Rapport Werkbaarheidsprofiel onderwijssector 2019 Sectorale analyse op de Vlaamse werkbaarheidsmonitor 2004 - 2019
Brussel, februari 2020
Ria Bourdeaud’hui, Frank Janssens, Stephan Vanderhaeghe
Stichting Innovatie & Arbeid Wetstraat 34-36, 1040 Brussel T +32 2 209 01 11 info@serv.be www.serv.be/stichting www.werkbaarwerk.be
Werkbaar werk in het onderwijs 2019
Een onderzoek met financiĂŤle ondersteuning van de Vlaamse minister bevoegd voor Werk
De Vlaamse werkbaarheidsmonitor is een initiatief van de Vlaamse sociale partners en werd ontwikkeld door de Stichting Innovatie & Arbeid. Alle publicaties kunnen geraadpleegd worden en werkbaarheidscijfers interactief opgevraagd op www.werkbaarwerk.be Bij gebruik van gegevens en informatie uit deze publicatie wordt een correcte bronvermelding op prijs gesteld.
2
Werkbaar werk in het onderwijs 2019
Inhoud Inhoud ................................................................................................................................ 3 Samenvatting....................................................................................................................... 5 Inleiding ............................................................................................................................... 7 1
De werkbaarheidsgraad in de onderwijssector ................................................... 8
2
Werkbaarheidsknelpunten in het onderwijs ........................................................ 10
2.1
Werkstress en burn-out ........................................................................................... 11
2.2
Motivatie .................................................................................................................. 12
2.3
Leermogelijkheden .................................................................................................. 13
2.4
Werk-privé-balans.................................................................................................... 14
3
Determinanten van werkbaarheidsknelpunten in het onderwijs ........................ 16
3.1
Werkbaarheidsrisico’s in de onderwijssector............................................................ 17
3.1.1
Werkdruk ................................................................................................................. 17
3.1.2
Emotionele belasting ............................................................................................... 18
3.1.3
Taakvariatie ............................................................................................................. 19
3.1.4
Autonomie ............................................................................................................... 20
3.1.5
Ondersteuning door de directe leiding ..................................................................... 21
3.1.6
Arbeidsomstandigheden .......................................................................................... 22
3.2
Risicoprofielen voor de onderwijssector ................................................................... 23
3.2.1
Risicoprofiel voor werkstress ................................................................................... 23
3.2.2
Risicoprofiel voor motivatie ...................................................................................... 25
3.2.3
Risicoprofiel voor leermogelijkheden ....................................................................... 26
3.2.4
Risicoprofiel voor werk-privé-balans ........................................................................ 27
4
Vergelijking van de werkbaarheidssituatie van leerkrachten en omkaderend personeel in de onderwijssector .................................................... 28
5
Aanvullende informatie over de arbeidssituatie van werknemers in de onderwijssector ............................................................................................ 30
5.1
Opleidingsparticipatie .............................................................................................. 30
5.2
Atypische werktijden ................................................................................................ 30
5.3
Telewerken .............................................................................................................. 32
5.4
Woon-werk-verkeer en pendeltijden ........................................................................ 33
5.5
Grensoverschrijdend gedrag .................................................................................... 33
5.6
Indicatoren voor duurzame inzetbaarheid ................................................................ 34
Referentielijst ...................................................................................................................... 36
3
Werkbaar werk in het onderwijs 2019
4
Werkbaar werk in het onderwijs 2019
Samenvatting Terwijl de werkbaarheidsgraad in de onderwijssector in 2007 de 60% benaderde, laten de meetresultaten sindsdien een systematische daling zien van het aandeel werknemers in de sector met een werkbare job naar 45,7% in 2019. Er is dan ook sprake van een substantiële (en significante) terugval van de werkbaarheidsgraad over het voorbije decennium. Het onderwijs volgt daarmee de recente negatieve trend op de Vlaamse arbeidsmarkt, maar de daling van de werkbaarheidsgraad zet zich in de sector opvallend scherper door. Terwijl het aandeel werknemers met een werkbare job in het onderwijs tot 2016 nog op een significant hoger niveau lag in vergelijking met het Vlaamse sectorgemiddelde, noteert de index in 2019 ruim beneden het referentiecijfer voor de arbeidsmarkt. Een blik op de onderliggende werkbaarheidsindicatoren geeft een duidelijk zicht op (het voorkomen van) knelpunten in de werksituatie van werknemers in de sector in 2019: 46,3% wordt geconfronteerd met werkstressklachten, bij 19,0% is de situatie acuutproblematisch en is er sprake van burn-outsymptomen; 23,7% signaleert problemen in de werk-privé-combinatie, bij 7,2% gaat het om een acuut werk-privé-conflict; 15,0% kampt met motivatieproblemen, bij 6,6% gaat het om ernstige demotivatie; 6,1% heeft onvoldoende leermogelijkheden in de job, bij 1,7% is er een ernstig leerdeficit. Over de volledige meetperiode 2004-2019 wordt vooruitgang geboekt op het vlak van competentie-ontwikkelingskansen: het percentage onderwijsmedewerkers met onvoldoende leermogelijkheden daalde van 8,4% naar 6,1%. Maar we registreren sinds de nulmeting ook een gevoelige toename van het aandeel werknemers die met werkstressklachten geconfronteerd worden (van 32,4% naar 46,3%) of werk en privé moeilijk in evenwicht kunnen houden (van 14,9% naar 23,7%). Ook voor de motivatie-indicator is er in het aflopende decennium sprake van een negatieve evolutie: het aandeel werknemers in een problematische situatie steeg van 6,7% in 2010 naar 15,0% in 2019. De opgemaakte risicoprofielen voor de onderwijssector leren ons dat een hoge werkdruk een belangrijke determinant vormt van werkstressklachten, werk-privé-combinatiemoeilijkheden en (in mindere mate) motivatieproblemen. In 2019 wordt 41,1% van de werknemers met een hoge werkdruk geconfronteerd: dit is een substantiële stijging in vergelijking met 2013 (28,4%) en het meest recente sectorkengetal voor werkdruk ligt (significant) boven het Vlaamse sectorgemiddelde. Daarnaast vormt ook emotionele belasting een ernstige risicofactor voor werkstress en werkprivé-balans in de sector. Het aandeel van de werknemers dat in 2019 geconfronteerd worden met emotioneel belastend werk bedraagt 40,8%: het gaat om een stijging met ruim 10 procentpunt sinds 2013 en een kengetal dat ruim boven het referentiecijfer voor de Vlaamse arbeidsmarkt ligt. Routinematig werk en onvoldoende autonomie zijn werkkenmerken die aan de basis liggen van een leerdeficit en het ontstaan van motivatieproblemen. Het aandeel werknemers in het onderwijs met routinematig werk ligt in 2019 op 5,5%: dit percentage bleef stabiel over de voorbije vijftien jaar. Voor autonomie in het werk noteren we een toename van het aandeel werknemers in een problematische situatie van 8,6% in 2007 naar 11,3% in 2019. Voor beide indicatoren scoort de sector (nog steeds) opvallend gunstiger dan het Vlaamse sectorgemiddelde.
5
Werkbaar werk in het onderwijs 2019
Ook het gebrek aan ondersteuning door de directe leiding vormt een belangrijk risico voor (alle) werkbaarheid(sknelpunten): in 2019 bevinden 14,1% van de werknemers in het onderwijs zich op dit vlak in een problematische situatie. Voor deze risico-indicator wijkt de sector niet significant af van het Vlaamse sectorgemiddelde. De monitor 2019 brengt niet alleen de werkbaarheidsgraad en -indicatoren in kaart, maar peilt ook naar aanvullende informatie over jobkenmerken en werkbeleving. We zetten een aantal opvallende vaststellingen voor de onderwijssector op een rijtje: 77,1% van de werknemers in de sector nam in het voorbije jaar deel aan een bijscholing of bedrijfstraining (Vlaamse arbeidsmarkt: 60,0%); 33,9% werkt deeltijds (Vlaamse arbeidsmarkt: 31,6%); 81,8% behandelt regelmatig van thuis uit e-mails buiten de werkuren (Vlaamse arbeidsmarkt 32,8%); 69,6% besteedt dagelijks minder dan een uur aan woon-werk-verkeer (Vlaamse arbeidsmarkt: 64,9%); 23,2% was in het afgelopen jaar slachtoffer van intimidatie of bedreiging (Vlaamse arbeidsmarkt: 18,6%); 9,6% krijgt sporadisch of regelmatig af te rekenen met fysieke agressie op het werk (Vlaamse arbeidsmarkt: 6,2%); 12,9% was in het voorbije jaar frequent (≼ 3 keer) afwezig op het werk door ziekte of ongeval (Vlaamse arbeidsmarkt: 10,3%); 48,9% ziet doorwerken in de huidige job tot het pensioen als een haalbare opdracht, 47,6% is vragende partij voor aangepast werk om langer aan de slag te kunnen blijven (Vlaamse arbeidsmarkt: 57,9% en 36,5%).
