Skip to main content

2021-02-24_ecoduct_groenendaal_eindrapport_web_0.pdf

Page 1

Monitoring van drie ontsnipperende maatregelen in het Zoniënwoud Eindrapport omgevingvlaanderen.be


Monitoring van drie ontsnipperende maatregelen in het Zoniënwoud De studie begint met een uitgebreide samenvatting, gevolgd door een inleiding. Vervolgens volgt een bespreking van de verschillende onderzochte taxonomische groepen (Hoofdstukken 2 – 12), waarbij telkens de methodiek en de resultaten van het onderzoek uitgebreid worden besproken. Elk van deze hoofdstukken wordt afgesloten met een conclusie, die kort de voornaamste bevindingen per hoofdstuk samenvat. Hoofdstuk 12 ten slotte geeft een aantal algemenere aanbevelingen voor het beheer. Dit rapport bevat de mening van de auteur(s) en niet noodzakelijk die van de Vlaamse Overheid.

COLOFON Verantwoordelijke uitgever Peter Cabus Departement Omgeving Partnerschappen met Besturen en Maatschappij Koning Albert IIͲlaan 20 bus 8, 1000 Brussel pbm.omgeving@vlaanderen.be www.omgevingvlaanderen.be Auteurs Simon Feys – Natuurpunt Studie Kris Boers – Zoogdierenwerkgroep Natuurpunt Jacobs Maarten – NatureͲID Jorg Lambrechts – Natuurpunt Studie Alex Lefevre – Vleermuizenwerkgroep Natuurpunt Roosmarijn Steeman – Natuurpunt Studie Pieter Vanormelingen – Natuurpunt Studie Sam Van De Poel – Natuurpunt Studie Wout Willems – Natuurpunt Studie Medewerkers Andreas Baele (cameravalonderzoek) Dirk Baksteen en en Gerda Dekerk (amfibieën) Pallieter De Smedt (determinatie pissebedden) Ann Lenaerts (liveͲtrap onderzoek muizen) Koen Lock (determinatie sprinkhanen bodemvallen) Willem Proesmans (determinatie duizendpoten en miljoenpoten) Sarah Tilkin (cameravalonderzoek) Francois Vankerkhoven (determinatie mieren) Johan Van Keer (determinatie spinnen) Sam Bennekens en Niels Van Nueten (vleermuizen)

omgevingvlaanderen.be


Depotnummer D/2022/3241/143 Wijze van citeren Feys S., Boers K., Jacobs M., Lambrechts, J., Lefevre A., Steeman R., Vanormelingen P., Van De Poel S. & Willems W. (2020). Monitoring van drie ontsnipperende maatregelen in het Zoniënwoud. Natuurpunt Studie i.o.v. Vlaamse Overheid, Departement Omgeving. Rapport Natuurpunt Studie 2020/15, Mechelen. PARTNERS

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 3 van 261


MANAGEMENTSAMENVATTING Het Zoniënwoud is gelegen aan de zuidrand van de Belgische hoofdstad Brussel. Het maakt deel uit van het Natura 2000 Netwerk en is gesitueerd in de drie Belgische gewesten. Het Zoniënwoud wordt doorkruist (en versnipperd) door verschillende zeer belangrijke verkeersaders zoals de Brusselse Ring (R0), de E411 en de spoorweg tussen Brussel en Luxemburg (lijn 161). Deze verkeersinfrastructuren vormen een barrière voor foeragerende, migrerende of disperserende fauna. Tijdens het LIFE+ OZON project werden in de periode 2013Ͳ2018 een aantal van de in het Zoniënwoud aanwezige ontsnipperingsobjecten opgeknapt om de barrièrewerking van de wegen te milderen. Daarnaast werden ook nieuwe ecologische infrastructuren aangelegd, waaronder een ecoduct over de R0. Dit laatste werd in mei 2018 volledig afgewerkt. Ook werd langs de autosnelwegen R0 en de E411 doorheen het Zoniënwoud in totaal 24 kilometer ecoraster geplaatst. Het raster heeft een dubbele functie: dieren geleiden naar veilige oversteekplaatsen onder (ecotunnels en faunabuizen) en over de autosnelwegen (ecoduct en boombrug), en een veilige verkeerssituatie creëren voor de tienduizenden automobilisten die dagelijks doorheen het Zoniënwoud rijden. Op de plaats waar het ecoduct zou worden gebouwd, werd voorafgaand aan de bouw een T0Ͳstudie uitgevoerd. Aangezien het ecoduct in 2018 werd afgewerkt, bespreekt voorliggende studie de resultaten van het T1Ͳonderzoek. Ecotunnel Flossendelle werd in 2015 voorzien van een ecologische inrichting. Het onderzoek uitgevoerd in 2018 betreft dus het T3Ͳonderzoek (aangezien de hier geplaatste camera’s werden gestolen/niet goed werkten, werden de gegevens uit 2018 gebruikt in plaats van deze uit 2019, zie verder in dit rapport). Ook faunabuis noord werd gebouwd in 2015, het onderzoek uitgevoerd in 2019 is voor dit object dus de T4Ͳstudie. Van maart 2019 t.e.m. maart 2020 werd met voorliggende studie een nieuw onderzoek opgestart, waarbij drie ontsnipperende maatregelen uitgebreid werden onderzocht: het ecoduct Groenendaal over de R0, en de ecotunnel en faunabuis noord bij Flossendelle. Verschillende soortgroepen werden hierbij onderzocht, met als doel antwoorden te krijgen op vragen als o.a. welke dieren de structuren gebruiken, een vergelijking tussen beide zijden van de ring, eventuele gebruiksͲ of seizoenale patronen, welke soorten vallen nog als verkeersslachtoffer en over welke aantallen gaat het, is er veel recreatie op/aan de objecten, … Voor wat het vegetatieonderzoek op het ecoduct betreft, werd eerst een vlakdekkende vegetatiekartering uitgevoerd. Op basis hiervan is een vegetatiekaart gemaakt, die weergeeft waar de verschillende vegetatietypes op het ecoduct voorkomen. Aanvullend werd ook een florakartering uitgevoerd, waarbij voor alle zeldzame soorten, kenmerkende plantensoorten voor bepaalde vegetatietypes en invasieve exoten de exacte locaties werden bepaald. Op basis van het vegetatieonderzoek kon – zoals verwacht bij een T1Ͳstudie – worden vastgesteld dat de vegetatie van het ecoduct nog volop in ontwikkeling is. De bosranden zijn zeer waardevol

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 4 van 261


en bevatten veel waardevolle indicatorsoorten. Het aantal invasieve exoten dat werd aangetroffen was laag. Voor het vleermuizenonderzoek werd gebruik gemaakt van automatische detectoren, waarbij telkens enkele detectoren twee tot vier weken werden geplaatst, en dit tijdens vier verschillende periodes. Analyse van de opnames leverde in totaal 11 verschillende soorten op. De meest opvallende soorten waren Ingekorven vleermuis (Europese Habitatrichtlijnsoort bijlage II), Bosvleermuis en Kleine dwergvleermuis. De wijze waarop een vleermuis gebruik maakt van ecoduct Groenendaal of tunnel Flossendelle, is sterk afhankelijk van de soort. Soorten die een voorkeur hebben voor een open of halfopen landschap (Rosse vleermuis, Bosvleermuis, Laatvlieger, en in beperktere mate Ruige dwergvleermuis) steken het ecoduct vrij vlot tot vlot over, en gebruiken het ecoduct tevens als foerageerzone. Deze soorten maken echter geen gebruik van de tunnel Flossendelle om de snelweg te kruisen. Soorten van een meer gesloten (bos)omgeving maken van het ecoduct slechts zeer beperkt (Gewone grootoorvleermuis, WaterͲ en Baardvleermuis) of geen gebruik (Franjestaart, Ingekorven vleermuis) om de snelweg te kruisen. Deze soorten maken daarvoor echter wel zeer vlot gebruik van de tunnel Flossendelle. Voor de overige zoogdieren werd een waaier aan methodes toegepast. Er werden in totaal zeven cameravallen ingezet, die gedurende nagenoeg de hele periode werden aangevuld met twee ‘buisͲ cameravallen’ om de kans op detectie van marterachtigen te verhogen. Met behulp van de gewone cameravallen werden in totaal acht zoogdiersoorten vastgelegd, waarvan Vos en Ree het meest werden gefotografeerd. Deze soorten werden zowel op/aan het ecoduct, als aan faunabuis noord vastgesteld. Ook Steenmarter en Bunzing werden verschillende keren op beeld vastgelegd. Kleine marterachtigen werden niet gefotografeerd, ook niet met de buisͲcameravallen. Deze leverden vooral beelden op van Gewone bosmuizen, maar ook Wild zwijn en Rode eekhoorn lieten zich hierdoor vastleggen. Het gebruik van het ecoduct door mensen was zeer beperkt, met een lichte toename aan het einde van het onderzoek, na het afkondigen van de strenge maatregelen om de verspreiding van het coronaͲvirus tegen te gaan. 13 soorten zoogdieren werden bovenop het ecoduct vastgesteld, in de tunnel van Flossendelle werden vier soorten vastgesteld. Bij faunabuis noord werden zes soorten aan beide zijden van de buis vastgesteld, vijf hiervan gebruiken deze buis waarschijnlijk om zich tussen de oostͲ en westkant van de snelweg te verplaatsen. De kleinere zoogdieren (spitsmuizen, woelmuizen en ware muizen) werden onderzocht met behulp van ‘slangenplaten’ en liveͲtraps. Het liveͲtrap onderzoek leverde vangsten op van in totaal 204 dieren, verdeeld over zeven soorten. Hierbij bleek Aardmuis de meest gevangen soort, gevolgd door Gewone bosmuis en Rosse woelmuis. Dwergmuis, DwergspitsͲ, HuisspitsͲ en bosspitsmuis werden in lage aantallen (minder dan vijf dieren) gevangen. Dwergspitsmuis kon ook één maal met een buiscamera in beeld worden gebracht, en een aantal Dwergmuizen werden in de bodemvallen teruggevonden. Met alle technieken samen werden in totaal 17 wilde zoogdiersoorten (zonder de vleermuizen) met zekerheid vastgesteld, aangevuld met enkele soortgroepen en één huisdier: de Huiskat. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 5 van 261


Zeer relevant bij het onderzoek naar de effectiviteit van een ecoduct zijn uiteraard eventuele verkeersslachtoffers. Gedurende het hele jaar werd bij elk bezoek het stuk snelweg ten noorden en zuiden van het ecoduct afgereden tussen de dichtstbijzijnde afritten. Daarnaast werd ook op de website www.waarnemingen.be gekeken of er eventueel nog andere slachtoffers waren gemeld. Er werden slechts drie zoogdieren als verkeersslachtoffer waargenomen: een Steenmarter en twee onherkenbare zoogdieren. Dit lijkt er alvast op te wijzen dat de rasters goed werken. Tegenover het T0Ͳonderzoek op de locatie van het ecoduct, was Steenmarter een opvallende (maar niet onverwachte) nieuwkomer. In de tunnel van Flossendelle werden, op Ree na, grotendeels dezelfde soorten zoogdieren vastegsteld als tijdens het voorgaande onderzoek. Faunabuis noord tenslotte werden vooral Steenmarter en Bunzing opvallend meer vastgesteld. Naar reptielen werd bij elk terreinbezoek uitgekeken, zowel op/onder de slangenplaten, als elders. Dit leverde op het ecoduct drie waarnemingen van Levendbarende hagedis op, in de omgeving van Flossendelle bleven waarnemingen van deze soort uit. Van Hazelworm waren er – na een eerdere waarneming in 2017 – nu twee waarnemingen in de buurt van de tunnel van Flossendelle, allebei aan de westzijde van de Ring. Voor beide soorten is te verwachten dat ze ook de komende jaren regelmatig in de buurt van deze ontsnipperinsgobjecten zullen worden waargenomen. Het ecoduct kan in de toekomst voor de twee soorten een rol gaan spelen in het verbinden van populaties aan beide zijden van de Ring. Voor wat betreft amfibieën werden drie methodes toegepast: onderzoek met fuiken, schepnet en slangenplaten. Speciale aandacht ging naar de aanwezigheid van Kamsalamander in de buurt van Flossendelle. Aanvullend werden ook de losse waarnemingen van deze soortgroep verzameld en meegenomen in de bespreking. De slangenplaten leverden – wellicht door de droge zomer – slechts weinig waarnemingen van amfibieën op. Op het ecoduct werden drie soorten amfibieën aangetroffen: Gewone pad, Bruine kikker en Alpenwatersalamander. Van de laatste twee soorten kon ook voortplanting worden vastgesteld. Aan de vijvers van Flossendelle werden verschillende Kamsalamanders gevangen, het hoogste aantal exemplaren tijdens één vangst bedroeg zes dieren. Voortplanting van deze soort kon echter niet worden vastgesteld. Uit eerder onderzoek op andere ecoducten blijken sprinkhanen een essentiële groep ongewervelden om mee op te nemen in onderzoek naar ecologische ontsnippering. Van deze groepen zijn een aantal soorten immers ongevleugeld / kortgevleugeld, deze zijn dus erg relevant in het kader van ecologische ontsnippering. Daarnaast zijn sprinkhanen zeer goede indicatoren voor vegetatiestructuur, omdat de factoren vochtigheid en warmte bepalend zijn voor hun ontwikkeling. In 2019 werd het ecoduct vijfmaal gebiedsdekkend bezocht met het oog op sprinkhanen, waarbij ook gelet werd op andere ongewervelden zoals dagvlinders, libellen en lieveheersbeestjes. De meeste sprinkhanen werden auditief herkend, deze waarnemingen werden aangevuld met sleepvangsten en enkele bijvangsten uit de bodemvallen. Dit leverde in totaal 14 soorten sprinkhanen op. Gezien de ligging van het ecoduct werden geen zeer kritische habitatspecialisten verwacht, de waargenomen soorten zijn dan ook allemaal vrij algemeen in Vlaanderen. De /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 6 van 261


meerderheid van de aangetroffen soorten is ook langvleugelig, drie soorten zijn echter hoofdzakelijk kortgevleugeld. Twee soorten tenslotte (Bramensprinkhaan en Zuidelijke boomsprinkhaan) zijn altijd kortgevleugeld. Voor dagvlinders is een ecoduct minder relevant voor wat betreft ontsnippering, maar naar extra leefgebied toe kan dit uiteraard wel een rol spelen. In 2019 werden 18 soorten waargenomen. Twee van deze soorten (Zwartsprietdikkopje en Citroenvlinder) staan op de Vlaamse Rode Lijst. Door de aanwezigheid van verschillende poelen werd ook aandacht gegeven aan libellen. Tijdens het terreinwerk in 2019 werden in totaal acht soorten libellen aangetroffen. Weinig verrassend waren de meeste soorten eerder algemene soorten, en vooral soorten van pioniersituaties. Spinnen, loopkevers en zandloopkevers staan bekend als goede indicatoren voor habitatkwaliteit. Het zijn soortenrijke groepen met heel wat vertegenwoordigers die nauw gebonden zijn aan een bepaalde vegetatiestructuur. De meeste soorten mieren daarentegen zijn, in tegenstelling tot de meerderheid aan loopkeverͲ en spinnensoorten, gebonden aan oude, stabiele milieus. Ze zijn gevoelig voor beheeringrepen en dat maakt hen tot belangrijke indicatoren. Onderzoek naar loopkevers is uitermate relevant in het kader van onderzoek naar ecologische ontsnippering. Er zijn immers tal van brachyptere (kort gevleugelde) of dimorfe (exemplaren met en zonder vleugels) loopkevers die niet kunnen vliegen en dus zeer gevoelig zijn voor versnippering door transportinfrastructuur. De opzet van het onderzoek was dezelfde als die toegepast bij de overige Vlaamse ecoducten : acht bodemvallen werden ingegraven over de lengte van het ecoduct. Deze werden aangevuld met acht andere bodemvallen, verspreid over het hele gebied. Er zijn in voorliggend onderzoek 1.151 loopkevers gevangen met bodemvallen, verdeeld over 66 soorten. De faunistisch meest bijzondere soorten zijn de in Vlaanderen ‘bedreigde’ Carabus monilis en Tachys bisulcatus evenals 16 ‘zeldzame soorten’ waaronder bijzondere soorten als Carabus auronitens en Harpalus ardosiacus. De meeste Rode LijstͲsoorten zijn in lage aantallen gevonden, uitgezonderd Harpalus puncticeps. Gemiddeld zijn er meer Rode LijstͲsoorten gevonden op de acht locaties centraal op het ecoduct Groenendaal (2,25) vergeleken met de zes locaties op de aanlooptaluds en de twee referentielocaties (1,75). We kunnen dus spreken van een snelle kolonisatie van het ecoduct door loopkevers, ook door bijzondere (Rode Lijst) soorten. Er zijn zeven brachyptere (kort gevleugelde) loopkeversoorten aangetroffen bij het bodemvalonderzoek, en één extra soort met handvangsten. Het aantreffen van zeven brachyptere soorten tijdens de T1 van een ecoduct is zonder twijfel een mooi resultaat. Het ecoduct Groenendaal werkt voor de soorten waarvoor het dient te werken, maar er is nog verdere ‘rijping’ / ontwikkeling nodig, vooral centraal op het ecoduct. Dat is logisch vermits de vegetatieͲ ontwikkeling zich nog in een pionierstadium bevindt. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 7 van 261


In de tunnel Flossendelle zijn vier van de zeven daar vastgestelde loopkeversoorten kortvleugeligen. Dus ook de tunnel Flossendelle werkt voor versnipperingsgevoelige loopkevers. Er zijn ook 2.582 spinnen gevangen, verdeeld over 80 soorten. Van deze 80 soorten zijn er 17 soorten op de Rode Lijst opgenomen, waarvan één soort ‘met uitsterven bedreigd’, de Heidekrabspin (Xysticus acerbus), vier soorten als ‘bedreigd’, negen soorten als ‘kwetsbaar’ en drie soorten als ‘zeldzaam’, wat sensu stricto geen ‘Rode LijstͲsoorten’ zijn. De soorten die de aantallen domineren zijn vooral echte pioniersoorten, zoals enkele soorten DwergͲ en Hangmatspinnen (familie Linyphiidae). Dat is erg logisch gezien het ecoduct Groenendaal recent is aangelegd (we onderzochten de T1) en zich nog in een pionierstadium bevindt. De tunnel Flossendelle was de locatie waar het minste aantal spinnen en spinnensoorten zijn aangetroffen, maar anderzijds zijn er niet minder dan drie Rode LijstͲspinnensoorten aangetroffen. Dit illustreert de belangrijke aanvullende betekenis die de ecotunnel heeft voor passage van spinnen ten opzichte van het ecoduct. Dit pleit eveneens (waar het kan) voor een aanpassing/omvorming van weinig gebruikte tunnels tot ‘ecotunnels’ of tot tunnels met gemengd gebruik, zoals die van Flossendelle. Er zijn bij voorliggend onderzoek in totaal slechts 60 mieren gevangen met bodemvallen, verdeeld over zeven soorten. Geen van deze soorten is zeldzaam te noemen binnen het kader van de meest recente mierenatlas van België. In totaal zijn er ook 718 pissebedden vastgesteld, verdeeld over vier soorten. De hoogste aantallen pissebedden zijn geteld in het beukenbos, gevolgd door de tunnel Flossendelle. Van de miljoenpoten werden er 706 exemplaren op naam gebracht, verdeeld over acht soorten. In de tunnel Flossendelle is het hoogste aantal soorten miljoenpoten vastgesteld: zes soorten. Ook de duizendpoten uit de bodemvallen werden gedetermineerd, dit leverde 126 exemplaren op van 10 soorten. Van de laatste groep bodembewonende ongewervelden tenslotte, de hooiwagens, werden 74 exemplaren aangetroffen in de bodemvallen, verdeeld over 13 soorten. De laatste onderzochte groepen betroffen de wilde bijen en de zweefvliegen. Op de renbaan en het ecoduct Groenendaal werden tot nu toe 77 soorten wilde bijen en 42 soorten zweefvliegen vastgesteld. Dit is reeds een indrukwekkend aantal, maar ongetwijfeld kunnen nog heel wat extra soorten ontdekt worden. Hiertoe behoren heel wat beheerrelevante, minder algemene soorten van structuurrijke bossen, bosranden en bloemrijke graslanden, hoewel vaak in relatief lage aantallen. Concluderend kan worden gesteld dat soorten waarvoor de snelweg een sterke versnipperende werking heeft, zeker gebruik maken van het ecoduct. Het gaat bijvoorbeeld om soorten als Ree, Vos, grotere marterachtigen, amfibieën, … Ook een aantal kortgevleugelde sprinkhanen en loopkevers werden reeds aangetroffen. Voor een aantal soorten vormt het ecoduct geen noodzaak naar ontsnippering, maar zij profiteren wel van de aanleg van geschikt leefgebied. Soorten die in deze categorie vallen zijn o.a. dagvlinders, libellen, spinnen, … Ook de ecotunnel wordt door verschillende versnipperingsgevoelige soorten gebruikt om de snelweg te kruisen. Aan faunabuis noord tenslotte kon worden vastgesteld dat een aantal zoogdiersoorten deze buis gebruiken om

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 8 van 261


zich tussen de binnenͲ en buitenring te verplaatsen. Mogelijk wordt deze buis ook gebruikt door een aantal ongewervelden, maar dat werd in voorliggende studie niet onderzocht. In vergelijking met eerder onderzoek vallen duidelijk minder verkeersslachtoffers langs de R0, een teken dat het ecoraster alvast goed werkt. Dit, in combinatie met het gebruik van de verschillende objecten door een aantal versnipperingsgevoelige soorten, wijst erop dat de getroffen ontsnipperingsmaatregelen momenteel hun doel bereiken. Om nog effectiever te zijn, worden op basis van het uitgevoerde onderzoek tenslotte enkele aanbevelingen gedaan voor het te voeren beheer. Zowel naar vegetatie toe, als voor onder andere wilde bijen, zweefvliegen en dagvlinders, is een aangepast maaibeheer voor (een dele van) het ecoduct van groot belang. Indien geen maaibeheer wordt toegepast, zal dit verder evolueren naar een ruigte. Voor vleermuizen en een aantal typische bossoorten is de aanwezigheid van geleidingselementen op het ecoduct van belang, evenals de bereikbaarheid van de tunnel van Flossendelle. Maatregelen die op deze locatie worden genomen, kunnen ook toegepast worden op tunnels die gelegen zijn tussen het ecoduct en Flossendelle, om ook die tunnels geschikter te maken voor vleermuizen.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 9 van 261


INHOUDSTAFEL 1 2 2.1 2.2 2.2.1 2.2.2 2.2.3 2.2.4 2.3

3 3.1 3.2 3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.3 3.3.1 3.3.2 3.3.3 3.4

4 4.1 4.2 4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.2.4 4.2.5 4.3 4.3.1 4.3.2 4.3.3 4.3.4 4.3.5 4.3.6 4.4 4.4.1 4.4.2 4.4.3 4.5 4.5.1 4.5.2 4.5.3 4.5.4 4.5.5 4.5.6 4.5.7 4.5.8 4.5.9 4.5.10 4.5.11 4.5.12 4.5.13 4.5.14

Inleiding .............................................................................................................................. 14 Vegetatie ............................................................................................................................ 17 Vlakdekkende vegetatiekartering 17 Florakartering 19 Algemeen 19 Zeldzame soorten en Rode LijstͲsoorten 20 Kenmerkende plantensoorten voor bepaalde vegetatietypes 20 Invasieve exoten 21 Conclusie vegetatieonderzoek + aanbevelingen beheer 24 Zoogdieren partim I: Vleermuizen ...................................................................................... 25 Inleiding 25 Methodiek 25 Materiaal 25 Veldwerk 26 Dataverwerking 27 Resultaten 28 Overzicht 28 Resultaten per detector 29 Soortbesprekingen 35 Conclusies 45 Zoogdieren Partim II: overige zoogdieren .......................................................................... 48 Inleiding 48 Methodiek 48 Cameravallen 48 BuisͲcameravallen 53 Verkeersslachtoffers 54 LiveͲtraps 55 Overige methodes 55 Resultaten 58 Algemeen overzicht 58 Cameravallen 61 BuisͲcameraval 63 Verkeersslachtoffers 66 LiveͲtraps 67 Overige methodes 69 Vergelijking met eerdere studies 70 Ecoduct 70 Tunnel Flossendelle 71 Faunabuis noord 71 Soortbesprekingen 72 Rode eekhoorn 72 Aardmuis 72 Rosse woelmuis 73 Gewone bosmuis 73 Dwergmuis 74 Bruine rat 75 Konijn 76 Egel 76 Huisspitsmuis 78 bosspitsmuis spec. 78 Dwergspitsmuis 78 Europese mol 79 Huiskat 79 Vos 81

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 10 van 261


4.5.15 4.5.16 4.5.17 4.5.18 4.5.19 4.6

Steenmarter Bunzing Wild zwijn Ree Mens (+ hond) Conclusies

5

Reptielen ............................................................................................................................ 99 Inleiding 99 Methodiek 99 Onderzoek met slangenplaten 99 Losse waarnemingen 99 Resultaten 99 Onderzoek met slangenplaten 99 Losse waarnemingen 99 Soortbesprekingen 100 Levendbarende hagedis 100 Hazelworm 101 Conclusies 101 Amfibieën ......................................................................................................................... 103 Inleiding 103 Methodiek 103 Onderzoek met fuiken 103 Onderzoek met schepnet 104 Onderzoek met slangenplaten 104 Losse waarnemingen 105 Resultaten 105 Onderzoek met fuiken 105 Onderzoek met schepnet 106 Onderzoek met slangenplaten 107 Losse waarnemingen 107 Soortbesprekingen 107 Gewone pad 107 Alpenwatersalamander 108 Vinpootsalamander 110 Kleine watersalamander 112 Kamsalamander 113 ‘groene kikker’ 115 Bruine kikker 115 Conclusies 116 Sprinkhanen ...................................................................................................................... 117 Inleiding 117 Methodiek 117 Inventarisatie 117 Bodemvallen 118 Resultaten 118 Algemeen 118 Bodemvallen 119 Soortbesprekingen 119 Kustsprinkhaan 119 Ratelaar 120 Bruine sprinkhaan 121 Gouden sprinkhaan 122 Krasser 123 Zeggedoorntje 124 Gewoon doorntje 125 Sikkelsprinkhaan 125 Gewoon spitskopje 125 Zuidelijk spitskopje 126

5.1 5.2 5.2.1 5.2.2 5.3 5.3.1 5.3.2 5.4 5.4.1 5.4.2 5.5

6 6.1 6.2 6.2.1 6.2.2 6.2.3 6.2.4 6.3 6.3.1 6.3.2 6.3.3 6.3.4 6.4 6.4.1 6.4.2 6.4.3 6.4.4 6.4.5 6.4.6 6.4.7 6.5

7 7.1 7.2 7.2.1 7.2.2 7.3 7.3.1 7.3.2 7.4 7.4.1 7.4.2 7.4.3 7.4.4 7.4.5 7.4.6 7.4.7 7.4.8 7.4.9 7.4.10

86 89 91 92 94 97

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 11 van 261


7.4.11 7.4.12 7.4.13 7.4.14 7.5

Zuidelijke boomsprinkhaan Bramensprinkhaan Greppelsprinkhaan Grote groene sabelsprinkhaan Conclusies

8

Dagvlinders ....................................................................................................................... 130 Inleiding 130 Methodiek 130 Resultaten 130 Soortbesprekingen 131 Zwartsprietdikkopje 131 Groot dikkopje 131 Koninginnenpage 131 Oranjetipje 132 Groot koolwitje 132 Klein koolwitje 132 Citroenvlinder 132 Kleine vuurvlinder 134 Bruin blauwtje 135 Icarusblauwtje 136 Keizersmantel 137 Atalanta 137 Distelvlinder 138 Dagpauwoog 139 Gehakkelde aurelia 139 Bruin zandoogje 139 Oranje zandoogje 140 Bont zandoogje 141 Conclusies 141 Libellen ............................................................................................................................. 142 Inleiding 142 Methodiek 142 Resultaten 142 Soortbesprekingen 143 Azuurwaterjuffer 143 Lantaarntje 144 Vuurjuffer 144 Grote keizerlibel 144 Platbuik 145 Gewone oeverlibel 145 Bruinrode heidelibel 146 Zwervende heidelibel 147 Conclusies 148 Bodembewonende ongewervelden ................................................................................. 149 Inleiding 149 Methodiek 149 Loopkevers 153 Algemene bevindingen 153 Vergelijking van de onderzochte locaties 158 Vleugelontwikkeling 159 Vergelijking met andere ecoducten 161 Soortbesprekingen 163 Conclusies 172 Spinnen 174 Algemene bevindingen 174 De talrijkst gevangen soorten 179 Voorkeurshabitat van de Rode LijstͲsoorten 180 Vergelijking van de onderzochte locaties 180

8.1 8.2 8.3 8.4 8.4.1 8.4.2 8.4.3 8.4.4 8.4.5 8.4.6 8.4.7 8.4.8 8.4.9 8.4.10 8.4.11 8.4.12 8.4.13 8.4.14 8.4.15 8.4.16 8.4.17 8.4.18 8.5

9 9.1 9.2 9.3 9.4 9.4.1 9.4.2 9.4.3 9.4.4 9.4.5 9.4.6 9.4.7 9.4.8 9.5

10 10.1 10.2 10.3 10.3.1 10.3.2 10.3.3 10.3.4 10.3.5 10.3.6 10.4 10.4.1 10.4.2 10.4.3 10.4.4

126 126 127 128 128

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 12 van 261


10.4.5 10.4.6 10.4.7 10.5 10.6 10.7 10.8 10.9 10.9.1 10.9.2 10.10

Vergelijking met andere ecoducten Soortbesprekingen Conclusies Mieren Pissebedden Miljoenpoten Duizendpoten Hooiwagens Inleiding Algemene bevindingen Overige ongewervelden

182 183 192 194 196 196 197 201 201 201 202

11

Wilde bijen en zweefvliegen ............................................................................................ 204 Inleiding 204 Methodiek 204 Wilde bijen 206 Zweefvliegen 212 Bloembezoek 215 Conclusies 219 12 Algemene conclusies en aanbevelingen voor het beheer ................................................ 222 12.1 Ecoduct 222 12.1.1 Geleidende elementen 222 12.1.2 Maaibeheer 222 12.1.3 Beheer exoten 223 12.2 Ecotunnel Flossendelle 223 12.3 Faunabuis noord 224 12.4 Ecoraster 224 Referenties ....................................................................................................................................... 225 BIJLAGEN .......................................................................................................................................... 231 11.1 11.2 11.3 11.4 11.5 11.6

Bijlage 1 Overzicht van de waargenomen plantensoorten met herkomst, aanduiding van exoten, invasieve planten en aanplanten 231 Bijlage 2 Overzicht van de waarnemingen van de invasieve exoten op het ecoduct 235 Bijlage 3 Vegetatiekaart 236 Bijlage 4 FotoͲbijlagen vleermuizen 237 Detector ecoduct oost 237 Detector ecoduct centraal 240 Detector ecoduct west 244 Detector tunnel Flossendelle 245 Bijlage 5 Beschrijving van de bodemvallocaties 246

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 13 van 261


1 INLEIDING Het Zoniënwoud is gelegen aan de zuidrand van de Belgische hoofdstad Brussel. Het maakt deel uit van het Natura 2000 Netwerk en is gesitueerd in de drie Belgische gewesten. Het Zoniënwoud wordt doorkruist (en versnipperd) door verschillende zeer belangrijke verkeersaders zoals de Brusselse Ring (R0), de E411 en de spoorweg tussen Brussel en Luxemburg (lijn 161). Deze verkeersinfrastructuren vormen een barrière voor foeragerende, migrerende of disperserende fauna. In de periode 2013Ͳ2018 werden tijdens het LIFE+ OZON project een aantal van de in het Zoniënwoud aanwezige ontsnipperingsobjecten opgeknapt om de barrièrewerking van de wegen te milderen. Daarnaast werden ook nieuwe ecologische infrastructuren aangelegd, waaronder een ecoduct over de R0. Dit laatste werd in mei 2018 volledig afgewerkt. Ook werd langs de autosnelwegen R0 en de E411 doorheen het Zoniënwoud in totaal 24 kilometer ecoraster geplaatst. Het raster heeft een dubbele functie: dieren geleiden naar veilige oversteekplaatsen en een veilige verkeerssituatie creëren voor de tienduizenden automobilisten die dagelijks doorheen het Zoniënwoud rijden. Het raster is twee meter hoog, ingegraven in de grond, voorzien van fijnmazige gaas onderaan en amfibieënschermen aan de ingangen van het ecoduct (bron: www.zonienwoud.be/lifeozonhttp://www.zonienwoud.be/lifeozon). Om het effect van deze verbeterde of nieuwe structuren te begrijpen werden toen (waar mogelijk) een nulmeting (T0) en een meting na de werken (T1) uitgevoerd. De werkwijze werd uitgeschreven in een monitoringplan (Vercayie & Lambrechts, 2014). Eind 2014 werd gestart met de monitoring en de resultaten werden jaarlijks gerapporteerd in tussentijdse rapporten (Vercayie & Swinnen, 2016; Vercayie & Swinnen, 2017). Vervolgens werden de bevindingen uit beide rapporten gecombineerd met de resultaten en analyses van de monitoring in 2017 en begin 2018 (Vercayie & Swinnen, 2018). In 2019 werd met voorliggende studie een nieuw onderzoek opgestart, waarbij drie ontsnipperende maatregelen werden onderzocht: het ecoduct Groenendaal over de R0 (T1), en de ecotunnel (T3) en faunabuis noord (T4) bij Flossendelle. Voor een situering van deze objecten, zie Figuur 1.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 14 van 261


Figuur 1: Overzichtskaart met de situering van de onderzochte locaties.

Het doel van deze opdracht bestond erin om na te gaan in hoeverre een aantal relevante diersoort(groep)en, gebruik maken van deze drie objecten. Ook de evolutie van de vegetatie op het ecoduct is opgevolgd. Het onderzoek werd opgebouwd rond onderstaande onderzoeksvragen (deel)vragen: Ͳ Worden de drie ontsnipperingsobjecten Ecoduct Groenendaal, Tunnel Flossendelle en Faunabuis Noord effectief gebruikt als passage door de doelsoor(groep)en? Hierbij worden volgende aanvullende vragen gesteld: x Welke soorten worden geregistreerd op het ecoduct Groenendaal, in Tunnel Flossendelle en Faunabuis Noord? x Zijn er soorten die slechts aan één zijde van de snelweg geregistreerd worden? x Hoe verschillen de antwoorden op bovenstaande vragen van de resultaten van eerdere monitoring? Met andere woorden, wat is de evolutie in gebruik van de ontsnipperingsobjecten door dieren? x Welk deel van het ecoduct wordt door welke diersoort gebruikt? Dit is relevant voor de inrichting. x Wat zijn de seizoenale patronen in het gebruik door de verschillende doelsoorten? Dit kan vooral voor zoogdieren gekoppeld worden aan de vraag of de ontsnipperingsobjecten door disperserende of lokale individuen gebruikt wordt. x Welke andere patronen zijn te ontwaren in het gebruik door de verschillende doelsoorten? x Worden er meer of minder waarnemingen geregistreerd van de doelsoorten op en rond het ecoduct Groenendaal in vergelijking met andere ecoducten in Vlaanderen? Dit is een indicatie voor de effectiviteit.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 15 van 261


Ͳ Ͳ

Wat is het effect van de ecologische inrichting van de gronden aan weerszijden van het ecoduct Groenendaal op het aantrekken en geleiden van dieren naar het ecoduct? Wat is het effect van de bouw van het 24 km lange ecoraster op het aantal verkeersslachtoffers langs de R0 en de E411?

