Advies Tijdelijk gemeenschappelijk initiatiefrecht: tijdelijke afwijking BVR voor opleidingen op voorstel van de werkgever Brussel, 26 april 2021
SERV_20210426_Tijdelijk_gemeenschappelijk_initiatiefrecht_ADV Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen Wetstraat 34-36, 1040 Brussel T +32 2 209 01 11 info@serv.be www.serv.be
Tijdelijk gemeenschappelijk initiatiefrecht: tijdelijke afwijking BVR voor opleidingen op voorstel van de werkgever
.
Adviesvraag: BVR tot bepaling van tijdelijke afwijkingen van het BVR van 21 december 2018 tot uitvoering van afdeling 6 – toekenning van betaald educatief verlof in het kader van voortdurende vorming van de werknemers – van hoofdstuk IV van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen en tot wijziging van artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2013 betreffende de loopbaanbegeleiding, wat betreft opleidingen op voorstel van de werkgever Adviesvrager: Hilde Crevits - Vlaams minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale economie en Landbouw Ontvangst adviesvraag: 29 maart 2021 Adviestermijn: 30 dagen Decretale opdracht: SERV-decreet 7 mei 2004 art. 11 (overlegfunctie) Goedkeuring raad: 26 april 2021
Contactpersoon: Linde Buysse - lbuysse@serv.be
2
Mevrouw Hilde CREVITS Vlaams minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale economie en Landbouw Consciencegebouw Koning Albert II laan 15 B-1210 Sint-Joost-ten-Node
contactpersoon Linde Buysse lbuysse@serv.be
ons kenmerk SERV_BR_20210426_Tijdelijk_gemeenschappelijk_initiatiefrecht
Brussel 26 april 2021
Tijdelijk gemeenschappelijk initiatiefrecht
Mevrouw de viceminister-president De SERV ontving de adviesvraag betreffende het BVR tot wijziging van het BVR van 21 december 2018 tot uitvoering van afdeling 6 – toekenning van betaald educatief verlof in het kader van voortdurende vorming van de werknemers – van hoofdstuk IV van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen en tot wijziging van artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2013 betreffende de loopbaanbegeleiding, voor opleidingen op voorstel van de werkgever. De SERV is tevreden dat er snel werk wordt gemaakt van de afspraken die werden gemaakt in het VESOC-akkoord Alle hens aan dek1. De Vlaamse sociale partners vinden het positief dat de nota een duidelijk omschrijving geeft van dit tijdelijk gemeenschappelijk initiatiefrecht, maar willen wel wijzen op het belang van een goede informatiecampagne en sensibilisering zodat werknemers en werkgevers, in het bijzonder kmo’s, tijdig op de hoogte zijn van dit tijdelijk experiment. De SERV wil in dezen extra aandacht voor de begeleiding van kmo’s en van (kwetsbare) werknemers naar de ‘juiste’ opleiding. De SERV wil ook het belang benadrukken van de rol van het overleg, conform de wetgeving inzake sociaal overleg, tussen de werkgever en de werknemer aangaande de planning van het VOV. Indien de situatie zich voordoet dat er voor een werknemer twee opleidingen samenvallen (één op initiatief van de werknemer en één op gemeenschappelijk initiatief) kan het niet de bedoeling zijn dat de werknemer deze niet meer mag volgen omdat de werkgever in het kader van het gemeenschappelijk initiatiefrecht een andere opleiding voorstelt. Het initiële recht van de werknemer moet steeds worden gevrijwaard. Daarnaast vraagt de SERV om een evaluatie in te schrijven in het BVR. Tijdens het schooljaar 2021-2022 loopt het tijdelijke experiment, maar de Vlaamse sociale partners willen dat dit experiment ook grondig wordt geëvalueerd zodat een eventuele definitieve aanpassing aan de regelgeving vanaf 2022-2023 kan worden onderzocht in overleg met de Vlaamse sociale
1
Zie speerpunt 4 punt 1 uit het VESOC-akkoord Alle hens aan dek: http://www.serv.be/node/14067 SERV_20210426_Tijdelijk_gemeenschappelijk_initiatiefrecht_ADV Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen Wetstraat 34-36, 1040 Brussel T +32 2 209 01 11 info@serv.be www.serv.be
Tijdelijk gemeenschappelijk initiatiefrecht: tijdelijke afwijking BVR voor opleidingen op voorstel van de werkgever
partners. Dit experiment is immers een goede test om te kijken in welke mate werkgevers de opleidingsdeelname meer gaan stimuleren en/of werknemers daardoor meer gebruik gaan maken van het ‘gewone’ VOV om opleiding te volgen. Tot slot heeft de SERV nog een punctuele opmerking. De beschrijving van de artikelen in de nota (5 artikelen) komt niet overeen met die in het BVR (6 artikelen). De toelichting van artikel 2 in het BVR ontbreekt in de nota. Hoogachtend
Pieter Kerremans
Ann Vermorgen
administrateur-generaal
voorzitter
4