6
Werkbaar werk in het onderwijs 2019
Inleiding De Vlaamse sociale partners dragen al vele jaren de boodschap uit dat langer werken maar kan lukken als dit ook haalbaar is voor de betrokkenen en banen voldoende kwaliteitsvol zijn. Ze zetten daarom resoluut in op ‘werkbaar werk’: jobs waarvan je niet overspannen of ziek wordt, die boeiend en motiverend zijn, kansen bieden op bijblijven/bijleren en voldoende ruimte laten voor gezin en privéleven. Om de vinger aan de pols te houden brengt de Stichting Innovatie & Arbeid sinds 2004 de werkbaarheid van de jobs in Vlaanderen in kaart via een grootschalige, driejaarlijkse schriftelijke bevraging. Met de zopas opgeleverde resultaten van de enquête 2019 (Bourdeaud’hui, Janssens, Vanderhaeghe, 2019a) is de werkbaarheidsmonitor voor werknemers inmiddels aan zijn zesde editie toe. Werkbaarheid wordt - conform de vermelde beleidsdefinitie – in de monitor geoperationaliseerd aan de hand van vier werkbaarheidsindicatoren: psychische vermoeidheid (werkstress), welbevinden in het werk (motivatie, werkbetrokkenheid), leermogelijkheden en werk-privébalans. De werkbaarheidsmonitor beoordeelt niet enkel in welke mate jobs werkbaar zijn voor de betrokken werknemers, maar registreert ook een aantal achterliggende risicofactoren. Daartoe werden zes risico-indicatoren ontwikkeld: werkdruk, emotionele belasting, taakvariatie (afwisseling in het werk), autonomie (zelfstandigheid in het werk), ondersteuning door de directe leiding en (belastende fysieke) arbeidsomstandigheden. Daarnaast levert de werkbaarheidsbevraging ook aanvullende informatie op over de arbeidssituatie en de werkbeleving: participatie aan opleiding en bijscholing, arbeidstijdregelingen, telewerk, woon-werk-verkeer, confrontatie met grensoverschrijdend gedrag, ziekteverzuim, verloopintentie, werkonzekerheid en inschatting van de haalbaarheid om door te werken tot de pensioenleeftijd. Dit rapport brengt - op basis van de databank van de zes opeenvolgende werkbaarheidsmetingen - de werkbaarheidssituatie van werknemers uit de onderwijssector in beeld en is opgedeeld in vijf hoofdstukken: het eerste hoofdstuk bekijkt de evolutie van de werkbaarheidsgraad in het onderwijs en vergelijkt de sectorgegevens met de werkbaarheid(sevolutie) op de Vlaamse arbeidsmarkt; het tweede hoofdstuk gaat in op de afzonderlijke werkbaarheidsdimensies en de aanwezigheid van specifieke werkbaarheidsknelpunten in de sector; in het derde hoofdstuk worden op basis van de kengetallen voor de risico-indicatoren sectorspecifieke risicoprofielen opgemaakt voor werkstress, motivatie, leermogelijkheden en werk-privé-balans; het vierde hoofdstuk vergelijkt de werkbaarheidssituatie van leerkrachten en het omkaderend personeel in de sector; het vijfde hoofdstuk inventariseert de aanvullende informatie over de arbeidssituatie en werkbeleving van werknemers uit de onderwijssector.
7
Werkbaar werk in het onderwijs 2019
1
De werkbaarheidsgraad in de onderwijssector
De Vlaamse sociale partners hebben de beleidsnotie ‘werkbaarheid’ concreet gemaakt aan de hand van vier kwaliteitscriteria: psychische vermoeidheid (werkstress), welbevinden in het werk (motivatie, werkbetrokkenheid), leermogelijkheden en werk-privé-balans. De werkbaarheidsgraad verwijst dan naar het percentage werknemers dat een kwaliteitsvolle job heeft/geen knelpunten signaleert voor alle vier genoemde werkbaarheidsdimensies. Terwijl de werkbaarheidsgraad in de onderwijssector in 2007 de 60% benaderde, laten de meetresultaten sindsdien een systematische daling zien van het aandeel werknemers in de sector met een werkbare job naar 45,7% in 2019. Er is dan ook sprake van een substantiële (en significante) terugval van de werkbaarheidsgraad over het voorbije decennium. Tabel 1:
Evolutie van de werkbaarheidsgraad 2004-2019 in de onderwijssector en op de Vlaamse arbeidsmarkt
werkbaarheidsgraad
onderwijs
2004
2007
2010
2013
2016
2019
%
%
%
%
%
%
57,2 N
Vlaamse arbeidsmarkt verschiltoetsing
59,7
57,8
884
869
52,3
54,1
54,3
54,6
51,0
49,6
s
s
s
s
s
s
1 063
55,1 1 691
52,5 1 325
45,7 1 576
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019 Leeswijzer: Cijfers in het groen resp. in het rood wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) toename resp. afname van de werkbaarheidsgraad ten opzichte van het vorige meetpunt. Cijfers in een groen kader resp. rood kader wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) toename resp. afname van de werkbaarheidsgraad bij een vergelijking van de meetpunten 2004 en 2019. De verschiltoetsing (s versus ns) vergelijkt het sectorkengetal met het (ongewogen) gemiddelde voor alle sectoren op de Vlaamse arbeidsmarkt en besluit op basis van effectcoderingen en logistische regressie tot een al dan niet significante afwijking (Wald chi², s indien p < 0,05 versus ns indien p ≥ 0,05).
Het onderwijs volgt daarmee de recente negatieve trend op de Vlaamse arbeidsmarkt, maar de daling van de werkbaarheidsgraad zet zich in de sector opvallend scherper door. Terwijl het aandeel werknemers met een werkbare job in het onderwijs tot 2016 nog op een significant hoger niveau lag in vergelijking met het Vlaamse sectorgemiddelde, noteert de index in 2019 ruim beneden het referentiecijfer voor de arbeidsmarkt. Figuur 1 brengt met de vergelijking van de werkbaarheidscurves voor de sector en de globale arbeidsmarkt deze vaststellingen visueel in beeld.
8
Werkbaar werk in het onderwijs 2019
Figuur 1:
Evolutie van de werkbaarheidsgraad 2004-2019 in de onderwijssector en op de Vlaamse arbeidsmarkt
65%
59,7%
60%
57,8%
57,2%
55,1% 55%
54,1% 50%
54,3%
54,6%
52,3%
52,5%
51,0%
49,6% 45,7%
45%
2004
2007
onderwijs
2010
2013
2016
2019
Vlaamse arbeidsmarkt
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019
9
Werkbaar werk in het onderwijs 2019
2
Werkbaarheidsknelpunten in het onderwijs
De beoordeling van de werkbaarheid van een job (en daarmee de werkbaarheidsgraad) wordt afgeleid uit informatie van de vier werkbaarheidsindicatoren: psychische vermoeidheid (werkstress), welbevinden in het werk (werkbetrokkenheid, motivatie), leermogelijkheden in de job (kansen op bijblijven en competentie-ontwikkeling) en werk-privé-balans (combinatie van arbeid met gezin en sociaal leven). Tabel 2:
Overzicht en omschrijving werkbaarheidsindicatoren Vlaamse werkbaarheidsmonitor Indicator
Omschrijving
Psychische vermoeidheid
de mate waarin de door psychosociale arbeidsbelasting opgebouwde (mentale) vermoeidheid recuperabel is dan wel leidt tot spanningsklachten en verminderd functioneren (problemen met) werkstress
Welbevinden in het werk
de mate waarin werknemers door de aard van de job(inhoud) werkbetrokken zijn/blijven dan wel gedemotiveerd raken (problemen met) werkbetrokkenheid en motivatie
Leermogelijkheden
de mate waarin werknemers door formele opleidingskansen en de dagdagelijkse ervaring op de werkplek hun competenties al dan niet op peil kunnen houden en verder ontwikkelen i.f.v. hun inzetbaarheid op langere termijn (onvoldoende) kansen op bijblijven/competentieontwikkeling
Werk-privé-balans
de mate waarin de taakeisen in de werksituatie al dan niet belemmerende effecten hebben op de handelingsmogelijkheden in de ‘thuis’situatie (problemen met) combinatie van arbeid met privéleven
Voor elk van de vier werkbaarheidsdimensies en -indicatoren zijn grenzen bepaald die aangeven of de situatie al dan niet (acuut) problematisch is (Bourdeaud’hui, Janssens, Vanderhaeghe, 2019b). Bij een problematische situatie spreken we over een werkbaarheidsknelpunt, bij een acuut-problematische situatie over een acuut werkbaarheidsknelpunt. In de werkbaarheidsmonitor wordt met andere woorden met ‘gelede kengetallen’ gewerkt. Naar analogie met de kleurensymboliek van een verkeerslicht, wordt niet enkel een problematische groep afgebakend en becijferd (‘oranje knipperlicht’ - knelpunt), maar daarbinnen ook een subgroep die als ‘acuut problematisch’ kan gelabeld worden (‘rood alarmsignaal’ - acuut knelpunt). Niet problematische, problematische en acuut-problematische situaties worden voor de onderscheiden werkbaarheidsdimensies als volgt benoemd: Tabel 3:
Terminologie voor de kengetallen voor de werkbaarheidsindicatoren Niet problematisch
Problematisch
Acuut-problematisch
= geen knelpunt
= knelpunt
= acuut knelpunt
geen werkstress
werkstressproblemen
symptomen burn-out
geen motivatieproblemen
motivatieproblemen
ernstige demotivatie
Leermogelijkheden
voldoende leermogelijkheden
onvoldoende leermogelijkheden
ernstig leerdeficit
Werk-privé-balans
haalbare werk-privécombinatie
problemen werk-privécombinatie
acuut werk-privé-conflict
Psychische vermoeidheid Welbevinden in het werk
10
Werkbaar werk in het onderwijs 2019
In dit hoofdstuk nemen we de (evolutie in de) kengetallen voor de vier werkbaarheidsindicatoren onder de loep en vergelijken we de sectorgegevens met de referentiecijfers voor de Vlaamse arbeidsmarkt.
2.1
Werkstress en burn-out
In 2019 wordt 46,3% van de werknemers in de onderwijssector geconfronteerd met werkstressproblemen, bij 19,0% is de situatie acuut-problematisch en is er sprake van burnoutsymptomen. We registreren daarmee een gevoelige toename van het aandeel werknemers met psychische vermoeidheidsproblemen in vergelijking met 2016 (41,1% en 13,7% als respectieve kengetallen), met 2013 (35,4% en 12,1%) en met de nulmeting 2004 (32,4% en 11,8%). Tabel 4
Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers met werkstressproblemen en burn-outsymptomen in de onderwijssector en op de Vlaamse arbeidsmarkt
werkstressproblemen
onderwijs
symptomen burn-out
verschiltoetsing
2007
2010
2013
2016
2019
%
%
%
%
%
%
32,4
31,4
34,5
35,4
41,1
46,3
11,8 1 088
N
Vlaamse arbeidsmarkt
2004
werkstressproblemen symptomen burn-out werkstressproblemen symptomen burn-out
28,9 10,2 s
12,1
11,5
977
965
28,8
29,8
9,7
1 763
1 353
34,2
9,6
s s
13,7
29,3
9,4
ns ns
12,1
s s
1 642
36,8
12,3
s s
19,0
13,6 s
ns
s
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019 Leeswijzer: De categorie met het rode balkje ‘symptomen burn-out’ is een subgroep binnen de groep ‘werkstressproblemen’ maar het aandeel wordt berekend op de totale populatie. Cijfers in het groen resp. in het rood wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) afname resp. toename van het aandeel werknemers met werkstressproblemen/burn-outklachten ten opzichte van het vorig meetpunt. Cijfers in een groen resp. rood kader wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) afname resp. toename van het aandeel werknemers met werkstressproblemen/burn-outklachten bij een vergelijking van de meetpunten 2004 en 2019. De verschiltoetsing (s versus ns) vergelijkt het sectorkengetal met het (ongewogen) gemiddelde voor alle sectoren op de Vlaamse arbeidsmarkt en besluit op basis van effectcoderingen en logistische regressie tot een al dan niet significante afwijking (Wald chi², s indien p < 0,05 versus ns indien p ≥ 0,05).