Figuur 2: Zicht op het ecoduct (foto: Simon Feys).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 16 van 261


2 VEGETATIE 2.1 VLAKDEKKENDE VEGETATIEKARTERING Er werd een vlakdekkende vegetatiekartering van het studiegebied uitgevoerd op 13 juni 2019. Via de app ObsMapp werden alle planten op het ecoduct in kaart gebracht. De volledige plantensoortenlijst wordt weergegeven in Bijlage 1. De vegetatiekaart wordt weergegeven in Bijlage 3. Voor de vegetatiekaart werd de inventarisatiemethodiek voor bermen en dijken gebruikt van Van Uytvanck et al. (2017). Deze vorm van vegetatiekartering wordt recent toegepast in snelwegbermen bij de opmaak van bermbeheerplannen. Het studiegebied werd opgedeeld in homogene vegetaties en onderverdeeld op basis van de vegetatietypes in onderstaand schema:

De vegetatietypes zijn de volgende: x Graslanden: Raaigrasweide (G0), Grassenmix (G1), Dominant stadium (G2), GrasͲ Kruidenmix (G3), Bloemrijk grasland (G4), Soortenrijk schraal grasland (G5); x Ruigtes: Verstoord grasland (R1), Verruigd grasland (R2), Natte ruigte (R3), Riet en rietruigte (R4); x Struwelen Dwergstruikvegetatie: heidesoorten (S1), Brem – en Gaspeldoornstruwelen (S2), Doornstruwelen (S3), Bramen (S4), Vlierstruweel (S5); x Opgaande houtige vegetaties: Wilgenbos/struweel (H1), Ruderaal olmenbos (H2), Loofbos (H3), Loofhoutaanplant (H4), Naaldbos (H5), Exoten (E). G4 en G5 worden indien mogelijk meer in detail getypeerd op basis van kenmerkende soorten. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 17 van 261


Detailtypering G4: x G4a Bloemrijk glanshavergrasland x G4b Stroomdalgrasland x G4c Kalkrijk kamgrasland x G4d Bloemrijk struisgrasland x G4e Bloemrijk vochtig tot nat grasland Detailtypering G5: x G5a Duingrasland x G5b Dwerghavergrasland x G5c Kalkgrasland x G5d Heischraal grasland De volgende vegetaties konden niet onder de vegetatiecodes voor bermen worden ondergebracht: Ͳ Poel Ͳ Houtkant gemengd Ͳ Houtkant Haagbeuk Ͳ Houtkant Linde Ͳ Knotwilgen Ͳ Pioniervegetatie Ͳ Takkenwal Ͳ Bosrand Ͳ Adelaarsvaren Ͳ Dode stronken Beuk

Figuur 3: Het vegetatietype dat de grootste oppervlakte inneemt is een soortenarme raaigrasweide. Situatie op 13 juni 2019 (foto: Roosmarijn Steeman). /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 18 van 261


2.2 FLORAKARTERING 2.2.1 Algemeen De vegetatie werd in kaart gebracht door het ecoduct te doorlopen en de dominante soorten, kensoorten van vegetatietypes, zeldzamere soorten en exoten in te voeren via de app ObsMapp, waarmee de exacte vindplaats wordt vastgelegd.

Figuur 4: Op de pionierbodems groeien nog soorten die bij aanleg van het ecoduct werden ingezaaid, zoals Korenbloem en Grote klaproos. Reukeloze kamille en Echte kamille verschenen hier spontaan (foto: Roosmarijn Steeman).

Figuur 5: Bovenop het ecoduct is er een pioniervegetatie tussen de kiezels met onder andere het akkerkruid Rode schijnspurrie (foto: Roosmarijn Steeman).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 19 van 261


2.2.2 Zeldzame soorten en Rode LijstͲsoorten Er werden twee plantensoorten waargenomen die op de RodeͲLijst staan: Korenbloem en Echte guldenroede. Beide soorten zijn opgenomen in de categorie “Achteruitgaand” (Van Landuyt et al., 2006). Echte guldenroede werd aangetroffen in de bosrand en groeit daar dus vermoedelijk al van voor de aanleg van het ecoduct. Van Korenbloem weten we dat deze soort er niet spontaan is gekomen, maar in het mengsel zat dat is ingezaaid bij de aanleg van het ecoduct. Andere soorten die werden waargenomen en ook in het zaadmengsel zaten dat werd uitgezaaid zijn: Ͳ Duizendblad Ͳ Witte klaver Ͳ Knoopkruid Ͳ Wilde peen Ͳ Glad walstro Ͳ Gewoon biggenkruid Ͳ Gewone margriet Ͳ Gewone rolklaver Ͳ Hopklaver Ͳ Grote klaproos Ͳ Scherpe boterbloem Ͳ Veldzuring Ͳ Schapenzuring Ͳ Blaassilene Ͳ Zwarte toorts Zeldzamere soorten als Grasklokje en Beemdkroon, die ook in het mengsel zaten, werden niet teruggevonden. In de bosrand werd ook de zeldzame Boslathyrus gevonden. Deze soort staat niet op de Rode Lijst, maar is zeldzaam vanwege het biotoop: graslanden en struweel op kalkrijke bodem. Boslathyrus is gekend van verschillende locaties in het Zoniënwoud. De soort staat ook talrijk in de zuidelijke begrazingsblok van de renbaan, en hier en daar in de niet gemaaide stroken van de noordelijke helft.

2.2.3 Kenmerkende plantensoorten voor bepaalde vegetatietypes G0: Raaigrasweide Italiaans raaigras, Witte klaver. G4a: Bloemrijk glanshavergrasland Hier op schraal talud, langs de rand van het ecoduct met Margriet, Gewoon reukgras, Gewoon struisgras en Biggenkruid. R2: Verruigd grasland Grote brandnetel, Framboos, Kale jonker. H1: Wilgenstruweel Schietwilg, Geoorde wilg + Grauwe wilg, Boswilg, Grote egelskop, Moerasrolklaver. H3: Loofbos /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 20 van 261


Beuk. S2: Bremstruweel Brem. S4: Bramen Braam + Wilde liguster. Bosrand Kluwenzuring, Liggend hertshooi, Pitrus, Klein springzaad, Bosgierstgras, Drienerfmuur, Boszegge, zaailingen Beuk, Eénbloemig parelgras. Houtkant gemengd Spork, Gewone vogelkers, Hazelaar, Spaanse aak, Wintereik, Rode kornoelje, Eénstijlige meidoorn, Sleedoorn, Egelantier, Wilde lijsterbes, Zoete kers, Zomereik, Haagbeuk, Beuk. Pioniervegetatie Reukeloze kamille, Slipbladige ooievaarsbek, Akkerdistel, Moerasdroogbloem, Rode schijnspurrie.

2.2.4 Invasieve exoten Er werden drie invasieve exoten waargenomen op het ecoduct die in zeer beperkte mate aanwezig zijn. De groeiplaatsen van Klein springzaad (één exemplaar), Bezemkruiskruid (één exemplaar) en Robinia (één exemplaar) worden op kaart weergegeven in Bijlage 2. 2.2.4.1 Klein springzaad Klein springzaad is een eenjarige plant die gewoonlijk niet hoger wordt dan 60 cm. De plant bloeit van juli tot en met oktober. De 0,6 tot 1,8 cm grote bloemen (inclusief spoor) zijn wit/geel met oranje/rode vlekjes en strepen. Natuurlijke verspreiding vindt plaats doordat de zaden wegschieten bij aanraken, tot meer dan 3 meter ver. Klein springzaad kan dichte bestanden vormen die leiden tot complete verdringing van andere plantensoorten. Door het vormen van zo’n dichte kruidlaag, wordt in bossen waar een kruidlaag afwezig was, de verjonging van het bos belemmerd. Op vrij droge grond kan de plant Groot springzaad wegconcurreren. Klein springzaad is echter minder concurrentiekrachtig dan de bekende Reuzenbalsemien. In het Zoniënwoud is Klein springzaad alomtegenwoordig, de soort is beter vertegenwoordigd dan het inheemse Groot springzaad. Op het ecoduct werd de soort maar op één locatie waargenomen.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 21 van 261


Figuur 6: Klein spingzaad werd in 2019 op één locatie aan de voet van het ecoduct gevonden (foto: Eddy Vaes).

2.2.4.2 Bezemkruiskruid Bezemkruiskruid is een kortlevende vaste plant (levensduur tussen vijf en 10 jaar), die 0,5 tot 1,2 m hoog wordt. De soort is afkomstig uit ZuidͲAfrika, en werd toevallig in Europa geïntroduceerd via wol. Bezemkruiskruid heeft een hoge verspreidingscapaciteit via zaad: één plant kan tot 10.000 zaden voortbrengen, die gemakkelijk door de wind, water of dieren verspreid worden. Er is geen vegetatieve vermenigvuldiging. Verspreiding langs wegen wordt in de hand gewerkt door het verkeer. Bezemkruiskruid koloniseert vooral verstoorde gebieden (braaklanden, spoorwegen, autowegen). De soort verkiest droge bodems maar kan ook op vochtige bodems groeien. De impact van Bezemkruiskruid is beperkt aangezien de soort voornamelijk verstoorde bodems koloniseert. In de duinen kunnen dichte populaties gevormd worden. De plant produceert allelopathische bestanddelen die de groei van andere soorten inhiberen. Bezemkruiskruid is ondertussen al jarenlang in Vlaanderen aanwezig en heeft zich overal kunnen verspreiden. Toch is er (buiten de duinen) nergens sprake van noemenswaardige problemen met de soort. Op het ecoduct werd slechts één exemplaar van de soort waargenomen.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 22 van 261


Figuur 7: Ook Bezemkruiskruid werd op één locatie gevonden (foto: Wilfried Van Heddegem).

2.2.4.3 Robinia Robinia is een pioniersoort. Op plaatsen waar de soort werd aangeplant en voldoende licht en ruimte krijgt, kan de boom sterk uitgroeien en schadelijke gevolgen hebben op allerlei vlakken: x Robinia is een vlinderbloemige die voor aanrijking en verruiging van de bodem zorgt. Op voedselarme droge bodems zorgt deze boom op die manier voor een achteruitgang van de waardevolle inheemse plantengroei. x Beschadigingen aan verhardingen door wortelopdruk komen regelmatig voor. Robinia of Valse acacia is slechts op één locatie waargenomen op het ecoduct, het gaat om een zaailing. Met weinig inspanning kan ervoor gezorgd worden dat deze boom hier geen kans krijgt om verder uit te groeien.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 23 van 261


Figuur 8: Robinia kan op allerlei vlakken schade berokkenen, de enige zaailing die op het ecoduct werd aangetroffen kan dan ook best worden verwijderd (foto: Wilfried Van Heddegem).

Beheer: De zaailing kan best worden uitgetrokken. Omdat de wortels nog weinig ontwikkeld zijn, blijft de bodembeschadiging beperkt.

2.3 CONCLUSIE VEGETATIEONDERZOEK + AANBEVELINGEN BEHEER De vegetatie van het ecoduct is nog volop in ontwikkeling. Door gefaseerd maaibeheer van de raaigrasweide zal deze zich op termijn ontwikkelen naar een bloemrijk glanshavergrasland. De voorwaarde voor deze ontwikkeling is dat alle raaigrasstukken minstens twee keer per jaar worden gemaaid (1e maaibeurt vanaf 15 mei, 2e maaibeurt vanaf 15 september), waarbij het maaisel wordt afgevoerd. Stukken die minder dan twee keer worden gemaaid zullen eerder evolueren naar een ruigte. De pioniervegetaties zullen op termijn ontwikkelen naar graslandvegetaties of ruigtes, afhankelijk van het beheer. De bosranden zijn zeer waardevol en bevatten veel waardevolle indicatorsoorten. Het is belangrijk dat er niet gemaaid wordt tot tegen de bosrand, maar dat er een mooie overgangszone blijft. In 2019 had de vegetatie te leiden onder de extreme droogte. Van de aangeplante lindes is er al zeker één doodgegaan door gebrek aan water. In totaal werden drie invasieve exoten gezien op het ecoduct, met één enkele groeiplaats per soort. Bezemkruiskruid en Klein springzaad zijn geen soorten waarvoor actie moet ondernomen worden. Het jonge exemplaar van Robinia wordt wel best verwijderd en er wordt best in de gaten gehouden of er geen nieuwe exemplaren opduiken. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 24 van 261


3 ZOOGDIEREN PARTIM I: VLEERMUIZEN 3.1 INLEIDING Het is bekend dat vleermuizen een zeer belangrijke diergroep zijn om mee te nemen in ontsnipperingsstudies. Tal van soorten zijn door hun lichtschuw karakter gevoelig voor verstoring door verlichting van de snelweg. Bovendien vallen er plaatselijk heel wat verkeersslachtoffers. Daarnaast zijn ze door een lage reproductiesnelheid, een relatief lange zoogtijd en een lang leven zeer kwetsbaar voor habitatwijzigingen. Anderzijds kan een goede landschappelijke inrichting in combinatie met een ontsnipperingsobject de verkeersslachtoffers (en de lichthinder) beperken. De levenswijze van en de onderzoekstechnieken voor vleermuizen verschillen van andere zoogdieren. Dat houdt ook in dat conclusies en aanbevelingen voor beide diergroepen volledig verschillend zijn. Om die reden worden vleermuizen in dit rapport apart van de overige zoogdieren behandeld.

3.2 METHODIEK 3.2.1 Materiaal Er werd enkel gebruik gemaakt van automatische systemen. Automatische detectoren bieden het voordeel dat er geen verstoring is van de onderzoekers, en dat ze voor een langere periode (één of meer volledige nachten) kunnen geplaatst worden. Dit geeft dan de activiteit over een gehele nacht weer, en dus meer kans om alle aanwezige soorten in kaart te brengen. Bovendien zijn automatische detectoren een gestandaardiseerde manier van werken (en dus ook geschikt voor monitoring op lange termijn) terwijl het manueel rondlopen met batdetectoren meer onderhevig is aan de waarnemer. Een automatische detector heeft echter ook nadelen. Er kan slechts een beperkt aantal punten bemonsterd worden met dergelijke detectoren – waardoor het moeilijk is om een ruimer gebied (met veel verschillende biotopen) integraal te bemonsteren. Op sommige locaties (vaak waterpartijen) kan een automatische detector bovendien massaal veel opnamen genereren van grotendeels dezelfde foeragerende dieren. Voor dit onderzoek zijn deze nadelen echter niet van toepassing. De grootte van het gebied is immers erg beperkt, waardoor de trefkans van een passerend dier zeer groot is. Een grotere hoeveelheid opnamen vraagt meer verwerkingstijd, maar is voor dit onderzoek een meerwaarde aangezien hiermee de activiteit op en nabij het ecoduct gedetailleerd in kaart kan gebracht worden. De automatische detectoren die werden gebruikt, zijn toestellen van het type SM2BAT+ van Wildlife Acoustics. Van iedere gedetecteerde passerende vleermuis werd een opname gemaakt. Achteraf werden alle opgenomen geluiden geanalyseerd via de programma’s Kaleidoscope (versie 5.1.9i) van Wildlife Acoustics, en Batsound Pro (versie 4.1) van Pettersson Elektronik AB. Deze programma’s werden speciaal ontwikkeld om vleermuisgeluiden te analyseren. Signaalkenmerken zoals maximumfrequentie, frequentieverloop, pulsduur en pulsherhalingsfrequentie kunnen hiermee worden gemeten.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 25 van 261


3.2.2 Veldwerk Op ecoduct Groenendaal werden in 2019 tijdens volgende periodes telkens drie detectoren op het ecoduct geplaatst: 17 mei – 7 juni, 7 – 24 juli, 30 augustus – 3 oktober en 8 oktober – 19 november. De derde periode in het najaar is er specifiek op gericht om ook trekkende vleermuizen te registreren. De vierde periode was oorspronkelijk niet voorzien, maar werd als extra ingelast omdat enkele detectoren tijdens de tweede en derde periode technische problemen vertoonden. Aan de tunnel van Flossendelle werd in 2019 tijdens volgende periodes een detector geplaatst: 17 mei – 7 juni, 8 – 24 juli, 30 augustus – 3 oktober. Een kaart met de exacte locaties van de detectoren is te vinden in Figuur 9, en de coördinaten en activatieperiodes ervan in Tabel 1. Merk op dat detector ‘ecoduct centraal’ vanaf de tweede periode enkele meters noordelijker werd geplaatst. De oorspronkelijke locatie leidde tot schade (vraat door muizen of Ree) aan de microfoon. Voor de manier van plaatsing en directe omgeving van de detectoren wordt verwezen naar de fotobijlagen (Bijlage 4 FotoͲbijlagen vleermuizen). De locaties werden zeer gericht gekozen zodat de detectoren maximaal kans maken om passerende dieren te registreren. De detectoren werden dagelijks geactiveerd van even voor zonsondergang tot kort na zonsopgang.

Figuur 9: Locaties van de vleermuizendetectoren.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 26 van 261


Tabel 1: Overzicht plaatsing en activatieperiodes van de detectoren. Detectoren met een technisch probleem startten wel op (startmoment opnamen tussen haakjes) maar maakten geen opnamen (nvt).

Detector Ecoduct oost Ecoduct oost Ecoduct oost Ecoduct oost Ecoduct centraal Ecoduct centraal Ecoduct centraal Ecoduct centraal Ecoduct west Ecoduct west Ecoduct west Ecoduct west Flossendelle Flossendelle Flossendelle

Latitude 50,75457 50,75457 50,75457 50,75457 50,75473 50,75485 50,75485 50,75485 50,75494 50,75494 50,75494 50,75494 50,81316 50,81316 50,81316

Longitude 4,436248 4,436248 4,436248 4,436248 4,434845 4,434930 4,434930 4,434930 4,434146 4,434146 4,434146 4,434146 4,473079 4,473079 4,473079

Start opnamen 17/05/2019 21:25 (7/07/2019 21:30) 30/08/2019 20:40 8/10/2019 17:00 17/05/2019 21:25 7/07/2019 21:30 (30/08/2019 20:40) (8/10/2019 17:00) 17/05/2019 21:25 (7/07/2019 21:30) 30/08/2019 20:40 8/10/2019 17:00 17/05/2019 21:25 8/07/2019 0:45 30/08/2019 20:40

Einde opnamen 31/05/2019 5:10 nvt 13/09/2019 0:44 17/10/2019 1:43 3/06/2019 2:30 21/07/2019 2:48 nvt nvt 2/06/2019 0:52 nvt 14/09/2019 1:16 14/10/2019 6:02 1/09/2019 1:18 22/07/2020 2:15 11/09/2020 4:56

Activatie 21:25Ͳ5:55 21:30Ͳ6:10 20:40Ͳ6:40 17:00Ͳ7:30 21:25Ͳ5:55 21:30Ͳ6:10 20:40Ͳ6:40 17:00Ͳ7:30 21:25Ͳ5:55 21:30Ͳ6:10 20:40Ͳ6:40 17:00Ͳ7:30 21:25Ͳ5:55 21:30Ͳ6:10 20:40Ͳ6:40

Het plaatsen en ophalen van de automatische detectoren werd uitgevoerd door Wout Willems, Sam Bennekens en Niels Van Nueten.

3.2.3 Dataverwerking Voor het analyseren van de opnamen werd volgende werkwijze gevolgd: Ͳ Basisanalyse via automatische software Kaleidoscope versie 5.1.9i (Wildlife Acoustics). Ͳ Voor specifieke opnamen verdere manuele check via BatSound Pro versie 4.1 (Pettersson Elektronics). Ͳ Bepaling van specifieke manueel te checken opnamen via volgend schema: x geen soort gedetecteerd Æ geen manuele controle x gewone dwergvleermuis gedetecteerd Æ geen controle (automatische herkenning van die soort is behoorlijk goed) x andere soorten gedetecteerd Æ manuele controle Geen verdere controle van Gewone dwergvleermuisͲopnamen impliceert dat voor die opnamen enkel die soort wordt weergegeven, zonder eventuele bijkomende soorten. Bij manueel gecontroleerde opnamen worden wel alle aangetroffen soorten genoteerd. De analyses werden uitgevoerd door Alex Lefevre, met ondersteuning door Wout Willems en Niels Van Nueten. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 27 van 261


3.3 RESULTATEN 3.3.1 Overzicht Er werden door de automatische detectoren 21.859 opnamen gemaakt. Hiervan betroffen 903 opnamen enkel ‘noise’ (= nietͲvleermuizengeluiden) en bevatten 20.956 vleermuizengeluiden. Een manueel gecontroleerde opname waarin meerdere vleermuizensoorten werden aangetroffen, werd voor verdere analyse opgesplitst in meerdere opnamen: één per aangetroffen soort. Dit resulteerde in een totaalaantal van 21.171 vleermuizenopnamen (Tabel 2 en Tabel 3). Tabel 2: Overzicht van het aantal vleermuizenopnamen per detector en per periode. De vermelde einddata zijn de data van het ophalen van de detector. Een detector stopt in de praktijk wanneer de batterijen leeg zijn, dit verschilt dus per detector (Tabel 1).

Detector

Periode 1 17/5Ͳ7/06

Ecoduct oost Ecoduct centraal Ecoduct west Tunnel Flossendelle Totaal

Periode 2 7Ͳ24/07

5.884 78 659 9.826 16.447

Periode 3 30/8Ͳ3/10

nvt 2.106 nvt 113 2.219

Periode 4 8/10Ͳ19/11

10 nvt 893 1.220 2.123

62 nvt 320 nvt 382

Totaal 5.956 2.184 1.872 11.159 21.171

Tabel 3: Overzicht van de aantallen opnamen per soort(groep) en per detector.

Soort Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Kleine dwergvleermuis Dwergvleermuis onbekend Watervleermuis Baardvleermuis Franjestaart Ingekorven vleermuis Myotis onbekend Rosse vleermuis Bosvleermuis Laatvlieger Eptesicus/Nyctalus/ Vespertilio onbekend Gewone grootoorvleermuis

Ecoduct centraal

Ecoduct oost

Ecoduct west

Tunnel Flossendelle

Totaal

393 9 1 2 1 193 1.544 39 1

4.943 637 21 1 1 9 283 53

1.066 284 1 5 1 19 16 367 76

10.478 27 24 249 93 24 32 175 3 35 10 1

16.880 957 1 45 256 96 24 32 196 221 2.229 178 2

1

8

37

8

54

Het inlassen van een vierde, extra onderzoeksperiode omwille van het falen van enkele detectoren kon vrijwel alle ontbrekende data aanvullen die nodig waren om het gebruik van het ecoduct na te kunnen gaan. De grote verschillen in de aantallen vleermuizenopnamen per detector tussen de verschillende periodes, en eveneens tussen de verschillende soorten, maakt dat voor een correcte interpretatie deze data meer in detail moet bekeken worden. Om deze reden bespreken we zowel de resultaten per detector (3.3.2), als per soort (3.3.3).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 28 van 261


3.3.2 Resultaten per detector 3.3.2.1 Detector ecoduct oost De locatie van detector ecoduct oost, geplaatst aan de zijde van de buitenring, vormt tijdens de onderzochte perioden (perioden één, drie en vier) een zeer geschikt foerageerhabitat voor Gewone dwergvleermuis en Bosvleermuis. Laatvlieger en Rosse vleermuis passeren er geregeld, al dan niet met inbegrip van een foerageermoment. Ruige dwergvleermuis vormt eveneens een groot aandeel van de vleermuizenopnamen. Het falen van de opnamen tijdens periode twee maakt dat data van deze soort tijdens de zomerkolonietijd ontbreekt, maar de perioden van voorjaarsͲ en najaarsmigratie worden wel duidelijk geschetst. De opnamen van deze soort tonen zowel vlakke pulsen (duidend op snel overvliegende dieren, dus vaak op trek), vangstbuzzen (foerageermomenten) als sociale pulsen (balts). Opnamen van overige soorten zijn slechts laag in aantal. Markant is het erg lage aantal vleermuizenpassages (en dan nog maar enkel van Gewone dwergvleermuis) in periode drie.

Figuur 10: Resultaten ecoduct oost, periode één.

Figuur 11: Resultaten ecoduct oost, periode één, zonder Gewone dwergvleermuis.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 29 van 261


Figuur 12: Resultaten ecoduct oost, periode drie.

Figuur 13: Resultaten ecoduct oost, periode vier.

3.3.2.2 Detector ecoduct centraal Opvallend is (net als bij detector ecoduct oost) een groot verschil in het aantal vleermuizenopnamen tussen de beide onderzoeksperioden. Detector ‘ecoduct centraal’ toont bovendien een ‘gap’ van vijf nachten in periode één, waarin geen opnamen werden gemaakt. Gezien er op detector ecoduct oost tijdens die periode ook een lagere (maar geen zero) activiteit werd vastgesteld, wijst dit vermoedelijk op gevolgen van voor vleermuizen minder gunstige weersomstandigheden (zoals regen, wind en koude) en niet op een technisch euvel. Naar soortenverdeling toe valt (in vergelijking met de overige twee ecoductͲdetectoren) het lage aandeel opnamen van Gewone dwergvleermuis op. Het aandeel van soorten van een meer open omgeving (Bosvleermuis, Rosse vleermuis) is daarentegen groter. Laatvliegers worden in beide onderzoeksperioden waargenomen, maar telkens maar één tot vijf opnamen per nacht. Dit duidt er op dat de soort er vooral passeert op zijn dagelijkse route naar (of tussen) foerageergebieden. Passages van andere vleermuizensoorten, die aan een meer gesloten omgeving gebonden zijn, werden slechts in zeer lage aantallen geregistreerd.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 30 van 261


Figuur 14: Resultaten ecoduct centraal, periode één.

Figuur 15: Resultaten ecoduct centraal, periode twee.

Figuur 16: Resultaten ecoduct centraal, periode twee, zonder Gewone dwergvleermuis, Rosse vleermuis en Bosvleermuis.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 31 van 261


3.3.2.3 Detector ecoduct west Detector ecoduct west, aan de zijde van de binnenring, toont in de drie onderzoeksperioden geregeld passages van vooral Gewone dwergvleermuis en Bosvleermuis. Voor deze twee soorten zijn er erg grote verschillen in de aantallen van nacht tot nacht. Nachten met hoge aantallen van deze soorten indiceren foerageergedrag in de omgeving van de detector. Zeer regelmatige opnamen van Laatvlieger doen vermoeden dat deze soort de omgeving van de detector ook geregeld gebruikt als foerageerlocatie, en niet enkel als vliegroute. Voor Ruige dwergvleermuis is dit mogelijk ook het geval, al kunnen de vele opnamen tijdens de migratieperiode in voorͲ en najaar (perioden één en drie) (ook) duiden op een druk gebruikte migratieroute. MyotisͲsoorten en Gewone grootoorvleermuizen worden minder waargenomen, maar wel regelmatig genoeg om te kunnen wijzen op een min of meer vaste vliegroute van een klein aantal dieren.

Figuur 17: Resultaten ecoduct west, periode één.

Figuur 18: Resultaten ecoduct west, periode drie.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 32 van 261


Figuur 19: Resultaten ecoduct west, periode drie, zonder Gewone dwergvleermuis.

Figuur 20: Resultaten ecoduct west, periode vier.

3.3.2.4 Detector tunnel Flossendelle De detector tunnel Flossendelle toont enorm veel activiteit van Gewone dwergvleermuis. Dit is niet ongewoon: het is bekend dat tunnels en vooral tunnelingangen een tochtvrije, duistere plaats vormen die bij Gewone dwergvleermuizen erg in trek zijn voor sociale interactie, en bijkomend ook als foerageerzone. De opnamen reflecteren voor de meeste opnamenachten dan ook een permanente aanwezigheid van de soort voor een groot deel van de nacht. Ruige dwergvleermuizen, MyotisͲsoorten en Gewone grootoorvleermuizen zijn niet permanent aanwezig over langere delen van de nacht, maar passeren – afhankelijk van de soort – om de paar nachten tot meerdere malen per nacht. De microfoon van de detector was vooral richting tunnelmond gericht, bedoeld om passages doorheen de tunnel waar te nemen. Wanneer echter grotere, luid roepende soorten als Rosse vleermuis, Bosvleermuis en Laatvlieger langsvliegen in de omgeving van de tunnel, worden deze eveneens opgenomen. De pulsvorm (vrij vlak) toont dan aan dat deze soorten niet doorheen de tunnel passeren, maar in relatief open terrein vliegen.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 33 van 261


1400

Gewone dwergvleermuis

1200

Ruige dwergvleermuis

1000

Dwergvleermuis onbekend

800 600

Watervleermuis Baardvleermuis Franjestaart

400 Ingekorven vleermuis 200 0

Myotis onbekend Bosvleermuis Laatvlieger

Figuur 21: Resultaten tunnel Flossendelle, periode één.

Figuur 22: Resultaten tunnel Flossendelle, periode één, zonder Gewone dwergvleermuis.

Figuur 23: Resultaten tunnel Flossendelle, periode twee.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 34 van 261


Figuur 24: Resultaten tunnel Flossendelle, periode drie.

Figuur 25: Resultaten tunnel Flossendelle, periode drie, zonder Gewone dwergvleermuis.

3.3.3 Soortbesprekingen 3.3.3.1 Achtergrondinformatie Bij de soortbesprekingen worden een groot aantal grafieken en/of tabellen weergegeven. Het grafiektype is echter niet steeds identiek voor iedere soort. De grafieken werden opgebouwd op basis van de aan te tonen soort activiteit (migratie, route, foerageerͲ of sociaal gedrag), de beschikbaarheid van de data (soort al of niet niet op een detector waargenomen, en detectoren al of niet actief op een bepaalde periode), en het zinvol zijn van een vergelijking tussen detectoren/periodes. Er werd daarom telkens geopteerd voor het type dat het duidelijkst de activiteit van de desbetreffende soort weergeeft. Als voorbeeld: een soort die een route van een handvol dieren heeft nabij de detector, zal kort na zonsondergang voor opnames van enkele passages zorgen, in de loop van de nacht voor meer verspreide opnames (vroege terugkomers) en terug iets meer opnames vlak voor zonsopgang (rest terugkomers). Dit is duidelijk te herkennen op een grafiek van één nacht. Een grafiek van meerdere nachten vertroebelt dit beeld echter: kort na zonsondergang zorgen de gecombineerde passageͲ opnames dan voor een ogenschijnlijk beeld van permanent activiteit – die dan foutief kan geïnterpreteerd worden als foerageerͲ of sociale activiteit. Een ander voorbeeld: een soort passeert iedere nacht maar een of twee keer voor de detector. Een grafiek van één nacht heeft hier dan weinig zin. Door dan een grafiek van meerdere nachten (of meerdere plaatsingsperioden) te gebruiken, kan men wel een mogelijk patroon hierin herkennen. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 35 van 261


Een enkele opname die iedere nacht rond hetzelfde tijdstip wordt gemaakt, duidt er dan op dat het waarschijnlijk één enkel dier is. In enkele gevallen werd gekozen om een tabel toe te voegen in plaats van een grafiek, als die eerste een duidelijker beeld weergaf van de activiteit. 3.3.3.2 Gewone dwergvleermuis Gewone dwergvleermuizen werden op alle detectorlocaties als meest passerende soort waargenomen. Afhankelijk van de locatie is er meer of minder activiteit van deze soort. Nemen we als voorbeeld de nacht van 23/05/2019 waarop voor alle detectoren een relatief hoog aantal opnamen van deze soort werd gemaakt (Figuur 26), dan merkt men dat er die nacht duidelijk gefoerageerd wordt op ecoduct oost en aan tunnel Flossendelle, en dat ecoduct west en vooral ecoduct centraal eerder voor passage gebruikt worden. Op 13/10/2019 vertoont ecoduct west echter een hoge activiteit (Figuur 27). Die concentreert zich tussen 3:00 en 5:20, wat in die periode van het jaar dan eerder wijst op sociaal gedrag. Ook aan detector oost en vooral aan tunnel Flossendelle werden regelmatige sociale pulsen van Gewone dwergvleermuis in de opnamen gevonden. Enkel voor ecoduct centraal zijn op geen enkele datum aanwijzingen van (langdurig) foerageren of sociaal gedrag.

Figuur 26: Activiteit van Gewone dwergvleermuis op 23/05/2019.

Figuur 27: Activiteit van Gewone dwergvleermuis op 13/10/2019.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 36 van 261


3.3.3.3 Ruige dwergvleermuis Deze soort is in Vlaanderen vooral bekend als migrerende soort, die het meest in het voorjaar (maart tot en met begin mei) en het najaar (half augustus tot en met september) wordt waargenomen. Opnamen uit het voorjaar (periode één) tonen vooral veel activiteit van de soort op ecoduct oost, met respectievelijk lage, zeer lage en geen activiteit op ecoduct west, ecoduct centraal en tunnel Flossendelle (Figuur 28). De hoge activiteit duidt op foerageergedrag. Lage activiteit, en dan vooral verspreid over de nacht, duidt eerder op dieren op route of migrerende dieren. Dit laatste is goed zichtbaar in Figuur 29, die de activiteit weergeeft op de nacht van periode drie met de meeste opnamen van Ruige dwergvleermuis. Op de detector tunnel Flossendelle werd Ruige dwergvleermuis enkel opgenomen in perioden één en drie. Het aantal opnamen bedraagt hier dan maximum vijf per nacht, waarbij deze opnamen gespreid zijn over de loop van de nacht. Dit duidt voornamelijk op migrerende overvliegers.

Figuur 28: Activiteit van Ruige dwergvleermuis op 22/05/2019, representatief voor de soort voor periode één.

Figuur 29: Activiteit van Ruige dwergvleermuis op 10/09/2019.

3.3.3.4 Kleine dwergvleermuis Er werd slechts één (zekere) opname van deze soort gemaakt: op ecoduct west, 8/10/2019 19:39. Met slechts een enkele opname is moeilijk uit te maken of het hier een migrerend dier is of een dier dat in de omgeving verblijft.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 37 van 261


3.3.3.5 Dwergvleermuis onbekend Opnamen van dwergvleermuissoorten kunnen overlappende kenmerken hebben. In geval niet kan uitgemaakt worden of een opname een Gewone, Ruige of Kleine dwergvleermuis betreft, wordt het dier genoteerd als ‘dwergvleermuis onbekend’. 3.3.3.6 Watervleermuis Het aantal opnamen van deze soort op het ecoduct is erg beperkt: vijf opnamen op ecoduct west en één op ecoduct oost (periode één), en één op ecoduct centraal (periode twee). Daarentegen zijn er wel veel opnamen van Watervleermuis aan tunnel Flossendelle: 86 tijdens periode één, en 166 tijdens periode drie (en geen tijdens periode twee). De aanwezigheid van de vijvers van Flossendelle, erg geschikt jachtgebied voor Watervleermuis, verklaart dit. De activiteit van de nachten van perioden één en drie met meeste passages aan tunnel Flossendelle (Figuur 30), toont dat de tunnel in beide perioden gebruikt wordt als route. In periode drie (30/08/2019) is er een verhoogde activiteit aan het begin van de nacht. Dit kan op een druk gebruikte route wijzen (met vermoedelijk nabije kolonie, die ’s avonds vlak na elkaar uitvliegen en gespreid terugkeren), of op sociaal gedrag. Een combinatie van beide lijkt echter het meest waarschijnlijk, aangezien in de daaropvolgende nachten de avondpiek gedurende het eerste uur na zonsondergang beperkt blijft tot een zevental passages.

Figuur 30: Activiteit van Watervleermuis op detector tunnel Flossendelle, 29/5/2019 (periode één, oranje) en 30/8/2019 (periode drie, blauw).

3.3.3.7 Baardvleermuis Het aantal opnamen van deze soort op het ecoduct is erg beperkt: twee opnamen op ecoduct centraal (periode één) en één op ecoduct west (periode vier). Daarentegen zijn er wel veel opnamen van Baardvleermuis aan tunnel Flossendelle: 20 tijdens periode één, en 73 tijdens periode drie (en geen tijdens periode twee). De activiteit van de nachten van perioden één en drie aan tunnel Flossendelle (Figuur 31) toont dat de tunnel in beide perioden gebruikt wordt als route. Doorgaans is er een licht verhoogde activiteit aan het begin van de nacht, vermoedelijk wijzend op kort na elkaar uitgevlogen dieren op route. Het terugkeren (of passage naar andere foerageergebieden) gebeurt gespreid over de rest van de nacht.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 38 van 261


7 1

6 5

3

4 3 2 1 5:00:00 5:20:00 5:40:00 6:00:00 6:20:00 6:40:00

3:00:00 3:20:00 3:40:00 4:00:00 4:20:00 4:40:00

1:40:00 2:00:00 2:20:00 2:40:00

0:00:00 0:20:00 0:40:00 1:00:00 1:20:00

22:40:00 23:00:00 23:20:00 23:40:00

20:40:00 21:00:00 21:20:00 21:40:00 22:00:00 22:20:00

0

Figuur 31: Activiteit van Baardvleermuis op detector tunnel Flossendelle, van alle nachten van periode één (oranje) en periode drie (blauw).

