus niet als gewone uitgave of kost). Let wel: de investeringen in O&O apparatuur, gebouwen en dergelijke werden ook vroeger in het ESR 95 al als activa geboekt. Nieuw in het ESR 2010 is dat de lopende uitgaven voor bezoldiging van eigen O&O personeel, aangekochte arbeid van extern O&O personeel, aankopen van materialen en diensten nodig voor O&O en andere administratieve kosten nu als investering dienen geboekt te worden. Luik 2: Lokale besturen: bruto investeringen in materiële en immateriële vaste activa inclusief gronden. Voorbeeld: de aanleg van een riolering. Luik 3: Overige lokale entiteiten: bruto investeringen in immateriële en materiële vaste activa, zoals vermeld in de toelichting bij de jaarrekeningen (post 8). Voorbeeld: Digipolis bouwt een technisch platform voor de stad Antwerpen.
è De investeringsuitgaven slaan op de eigenlijke uitgaven voor immateriële bijvoorbeeld octrooien, licenties) en materiële vaste activa (bijvoorbeeld gebouwen en machines). Daarmee wordt het begrip investeringen afgestemd op het INR concept van bruto investeringen in vaste activa. Ook de uitgaven voor gronden en terreinen worden meegerekend. KAPITAALOVERDRACHTEN: Investeringsbijdragen • •
Luik 1: Vlaamse overheid: investeringsbijdragen aan niet-publieke of niet-Vlaamse entiteiten. Luik 2: Lokale besturen: investeringsbijdragen aan niet-publieke of niet-Vlaamse entiteiten.
è Het gaat om de netto-subsidies die de overheden in kwestie verstrekken aan bedrijven, gezinnen, VZW’s en in voorkomend geval ook federale en internationale instellingen (voornamelijk de EU). De investeringen zelf worden uitgevoerd door een derde instantie, maar ze worden mogelijk gemaakt door financiering van de Vlaamse overheid. In een
3
analyse over België zou die stroom tussen de regio’s en de federale overheid ook uitgezuiverd worden.
Publiek-private samenwerking (PPS)-constructies •
•
PPS is een alternatieve samenwerkingsvorm tussen een overheid en één of meer private ondernemingen, waarbij de overheid zich volledig op het gewenste einddoel focust en zich in beperkte mate inlaat met het realisatieproces. Er bestaan twee soorten PPS constructies: de niet-geherkwalificeerde en de geherkwalificeerde. Bij de niet-geherkwalificeerde PPS doet een privé onderneming een investeringsuitgave in een bepaald jaar en boekt de Vlaamse overheid beschikbaarheidsvergoedingen in de jaren na oplevering van het project (doorgaans gedurende 25 jaar). Na die periode wordt de Vlaamse overheid eigenaar. De beschikbaarheidsvergoedingen worden niet als investering geboekt. Bij de geherkwalificeerde PPS was Eurostat van oordeel dat het risico te veel bij de Vlaamse overheid lag en diende de Vlaamse overheid de uitgave in haar boeken als investering op te nemen. Ze zitten dus in de kerninvesteringen. Deze soort PPS doet zich nu niet meer voor. Strikt genomen boekt de Vlaamse overheid dus geen investering in het kader van PPS (niet-geherkwalificeerd). Maar het is natuurlijk wel zo dat de private sector een investering doorvoert dankzij een ‘impuls’ en financiering van de Vlaamse overheid.