Tabel 4 en figuur 2 leren ons dat aandeel werknemers in het onderwijs met werkstressklachten met uitzondering voor het meetmoment 2007 - significant hoger ligt dan het Vlaamse sectorgemiddelde. Ook voor burn-outsymptomen laat de onderwijssector - met uitzondering voor de metingen 2004 en 2016 - significant ongunstiger scores optekenen.
11
Werkbaar werk in het onderwijs 2019
Figuur 2:
Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers met werkstressproblemen en burn-outsymptomen in de onderwijssector, met aanduiding van significante afwijkingen t.o.v. het Vlaamse sectorgemiddelde
50%
46,3% 41,1%
40%
32,4%
31,4%
35,4%
34,5%
30%
19,0%
20%
12,1%
11,8%
13,7%
12,1%
11,5%
10%
0%
2004
2007
2010
2013
werkstressproblemen afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen
2016
2019
symptomen burn-out afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019
2.2
Motivatie
In 2019 hebben 15,0% van de werknemers in de onderwijssector af te rekenen met motivatieproblemen, bij 6,6% is er sprake van ernstige demotivatie. Terwijl het aandeel onderwijsmedewerkers met motivatieproblemen in het voorbije decennium afnam van 10,6% bij de nulmeting 2004 naar 6,7% in 2010, registreren we sindsdien een stapsgewijze toename van de relatieve omvang van de probleemgroep die in 2019 (met 15,0%) het niveau van de nulmeting (significant) overtreft. Ook voor ‘ernstige demotivatie’ (6,6%) is er sprake van een significante verslechtering van de indicatorscores in vergelijking met de bevraging 2016 (4,3%) en met de nulmeting 2004 (4,4%). Tabel 5:
Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers met motivatieproblemen in de onderwijssector en op de Vlaamse arbeidsmarkt
motivatieproblemen
onderwijs
ernstige demotivatie
verschiltoetsing
2007
2010
2013
2016
2019
%
%
%
%
%
%
10,6
8,7
6,7
10,5
11,2
15,0
4,4 1 085
N
Vlaamse arbeidsmarkt
2004
motivatieproblemen ernstige demotivatie motivatieproblemen ernstige demotivatie
18,7 8,0
4,8
3,8
978
969
18,1
16,6
7,9
s
6,6 1 639
19,8
8,1
s s
4,3 1 353
18,1
7,5
s s
4,4 1 767
8,5
s s
21,1 10,0
s s
s s
s
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019 Leeswijzer: De categorie met het rode balkje ‘symptomen ernstige demotivatie’ is een subgroep binnen de groep ‘motivatieproblemen’ maar het aandeel wordt berekend op de totale populatie. Voor de betekenis van de kleurencodes (groene/rode cijfers en kaders) en de verschiltoetsing (s versus ns): zie tabel 4 onder 2.1 ‘Werkstress en burn-out’.
12
Werkbaar werk in het onderwijs 2019
Uit tabel 5 en figuur 3 kunnen we afleiden dat het aandeel werknemers met (ernstige) motivatieproblemen in het onderwijs bij alle metingen (nog steeds) gevoelig lager ligt dan het Vlaamse sectorgemiddelde. Figuur 3:
Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers met motivatieproblemen in de onderwijssector, met aanduiding van significante afwijkingen t.o.v. het Vlaamse sectorgemiddelde
30%
20%
15,0% 11,2%
10,5%
10,6%
10%
8,7% 6,7% 4,4%
0%
2004
4,8%
2007
6,6% 4,4%
3,8%
2010
4,3%
2013
motivatieproblemen afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen
2016
2019
ernstige demotivatie afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019
2.3
Leermogelijkheden
In 2019 bevindt 6,1% van de werknemers in de onderwijssector zich in een werksituatie met onvoldoende leermogelijkheden, bij 1,7% is er sprake van een ernstig leerdeficit. Uit tabel 6 blijkt dat daarmee een significante verbetering werd geboekt op het vlak van competentie-ontwikkeling sinds de nulmeting 2004 (toen 8,4% werknemers met onvoldoende leermogelijkheden werden geregistreerd). Deze vooruitgang voor leermogelijkheden in de sector spoort met de vastgestelde ontwikkelingen op de Vlaamse arbeidsmarkt. Tabel 6:
Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers met onvoldoende leermogelijkheden en een ernstig leerdeficit in de onderwijssector en op de Vlaamse arbeidsmarkt
onvoldoende leermogelijkheden
onderwijs
ernstig leerdeficit
verschiltoetsing
2007
2010
2013
2016
%
%
%
%
%
%
8,4
7,2
5,9
6,7
4,9
6,1
2,4 1 160
N
Vlaamse arbeidsmarkt
2004
onvoldoende leermogelijkheden 22,6 ernstig leerdeficit onvoldoende leermogelijkheden ernstig leerdeficit
8,4
2,6
2,0
915
894
19,9
18,2
7,3
s
s s
1,0
1,7
1 345
1 633
17,5
6,3
s s
2,2 1 739
18,0
6,6
16,6
6,1
s s
2019
5,5
s s
s s
s
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019 Leeswijzer: De categorie met het rode balkje ‘ernstig leerdeficit’ is een subgroep binnen de groep ‘onvoldoende leermogelijkheden’ maar het aandeel wordt berekend op de totale populatie. Voor de betekenis van de kleurencodes (groene/rode cijfers en kaders) en de verschiltoetsing (s versus ns): zie tabel 4 onder 2.1 ‘Werkstress en burn-out’.
13
Werkbaar werk in het onderwijs 2019
Uit tabel 6 en figuur 4 kunnen we afleiden dat het aandeel werknemers met een (ernstig) leerdeficit in de onderwijssector bij alle metingen substantieel lager ligt dan het Vlaamse sectorgemiddelde. Figuur 4:
Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers met onvoldoende leermogelijkheden en een ernstig leerdeficit in de onderwijssector, met aanduiding van significante afwijkingen t.o.v. het Vlaamse sectorgemiddelde
30%
20%
10%
8,4%
7,2% 2,4%
0%
2004
5,9% 2,6%
2007
6,7% 2,0%
2,2%
2010
1,7%
1,0%
2013
onvoldoende leermogelijkheden afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen
6,1%
4,9%
2016
2019
ernstig leerdeficit afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019
2.4
Werk-privé-balans
In 2019 worden 23,7% van de werknemers in de onderwijssector geconfronteerd met problemen met de combinatie werk-privé, bij 7,2% is er sprake van een acuut werk-privé-conflict. In vergelijking met de bevraging 2016 (met 18,4% en 4,9% als corresponderende kengetallen) en met de nulmeting 2004 (14,9% en 3,9%) gaat het om een gevoelige toename van het aandeel werknemers die kampen met een (acuut) onevenwicht in de werk-privé-balans. Tabel 7:
Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers met een (acuut) problematische werk-privé-balans in de onderwijssector en op de Vlaamse arbeidsmarkt
onderwijs
2004
2007
2010
2013
2016
%
%
%
%
%
%
problemen werk-privé-combinatie 14,9
15,0
16,4
17,5
18,4
23,7
acuut werk-privé-conflict
Vlaamse arbeidsmarkt verschiltoetsing
3,9 1 167
N
problemen werk-privé-combinatie 11,8 acuut werk-privé-conflict problemen werk-privé-combinatie acuut werk-privé-conflict
3,3
4,1
983
976
10,8
10,6
3,1
2,4
2,3
s
s
s
ns
ns
4,5
4,9
7,2
1 774
1 352
1 656
10,8
12,2
2,7
12,8
3,2
s s
2019
3,5
s s
s s
s
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019 Leeswijzer: De categorie met het rode balkje ‘acuut werk-privé-conflict’ is een subgroep binnen de groep ‘problemen met de werk-privé-combinatie’ maar het aandeel wordt berekend op de totale populatie. Voor de betekenis van de kleurencodes (groene/rode cijfers en kaders) en de verschiltoetsing (s versus ns): zie tabel 4 onder 2.1 ‘Werkstress en burn-out’.