3.3.3.8 Franjestaart Er werden geen opnamen verricht van Franjestaart aan het ecoduct. Aan tunnel Flossendelle werden er 24 opnamen van deze soort gemaakt: vijf tijdens periode één, en 19 tijdens periode drie (en geen tijdens periode twee). De activiteitsgrafiek van deze locatie (Figuur 32) toont dat de tunnel voornamelijk in het begin en op het einde van de nacht gebruikt wordt als route. In periode drie werden het uur voor zonsopgang de meeste Franjestaarten geregistreerd. Dit is evenwel geen langdurige activiteit: de opnamen werden verspreid gemaakt over de periode, en beperken zich tot een tweetal opnamen per ochtend.

Figuur 32: Activiteit van Franjestaat op detector tunnel Flossendelle, van alle nachten van periode één (oranje) en periode drie (blauw).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 39 van 261


3.3.3.9 Ingekorven vleermuis Er werden geen opnamen verricht van Ingekorven vleermuis aan het ecoduct. Aan tunnel Flossendelle werden er 32 opnamen van deze soort gemaakt: 18 tijdens periode één, en 14 tijdens periode drie (en geen tijdens periode twee). De activiteitsgrafiek van deze locatie (Figuur 33) toont dat de meeste passages voor middernacht plaatsvinden. De spreiding van de opnamen duidt er op dat de tunnel als route gebruikt wordt. Enkel op 17/05/2019 werd een piek geregistreerd van zes passages rond 23:00.

Figuur 33: Activiteit van Ingekorven vleermuis op detector tunnel Flossendelle, van alle nachten van periode één (oranje) en periode drie (blauw).

3.3.3.10 Myotis onbekend Het genus ‘Myotis’ bevat meerdere vleermuizensoorten die vaak erg gelijkende echolocatiepulsen gebruiken. In optimale omstandigheden (opname luid genoeg, voldoende lange pulsreeks) zijn sommige soorten zoals Franjestaart nog vrij vlot herkenbaar. Andere soorten hebben echter overlappende kenmerken wat specifieke soortherkenning erg moeilijk maakt, en vaak zelfs onmogelijk – zeker als de opnames kort of zwak zijn, als de pulsen minder ‘standaard’ zijn (bv in erg gesloten biotoop) of als er veel stoorgeluiden in de opnames zitten (ruis, sprinkhanen, pulsen van andere vleermuizen, …). Opnames van MyotisͲsoorten die niet verder dan soort(groep)niveau konden worden gedetermineerd, worden daarom geklasseerd onder Myotis onbekend (of Myotis species). Het aantal opnamen van deze soortgroep op het ecoduct is erg beperkt: er is telkens één opname voor de detectoren ecoduct oost (periode één) en centraal (periode twee). Op detector ecoduct west werden 19 niet nader gedetermineerde Myoten geregistreerd: 14 in periode drie, vijf in periode vier. Een hoger aantal opnamen van onbekende Myoten werd gemaakt aan tunnel Flossendelle. Doordat de tunnel en tunnelingang een erg gesloten omgeving vormen, gebruiken MyotisͲvleermuizen hier meestal korte, steilere geluidspulsen waardoor specifieke soortherkenning erg bemoeilijkt wordt. Het aantal opnamen van Myotis onbekend aan tunnel Flossendelle bedraagt 85 tijdens periode één, en 90 tijdens periode drie (en geen tijdens periode twee). Van de 573 MyotisͲopnamen (WaterͲ en Baardvleermuis, Franjestaart, Ingekorven vleermuis en Myotis onbekend) die aan tunnel Flossendelle werden gemaakt, vormen de 175 Myotis onbekend een niet onbelangrijk aandeel van 30%. Het merendeel van deze onbekende MyotisͲvleermuizen betreft vermoedelijk WaterͲ en Baardvleermuizen. Wegens geen exacte soort bekend, kan echter niet eenduidig bepaald worden of dit al dan niet dieren op route betreft. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 40 van 261


Figuur 34: Activiteit van Myotis onbekend op detector tunnel Flossendelle, periode één (oranje) en periode drie (blauw).

3.3.3.11 Rosse vleermuis De waarnemingen van Rosse vleermuis betreffen meestal langsvliegende en mogelijk zelfs sporadisch foeragerende dieren. Het aantal opnamen van de soort is vrij laag tijdens de perioden één, twee en vier (Tabel 4). Aangezien de soort ver hoorbaar is en niet elke avond opgenomen werd, kan geconcludeerd worden dat de soort tijdens deze perioden wel geregeld passeert op het ecoduct, maar in lage aantallen. Enkel tijdens periode twee werden hoge aantallen opnamen gemaakt op detector ecoduct centraal (Figuur 35), waarvan een groot deel (88) op één nacht. Het betreft hier dan permanent aanwezige, foeragerende dieren. Enkele waarnemingen van de soort aan detector tunnel Flossendelle betreffen overvliegende dieren, geen dieren die van de tunnel gebruik maakten. Tabel 4: Overzicht van de opnamen van Rosse vleermuis.

Detector Ecoduct oost Ecoduct centraal Ecoduct west Tunnel Flossendelle Totaal

Periode 1 17/5Ͳ7/06 9 2 6 17

Periode 2 7Ͳ24/07 nvt 191 nvt 191

Periode 3 30/8Ͳ3/10 nvt 10 3 13

Periode 4 8/10Ͳ19/11 nvt nvt 0

Totaal 9 193 16 3 221

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 41 van 261


Figuur 35: Activiteit van Rosse vleermuis op detector ecoduct centraal, periode één (oranje) en periode twee (groen).

3.3.3.12 Bosvleermuis De waarnemingen van Bosvleermuis betreffen meestal foeragerende dieren. De soort maakt vooral gebruik van de halfopen randzones van het ecoduct, maar passeert en foerageert vaak ook boven het middendeel van het ecoduct (Tabel 5). Het aantal opnamen van de soort is vooral hoog tijdens periode twee op detector ecoduct centraal (beide andere ecoductͲdetectoren waren toen buiten werking), met een maximum van 251 opnamen op 14/07/2019 (Figuur 36). De waarnemingen van de soort aan detector tunnel Flossendelle betreffen overvliegende dieren, geen dieren die van de tunnel gebruik maakten. Tabel 5: Overzicht van de opnamen van Bosvleermuis.

Detector Ecoduct oost Ecoduct centraal Ecoduct west Tunnel Flossendelle Totaal

Periode 1 17/5Ͳ7/06 275 32 186 22 515

Periode 2 7Ͳ24/07 nvt 1512 nvt 1512

Periode 3 30/8Ͳ3/10 nvt 93 13 106

Periode 4 8/10Ͳ19/11 8 nvt 88 nvt 96

Totaal 283 1544 367 35 2229

Figuur 36: Activiteit van Bosvleermuis op detector ecoduct centraal, 14/07/2019 (periode 2).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 42 van 261


3.3.3.13 Laatvlieger De waarnemingen van Laatvlieger betreffen soms langsvliegende dieren, maar vooral kortstondig foeragerende dieren (Tabel 6). De soort maakt het meest gebruik van de halfopen randzones van het ecoduct, maar passeert af en toe via het middendeel van het ecoduct (Figuur 37). De waarnemingen van de soort aan detector tunnel Flossendelle betreffen overvliegende dieren, geen dieren die van de tunnel gebruik maakten. Tabel 6: Overzicht van de opnamen van Laatvlieger.

Detector Ecoduct oost Ecoduct centraal Ecoduct west Tunnel Flossendelle Totaal

Periode 1 17/5Ͳ7/06 53 3 25 4 85

Periode 2 7Ͳ24/07 nvt 36 nvt 36

Periode 3 30/8Ͳ3/10 nvt 50 6 56

Periode 4 8/10Ͳ19/11 nvt 1 nvt 1

Totaal 53 39 76 10 178

Figuur 37: Activiteit van Laatvlieger op ecoduct, 22/05/2019 (periode één). Er werden die nacht geen Laatvliegers opgenomen op detector ecoduct centraal.

3.3.3.14 Eptesicus/Nyctalus/Vespertilio onbekend In bepaalde gevallen kan geen onderscheid gemaakt worden tussen soorten van het genus Nyctalus (BosͲ en Rosse vleermuis), Eptesicus (Laatvlieger) en Vespertilio (Tweekleurige vleermuis; in Vlaanderen vooral gekend als sporadisch doortrekker). In dergelijke gevallen wordt de opname geklasseerd als ‘ENV’: Eptesicus/Nyctalus/Vespertilio onbekend. Er waren slechts twee opnamen die niet verder dan deze soortgroep konden geanalyseerd worden. 3.3.3.15 Gewone grootoorvleermuis Gewone grootoorvleermuizen werden op alle detectorlocaties opgenomen (Tabel 7). Omwille van hun fluistersonar wordt de soort pas opgenomen als deze kort bij de detector passeert. Dat maakt het voor de detectoren van het ecoduct (geplaatst in een meer open omgeving dan die van tunnel Flossendelle) iets moeilijker om de waarnemingen te interpreteren. Een enkele opname duidt vermoedelijk doorgaans op een dier op route. Kleine clusters van opnamen rond eenzelfde uur tijdens de twee nachten met de meeste activiteit van de soort (22 en 25 mei 2019) suggereren echter dat de soort soms ook kortstondig foerageert in de omgeving van detector ecoduct west (Figuur 38).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 43 van 261


De opnamen van Gewone grootoorvleermuis aan tunnel Flossendelle wijzen op slechts één individu, dat tijdens de waarnemingsnachten telkens rond 3:00 door de tunnel vloog en twee à drie uur later terugkeerde (Figuur 39). Tabel 7: Overzicht van de opnamen van Gewone grootoorvleermuis.

Detector

Periode 1 17/5Ͳ7/06

Ecoduct oost Ecoduct centraal Ecoduct west Tunnel Flossendelle Totaal

8 1 33 42

Periode 2 7Ͳ24/07 nvt nvt 0

Periode 3 30/8Ͳ3/10 4 8 12

Periode 4 8/10Ͳ19/11 nvt nvt 0

Totaal 8 1 37 8 54

Figuur 38: Activiteit van Gewone grootoorvleermuis op ecoduct, 25/05/2019 (periode één). De soort werd die nacht niet waargenomen op detector ecoduct centraal.

Figuur 39: Activiteit van Gewone grootoorvleermuis aan tunnel Flossendelle.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 44 van 261


3.4 CONCLUSIES Er werden (minimum) 11 vleermuizensoorten aangetroffen (Tabel 8). De meest markante soorten zijn Ingekorven vleermuis (Europese Habitatrichtlijnsoort bijlage II), Bosvleermuis en Kleine dwergvleermuis. Tabel 8: Overzicht van de waargenomen vleermuizensoorten tijdens voorliggend onderzoek, en hun Rode LijstͲstatus. Bij soorten met een ‘z’ slaat de status op de zomergegevens, een ‘w’ op deze van de wintergegevens.

Soort Laatvlieger Watervleermuis Ingekorven vleermuis Baardvleermuis

Wetenschappelijke naam Eptesicus serotinus Myotis daubentonii Myotis emarginatus Myotis mystacinus

Rode LijstͲstatus

Franjestaart

Myotis nattereri

Bosvleermuis Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis Gewone dwergvleermuis Kleine dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis

Nyctalus leisleri Nyctalus noctula Pipistrellus nathusii Pipistrellus pipistrellus Pipistrellus pygmaeus Onvoldoende data Plecotus auritus Bijna in gevaar

Kwetsbaar Bijna in gevaar (z) Bedreigd (z)/Kwetsbaar (w) Momenteel niet in gevaar (w)/Onvoldoende data (z) Momenteel niet in gevaar (w)/Onvoldoende data (z) Bedreigd Kwetsbaar Momenteel niet in gevaar Momenteel niet in gevaar

De wijze waarop een vleermuis gebruik maakt van ecoduct Groenendaal of tunnel Flossendelle, is sterk afhankelijk van de soort (Tabel 9). Soorten die een voorkeur hebben voor een eerder open of halfopen landschap om te foerageren (Rosse vleermuis, Bosvleermuis, Laatvlieger, en in beperktere mate Ruige dwergvleermuis) steken het ecoduct vrij vlot tot vlot over. Zij gebruiken het ecoduct tevens als foerageerzone – vooral dan aan de randen waar er meer beschutting is door bomen. Deze soorten maken echter geen gebruik van de tunnel Flossendelle om de snelweg te kruisen. De opnamen van deze soorten aan de tunnel betreffen overvliegers die binnen het detectorbereik kwamen. Soorten van een meer gesloten (bos)omgeving maken van het ecoduct slechts zeer beperkt (Gewone grootoorvleermuis, WaterͲ en Baardvleermuis) of geen gebruik (Franjestaart, Ingekorven vleermuis) om de snelweg te kruisen. Deze soorten maken wel zeer vlot gebruik van de tunnel Flossendelle. Ecoduct Groenendaal en een tunnel werken dus complementair als passageͲ mogelijkheid van de snelweg voor vleermuizen. Enkel Gewone dwergvleermuizen lijken probleemloos van beide structuren gebruik te kunnen maken. Een vergelijkbaar onderzoek in Duitsland (Bach et al., 2004) kwam tot dezelfde conclusie: minstens elf soorten vleermuizen (en twee tweelingsoorten) gebruikten tunnels om grote wegen te kruisen, en slechts vijf soorten (en één tweelingsoort) gebruikten hiervoor bruggen.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 45 van 261


Tabel 9: Overzicht van het gebruik van ecoduct Groenendaal en tunnel Flossendelle door vleermuizen.

Soort Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Kleine dwergvleermuis Watervleermuis Baardvleermuis Franjestaart Ingekorven vleermuis Rosse vleermuis Bosvleermuis Laatvlieger Gewone grootoorvleermuis

Ecoduct Route foerageergedrag ja intensief ja intensief (rand) onbekend onbekend beperkt nee beperkt nee nee nee nee nee ja intensief ja intensief ja intensief beperkt sporadisch? (rand)

Tunnel Flossendelle Route ja overvliegend nee ja ja ja ja overvliegend overvliegend overvliegend beperkt Ͳ matig

foerageergedrag intensief nee nee nee? nee? nee nee? nee nee nee nee

Opvallend is verder dat detector ecoduct west meer opnamen registreerde (vooral dan op route) van MyotisͲsoorten en Gewone grootoorvleermuis dan de detector aan de oostzijde. Gezien er van deze soorten nauwelijks passage over het ecoduct verloopt, betekent dat dat de vliegroute van deze soorten eerder noordͲzuid georiënteerd is. Erg logisch overigens: dieren die de bosstrook tussen de renbaan (een groot open terrein) en de snelweg (eveneens een barrière voor dergelijke soorten) volgen, vinden daar hun kortste doorsteek om de bosstrook verder te kunnen volgen. We richten aanbevelingen met betrekking tot vleermuizen vooral op behoud en verbetering van de complementariteit van ecoduct en tunnel. Het laten opschieten van begroeiing of struwelen op of aan de rand van het ecoduct verbetert de routemogelijkheid voor soorten van een meer gesloten omgeving. Die verbetering benadert echter vermoedelijk niet het succes van de tunnel voor deze soorten, en werkt mogelijk contraproductief voor andere soortgroepen die zich enkel over een ecoduct verplaatsen indien dit wat opener en meer zon beschenen is. We adviseren bijkomende opgaande groenelementen op het ecoduct dan ook enkel in die mate dat het kan afgestemd worden op andere soortgroepen. In voorkomend geval stellen we bessendragende elementen voor, die meestal meer bloemen hebben en dus meer insecten aantrekken. We raden alleszins aan om de noordͲzuid verbinding van bomen aan de westzijde van het ecoduct te behouden en onderhouden. Indien vleermuizen hier vlot een lineair element in kunnen blijven herkennen, wordt ook de vliegroute daar behouden. Dit verhoogt trouwens de kans dat vleermuizen via die vliegroute het ecoduct ontdekken als oversteekplaats van de snelweg. Maatregelen aan de tunnel Flossendelle voor vleermuizen richten zich vooral op: Ͳ het bereikbaar houden van de tunnel voor vleermuizen. Dit betekent het onderhouden van vlot doorvliegbare bospaden en vlot volgbare waterlopen/valleien aan beide zijden van de tunnel. Ͳ het onverlicht houden van de tunnel. In de tunnel bevindt zich geen verlichting, maar er is wel redelijk wat uitstraling van de snelwegverlichting. Deze kan ingeperkt worden door bijvoorbeeld het plaatsen van een lichtwerend scherm tussen verlichting en tunnel. Een dergelijk scherm kan op de helling of in de berm tussen snelweg en tunnel, of rechtstreeks aan de verlichting zelf (aan paal, of via aangepaste lamparmatuur). Een (meer licht doorlatend) alternatief is het creëren van een opgaand dicht groenscherm. Een groenscherm bestaande uit soorten die lang blad houden (zoals hulst) heeft als voordeel dat dit ook in het vroege voorjaar of najaar zijn functie behoudt. Waar de bodem geschikt is, is hulst hier een goede kandidaat voor. Is zo’n /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 46 van 261


groenscherm minder haalbaar, dan vormen takken die opgestapeld worden tussen palen, waarbij deze begroeien met bramen, ook een zeer waardevol alternatief. We wijzen er verder op dat een ecoduct en een tunnel misschien wel complementair werken, maar dat het vrij onwaarschijnlijk is dat de tunnel Flossendelle een degelijk alternatief is voor vleermuizensoorten van gesloten (bos)omgeving die het ecoduct Groenendaal minder vlot over geraken. Beide structuren bevinden zich immers in een rechte lijn zo’n zeven kilometer van elkaar – wat toch een behoorlijke afstand is voor vleermuizensoorten die zich (zeker in een bosomgeving) lang niet altijd zo ver van hun verblijfplaats verplaatsen. Bovendien werd reeds eerder de passage van verschillende vleermuizensoorten vastgesteld door de tunnels Tamboerdreef en Hertenlaan die zich dichter bij het ecoduct bevinden (De Grave & Willems, 2012; Lefevre et al., 2013). We adviseren daarom om de maatregelen die we voorstellen voor de tunnel Flossendelle, ook toe te passen op tunnels die zich meer in de nabijheid van het ecoduct bevinden, en vooral op degene die zich aan weerszijden het dichtst bevinden, met name deze van de Hakenstakendreef (‘Renbaan’) en Raafeikweg. Deze twee laatste tunnels werden reeds eerder op passage van vleermuizen onderzocht (De Grave & Willems, 2012; Lefevre et al. 2013), met weinig succes. Gepaste maatregelen kunnen hier mogelijk ook deze tunnels voor vleermuizen geschikt maken.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 47 van 261


4 ZOOGDIEREN PARTIM II: OVERIGE ZOOGDIEREN 4.1 INLEIDING Zoogdieren als Ree Capreolus capreolus, Everzwijn Sus scrofa, Vos Vulpes vulpes, Haas Lepus europaeus, Konijn Oryctolagus cuniculus en marterachtigen zijn cruciaal om op te volgen. Dit niet alleen om ecologische redenen, maar beide eerstgenoemde soorten ook omwille van redenen van verkeersveiligheid. Soorten zoals Ree en Das Meles meles zijn bovendien aaibare soorten, waarvoor een breder draagvlak bestaat bij het grote publiek. Om onze inheemse zoogdieren, die erg variëren in grootte (van Dwergspitsmuis Sorex minutus tot Ree), te monitoren, zijn meerdere methodes toegepast. Per methode geven we aan welk onderzoek er uitgevoerd is op welke locatie.

4.2 METHODIEK 4.2.1 Cameravallen Cameravallen zijn sinds 15 jaar enorm in opmars als inventarisatiemethode. Ze leverden in 2012 bewijs voor het voorkomen van Otter Lutra lutra en Wilde kat Felis silvestris in Vlaanderen, naar aanleiding van verspreidingsonderzoek naar Bever Castor fiber (Swinnen et al., 2012), en voor de aanwezigheid van Wolf Canis lupus in België. Cameravalonderzoek toonde de voorbije jaren ook het voorkomen van Boommarter Martes martes op meerdere nieuwe locaties in Vlaanderen aan (zie INBO nieuwsbrieven), waaronder in de directe omgeving van ecoduct Kempengrens (Lambrechts et al., 2017), én in 2019 ook in het Zoniënwoud (https://www.natuurpunt.be/nieuws/zeldzameͲ boommarterͲkeertͲterugͲnaarͲzonienwoudͲ20190408). Het is niet overdreven te stellen dat cameravalonderzoek tot een revolutie in de kennis over de verspreiding van bepaalde zoogdieren in Vlaanderen leidde. Naast een goede detectiekans van bijzondere zoogdiersoorten, leveren cameravallen een schat aan gegevens van ‘gewone soorten’ op. Cameravallen hebben dezelfde ‘doelgroep’ als zandbedden, vooral grotere zoogdieren, maar ze hebben als belangrijke voordelen t.o.v. zandbedden: x men moet slechts circa eens per maand op terrein gaan (om de foto’s te downloaden); x men verkrijgt na analyse van de foto’s een goede dataset van alle grotere zoogdieren die gedurende die volledige maand passeerden binnen het bereik van de camera; x determinatie tot op soort is zekerder en verifieerbaar; x individuele herkenning van (zeldzame) soorten is mogelijk; x ook geschikt voor onderzoek naar passage van recreanten: type recreant en aantal kunnen nauwkeurig bepaald worden. Om deze redenen werd op het ecoduct Groenendaal een cameravalonderzoek uitgevoerd en geen sporenonderzoek. Cameravallen bleken bij de monitoring van ecoducten Kempengrens, Kikbeek, De Warande en De Munt een zeer goede methode. De zoogdierfauna is in kaart gebracht, er zijn mooie beelden gemaakt en enkele boeiende waarnemingen over gedrag gedaan. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 48 van 261


In 2019 werden er twee camera’s centraal op het ecoduct bevestigd (één aan elke zijde, een voorbeeld van één van deze camera’s is te zien in Figuur 40), aangevuld met één camera aan weerszijden ervan. In Flossendelle was het de bedoeling de daar aanwezige camera verder te blijven gebruiken, maar net voor het onderzoek van start ging bleek deze gestolen te zijn. Uiteindelijk werd besloten om een camera aan het plafond van de tunnel te bevestigen. Dit bleek in de loop van het onderzoek echter geen ideale locatie te zijn: de camera leverde nauwelijks foto’s op. Om toch een idee te hebben van wat door deze tunnel passeert, werden voor dit rapport de beelden van de periode voorafgaand aan het voorliggend onderzoek gebruikt. In Vercayie & Swinnen (2018) werden de camerabeelden uit de periode 06/03/2017 – 05/04/2018 geanalyseerd en besproken, in voorliggend rapport worden de beelden van de daaropvolgende periode (05/04/2018 – 03/12/2018) besproken. Aan faunabuis noord tenslotte werd aan elke kant van de buis een camera opgehangen (Figuur 42).

Figuur 40: Centraal op het ecoduct, ter hoogte van het sporenbed, werd aan weerszijden ervan een camera opgehangen (foto: Simon Feys).

De precieze locaties van de camera’s zijn terug te vinden in Figuur 41 voor het ecoduct en Figuur 43 voor de omgeving van Flossendelle/faunabuis N.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 49 van 261


Figuur 41: Overzicht van de locaties van de cameravallen (in geel) en de buiscamera’s (in rood) op en rond het ecoduct Groenendaal in 2019 (bron luchtfoto: Orthofotomozaïek, middenschalig, winteropnamen, kleur, meest recent (AGIV)).

Figuur 42: Camera’s opgesteld aan faunabuis N.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 50 van 261


Figuur 43: Overzicht van de locaties van de cameravallen (in geel) en de buiscamera’s (in rood) aan de tunnel van Flossendelle en faunabuis N in 2019 (bron luchtfoto: Orthofotomozaïek, middenschalig, winteropnamen, kleur, meest recent (AGIV)).

Alle camera’s waren van het type Reconyx HC600 met heel snelle reactietijd (en beelden van goede kwaliteit). Ze werden met een slot en de metalen behuizing vastgemaakt, bijvoorbeeld aan bomen. De camera’s werken op 12 AAͲbatterijen en hebben een ingebouwde infraroodflits. Ze zijn weersbestendig. Overdag maken ze kleurenfoto’s, ’s nachts infrarood. Op elke foto staan de datum en het uur waarop deze is genomen. Van zodra een (warmbloedig) dier voor de camera komt/beweegt, worden de camera’s geactiveerd. De camera’s werden zo ingesteld dat ze bij elke geregistreerde beweging een fotoreeks maakten van drie foto’s met telkens één seconde ertussen. Na deze drie seconden checkt de camera opnieuw of er nog beweging is en wordt desgevallend een nieuwe fotoreeks gemaakt. Deze werkwijze heeft automatisch als gevolg dat soorten die zich eerder traag voortbewegen (bvb. Ree, Figuur 44) meer gefotografeerd worden dan soorten die zich snel voortbewegen (bvb. Steenmarter Martes foina, Figuur 45).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 51 van 261


Figuur 44: Zich traag bewegende soorten zoals Ree zijn ideaal om op te volgen m.b.v. cameravallen.

Figuur 45: Zich snel bewegende soorten (zoals de marter in dit beeld) zijn lastiger vast te leggen m.b.v. cameravallen dan trager bewegende soorten.

Het aantal beelden gemaakt door een cameraval kan niet rechtstreeks vertaald worden naar een hoeveelheid individuen aanwezig. Dit kan enkel met individueel herkenbare soorten, zoals gevlekte soorten of dieren die gemerkt zijn. Op een locatie waar veel opnamen van een bepaalde soort geregistreerd worden, kunnen er veel verschillende individuen passeren, maar het kan ook dat dit stukje zeer intensief gebruikt wordt door het plaatselijke territoriale dier. Camera opnames van vogels worden in dit rapport terloops vermeld, maar worden niet uitgebreid besproken omdat vogels minder versnipperingsgevoelig zijn voor effecten van transportinfrastructuur en niet tot de doelsoorten van dit onderzoek behoren. Opnamen van /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 52 van 261


mensen, honden en katten worden vermeld en besproken aangezien dit een indicatie kan geven over de lokale verstoring. Voor de cameravallen werd géén lokstof aangebracht. Er werd voor de monitoring vanuit gegaan dat de periode lang genoeg zou zijn om alle aanwezige soorten die groot genoeg waren, vast te stellen. Bovendien is er bij de keuze van de locaties nauwkeurig te werk gegaan zodat de verschillende biotopen aan bod kwamen (voor zover een verdekte opstelling van de cameravallen mogelijk was) en dus ook alle aanwezige soorten gefotografeerd konden worden. Daarom waren we van mening dat het wenselijk was geen verstoring van het natuurlijk gedrag van de dieren teweeg te brengen. Bovendien zou het aanbrengen van lokstoffen een vertekend beeld geven over het gebruik van het ecoduct of de aanwezigheid van bepaalde soorten in de onmiddellijke omgeving van het ecoduct. Wel bleek doorheen het onderzoek dat verschillende camera’s begonnen te haperen, en af en toe geen beelden registreerden. Aangezien de gebruikte camera’s reeds enkele jaren oud zijn, is de ouderdom ervan wellicht de voornaamste oorzaak. Dit deel van het onderzoek werd uitgevoerd door Simon Feys, in samenwerking met Andreas Baele. De beelden werden per sessie zowel op Agouti als op een externe harde schijf opgeslagen, en vervolgens gedetermineerd door vrijwilligers van de Zoogdierenwerkgroep van Natuurpunt: Kris Boers en Sarah Tilkin.

4.2.2 BuisͲcameravallen Aangezien kleine zoogdieren zoals marterachtigen en Egels vaak lastig te detecteren zijn m.b.v. een gewone cameraval, werd aanvullend ook een ander type camera gebruikt: de buisͲcameraval. Dit is een cameraval die in een PVCͲbuis is gemonteerd. Marters zijn heel nieuwsgierig en ontdekken graag holtes en buizen; gebruik maken van deze buisͲcameraval verhoogt dus de kans om marterachtigen in beeld te brengen. Er werd op twee locaties gebruik gemaakt van een dergelijke opstelling: aan het ecoduct en in de buurt van de tunnel van Flossendelle. Op beide locaties werd de cameraval op verschillende locaties geplaatst, om zo maximaal kans te hebben op het detecteren van marterachtigen. Voor deze opstelling werden wel lokstoffen gebruikt, m.n. een doorprikt blikje sardines op olie. Een overzicht van de plaatsen waar de buiscameravallen werden opgesteld, is te vinden in Figuur 41 voor het ecoduct en omgeving en Figuur 43 voor de omgeving van Flossendelle/faunabuis N.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 53 van 261


Figuur 46: BuisͲcamera die opgesteld stond in de bosrand aan het ecoduct Groenendaal (foto: Simon Feys).

4.2.3 Verkeersslachtoffers Een schatting uit 1995 (Rodts et al., 1998) wees uit dat jaarlijks meer dan vier miljoen grotere wilde dieren de dood vinden op onze wegen. Voor heel wat dieren vormt het verkeer de belangrijkste onnatuurlijke doodsoorzaak. Met het project "Dieren onder de wielen" brachten de Vlaamse overheid, Natuurpunt en Vogelbescherming Vlaanderen nogmaals in kaart hoeveel faunaslachtoffers er op onze wegen vallen, welke soorten verkeersgevoelig zijn en waar in het Vlaamse wegennet de belangrijkste knelpunten liggen (Vercayie et al., 2012; Vercayie & Herremans 2015). Inmiddels is ook het opvolgingsproject, "Dieren onder de wielen 2.0", waarmee Natuurpunt Studie i.o.v. de Vlaamse overheid op meer gestandaardiseerde wijze (met transecten) vraagstukken oplost, afgelopen (Vercayie & Lambrechts, 2017). Het kwantificeren van verkeersslachtoffers blijft echter belangrijk in het aantonen van de noodzaak van maatregelen m.b.t. ecologische ontsnippering zoals de aanleg van ecoducten. Voor het voorliggende onderzoek worden de gegevens van www.dierenonderdewielen.be verwerkt en besproken voor de volledige lengte van het ecoraster. Daarnaast werd er aanvullend onderzoek naar verkeersslachtoffers uitgevoerd door op de dagen van het terreinwerk, de R0 af te rijden op de rechterrijstrook aan 90 km/u en daarbijj alle verkeersslachtoffers te noteren. Deze methodiek richt zich voornamelijk op het waarnemen van grotere zoogdieren en vogels.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 54 van 261


4.2.4 LiveͲtraps Deze methodiek laat toe om een inventaris van kleine zoogdieren (spitsmuizen, woelmuizen en ware muizen) op te maken. Dit type onderzoek is niet uitgevoerd tijdens de eerdere monitoring ikv Life+ OZON. Op twee andere recent aangelegde ecoducten (De Munt en Kempengrens) werd dergelijk onderzoek wel uitgevoerd. Dit was telkens zeer succesvol: er werden veel gegevens verzameld (veel dieren gevangen; meer dan verwacht op het relatief kale ecoduct Kempengrens), er was een snelle kolonisatie van het ecoduct, en er werden onverwachte soorten gevangen (vb. Huisspitsmuis). Deze soorten zijn niet de meest belangrijke doelsoorten in termen van ontsnippering, in die zin dat de meeste soorten hoge dichtheden bereiken waar ze voorkomen en om die reden er in een groot gebied als Zoniënwoud (naar verwachting) niet makkelijk genetische verarming zal plaatsvinden. Anderzijds spelen deze kleine zoogdieren een cruciale rol in de ecologie van bossen en in het trofische web. Daarenboven biedt dit onderzoek een antwoord op deelvraag 2 van het bestek: welke dieren worden aangetrokken dan wel afgeschrikt door de open plek die ontstaan is rond het ecoduct? Wat is de impact van de inrichting? Om deze redenen werd ook op het ecoduct Groenendaal een muizenonderzoek uitgevoerd in de periode septemberͲoktober 2019. Dit hield in dat de muizenvallen enkele dagen van tevoren opgesteld werden ter gewenning. Gedurende één nacht werden dan drie controlerondes uitgevoerd. De vallen werden opgesteld in drie zones: aan elke zijde van de snelweg, met name aan de voet van het ecoduct, en op het ecoduct zelf. In totaal werden iets meer dan 200 muizenvallen geplaatst. Het liveͲtrap onderzoek werd uitgevoerd door Kris Boers en Ann Lenaerts in de nacht van 12 op 13 oktober 2019.

4.2.5 Overige methodes 4.2.5.1 Slangenplaten Slangenplaten zijn metalen of kunststof ‘golfplaten’ van circa 50x50 cm. Ze leveren veel waardevolle gegevens op van herpetofauna en kleine zoogdieren, en worden dus voor beide diergroepen gecontroleerd. Bij het eerdere onderzoek in het kader van Life+ OZON werden 20 slangenplaten per ontsnipperingsobject uitgelegd, telkens 10 aan elke zijde van de snelweg. Deze werden jaarrond 2 keer per maand gecontroleerd. In 2019 werd een vergelijkbare methodiek toegepast, aangevuld met slangenplaten op het ecoduct zelf: Ͳ Ecoduct Groenendaal: 20 slangenplaten op het ecoduct; Ͳ Ecoduct Groenendaal: 20 slangenplaten in de directe omgeving van het ecoduct, 10 aan elke zijde, net zoals bij het eerder onderzoek; hiermee gaan we ook in op deelvraag 2 van het bestek: welke dieren worden aangetrokken dan wel afgeschrikt door de open plek die ontstaan is rond het ecoduct? Wat is de impact van de inrichting? Ͳ Tunnel Flossendelle: 20 slangenplaten in de directe omgeving van de tunnel, 10 aan elke zijde; Ͳ Faunabuis Noord: 20 slangenplaten, 10 aan elke uitgang van de faunabuis.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 55 van 261


Deze platen werden bij elk terreinbezoek gecontroleerd op aanwezigheid van zowel kleine zoogdieren als amfibieën en reptielen. Een overzicht van de locaties van de slangenplaten op en rond het ecoduct is te vinden in Figuur 47. De ligging van de slangenplaten in de buurt van de tunnel van Flossendelle en faunabuis noord wordt weergegeven in Figuur 48.

Figuur 47: Locatie van de slangenplaten die op en rond het ecoduct werden uitgelegd (bron luchtfoto: Orthofotomozaïek, middenschalig, winteropnamen, kleur, meest recent (AGIV)).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 56 van 261


Figuur 48: Locatie van de slangenplaten die in de buurt van de tunnel van Flossendelle en faunabuis noord werden uitgelegd (bron luchtfoto: Orthofotomozaïek, middenschalig, winteropnamen, kleur, meest recent (AGIV)).

4.2.5.2 Bodemvallen Hoewel de bodemvallen geplaatst werden voor het inventariseren van (loop)kevers, gebeurt het af en toe dat hier ook muizen in terechtkomen. Deze werden dan gedetermineerd. 4.2.5.3 Zichtwaarnemingen Enkele zichtwaarnemingen hebben het plaatje vervolledigd. Gezien de meeste zoogdieren grotendeels nachtactief zijn, bleef dit aantal eerder beperkt. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 57 van 261


4.3 RESULTATEN 4.3.1 Algemeen overzicht Tabel 10 geeft een overzicht van de waargenomen zoogdieren (zonder de vleermuizen) op en rond ecoduct Groenendaal en in de buurt van ecotunnel Flossendelle en faunabuis Noord, weergegeven per onderzoeksmethode.

BuisͲcamera

Cameraval

LiveͲtraps

Bodemvallen

Flossendelle/Faunabuis N

Slangenplaten

Ecoduct Zichtwaarnemingen/Sporen

BuisͲcamera

Cameraval

Verkeersslachtoffers

Tabel 10: Overzicht van de waargenomen zoogdieren (exclusief vleermuizen) per monitoringsmethode en per onderzoekslocatie.