è De jaarlijkse investeringsuitgaven van de private sector in het kader van PPS-constructies (niet-geherkwalificeerde projecten) worden als een aparte schil weergegeven. Het gaat om de effectieve investeringsbedragen die private actoren spenderen per jaar dat ze werken aan het project om dat te realiseren (en niet om de beschikbaarheidsvergoedingen die de overheid betaalt na oplevering van het project). In de nieuwe definitie van overheidsinvesteringen van de Werkgroep Leesbaarheid van de begroting worden de nietgeherkwalificeerde PPS constructies buiten scope gehouden. 4. Uitwerking 2014-2020
De update van de investeringsreeks loopt van 2014 tot 2020. De basisinformatie is vanaf 2014 beschikbaar (rekenwerk + start van een nieuwe legislatuur). Deze basisinformatie is de bron voor de statistiek. Het gaat om realisaties, niet om begrotingsgegevens. Deze laatste hebben een minder grote macro-economische relevantie en zijn bovendien niet beschikbaar voor luik 3 (andere lokale entiteiten) waar jaarrekeningen gebaseerd op het dubbel boekhoudsysteem de bron zijn.
4.1. Samenstelling Tabel 1 voorziet in een gedetailleerd overzicht van de geconsolideerde investeringen volgens de verschillende luiken en per laag.
4
Tabel 1: Geconsolideerde Vlaamse overheidsinvesteringen, naar luik en laag, 2014-2020, in 1.000 euro (tenzij anders vermeld) LUIK 1: Vlaamse overheid Kern Waarvan: Activering onderzoek & ontwikkeling Kapitaaloverdrachten SUBTOTAAL LUIK 1
2014 3.261.839
2015 3.372.280
2016 3.712.979
2017 3.596.649
2018 3.659.854
2019 3.815.352
2020 3.888.839
1.241.214
1.347.712
1.524.942
1.527.854
1.573.599
1.641.183
1.583.741
793.277
615.459
532.263
683.633
693.520
863.617
1.117.351
4.055.116
3.987.739
4.245.242
4.280.282
4.353.374
4.678.969
5.006.190
2014 1.420.255
2015 1.571.255
2016 1.546.443
2017 1.854.259
2018 2.150.330
2019 2.183.057
2020 2.046.278
1.169.519 119.160
1.267.978 159.717
1.174.737 209.094
1.391.887 257.820
1.598.676 262.348
1.704.135 243.228
1.563.300 224.626
3.147 125.019 3.410
3.342 136.883 3.335
67.673 89.129 5.810
89.019 109.343 6.190
109.292 171.512 8.503
84.364 147.419 3.911
121.613 134.998 1.740
-7.182
-5.995
33.702
71.849
99.140
93.527
60.727
-14.748 -7.801
-20.003 -2.092
9.634 1.085
51.029 -1.791
84.980 2.525
71.959 -635
46.663 -1.104
-25 15.392 0
-22 16.123 0
-140 23.624 -500
14 22.096 500
-1.454 12.266 822
-132 21.506 829
-192 13.721 1.639
1.413.074
1.565.260
1.580.145
1.926.107
2.249.470
2.276.583
2.107.004
1.154.771 111.359
1.247.975 157.625
1.184.371 210.179
1.442.916 256.029
1.683.656 264.873
1.776.094 242.593
1.609.963 223.522
3.122 140.411 3.410
3.320 153.005 3.335
67.533 112.753 5.310
89.033 131.439 6.690
107.838 183.778 9.325
84.231 168.925 4.741
121.421 148.720 3.379
LUIK 2: BBC-plichtige lokale besturen Kern: Waarvan: Gemeentebesturen + OCMW + Districten Autonome gemeentebedrijven OCMW-verenigingen van publiek recht Provinciebesturen Autonome provinciebedrijven Kapitaaloverdrachten Waarvan: Gemeentebesturen + OCMW + Districten Autonome gemeentebedrijven OCMW-verenigingen van publiek recht Provinciebesturen Autonome provinciebedrijven SUBTOTAAL LUIK 2 Waarvan: Gemeentebesturen + OCMW + Districten Autonome gemeentebedrijven OCMW-verenigingen van publiek recht Provinciebesturen Autonome provinciebedrijven