14
Werkbaar werk in het onderwijs 2019
Uit tabel 7 en figuur 5 blijkt dat het aandeel onderwijsmedewerkers met werk-privécombinatieproblemen voor alle meetpunten significant hoger ligt dan het Vlaamse sectorgemiddelde. Voor de prevalentie van acute werk-privé-conflicten is dit sinds 2010 het geval. Figuur 5:
Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers met een (acuut) problematische werk-privé-balans in de onderwijssector, met aanduiding van significante afwijkingen t.o.v. het Vlaamse sectorgemiddelde
30%
23,7% 20%
15,0%
14,9%
17,5%
16,4%
18,4%
10%
7,2% 3,9%
0%
2004
3,3%
2007
4,5%
4,1%
2010
problemen werk-privé-combinatie afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen
2013
4,9%
2016
2019
acuut werk-privé-conflict afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019
15
Werkbaar werk in het onderwijs 2019
3
Determinanten van werkbaarheidsknelpunten in het onderwijs
Omdat het vanuit beleidsoogpunt uiteraard ook relevant is om de werkbaarheid van jobs oorzakelijk te kunnen duiden (wat maakt werk (on)werkbaar?), wordt in de werkbaarheidsmonitor ook gepeild naar een aantal kenmerken van de arbeidssituatie die de kwaliteit van jobs bedreigen dan wel bevorderen. In de monitor voor werknemers worden zes jobkenmerken via zogenaamde risico-indicatoren in kaart gebracht: werkdruk, emotionele belasting, taakvariatie (afwisseling in het werk), autonomie (zelfstandigheid in het werk), ondersteuning door de directe leiding en (belastende fysieke) arbeidsomstandigheden. Tabel 8:
Overzicht en omschrijving risico-indicatoren Vlaamse werkbaarheidsmonitor Omschrijving
Indicator Werkdruk
de mate van arbeidsbelasting vanuit kwantitatieve taakeisen, zoals werkvolume, werktempo, deadlines
Emotionele belasting
de mate van arbeidsbelasting vanuit contactuele taakeisen, inz. bij omgang met klanten (patiënten, leerlingen) of coördinatieopdrachten
Taakvariatie
de mate waarin de functie-inhoud een afwisselend takenpakket omvat en beroep doet op vaardigheden van werknemers
Autonomie
de mate waarin werknemers invloed hebben op de planning en organisatie van hun eigen werk – ‘regelmogelijkheden’
Ondersteuning directe leiding
de mate waarin werknemers door hun rechtstreekse chef adequaat gecoacht en sociaal gesteund worden
Arbeidsomstandigheden
de mate waarin werknemers blootgesteld worden aan fysieke inconveniënten in de werkomgeving en lichamelijke belasting
Ook voor deze zes werkbaarheidsrisico’s zijn grenzen bepaald die aangeven of de situatie al dan niet (acuut) problematisch is (Bourdeaud’hui, Janssens, Vanderhaeghe, 2019b). Niet problematische, problematische en acuut-problematische situaties worden voor de onderscheiden werkbaarheidsrisico’s als volgt benoemd: Tabel 9:
Terminologie voor de kengetallen voor de risico-indicatoren Niet problematisch
Problematisch
Acuut-problematisch
geen hoge werkdruk
hoge werkdruk
zeer hoge werkdruk
geen emotioneel belastend werk
emotioneel belastend werk
emotionele overbelasting
Taakvariatie
geen routinematig werk
routinematig werk
extreem routinematig werk
Autonomie
voldoende autonomie
gebrek aan autonomie
acuut gebrek aan autonomie
Ondersteuning door de directe leiding
voldoende steun door de directe leiding
onvoldoende steun door de directe leiding
negatieve relatie met de directe leiding
Arbeidsomstandigheden
geen belastende arbeidsomstandigheden
belastende arbeidsomstandigheden
zeer hoge fysieke belasting
Werkdruk Emotionele belasting
16
Werkbaar werk in het onderwijs 2019
In dit hoofdstuk tekenen we op basis van de kengetallen voor de risico-indicatoren in het onderwijs sectorspecifieke risicoprofielen uit voor de onderscheiden werkbaarheidsdimensies (werkstress, motivatie, leermogelijkheden en werk-privé-balans).
3.1
Werkbaarheidsrisico’s in de onderwijssector
In een eerste stap analyseren we de kengetallen voor de zes risicovelden, die voor de onderwijssector werden berekend. We bekijken daarbij de evolutie in de risico-indicatoren en vergelijken de sectorgegevens met de kengetallen voor de Vlaamse arbeidsmarkt.
3.1.1
Werkdruk
In 2016 heeft 41,1% van de werknemers in de onderwijssector af te rekenen met een (problematisch) hoge werkdruk, bij 17,7% is de situatie acuut-problematisch en is er sprake van een zeer hoge werkdruk. Waar de werkdrukindicator tussen 2004 en 2013 stabiele meetwaarden liet optekenen, registreren we bij de recente werkbaarheidsmetingen een gevoelige stijging van de sectorscores voor hoge werkdruk (van 28,4% in 2013 over 37,2% in 2016 naar 41,1% in 2019) en voor zeer hoge werkdruk (van 11,0% in 2013 over 15,8% in 2016 naar 17,7% in 2019). Tabel 10:
Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers geconfronteerd met een (zeer) hoge werkdruk in de onderwijssector en op de Vlaamse arbeidsmarkt
hoge werkdruk
onderwijs
zeer hoge werkdruk
verschiltoetsing
2007
2010
2013
2016
%
%
%
%
%
%
27,8
25,2
28,2
28,4
37,2
41,1
9,1
9,0
1 153
N
Vlaamse arbeidsmarkt
2004
hoge werkdruk zeer hoge werkdruk hoge werkdruk zeer hoge werkdruk
31,0 12,8
11,3
912
895
30,6
30,9
12,5
s
s s
s
11,0 1 744
29,0
15,8 1 347
36,8
11,1
16,3
ns
ns
ns ns
17,7 1 630
37,6
12,3 ns
2019
16,9 s
ns
ns
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019 Leeswijzer: De categorie met het rode balkje ‘zeer hoge werkdruk’ is een subgroep binnen de groep ‘hoge werkdruk’ maar het aandeel wordt berekend op de totale populatie. Cijfers in het groen resp. in het rood wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) afname resp. toename van het aandeel werknemers in een (zeer) hoge werkdruk-situatie ten opzichte van het vorig meetpunt. Cijfers in een groen resp. rood kader wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) afname resp. toename van het aandeel werknemers in een (zeer) hoge werkdruk-situatie bij een vergelijking van de meetpunten 2004 en 2019. De verschiltoetsing (s versus ns) vergelijkt het sectorkengetal met het (ongewogen) gemiddelde voor alle sectoren op de Vlaamse arbeidsmarkt en besluit op basis van effectcoderingen en logistische regressie tot een al dan niet significante afwijking (Wald chi², s indien p < 0,05 versus ns indien p ≥ 0,05).
De onderwijssector volgt daarmee de op de (ruimere) arbeidsmarkt vastgestelde trend voor werkdruk. Uit tabel 10 en figuur 6 kunnen we afleiden dat de werkdrukindicator - met in 2004 en 2007 nog gunstiger scores voor het onderwijs - bij de metingen in 2010, 2013 en 2016 geen significante verschillen tussen de sectorale kengetallen en het Vlaamse sectorgemiddelde laat zien. In 2019 ligt het aandeel onderwijsmedewerkers, die geconfronteerd worden met een hoge werkdruk, (significant) hoger dan het referentiecijfer voor de arbeidsmarkt.
17
Werkbaar werk in het onderwijs 2019
Figuur 6:
Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers in de onderwijssector geconfronteerd met een hoge werkdruk, met aanduiding van significante afwijkingen t.o.v. het Vlaamse sectorgemiddelde
50%
41,1%
40%
37,2%
30%
28,4%
28,2%
27,8%
25,2%
20%
17,7%
15,8% 9,1%
10%
0%
2004
2007
11,0%
11,3%
9,0%
2010
2013
2016
2019
hoge werkdruk
zeer hoge werkdruk
afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen
afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019
3.1.2
Emotionele belasting
In 2019 heeft 40,8% van de werknemers in de onderwijssector emotioneel belastend werk, bij 10,2% is er sprake van emotionele overbelasting. Waar in 2013 nog een daling in de sectorscores voor emotioneel belastend werk met bijna vier procentpunt werd genoteerd, gaat de geboekte vooruitgang in 2016 opnieuw verloren. Over de volledige meetperiode 2004-2019 registreren we een gevoelige toename van de groep die te maken krijgt met emotioneel belastend werk (van 30,4% naar 40,8%) en met emotionele overbelasting (van 5,2% naar 10,2%). Tabel 11:
Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers met emotioneel belastend werk in de onderwijssector en op de Vlaamse arbeidsmarkt
emotioneel belastend werk
onderwijs
emotionele overbelasting
verschiltoetsing
2007
2010
2013
2016
%
%
%
%
%
%
30,4
31,3
33,9
30,1
35,0
40,8
5,2 1 156
N
Vlaamse arbeidsmarkt
2004
emotioneel belastend werk emotionele overbelasting emotioneel belastend werk emotionele overbelasting
20,5 4,0
6,1
7,5
915
897
20,7
20,4
4,3
s
1 633
24,9
5,0
s s
10,2
23,0
4,0
s s
8,6 1 346
20,0
4,1
s s
6,2 1 748
5,9
s s
2019
s s
s
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019 Leeswijzer: De categorie met het rode balkje ‘emotionele overbelasting’ is een subgroep binnen de groep met ‘emotioneel belastend werk’ maar het aandeel wordt berekend op de totale populatie. Voor de betekenis van de kleurencodes (groene/rode cijfers en kaders) en de verschiltoetsing (s versus ns): zie tabel 10 onder 3.1.1 ‘Werkdruk’.
18
Werkbaar werk in het onderwijs 2019
Uit tabel 11 en figuur 7 blijkt dat het aandeel werknemers in het onderwijs met emotioneel belastend werk of in een situatie van emotionele overbelasting voor alle meetpunten significant afwijkt van het Vlaamse sectorgemiddelde en substantieel hoger ligt dan de kengetallen voor de arbeidsmarkt. Figuur 7:
Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers in de onderwijssector met emotioneel belastend werk, met aanduiding van significante afwijkingen t.o.v. het Vlaamse sectorgemiddelde
50%
40,8%
40%
31,3%
30,4%
30%
35,0%
33,9% 30,1%
20%
10%
5,2%
0%
2004
7,5%
6,1%
2007
2010
2013
emotioneel belastend werk afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen
10,2%
8,6%
6,2%
2016
2019
emotionele overbelasting afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019
3.1.3
Taakvariatie
In 2019 heeft 5,5% van de werknemers in de onderwijssector routinematig werk, bij 1,8% is de situatie acuut-problematisch en is er sprake van extreem routinematig werk. Over de volledige meetperiode 2004-2019 registreren we voor de sector geen significante verschuivingen op het vlak van taakvariatie. Tabel 12:
Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers met routinematig werk in de onderwijssector en op de Vlaamse arbeidsmarkt
routinematig werk
onderwijs
extreem routinematig werk
verschiltoetsing
2007
2010
2013
2016
%
%
%
%
%
%
5,9
5,3
3,9
5,8
4,8
5,5
2,0 1 161
N
Vlaamse arbeidsmarkt
2004
routinematig werk extreem routinematig werk routinematig werk extreem routinematig werk
23,8 11,5
1,7
2,0
917
897
23,5
22,8
10,5
s
s s
1,9
1,8
1 346
1 634
24,0
10,3
s s
2,4 1 750
23,7
10,5
23,0
10,5
s s
2019
10,2
s s
s s
s
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019 Leeswijzer: De categorie met het rode balkje ‘extreem routinematig werk’ is een subgroep binnen de groep met ‘routinematig werk’ maar het aandeel wordt berekend op de totale populatie. Voor de betekenis van de kleurencodes (groene/rode cijfers en kaders) en de verschiltoetsing (s versus ns): zie tabel 10 onder 3.1.1 ‘Werkdruk’.