1 Rode eekhoorn X 2 Aardmuis X 3 Rosse woelmuis X X X woelmuis spec. X X 4 Gewone bosmuis X X X X X X 5 Dwergmuis X X 6 Bruine rat X X X 7 Konijn X 8 Egel X X X 9 Huisspitsmuis X X 10 bosspitsmuis spec. X X 11 Dwergspitsmuis X X X spitsmuis spec. X X 12 Europese mol X Huiskat X X X X 13 Vos X X X X 14 Steenmarter X X X X 15 Bunzing X 16 Wild zwijn X 17 Ree X X X X X In totaal konden minstens 17 wilde zoogdiersoorten (zonder de vleermuizen) tot op soortniveau worden gedetermineerd (inclusief bosspitsmuis spec.). Daarnaast werden nog enkele soortgroepen gevonden, met name woelmuis onbekend en spitsmuis onbekend, en ook één huisdier (Huiskat).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 58 van 261


Een overzicht van alle aangetroffen zoogdiersoorten (m.u.v. de vleermuizen) is te vinden in Tabel 11. Van de waargenomen soorten staan er twee in de categorie ‘Kwetsbaar’ (Dwergspitsmuis en Bunzing), en drie in de categorie ‘Bijna in gevaar’ (Aardmuis, Dwergmuis en Konijn). Tabel 11: Lijst van de aangetroffen zoogdieren, met vermelding van hun Rode LijstͲstatus (naar Maes et al., 2014)

Soort Rode eekhoorn Aardmuis Rosse woelmuis Gewone bosmuis Dwergmuis Bruine rat Konijn Egel Huisspitsmuis bosspitsmuis spec. Dwergspitsmuis Europese mol Huiskat Vos Steenmarter Bunzing Wild zwijn Ree

Wetenschappelijke naam Sciurus vulgaris Microtus agrestis Myodes glareolus Apedemus sylvaticus Micromys minutus Rattus norvegicus Oryctolagus cuniculus Erinaceus europaeus Crocidura russula Sorex spec. Sorex minutus Talpa europaea Felis catus Vulpes vulpes Martes foina Mustela putorius Sus scrofa Capreolus capreolus

Rode LijstͲstatus Momenteel niet in gevaar Bijna in gevaar Momenteel niet in gevaar Momenteel niet in gevaar Bijna in gevaar Momenteel niet in gevaar Bijna in gevaar Momenteel niet in gevaar Momenteel niet in gevaar Momenteel niet in gevaar Kwetsbaar Momenteel niet in gevaar Momenteel niet in gevaar Momenteel niet in gevaar Momenteel niet in gevaar Kwetsbaar Momenteel niet in gevaar Momenteel niet in gevaar

4.3.1.1

Ecoduct

1 2 3 4 5 6 7

Rode eekhoorn Aardmuis Rosse woelmuis woelmuis spec. Gewone bosmuis Dwergmuis Bruine rat Konijn

Oostkant ecoduct

Ecoduct

Westkant ecoduct

Tabel 12: Overzicht van de gevonden soorten op en rond het ecoduct Groenendaal, per zijde van de autosnelweg, en op het ecoduct zelf.

X X X X X

X X X X X X

X X X X X X X

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 59 van 261


8 9 10 11 12 13 14 15

Egel Huisspitsmuis bosspitsmuis spec. Dwergspitsmuis spitsmuis spec. Europese mol Huiskat Vos Steenmarter Ree

X X X X X

X X X X X X X X

X X X X X X X

Op en rond het ecoduct waren er waarnemingen van 15 wilde zoogdiersoorten. Daarnaast werd ook nog Huiskat waargenomen, en enkele soortgroepen die niet op naam konden worden gebracht (Tabel 12). Zes soorten werden zowel bovenop, als aan beide zijden van het ecoduct aangetroffen; zes soorten (w.o. Huiskat) bovenop het ecoduct en aan één zijde ervan; drie soorten slechts aan één zijde van het ecoduct; Steenmarter werd enkel erbovenop geregistreerd. Een deel van de soorten die slechts aan één zijde werden waargenomen, komt vermoedelijk aan beide zijden voor, maar kon niet worden geregistreerd tijdens dit onderzoek. Voor enkele andere soorten wordt de verspreiding ter hoogte van het ecoduct bepaald door de verschillen in biotoop tussen beide zijden. Zo liggen aan de westkant van het ecoduct graslanden, waar geen Eekhoorns te verwachten zijn. Omgekeerd zijn op die graslanden net wel Konijnen te verwachten, die minder in het bos aan de oostkant te verwachten zijn. Ondanks het inzetten van een buisͲcameraval op vier verschillende locaties op en rond het ecoduct, en dit gedurende verschillende maanden, werd hiermee geen enkele waarneming van kleine marterachtigen verricht. Dit was wellicht de grootste verrassing tijdens dit deel van het onderzoek. Wezel en Hermelijn zijn in het geheel niet gezien tijdens het onderzoek, Steenmarter en Bunzing wel met andere methodes. 4.3.1.2 Flossendelle / Faunabuis N Omdat de onderzoeksperiodes verschillen, worden de gegevens voor deze locaties verder opgesplitst: enerzijds worden de resultaten van de beelden gemaakt in de tunnel van Flossendelle weergegeven (Tabel 13), anderzijds de beelden gemaakt met de camera’s aan faunabuis Noord en twee locaties waar de buisͲcameraval heeft gestaan (Tabel 14). Tabel 13: Overzicht van de aangetroffen soorten in de tunnel van Flossendelle.

Tunnel

1

Gewone bosmuis Huiskat

X X

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 60 van 261


2 3

Vos Steenmarter

X X

Oostkant faunabuis

Westkant faunabuis

Tabel 14: Overzicht van de gevonden soorten aan faunabuis Noord en in de omgeving van de tunnel van Flossendelle, per zijde van de autosnelweg.

1 2 3 4 5 6 7 8

woelmuis spec. X X Gewone bosmuis X X Bruine rat X Egel X Huiskat X X Vos X X Steenmarter X X Bunzing X X Wild zwijn X Ree X X In de tunnel van Flossendelle werden tussen 5 april en 3 december 2018 in totaal drie wilde zoogdiersoorten geregistreerd, en ook Huiskat werd daar op beeld vastgelegd. Aan faunabuis Noord en op de twee locaties waar de buisͲcamera heeft gestaan, werden in totaal acht wilde soorten vastgelegd, en ook daar was Huiskat een extra soort. Nagenoeg alle waarnemingen gebeurden m.b.v. camera’s, onder de slangenplaten werden enkele woelmuizen aangetroffen, die echter niet op soort konden worden gedetermineerd.

4.3.2 Cameravallen Tabel 15 geeft een overzicht van de gefotografeerde zoogdiersoorten per cameraͲlocatie. De aantallen in deze tabel geven het aantal reeksen van foto’s weer, en niet het totale aantal foto’s. Als bijvoorbeeld een Ree 10 minuten lang in beeld blijft levert dit al snel tientallen foto’s op. In onderstaande tabel wordt een dergelijke reeks beelden meegeteld als één reeks. Bij het bekijken van de foto’s werd in principe alleen naar gewervelde dieren gekeken. Enkel indien een ongewerveld dier tot op soortniveau determineerbaar was, werd dit meegeteld. Algemeen kunnen we stellen dat een groot deel van de aangetroffen zoogdiersoorten met de cameravallen is vastgesteld. Om de resultaten correct in te schatten, is het belangrijk de methodologische bemerkingen in § 3.2.1 te lezen. Zo heeft de werkwijze van onze cameravallen als gevolg dat soorten die zich eerder traag voortbewegen (bv. een Ree) meer gefotografeerd worden dan soorten die zich snel voortbewegen (bv. een Steenmarter).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 61 van 261


Voor alle camera’s werd ook het aantal mensen genoteerd, vermits dat belangrijke info is voor het functioneren van het ecoduct. Daarbij werden foto’s van terreinmedewerkers niet meegerekend. Deze gegevens worden ook weergegeven in Tabel 15. Tabel 15: Overzicht van de gefotografeerde zoogdiersoorten per cameraͲlocatie. Bij ‘mens’ worden beelden van terreinmedewerkers e.d. niet meegerekend.

Gewone bosmuis Bruine rat Egel Huiskat Vos Steenmarter Bunzing Ree Hond (loslopend) Mens

1 1 1 1 4 118 124 31 7 9 145 187 568 299 11 12 41 25 23 4 25 322 167 147 5 32 1 12 31 9 4 96 4

Totaal

Tunnel Flossendelle

Faunabuis N Buitenring Camera 11

Faunabuis N Binnenring Camera 8

Ecoduct Kant Waterloo

Ecoduct Kant Groenendaal

Ecoduct Buitenring

Ecoduct Binnenring beneden

Soort/Camera

5 7 1 5 1 281 60 1268 89 27 698 13 57 113

De meest gefotografeerde zoogdieren waren Vos en Ree, op afstand gevolgd door Huiskat en Mens. De overige soorten zaten daar een flink stuk onder, en haalden geen 100 fotoreeksen. Bruine rat, Gewone bosmuis en Egel werden met de gewone cameravallen het minst op beeld vastgelegd. Bij de soortbesprekingen wordt verder ingegaan op de verdeling van de beelden per locatie, en de spreiding doorheen het jaar.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 62 van 261


Figuur 49: Met ruim 1.200 fotoreeksen was Vos de meest gefotografeerde soort tijdens het onderzoek in 2019Ͳ2020.

Ook in de tunnel van Flossendelle was Vos de meest gefotografeerde soort in de periode tussen 5 april en 3 december 2018, gevolgd door Hond, Gewone bosmuis en Huiskat (Tabel 16).

Flossendelle

Tabel 16: Overzicht van de gefotografeerde soorten in de tunnel van Flossendelle.

Gewone bosmuis Huiskat Vos Hond

5 1 60 13

4.3.3 BuisͲcameraval Er werden in totaal 10 soorten zoogdieren, twee soortgroepen en twee soorten huisdieren geregistreerd m.b.v. de buisͲcameraval (Tabel 17). Gewone bosmuis was, met bijna 5.000 fotoreeksen, veruit de meest vastgelegde soort met deze methode. Rode eekhoorn, Dwergspitsmuis en Wild zwijn werden niet met de gewone cameravallen vastgelegd, maar wel met de buisͲ cameraval. Voor Rode eekhoorn en Wild zwijn was de buisͲcamera de enige methode waarmee tijdens dit onderzoek de aanwezigheid kon worden geregistreerd. Opvallend genoeg werd met deze methode gedurende het volledige onderzoek geen enkele kleine marterachtige op beeld vastgelegd.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 63 van 261


Tabel 17: Overzicht van de gefotografeerde zoogdiersoorten voor de twee buiscameravalͲlocaties.

Rode eekhoorn Rosse woelmuis woelmuis spec. Gewone bosmuis Bruine rat Egel Dwergspitsmuis spitsmuis spec. Huiskat Vos Steenmarter Wild zwijn Ree Hond

Totaal

Buiscamera’s Flossendelle

Buiscamera’s Ecoduct

Soort/Camera

1 1 22 4 26 272 11 283 2634 2199 4833 1 1 2 1 1 1 1 7 1 8 13 1 14 7 44 51 3 3 2 2 1 27 28 11 11

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 64 van 261


Figuur 50: Gewone bosmuis was de meest gefotografeerde soort met de buisͲcameraval.

Figuur 51: Niet alleen zoogdieren werden aangetrokken door de geur van sardines, ook verschillende vogelsoorten (waaronder deze Buizerd) kwamen hierop af.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 65 van 261


4.3.4 Verkeersslachtoffers Om de directe impact van het ecoduct naar verkeersslachtoffers te kunnen beoordelen, kan worden vergeleken met het eerder onderzoek uitgevoerd tijdens Life+ OZON (Vercayie & Swinnen, 2018). De conclusie in dat rapport was dat er toen geen noemenswaardig verschil op te merken was in het gemiddeld aantal verkeersslachtoffers. De berekeningen waren echter gebaseerd op een laag aantal gevonden verkeersslachtoffers (waardoor toeval een belangrijke rol kan spelen), en het wildraster was toen nog niet afgewerkt. Tijdens de gestandaardiseerde trajecttellingen in de eerste monitoringperiode (T0) werd van oktober 2014 t.e.m. begin februari 2016 het volledige ecoraster tweewekelijks afgereden, wat resultaarde in 29 transecttellingen. Tijdens deze tellingen werden in totaal 19 verkeersslachtoffers gedetecteerd van zeven verschillende soorten en van drie niet meer herkenbare dieren. 11 van deze slachtoffers betroffen zoogdieren (één Konijn, drie Reeën, twee Steenmarters en 11 Vossen). Tijdens de T1 monitoring werden zeven tellingen van het totale traject uitgevoerd tussen 10/1/2018 en 22/5/2018, wat resulteerde in de registratie van zes verkeersslachtoffers. Drie hiervan waren zoogdieren, het betrof allemaal Vossen. Tijdens voorliggend onderzoek tussen maart 2019 en maart 2020 werd het zelfde traject in totaal 25 keer afgereden. Dit resulteerde in totaal in de registratie van drie zoogdieren als verkeersslachtoffer op de snelweg (Tabel 18). Aanvullend werden twee Reeën doorgegeven als verkeersslachtoffer, beide aan de grens van het faunaraster: één dier op de grens met Wallonië langs de buitenring, en één dier ter hoogte van de Welriekendedreef, op de grens met het Brussels Gewest. Tabel 18: Waargenomen verkeersslachtoffers langs de R0 langsheen de lengte van het wildraster gedurende de onderzoeksperiode.

Soort zoogdier onbekend zoogdier onbekend Steenmarter

Datum 23/07/2019 23/01/2020 8/03/2020

Locatie 50.746, 4.429 50.753, 4.434 50.810, 4.471

Richting Zuid Noord Zuid

Op basis van de verzamelde gegevens (drie slachtoffers tijdens 25 ritten, tegenover resp. 11 op 29 tijdens de T0 en drie op zeven bij de T1), lijkt het aantal slachtoffers effectief verder gedaald te zijn na de volledige afwerking van het raster. In het ‘Dood doet leven’Ͳproject, werden tussen 20 juni 2008 en 20 juni 2012 in totaal 202 verkeersslachtoffers genoteerd. Deze vielen niet allemaal langs de R0, maar deels ook langs andere wegen in en rond het Zoniënwoud (Raes, 2012). Aangezien in het eindrapport van dit rapport geen lijsten zijn opgenomen met welke slachtoffers waar vielen, maar deze gegevens enkel op kaart zijn weergegeven, zijn deze resultaten niet eenvoudig te vergelijken met deze uit de meest recente onderzoeksperiode. In de periode 2008 – 2012 vielen echter op de locatie waar zich nu het ecoduct bevindt, wel minstens 10 Reeën, vier Vossen en 1 Rode eekhoorn als verkeersslachtoffer. Het is dus wel duidelijk dat deze aantallen sterk zijn afgenomen sinds de aanleg van het ecoduct en het wildraster.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 66 van 261


4.3.5 LiveͲtraps Tijdens het liveͲtrap onderzoek werden in totaal 204 ‘muizen’ gevangen, verdeeld over zeven soorten (zie Tabel 13). Bijna de helft hiervan betrof Aardmuis (99), gevolgd door Gewone bosmuis (74), Rosse woelmuis (18), HuisͲ en Dwergspitsmuis (telkens vier 4), Dwergmuis (twee) en bosspitsmuis spec. (één). Twee woelmuizen konden niet op naam worden gebracht. Dwergmuizen worden niet zo heel vaak gevangen d.m.v. liveͲtraps, deze soort zit vaak wat hoger in de vegetatie en komt minder op de grond dan andere muizensoorten. De vangst van twee exemplaren was dus een aangename verrassing. De vangsten van de Huisspitsmuizen zijn, gezien de grote afstand tot bewoning, opvallend. Deze soort is evenwel niet beperkt tot bebouwing, zoals de naam zou kunnen doen vermoeden. Aardmuis is de enige soort die enkel via de liveͲtraps werd vastgesteld (in de bodemvallen werden enkele jonge woelmuizen gevonden, deze waren echter niet meer op soort te brengen). Tabel 19: Gevangen muizen tijdens de vangnacht van 12Ͳ13 oktober 2019.

Soort Aardmuis Rosse woelmuis woelmuis spec. Gewone bosmuis Dwergmuis Huisspitsmuis bosspitsmuis spec. Dwergspitsmuis

Aantal 99 18 2 74 2 4 1 4

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 67 van 261


Figuur 52: Met slechts één exemplaar was bosspitsmuis de minst gevangen soort tijdens het liveͲtrap onderzoek (foto: Ann Lenaerts).

Figuur 53: Vindplaatsen van de zeven soorten ‘muizen’ die werden gevangen m.b.v. de liveͲtraps in oktober 2019. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 68 van 261


4.3.6 Overige methodes 4.3.6.1 Slangenplaten Onder de slangenplaten werden in totaal 25 waarnemingen van 30 muizen verricht (Tabel 20). Er werd één Gewone bosmuis waargenomen, de overige waarnemingen betroffen allen ongedetermineerde woelmuizen. Tabel 20: Overzicht van de muizen die werden waargenomen onder de slangenplaten.

Soort Gewone bosmuis woelmuis spec. woelmuis spec. woelmuis spec. woelmuis spec. woelmuis spec. woelmuis spec. woelmuis spec. woelmuis spec. woelmuis spec. woelmuis spec. woelmuis spec. woelmuis spec. woelmuis spec. woelmuis spec. woelmuis spec. woelmuis spec. woelmuis spec. woelmuis spec. woelmuis spec. woelmuis spec. woelmuis spec. woelmuis spec.

Aantal 1 2 1 1 1 1 1 2 1 2 1 1 3 1 1 1 1 2 1 1 1 2 1

Datum 19/03/2019 10/04/2019 10/04/2019 10/04/2019 10/04/2019 10/04/2019 10/04/2019 10/04/2019 10/04/2019 24/04/2019 24/04/2019 24/04/2019 2/05/2019 24/05/2019 28/05/2019 27/06/2019 27/06/2019 16/07/2019 30/07/2019 30/07/2019 5/08/2019 5/12/2019 5/12/2019

4.3.6.2 Bodemvallen In het kader van onderzoek naar bodembewonende ongewervelden zijn op een aantal locaties bodemvallen geplaatst. Een uitgebreide beschrijving van deze locaties vindt men in hoofdstuk 10. In de bodemvallen werden in totaal 27 kleine zoogdieren aangetroffen. Onderstaande Tabel 16 geeft een overzicht van deze vangsten. Tabel 21: Vangsten van ‘muizen’ in bodemvallen op het ecoduct van Groenendaal.

Soort Dwergspitsmuis Dwergspitsmuis AardͲ/Veldmuis

Aantal Locatie Datum 1 EG5 10/04/2019 1 EG11 2/05/2019 2 EG7 27/05/2019

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 69 van 261


Huisspitsmuis Dwergmuis AardͲ/Veldmuis Dwergmuis Dwergmuis Dwergspitsmuis AardͲ/Veldmuis AardͲ/Veldmuis bosspitsmuis spec. bosspitsmuis spec. Huisspitsmuis AardͲ/Veldmuis Dwergspitsmuis Gewone bosmuis Dwergmuis Dwergspitsmuis bosspitsmuis spec. AardͲ/Veldmuis AardͲ/Veldmuis Dwergmuis

1 1 1 1 1 2 1 1 1 1 1 2 2 1 1 1 1 1 1 1

EG11 EG16 EG2 EG4 EG7 EG8 EG2 EG7 EG14 EG16 EG6 EG7 EG8 EG8 EG3 EG3 EG1 EG10 EG2 EG3

20/06/2019 20/06/2019 20/06/2019 20/06/2019 20/06/2019 20/06/2019 16/07/2019 16/07/2019 30/07/2019 30/07/2019 30/07/2019 30/07/2019 12/08/2019 12/08/2019 14/08/2019 29/08/2019 26/09/2019 26/09/2019 25/10/2019 17/12/2019

In de vallen bovenop het ecoduct (EG1 – 8) werden in totaal acht AardͲ/Veldmuizen, zes Dwergspitsmuizen, vier Dwergmuizen, één Gewone bosmuis, één Huisspitsmuis en één bosspitsmuis spec. aangetroffen. 4.3.6.3 Losse waarnemingen Alle losse waarnemingen van zoogdieren door projectmedewerkers, zijn ingevoerd in Waarnemingen.be. Dit leverde sporen op van Europese mol, zichtwaarnemingen van Konijnen, en verschillende waarnemingen van Ree.

4.4 VERGELIJKING MET EERDERE STUDIES 4.4.1 Ecoduct Op de plaats waar het ecoduct zou worden gebouwd, werd voor de bouw een T0Ͳonderzoek uitgevoerd (Vercayie & Swinnen, 2018). Daarin werden beide kanten van de snelweg onderzocht met behulp van cameravallen. Dit onderzoek leverde vijf soorten op aan de binnenring, en twee aan de buitenring (Tabel 22). Via het cameravalonderzoek was Konijn de enige soort die enkel tijdens de T0 op beeld werd vastgelegd. De aanwezigheid van deze soort werd tijdens de T1 wel vastgesteld door middel van sporen en zichtwaarnemingen. Rosse woelmuis, Gewone bosmuis, Bruine rat en Dwergspitsmuis ontbraken tijdens de T0, de meeste waarnemingen van deze soorten tijdens de T1 werden verricht met de buiscameraval. Huiskat en Steenmarter zijn opvallende afwezigen tijdens de T0, tijdens het T1Ͳonderzoek passeerden beide soort regelmatig de camera’s.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 70 van 261


Tabel 22: Zoogdiersoorten die m.b.v. camera’s werden waargenomen tijdens het T0Ͳ en T1Ͳonderzoek aan het ecoduct. Voor het T1Ͳonderzoek zijn ook waarnemingen de met de buisͲcameravallen werden gedaan, opgenomen.

Rode eekhoorn Rosse woelmuis Gewone bosmuis Bruine rat Egel Dwergspitsmuis Huiskat Konijn Vos Steenmarter Ree

T0 T1 binnenring buitenring binnenring buitenring ecoduct X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X

4.4.2 Tunnel Flossendelle In de periode 6 maart 2017 – 5 april 2018 stond een camera opgesteld aan de tunnel van Flossendelle. Deze registreerde 144 opnamereeksen, verdeeld over vier wilde soorten zoogdieren, en Huiskat. Vos was de meest gefotografeerde soort (77 reeksen), gevolgd door ‘muis’ (19 reeken), Huiskat (acht reeksen), Steenmarter (twee reeksen) en Ree (één reeks). In vergelijking hiermee werd in voorliggend onderzoek enkel Ree niet vastgesteld (Vercayie & Swinnen, 2018).

4.4.3 Faunabuis noord Aan de faunabuis werden camera’s geplaatst van september 2014 t.e.m. april 2018. In deze periode werden volgende soorten aan deze structuur gefotografeerd (in dalende volgor van aantal fotoreeksen) : Vos (363 fotoreeksen), Ree (63), Egel (50), Steenmarter (15), Huiskat (acht), zoogdier onbekend (acht), Konijn (drie) en Bunzing (één). Naar soorten toe werd in voorliggend onderzoek enkel Konijn niet waargenomen. Aangezien de periodes gedurende dewelke er camera’s opgesteld stonden, verschillen, is het aantal reeksen moeilijker te vergelijken. Van Vos waren er in 2019 – 2020 meer beeldenreeksen dan in de (veel langere) periode 2014 – 2018 (867 vs. 363, voor cijfers van de meest recente periode, zie Tabel 15. Ook Steenmarter en Bunzing werden veel frequenter op beeld vastgelegd in 2018 – 2019 dan in de voorgaande periode. Egel daarentegen werd slechts vier maal geregistreerd (tegenover 50 maal in 2014 – 2018). /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 71 van 261


4.5 SOORTBESPREKINGEN 4.5.1 Rode eekhoorn Er was slechts één waarneming van een Rode eekhoorn doorheen de hele onderzoeksperiode: een dier dat zich liet betrappen bij de buisͲcameraval aan het ecoduct op 4 juli 2019 (Figuur 54). Deze stond toen opgesteld in de bosrand aan de oostkant (‘Buiscamera ecoduct 1’ in Figuur 41). Er waren dus geen waarnemingen van Rode eekhoorns op de cameravallen die bovenop het ecoduct waren opgesteld. Dit is op zich niet verwonderlijk, aangezien deze soort zich liever via de bomen verplaatst, en een voorkeur heeft voor een ander type ontsnipperingsmaatregel, zoals bvb. een boombrug. De verwachting is echter dat als het ecoduct en de aanlooptaluds meer begroeid raken, de kans op gebruik door Eekhoorn toeneemt.

Figuur 54: Het enige beeld van een Rode eekhoorn werd gemaakt op 4 juli 2019, met de buisͲcamera die aan het ecoduct stond opgesteld.

4.5.2 Aardmuis Met 99 exemplaren was dit de meest gevangen soort tijdens de muizenvangst in oktober 2019. De soort werd zowel bovenop, als aan beide zijden van het ecoduct gevangen. In de bodemvallen werden aanvullend nog enkele woelmuizen gevangen die niet tot op soort konden worden bepaald, maar waarbij het wellicht ook om Aardmuizen ging. Met zekerheid werd deze soort echter enkel m.b.v. de liveͲtraps waargenomen. Aardmuizen verkiezen doorgaans plaatsen met een zeer vochtige tot natte bodem en een hoogopgaande en gesloten begroeiing: vochtige, gevarieerde kruidenvegetaties, rietruigtes, /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 72 van 261


begroeid braakland of struwelen met een gevarieerde kruidlaag, kapvlaktes, jonge bosaanplanten en elzenbroekbossen. Ze voeden zich vooral met grassen, maar ook allerlei mossen, russen en levermossen worden gegeten (Verkem et al., 2003).

4.5.3 Rosse woelmuis Rosse woelmuizen werden zowel via de buiscamera’s als met de liveͲtraps waargenomen. De buiscamera’s registreerden in totaal 26 fotoreeksen van deze soort, 22 aan het ecoduct, en vier in de buurt van Flossendelle. Via de liveͲtraps werden 18 Rosse woelmuizen gevangen, verspreid over zowel het ecoduct zelf, als aan beide zijden ervan. Rosse woelmuizen hebben een voorkeur voor loofbossen met een dichte ondergroei, maar ze kunnen in zeer uiteenlopende biotopen leven, zolang er voldoende bodembedekking is en er een paar bomen of struiken in de buurt zijn. In Vlaanderen komen ze in grote aantallen voor in beukenbestanden met ondergroei en in populierenbossen (Verkem et al., 2003). Ook in bosranden worden ze vaak gevangen.

4.5.4 Gewone bosmuis Gewone bosmuizen werden geregistreerd d.m.v. de liveͲtraps (74 ex., verspreid over het ecoduct en beide zijden ervan), de bodemvallen, en beide types camera’s. Met ruim 4.800 fotoreeksen bleken vooral de buiscamera’s goed te werken om deze soort vast te leggen (Figuur 55). De soort werd zowel aan beide zijden van het ecoduct waargenomen, als erbovenop, en ook in de buurt van Flossendelle / faunabuis N zowel aan de westͲ als oostzijde. In de tunnel van Flossendelle werden in november 2018 vijf fotoreeksen van deze soort gemaakt, deze soort gebruikt occasioneel dus ook de tunnel.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 73 van 261


Figuur 55: Gewone bosmuis werd vooral met de buiscamera’s geregistreerd.

Hoewel de naam anders laat vermoeden, zijn Gewone bosmuizen niet strikt aan bos gebonden. De soort komt zowat overal voor waar ze voldoende dekking vindt, zoals bossen, houtkanten, nietͲ begraasde graslanden, parken en tuinen, heide en akkers. Gewone bosmuizen zijn goede klimmers, die gemakkelijk tot vijf meter hoog in bomen kunnen klimmen (Verkem et al., 2003).

4.5.5 Dwergmuis Dwergmuis werd enkel via de liveͲtraps en de bodemvallen vastgesteld. Er waren twee vangsten tijdens de muizenvangsten in oktober 2019, één dier werd bovenop het ecoduct gevangen, en één op het oostelijke aanlooptalud. In de bodemvallen zaten in totaal vijf Dwergmuizen, vier werden bovenop het ecoduct gevangen, en één aan de oostkant ervan. Deze soort werd dus niet aan de westkant van het ecoduct waargenomen. Dwergmuizen hebben een voorkeur voor een hoge (minstens 50 cm) en dichte kruidlaag. Ze komen voor in hooilanden, rietvelden, graanakkers, ruigtes, ... Tijdens de zomer komen ze bijna nooit op de grond. Ook in bossen wordt de soort gevonden, vooral in de bosranden, braamstruwelen en jonge aanplantingen. In het najaar en de winter komen ze wel meer op de grond (Verkem et al., 2003).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 74 van 261


4.5.6 Bruine rat

Figuur 56: Bruine rat werd tweemaal via de buiscamera vastgesteld.

Bruine rat werd met beide types camera’s vastgesteld, en werd op beide onderzoekslocaties geregistreerd, met in totaal drie fotoreeksen. Bruine ratten zijn heel algemeen, en kunnen zowat overal worden aangetroffen, het was dus geen verrassing dat deze soort ook tijdens dit onderzoek werd vastgesteld.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 75 van 261


Figuur 57: Ook in de buurt van Flossendelle werd Bruine rat op beeld vastgelegd.

4.5.7 Konijn Konijnen werden niet door de camera’s geregistreerd, er werden wel verschillende sporen waargenomen aan de westkant van het ecoduct, en er waren enkele waarnemingen van Konijnen op de voormalige renbaan. Deze soort lijkt het ecoduct nog niet te zijn overgestoken. Aangezien Konijnen niet in dichte bossen voorkomen (zoals te vinden aan de oostkant van het ecoduct), valt het niet te verwachten dat de soort systematisch aan de oostkant ervan zal worden waargenomen.

4.5.8 Egel Egels werden enkel via de camera’s vastgesteld. Er waren vier opnamen langs de westkant van faunabuis N, één opname bovenop het ecoduct, en één opname via de buiscamera aan het ecoduct. Ook tijdens het eerdere onderzoek (Vercayie & Swinnen, 2018) werd Egel regelmatig aan faunabuis N vastgesteld.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 76 van 261


Figuur 58: Net zoals tijdens het voorgaande onderzoek, werd Egel ook nu weer vastgesteld aan faunabuis N.

Egels houden vooral van randzones, die gekenmerkt worden door een mozaïek van vegetatiepartijen met struiken en bomen, en open gebieden, zoals graslanden. In de dichte vegetatie kunnen ze schuilen bij gevaar en een slaapplaats maken, in de meer open stukken kunnen ze foerageren. Bij het project ‘Dieren onder de wielen’ is Egel het zoogdier dat het meest wordt gemeld als verkeersslachtoffer (Vercayie & Lambrechts, 2017), deze soort heeft dus zeker baat bij ontsnipperingsmaatregelen. Het is dan ook bemoedigend om te zien dat deze soort tijdens dit onderzoek ook bovenop het ecoduct werd gefotografeerd.

Figuur 59: Op het eind van voorliggend onderzoek, in maart 2020, werd een Egel gefotografeerd bovenop het ecoduct.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 77 van 261


4.5.9 Huisspitsmuis Huisspitsmuizen werden enkel via de liveͲtraps en de bodemvallen vastgesteld tijdens dit onderzoek. De muizenvangsten leverden vier Huisspitsmuizen op, allen bovenop het ecoduct (Figuur 53). In de bodemvallen werden twee Huisspitsmuizen gevonden, één bovenop het ecoduct, en één in een bodemval aan de westkant ervan. Zoals de naam doet vermoeden, komt de soort vaak dicht bij mensen voor, en wordt ze vaak aangetroffen nabij huizen, tuinen en parken. Ze vermijden doorgaans bossen en hebben een voorkeur voor open en halfopen gebieden, zoals braakland, weilanden, hooilanden en wegbermen (Verkem et al., 2003). Het is bijzonder om vast te stellen dat dit reeds het derde onderzochte ecoduct op rij is, bij evenveel liveͲtrap onderzoeken, waar we Huisspitsmuis vaststellen. De eerdere vindplaatsen waren op ecoduct Kempengrens in Postel in 2016 (Lambrechts et al., 2017) en op ecoduct De Munt in Wuustwezel in 2018 (Feys et al., 2019).

4.5.10 bosspitsmuis spec. De ‘bosspitsmuis’ bestaat uit twee soorten die enkel op basis van hun DNA met zekerheid van elkaar te onderscheiden zijn: de Gewone bosspitsmuis Sorex araneus en de Tweekleurige bosspitsmuis Sorex coronatus. Deze worden in dit rapport samen behandeld als ‘bosspitsmuis’. Deze soort werd zowel tijdens het liveͲtrap onderzoek als via de bodemvallen vastgesteld. Er was één vangst van een levend dier, op het oostelijke aanlooptalud van het ecoduct. In de bodemvallen werden drie bosspitsmuizen gevonden: twee in de vallen aan de oostzijde, en één in een val erbovenop. Bosspitsmuizen geven de voorkeur aan plaatsen met een goed ontwikkelde vegetatie, waaronder de bodem koel en vochtig blijft. Ze komen voor in ruige graslanden, bossen met ondergroei, parken, bermen, heide, duinen, rietkragen, ... In gebieden waar beide soorten bosspitsmuizen samen voorkomen, zijn ze concurrenten en gedragen ze zich strikt territoriaal. Gewone bosspitsmuizen kiezen dan voor de meer vochtige terreinen met een dikke humuslaag, terwijl de Tweekleurige bosspitsmuizen de drogere gedeeltes opzoekt. Wanneer de soorten niet samen voorkomen en er dus geen concurrentie is, valt deze habitatvoorkeur weg (Verkem et al., 2003).

4.5.11 Dwergspitsmuis Dwergspitsmuizen werden vastgesteld d.m.v. de liveͲtraps en de bodemvallen, en ook via de buisͲ camera’s. Tijdens het muizenonderzoek werden vier Dwergspitsmuizen gevangen, allen aan de oostzijde van het ecoduct. Daarnaast waren er vijf vondsten in de bodemvallen, vier ervan bovenop het ecoduct, en één aan de westkant. Een buiscamera die stond opgesteld aan de oostkant van het ecoduct kon één fotoreeks maken van een Dwergspitsmuis (Figuur 60).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 78 van 261


Figuur 60: Dwergspitsmuis werd één keer geregistreerd op de buiscamera’s.

Dwergspitsmuizen komen voor in biotopen met voldoende vegetatie, waar een koel en vochtig bodemklimaat aanwezig is. Deze biotoopkeuze overlapt sterk met die van de bosspitsmuis. Dwergspitsmuizen zijn goed aangepast aan vochtige omstandigheden en bereiken de hoogste dichtheden in moerassige gebieden, waar bosspitsmuizen niet voorkomen (Verkem et al., 2003).

4.5.12 Europese mol Van deze soort werden enkel sporen waargenomen op de voormalige renbaan. Het is te verwachten dat deze soort ook nog op het westelijke talud van het ecoduct opduikt. Bovenop het ecoduct is er slechts een dunne laag aarde aanwezig, eventueel kan de soort d.m.v. bovengrondse verplaatsingen wel de overkant bereiken.

4.5.13 Huiskat Ondanks de grote afstand tot bebouwing, werd op het ecoduct toch geregeld een Huiskat gefotografeerd. Op de camera’s bovenop het ecoduct waren er 242 fotoreeksen van een Huiskat (Figuur 61), en ook op de buiscamera die aan het ecoduct werd geplaatst, werden er 13 opnamen van deze soort gemaakt. Het merendeel van de foto’s had betrekking op hetzelfde dier.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 79 van 261


Figuur 61: Bovenop het ecoduct werd vermoedelijk steeds dezelfde Huiskat ruim 240 keer op beeld vastgelegd.

Aan faunabuis N werd een ander dier 38 maal op beeld vastgelegd (Figuur 62), en ook de buiscamera die hier stond opgesteld, kon dit dier één maal registreren.

Figuur 62: Ook aan faunabuis N werd verschillende malen een Huiskat geregistreerd.

In de tunnel van Flossendelle werd in april 2018 éénmaal een Huiskat gefotografeerd (Figuur 63).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 80 van 261


Figuur 63: In de tunnel van Flossendelle werd éénmaal een Huiskat op beeld vastgelegd.

4.5.14 Vos

Figuur 64: Ook de buiscamera’s konden geregeld Vos registreren. Deze heeft net een kikker gevangen in de buurt van faunabuis N.

Op de gewone camera’s was Vos de meest gefotografeerde soort tijdens dit onderzoek. In totaal werden meer dan 1.200 fotoreeksen van deze soort gemaakt. Het hoogste aantal fotoreeksen werd gemaakt aan faunabuis N (551), gevolgd door het ecoduct (kant Groenendaal, 293 reeksen). Ook de buiscamera’s trokken geregeld Vossen aan, zo werden aan het ecoduct zeven fotoreeksen gemaakt, en in de omgeving van Flossendelle 44.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 81 van 261


Tabel 23 geeft een overzicht van het aantal fotoreeksen van Vos, verdeeld per camera en per maand. Voor maanden waarin een bepaalde camera een deel van de tijd niet werkte, zijn de gegevens tussen haakjes weergegeven. Tabel 23: Overzicht van de fotoreeksen van Vos per camera en per maand. Maanden waar twee haakjes staan, zijn maanden waarin die specifieke camera (deels) niet werkte.