5
Luik 3: Andere lokale entiteiten Kern: Waarvan: Niet-BBC plichtige lokale entiteiten excl. POM's en erediensten POM's Eredienstbesturen Kapitaaloverdrachten
2014 325.893
2015 186.384
2016 217.108
2017 280.532
2018 368.072
2019 444.415
2020 291.465
327.364 1.095 -2.566
183.749 860 1.775
215.381 881 846
279.327 -709 1.914
367.715 -358 716
434.306 5.748 4.360
285.144 7.386 -1.065
0
0
0
0
0
0
0
2014 99.804
2015 128.497
2016 173.697
2017 97.480
2018 48.447
2019 56.020
2020 45.229
2014 5.893.886 4.055.116
2015 5.867.880 3.987.739
2016 6.216.192 4.245.242
2017 6.584.402 4.280.282
2018 7.019.364 4.353.374
2019 7.455.987 4.678.969
2020 7.449.888 5.006.190
1.413.074 325.893
1.565.260 186.384
1.580.145 217.108
1.926.107 280.532
2.249.470 368.072
2.276.583 444.415
2.107.004 291.465
99.804
128.497
173.697
97.480
48.447
56.020
45.229
2014 5.893.886
2015 5.867.880
2016 6.216.192
2017 6.584.402
2018 7.019.364
2019 7.455.987
2020 7.449.888
5.007.987 786.096
5.129.919 609.464
5.476.530 565.965
5.731.440 755.482
6.178.257 792.660
6.442.824 957.144
6.226.581 1.178.078
99.804
128.497
173.697
97.480
48.447
56.020
45.229
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
Niet-geherkwalificeerde PPSconstructies
ALGEMEEN TOTAAL Luik 1: Vlaamse overheid Luik 2: BBC-plichtige lokale besturen Luik 3: Andere lokale entiteiten Niet-geherkwalificeerde PPSconstructies
ALGEMEEN TOTAAL Kern Kapitaaloverdrachten Niet-geherkwalificeerde PPSconstructies
Bbp Vlaams Gewest Totale geconsolideerde investeringen in % bbp Investeringen luik 1 in % bbp
233.234.700 242.129.300 251.400.600 260.608.600 268.844.300 278.793.300 266.342.000
2,5 1,7
2,4 1,6
Bron: F&B, ABB, Belfirst, verwerking DKBUZA.
6
2,5 1,7
2,5 1,6
2,6 1,6
2,7 1,7
2,8 1,9
De totale geconsolideerde Vlaamse overheidsinvesteringen bedroegen volgens de nieuwe definitie in 2020 7.450 miljoen euro. Naar laag zijn het grootste deel (6.227 miljoen euro of 83,6%) kerninvesteringen in materiële en immateriële vaste activa en geactiveerde O&O bestedingen. •
Het gaat vooral om kerninvesteringen van de Vlaamse overheid (3.889 miljoen euro, waarvan 41% O&O). Op de tweede plaats komen de BBC-plichtige lokale besturen (2.046 miljoen euro, voor 78% de gemeentebesturen); de niet-BBC-plichtige lokale entiteiten zijn goed voor 291 miljoen euro.
De kapitaaloverdrachten zijn goed voor 1.178 miljoen euro of 15,8%. •
Het gaat vrijwel uitsluitend over de Vlaamse overheid (1.117 miljoen euro) en in veel mindere mate over de BBC-plichtige lokale besturen (61 miljoen euro).
De niet-geherkwalificeerde PPS-constructies, ten slotte, komen op 45 miljoen euro of 0,6%.
Naar luik is de Vlaamse overheid de belangrijkste investeringsactor (5.006 miljoen euro, of 67,2%), gevolgd door de BBC-plichtige lokale besturen (2.107 miljoen euro of 28,3%) en de andere lokale entiteiten (291 miljoen euro of 3,9%). De niet-geherkwalificeerde PPS-constructies hebben met 45 miljoen euro of 0,6% een marginaal belang).