19
Werkbaar werk in het onderwijs 2019
Tabel 12 en figuur 8 laten tevens zien dat het aandeel werknemers met (extreem) routinematig werk in de onderwijssector voor alle meetpunten substantieel lager ligt dan het Vlaamse sectorgemiddelde. Figuur 8:
Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers in de onderwijssector met routinematig werk, met aanduiding van significante afwijkingen t.o.v. het Vlaamse sectorgemiddelde
30%
20%
10%
5,9%
5,3% 2,0%
0%
2004
5,8%
3,9% 1,7%
2007
2,4%
2,0%
2010
5,5%
4,8% 1,9%
2013
1,8%
2016
2019
routinematig werk
extreem routinematig werk
afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen
afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019
3.1.4
Autonomie
In 2016 wordt 11,3% van de werknemers in de onderwijssector geconfronteerd met een gebrek aan autonomie bij de taakuitvoering, bij 1,5% is er sprake van een acuut gebrek aan autonomie. Het gaat om een beperkte, maar significante toename van het aandeel werknemers in een problematische situatie op het vlak van autonomie in vergelijking met de meetpunten 2007, 2010 en 2013 (met 8,6%, 8,7% en 9,3% als corresponderende kengetallen). Over de volledige meetperiode 2004-2019 registreren we geen significante verschuivingen. Tabel 13:
Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers geconfronteerd met een gebrek aan autonomie in de onderwijssector en op de Vlaamse arbeidsmarkt
gebrek aan autonomie
onderwijs
acuut gebrek aan autonomie
verschiltoetsing
2007
2010
2013
2016
%
%
%
%
%
9,7
8,6
8,7
9,3
11,6
1,4 1 159
N
Vlaamse arbeidsmarkt
2004
gebrek aan autonomie
20,8
acuut gebrek aan autonomie
7,3
gebrek aan autonomie acuut gebrek aan autonomie
s
1,3
1,5
911
892
20,2
19,5
7,5 s s
1,4
1,7
1,5
1 348
1 630
19,4
6,4
s s
18,5
6,2
s s
%
11,3
1 739
19,0
6,5
2019
5,7
s s
s s
s
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019 Leeswijzer: De categorie met het rode balkje ‘acuut gebrek aan autonomie’ is een subgroep binnen de groep met ‘autonomieproblemen’ maar het aandeel wordt berekend op de totale populatie. Voor de betekenis van de kleurencodes (groene/rode cijfers en kaders) en de verschiltoetsing (s versus ns): zie tabel 10 onder 3.1.1 ‘Werkdruk’.
20
Werkbaar werk in het onderwijs 2019
Uit tabel 13 en figuur 9 blijkt dat de onderwijssector weliswaar de vastgestelde positieve ontwikkeling voor autonomie op de (ruimere) arbeidsmarkt niet volgt, maar voor alle meetmomenten gevoelig gunstiger kengetallen laat optekenen in vergelijking met Vlaamse referentiecijfers. Figuur 9:
Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers in de onderwijssector geconfronteerd met een gebrek aan autonomie, met aanduiding van significante afwijkingen t.o.v. het Vlaamse sectorgemiddelde
30%
20%
11,6% 9,7%
10%
1,4% 0%
8,7%
8,6%
2004
1,5%
1,3%
2007
11,3%
9,3%
1,7%
1,4%
2010
2013
gebrek aan autonomie afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen
1,5%
2016
2019
acuut gebrek aan autonomie afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019
3.1.5
Ondersteuning door de directe leiding
In 2019 krijgt 14,1% van de werknemers in de onderwijssector onvoldoende steun van de directe leiding, bij 5,1% is er zelfs sprake van een negatieve relatie met de leiding. Tussen de opeenvolgende werkbaarheidsmetingen en over de volledige meetperiode 2004-2016 tekenen we voor de sector geen significante verschuivingen op voor deze risico-indicator. Tabel 14:
Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers geconfronteerd met onvoldoende steun vanuit/negatieve relatie met de directe leiding in de onderwijssector en op de Vlaamse arbeidsmarkt
onvoldoende steun leiding
onderwijs
negatieve relatie met leiding
verschiltoetsing
2007
2010
2013
2016
%
%
%
%
%
%
14,3
14,5
12,8
15,3
16,0
14,1
5,8 1 154
N
Vlaamse arbeidsmarkt
2004
onvoldoende steun leiding
16,1
5,4
4,8
911
894
16,0
14,8
2019
4,9
5,4
5,1
1 742
1 347
1 634
14,4
14,3
14,4
negatieve relatie met leiding
6,1
6,2
5,4
5,3
5,0
5,5
onvoldoende steun leiding negatieve relatie met leiding
s
ns
ns
ns
ns
ns
ns
ns
ns
ns
ns
ns
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019 Leeswijzer: De categorie met het rode balkje ‘negatieve relatie met de directe leiding’ is een subgroep binnen de groep ‘onvoldoende steun vanuit de directe leiding’ maar het aandeel wordt berekend op de totale populatie. Voor de betekenis van de kleurencodes (groene/rode cijfers en kaders) en de verschiltoetsing (s versus ns): zie tabel 10 onder 3.1.1 ‘Werkdruk’.
21
Werkbaar werk in het onderwijs 2019
Waar de sector in 2004 voor ‘onvoldoende steun vanuit de directe leiding’ nog een gunstiger score liet optekenen, blijken – uit tabel 14 en figuur 10 - de verschillen tussen het onderwijs en het Vlaamse sectorgemiddelde sindsdien niet (langer) significant. Figuur 10: Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers in de onderwijssector geconfronteerd met onvoldoende steun vanuit/negatieve relatie met de directe leiding, met aanduiding van significante afwijkingen t.o.v. het Vlaamse sectorgemiddelde 20%
14,5%
14,3%
16,0%
15,3%
14,1%
12,8% 10%
5,8%
0%
2004
5,4%
2007
5,4%
4,9%
4,8%
2010
2013
onvoldoende steun door directe leiding afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen
5,1%
2016
2019
negatieve relatie met directe leiding afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019
3.1.6
Arbeidsomstandigheden
In 2019 wordt 3,2% van de werknemers in de onderwijssector geconfronteerd met belastende arbeidsomstandigheden, bij 0,5% is er sprake van een zeer hoge fysieke belasting. Over de volledig meetperiode - zo blijkt uit tabel 15 - registreren we een significante toename van het aandeel werknemers in een problematische situatie. Tabel 15:
Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers geconfronteerd met arbeidsomstandigheden in de onderwijssector en op de Vlaamse arbeidsmarkt
belastende arbeidsomstandigheden
onderwijs
zeer hoge fysieke belasting
Vlaamse arbeidsmarkt verschiltoetsing
2004
2007
2010
2013
2016
%
%
%
%
%
%
1,1
2,5
1,6
2,8
2,9
3,2
0,3 1 109
N
belastende arbeidsomstandigheden zeer hoge fysieke belasting belastende arbeidsomstandigheden zeer hoge fysieke belasting
belastende
12,1 4,5
0,8
0,5
971
963
13,7
13,0
5,3
s
s s
0,7
0,5
1 359
1 664
14,9
4,5
s s
0,2 1 777
12,9
4,4
15,3
5,7
s s
2019
5,7
s s
s s
s
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019 Leeswijzer: De categorie met het rode balkje ‘zeer hoge fysieke belasting’ is een subgroep binnen de groep ‘belastende arbeidsomstandigheden’ maar het aandeel wordt berekend op de totale populatie. Voor de betekenis van de kleurencodes (groene/rode cijfers en kaders) en de verschiltoetsing (s versus ns): zie tabel 10 onder 3.1.1 ‘Werkdruk’.
22
Werkbaar werk in het onderwijs 2019
Uit tabel 15 en figuur 11 kunnen we evenwel afleiden dat het aandeel onderwijsmedewerkers die te maken krijgen met belastende arbeidsomstandigheden substantieel lager ligt dan het Vlaamse sectorgemiddelde. Figuur 11: Evolutie 2004-2019 van het aandeel werknemers in de onderwijssector geconfronteerd met belastende arbeidsomstandigheden, met aanduiding van significante afwijkingen t.o.v. het Vlaamse sectorgemiddelde 20%
10%
2,5% 1,1% 0%
0,3%
2004
0,8%
2007
1,6%
0,5%
2010
belastende arbeidsomstandigheden afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen
3,2%
2,9%
2,8% 0,2%
2013
0,7%
2016
0,5%
2019
zeer hoge fysieke belasting afwijkend sectorgemiddelde Vlaanderen
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004-2019
3.2
Risicoprofielen voor de onderwijssector
Op basis van de kengetallen voor de onderscheiden risico-indicatoren en de analyses over de samenhang tussen werkbaarheids- en risico-indicatoren (Bourdeaud’hui, Janssens, Vanderhaeghe, 2017a), kunnen we een aantal risicoprofielen ‘op maat van de onderwijssector’ construeren. Deze risicoprofielen verschaffen ons inzicht in de relevantie van diverse risicofactoren in de arbeidssituatie van specifieke werknemersgroepen: een risico is ernstiger naarmate er meer werknemers mee geconfronteerd worden én er een grotere kans bestaat dat werknemers door dit risico met een specifiek werkbaarheidsknelpunt af te rekenen krijgen. In wat volgt bespreken we achtereenvolgens de sectorspecifieke risicoprofielen voor werkstress, motivatie, leermogelijkheden en werk-privé-balans.
3.2.1
Risicoprofiel voor werkstress
Werkstress kan uiteraard allerlei oorzaken hebben. Standaard wordt daarbij gewezen in de richting van personele onderbezetting. Maar psychosociale overbelasting kan ook een gevolg zijn van afstemmingsproblemen door een onaangepaste arbeidsorganisatie en een gebrekkige communicatie op de werkplaats of samenhangen met een weinig adequate aansturing en ondersteuning van het personeel door leidinggevenden. In figuur 12 wordt de ‘ernstgraad’ van zes werkstressrisico’s in de arbeidssituatie geïllustreerd voor de werknemers in de onderwijssector.