Ecoduct binnenring beneden

Ecoduct kant Groenendaal

Ecoduct kant Waterloo

Faunabuis N Binnenring Camera 8

maart april mei juni juli augustus september oktober november december januari februari maart

Faunabuis N Buitenring Camera 11

() () () 2 2 2 2 1 ()

6 29 23 7 5 24 11 21 19

5 6 1 6 21 35 23 4 9 22 34 11 10

57 44 44 23 19 6 25 3 34 12 52 40 29 31 32 27 37 19 57 51 88 (23) 58 (3) 36 17

Uit Tabel 23 blijkt dat zowel op het ecoduct als aan faunabuis N het hele jaar door Vossen werden gefotografeerd. De meeste reeksen werden gemaakt bovenop het ecoduct (kant Waterloo), en aan de westkant van faunabuis N. Aangezien op beide locaties de camera’s de hele periode bleven werken, is het interessant om voor deze locaties te kijken naar de spreiding van de beelden doorheen het jaar. Dit wordt weergegeven in Figuur 66. Uit deze grafiek blijkt dat er in elke maand meer beelden werden gemaakt aan de faunabuis, maar dat de patronen doorheen het jaar voor beide locaties grotendeels gelijk zijn. Na een dal in het aantal beelden in de maand mei, nam op beide locaties het aantal beelden toe naar de zomer, om in augustus een eerste piek te bereiken. Na de zomer was er weer een daling (die kleiner was aan faunabuis N), gevolgd door een nieuwe toename, om opnieuw te pieken in de maand januari. Het dal in het voorjaar is mogelijk te verklaren doordat de Vossen dan met jongen zitten, en het vrouwtje zich dan minder verplaatst dan tijdens de rest van het jaar. Tijdens de zomermaanden blijven de jongen in het ouderlijk territorium, en vergroten de ouders hun actieradius opnieuw. De piek in januari is te verklaren doordat dan het hoogtepunt van de ranstijd valt, en Vossen dus zeer actief zijn. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 82 van 261


Figuur 65: Aan faunabuis N werden het hele jaar door Vossen gefotografeerd.

100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0

Ecoduct Groenendaal kant Waterloo

Faunabuis N Binnenring Camera 8

Figuur 66: Spreiding van de beelden van Vos doorheen het jaar voor twee camera’s.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 83 van 261


Figuur 67: Af en toe werden ook overdag beelden van Vos gemaakt, zoals hier bovenop het ecoduct.

Figuur 68: Tijdens het hoogtepunt van de ranstijd in de maand januari bereikte het aantal beelden van Vos een piek. Ook werden dan op het ecoduct geregeld twee Vossen samen gefotografeerd, waarbij de interactie tussen beide duidelijk zichtbaar was.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 84 van 261


Figuur 69: Nog een beeld waarop de interactie tussen twee Vossen tijdens de ranstijd goed te zien is.

De camera in de tunnel van Flossendelle registreerde tussen april en december 2018 in totaal 60 fotoreeksen van Vos. Het hoogste aantal fotoreeksen hier werd gemaakt in november. In augustus en september werden hier geen beelden van deze soort gemaakt (Tabel 24). Tabel 24: Aantal fotoreeksen van Vos in de tunnel van Flossendelle tussen april en december 2018.

Maand Aantal fotoreeksen april 10 mei 5 juni 4 juli 2 augustus 0 september 0 oktober 13 november 25 december 1

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 85 van 261


Figuur 70: Ook de tunnel van Flossendelle werd regelmatig gebruikt door Vos.

Uiteindelijk werd Vos op beide locaties aan zowel de oostͲ als westkant van de snelweg waargenomen, en ook bovenop het ecoduct was de soort regelmatig te vinden. Vossen zijn gekend voor hun groot aanpassingsvermogen, waardoor ze in zowat alle mogelijke biotooptypes voorkomen. Ze zijn dus terug te vinden in bossen en bosrijke landschappen, heiden en duinen, moerassen en venen, polders en landbouwlandschappen, parken en zelfs steden. Ook wat betreft voedsel zijn het ware opportunisten, die zowel dierlijk als plantaardig voedsel eten. Het hoofdaandeel van hun voedsel bestaat wel uit kleinere zoogdieren (Verkem et al., 2003).

4.5.15 Steenmarter

Figuur 71: Aan faunabuis N werd Steenmarter regelmatig op beeld vastgelegd. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 86 van 261


Steenmarter werd in totaal d.m.v. 92 fotoreeksen op beeld vastgelegd tijdens voorliggend onderzoek. Op drie reeksen met een buiscamera aan Flossendelle na, werden alle beelden gemaakt met de gewone cameravallen. De meeste fotoreeksen werden gemaakt aan de westkant van faunabuis N (41 fotoreeksen), gevolgd door de oostkant van faunabuis N (25 fotoreeksen). Bovenop het ecoduct werden in totaal 23 fotoreeksen gemaakt, ongeveer gelijk verdeeld over beide kanten ervan.

Figuur 72: Ook bovenop het ecoduct werden af en toe Steenmarters geregistreerd.

Tabel 25 geeft een overzicht van het aantal fotoreeksen van Steenmarter, verdeeld per camera en per maand. Voor maanden waarin een bepaalde camera een deel van de tijd niet werkte, zijn de gegevens tussen haakjes weergegeven. Tabel 25: Overzicht van de fotoreeksen van Steenmarter per camera en per maand. Maanden waar twee haakjes staan, zijn maanden waarin die specifieke camera (deels) niet werkte.

Ecoduct kant Waterloo

Faunabuis N Binnenring Camera 8

Faunabuis N Buitenring Camera 11

maart april mei

Ecoduct kant Groenendaal

0 0 0

4 1 0

13 10 0

4 8 1

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 87 van 261


juni juli augustus september oktober november december januari februari maart

0 0 2 2 1 0 0 1 1 4

0 2 2 3 0 0 0 0 0 0

2 0 1 3 2 1 0 1 7 1

1 1 0 0 1 3 1 (2) (0) 3

Uit bovenstaande tabel blijkt dat de meeste Steenmarters werden gefotografeerd in het voorjaar van 2019 aan faunabuis N. Op de meeste andere locaties werden steeds slechts lage aantallen Steenmarters geregistreerd.

Figuur 73: Af en toe zit een Steenmarter gelukkig eens stil voor de camera, wat dan mooie beelden oplevert (hier aan faunabuis N).

Net zoals Vossen komen Steenmarters in een waaier aan biotopen voor. De meest klassieke biotopen zijn landelijke dorpen en (verspreide) boerderijen, met bijhorend cultuurlandschap. De afgelopen decennia is de soort echter ook meer en meer terug te vinden in steden, en ook tot vrij diep in het bos kunnen Steenmarters worden gevonden. Op het menu van de soort staat allerlei dierlijk voedsel, van insecten tot middelgrote zoogdieren en vogels (en hun eieren), maar ook allerlei vruchten en bessen (Verkem et al., 2003).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 88 van 261


Figuur 74: Eén van de drie fotoreeksen van een Steenmarter die gemaakt werd door een buisͲcamera.

4.5.16 Bunzing

Figuur 75: Faunabuis N was de enige locatie waar Bunzing werd geregistreerd.

Van de 27 fotoreeksen die gemaakt werden van Bunzing, werd de grote meerderheid (23 reeksen) gemaakt aan faunabuis noord, langs de westkant ervan. Aan de oostzijde van faunabuis N werd vier keer een Bunzing op beeld vastgelegd (Tabel 26). Nagenoeg alle beelden werden gemaakt in de periode maart – april 2019, daarna werd er enkel nog in juli één keer een Bunzing gefotografeerd. Deze periode valt grotendeels samen met de paarperiode van deze soort, mogelijk was dit dus een dier dat op zoek was naar een partner.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 89 van 261


Tabel 26: Overzicht van de fotoreeksen van Bunzing per camera en per maand. Maanden waar twee haakjes staan, zijn maanden waarin die specifieke camera (deels) niet werkte.

maart april mei juni juli augustus september oktober november december januari februari maart

Faunabuis N Buitenring Camera 11

Faunabuis N Binnenring Camera 8

13 1 10 2 0 0 0 0 0 1 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 (0) 0 (0) 0 0

Bunzings zijn typische bewoners van een gevarieerd, kleinschalige landschap met een hoge structuurrijkdom. Vooral dierlijk voedsel staat op het menu van de soort, met als voornaamste prooien kleinere zoogdieren. In het voorjaar voeden Bunzings ze zich soms massaal met amfibieën (Verkem et al., 2003). De soort ging de afgelopen decennia sterk achteruit in Vlaanderen, en staat inmiddels als ‘Kwetsbaar’ op de Vlaamse Rode Lijst van zoogdieren (Maes et al., 2014).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 90 van 261


Figuur 76: Nog een beeld van een Bunzing aan faunabuis N.

4.5.17 Wild zwijn

Figuur 77: Wild zwijn werd tweemaal door een buiscamera geregistreerd.

Wild zwijn werd tweemaal op beeld vastgelegd, op 27 november en 17 december, telkens door de buiscamera aan de oostkant tussen de tunnel van Flossendelle en faunabuis N. Deze soort heeft inmiddels vaste voet aan de grond in het Zoniënwoud, en er werd ook reeds voortplanting vastgesteld. Vermoedelijk is de populatie nog klein, en is het nog afwachten hoezeer het drukke verkeer de populatiegroei gaat beperken of tegenhouden (Vercayie et al., 2017).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 91 van 261


Figuur 78: Het eerste beeld van Wild zwijn tijdens dit onderzoek was enkel een snuffelende neus aan een buiscamera.

Het Wild zwijn heeft een groot verspreidingsgebied, en komt voor in verschillende biotopen in het gematigde, tropische en evenaarsgebied. Deze biotopen zijn voornamelijk gematigde, vochtige tot natte loofbossen (eiken, beuken, essen of elzen), struwelen, rietvelden, moerassen en oudere naaldbossen met dichte ondergroei. Wilde zwijnen zijn echte alleseters, met een voorkeur voor plantaardig voedsel, maar ook dierlijk voedsel en zelfs aas wordt gegeten (Verkem et al., 2003).

4.5.18 Ree

Figuur 79: Bovenop het ecoduct werden meer dan 300 fotoreeksen van Ree gemaakt.

Op de gewone camera’s was Ree, na Vos, de meest gefotografeerde soort tijdens dit onderzoek. In totaal werden bijna 700 fotoreeksen van deze soort gemaakt. Het hoogste aantal fotoreeksen werd gemaakt door de camera aan de oostzijde van het ecoduct (322), gevolgd door beide camera’s /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 92 van 261


bovenop het ecoduct (resp. 167 en 147 fotoreeksen). Aan faunabuis N werden in totaal 37 fotoreeksen gemaakt, 32 aan de oostkant en vijf aan de westkant. Ook via de buiscamera’s werden Reeën vastgelegd, éénmaal aan het ecoduct en 27 keer tussen Flossendelle en faunabuis N.

Figuur 80: Ook jonge Reeën werden soms op beeld vastgelegd, hier aan faunabuis N.

Tabel 27 geeft een overzicht van het aantal fotoreeksen van Ree, verdeeld per camera en per maand. Voor maanden waarin een bepaalde camera een deel van de tijd niet werkte, zijn de gegevens tussen haakjes weergegeven. Tabel 27: Overzicht van de fotoreeksen van Ree per camera en per maand. Maanden waar twee haakjes staan, zijn maanden waarin die specifieke camera (deels) niet werkte.

Ecoduct Buitenring

Ecoduct kant Groenendaal

Ecoduct kant Waterloo

Faunabuis N Binnenring Camera 8

Faunabuis N Buitenring Camera 11

maart april mei juni juli augustus

Ecoduct Binnenring beneden

(3) () (2) 1 3 4

16 10 67 47 72 88

43 10 2 11 22 24

39 12 4 20 20 20

1 1

1 5 5 1 1 7

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 93 van 261


september 3 2 oktober 9 1 november 3 11 december 8 (1) januari (1) () februari maart 1

41 4 4 4 4

24 5 3 1 2

1

12 2 (2) ()

Uit bovenstaande tabel blijkt dat zowel op het ecoduct als aan faunabuis N nagenoeg het hele jaar door Reeën werden gefotografeerd. De meeste reeksen werden gemaakt door de camera aan het ecoduct, die langs de oostzijde was geplaatst. Opvallend is het lage aantal (slechts één) beelden dat in maart 2020 werd gemaakt, ondanks dat de aanwezige camera’s dan goed werkten.

Figuur 81: Op het ecoduct werden af en toe ook groepjes Reeën gefotografeerd, zoals deze drie dieren op 2 maart 2019.

4.5.19 Mens (+ hond) Naast het opvolgen van het gebruik door wilde zoogdieren, is het ook interessant om na te gaan of er ook mensen gebruik maken van de aangelegde ontsnipperingsmaatregelen. Uit eerdere studies weten we dat pas aangelegde ecoducten vaak een grote aantrekkingskracht uitoefenen op mensen, maar dat dit na verloop van tijd opnieuw afneemt (als ‘het nieuwe’ er af is). In Tabel 28 wordt een overzicht gegeven van de gefotografeerde mensen op het ecoduct, en aan beide kanten van faunabuis N. Deze cijfers handelen enkel over recreanten, personen die om professionele redenen (onderzoekers, boswachters, …) op beeld stonden, worden hierin niet opgenomen.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 94 van 261


Tabel 28: Overzicht van de fotoreeksen van mensen per camera en per maand. Maanden waar twee haakjes staan, zijn maanden waarin die specifieke camera (deels) niet werkte.

maart april mei juni juli augustus september oktober november december januari februari maart

1 3 1 4

1 1 1 1

7 2 3 1 15 13 26 14 15

Faunabuis N Buitenring Camera 11

Faunabuis N Binnenring Camera 8

Ecoduct kant Waterloo

Ecoduct kant Groenendaal

3 1 () ()

In bovenstaande tabel is te zien dat er op het ecoduct op ruim een jaar tijd met twee camera’s slechts negen resp. viermaal personen werden gefotografeerd die daar eigenlijk niet moesten zijn. Wat wel opviel, was dat op het eind van de onderzoeksperiode, na het afkondigen van de eerste maatregelen om de coronaͲepidemie te bestrijden, het aantal bezoekers aan het ecoduct plots opliep. Wellicht ontdekten toen meer mensen natuur op wandelafstand en werd er meer van de paden afgeweken. Bij de beelden op het ecoduct ging het éénmaal om fietsers en éénmaal om wandelaars met een (loslopende) hond, in alle overige gevallen ging het enkel om wandelaars.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 95 van 261


Figuur 82: Aan het begin van de coronaͲepidemie nam het aantal bezoekers aan het ecoduct plots toe.

Aan faunabuis N was er een groot verschil tussen beide zijden van de ring. Aan de westkant werden in totaal 96 fotoreeksen gemaakt, aan de oostkant slechts vier. Ook werden hier opvallend dikwijls loslopende honden gefotografeerd (Figuur 83). Om verstoring te vermijden is handhaving hierop zeker wenselijk.

Figuur 83: Aan faunabuis N werden opvallend vaak loslopende honden gefotografeerd.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 96 van 261


4.6 CONCLUSIES De inventarisatie van zoogdieren gebeurde met verschillende methoden: cameravallen, buisͲ camera, zichtwaarnemingen, onderzoek met liveͲtraps, bijvangsten in bodemvallen, onderzoek met slangenplaten, sporenonderzoek en zoeken naar verkeersslachtoffers. Zoals verwacht werden vooral zeer algemeen voorkomende grotere zoogdieren via de camera’s vastgesteld. De kleinere muizen werden nauwelijks met de cameravallen waargenomen, maar konden wel op een andere manier worden gevonden. Aanvullend bij de gewone cameravallen werden gedurende nagenoeg de volledige onderzoekstijd ook twee buisͲcamera’s ingezet. Deze zijn doorgaans geschikter voor o.a. marters, maar tijdens dit onderzoek konden we de aanwezigheid van kleine marters zoals Wezel en Hermelijn hiermee niet vaststellen. Deze soorten komen dus vermoedelijk niet voor in de onmiddellijke omgeving van het ecoduct. De slangenplaten leverden vooral waarnemingen van woelmuizen op. Met de liveͲtraps werden in totaal 204 muizen gevangen, Aardmuis kon enkel met deze methode worden geregistreerd. Er werden slechts drie zoogdieren als verkeersslachtoffer waargenomen: een Steenmarter en twee onherkenbare zoogdieren. Vergeleken met de eerdere T0Ͳ en T1Ͳstudies lijken deze cijfers er alvast op te wijzen dat de rasters goed werken. In totaal werden er 17 wilde zoogdiersoorten (zonder de vleermuizen) met zekerheid vastgesteld, aangevuld met enkele soortgroepen, en één huisdier: de Huiskat. De meerderheid van de soorten werd aan beide zijden van het ecoduct waargenomen. De meest geregistreerde soorten waren Vos en Ree, de buiscamera’s maakten vooral beelden van Gewone bosmuizen. Er werden geen onverwachte soorten waargenomen, de twee waarnemingen van Wild zwijn via een buiscamera tussen Flossendelle en faunabuis N passen in het toenemend aantal meldingen van deze soort in Vlaanderen. 13 soorten zoogdieren werden bovenop het ecoduct vastgesteld, in de tunnel van Flossendelle werden vier soorten vastgesteld. Bij faunabuis noord werden zes soorten aan beide zijden van de buis vastgesteld, van twee soorten kon ook worden vastgesteld dat ze deze buis effectief gebruiken om zich tussen de oostͲ en westzijde te verplaatsen (Tabel 29). Waarschijnlijk gebruiken ook enkele (spits)muizensoorten deze faunabuis, maar dit kon niet op beeld worden vastgelegd.

Ecoduct

Tunnel Flossendelle

Faunabuis noord

Tabel 29: Overzicht van de soorten waarvan werd vastgesteld dat ze de ontsnipperingsmaatregelen effectief gebruiken om de snelweg te kruisen.

X X X X X

X

Aardmuis Rosse woelmuis Gewone bosmuis Dwergmuis Bruine rat

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 97 van 261


Egel Huisspitsmuis bosspitsmuis spec. Dwergspitsmuis Huiskat Vos Steenmarter Ree

X X X X X X X X

X X X

X X

Rode eekhoorn kon éénmaal worden vastgelegd door een buiscamera die aan het ecoduct in de bosrand was geplaatst. Bij de muizenvangsten bleek Aardmuis de meest algemene soort, gevolgd door Gewone bosmuis en Rosse woelmuis. Dwergmuis, DwergspitsͲ, HuisspitsͲ en bosspitsmuis werden in lage aantallen (minder dan vijf dieren) gevangen. Dwergspitsmuis kon ook éénmaal met een buiscamera in beeld worden gebracht, en een aantal Dwergmuizen werden in de bodemvallen teruggevonden. Bruine rat werd enkele keren op beeld vastgelegd, de aanwezigheid van Konijnen aan de westkant van het ecoduct (vooral op de voormalige renbaan) werd vooral d.m.v. sporen vastgesteld. Egels konden een paar keer worden gefotografeerd, onder andere ook bovenop het ecoduct. Van Europese mol werden enkel sporen gevonden op de voormalige renbaan. Van de marterachtigen werd Steenmarter het meest vastgelegd, en dit zowel op het ecoduct als aan faunabuis N. Bunzing werd enkel aan faunabuis N gefotografeerd, en dan vooral in de periode maart – april 2019. De aanwezigheid van andere marterachtigen kon niet worden vastgesteld. Vos bleek de meest gefotografeerd grotere zoogdiersoort, met zowel beelden op het ecoduct, als aan beide zijden van faunabuis N. Wild zwijn werd enkel door een buiscamera in de buurt van Flossendelle vastgelegd, vermoedelijk hetzelfde dier dat met drie weken tussentijd op beeld verscheen. Na Vos was Ree het meest gefotografeerde grotere zoogdier, met ook zowel op/aan het ecoduct, als aan faunabuis N opnamen. Twee belangrijke doelsoorten voor ecologische ontsnippering die niet zijn vastgesteld, zijn Boommarter en Das. Deze zijn echter zeer zeldzaam of afwezig in het Zoniënwoud. Mensen tenslotte bleken slechts sporadisch het ecoduct te gebruiken, er waren in totaal resp. negen en vier fotoreeksen van recreanten bovenop het ecoduct. Opvallend was wel dat vier van deze fotoreeksen in de laatste weken van het onderzoek gebeurden, wellicht als gevolg van de maatregelen die werden genomen om de coronaͲepidemie in te dijken. Op één van de reeksen stonden fietsers, in alle andere gevallen betrof het wandelaars (waarvan éénmaal met een – loslopende – hond). Ook aan faunabuis N werden regelmatig recreanten gefotografeerd, vooral aan de westkant passeerden geregeld personen (vaak met loslopende honden).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 98 van 261


5 REPTIELEN 5.1 INLEIDING In de vorige monitoringsperiode werden zowel Levendbarende hagedis als Hazelworm in de (ruime) buurt van de onderzochte ontsnipperingsobjecten waargenomen. Beide soorten zijn goed op te volgen via slangenplaten, er werd dan ook specifiek uitgekeken naar deze soorten tijdens het onderzoek in 2019.

5.2 METHODIEK 5.2.1 Onderzoek met slangenplaten Zoals reeds bij de zoogdieren staat beschreven, werden verspreid over de (omgeving van de) drie objecten 80 ‘slangenplaten’ uitgelegd (zie Figuur 47). Deze platen zijn een erg goede methode om Hazelwormen te inventariseren. Dit is een zogenaamde thigmotactische soort die opwarmt door contact met een substraat, en daarvoor graag wegkruipt onder allerlei materialen (Lenders & Leerschool, 2012). Hagedissen kunnen dan weer regelmatig zonnend op dergelijke platen worden aangetroffen. De verspreid op het ecoduct geplaatste slangenplaten werden door de verschillende terreinmedewerkers gecontroleerd doorheen het jaar.

5.2.2 Losse waarnemingen Bij elk terreinbezoek werd ook uitgekeken naar de aanwezigheid van reptielen. Vooral de boomstammen op het ecoduct waren potentieel interessant voor zonnende hagedissen, en werden steeds grondig gecontroleerd.

5.3 RESULTATEN 5.3.1 Onderzoek met slangenplaten Er was in 2019 één waarneming van een Levendbarende hagedis onder een slangenplaat, op 27 maart aan de westkant van het ecoduct.

5.3.2 Losse waarnemingen 5.3.2.1 Levenbarende hagedis Er waren twee waarnemingen van Levendbarende hagedis, beide langs de oostzijde van het ecoduct: één aan de bosrand en één op enkele van de daar geplaatste boomstammen. 5.3.2.2 Hazelworm Van deze soort waren er in 2019 twee waarnemingen, allebei aan de westkant van de tunnel van Flossendelle. Eén waarneming van een mannetje werd op 20 juni verricht door Simon Feys (Natuurpunt Studie), een paar meter buiten de tunnel van Flossendelle (Figuur 84). Een tweede waarneming, van eveneens een mannetje, werd op 20 september verricht door Kamila Zdybal (ingevoerd via www.waarnemingen.be), een paar tientallen meter verder. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 99 van 261


Figuur 84: Mannetje Hazelworm (een regenworm opetend), net buiten de tunnel van Flossendelle op 20 juni 2019 (foto: Simon Feys).

5.4 SOORTBESPREKINGEN 5.4.1 Levendbarende hagedis In de ruime omgeving van het ecoduct werden de afgelopen jaren verschillende waarnemingen van deze soort verricht. Met de aanleg van het ecoduct is ook gunstig leefgebied voor de soort ontwikkeld, de verwachting is dat dit een soort is die volop zal profiteren van de aanleg van het ecoduct. In 2019 waren er drie waarnemingen op of aan het ecoduct: één op het oostelijke aanlooptalud, één in de bosrand (eveneens aan de oostkant), en één onder een slangenplaat aan de westkant van het ecoduct, vlakbij de voormalige renbaan (Figuur 85).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 100 van 261


Figuur 85: Waarnemingen van Levendbarende hagedis op en rond het ecoduct Groenendaal in 2019 (bron luchtfoto: Orthofotomozaïek, middenschalig, winteropnamen, kleur, meest recent (AGIV)).

De omgeving van Flossendelle is iets minder geschikt voor deze soort (meer gesloten vegetatie). Er is één waarneming uit 2015 aan de westkant van de tunnel, enkele tientallen meters ervandaan. De overige waarnemingen in de ruime omgeving lagen allemaal een eind verder van de tunnel.

5.4.2 Hazelworm In de omgeving van het ecoduct zijn er meldingen van deze soort uit zowel 2010 als 2017, en dit aan beide zijden ervan. Tijdens het terreinwerk in 2019 werden hier geen Hazelwormen vastgesteld. De verwachting is wel dat deze soort hier aanwezig is, en op termijn, wanneer het ecoduct meer begroeid is, het ook zal gaan gebruiken. In 2017 werd onder een slangenplaat aan de tunnel van Flossendelle, aan de westkant van de Ring, een Hazelworm waargenomen (Vercayie & Swinnen, 2018). In 2019 waren er twee waarnemingen, beide eveneens aan de westkant van de Ring, in de buurt van de tunnel aan Flossendelle.

5.5 CONCLUSIES Op het ecoduct werden in 2019 drie Levendbarende hagedissen waargenomen, in de omgeving van Flossendelle bleven waarnemingen van deze soort uit. Van Hazelworm waren er – na een eerdere waarneming in 2017 – nu twee waarnemingen in de buurt van de tunnel van Flossendelle, allebei aan de westzijde van de Ring. Voor beide soorten is te verwachten dat ze ook de komende jaren regelmatig in de buurt van deze ontsnipperinsgobjecten zullen worden waargenomen. Het ecoduct kan in de toekomst voor de twee soorten een rol gaan spelen in het verbinden van populaties aan beide zijden van de Ring. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 101 van 261


Beide soorten zullen wellicht gebruik maken van de geleidingselementen (boomstammen) op het ecoduct, om zich hierlangs/Ͳover over het ecoduct te bewegen. Levendbarende hagedis gebruikt deze stammen ook graag om op te zonnen, behoud van deze elementen is dus voor deze soorten belangrijk.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 102 van 261


6 AMFIBIEËN 6.1 INLEIDING In 2010 werd de Kamsalamander herontdekt voor het Zoniënwoud, na lange ‘afwezigheid’ (Lambrechts et al., 2011b; Lambrechts 2013). De vijvers in de buurt van de tunnel van Flossendelle, en de omgeving ervan, vormen het leefgebied van de soort. Tijdens het voorgaand onderzoek (Vercayie & Swinnen, 2018) werd de soort enkele keren onder slangenplaten aangetroffen. Aangezien dit een Natura 2000Ͳsoort is, lag ook tijdens het onderzoek in 2019 de focus op deze soort. Daarnaast werd ook de poel bovenop het ecoduct onderzocht op aanwezigheid en eventuele voortplanting van amfibieën.

6.2 METHODIEK Om deze soortgroep grondig te inventariseren, werden drie verschillende methodieken gebruikt, die hieronder kort worden beschreven. Deze methodes werden aangevuld met losse waarnemingen die tijdens het overige terreinwerk werden verricht. Sinds enkele jaren wordt de Europees beschermde Kamsalamander in Vlaanderen opgevolgd via een vast protocol (https://www.natuurpunt.be/sites/default/files/documents/veldwerkhandleiding_kamsalamander .pdf). De locaties in het Zoniënwoud vallen niet binnen de onderzochte steekproeflocaties, maar er werd toch voor gekozen om de aanwezige poelen volgens hetzelfde protocol te onderzoeken. Dit protocol houdt in dat er tweemaal een vangst met fuiken wordt uitgevoerd in de periode april – mei, en de poelen tweemaal met schepnetten worden onderzocht, in de periode juni – juli.

6.2.1 Onderzoek met fuiken Fuiken zijn de beste methode om adulte salamanders te bemonsteren. De fuiken worden in de namiddag of ’s avonds geplaatst, en de volgende ochtend wordt gekeken welke amfibieën zich erin bevinden. Ter plaatse worden de gegevens genoteerd, of via één van de mobiele applicaties (ObsMapp of iObs) ingevoerd, en daarna naar www.waarnemingen.be doorgestuurd. Voor de meeste poelen worden doorgaans twee fuiken gebruikt, die elk aan een andere kant van de poel worden geplaatst. Bij grotere poelen of vijvers kunnen meer dan twee fuiken worden ingezet. Op het ecoduct werd het fuikenonderzoek uitgevoerd door Simon Feys (Natuurpunt Studie), aan Flossendelle door vrijwilligers Dirk Baksteen en Gerda Dekerk.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 103 van 261


Figuur 86: Locaties van de poelen waar met fuiken werd gevangen in de omgeving van Flossendelle.

6.2.2 Onderzoek met schepnet Om larven van salamanders te bemonsteren is het gebruik van een schepnet de beste manier. Met dit net wordt de poel afgewandeld, waarbij om de paar meter in het water wordt geschept. Vervolgens worden de gevangen dieren geïdentificeerd en opnieuw vrijgelaten in de poel.

6.2.3 Onderzoek met slangenplaten Net zoals voor kleine zoogdieren en reptielen zijn slangenplaten ook zeer geschikt voor onderzoek naar amfibieën. Slangenplaten zijn over het algemeen vooral succesvol in de periode maart/april – oktober. Het is een goedkope, gemakkelijke en sterk aan te bevelen methodiek. Zoals reeds in het stuk over de zoogdieren vermeld werd, werden op 19 maart 2019 in totaal 80 slangenplaten uitgelegd, verspreid over het ecoduct en zijn aanlooptaluds, en de omgeving van Flossendelle en faunabuis N (zie Figuur 47 en Figuur 48 voor de exacte locaties van deze platen).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 104 van 261


Figuur 87: Slangenplaat boven op het ecoduct (foto: Simon Feys). 27 maart 2020.

6.2.4 Losse waarnemingen Naast de beschreven methodieken werden ook ‘losse waarnemingen’ van amfibieën, die verricht werden tijdens het veldwerk naar andere diergroepen, ingevoerd.

6.3 RESULTATEN 6.3.1 Onderzoek met fuiken 6.3.1.1 Ecoduct Op het ecoduct werden op 27 mei 2019 twee fuiken geplaatst in de poel erbovenop, de enige die lang genoeg water hield om fuiken te kunnen plaatsen (zie Figuur 119 voor een foto van deze poel). Dit leverde in totaal één adulte Bruine kikker, en 43 larven van deze soort op. Salamanders werden hier met deze methode niet gevangen. Het is opmerkelijk dat de poel op het ecoduct waterhoudend was, en die aan de voet van het ecoduct (aan de oostzijde) niet. De sterk gecompacteerde aarde bovenop het ecoduct is wellicht de oorzaak dat hier zo lang water kon blijven staan. 6.3.1.2 Flossendelle De vijvers aan Flossendelle werden gedurende twee periodes met fuiken bemonsterd: een eerste keer tussen 30 april en 3 mei 2019, een tweede keer tussen 15 en 18 mei 2019. Voor alle poelen werden telkens twee fuiken gebruikt, enkel voor het onderzoeken van de grote vijver (‘A’ in Figuur 86) werden zes fuiken ingezet. Een overzicht van de vangsten is terug te vinden in Tabel 30. De fuiken bleven telkens één nacht staan.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 105 van 261


Tabel 30: Overzicht van de resultaten van de fuikvangsten aan Flossendelle. Ronde 1 = 30/04 – 03/05, ronde 2 = 15/05 – 18/05.

Ronde 1 Poel A Poel B Poel C Poel D Poel E Poel F Poel G Ronde 2 Poel A Poel B Poel C Poel D Poel E Poel F Poel G

Alpenwatersal. Kleine watersal. Vinpootsal. man vrouw man vrouw man vrouw 31 24 2 2 27 12 2 2 2 2 12 3 37 19 10 3 3 3 17 6 48 16 2 17 41 28 6 4 10 21 17 19 3 1 19 5 35 12 3 1 51 4 16 3 2 2 58 11 1 1 11 5 112 105 3 9 45 40 1 1 27 18 26 9 2 30 3

Kamsal. man vrouw 1 2 1 5 1

Vinpootsalamander bleek bij elke vangst in elke poel aanwezig te zijn, het hoogste aantal dieren bedroeg 85 exemplaren tijdens de tweede vangsessie in poel E. Dit bleek ook voor Alpenwatersalamander de beste vangst te zijn geweest, met maar liefst 217 dieren in totaal. Kleine watersalamander was in kleinere aantallen aanwezig, ook voor deze soort bleek poel E het hoogste aantal dieren tijdens één vangst op te leveren, met 19 exemplaren tijdens de eerste sessie. Kamsalamander werd in twee poelen aangetroffen: tijdens de eerste vangsessie werd één mannetje gevangen in poel A, in poel G werd de soort tijdens beide vangsessies aangetroffen, met resp. drie en zes exemplaren.

6.3.2 Onderzoek met schepnet 6.3.2.1 Ecoduct In juni 2019 stond er niet voldoende water meer in de poel bovenop het ecoduct om deze met een schepnet te bemonsteren. 6.3.2.2 Flossendelle In juni 2019 werden alle waterpartijen in de omgeving van Flossendelle bemonsterd met een schepnet, om te onderzoeken of er voortplanting van Kamsalamander kon worden vastgesteld. Dit leverde echter enkel larven op van de andere reeds aangetroffen salamanders, larven van Kamsalamander werden niet gevangen. Ook werden er enkele larven van groene kikkers gevangen, deze kunnen echter niet op soort worden gebracht. Het schepnet is de beste methode om larven van salamanders te bemonsteren. Het schepnetonderzoek werd uitgevoerd door dezelfde vrijwilligers als bij het fuikenonderzoek aan Flossendelle.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 106 van 261


6.3.3 Onderzoek met slangenplaten De slangenplaten werden regelmatig gecontroleerd door de verschillende medewerkers die terreinwerk uitvoerden. Dit leverde slechts enkele waarnemingen van amfibieën op (Tabel 31). Mogelijk speelde de droge zomer hierbij een rol. Tabel 31: Overzicht van de amfibieën die onder de slangenplaten werden waargenomen.

Soort Gewone Pad Gewone Pad Bruine Kikker Bruine Kikker Gewone Pad

Datum 28/05/2019 27/03/2020 27/03/2020 27/03/2020 27/03/2020

Aantal 1 1 1 3 2

In totaal werden via deze methode vier Gewone padden en vier Bruine kikkers waargenomen.

6.3.4 Losse waarnemingen Naast de gestandaardiseerde methodes, werden ook verschillende losse waarnemingen van amfibieën verricht. Zo werden bijvoorbeeld zeven adulte Alpenwatersalamanders en eieren van Bruine kikker waargenomen in de poel bovenop het ecoduct.

6.4 SOORTBESPREKINGEN 6.4.1 Gewone pad Gewone pad is de algemeenste Vlaamse paddensoort. Op het ecoduct werd de soort in 2019 éénmaal aangetroffen. Daarnaast waren er in de buurt van Flossendelle enkele waarnemingen, o.a. onder slangenplaten, maar ook bewijs van voortplanting (zie https://waarnemingen.be/observation/168752723/).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 107 van 261


Figuur 88: Gewone pad werd enkele malen aangetroffen onder slangenplaten in de buurt van de tunnel van Flossendelle (foto: Simon Feys).

6.4.2 Alpenwatersalamander In de poel bovenop het ecoduct werden tijdens een terreinbezoek zeven adulte Alpenwatersalamanders aangetroffen. In de daar geplaatste fuiken kon deze soort echter niet worden aangetroffen. Bij de fuikvangsten aan Flossendelle bleek Alpenwatersalamander aanwezig in alle onderzochte waterpartijen (Figuur 89), soms in grote aantallen. Bij het schepnetonderzoek kon in verschillende waterpartijen ook voortplanting van deze soort worden vastgesteld. Tenslotte was er één waarneming van deze soort in de tunnel van Flossendelle, een bewijs dat deze ook door amfibieën gebruikt wordt.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 108 van 261


Figuur 89: Waarnemingen van adulte Alpenwatersalamanders tijdens het fuikenonderzoek aan de poelen rond Flossendelle in 2019 (bron luchtfoto: Orthofotomozaïek, middenschalig, winteropnamen, kleur, meest recent (AGIV)).