4.2. Evolutie De figuren 1 en 2 geven de evolutie naar luik en schil weer. De totale geconsolideerde investeringen bedroegen volgens de nieuwe definitie 5.894 miljoen euro in 2014 en klom – na een aanvankelijke daling in 2015 – naar 7.456 miljoen euro in 2019. In 2020 ligt het met 7.450 miljoen euro amper lager. In 2015 daalden de investeringen met 0,4%. In 2016 en 2017 groeiden de totale investeringen opnieuw met telkens 5,9%. In 2018 en 2019 klom de groei tot 6,6% en 6,2%. In 2020, ten slotte, was er een quasi status quo (-0,1%). De hogere omvang van de investeringen in 2014 dan in 2015 (tabel 1) kwam door het hogere bedrag aan kapitaaloverdrachten van de Vlaamse overheid en een hoger bedrag aan kerninvesteringen van de andere lokale entiteiten in 2014. Nu zijn de investeringssubsidies bij de Vlaamse overheid (kern) te hoog ingeschat in 2014. Vanaf 2015 zijn er economische codes bijgekomen waardoor een aantal subsidies beter verrekend konden worden over meer codes. Ook zijn er veel aanrekeningen geweest van alternatieve investeringssubsidies van het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden (VIPA) op de jaren 2013 en 2014, in tegenstelling tot de jaren daarna. In 2016 zorgden vooral de kerninvesteringen van de Vlaamse overheid en de andere lokale entiteiten voor de toename in dat jaar. In 2017 sprongen voornamelijk de kapitaaloverdrachten en de kerninvesteringen van de BBC-plichtige lokale besturen en andere lokale entiteiten in het oog. Het jaar daarop was de toename vrij algemeen. In 2019 zorgde de kapitaaloverdrachten van de Vlaamse overheid en de investeringen van de andere lokale entiteiten voor de stijging. In 2020, ten slotte, daalden de investeringen van de BBC-plichtige lokale besturen en de andere lokale 7
entiteiten. Dit werd in belangrijke mate opgevangen door een toename van de investeringen van de Vlaamse overheid (vooral kapitaaloverdrachten).
Figuur 1: Geconsolideerde investeringen naar luik (netto benadering), Vlaamse publieke entiteiten, 2014-2020, in miljoen euro 8.000 7.000 6.000 5.000 4.000 3.000 2.000 1.000 0 2014 2015 2016 Vlaamse overheid Andere lokale entiteiten
2017
2018 2019 2020 BBC-plichtige lokale besturen Niet-geherkwalificeerde PPS
Bron: F&B, ABB, Belfirst, verwerking DKBUZA.
Figuur 2: Geconsolideerde investeringen naar schil (netto benadering), Vlaamse publieke entiteiten, 2014-2020, in miljoen euro 8.000 7.000 6.000 5.000 4.000 3.000 2.000 1.000 0 2014 Kern
2015
2016
2017
Kapitaaloverdrachten
Bron: F&B, ABB, Belfirst, verwerking DKBUZA.
8
2018
2019
Niet-geherkwalificeerde PPS
4.3. Verhouding tot het Vlaamse bbp De totale geconsolideerde Vlaamse overheidsinvesteringen kwamen volgens de nieuwe definitie in 2020 op 2,8% van het bbp (figuur 3). De investeringsratio bleef in de jaren 2014-2017 ruwweg op 2,5%. Vanaf 2018 was er een geleidelijke klim. De toename in 2020 heeft alles te maken met de perikelen rond de Covid-19 crisis die voor een daling van het bbp zorgden dat jaar (sterker dan de lichte achteruitgang van de geconsolideerde overheidsinvesteringen).
Figuur 3: Totale geconsolideerde investeringen in verhouding tot het bbp van het Vlaamse Gewest, 2014-2020 (in %) 2,9 2,8 2,7 2,6 2,5 2,4 2,3 2,2 2014
2015
2016
2017
2018
Bron: DKBUZA.
Voor meer informatie contacteer thierry.vergeynst@vlaanderen.be
9
2019
2020