23
Werkbaar werk in het onderwijs 2019
Figuur 12: Risicoprofiel voor werkstressproblemen in de onderwijssector 2019
5 hoge werkdruk
impact op w erkstress
4,5 4 3,5 3 2,5 2 1,5
belastende arbeidsomstandigheden
emotioneel belastend werk
onvoldoende ondersteuning leiding gebrek aan autonomie
routinematig werk
1 0%
10%
20%
30%
40%
50%
% werknemers Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019 Leeswijzer: De figuur verschaft ons inzicht in de relevantie van diverse risicofactoren voor het ontstaan van werkstressproblemen in de onderwijssector. De ernstgraad van specifieke risicofactoren wordt bepaald door 2 elementen: De impact van een specifieke risicofactor (verticale positionering van de onderscheiden buttons, berekend o.b.v. een logistische regressie-analyse en de daaruit resulterende odds ratio’s). Zo vormt een hoge werkdruk (ruim verviervoudiging van de kansverhouding werkstress/geen werkstress) duidelijk een hoger risico voor het ontstaan van werkstress dan een gebrek aan autonomie in het werk (de kansverhouding werkstress/geen werkstress verhoogt met factor anderhalf). Het aandeel werknemers dat zich in een problematische situatie voor een specifieke risicofactor bevindt (horizontale positie van de onderscheiden buttons). Zo zijn er in de sector beduidend meer werknemers die met emotioneel belastend werk (40,8%) dan met onvoldoende ondersteuning door de directe leiding (14,1%) worden geconfronteerd.
Werkdruk en emotionele belasting vormen de voornaamste risicofactoren voor werkstress in de onderwijssector. Hoge werkdruk en emotioneel belastend werk komen niet alleen vaak voor (41,1% respectievelijk 40,8% van de werknemers uit de sector wordt er mee geconfronteerd), maar verhogen ook aanzienlijk de kans op werkstressproblemen (een verviervoudiging respectievelijk verdubbeling van de kansverhouding). Ook een gebrek aan een ondersteuning door de directe leiding manifesteert zich als een relevant risico (verdubbeling van de kansverhouding): 14,1% van de onderwijsmedewerkers bevinden zich op dit vlak in een problematische situatie.
24
Werkbaar werk in het onderwijs 2019
3.2.2
Risicoprofiel voor motivatie
In figuur 13 wordt de ‘ernstgraad’ van zes motivatierisico’s in de arbeidssituatie van werknemers in de onderwijssector geïllustreerd. Figuur 13: Risicoprofiel voor motivatieproblemen in de onderwijssector 2019
5
impact op motivatie
4,5
routinematig werk
4
onvoldoende ondersteuning leiding
3,5 3 2,5 hoge werkdruk
2
gebrek aan autonomie
1,5
emotioneel belastend werk
belastende arbeidsomstandigheden
1 0%
10%
20%
30%
40%
50%
% werknemers Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019 Leeswijzer: De figuur verschaft ons inzicht in de relevantie van diverse risicofactoren voor het ontstaan van motivatieproblemen in de onderwijssector. De ernstgraad van specifieke risicofactoren wordt bepaald door 2 elementen: De impact van een specifieke risicofactor (verticale positionering van de onderscheiden buttons, berekend o.b.v. een logistische regressie-analyse en de daaruit resulterende odds ratio’s). Zo vormen routinematig werk en onvoldoende ondersteuning vanuit de directe leiding (verviervoudiging van de kansverhouding motivatieproblemen/geen motivatieproblemen) duidelijk een hoger risico voor het ontstaan van motivatieproblemen dan fysiek belastende arbeidsomstandigheden (toename van de kansverhouding motivatieproblemen/geen motivatieproblemen met een factor kleiner dan anderhalf). Het aandeel werknemers dat zich in een problematische situatie voor een specifieke risicofactor bevindt (horizontale positie van de onderscheiden buttons). Zo zijn er in de sector beduidend meer werknemers die met hoge werkdruk (41,1%) dan met onvoldoende ondersteuning vanuit de directe leiding (14,1%) worden geconfronteerd.
Routinematig werk en een gebrekkige ondersteuning door de directe leiding halen het motivatiepeil sterk naar beneden (verviervoudiging van het risico op motivatieproblemen). In de onderwijssector heeft slechts 5,5% van de werknemers routinematig werk en krijgt 14,1% onvoldoende steun van de directe leiding. Omwille van de impact (verdubbeling van het risico) en van het groot aantal betrokken werknemers is ook hoge werkdruk (41,1%) een relevante risicofactor voor het motivatievraagstuk in de sector. Gevarieerd werk en een voldoende ondersteuning door de directe leiding zijn noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde om werknemers te motiveren. Wanneer de prestatiedruk bepaalde grenzen overschrijdt, is de kans groot dat motivatieproblemen opduiken.
25
Werkbaar werk in het onderwijs 2019
3.2.3
Risicoprofiel voor leermogelijkheden
In figuur 14 wordt de ‘ernstgraad’ van de vijf risicofactoren voor het ontstaan van een leerdeficit bij werknemers in de onderwijssector in beeld gebracht. Figuur 14: Risicoprofiel voor onvoldoende leermogelijkheden in de onderwijssector 2019
7 routinematig werk
6,5
impact op leermogelijkheden
6 5,5 5
onvoldoende ondersteuning leiding
4,5 4 3,5
3
gebrek aan autonomie
2,5 2
belastende arbeidsomstandigheden
1,5 1 0%
10%
hoge werkdruk
20%
30%
40%
50%
% werknemers Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019 Leeswijzer: De figuur verschaft ons inzicht in de relevantie van diverse risicofactoren voor het ontstaan van een deficit op het vlak van leermogelijkheden in de onderwijssector. De ernstgraad van specifieke risicofactoren wordt bepaald door 2 elementen: De impact van een specifieke risicofactor (verticale positionering van de onderscheiden buttons, berekend o.b.v. een logistische regressie-analyse en de daaruit resulterende odds ratio’s). Zo vormt routinematig werk (ruim verzesvoudiging van de kansverhouding onvoldoende leermogelijkheden/voldoende leermogelijkheden) duidelijk een hoger risico voor het ontstaan van een leerdeficit dan een hoge werkdruk (de kansverhouding onvoldoende leermogelijkheden/voldoende leermogelijkheden verhoogt met een factor 1,15). Het aandeel werknemers dat zich in een problematische situatie voor een specifieke risicofactor bevindt (horizontale positie van de onderscheiden buttons). Zo zijn er in de sector meer werknemers die met onvoldoende ondersteuning vanuit de directe leiding (14,1%) dan met routinematig werk (5,5%) worden geconfronteerd.
Routinematig werk verhoogt het risico op problemen op het vlak van leermogelijkheden in hoge mate (een verzesvoudiging van de kansverhouding). Dat men van het ‘steeds herhalen van korte, eenvoudige handelingen’ niet veel bijleert verrast uiteraard niet. In het onderwijs heeft slechts 5,5% van de werknemers een routinematige job. Onvoldoende ondersteuning vanuit de directe leiding is een belangrijker aandachtspunt voor de sector: 14,1% wordt hiermee geconfronteerd en de impact op de leerkansen in de job is relatief groot (verviervoudiging van het risico op onvoldoende leermogelijkheden). Verder valt ook op dat een relatief ruime groep van werknemers in de sector kampt met problemen op het vlak van autonomie (11,3%), een andere belangrijke risicofactor voor leermogelijkheden.
26
Werkbaar werk in het onderwijs 2019
3.2.4
Risicoprofiel voor werk-privé-balans
Figuur 15 evalueert de relevantie van de vijf risicofactoren voor een problematische werk-privébalans bij werknemers in de onderwijssector. Figuur 15: Risicoprofiel voor problemen met de werk-privé-combinatie in de onderwijssector 2019
6
hoge werkdruk
impact op w erk-privé-balans
5,5 5 4,5 4 3,5 3 2,5 2 1,5
emotioneel belastend werk
onvoldoende steun directe leiding
belastende arbeidsomstandigheden
gebrek aan autonomie
1 0%
10%
20%
30%
40%
50%
% werknemers Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019 Leeswijzer: De figuur verschaft ons inzicht in de relevantie van diverse risicofactoren voor het ontstaan van problemen met de werk-privé-combinatie in de onderwijssector. De ernstgraad van specifieke risicofactoren wordt bepaald door 2 elementen: De impact van een specifieke risicofactor (verticale positionering van de onderscheiden buttons, berekend o.b.v. een logistische regressie-analyse en de daaruit resulterende odds ratio’s). Zo vormt een hoge werkdruk (ruim vervijfvoudiging van de kansverhouding problemen met de werk-privé-combinatie/haalbare werk-privé-combinatie) duidelijk een hoger risico voor het ontstaan van een problematische werk-privé-balans dan een gebrek aan autonomie (de kansverhouding problemen met de werk-privé-combinatie/haalbare werk-privé-combinatie verhoogt met een factor kleiner dan anderhalf). Het aandeel werknemers dat zich in een problematische situatie voor een specifieke risicofactor bevindt (horizontale positie van de onderscheiden buttons). Zo zijn er in de sector beduidend meer werknemers die met een hoge werkdruk (41,1%) dan met onvoldoende ondersteuning vanuit de directe leiding (14,1%) worden geconfronteerd.
Werkdruk blijkt veruit de belangrijkste risicofactor voor de werk-privé-balans in de onderwijssector. Een hoge werkdruk komt niet alleen vaak voor (41,1% van de werknemers uit de sector wordt er mee geconfronteerd), maar verhoogt ook aanzienlijk (ruim vervijfvoudiging van) het risico op een onevenwicht in de werk-privé-balans. Ook emotionele belasting vormt een belangrijk aandachtspunt voor het werk-privé-combinatievraagstuk in de sector: 40,8% van de werknemers heeft met emotioneel belastend werk te maken en de impact op de werk-privé-balans is (met een verdubbeling van het risico) relatief groot. Onvoldoende steun door de directe leiding heeft eenzelfde risicoverhogend effect, maar komt in de sector minder frequent voor (14,1% van de werknemers heeft er mee af te rekenen).