Figuur 90: Vrouwtje Alpenwatersalamander 17 mei 2019 (foto: Dirk Baksteen).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 109 van 261


6.4.3 Vinpootsalamander Vinpootsalamanders werden tijdens de fuikvangsten in de waterpartijen nabij Flossendelle in alle onderzochte poelen aangetroffen. Net zoals Alpenwatersalamander werd ook deze soort lokaal in grote aantallen gevangen. Bij het schepnetonderzoek werden in verschillende waterpartijen larven geschept van deze soort of van de Kleine watersalamander, maar larven van deze twee soorten zijn lastig of niet van elkaar te onderscheiden.

Figuur 91: Waarnemingen van adulte Vinpootsalamanders tijdens het fuikenonderzoek aan de poelen rond Flossendelle in 2019 (bron luchtfoto: Orthofotomozaïek, middenschalig, winteropnamen, kleur, meest recent (AGIV)).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 110 van 261


Figuur 92: Vinpootsalamander 17 mei 2019 (foto: Dirk Baksteen).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 111 van 261


6.4.4 Kleine watersalamander Kleine watersalamanders werden in kleine aantallen gevangen tijdens de fuikvangsten. De soort was echter wel in bijna alle onderzochte waterpartijen aanwezig, enkel in poel C (Figuur 86) werden geen Kleine watersalamanders aangetroffen.

Figuur 93: Waarnemingen van Kleine watersalamander aan de poelen rond Flossendelle in 2019 (bron luchtfoto: Orthofotomozaïek, middenschalig, winteropnamen, kleur, meest recent (AGIV)).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 112 van 261


Figuur 94: Kleine watersalamander 2 mei 2019 (foto: Dirk Baksteen).

6.4.5 Kamsalamander Deze Europees beschermde soort, die als Kwetsbaar is opgenomen in de Vlaamse Rode Lijst van reptielen en amfibieën (Jooris et al., 2012), werd tijdens het fuikenonderzoek in twee waterpartijen waargenomen (Figuur 95). In poel A (de grote vijver vlakbij de tunnel van Flossendelle) werd één mannetje gevangen, in poel G (een kleinere poel in de buurt van de grote vijver) werden tijdens de eerste vangst twee mannetjes en een vrouwtje gevangen, en tijdens de tweede vangst vijf mannetjes en een vrouwtje. Voortplanting kon echter niet worden vastgesteld, er werden geen larven van deze soort gevangen tijdens het schepnetonderzoek.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 113 van 261


Figuur 95: Waarnemingen van Kamsalamander aan de poelen rond Flossendelle in 2019 (bron luchtfoto: Orthofotomozaïek, middenschalig, winteropnamen, kleur, meest recent (AGIV)).

Figuur 96: Kamsalamanders werden in poel G tijdens beide vangsessie aangetroffen (foto: Dirk Baksteen).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 114 van 261


6.4.6 ‘groene kikker’ Tijdens de schepnetronde werden enkele larven van ‘groene kikkers’ gevangen in de waterpartijen van Flossendelle, deze konden echter niet op naam worden gebracht (het groene kikkerͲcomplex bevat een aantal moeilijk van elkaar te onderscheiden soorten). Er werden geen waarnemingen van groene kikkers verricht in de fuiken of onder de slangenplaten.

6.4.7 Bruine kikker Van deze algemene soort werden in de poel bovenop het ecoduct zowel in het voorjaar van 2019 als dat van 2020 verschillende eiklompen gevonden (Figuur 97), en later ook larven. Ook in de fuiken zaten 43 larven van deze soort, en één adult dier. In de omgeving van Flossendelle werden eveneens eiklompen gevonden in een aantal plassen aan weerszijden van de snelweg (cfr. https://waarnemingen.be/observation/168732027/ en https://waarnemingen.be/observation/168752645/). Daar werd de soort ook waargenomen onder de slangenplaten (Figuur 98) en werden op 19 maart 2019 op korte tijd 6 dode dieren gevonden (met onduidelijke doodsoorzaak).

Figuur 97: In de poel bovenop het ecoduct werden ook in het voorjaar van 2020 verschillende eiklompen van Bruine kikker gevonden. In enkele daarvan waren al larven aanwezig. 27 maart 2020. (foto: Simon Feys).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 115 van 261


Figuur 98: Onder de slangenplaten in de omgeving van Flossendelle werden enkele Bruine kikkers waargenomen (foto: Simon Feys).

6.5 CONCLUSIES Er werden tijdens het onderzoek uitgevoerd in 2019 en de eerste maanden van 2020 in totaal zes soorten amfibieën waargenomen (aangevuld met ‘groene kikker’, waarvan de larven niet op soort te bepalen waren) (Tabel 32). Bovenop het ecoduct werden reeds drie soorten waargenomen: Gewone pad, Alpenwatersalamander en Bruine kikker. In de tunnel van Flossendelle was er één waarneming van een Alpenwatersalamander. Van de Kamsalamander, die als ‘Kwetsbaar’ op de Rode Lijst staat (Jooris et al., 2012), werden in twee van de onderzochte waterpartijen exemplaren waargenomen. Het hoogste aantal tijdens één vangst bedroeg zes adulte dieren. Voortplanting van deze soort kon niet worden vastgesteld. Tabel 32: Overzicht van de waargenomen amfibieënsoorten tijdens voorliggend onderzoek, en hun Rode LijstͲstatus.

Soort Gewone pad Alpenwatersalamander Vinpootsalamander Kleine watersalamander Kamsalamander groene kikker Bruine kikker

Wetenschappelijke naam Bufo bufo Ichthyosaura alpestris Lissotriton helveticus Lissotriton vulgaris Triturus cristatus Pelophylax spec. Rana temporaria

Rode LijstͲstatus Momenteel niet in gevaar Momenteel niet in gevaar Momenteel niet in gevaar Momenteel niet in gevaar Kwetsbaar Momenteel niet in gevaar

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 116 van 261


7 SPRINKHANEN 7.1 INLEIDING Uit het onderzoek op andere ecoducten (Lambrechts et al., 2007, 2008, 2010, 2011a, 2013, 2014 & 2017; Feys et al., 2019) blijken sprinkhanen een essentiële groep ongewervelden om mee op te nemen in onderzoek naar ecologische ontsnippering. Van deze groep zijn een aantal soorten immers ongevleugeld / kortgevleugeld, en dus erg relevant in het kader van ecologische ontsnippering. Daarnaast zijn sprinkhanen zeer goede indicatoren voor vegetatiestructuur, omdat de factoren vochtigheid en warmte bepalend zijn voor hun ontwikkeling.

7.2 METHODIEK 7.2.1 Inventarisatie Gedurende vijf dagen (24 mei, 20 juni, 23 juli, 5 en 22 augustus 2019) werden op het ecoduct gebiedsdekkend alle sprinkhanen geïnventariseerd. Aangezien een groot deel van de hier voorkomende sprinkhaansoorten vrij eenvoudig auditief te determineren zijn, gebeurde het merendeel van de identificaties via herkenning van de zang. Andere soorten werden visueel herkend, al dan niet na het verzamelen via sleepvangsten. Sleepvangsten werden uitgevoerd in functie van struweelbewonende soorten waarvan de zang niet met het blote oor hoorbaar is, zoals Struiksprinkhaan, Boomsprinkhaan en Zuidelijke boomsprinkhaan. Op kale en schaars begroeide terreinen werd ook gericht gezocht (ook via sleepvangsten) naar drie soorten doornsprinkhanen. De terreindagen werden gericht gekozen, waarbij rekening werd gehouden met de periode van het jaar en het weer. Zo werd één dag terreinwerk uitgevoerd in mei in functie van de dan actieve Veldkrekel en Veenmol. De focus van het terreinwerk lag echter in de maanden juli en augustus, aangezien dan de meeste sprinkhanen actief zijn. Dit terreinwerk werd uitgevoerd door Simon Feys. Elke zangpost of cluster van zangposten werd met behulp van de app Obsmapp precies vastgelegd. Tegelijkertijd werd gewerkt met transecten, waarbij gebruik gemaakt werd van ‘variabele transecten’. Kort gezegd houdt dit in dat het gelopen traject precies wordt bijgehouden (incl. startͲ en eindͲuur) en dat elke waarneming hieraan gekoppeld wordt. Meer info over deze nieuwe methodiek is te vinden in onderstaande box. Tenslotte werden ook bijkomende gegevens verzameld bij het bodemvalonderzoek en door terreinbezoeken in functie van andere diergroepen, door waarnemers die ook sprinkhanen kennen. Box: variabele transecten (route/punttelling). Losse waarnemingen zijn heel waardevol, maar ze leveren geen informatie over afwezigheid van soorten. Bijvoorbeeld: op een bepaalde locatie zijn geen gegevens over Hazen beschikbaar, dit kan verschillende oorzaken hebben: 1) Er is geen waarnemer geweest; 2) Er was een waarnemer, maar die heeft geen hazen gezien; of 3) Er werd een haas gezien, maar deze werd niet gemeld door de waarnemer. Bij het aanmaken van een streeplijst vanaf een bepaalde locatie weet je wel dat een waarnemer alle soorten registreerde, dus de afwezigheid van gegevens wil ook zeggen dat de soort niet aanwezig was.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 117 van 261


Als je echter een route wandelt, en vervolgens één streeplijst maakt, dan worden alle gegevens voor het hele gebied gebundeld. Je weet dus niet exact op welk deel van de route een bepaalde soort wel of niet gezien is. Om dit op te lossen bestaat er sinds enige tijd de nieuwe functie ‘Route registreren’ in ObsMapp en sinds 2018 in iObs. Je route wordt geregistreerd, en de waarnemingen worden aan een exacte locatie ten opzichte van je route toegewezen (dat kan op de route zijn, of op een bepaalde afstand van je route als je de locatie van de waarneming extra specifieerde). Op deze manier bekom je een lijst met aanͲ en afwezigheden voor een hele route, hetgeen extra mogelijkheden geeft voor de wetenschappelijke analyse van deze gegevens.

7.2.2 Bodemvallen Net zoals bij een aantal andere groepen komen ook sprinkhanen af en toe in de bodemvallen terecht. Aangezien dit nuttige bijkomende informatie kan opleveren, werden deze ook gedetermineerd, en worden de resultaten meegenomen in de bespreking hieronder.

7.3 RESULTATEN 7.3.1 Algemeen In 2019 werden in totaal 14 soorten sprinkhanen waargenomen. Een overzicht hiervan is te vinden in Tabel 33. Zoals uit deze tabel blijkt, werden er geen soorten van de Rode Lijst waargenomen op het ecoduct (Maes et al., 2017). Gewoon doorntje en Zuidelijke boomsprinkhaan werden enkel via de bodemvallen vastgesteld (zie verder onder § 7.3.2). Tabel 33: Overzicht van de waargenomen soorten sprinkhanen op het ecoduct Groenendaal in 2019. Soorten in vet zijn (deels) brachyptere soorten.

Soort Kustsprinkhaan Ratelaar Bruine sprinkhaan Gouden sprinkhaan Krasser Zeggedoorntje Gewoon doorntje Sikkelsprinkhaan Gewoon spitskopje Zuidelijk spitskopje Zuidelijke boomsprinkhaan Bramensprinkhaan Greppelsprinkhaan Grote groene sabelsprinkhaan

Wetenschappelijke naam Chorthippus albomarginatus Chorthippus biguttulus Chorthippus brunneus Chrysochraon dispar Pseudochorthippus parallelus Tetrix subulata Tetrix undulata Phaneroptera falcata Conocephalus dorsalis Conocephalus fuscus Meconema meridionale Pholidoptera griseoaptera Roeseliana roeselii Tettigonia viridissima

Rode LijstͲstatus Momenteel niet in gevaar Momenteel niet in gevaar Momenteel niet in gevaar Momenteel niet in gevaar Momenteel niet in gevaar Momenteel niet in gevaar Momenteel niet in gevaar Momenteel niet in gevaar Momenteel niet in gevaar Momenteel niet in gevaar Momenteel niet in gevaar Momenteel niet in gevaar Momenteel niet in gevaar Momenteel niet in gevaar

De meeste sprinkhaansoorten zijn macropteer (langvleugelig) en van een heel aantal is bekend dat ze goed kunnen vliegen. Vijf van de waargenomen soorten zijn evenwel brachypteer (kortvleugelig): Krasser, Gewoon doorntje, Gewoon spitskopje, Zuidelijke boomsprinkhaan en Bramensprinkhaan. Van de drie eerstgenoemde soorten worden wel geregeld macroptere dieren waargenomen. De laatste twee soorten daarentegen zijn altijd kortgevleugeld, voor deze soorten speelt het ecoduct dus een belangrijke rol naar ontsnippering. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 118 van 261


7.3.2 Bodemvallen In de bodemvallen werden in totaal 28 sprinkhanen aangetroffen, verdeeld over zes soorten (Tabel 34). Gewoon doorntje en Zuidelijke boomsprinkhaan waren de enige soorten die niet via het reguliere terreinwerk werden vastgesteld. Tabel 34: Overzicht van de sprinkhanen die werden aangetroffen in de bodemvallen (locatie zie Figuur 125).

Locatie EG2 EG3 EG3 EG3 EG3 EG3 EG3 EG3 EG3 EG3 EG3 EG5 EG6 EG6 EG6 EG10 EG11 EG12 EG13 EG14 EG14 EG14 TF

Datum 14/08/2019 16/07/2019 30/07/2019 14/08/2019 14/08/2019 29/08/2019 29/08/2019 29/08/2019 29/08/2019 26/09/2019 26/09/2019 14/08/2019 20/06/2019 16/07/2019 29/08/2019 14/08/2019 29/08/2019 22/11/2019 2/05/2019 16/07/2019 14/08/2019 29/08/2019 25/10/2019

Soort Aantal Bruine sprinkhaan 3 Chorthippus spec. 1 Chorthippus spec. 1 Chorthippus spec. 2 Bruine sprinkhaan 1 Bruine sprinkhaan 1 Zuidelijk spitskopje 1 Gewoon doorntje 1 Tetrix spec. 1 Bruine sprinkhaan 1 Chorthippus spec. 1 Chorthippus spec. 1 Gewoon doorntje 3 Krasser 1 Chorthippus spec. 1 Krasser 1 Bruine sprinkhaan 1 Zuidelijke boomsprinkhaan 1 Gewoon doorntje 1 Gewoon doorntje 1 Bruine sprinkhaan 1 Bramensprinkhaan 1 Zuidelijke boomsprinkhaan 1 De sprinkhanen in bodemvallen werden verspreid over het ecoduct aangetroffen, en ook in de tunnel van Flossendelle werd één sprinkhaan gevonden in een bodemval.

7.4 SOORTBESPREKINGEN 7.4.1 Kustsprinkhaan Deze veldsprinkhaan is zowel auditief als visueel eenvoudig te herkennen. Kustsprinkhanen worden voornamelijk aangetroffen in vrij dichte, halfhoge, grazige vegetaties (Kleukers et al., 1997). In Vlaanderen komt de soort enerzijds voor aan de kust, en anderzijds in de Kempen, met nauwelijks waarnemingen tussenin (Figuur 99). Het was dan ook een verrassing dat deze soort in 2019 aan het ecoduct in Groenendaal werd waargenomen. Er waren in totaal twee waarnemingen, beide aan de westkant van het ecoduct (Figuur 100). Ook in WatermaalͲBosvoorde was er in de zomer van 2019 een waarneming van deze soort, op een locatie waar ze niet eerder was gemeld. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 119 van 261


Dit illustreert dat de soort toeneemt in Vlaanderen. Immers, tot 2000 waren er in de Kempen nauwelijks vindplaatsen (Decleer et al., 2000).

Figuur 99: Verspreiding van de Kustsprinkhaan in België tussen 2010 en 2019 (bron: www.waarnemingen.be).

7.4.2 Ratelaar Net zoals de drie volgende soorten heeft ook de Ratelaar een typische zang, waardoor auditieve herkenning zeer eenvoudig is. Het is een typische soort van bermen, dijken, graslanden, … Het is één van de algemeenste veldsprinkhanen in Vlaanderen, en ook op en rond het ecoduct waren er verschillende waarnemingen van deze soort. In Figuur 100 is te zien dat de meeste waarnemingen aan de westkant en bovenop het ecoduct werden verricht, aan de oostkant ontbrak deze graslandsoort.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 120 van 261


Figuur 100: Waarnemingen van Kustsprinkhaan en Ratelaar op en rond het ecoduct Groenendaal in 2019 (bron luchtfoto: Orthofotomozaïek, middenschalig, winteropnamen, kleur, meest recent (AGIV)).

7.4.3 Bruine sprinkhaan Ook deze onopvallende soort is eenvoudig via de zang te herkennen, terwijl de soort visueel zéér sterk op de Ratelaar gelijkt. Bruine sprinkhanen komen in verschillende biotopen voor, maar worden vooral aangetroffen op zandige wegbermen, dijken en andere infrastructuurelementen (Kleukers et al., 1997). Het is een algemene soort in Vlaanderen, en ook op het ecoduct was de soort in 2019 volop aanwezig. In tegenstelling tot de vorige soort werd de Bruine sprinkhaan (naast aan de westkant en erbovenop) ook aan de oostkant van het ecoduct waargenomen (Figuur 101).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 121 van 261


Figuur 101: Waarnemingen van Bruine sprinkhaan op en rond het ecoduct Groenendaal in 2019 (bron luchtfoto: Orthofotomozaïek, middenschalig, winteropnamen, kleur, meest recent (AGIV)).

7.4.4 Gouden sprinkhaan Gouden sprinkhanen komen vooral in vochtige graslanden voor. In Vlaanderen komt de soort vooral ten oosten van Brussel voor, in OostͲ en WestͲVlaanderen is de soort heel wat zeldzamer. De afgelopen jaren lijkt ze echter toe te nemen, en haar verspreidingsgebied uit te breiden. In de buurt van het ecoduct waren er verschillende waarnemingen op de voormalige renbaan, maar ook op het westelijke aanlooptalud van het ecoduct werd de soort waargenomen (Figuur 102).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 122 van 261


Figuur 102: Waarnemingen van Gouden sprinkhaan op en rond het ecoduct Groenendaal in 2019 (bron luchtfoto: Orthofotomozaïek, middenschalig, winteropnamen, kleur, meest recent (AGIV)).

7.4.5 Krasser De Krasser is één van de algemeenste Vlaamse sprinkhanen, en komt in allerlei grazige situaties voor. In vergelijking met de Ratelaar verkiezen ze vaak iets vochtigere situaties en dichtere vegetaties. Het typische krassende geluid is de eenvoudigste manier om deze soort te determineren. Ook deze soort werd zowel bovenop, als langs beide zijden van het ecoduct waargenomen (Figuur 103).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 123 van 261


Figuur 103: Waarnemingen van Krasser op en rond het ecoduct Groenendaal in 2019 (bron luchtfoto: Orthofotomozaïek, middenschalig, winteropnamen, kleur, meest recent (AGIV)).

7.4.6 Zeggedoorntje Deze doornsprinkhaan is een goede vlieger, en er komt zowel een kortͲ als langdoornige vorm voor. Van de kortdoornige dieren wordt aangenomen dat ze niet kunnen vliegen (Kleukers et al., 1997). Zeggedoorntjes komen vooral voor in pioniervegetaties op vochtige plekken, zoals langs oevers of bijna drooggevallen sloten. Het was een te verwachten soort langs de oevers van de aanwezige poelen bij het ecoduct. Er werden twee waarnemingen verricht van langdoornige exemplaren, één aan de poel aan de westzijde van het ecoduct, en één aan de grote poel aan de noordoostkant (Figuur 104).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 124 van 261


Figuur 104: Waarnemingen van Zeggedoorntje en Sikkelsprinkhaan op en rond het ecoduct Groenendaal in 2019 (bron luchtfoto: Orthofotomozaïek, middenschalig, winteropnamen, kleur, meest recent (AGIV)).

7.4.7 Gewoon doorntje Gewoon doorntje werd enkel via de bodemvallen aangetroffen. Er werden zes exemplaren gevonden, verspreid over vier locaties: EG3 (1), EG6 (3), EG13 (1) en EG14 (1). De twee eerste vallen stonden bovenop het ecoduct, de andere twee aan de oostzijde. Over het algemeen is deze soort kortvleugelig, heel zelden komen ook langvleugelige exemplaren voor. Gewone doorntjes zijn doorgaans op allerlei vochtige plekken te vinden.

7.4.8 Sikkelsprinkhaan Deze sierlijke sprinkhaan met lange vleugels had oorspronkelijk een meer zuidelijke verspreiding, maar komt tegenwoordig over heel Vlaanderen voor. Ze komt vooral voor op beschutte en zonnige plaatsen in voldoende reliëfrijke, grazige terreinen, vaak op hellingen met een goed ontwikkelde struiklaag (Kleukers et al., 1997). Er werd één waarneming van Sikkelsprinkhaan verricht, in de begraasde zone aan de westzijde van het ecoduct (Figuur 104).

7.4.9 Gewoon spitskopje Deze slanke sabelsprinkhaan is meestal kortgevleugeld, maar regelmatig worden ook langvleugelige dieren aangetroffen. Vergeleken met het Zuidelijk spitskopje verkiest deze soort vochtigere biotopen. Er waren in 2019 twee waarnemingen van deze soort, één aan de oostͲ en één aan de westzijde van het ecoduct (Figuur 105).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 125 van 261


Figuur 105: Waarnemingen van Gewoon en Zuidelijk spitskopje op en rond het ecoduct Groenendaal in 2019 (bron luchtfoto: Orthofotomozaïek, middenschalig, winteropnamen, kleur, meest recent (AGIV)).

7.4.10 Zuidelijk spitskopje Net zoals de Sikkelsprinkhaan breidde deze soort de afgelopen decennia sterk uit in WestͲEuropa. Tegenwoordig is het in Vlaanderen een zeer algemene soort, die vooral te vinden is in allerlei ruige kruidenͲ en graslandvegetaties. Ook op en rond het ecoduct werd deze soort volop waargenomen, en dit zowel op als aan weerszijden van het ecoduct (Figuur 105).

7.4.11 Zuidelijke boomsprinkhaan Deze relatief nieuwe soort in Vlaanderen (eerste waarnemingen rond de eeuwwisseling) was in het begin vooral gekend uit steden, waar ze vermoedelijk via transport zijn terechtgekomen. In dergelijke omgeving zijn ze ’s avonds vaak te vinden in de buurt van lampen, ze komen immers af op licht. Ondertussen heeft de soort zich over heel Vlaanderen verspreid. Tijdens het onderzoek werden twee exemplaren aangetroffen in bodemvallen: één in EG12 en één in de tunnel van Flossendelle. In tegenstelling tot de meeste andere soorten sprinkhanen, is deze soort niet op geluid te inventariseren. Zuidelijke boomsprinkhanen zijn kortgevleugeld, en zullen dus profiteren van zowel het ecoduct als de tunnel van Flossendelle.

7.4.12 Bramensprinkhaan Deze soort is gevoelig voor versnippering, aangezien ze altijd kortgevleugeld is. Bramensprinkhanen zijn vooral te vinden in bosranden, struwelen en ruige bermen. De mannetjes zitten het liefst op braamstruiken of op andere planten met grote bladeren. De wijfjes zijn daar ook te vinden, maar zij zitten ook geregeld op de bodem of in gras (Decleer et al., 2000). Het is een algemene soort in Vlaanderen, die via haar roep gemakkelijk te herkennen is. De soort is vaak tot laat in het najaar actief. In 2019 werden de meeste waarnemingen verricht in de bramen langs de bosrand aan de /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 126 van 261


oostkant van het ecoduct. Daarnaast was er ook reeds één waarneming bovenop het ecoduct, én waren er vijf waarnemingen aan de westkant ervan (Figuur 106). Deze brachyptere soort lijkt alvast van de aanleg van het ecoduct te profiteren.

Figuur 106: Waarnemingen van Bramensprinkhaan en Grote groene sabelsprinkhaan op en rond het ecoduct Groenendaal in 2019 (bron luchtfoto: Orthofotomozaïek, middenschalig, winteropnamen, kleur, meest recent (AGIV)).

7.4.13 Greppelsprinkhaan De Greppelsprinkhaan is vooral terug te vinden in halfhoge, matig voedselrijke, maar steeds vrij dichte vegetaties. Ze wordt vooral aangetroffen in niet jaarlijks gemaaide bermen, in grachtkanten, op dijken en in verruigde graslanden (Decleer et al., 2000). Het is een algemene en wijdverspreide soort in Vlaanderen, die vooral opvalt door de typische zoemende zang. Ook op en rond het ecoduct was de soort volop aanwezig, zowel erbovenop als aan beide zijden ervan werden er veel waarnemingen verricht (Figuur 107).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 127 van 261


Figuur 107: Waarnemingen van Greppelsprinkhaan op en rond het ecoduct Groenendaal in 2019 (bron luchtfoto: Orthofotomozaïek, middenschalig, winteropnamen, kleur, meest recent (AGIV)).

7.4.14 Grote groene sabelsprinkhaan De grootste van onze sprinkhanen, die zorgt voor het typische sprinkhanengeluid dat op warme zomeravonden vrijwel overal kan worden gehoord. Grote groene sabelsprinkhanen zijn goede vliegers, en komen vooral voor in ruige bermen en ruige graslanden. Aan het ecoduct werd de soort vooral aan de westzijde gehoord, er waren echter ook enkele waarnemingen bovenop het ecoduct, en op het aanlooptalud aan de oostkant (Figuur 106).

7.5 CONCLUSIES Door gericht en grondig te zoeken werden in 2019 in totaal 14 soorten sprinkhanen waargenomen. Het betreffen allemaal vrij algemene tot zeer algemene soorten in Vlaanderen, hoewel Kustsprinkhaan nieuw is voor de wijde regio en Gouden sprinkhaan en Greppelsprinkhaan ook pas recente nieuwkomers zijn in deze streek. Er zijn geen RodeͲLijstsoorten aangetroffen. Gezien de ligging van het ecoduct was het ook niet te verwachten dat hier de meest kritische habitatspecialisten werden aangetroffen. De meerderheid van de aangetroffen soorten zijn langvleugelig en dus goede vliegers. Drie soorten echter (Gewoon spitskopje, Krasser en Gewoon doorntje) zijn hoofdzakelijk kortvleugelig. Er werden daarnaast ook twee soorten waargenomen die altijd kortvleugelig zijn, Bramensprinkhaan en Zuidelijke boomsprinkhaan. Bramensprinkhaan werd ook reeds bovenop het ecoduct aangetroffen, Zuidelijke boomsprinkhaan in de tunnel van Flossendelle. Andere brachyptere soorten, zoals bijvoorbeeld de Struiksprinkhaan, werden niet waargenomen, maar zijn /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 128 van 261


mogelijk wel in de omgeving aanwezig. Mogelijk heeft deze soort het ecoduct nog niet kunnen bereiken, of komt ze hier in zeer lage dichtheden voor, waardoor de kans om ze te vangen klein is. Het is te verwachten dat ook deze soort hier op termijn zal kunnen worden gevonden. Voor deze soorten helpt het voorzien en behouden van voldoende geleidende elementen om het ecoduct te bereiken en over te steken.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 129 van 261


8 DAGVLINDERS 8.1 INLEIDING Tijdens het onderzoek naar sprinkhanen werd ook gericht gezocht naar dagvlinders op en in de omgeving van het ecoduct. Aangezien deze vaak dezelfde habitats opzoeken, en ze ook de voorkeur geven aan gelijkaardige weersomstandigheden (warm en droog weer) is het terreinwerk hiervoor eenvoudig te combineren. Dit levert heel wat gegevens op over het voorkomen van deze soortgroep op het ecoduct, en helpt mee om een volledige kijk te krijgen op het volledige aanwezige soortenspectrum.

8.2 METHODIEK Voor de methodiek wordt verwezen naar deze beschreven bij de sprinkhanen in hoofdstuk 7.2. Tijdens deze veldwerkdagen werden alle waargenomen dagvlinders ingevoerd via variabele transecten met behulp van ObsMapp, en ook andere terreinmedewerkers voerden zo veel mogelijk dagvlinderwaarnemingen in.

8.3 RESULTATEN Tijdens het terreinwerk in 2019 werden in totaal 18 soorten dagvlinders waargenomen. Een overzicht hiervan is te vinden in Tabel 35. Zoals uit deze tabel blijkt, zijn twee van de waargenomen soorten opgenomen in de Vlaamse Rode Lijst van de dagvlinders (Maes et al., 2013). Tabel 35: Overzicht van de waargenomen soorten dagvlinders op het ecoduct Groenendaal in 2019.

Soort Zwartsprietdikkopje Groot dikkopje Koninginnenpage Oranjetipje Groot koolwitje Klein koolwitje Citroenvlinder Kleine vuurvlinder Bruin blauwtje Icarusblauwtje Keizersmantel Atalanta Distelvlinder Dagpauwoog Gehakkelde aurelia Bruin zandoogje Oranje zandoogje Bont zandoogje

Wetenschappelijke naam Thymelicus lineola Ochlodes sylvanus Papilio machaon Anthocharis cardamines Pieris brassicae Pieris rapae Gonepteryx rhamni Lycaena phlaeas Aricia agestis Polyommatus icarus Argynnis paphia Vanessa atalanta Vanessa cardui Aglais io Polygonia cͲalbum Maniola jurtina Pyronia tithonus Pararge aegeria

Rode LijstͲstatus Kwetsbaar Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd Bijna in gevaar Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 130 van 261


8.4 SOORTBESPREKINGEN 8.4.1 Zwartsprietdikkopje Het Zwartsprietdikkopje is vooral te vinden in graslanden met een vrij hoge en ruige vegetatie. Als waardplant worden allerlei grassen gebruikt. Het is een algemene soort in Vlaanderen, hoewel ze sinds 2000 sterk afneemt. De soort is in de Rode Lijst opgenomen als ‘Kwetsbaar’ (Maes et al., 2013). Er waren 15 waarnemingen van deze soort, voornamelijk aan de westkant van het ecoduct (incl. de begraasde zone). Aan de oostzijde was er één waarneming tegen de bosrand, en bovenop het ecoduct werd de soort tweemaal waargenomen (Figuur 108). Er is dus duidelijk een populatie aanwezig in de graslanden van de voormalige renbaan.

Figuur 108: Waarnemingen van Groot en Zwartsprietdikkopje en Koninginnenpage op en rond het ecoduct Groenendaal in 2019 (bron luchtfoto: Orthofotomozaïek, middenschalig, winteropnamen, kleur, meest recent (AGIV)).

8.4.2 Groot dikkopje Het Groot dikkopje is een soort van eerder vochtige graslanden, ruigten en heiden. Als waardplant worden een aantal breedbladige grassen gebruikt (Maes et al., 2013). Er was in 2019 één waarneming, aan het ecoduct tegen de bosrand langs de oostkant (Figuur 108).

8.4.3 Koninginnenpage Koninginnenpages komen voor in kruidenrijke, ruige graslanden en ruigten. Wilde peen Daucus carota is één van de waardplanten. Het is een zeer algemene soort, die bovendien ook zeer mobiel is (Maes et al., 2013). In 2019 waren er drie waarnemingen, netjes verdeeld over de oostͲ en westkant, en centraal op het ecoduct (Figuur 108). /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 131 van 261


8.4.4 Oranjetipje Het Oranjetipje komt vooral voor in vochtige graslanden, meestal in de buurt van bossen. Het is een typische voorjaarssoort, die doorgaans vliegt van begin april tot begin juni. Het is een zeer algemene soort, die over heel Vlaanderen voorkomt (Maes et al., 2013). Er was één waarneming in 2019, aan de oostzijde van het ecoduct (Figuur 109).

Figuur 109: Waarnemingen van Citroenvlinder, Groot en Klein koolwitje en Oranjetipje op en rond het ecoduct Groenendaal in 2019 (bron luchtfoto: Orthofotomozaïek, middenschalig, winteropnamen, kleur, meest recent (AGIV)).

8.4.5 Groot koolwitje Het Groot koolwitje is in Vlaanderen een algemene soort, die vrijwel overal kan worden gevonden. Als waardplant worden allerlei kruisbloemigen gebruikt. Er waren in 2019 vijf waarnemingen verspreid over het onderzoeksgebied, de meeste ervan aan de westzijde van het ecoduct (Figuur 109).

8.4.6 Klein koolwitje Het Klein koolwitje is de meest algemene dagvlinder in Vlaanderen, en kan bijna overal worden gevonden. Zoals de andere witjes gebruikt ook deze soort kruisbloemigen om eitjes af te zetten. Op en nabij het ecoduct waren er in 2019 een 25Ͳtal waarnemingen, verspreid over beide zijden, en ook behoorlijk wat waarnemingen boven het ecoduct zelf (Figuur 109).

8.4.7 Citroenvlinder Deze soort komt vooral voor in struwelen, open bossen en bosranden. De waardplant van de Citroenvlinder is Sporkehout. Hoewel de soort nog steeds algemeen is, staat ze als gevolg van een achteruitgang sinds de jaren ’90 toch als ‘Bijna in gevaar’ op de Rode Lijst. Citroenvlinders /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 132 van 261


overwinteren als imago, en kunnen dus al vroeg in het voorjaar, op de eerste zonnige lentedagen, worden gezien. Er waren in 2019 vier waarnemingen in de ruime omgeving van het ecoduct, allemaal langs de westkant van de begraasde zone (Figuur 109). Deze waarnemingen zijn niet allemaal zichtbaar op de kaart, omdat ze niet heel dichtbij het ecoduct werden verricht.

Figuur 110: Citroenvlinders werden enal aan de westkant van het ecoduct waargenomen (foto: Simon Feys).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 133 van 261


8.4.8 Kleine vuurvlinder

Figuur 111: Ook de Kleine vuurvlinder werd, als typische graslandsoort, enkele malen waargenomen in de buurt van het ecoduct (foto: Simon Feys).

Net zoals de beide waargenomen blauwtjes, is ook de Kleine vuurvlinder een typische graslandsoort. Ze verkiest matig voedselrijke graslanden en gebruikt Schapenzuring Rumex acetosella of Veldzuring Rumex acetosa als waardplant. Het is een zeer algemene soort in Vlaanderen. Er waren nabij het ecoduct in 2019 twee waarnemingen, allebei in de begraasde zone aan de westkant van het ecoduct (Figuur 112).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 134 van 261


Figuur 112: Waarnemingen van Bruin en Icarusblauwtje en Kleine vuurvlinder op en rond het ecoduct Groenendaal in 2019 (bron luchtfoto: Orthofotomozaïek, middenschalig, winteropnamen, kleur, meest recent (AGIV)).

8.4.9 Bruin blauwtje Dit is een soort van droge, vrij voedselarme graslanden, die ooievaarsbek en reigersbek gebruiken om hun eitjes op af te zetten. Tot de jaren ’90 was dit een vrij zeldzame soort, die recent echter uitbreidde en nu over nagenoeg heel Vlaanderen kan worden aangetroffen (Maes et al., 2013). Op het ecoduct waren er in 2019 zeven waarnemingen. Deze waren verspreid over de westzijde (vijf waarnemingen) en de oostzijde (twee waarnemingen) (Figuur 112).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 135 van 261


Figuur 113: Van het Bruin blauwtje waren er zeven waarnemingen op het ecoduct (foto: Simon Feys).

8.4.10 Icarusblauwtje Icarusblauwtjes zijn vooral te vinden in matig voedselrijke graslanden. Vooral rolklaver wordt gebruikt als waardplant om eitjes op af te zetten. Het is in Vlaanderen een zeer algemene soort, en ook op en nabij het ecoduct bleek deze soort in 2019 zeer algemeen te zijn (Figuur 112).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 136 van 261


Figuur 114: Het Icarusblauwtje was één van de meest algemene dagvlindersoorten op het ecoduct Groenendaal in 2019 (foto: Simon Feys).

8.4.11 Keizersmantel Keizersmantel komen voor aan bosranden en op open plekken in loofbossen. Het was in de jaren negentig een vrij zeldzame soort, die sindsdien echter is toegenomen (Maes et al., 2013). Er was in 2019 één waarneming in de ruime omgeving van het ecoduct, aan de rand van de begrazingszone.

8.4.12 Atalanta Atalanta’s zijn algemeen en kunnen – als zeer mobiele trekvlinders – vrijwel eender waar worden aangetroffen. Het is één van de dagvlinders die Grote brandnetel Urtica dioica als waardplant gebruikt. In 2019 werden er acht waarnemingen van Atalanta in de onmiddellijke omgeving van het ecoduct verricht, zowel langs de westͲ en oostzijde, als bovenop het ecoduct (Figuur 115).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 137 van 261


Figuur 115: Waarnemingen van Atalanta, Dagpauwoog, Distelvlinder en Gehakkelde aurelia op en rond het ecoduct Groenendaal in 2019 (bron luchtfoto: Orthofotomozaïek, middenschalig, winteropnamen, kleur, meest recent (AGIV)).

8.4.13 Distelvlinder Distelvlinders zijn in Vlaanderen vooral trekvlinders, die jaarlijks in wisselende aantallen worden waargenomen. 2019 bleek een goed jaar voor de soort te zijn, wat ook op en rond het ecoduct tot vele waarnemingen leidde. De waarnemingen waren geconcentreerd aan de westkant en bovenop het ecoduct, aan de oostzijde ontbraken meldingen (Figuur 115).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 138 van 261


Figuur 116: Het goede jaar voor Distellinder leidde ook op het ecoduct tot veel waarneminegn (foto: Simon Feys).

8.4.14 Dagpauwoog Net zoals de Atalanta kan ook de Dagpauwoog zo goed als overal worden aangetroffen. Ook deze soort heeft Grote brandnetel als waardplant. Er waren in 2019 twee waarnemingen, één aan elke zijde van het ecoduct (Figuur 115).

8.4.15 Gehakkelde aurelia Deze soort is vooral te vinden in open bossen en bosranden. Het is een zeer algemene soort in heel Vlaanderen (Maes et al., 2013). Er was één waarneming in 2019, aan de oostkant van het ecoduct (Figuur 115).

8.4.16 Bruin zandoogje Het Bruin zandoogje komt typisch voor in ruigten en graslanden op beschutte plekken waar ook voldoende nectar aanwezig is. Het is in Vlaanderen een zeer algemene soort, en ook op het ecoduct was het één van de meest algemene soorten, met zowel waarnemingen bovenop, als aan beide zijden van het ecoduct (Figuur 117).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 139 van 261


Figuur 117: Waarnemingen van Bruin en Oranje zandoogje op en rond het ecoduct Groenendaal in 2019 (bron luchtfoto: Orthofotomozaïek, middenschalig, winteropnamen, kleur, meest recent (AGIV)).

8.4.17 Oranje zandoogje Het Oranje zandoogje komt vooral voor in allerlei graslanden en wegbermen met een vrij hoge vegetatie. Fijnbladige grassen worden gebruikt voor de eiͲafzet. De soort nam de afgelopen decennia toe in Vlaanderen, en is in bepaalde regio’s zeer algemeen, terwijl ze in andere regio’s grotendeels ontbreekt. Op het ecoduct waren er twee waarnemingen in 2019, beide bovenop het ecoduct zelf (Figuur 117).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 140 van 261


Figuur 118: Van de graslandsoort Oranje zandoogje waren er twee waarnemingen in 2019 (foto: Simon Feys).

8.4.18 Bont zandoogje In tegenstelling tot de overige op het ecoduct voorkomende zandoogjes is het Bont zandoogje geen graslandsoort. Deze soort komt vooral voor op open plekken in bossen, in tuinen, langs hagen en houtkanten in meer open landschappen. Een aantal grassoorten worden wel gebruikt als waardplant. Het is een zeer algemene soort in Vlaanderen (Maes et al., 2013). Er was in 2019 één waarneming nabij het ecoduct, in het bosgedeelte langs de oostzijde.

8.5 CONCLUSIES Van de 18 waargenomen soorten dagvlinders, staan er twee op de Rode Lijst: Zwartsprietdikkopje en Citroenvlinder. Van Zwartsprietdikkopje waren er 15 waarnemingen, en is er lokaal een populatie aanwezig. Citroenvlinder is viermaal gezien in de buurt van het ecoduct. Hoewel een ecoduct voor een mobiele soortgroep als dagvlinders minder belang heeft naar ontsnippering toe, is het interessant om te kijken welke soorten er gebruik van maken, en in welke aantallen ze er aanwezig zijn. De meest algemene soorten in 2019 bleken de graslandsoorten Icarusblauwtje en Bruin zandoogje, en de trekvlinder Distelvlinder, waarvoor 2019 in heel Vlaanderen een zeer goed jaar bleek te zijn. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 141 van 261


9 LIBELLEN 9.1 INLEIDING Veel soorten libellen hebben een goede dispersiecapaciteit en worden als gevleugelde dieren niet als gevoelig beschouwd voor de directe effecten van versnippering door transportinfrastructuur. Ze zijn dus niet gebonden aan ecoducten om wegen te passeren. Aangezien op en rond ecoduct Groenendaal ook enkele waterpartijen aanwezig zijn, is het interessant om na te gaan welke libellen hiervan reeds gebruik maken. Daarnaast helpen de waarnemingen van deze soortgroep mee om een volledige kijk te krijgen op het aanwezige soortenspectrum dat het ecoduct bewoont. Tijdens het onderzoek naar sprinkhanen werd naast dagvlinders ook gericht gezocht naar libellen. Het terreinwerk voor deze drie groepen is gemakkelijk te combineren, aangezien ze bij dezelfde weersomstandigheden (warm en droog weer) actief zijn.

9.2 METHODIEK Voor de methodiek wordt verwezen naar deze beschreven bij de sprinkhanen in hoofdstuk 7.2. Specifiek voor de libellen werden ook de poelen binnen het onderzoeksgebied bezocht. Tijdens de veldwerkdagen werden alle waargenomen libellen ingevoerd via variabele transecten met behulp van ObsMapp, en ook andere terreinmedewerkers voerden zo veel mogelijk libellenwaarnemingen in.

9.3 RESULTATEN Tijdens het terreinwerk in 2019 werden in totaal 8 soorten libellen waargenomen. Een overzicht hiervan is te vinden in Tabel 36. Zoals uit deze tabel blijkt, is geen enkele van de waargenomen soorten opgenomen in de Vlaamse Rode Lijst van de libellen (De Knijf et al., 2006). Tabel 36: Overzicht van de waargenomen soorten libellen op het ecoduct Groenendaal in 2019.

Soort Azuurwaterjuffer Lantaarntje Vuurjuffer Grote keizerlibel Platbuik Gewone oeverlibel Bruinrode heidelibel Zwervende heidelibel

Wetenschappelijke naam Coenagrion puella Ischnura elegans Pyrrhosoma nymphula Anax imperator Libellula depressa Orthetrum cancellatum Sympetrum striolatum Sympetrum fonscolombii

Rode LijstͲstatus Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd Momenteel niet bedreigd

Tijdens de zeer droge zomer van 2019 vielen alle poelen zo goed als droog. De poel bovenop het ecoduct (ten oosten van het zandbed) was de enige die doorheen heel de zomer water bleef houden (Figuur 119), wat op zich zeker een bijzonder gegeven is gezien de geëxposeerde, ‘hooggelegen’ situering en het antropogene karakter. Alle andere poelen stonden al heel vroeg in het seizoen droog, en waren bijgevolg minder interessant voor libellen. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 142 van 261


Figuur 119: De poel bovenop het ecoduct was de enige die doorheen de zomer water bleef houden (foto: Simon Feys, situatie op 5 augustus 2019).

9.4 SOORTBESPREKINGEN We bespreken eerst de waterjuffers, en daarna de ‘echte libellen’.

9.4.1 Azuurwaterjuffer De Azuurwaterjuffer is één van de meest algemene waterjuffers in Vlaanderen, die dan ook in verschillende biotopen kan worden aangetroffen. Er waren in 2019 vier waarnemingen, allen aan de poelen op of aan de oostkant van het ecoduct (Figuur 120).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 143 van 261


Figuur 120: Waarnemingen van Azuurwaterjuffer, Lantaarntje en Vuurjuffer op en rond het ecoduct Groenendaal in 2019 (bron luchtfoto: Orthofotomozaïek, middenschalig, winteropnamen, kleur, meest recent (AGIV)).

9.4.2 Lantaarntje Deze in Vlaanderen zeer algemene soort kan aan zowat alle types wateren worden gevonden, al dan niet met veel begroeiing, stilstaand of licht stromend (De Knijf et al., 2006). Van deze soort was er één waarneming, op het oostelijke aanlooptalud van het ecoduct (Figuur 120).

9.4.3 Vuurjuffer Deze algemene soort komt zowel voor aan langzaam stromende beken en grachten als aan vijvers, laagveenmoerassen, leemplassen, vennen en hoogveen (De Knijf et al., 2006). Ook van deze soort was er één waarneming, op de plas bovenop het ecoduct (Figuur 120).

9.4.4 Grote keizerlibel Deze forse libel wordt vaak patrouillerend gezien aan stilstaande wateren van uiteenlopende types, zoals vijvers, oude rivierarmen, duinplassen, kleiputten, … (De Knijf et al., 2006). Het is een in Vlaanderen zeer algemene soort, en ook op het ecoduct waren er verschillende waarnemingen, verspreid over het volledige onderzochte gebied (Figuur 121).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 144 van 261


Figuur 121: Waarnemingen van Gewone oeverlibel, Grote keizerlibel en Platbuik op en rond het ecoduct Groenendaal in 2019 (bron luchtfoto: Orthofotomozaïek, middenschalig, winteropnamen, kleur, meest recent (AGIV)).

9.4.5 Platbuik Platbuiken zijn algemeen in Vlaanderen, en zijn typisch voor tijdelijk droogvallende plassen en pioniermilieus met weinig vegetatie (De Knijf et al., 2006). Nieuw aangelegde poelen zoals deze bovenop het ecoduct zijn ideaal voor deze soort. In 2019 waren er drie waarnemingen van Platbuik (Figuur 121).

9.4.6 Gewone oeverlibel Deze in Vlaanderen zeer algemene soort kan aan allerlei eutrofe wateren worden aangetroffen, maar evengoed vliegt ze bij brakke en zure plassen en vennen. Zonnige, zandige oevers zijn belangrijk voor deze libel (De Knijf et al., 2006; Figuur 122). Dergelijke omstandigheden zijn ook op het ecoduct aanwezig, het hoeft dan niet te verbazen dat deze soort hier regelmatig werd waargenomen in 2019 (Figuur 121).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 145 van 261


Figuur 122: Zonnige, zandige oevers zijn het geliefkoosde terrein van de Gewone oeverlibel (foto: Simon Feys).

9.4.7 Bruinrode heidelibel Net zoals de vorige soort is ook de Bruinrode heidelibel een zeer algemene soort in Vlaanderen. Ze koloniseert vaak pas gegraven plassen, en wordt verder waargenomen aan allerlei brakke tot mesotrofe wateren (De Knijf et al., 2006). Er waren in 2019 verschillende waarnemingen verspreid over het ecoduct en de onmiddellijke omgeving (Figuur 123).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 146 van 261


Figuur 123: Waarnemingen van Bruinrode en Zwervende heidelibellen op en rond het ecoduct Groenendaal in 2019 (bron luchtfoto: Orthofotomozaïek, middenschalig, winteropnamen, kleur, meest recent (AGIV)).

9.4.8 Zwervende heidelibel Deze soort komt van oorsprong eerder ten zuiden en oosten van België, en heeft hier eerder een invasieͲachtig voorkomen. In sommige jaren zijn er veel waarnemingen, in andere heel wat minder. 2019 bleek een absoluut topjaar te zijn voor de soort (Figuur 124), het is dus niet verwonderlijk dat er ook nabij het ecoduct twee waarnemingen waren (Figuur 123). Zwervende exemplaren van deze soort kunnen worden aangetroffen aan allerlei plassen, zowel stilstaande, voedselrijke tot voedselarme, als aan langzaam stromende wateren (De Knijf et al., 2006).

Figuur 124: Aantal waarnemingen per jaar van Zwervende heidelibel in België in de periode 2005Ͳ2019 (bron: www.waarnemingen.be).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 147 van 261


9.5 CONCLUSIES Tijdens het terreinwerk in 2019 werden in totaal acht soorten libellen aangetroffen. Aangezien de poelen op en rond het ecoduct zich nog in een pioniersituatie bevinden, waren de aangetroffen libellensoorten vooral soorten die in dergelijke omstandigheden floreren. Naarmate de poelen en de omringende vegetatie verder gaan evolueren, zal het interessant zijn om op te volgen hoe de libellenfauna hierop reageert. Het valt te verwachten dat pioniersoorten zullen afnemen, en dat soorten die meer gebaat zijn bij goed ontwikkelde (waterplanten)vegetaties zullen toenemen. Veel zal echter ook afhangen van de mate waarin de poelen in de toekomst water zullen houden. Tijdens de zeer droge zomer van 2019 vielen alle poelen zo goed als droog, de poel bovenop het ecoduct (ten oosten van het zandbed) bleef het langst water houden. Alle andere poelen stonden al heel vroeg in het seizoen droog, en waren bijgevolg minder interessant voor libellen.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 148 van 261


10 BODEMBEWONENDE ONGEWERVELDEN 10.1 INLEIDING Spinnen (Aranea), loopkevers (Carabidae) en zandloopkevers (Cicindelidae) staan bekend als goede indicatoren voor habitatkwaliteit. Het zijn soortenrijke groepen met heel wat vertegenwoordigers die nauw gebonden zijn aan een bepaalde vegetatiestructuur. De meeste soorten mieren (Formicidae) zijn, in tegenstelling tot de meerderheid aan loopkeverͲ en spinnensoorten, gebonden aan oude, stabiele milieus. Ze zijn gevoelig voor beheeringrepen en dat maakt hen tot belangrijke indicatoren. Samen met spinnen, loopkevers, pissebedden, hooiwagens, duizendpoten en miljoenpoten maken ze het grootste deel uit van de bodembewonende ongewerveldenfauna. Onderzoek naar loopkevers is uitermate relevant in het kader van onderzoek naar ecologische ontsnippering. Er zijn immers tal van brachyptere (kort gevleugelde) of dimorfe loopkevers die niet kunnen vliegen en dus zeer gevoelig zijn voor versnippering door transportinfrastructuur. Loopkevers, maar ook spinnen en mieren, werden mee betrokken in heel wat eerder onderzoek op andere Vlaamse ecoducten (Lambrechts et al., 2007, 2008, 2010, 2011, 2013a,b, 2014, 2017; Feys et al. 2019). In bossen in de Leemstreek worden hoge aantallen pissebedden, miljoenpoten, duizendpoten en hooiwagens aangetroffen, in tegenstelling tot (jongere bossen op) zandbodem. Gezien het ongevleugelde ongewervelden betreft, zonder grote actieve dispersiecapaciteiten, hebben ze mogelijk een behoorlijke relevantie naar ontsnippering. Er is echter nog maar weinig over die aspecten geweten. Deze vier genoemde groepen hebben allen een aantal typische bossoorten, die mogelijk het ecoduct (sterker) gaan koloniseren bij verdere ontwikkeling. Dit waren goede redenen om deze vier diergroepen mee te nemen in voorliggend onderzoek.

10.2 METHODIEK Er is gewerkt met bodemvallen. Dit zijn potten die in de grond ingegraven worden, waarmee bodembewonende ongewervelden gevangen worden. Naar de zandloopkevers is gericht gezocht. Op het ecoduct Groenendaal zijn in totaal 16 bodemvallen geplaatst, verdeeld over twee verschillende situaties: x Acht bodemvallen (EG1 tot EG8) centraal op het ecoduct Groenendaal, verspreid over de breedte. Dit is nl. een sterk vergelijkbare proefopzet aan die van ecoduct De Warande, ecoduct Kikbeek, ecoduct Kempengrens en ecoduct De Munt (Lambrechts et al. 2013b, 2014, 2017; Feys et al. 2019) en dat komt de vergelijkbaarheid met die onderzoeken ten goede. x Acht bodemvallen op de aanlooptaluds, telkens vier aan elke zijde van het ecoduct, dus vier aan de westzijde (EG9 tot EG12) en vier aan de oostzijde (EM13 tot EM16). De locaties waar bodemvallen zijn opgesteld op het ecoduct Groenendaal, worden weergegeven in Figuur 125. We geven een beknopte, doch rijkelijk geïllustreerde beschrijving van de 16 bodemval locaties in Bijlage 5 Beschrijving van de bodemvallocaties. Deze foto’s geven overigens een goed beeld van het ecoduct.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 149 van 261


Er zijn ook twee bodemvallen geplaatst in de Tunnel van Flossendelle (code TF; zie Figuur 126). De inhoud van deze beide bodemvallen is – in tegenstelling tot die van de 16 locaties op het ecoductͲ telkens samengevoegd tot één staal, vermits beide bodemvallen in ‘identieke omstandigheden’ stonden. De tunnel bestaat uit een deel bestemd voor recreatie, dan een stobbenwal, die over de hele lengte van de tunnel als geleidend element staat opgesteld, en daarnaast een onbegroeide zandstrook. De bodemvallen stonden centraal in de tunnel op de overgang van de stobbenwal en de zandstrook. Het is er altijd donker, koel, droog (geen neerslag, bij regen stroomt er wel wat water binnen) en erg ‘stoffig’. De 18 bodemvallen zijn geplaatst op 19 maart 2019. Ze zijn geledigd op 10 april, 2 mei, 27 mei, 20 juni, 16 juli, 30 juli, 14 augustus, 29 augustus, 26 september, 25 oktober, 22 november en 17 december 2019. Op laatstgenoemde datum zijn de vallen opgehaald. Ze zijn dus negen maanden continu werkzaam geweest. Na het ophalen van de vallen, werd de inhoud getrieerd. Alle loopkevers, spinnen, hooiwagens, mieren, pissebedden, duizendpoten, miljoenpoten en sprinkhanen werden gesorteerd en door de diverse taxonspecialisten gedetermineerd. Vervolgens zijn alle determinaties digitaal ingevoerd. Daarnaast zijn er door Maarten Jacobs nog handvangsten uitgevoerd, op 26 april 2019 en 6 september 2019. Omwille van de droogte was het zeer lastig om kevers te vinden, zowel op het ecoduct, als in het bos rond het ecoduct en rond de tunnel. Daarom zijn vochtige zones opgezocht. Op 26 april 2019 is vooral gezocht rond de Ganzepootvijver en Lindevijver, in de bovenloop van de Ijse. Dit is vrij ver van de drie ontsnipperingsobjecten en deze gegevens worden dus niet direct betrokken in de analyse. Op 6 september 2019 is vooral gezocht rond de meest westelijke vijver van Flossendelle, dus nabij de (oostelijke ingang van de) tunnel Flossendelle.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 150 van 261


Figuur 125: Situering van de acht met bodemvallen onderzochte locaties centraal op het ecoduct (EG1 Ͳ EG8) en van de acht met bodemvallen onderzochte locaties in de directe omgeving (EG9 – EG12 ten westen en EG13ͲEG16 ten oosten van ecoduct). (bron luchtfoto: Orthofotomozaïek, middenschalig, winteropnamen, kleur, meest recent (AGIV)).

omgevingvlaanderen.be


Figuur 126: situering van de tunnel Flossendelle (TF) onder de R0 in Tervuren, waar twee bodemvallen stonden opgesteld centraal in de tunnel. (bron luchtfoto: GoogleMaps)

omgevingvlaanderen.be


10.3 LOOPKEVERS 10.3.1 Algemene bevindingen Er zijn in voorliggend onderzoek 1.151 loopkevers gevangen met bodemvallen, verdeeld over 66 soorten. Deze worden weergegeven in onderstaande Tabel 37, met vermelding van de status in Vlaanderen volgens de meest recente Rode lijst (Desender et al., 2008) en met vermelding van de vleugelontwikkeling volgens dezelfde auteurs. Er zijn 15 soorten (23 % van de gevangen soorten) die een status hebben die aangeeft dat ze of zeldzaam zijn, of in min of meerdere mate bedreigd. Daarnaast zijn er door Maarten Jacobs nog handvangsten uitgevoerd, op 26 april 2019 en 6 september 2019 (zie Tabel 38). Daarbij wordt onder stenen, bladafval en dergelijke gezocht. Deze handvangsten leverden 152 loopkevers op, verdeeld over 25 soorten. Hiervan zijn 17 soorten (68% van de soorten) niet aangetroffen in de bodemvallen. Dit is op zich niet zo verwonderlijk, omdat de handvangsten (vooral omwille van de zeer droge omstandigheden) niet vlakbij de bodemvallen plaatsvonden. Ze zijn dus eerder bedoeld om een (steekproefsgewijs) beeld te geven van wat in het achterland voorkomt. Vijf van de 25 via handvangsten gevangen soorten (dus één op vijf) is op de Rode Lijst opgenomen, meer bepaald als ‘zeldzaam’. Vier van deze vijf ‘zeldzame’ soorten zijn enkel met handvangsten bekomen en niet met bodemvallen. Deze worden met een asterix* gemarkeerd in onderstaande opsomming. Een overzicht van alle 19 waargenomen RodeͲlijstsoorten, verdeeld over de categorieën, geeft volgend beeld: x Bedreigd (B): Carabus monilis en Tachys bisulcatus; x Zeldzaam (Z) (16 soorten): Abax ovalis, Acupalpis brunnipes*, Amara aulica, Amara bifrons, Amara eurynota, Amara majuscula, Badister collaris*, Bembidion deletum, Carabus auronitens, Demetrias imperialis*, Harpalus ardosiacus, Harpalus attenuatus, Harpalus luteicornis, Harpalus (Ophonus) puncticeps, Microlestes minutulus en Patrobus atrorufus*; x Achteruitgaand (A): Groene zandloopkever (Cicindela campestris) Soorten opgenomen in de categorie ‘zeldzaam’ (Z) zijn sensu stricto geen ‘Rode LijstͲsoorten’. Het betreffen echter veelal wel habitatspecialisten waarvan bij de meeste niet echt sprake is van een toename. Vandaar dat we de ‘zeldzame’ soorten hier als doelsoorten voor het natuurbehoud beschouwen en als indicatoren voor evaluatie van de aanwezige ecotopen (en eventueel gevoerde beheer). Er zijn dus maar twee soorten aangetroffen die volgens de Rode Lijst ‘in min of meerdere mate bedreigd’ zijn in Vlaanderen (categorieën ‘kwetsbaar’, ‘bedreigd’ of ‘met uitsterven bedreigd’). Het totaal aantal gevangen loopkevers is eerder laag. Van (slechts) drie loopkeversoorten zijn in totaal meer dan 100 exemplaren gevangen met bodemvallen gedurende het onderzoek in 2019. In volgorde van afnemende talrijkheid zijn dit Poecilus (Pterostichus) cupreus (363 ex), Harpalus rufipes (193 ex.) en Nebria brevicollis (110 ex). De talrijkst gevangen soort vertegenwoordigt dus bijna een derde (nl 31%) van het totaal aantal gevangen loopkevers.

omgevingvlaanderen.be


VleugelͲont.

Abax ater Abax ovalis Agonum assimile Agonum dorsale Agonum sexpunctatum Amara aenea Amara aulica Amara bifrons Amara communis Amara eurynota Amara familiaris Amara lunicollis Amara majuscula Amara ovata Amara plebeja Amara similata Anisodactylus binotatus Asaphidion flavipes Bembidion deletum Bembidion femoratum Bembidion lampros Bembidion obtusum Bembidion properans

Z Z Z Z Z Z

b b m m m m m m m m m m m m m m m m m m d d d

EG EG EG EG EG EG EG EG EG EG 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

centraal op ecoduct 3 1

3 2 2 3 4

1 1 2 2 1

1 2 2 2 2

1 1 2 5 1

3 7 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1

EG 11

EG 12

EG 13

westzijde 1 3 1 3 3 2 1

1 1 1 4

1 1 4

1 1 1 2

1 1 1 5

EG 14

EG 15

EG 16

oostzijde 1

1 1 1 2 2 1

1 1 5 2 1 1

1 27 5

1 1

TF

Totaal

Soort / Locatie

Rode Lijst

Tabel 37: Loopkevers gevangen in 2019 met 16 bodemvallen op ecoduct Groenendaal (EG1ͲEG16) en met 2 bodemvallen in tunnel Flossendelle (TF).

1 1

4 2 31 4 7 11 1 2 2 3 1 2 1 9 6 5 10 14 3 1 36 3 3

omgevingvlaanderen.be


Z B A Z Z Z Z

m d d m d b b b b m p m m m m m m m m m m m m m

EG EG EG EG EG EG EG EG EG EG 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

centraal op ecoduct 1 1 1

2 1 1 2 1 2 2 1 1 3 10 43 38 3

1 4

1 1 1 1 1 1 3 1 1 16 43

EG 11

EG 12

EG 13

1 1 4 1 1

1 5 1 6

westzijde 1 2 1 1 1

3 1 2 2 3 1 2 5 2 4 1

1 1 2 1 1 1

1 1 5 1 4 1 1 5 10

2 20 1 24

EG 14

EG 15

EG 16

oostzijde 1 1 8 14 1

1 5 8

1 7

TF

Totaal

VleugelͲont.

Bembidion quadrimaculatum Bembidion tetracolum Bradycellus harpalinus Bradycellus verbasci Calathus melanocephalus Carabus auronitens Carabus monilis Carabus problematicus Carabus violaceus Cicindela campestris Clivina fossor Demetrias atricapillus Harpalus affinis Harpalus ardosiacus Harpalus attenuatus Harpalus distinguendus Harpalus latus Harpalus luteicornis Harpalus puncticeps Harpalus rubripes Harpalus rufipes Harpalus tardus Leistus ferrugineus Leistus rufomarginatus

Rode Lijst

Soort / Locatie

4 1

3 9 1 4 3 2 4 22 71 1 1 1 6 2 3 8 5 1 27 4 193 3 1 1

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 155 van 261


Rode Lijst

VleugelͲont.

Loricera pilicornis Microlestes minutulus Nebria brevicollis Notiophilus biguttatus Notiophilus rufipes Pterostichus cupreus Pterostichus madidus Pterostichus melanarius Pterostichus niger Pterostichus nigrita Pterostichus oblongopunctatus Pterostichus strenuus Pterostichus vernalis Pterostichus versicolor Stenolophus teutonus Syntomus foveatus Synuchus vivalis Tachys bisulcatus Trechus quadristriatus Aantal exemplaren Aantal soorten Aantal RLͲsoorten

Z B

m m m d m m b d m p m p p m m d m m m

pagina 156 van 261

EG EG EG EG EG EG EG EG EG EG 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

centraal op ecoduct

EG 12

EG 13

35 5 1 8 58 10 1

2 2 8 1 1 9 1 2 47 18 2

westzijde

2 3 1 2 11 1 2 1 1 13 16 2 5 10 4 60 212 1 2 1 1 1 1 1 1 2 3 1 1 1 1 2 8 1 1 3 1 1 1 4 2 3 6 1 14 87 84 18 35 93 35 48 76 260 9 17 16 10 12 24 16 21 12 20 0 3 3 0 2 6 1 3 3 3

EG 11

1 2 24 15 1 98 13 2

EG 14

EG 15

EG 16

oostzijde 1 2 9 1 1 5 55 17 2

50 8 1 2 1 109 11 1

2 7 1 2 22 8 0

TF

Totaal

Soort / Locatie

6 3 2 110 14 2 363 1 11 1 2 15 1 3 3 3 49 1 1 3 1 24 12 1151 7 66 0 15

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////


Tabel 38: Loopkevers gevangen via handvangsten op 2 dagen in 2019.

Soort / Datum Acupalpus brunnipes Acupalpus dubius Acupalpus flavicollis Acupalpus parvulus Agonum afrum Agonum albipes Agonum assimile Agonum fuliginosum Agonum obscurum Agonum thoreyi Agonum viduum Badister collaris Bembidion articulatum Bembidion deletum Demetrias imperialis Harpalus latus Leistus fulvibarbis Nebria brevicollis Patrobus atrorufus Pterostichus madidus Pterostichus minor Pterostichus niger Pterostichus nigrita Stenolophus mixtus Stenolophus teutonus Aantal exemplaren Aantal soorten Aantal RLͲsoorten

NIET gevangen met bodemvallen x x x x x x x x x x x x x x x x x 17 4

Rode Lijst

VleugelͲ 26/apr 6/sep Totaal ont.

Z Z Z Z Z

m m m m m m m d d m m m m m m m m m b b d m p m m

1 23 8 1 2 10 7 1 1 12 10 1 1 2 1 1 6 19 2 109 19 3

3 1 3 24 1 1 1 1 2 3 3 43 11 2

1 23 8 1 2 3 11 10 1 1 12 10 1 24 1 1 3 1 1 1 3 3 9 19 2 152 25 5

LEGENDE: Rode Lijst: x B: Bedreigd; x Z: Zeldzaam; x A: Achteruitgaand. VleugelͲontwikkeling x b= brachypteer: de soort is steeds kort gevleugeld; x m= macropteer: gevleugeld; de soort is steeds gevleugeld; x d=dimorf: zowel kort gevleugelde als gevleugelde exemplaren komen voor bij de soort; x p= polymorf: variabel in vleugelontwikkeling.

omgevingvlaanderen.be


10.3.2 Vergelijking van de onderzochte locaties Het aantal gevangen loopkevers per locatie varieert op het ecoduct Groenendaal van slechts 14 exemplaren (EG1) en 18 ex. (EG4) centraal op het ecoduct, en 22 ex. (EG16) op het noordgeoriënteerd aanlooptalud, enerzijds, tot maximaal 109 ex. (EG15, in bos aan oostzijde, dus ‘referentielocatie’) en 260 ex. (EG10, op westelijk talud) anderzijds. Op de twee locaties met de meeste loopkevers, werden deze aantallen zwaar beïnvloed door één dominante soort, met name Nebria brevicollis (EG15, 50 ex.) resp. Pterostichus cupreus (EG10, 260 ex.). In de tunnel in Flossendelle, de enige locatie waar twee bodemvallen (per locatie) stonden opgesteld die zijn samengevoegd, zijn op de hele onderzoeksperiode slechts 12 loopkevers gevangen. Het aantal gevangen loopkeversoorten per locatie was ook het laagst in de tunnel van Flossendelle (zeven soorten, waarvan alle soorten ook op het ecoduct zijn aangetroffen), maar was slechts iets hoger op twee locaties op het ecoduct Groenendaal, met name op de noordgerichte locatie (EG16; acht soorten) en centraal op het ecoduct tegen de zuidrand, dus ook ‘noordgeoriënteerd’ (EG1; negen soorten). Op 12 locaties op het ecoduct varieert het aantal gevangen loopkeversoorten van 10 tot 20 soorten. Op twee locaties centraal op het ecoduct zijn méér dan 20 loopkeversoorten gevangen: EG8 (21 soorten) en EG6 (24 soorten). Dit zijn eerder thermofiele locaties. Het aantal gevangen Rode LijstͲloopkeversoorten per locatie varieert van nul tot zes Rode LijstͲ soorten. Er zijn geen Rode LijstͲloopkevers gevangen in de tunnel van Flossendelle (TF) en op drie locaties op het ecoduct, meer bepaald centraal op het ecoduct (EG1 en EG4) en op het noordgeoriënteerd talud (EG16). Op 12 locaties zijn één tot drie Rode LijstͲsoorten gevangen. Eén locatie, EG6 centraal op het ecoduct, steekt er bovenuit met zes Rode LijstͲloopkevers! Deze bodemval stond op een verhoogde richel, nabij de stobbenwal. Direct rond de bodemval was in het voorjaar veel kale bodem (geliefd door veel soorten loopkevers) en later een ijle vegetatie. Gemiddeld zijn er meer Rode LijstͲsoorten gevonden op de acht locaties centraal op het ecoduct Groenendaal (2,25) vergeleken met de zes locaties op de aanlooptaluds + twee referentielocaties (1,75). Het betreft allemaal gevleugelde en dus mobiele soorten die het centraal deel van het ecoduct al vliegend kunnen koloniseren (vanuit bronpopulaties in het achterland, eventueel vanop grote afstand), zonder dat ze noodzakelijkerwijs de aanlooptaluds koloniseren. In onderstaande tabel vergelijken we de resultaten van de loopkevers in de drie verschillende situaties: x Centraal op het ecoduct Groenendaal (EG1 tot EG8). x De aanlooptaluds (EG9, EG10 en EG11; EG13, EG14 en EG16). x De twee ‘referentielocaties’ (EG12 en EG15). N locaties (= n N loopkevers N soorten N Rode LijstͲ bodemvallen) loopkevers soorten Centraal op 8 414 51 10 ecoduct Aanlooptaluds 6 558 41 7 Referentielocaties 2 167 14 1

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 158 van 261


De cijfers leren ons dat op de aanlooptaluds, in verhouding tot de vangstinspanning, relatief veel loopkevers zijn gevangen, en dat op de twee referentielocaties in het achterland relatief weinig Rode LijstͲloopkevers aangetroffen zijn, nl slechts één. Dit betreft evenwel een belangrijke soort met betrekking tot ecologische ontsnippering, met name Carabus auronitens, die daarenboven énkel in de referentiesites is gevonden.

10.3.3 Vleugelontwikkeling De verdeling van de door ons met bodemvallen gevangen loopkeversoorten naar mate van vleugelontwikkeling (volgens Desender, 1986 en Desender et al., 2008) geeft volgend beeld: x brachypteer (kort gevleugeld): zeven soorten: Abax ater, Abax ovalis, Carabus auronitens, Carabus monilis, Carabus problematicus, Carabus violaceus, Pterostichus madidus; x macropteer (gevleugeld): 46 soorten; x dimorf: negen soorten; x polymorf: vier soorten. Van sommige dimorfe soorten zijn alle of een groot aandeel van de door Desender (1986) onderzochte exemplaren brachypteer en blijken bovendien functionele vliegspieren (steeds of meestal) te ontbreken. Er zijn nog geen vliegwaarnemingen bekend. We troffen een aantal soorten van dit type aan op ecoduct Kempengrens te Postel (heide/schraallandsoorten), maar niet bij voorliggend onderzoek op ecoduct Groenendaal. Het aantreffen van zeven brachyptere soorten tijdens de T1 van een ecoduct is zonder twijfel een mooi resultaat. Toch dienen we te vermelden dat er slechts drie van de zeven brachyptere soorten centraal op het ecoduct (EG1ͲEG8) zijn gevonden (zie Tabel 39). Deze drie soorten zijn alle drie aangetroffen langs de noordrand (zuidgeoriënteerd) van het ecoduct (EG8). Voorts is één van de drie soorten ook daar vlakbij (in EG7), gevonden, maar de zes andere locaties centraal op ecoduct Groenendaal (EG1ͲEG6) bleven (als enige van alle onderzochte locaties) zonder brachyptere soorten. VleugelͲont.