27
Werkbaar werk in het onderwijs 2019
4
Vergelijking van de werkbaarheidssituatie van leerkrachten en omkaderend personeel in de onderwijssector
We gaan er van uit dat er binnen een sector belangrijke verschillen kunnen bestaan in de arbeidssituatie en werkbeleving van deelgroepen van werknemers. In dit hoofdstuk confronteren we de werkbaarheidssituatie van leerkrachten (kleuterleiders, onderwijzers, lectoren, docenten) met die van het omkaderend personeel (van werknemers in onderhoud, catering of logistieke dienstverlening over administratief personeel tot coördinatoren en directiepersoneel). Tabel 16 vergelijkt voor de meting 2019 systematisch de werkbaarheidsgraad, de werkbaarheidsindicatoren en de risico-indicatoren voor beide deelgroepen. Tabel 16:
Vergelijking werkbaarheidssituatie leerkrachten en omkaderend personeel in de onderwijssector leerkracht %
werkbaarheidsgraad
werkbaar werk N
omkaderend personeel %
verschiltoetsing
43,9
53,6
1 206
343
48,3 20,9
38,1 12,2
s
s
onderwijssector %
45,7 1 576
werkbaarheidsknelpunten werkstress
werkstressproblemen symptomen burn-out
s
welbevinden/motivatie
motivatieproblemen ernstige demotivatie
15,2 6,8
14,1 5,8
ns
leermogelijkheden
onvoldoende leermogelijkheden ernstig leerdeficit
5,0 1,0
9,6 3,7
s
werk-privé-balans
ns
s
problemen werk-privé combinatie acuut werk-privé-conflict
27,1 8,1
11,8 4,7
s
hoge werkdruk
41,4 18,5
38,9 14,9
ns
zeer hoge werkdruk emotioneel belastend werk emotionele overbelasting
44,9 10,8
26,6 8,1
s
46,3 19,0 15,0 6,6 6,1 1,7 23,7 7,2
werkbaarheidsrisico's werkdruk emotionele belasting taakvariatie
routinematig werk extreem routinematig werk
2,6 0,5
14,5 6,1
autonomie
gebrek aan autonomie acuut gebrek aan autonomie
12,5 1,5
7,6 1,4
ondersteuning leiding fysieke arbeidsomstandigheden
onvoldoende steun directe leiding negatieve relatie met directe leiding belastende arbeidsomstandigheden zeer hoge fysieke belasting
14,5 5,5 3,0 0,2
ns s
41,1 17,7 40,8
ns
10,2
s
5,5
s s ns
12,1 4,2
ns
3,8 1,1
ns
ns
s
1,8 11,3 1,5 14,1 5,1 3,2 0,5
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019 Leeswijzer: De rijen met de rode blokjes hebben betrekking op werknemers in een acuut problematische situatie, d.i. een subgroep binnen de groep die geconfronteerd wordt met werkbaarheidsknelpunten of –risico’s, maar hun aandeel wordt berekend op de totale populatie. De codering s/ns wijst er op dat bij toetsing een al dan niet significant verschil (Pearson chi² ; p < 0,05) tussen de meetgegevens van de deelgroepen werd vastgesteld.
De werkbaarheidsgraad ligt (in 2019) bij leerkrachten (43,9%) bijna 10 procentpunt lager dan bij de medewerkers van het omkaderend personeel (53,6%).
28
Werkbaar werk in het onderwijs 2019
We registreren eveneens (significante) verschillen tussen het aandeel leerkrachten respectievelijk medewerkers uit de omkaderende diensten die met specifieke (acute) werkbaarheidsknelpunten geconfronteerd worden. Werkstressklachten en burn-outsignalen komen frequenter voor bij leerkrachten (48,3% en 20,9%) dan bij het omkaderend personeel (38,1% en 12,2%). Ook op het vlak van de werk-privÊ-balans registreren we een hoger aandeel met (acute) combinatieproblemen bij leerkrachten (27,1% en 8,1%) dan bij hun collega’s van het omkaderend personeel (11,8% en 4,7%). Meer personeelsleden uit de omkadering dan leerkrachten hebben dan weer af te rekenen met onvoldoende leermogelijkheden (9,6% versus 5,0%) of een ernstig leerdeficit (3,7% versus 1,0%). Voor (ernstige) motivatieproblemen verschillen de knelpuntscores voor beide deelgroepen niet significant van elkaar. Een blik op de risico-indicatoren leert ons dat ook de kenmerken van de arbeidssituaties van beide groepen vaak uiteenlopen. Leerkrachten worden frequenter dan het omkaderend personeel geconfronteerd met emotioneel belastend werk (44,9% versus 26,6%) of een gebrek aan autonomie bij de taakuitvoering (12,5% versus 7,6%). Meer personeelsleden uit de omkadering dan leerkrachten hebben te maken met routinematig of extreem routinematig werk (14,5% en 6,1% versus 2,6% en 0,5%) of een zeer hoge fysieke belasting (1,1% versus 0,2%). De kengetallen voor beide deelgroepen voor (zeer) hoge werkdruk, emotionele overbelasting, een acuut gebrek aan autonomie, onvoldoende ondersteuning of een negatieve relatie met de directe leiding en problematische arbeidsomstandigheden verschillen niet significant van elkaar.
29
Werkbaar werk in het onderwijs 2019
5
Aanvullende informatie over de arbeidssituatie van werknemers in de onderwijssector
In de werkbaarheidsenquêtes wordt - naast de besproken indicatoren - ook aanvullende informatie opgevraagd over de arbeidssituatie en werkbeleving. Bij de meting 2019 werden gegevens verzameld over opleidingsparticipatie, arbeidstijdstijdregelingen, telewerk, pendeltijden, grensoverschrijdend gedrag, ziekteverzuim, verloopintentie en de haalbaarheid om door te werken tot de pensioenleeftijd. We brengen in dit hoofdstuk deze informatie voor de onderwijssector bijeen en vergelijken daarbij de sectorscores met de situatie op de Vlaamse arbeidsmarkt.
5.1
Opleidingsparticipatie
In tabel 17 vinden we cijfergegevens over opleidingsparticipatie. Het aandeel werknemers uit de onderwijssector, dat in het afgelopen jaar deelnam aan een bijscholing of bedrijfstraining, bedraagt 77,1%. Deze participatiegraad ligt ruim boven het niveau van de Vlaamse arbeidsmarkt, waar een percentage van 60,0% wordt opgetekend. Tabel 17:
Opleidingsparticipatie van werknemers in de onderwijssector en op de Vlaamse arbeidsmarkt 2019 onderw ijs
deelnam e aan bijscholing of bedriijfstraining in het afgelopen jaar
Vlaam se arbeidsm arkt
%
%
verschiltoetsing
77,1
60,0
s
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019 Leeswijzer: De codering s/ns wijst er op dat bij toetsing een al dan niet significant verschil werd vastgesteld (Pearson chi²; p<0,05) tussen de meetgegevens voor de onderwijssector en (de rest van) de Vlaamse arbeidsmarkt.
5.2
Atypische werktijden
De informatie over het aandeel werknemers in specifieke arbeidstijdregelingen (deeltijds werk, onvoorspelbare werkroosters, nachtarbeid, overwerk, behandeling e-mails of telefonische bereikbaarheid buiten de werkuren) wordt opgelijst in tabel 18. In 2019 werkt 66,1% van de werknemers in de onderwijssector voltijds en 33,9% deeltijds (met 23,5% ‘grote’ en 10,4% ‘kleine’ deeltijdse contracten). Het percentage deeltijders in het onderwijs ligt daarmee hoger dan het corresponderende Vlaamse arbeidsmarktcijfer (31,6%). Van de werknemers in de onderwijssector wordt 44,8% sporadisch en 21,6% systematisch met wijzigingen in het uurrooster geconfronteerd. Het aandeel werknemers in de sector dat met onvoorspelbare werkroosters te maken krijgt ligt hoger dan op de ruimere arbeidsmarkt, waar percentages van 35,7% en 16,6% worden opgetekend.
30
Werkbaar werk in het onderwijs 2019
Tabel 18:
Arbeidstijdregimes van werknemers uit de onderwijssector en op de Vlaamse arbeidsmarkt 2019 onderw ijs
Vlaam se arbeidsm arkt
%
%
voltijders
66,1
68,4
deeltijders ≥ 60%
23,5
22,7
deeltijders < 60%
10,4
8,9
geen
33,6
47,7
sporadisch
44,8
35,7
frequent
21,6
16,6
geen nachtw erk
88,7
87,0
1-2 nachtprestaties/m aand
5,5
4,6
3-10 nachtprestaties/m aand
5,1
6,7
>10 nachtprestaties/m aand
0,7
1,7
geen/sporadisch overw erk
33,4
57,9
frequent overw erk m et recuperatie
4,6
18,0
frequent overw erk zonder recuperatie
62,1
24,1
verschiltoetsing
verdeling voltijders - deeltijders s
roosterw ijzigingen
s
nachtarbeid
s
overw erk
s
behandeling e-m ails buiten de w erkuren neen
4,9
40,9
sporadisch
13,4
26,3
regelm atig
81,8
32,8
neen
12,2
26,0
sporadisch
29,8
33,3
regelm atig
58,0
40,7
s
telefonische bereikbaarheid buiten de w erkuren s
effectieve gem iddelde w ekelijkse arbeidsduur voltijders ( aantal uren per week ) 41,5
41,5
ns
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019 Leeswijzer: De codering s/ns wijst er op dat bij toetsing een al dan niet significant verschil werd vastgesteld (Pearson chi² of ANOVA-F; p<0,05) tussen de meetgegevens voor de onderwijssector en (de rest van) de Vlaamse arbeidsmarkt.
In de onderwijs doet 11,3% van de werknemers op regelmatige basis nachtwerk (dit zijn prestaties tussen 23u00 en 5u00). Bij 5,5% gaat het om gemiddeld 1 à 2 nachtprestaties per maand, bij 5,1% om 3 tot 10 nachtprestaties per maand en bij 0,7% om meer dan 10 nachtprestaties per maand. Systematisch nachtwerk komt in de onderwijssector minder frequent voor dan op de (rest van de) Vlaamse arbeidsmarkt.
31
Werkbaar werk in het onderwijs 2019
Ruim twee derde van de werknemers (66,7%) uit het onderwijs werkt regelmatig over, bij 62,1% gaat het om structureel overwerk zonder inhaalrust. Overwerk en vooral structureel overwerk komen significant meer voor in de sector in vergelijking met de Vlaamse arbeidsmarkt (waar respectieve percentages van 42,1% en 24,1% worden opgetekend). Het aandeel werknemers in de onderwijssector, dat buiten de werkuren thuis regelmatig e-mails behandelt, ligt met 81,8% beduidend hoger dan op de Vlaamse arbeidsmarkt (32,8%). Het aandeel werknemers in de sector, dat regelmatig buiten de werkuren telefonisch bereikbaar is/moet zijn, ligt met 58,0% eveneens boven het overeenstemmende arbeidsmarktpercentage (40,7%). De gemiddelde effectieve arbeidsduur van voltijdse werknemers in de onderwijssector ligt met 41,5 uur per week precies op het arbeidsmarktgemiddelde.
5.3
Telewerken
Tabel 19 bevat informatie over de verspreiding van telethuiswerk in de onderwijssector in 2019 en vergelijkt deze gegevens met de andere bedrijfstakken en de Vlaamse arbeidsmarkt. Tabel 19: Aandeel telethuiswerkers in de onderwijssector en op de Vlaamse arbeidsmarkt 2019 onderw ijs
Vlaam se arbeidsm arkt
%
%
geen telethuisw erk
81,3
78,8
sporadisch telethuisw erk (< 1 dag/w eek)
7,6
9,8
system atisch telethuisw erk (≼ 1 dag/w eek)
11,1
11,4
verschiltoetsing
s
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019 Leeswijzer: De codering s/ns wijst er op dat bij toetsing een al dan niet significant verschil werd vastgesteld (Pearson chi²; p<0,05) tussen de meetgegevens voor de onderwijssector en (de rest van) de Vlaamse arbeidsmarkt.
De telethuiswerkformule is in de onderwijssector (met 18,7% sporadische of systematische telethuiswerkers) minder ingeburgerd dan op de ruimere arbeidsmarkt (21,2% telethuiswerkers).
32
Werkbaar werk in het onderwijs 2019
5.4
Woon-werk-verkeer en pendeltijden
Bijna vier op de tien (37,8%) van de werknemers in de onderwijssector is dagelijks minder dan een half uur op weg ‘van en naar het werk’, een derde (31,9%) besteedt tussen een half uur en een uur aan het woon-werk-verkeer, bij ruim een vijfde (22,4%) ligt de dagelijkse pendeltijd tussen een uur en twee uur en 7,9% is dagelijks twee uur of langer onderweg. Tabel 20:
Dagelijkse pendeltijd van werknemers in de onderwijssector en op de Vlaamse arbeidsmarkt 2019 onderw ijs
Vlaam se arbeidsm arkt
%
%
m inder dan een half uur
37,7
35,4
m instens een half uur m aar m inder dan een uur
31,9
29,5
m instens een uur m aar m inder dan tw ee uur
22,3
24,7
tw ee uur of m eer
7,9
10,3
verschiltoetsing
s
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019 Leeswijzer: De codering s/ns wijst er op dat bij toetsing een al dan niet significant verschil werd vastgesteld (Pearson chi²; p<0,05) tussen de meetgegevens voor de onderwijssector en (de rest van) de Vlaamse arbeidsmarkt.
Tabel 20 leert ons dat pendeltijden van werknemers uit de sector significant afwijken van die van hun collega’s uit andere bedrijfstakken: het aandeel werknemers met een dagelijkse verplaatsingstijd van minder dan een uur ligt in de onderwijssector met 69,6% hoger dan gemiddeld op de Vlaamse arbeidsmarkt (64,9%).
5.5
Grensoverschrijdend gedrag
Tabel 21 inventariseert de informatie uit de werkbaarheidsenquête 2019 over het voorkomen van verschillende vormen van grensoverschrijdend gedrag in de onderwijssector en op de Vlaamse arbeidsmarkt: (fysiek) geweld, (verbale) intimidatie of bedreiging, ongewenst seksueel gedrag en pesten. Het aandeel werknemers uit het onderwijs dat in het afgelopen jaar slachtoffer werd van lichamelijk geweld (9,6%) of intimidatie of bedreiging (23,2%) ligt duidelijk hoger dan op de ruimere arbeidsmarkt (waar respectieve slachtofferpercentages van 6,2% en 18,6% worden opgetekend). Voor ongewenst seksueel gedrag liggen de sectorscores (2,4% is slachtoffer) lager dan op de rest van de arbeidsmarkt (3,8%). Het aandeel onderwijsmedewerkers dat in het afgelopen jaar slachtoffer was van pestgedrag (10,6% sporadisch en 1,7% regelmatig) verschilt niet (significant) van de situatie in de andere sectoren.
33
Werkbaar werk in het onderwijs 2019
Tabel 21:
Aandeel werknemers slachtoffer van grensoverschrijdend gedrag in de onderwijssector en op de Vlaamse arbeidsmarkt 2019 onderw ijs
Vlaam se arbeidsm arkt
%
%
verschiltoetsing
slachtoffer van licham elijk gew eld nooit
90,4
93,7
sporadisch
8,5
5,4
regelm atig
1,1
0,8
s
slachtoffer van intim idatie of bedreiging nooit
76,8
81,4
sporadisch
20,4
15,7
regelm atig
2,8
2,9
s
slachtoffer van ongew enst seksueel gedrag nooit
97,7
96,2
sporadisch
2,3
3,6
regelm atig
0,1
0,2
s
slachtoffer van pesten nooit
87,7
89,0
sporadisch
10,6
9,0
regelm atig
1,7
1,9
ns
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019 Leeswijzer: De codering s/ns wijst er op dat bij toetsing een al dan niet significant verschil werd vastgesteld (Pearson chi²; p<0,05) tussen de meetgegevens voor de onderwijssector en (de rest van) de Vlaamse arbeidsmarkt.
5.6
Indicatoren voor duurzame inzetbaarheid
Tabel 22 bevat een aantal indicatoren van duurzame inzetbaarheid voor 2019, met gegevens over (frequent en langdurig) ziekteverzuim, de verloopintentie en werkonzekerheid bij werknemers en hun inschatting van de haalbaarheid om (in de huidige job) door te werken tot de pensioenleeftijd.
34
Werkbaar werk in het onderwijs 2019
Tabel 22:
Gerapporteerd ziekteverzuim, verloopintentie, inschatting werkonzekerheid en haalbaarheid om door te werken tot het pensioen bij werknemers in de onderwijssector en op de Vlaamse arbeidsmarkt 2019 onderw ijs
Vlaam se arbeidsm arkt
%
%
verschiltoetsing
frequent ziekteverzuim ( ≼ 3 keer afw ezig/in afgelopen jaar)
12,9
10,3
s
langdurig ziekteverzuim ( > 20 dagen afw ezig/in afgelopen jaar)
10,0
10,0
ns
regelm atig op zoek naar ander w erk
9,3
10,5
ns
kans op jobverlies groot
3,5
2,9
ns
ziekteverzuim
verloopintentie en w erkonzekerheid
haalbaarheid pensioen doorw erken in huidige job tot pensioen haalbaar
48,9
57,9
doorw erken tot pensioen haalbaar, m its aangepast w erk
47,6
36,5
doorw erken tot pensioen niet haalbaar
3,5
5,7
s
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2019 Leeswijzer: De codering s/ns wijst er op dat bij toetsing een al dan niet significant verschil werd vastgesteld (Pearson chi²; p<0,05) tussen de meetgegevens voor de onderwijssector en (de rest van) de Vlaamse arbeidsmarkt.
Het aandeel frequente (ziekte)verzuimers ligt in het onderwijs significant hoger dan in andere sectoren: 12,9% van de onderwijsmedewerkers was in het afgelopen jaar drie keer of meer afwezig op het werk wegens ziekte of ongeval (t.o.v. 10,3% op de Vlaams arbeidsmarkt). Langdurig ziekteverzuim komt in de onderwijssector niet meer voor dan in andere bedrijfstakken: 10,0% was in het afgelopen jaar meer dan 20 dagen afwezig wegens ziekte of ongeval. Voor verloopintentie en werkonzekerheid wijken de indicatoren voor het onderwijs niet af van deze voor de rest van de arbeidsmarkt: bij 9,3% van de werknemers uit de onderwijssector registreren we een hoge verloopintentie, 3,5% rekent met een hoog werkloosheidsrisico. Gepeild naar de haalbaarheid om in de huidige job door te werken tot het pensioen, beoordeelt 48,9% van werknemers uit de onderwijssector daartoe in staat te zijn is en geeft 47,6% aan dat langer doorwerken enkel kan mits aangepast werk (lichter werk, deeltijds werk). Het aandeel werknemers in de sector dat vragende partij is voor aanpassingen aan de job om langer te kunnen doorwerken ligt daarmee beduidend hoger dan gemiddeld op de Vlaamse arbeidsmarkt (36,5%).
35
Werkbaar werk in het onderwijs 2019
Referentielijst Bourdeaud’hui, R., Janssens, F., & Vanderhaeghe, S. (2017a). Wat maakt werk werkbaar voor werknemers? Onderzoek naar determinanten van werkbaar werk op basis van de Vlaamse Werkbaarheidsmonitor. Brussel: SERV-Stichting Innovatie & Arbeid. Geraadpleegd op http://www.serv.be/node/11669 Bourdeaud’hui, R., Janssens, F. & Vanderhaeghe, S. (2017b). Werkbaar werk in het onderwijs. Sectorale analyse op de Vlaamse werkbaarheidsmonitor 2004-2016. Brussel: SERV-Stichting Innovatie & Arbeid. Geraadpleegd op http://www.serv.be/node/11490 Bourdeaud’hui, R., Janssens, F., & Vanderhaeghe, S. (2019a). Vlaamse werkbaarheidsmonitor 2019 - werknemers. Brussel: SERV-Stichting Innovatie & Arbeid. Geraadpleegd op http://www.serv.be/node/13448 Bourdeaud’hui, R., Janssens, F., & Vanderhaeghe, S. (2019b). Methodologie Vlaamse werkbaarheidsmonitor. Brussel: SERV-Stichting Innovatie & Arbeid. Geraadpleegd op http://www.serv.be/node/13437
36