Abax ater Abax ovalis Carabus auronitens Carabus monilis Carabus problematicus Carabus violaceus Pterostichus madidus

Z Z B

b b b b b b b

EG EG EG EG 7 8 9 10 2

1 2 3

1 2

1 1 5

EG 11

EG 12

2 20

1 1 4 8

EG EG 13 14 1 1 5 1

1 8 14

EG 15 1 1 5 8 1

Totaal

Soort / Locatie

Rode Lijst

Tabel 39: overzicht van de (aantallen) brachyptere loopkevers per locatie

EG TF 16 1 7

1 4 1 1

4 2 2 4 22 71 11

Aantal exemplaren 2 6 3 7 22 14 8 23 16 8 7 116 Aantal soorten 1 3 2 3 2 4 4 3 5 2 4 7 De zes locaties op de aanlooptaluds (EG9, 10, 11, 13, 14, 16) leverden het dubbel aantal brachyptere soorten op: meer bepaald zijn daar zes van de zeven kort gevleugelde loopkevers van het onderzoek gevonden. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 159 van 261


Enkel Carabus auronitens, die enkel op de twee referentielocaties gevonden is, ontbrak er. Eén van de zes brachyptere soorten, Carabus violaceus, is op alle zes locaties op de aanlooptaluds aangetroffen. Vermeldenswaard is dat de aantallen van deze soort afnemen naarmate men het centraal deel van ecoduct nadert. Zowel aan de oostzijde als de westzijde bemonsterden we nl. telkens twee locaties langs de grote ‘boomstammenril’ op de aanlooptaluds: x de aantallen langs de westzijde waren hoger in EG10 (vijf ex.) dan in EG9 (twee ex.); ze zijn overigens nog hoger in EG11 (20 ex.), een locatie aan het uiteinde van een andere boomstammenril. x de aantallen langs de oostzijde waren hoger in EG14 (14 ex.) dan in EG13 (vijf ex.); Nog één andere soort, Carabus problematicus, is op de taluds aan beide zijden van de R0 gevonden. Een derde soort, Carabus monilis, is enkel langs de westzijde gevonden, maar wél op elk van de drie locaties, in lage aantallen. Deze typische graslandsoort heeft wellicht een (goede) populatie op de renbaan, en slaagt er nu in het ecoduct te koloniseren. De drie overige soorten, Abax ater, A. ovalis en Pterostichus madidus zijn op de taluds enkel langs de oostzijde van de R0 gevonden. De eerstͲ en laatstgenoemden zijn enkel op locatie EG13 gevonden, dus de locatie dichtst bij het centraal deel van het ecoduct, waar niet minder dan vier brachyptere soorten zijn gevonden. Op de twee referentielocaties (EG12 en EG15) zijn vijf brachyptere soorten gevonden, wat relatief het meeste is. Vier van de vijf soorten zijn trouwens op beide locaties gevonden, enkel Abax ater is uitsluitend langs de oostzijde vastgesteld. Maar deze in Vlaanderen algemene bossoort komt zeker ook aan de westzijde van de R0 voor. Carabus auronitens is – zoals reeds eerder vermeld – enkel op de twee referentielocaties gevonden. Deze op Vlaams niveau zeldzame soort is talrijk in het Zoniënwoud, maar blijkt het oud bos dus niet zo makkelijk te verlaten. Eveneens bijzonder is dat er in de tunnel Flossendelle vier brachyptere soorten zijn aangetroffen. Vier van de zeven daar vastgestelde loopkeversoorten (57%), en zeven van de 12 exemplaren (58%), zijn dus kortvleugeligen. Tenslotte zijn er een aantal brachyptere loopkevers die in het Zoniënwoud voorkomen, en voorlopig niet zijn aangetroffen in de tunnel Flossendelle of op ecoduct Groenendaal. We vermelden Abax parallelus, Carabus auratus, Carabus nemoralis, Cychrus attenuatus en Cychrus caraboides. Patrobus atrorufus is een brachyptere soort die we aantroffen via onze handvangsten, nabij de meest westelijke vijver van Flossendelle. Nogmaals, gezien het hier pas de T1 betreft, verwachten we (bepaalde van) deze soorten bij verdere ‘rijping’ van het ecoduct wel aan te treffen op de taluds en/of centraal op het ecoduct.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 160 van 261


10.3.4 Vergelijking met andere ecoducten We vergelijken de bevindingen van loopkevers van de T1 van de acht bodemvallen centraal op ecoduct Groenendaal (EG1ͲEG8), met de eerdere onderzoeken op ecoducten elders in Vlaanderen. Dit kan vergeleken worden omwille van vergelijkbare methodologie: telkens acht bodemvallen. Enkel op de duur van de bemonstering zit variatie. Tabel 40: vergelijking van enkele kengetallen van de loopkevers van de T1 op ecoduct Groenendaal met andere Vlaamse ecoducten.

Ecoduct Groenendaal T1

Ecoduct Warande T1

N Rode LijstͲ soorten

N brachyptere soorten

51

10

3

Periode / duur

N loopkevers

N soorten loopkevers

9 maanden (19 maart – 17 december 2019

414

8 maanden (8 maart – 7 november 2006) T3 11 maanden (29 febr 2008 – 19 jan 2009) T7 11 maanden (1 maart 2012 – 30 januari 2013 Totaal T1ͲT7 Ecoduct Kikbeek T1 9,5 maanden (4 april 2009 – 22 jan 2010) T3 9,5 maanden (3 april 2009 – 21 jan 2010) T7 (ruim) 10 maanden (17 maart 2013 – 27 jan 2014) Totaal T1ͲT7 Ecoduct Kempengrens T2 7 maanden (17 maart – 24 oktober 2016) Ecoduct De Munt

661

33

5

8

585

28

4

5

1.823

35

7

7

3.069 1.084

51 39

9 9

9 2

1.595

56

9

4

1.332

51

11

6

4.011

72

17

6

812

54

8

2

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 161 van 261


T7

8 maanden (6 1.309 49 9 0 maart – 5 nov. 2018) Opm.: de T1 en T3 van De Munt kunnen niet gebruikt worden ter vergelijking wegens methodologische verschillen (zie Feys et al. 2019). Zo zijn de loopkevers van bepaalde genera niet op naam gebracht. De vijf ecoducten verschillen sterk in landschappelijke context waarin ze zich bevinden: x Ecoduct Warande: midden in uitgestrekt historisch permanent loofͲ en naaldbos (>1000 ha); x Ecoduct Kikbeek: midden in uitgestrekt Nationaal Park Hoge Kempen (ca. 5000 ha), met veel (droge en natte) heide en naaldbos; x Ecoduct Kempengrens: ten tijde van de T0 en T2 vooral naaldbos, en akkers, én brede, ecologisch waardevolle snelwegbermen; op wat grotere afstand (>1 km) droge en natte heide. x Ecoduct De Munt: intensief bewerkt agrarisch gebied met natuur eerder als kleine relicten; aanpalend aan ecoduct wel meerdere hectare recente natuurontwikkeling. Het ecoduct De Warande is qua context het meest vergelijkbaar met ecoduct Groenendaal. Daar zijn tijdens de T1 al acht kort gevleugelde loopkeversoorten aangetroffen. Tijdens de T3 waren dat er maar vijf en tijdens de T7 opnieuw meer: zeven soorten. In totaal (drie jaren samen) zijn er op dat ecoduct negen (van de 10 in Meerdaalwoud gekende) brachyptere loopkeversoorten aangetroffen (Lambrechts et al., 2013a). Een evidente verklaring waarom het ecoduct De Warande al snel zo goed scoorde voor brachyptere soorten, is dat het over een gewestweg lag, en dat de weg in verlaging is gelegd, en dat daardoor de nietͲbeïnvloede bosranden aan beide zijden van het ecoduct slechts ca. 40m uit elkaar lagen. Op ecoduct Groenendaal zijn, omwille van de grotere overspanning in vlakker terrein, langere aanlooptaluds aangelegd, waardoor de afstand van de intacte bosranden tot het centrum van het ecoduct langer is: aan de oostzijde ca. 70m, aan de westzijde ca. 60m. De kortste afstand van oostelijke tot westelijke bosrand, niet in vogelvlucht maar in stapafstand (vb. voor een loopkever), is dus ca. 130m. Ook opvallend is dat er – verhoudingsgewijs Ͳ vrij veel Rode LijstͲsoorten zijn aangetroffen op ecoduct Groenendaal: bijna 20%. Enkel ecoduct Kikbeek scoort hoger in de T1 (23%).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 162 van 261


10.3.5 Soortbesprekingen Eerst bespreken we de ecotoopvoorkeur volgens de literatuur, vervolgens onze eigen bevindingen in het studiegebied. 10.3.5.1 Bedreigd Carabus monilis, de Graslandschallebijter, werd – net als Carabus auratus – in de eerste Vlaamse Rode lijst als ‘achteruitgaand’ beschouwd, maar inmiddels als ‘bedreigd’ (Desender et al., 2008). Recent werd ontdekt dat deze kenmerkende soort van vochtige graslanden nog wijdverspreid aanwezig is in enkele natuurgebieden met veel soortenrijke graslanden in de VelpeͲ en Getevallei in het oosten van VlaamsͲBrabant (Nijs et al., 2016). Ook in Nederland komt de soort vooral in graslanden voor en meer bepaald in de uiterwaarden van de rivieren en op kalkgraslanden (Boeken et al., 2002). We vingen bij voorliggend onderzoek in totaal vier exemplaren van Carabus monilis. De soort is enkel langs de westzijde van het ecoduct Groenendaal gevonden, maar wél op elk van de drie locaties op het aanlooptalud (EG9, EG10 en EG11), in lage aantallen. Deze typische graslandsoort heeft wellicht een (goede) populatie op de renbaan, en slaagt er nu in het ecoduct te koloniseren.

Figuur 127: Carabus monilis is op de drie onderzochte locaties op het westelijk talud van het ecoduct Groenendaal gevonden. De foto toont een ondersoort uit de Jura in Frankrijk, die is veel blauwer dan onze dieren (foto: Bernard Van Elegem).

Tachys bisulcatus, het Breed knotje, stond op de eerste Rode Lijst als bedreigd (Desender et al. 1995) en thans nog steeds (Desender et al. 2008). Er is vrij weinig bekend over deze soort. In NoordͲEuropa, waar de soort relatief recent verscheen en (sterk) toenam, wordt ze in naaldbos gevonden, meer bepaald achter schors, of in zaagsel en ander rottend organisch materiaal (Turin, 2000). Desender et al. (1995) daarentegen spreken over oevers van stromend water als voorkeursecotoop. De soort is macropteer en wordt als mobiel beschouwd (Turin, 2000). /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 163 van 261


Wij vingen in voorliggend onderzoek één exemplaar, in de tweede helft van april 2019, in de boomstammenwal op het ecoductͲtalud aan de oostzijde van de R0 (EG13). 10.3.5.2 Zeldzaam Abax ovalis, de Ovale breedborst, is een zeldzame bossoort in Vlaanderen. Ze werd tussen 1980 en 2007 slechts in 70 5x5km hokken waargenomen in heel België, volgens de meest recente verspreidingsatlas van de loopkevers en de zandloopkevers (Desender et al., 2008). Ze is algemeen in het Zoniënwoud en zeldzaam in het Meerdaalwoud (De Bakker et al., 2000), en komt voorts enkel in Voeren voor. De enige waarnemingen in Vlaanderen komen dus uit de provincie VlaamsͲBrabant en het uiterste zuidoosten van Limburg. In Nederland is het een zeer zeldzame soort, beperkt tot enkele bossen in ZuidͲLimburg. Het is een koudepreferente soort, die zeer droge en zeer natte terreinen mijdt. De voorkeur gaat naar EikenͲ Haagbeukenbossen en de soort wordt ook in bosranden gevonden. De soort is brachypteer (ongevleugeld) maar wel een goede loper. Het is een voorbeeld van een KͲstrateeg met sterke plaatsbinding en beperkte dispersie (Turin, 2000). Op het ecoduct De Warande vonden we één exemplaar Abax ovalis tijdens de T1 in 2006 midden in de toenmalige ‘open grasvlakte’. Bij de T3 (2008) en T7 (2012) is de soort daar niet meer aangetroffen. We vingen deze kenmerkende oudͲbossoort op het ecoduct Groenendaal enkel op het oostelijk talud, en enkel in de ‘boomstammenwal’ aldaar (telkens 1 ex. in EG13 en EG14).

Figuur 128: Abax ovalis is een zeldzame, brachyptere, strikt aan oude bossen gebonden loopkeversoort. Ze is al meteen bij de T1 vastgesteld op het ecoduct Groenendaal (twee ex.) (foto: Bernard Van Elegem).

Acupalpus brunnipes, de Bruine bontloper, is in de tweede helft van de 20ste eeuw sterk achteruitgegaan in Vlaanderen (35 UTMͲhokken voor 1950, 17 tussen 1950 en 1995) en was toen als ‘kwetsbaar’ opgenomen in de Rode Lijst (Desender et al., 1995). Recent zijn er heel wat nieuwe vindplaatsen ontdekt en de soort staat sensu stricto niet meer op de Rode Lijst. Volgens de meest recente verspreidingsatlas is de soort in België bekend van 59 UTMͲhokken (van 5x5km) vóór 1950, /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 164 van 261


acht hokken tussen 1950 en 1980 en 56 hokken tussen 1980 en 2007 (Desender et al., 2008), waarbij alle vindplaatsen van na 1980 zich in Vlaanderen bevinden. De soort heeft een goed vliegvermogen en is actief van april tot augustus met een piek in juni en juli. Acupalpus brunnipes is volgens Desender et al. (2008) een soort van natte heide. De habitatvoorkeur is volgens onze eigen ervaringen veel correcter te omschrijven als ‘pioniersituaties in natte voedselarme terreinen’ (cfr. Lambrechts et al., 2009, 2017; Feys et al., 2019). We vonden de soort in voorliggende studie enkel mits handvangsten, op 26 april 2019, in de oeverzone van de Ganzepootvijver. Amara aulica, de Distelglimmer, is in Nederland vooral in streken met kleiige of lemige bodem te vinden. Daar prefereert ze graslanden en ruderale situaties met vrij hoge maar niet te dichte vegetatie met veel grassen en composieten (vooral distels). De soort foerageert ’s nachts hoog in de vegetatie op zoek naar zaden (Turin, 2000). Volgens Desender et al. (1995) is in Vlaanderen het aantal UTMͲhokken met vindplaatsen na 1950 verdubbeld (34) ten opzichte van voor 1950 (17), maar het blijft toch een minder algemene soort. De soort zou in Vlaanderen vochtige graslanden prefereren. We vonden slechts één exemplaar in voorliggend onderzoek, in oktober 2019, in de bodemval EG6, centraal op het ecoduct Groenendaal. Amara bifrons, de Bruingele glimmer, is in België en Nederland zeer verspreid maar toont ook grote gaten in het verspreidingsgebied, zonder duidelijk patroon. Het aantal vindplaatsen is min of meer stabiel gebleven. Voor België liggen deze cijfers voor: 73 UTMͲhokken (van 5x5km) vóór 1950, 40 hokken tussen 1950 en 1980 en 64 hokken tussen 1980 en 2007 (Desender et al., 2008). Het is een thermofiele soort met sterke binding aan zandgronden met een ijle mozaïekvegetatie, zoals weinig bemeste droge graslanden en akkers, ruderale terreinen en droge heide. Het is een goede vlieger die vaak op licht afkomt. Vooral de jonge dieren, kort na het uitkomen, hebben een dispersiefase. Later treedt er bij een aanzienlijk deel van de dieren vliegspierautolyse (reductie in vliegspierontwikkeling) op, hoewel ze goed ontwikkelde vleugels hebben (Turin, 2000). In voorliggend onderzoek vonden we twee exemplaren Amara bifrons centraal op het ecoduct Groenendaal, in EG5 en EG6, in september resp. augustus 2019. Amara eurynota, de Breedrugglimmer, kende een aanzienlijke achteruitgang in Vlaanderen, van een voorkomen in 17 UTMͲhokken voor 1950 naar acht na 1950, wel verspreid over de regio en is daarom als ‘kwetsbaar’ opgenomen in de eerste Rode Lijst (Desender et al., 1995). Ten tijde van de tweede Rode lijst lagen voor België deze cijfers voor: 61 UTMͲhokken (van 5x5km) vóór 1950, 11 hokken tussen 1950 en 1980 en 42 hokken tussen 1980 en 2007 (Desender et al., 2008). De auteurs vermelden droge schrale graslanden en akkers als biotoop. De adulten voeden zich onder andere met zaden van Herderstasje. De soort is macropteer en kan vliegen. Turin (2000) vermeldt A. eurynota voor NoordwestͲEuropa in open terreinen, op kleiige of grindachtige bodem met dunne maar vrij hoge vegetaties met voorkeur voor extensief bewerkte cultuurgronden. Bijvoorbeeld graag op braaklanden tussen kruidenvegetaties. In Nederland komen de weinige bodemvalͲvangsten uit duingraslanden en duinstruwelen, maar dit geeft volgens de auteur een incompleet beeld van de terreinkeuze. In Nederland en omliggende landen is de soort sterk achteruitgegaan. We vingen op ecoduct Groenendaal drie exemplaren A. eurynota, op drie verschillende locaties, centraal op het ecoduct en op het westelijk talud. Amara majuscula, de Grote glimmer, heeft zich sinds circa 1900 vanuit het oosten uitgebreid in Europa. De eerste waarneming in Nederland gebeurde in 1960 en momenteel zijn er heel wat /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 165 van 261


vindplaatsen verspreid over het hele land. Vooral na de drooglegging van Zuidelijk Flevoland (1967) heeft de soort zich in de polders enorm uitgebreid. In Nederland is het een soort die vooral jonge, dynamische, verstoorde terreinen (akkers, ruderale terreinen) bezet. Uit de enorme areaaluitbreiding kan men afleiden dat het een soort is die zich goed kan verbreiden (Turin, 2000). Amara majuscula was anno 1995 nog niet bekend van Vlaanderen (Desender et al., 1995). Ten tijde van de tweede Rode lijst lagen voor België deze cijfers voor: nul UTMͲhokken (van 5x5km) vóór 1950, drie hokken tussen 1950 en 1980 (allen in Wallonië) en drie hokken tussen 1980 en 2007, deze laatste alle drie in Vlaanderen (Desender et al., 2008). We vingen op ecoduct Groenendaal één exemplaar A. majuscula, centraal op het ecoduct (EG6). Bembidion deletum, de Bospriemkever, zou een voorkeur hebben voor kale bodem met zeer ijle vegetatie, zoals op rivieroevers of in kleiputten, soms op open plekken in loofbossen (Turin 2000). De soort is macropteer maar Desender (1989) vond duidelijke vleugelreductie. Dit zou gelinkt zijn aan de mate van stabiliteit van het habitat, die duidelijk groter is dan bij ‘echte oeversoorten’. Een deel van de individuen beschikt over volledig ontwikkelde vliegspieren. We vingen één exemplaar centraal op het ecoduct Groenendaal (EG8) en 2 ex. op het oostelijk aanlooptalud van het ecoduct (EG14). Carabus auronitens, de Goudglanzende loopkever, komt in België en Nederland aan de westrand van haar areaal voor. Er is sprake van een westwaartse areaaluitbreiding (Turin, 2000). In Wallonië is de soort niet zeldzaam, maar in Vlaanderen is ze – ondanks veel recent onderzoek in bossen – recent enkel van het Zoniënwoud en omgeving bekend (waar ze plaatselijk wel abundant voorkomt) en tevens van één locatie in ZuidͲLimburg (Provinciaal domein Nieuwenhoven, nabij StͲTruiden). Er zijn wel enkele historische vindplaatsen in de Kempen (Desender et al., 2008) en wij vingen de soort in een heidegebied in Dessel in 2008 (Lambrechts et al., 2009). Men dient echter rekening te houden met populaties die voortkomen van uitgezette dieren (pers. med. Ief Peeters). In Nederland komt Carabus auronitens enkel in het uiterste oosten voor, maar is daar wel toe aan het nemen. In Westfalen in Duitsland bleek uit genetisch onderzoek dat de soort sinds de ontbossingen in de Middeleeuwen eeuwenlang in kleine bosfragmenten standhield en bij recente herbebossingen erin slaagt deze nieuwe bossen te koloniseren. Ondanks het feit dat de soort brachypteer is (kort gevleugeld), kan ze lopend aanzienlijke afstanden overbruggen (Turin, 2000). Carabus auronitens is een kensoort van diverse type loofͲ en gemengd bos, met een voorkeur voor beukenbossen. Recent is de soort in Nederland ook in (dood hout in) vochtig naaldbos op zandgrond aangetroffen, terwijl ze volgens literatuur niet bekend was van naaldbos. Samengevat stelt men dat de Goudglanzende loopkever een bewoner is van min of meer vochtige, oudere bossen met een rijke humuslaag. Carabus auronitens werd tussen 1980 en 2007 in 139 5x5 km hokken waargenomen in België. Het zwaartepunt van de verspreiding in Vlaanderen ligt duidelijk in VlaamsͲBrabant, meer bepaald in het Zoniënwoud, waar een endemische ondersoort talrijk voorkomt. Carabus auronitens is – zoals reeds eerder vermeld – enkel op de twee referentielocaties EG12 en EG15 gevonden, met telkens één dier, en niet op de 14 andere locaties op het ecoduct (noch op de acht locaties centraal op ecoduct, noch op de zes locaties op de aanlooptaluds). Ondanks het feit dat de soort talrijk is in Zoniënwoud, blijkt ze het oud bos niet zo makkelijk te verlaten.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 166 van 261


Figuur 129: De prachtige Goudglanzende loopkever (Carabus auronitens) is als ongevleugelde soort één van dé doelsoorten voor ecologische ontsnippering. Bij de T1 van ecoduct Groenendaal vonden we deze soort enkel op de twee referentielocaties vlakbij het ecoduct, en niet op de aanlooptaluds of het ecoduct zelf. (foto: Bernard Van Elegem).

Harpalus ardosiacus, de Grote blauwe halmklimmer, is een erg zeldzame soort in België, met een voorkomen in 26 UTMͲhokken (van 5x5km) vóór 1950, vijf hokken tussen 1950 en 1980 (in Wallonië) en vijf hokken tussen 1980 en 2007. Vier van de vijf vindplaatsen uit de laatste periode liggen in Vlaanderen (Desender et al., 2008). De voorkeursecotoop volgens deze auteurs zijn ‘kalkgraslanden, stenige hellingen en andere xerotherme biotopen’. In Nederland ligt de noordgrens van het areaal en de soort komt er enkel in het zuiden van het land voor (Turin, 2000). De ecologie is volgens Turin slecht gekend: voorkeur voor kalkbodem, met een min of meer ruderale vegetatie, vaak in schermen van Wilde peen, waar ze zich met de zaden voedt. We vingen twee ex. Harpalus ardosiacus, centraal op ecoduct Groenendaal, in EG3 en EG8. Harpalus attenuatus, de Sobere kustkruiper, was in Nederland tot eind jaren ‘90 nog erg zeldzaam zodat geen goed beeld bekomen is van de habitatvoorkeur. Ze komt er enkel op ruderale terreinen voor, vooral in de kustduinen en zeldzamer in het binnenland (Turin, 2000). In MiddenͲEuropa leeft ze op xerotherme, schaars begroeide plaatsen. Wij vangen deze soort geregeld in lage aantallen in diverse types droge schrale ecotopen: bijvoorbeeld in zeven van de 33 onderzochte snelwegbermen van de E314 in MiddenͲLimburg, waarvan zes grazige bermen (Lambrechts et al., 2000b) en in drie van de 10 onderzochte brede bermen van het Albertkanaal in ZuidoostͲLimburg (Indeherberg et al., 2003). In een heidegebied in Dessel (Antwerpse Kempen) zijn hoge aantallen Harpalus attenuatus vastgesteld in botanisch zeer soortenrijke, jaarlijks gemaaide heischrale wegbermen (Lambrechts et al., 2009). We vonden de soort in lage aantallen (drie ex.) op twee locaties centraal op ecoduct Groenendaal. Harpalus luteicornis, de Geelsprietkruiper, is in België bekend van 10 UTMͲhokken (van 5x5km) vóór 1950, vier hokken tussen 1950 en 1980 en 18 hokken tussen 1980 en 2007. De soort is recent /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 167 van 261


dus wat meer gevangen, en verspreid over Vlaanderen. Er is helemaal geen zwaartepunt in de Kempen te vinden (Desender et al., 2008). De soort is zelfs opvallend afwezig in tal van bodemvalonderzoeken in de Limburgse heidegebieden (o.a. Lambrechts et al. 2000a,b; Lambrechts 2002, Lambrechts et al. 2004, 2014). De soort is zeer zeldzaam in Nederland, verspreid over het land. Ze komt voor in lichtrijke bossen en op zandige, ruderale, open terreinen (Muilwijk et al., 2015). We vonden slechts één exemplaar van de Geelsprietkruiper op ecoduct Groenendaal, in de boomstammenwal op het westelijk talud (EG10). Op het ecoduct De Munt is de soort in hoge aantallen aangetroffen tijdens de T7 in 2018 (de derde talrijkst aangetroffen loopkeversoort in het onderzoek, met in totaal 113 ex). Harpalus (Ophonus) puncticeps, de Slanke halmklimmer, was volgens de eerste Rode Lijst ‘zeldzaam’ op Vlaams niveau, met vindplaatsen in 18 UTMͲhokken voor 1950 en 22 na 1950 (Desender et al., 1995). De tweede Rode lijst geeft volgende data voor heel België: 68 UTMͲhokken (van 5x5km) vóór 1950, 35 hokken tussen 1950 en 1980 en 54 hokken tussen 1980 en 2007 (Desender et al., 2008). Volgens Turin (2000) leeft ze op terreinen die licht verstoord zijn zoals ruderale terreinen, wegbermen en groeven. Daarnaast worden ook schrale graslanden (ook kalkgraslanden) bewoond waar schermbloemigen voorkomen. In het najaar worden de volwassen dieren vaak in aantal aangetroffen in dichtgeklapte, verdrogende schermen van Wilde peen, waarvan de zaden de belangrijkste voedselbron voor de larven vormen. Er zijn vele vliegwaarnemingen bekend van deze macroptere soort. Het is dus vermoedelijk een goede verbreider. De soort koloniseerde het ecoduct Groenendaal snel: we vingen 20 exemplaren op vijf (van de acht) locaties centraal op het ecoduct en zeven dieren op de drie westelijke taluds. Microlestes minutulus, de Kleine dwergloper, wordt xerofiel en heliofiel genoemd (droogteͲ en zonminnend). De voorkeur gaat uit naar vrij droge, open en zonnige plaatsen op zandige of grindachtige, soms kleiige bodem, met ijle vegetatie (Turin 2000). We vingen drie exemplaren op één locatie, centraal op het ecoduct Groenendaal (EG6). Patrobus atrorufus, de Donkere halsbandloper, is in Nederland niet zeldzaam in het rivierengebied en in OostͲNederland. Het is een vochtminnende soort van vochtige tot vrij natte loofbossen op kleiige bodem, meestal in de nabijheid van water (Turin 2000). De soort is recent op meer plaatsen gevonden in België: 51 UTMͲhokken (van 5x5km) vóór 1950, 26 hokken tussen 1950 en 1980 en 113 hokken tussen 1980 en 2007 (Desender et al., 2008). De soort is brachypteer met steeds zeer kleine vleugelrudimenten. Ze kan goed lopen en was één van de weinige ongevleugelde soorten die via de oudere dijken vrij ver het jonge ingepolderde Zuidelijk Flevoland was binnengetrokken (Turin 2000). We vonden de soort enkel middels handvangsten, nabij de vijver van Flossendelle, dus op slechts ca. 200m van de R0/tunnel Flossendelle, op 6 september 2019.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 168 van 261


10.3.5.3 Momenteel niet bedreigd We bespreken enkele loopkeversoorten die volgens de Rode Lijst momenteel niet bedreigd zijn, maar die relevant zijn binnen het kader van ecologische ontsnippering. Abax ater, Gewone breedborst, is een eurytope bossoort, met de hoogste dichtheden in matig vochtige bossen, minder in vochtige tot natte bossen. Daarbuiten kan men de soort in diverse beschaduwde terreintypes zoals heide en grasland aantreffen, soms als zwerver vanuit bossen waar de reproductie plaatsvindt. De soort is brachypteer, maar kan goed lopen. Ze is vermoedelijk gevoelig voor versnippering van bossen, tenzij deze door hagen of houtkanten verbonden zijn (Turin, 2000). Het is zeker vermeldenswaard dat we Abax ater centraal op het ecoduct Groenendaal aantroffen (één ex. in EG8) en daarnaast ook in de boomstammenwal op het oostelijk talud, op de locatie nabij het centraal deel van het ecoduct (EG13, één ex.). We hadden hogere aantallen op de twee referentielocaties verwacht, maar vonden enkel één exemplaar in EG15 (oostzijde R0) en geen ten westen (EG12). In de tunnel Flossendelle tenslotte is één dier vastgesteld. Carabus problematicus, de Gekorrelde schallebijter, is een vrij eurytope soort die in Nederland in een groot aantal bostypes voorkomt en op heide. Uit onderzoek bleek dat de ‘heidepopulaties’ ‘gevoed’ zouden worden vanuit de bossen. Desalniettemin kon deze goede loper in grote heidegebieden tot op drie km van bos worden aangetroffen. Naarmate men in NWͲEuropa verder naar het noorden gaat, komt de soort steeds meer in heiden voor en minder in bossen (open naaldbos) (Turin, 2000).

Figuur 130: De Gekorrelde schallebijter (Carabus problematicus) is een in Vlaanderen algemene, hoofdzakelijk bosbewonende, ongevleugelde loopkever. De soort legt lopend flinke afstanden af en passeert de R0 zowel via ecoduct Groenendaal als via ecotunnel Flossendelle (foto: Maarten Jacobs).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 169 van 261


Carabus problematicus is in de vier verschillende situaties aangetroffen, dus zowel: x centraal op het ecoduct Groenendaal (twee ex. in EG8); x op de aanlooptaluds aan beide zijden van de R0: één ex. ten westen (EG10) en negen ex. ten oosten (waarvan acht in de boomstammenwal (EG14); x in beide referentieplots (EG12, één ex; en EG15, vijf ex.); x in de tunnel Flossendelle (TF): vier ex. Het was daar de talrijkst gevangen loopkeversoort. Carabus violaceus, de Paarse loopkever, komt in Nederland zowel in bossen als vrij open terreinen voor: in ZuidͲLimburg op kalkgrasland en bosranden van het EikenͲHaagbeukenbos (hellingbossen) en op de Veluwe hoofdzakelijk in lichte bostypen (Turin, 2000). In Nederland is de soort vrij zeldzaam, maar in België komt ze nagenoeg over het hele land voor. Carabus violaceus is door haar brachyptere karakter zeer waarschijnlijk gevoelig voor isolatie en versnippering van het landschap (Turin, 2000). Carabus violaceus is met 71 ex. de vierde talrijkst gevangen soort uit voorliggend onderzoek en de talrijkste brachyptere soort. De soort is – net als de hierboven besproken C. problematicus – in de vier verschillende situaties aangetroffen: Îcentraal op het ecoduct Groenendaal (vijf ex., in EG7 en EG8); Îop alle zes locaties op de aanlooptaluds van ecoduct Groenendaal. Vermeldenswaard is dat de aantallen van deze soort afnemen naarmate men het centraal deel van ecoduct nadert. Zowel aan de oostzijde als de westzijde bemonsterden we nl. telkens twee locaties langs de grote ‘boomstammenril’ op de aanlooptaluds: x de aantallen langs de westzijde waren hoger in EG10 (vijf ex.) dan in EG9 (twee ex.); ze zijn overigens nog hoger in EG11 (20 ex.), een locatie aan het uiteinde van een andere boomstammenril. x de aantallen langs de oostzijde waren hoger in EG14 (14 ex.) dan in EG13 (vijf ex.); Îin beide referentieplots (EG12, vier ex; en EG15, acht ex.), alwaar de aantallen dus lager zijn dan in bepaalde vallen op het ecoduct zelf. Îin de tunnel Flossendelle (TF): één ex. Pterostichus madidus, de Rondhalszwartschild of Rondhalsloopkever, is in Nederland een eurytope bossoort, die vooral in warme, lichte bossen voorkomt of aan de randen van koelere bostypes. De hoogste densiteiten vindt men er op de overgang van EikenͲHaagbeukenbos naar kalkgrasland. De noordgrens van het areaal loopt door Nederland. Opmerkelijk is dat het in GrootͲ Brittannië de meest waargenomen loopkeversoort is, in zeer diverse biotopen, maar het meest in droge bossen en droge graslanden. De soort is brachypteer. Het is een vrij goede loper die een snelheid van negen cm/sec haalt. Water is echter een belangrijke barrière (Turin, 2000). Pterostichus madidus is wél vooral in beide referentieplots gevangen: EG12, acht ex; en EG15, één ex. Op het ecoduct Groenendaal zelf is enkel één dier gevangen in EG13, dus in de boomstammenwal nét ten oosten van het centraal deel van het ecoduct. In de tunnel Flossendelle is ook één ex. Pterostichus madidus gevangen. Pterostichus oblongopunctatus, de Bronzen boszwartschild, is een algemene bossoort. Het is een macroptere soort, maar toch is er geen sprake van een goede dispersiecapaciteit. Turin (2000) geeft waarnemingen die erop wijzen dat er soms wordt gevlogen: x Vondsten in raamvallen en in aanspoelsel aan de kust; x De snelle kolonisatie van Zuidelijk Flevoland na de drooglegging;

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 170 van 261


x

Er zou een relatief goede vliegspierontwikkeling zijn als reactie op voedselgebrek tijdens het larvale stadium.

Maar er zijn heel wat meer indicaties dat er (vaak) beperkingen zijn: x Steeds sterk gereduceerde vleugels bij gecontroleerde dieren uit Duitsland, Nederland en België (tot 50Ͳ60% van het optimum); x Slechts enkele van de 500 onderzochte dieren in België bezaten vliegspieren (Desender 1989). We vingen tijdens voorliggend onderzoek drie ex. Pterostichus oblongopunctatus, waarvan twee in de referentielocatie EG15 en één ex. op het oostelijk aanlooptalud EG14, in een boomstammenwal.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 171 van 261


10.3.6 Conclusies Er zijn in voorliggend onderzoek 1.151 loopkevers gevangen met bodemvallen, verdeeld over 66 soorten. De faunistisch meest bijzondere soorten zijn de in Vlaanderen ‘bedreigde’ Carabus monilis en Tachys bisulcatus, evenals 12 ‘zeldzame soorten’ waaronder bijzondere soorten als Carabus auronitens en Harpalus ardosiacus. De meeste Rode LijstͲsoorten zijn in lage aantallen gevonden, uitgezonderd Harpalus puncticeps. Handvangsten leverden nog vier extra Rode LijstͲsoorten uit de categorie ‘zeldzaam’ op. Op 12 (van de 16) onderzochte locaties op het ecoduct Groenendaal varieert het aantal gevangen loopkeversoorten van 10 tot 20 soorten en op twee locaties centraal op het ecoduct zijn zelfs méér dan 20 loopkeversoorten gevangen. Op 12 locaties zijn één tot drie Rode LijstͲloopkeversoorten gevangen en op één locatie, centraal op het ecoduct, zelfs zes Rode LijstͲloopkevers. Gemiddeld zijn er meer Rode LijstͲsoorten gevonden op de acht locaties centraal op het ecoduct Groenendaal (2,25) vergeleken met de zes locaties op de aanlooptaluds en de twee referentielocaties (1,75). We kunnen dus spreken van een snelle kolonisatie van het ecoduct door loopkevers, ook door bijzondere (Rode Lijst) soorten. De ontwikkeling van de aanwezige ecotopen in functie van loopkevers beschouwen we momenteel als gunstig. Belangrijker is echter de evaluatie van de betekenis van de tunnel Flossendelle en het ecoduct Groenendaal als ecologische ontsnipperingsmaatregel. Daarvoor beschouwen we de brachyptere (kort gevleugelde) loopkeversoorten. Er zijn zeven brachyptere loopkeversoorten aangetroffen bij het bodemvalonderzoek: Abax ater, Abax ovalis, Carabus auronitens, Carabus monilis, Carabus problematicus, Carabus violaceus en Pterostichus madidus (en één extra soort met handvangsten in het achterland: Patrobus atrorufus). Drie van deze zeven soorten zijn centraal op het ecoduct Groenendaal gevonden, zes van de zeven op de aanlooptaluds van het ecoduct en één soort, Carabus auronitens, enkel in de referentielocaties nabij de aanlooptaluds. Deze soort blijkt het oud bos dus niet zo makkelijk te verlaten. Het aantreffen van zeven brachyptere soorten tijdens de T1 van een ecoduct is zonder twijfel een mooi resultaat. Het ecoduct Groenendaal werkt voor de soorten waarvoor het dient te werken, maar er is nog verdere ‘rijping’ / ontwikkeling nodig, vooral centraal op het ecoduct. Dat is logisch vermits de vegetatieͲontwikkeling zich in een pionierstadium bevindt. Bepaalde kritische (bos)soorten zijn op het ecoduct enkel (Abax ovalis, Carabus monilis) of vooral (Carabus problematicus, C. violaceus) langs de boomstammenwallen aangetroffen. Dit illustreert dat de inrichting van het ecoduct, meer bepaald de geleiding, werkt. Qua inrichting en beheer stellen we op basis van de bevindingen volgend streefbeeld voorop: het ecoduct zou de komende jaren best voor circa de helft van de oppervlakte evolueren naar ruigte, struweel of (hakhout)bos in functie van brachyptere bosbewonende loopkevers. Bij de inrichting is hier, via de aanleg van boomstamwallen en aanplant van struweel, al de juiste basis voor gezet. Nu mag dit verder spontaan, of gestuurd via beheer, evolueren. Binnen enkele jaren is een evaluatie aangewezen, vb. een T5.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 172 van 261


De andere helft wordt idealiter best via maaibeheer (met afvoer van maaisel) beheerd, zodat er matig voedselarm, bloemrijk grasland ontstaat. De overgangen tussen open en gesloten ecotopen zijn best zo geleidelijk mogelijk (via ruigte of braamstruweel). In de tunnel Flossendelle zijn vier van de (slechts) zeven daar vastgestelde loopkeversoorten (57%), en zeven van de 12 exemplaren (58%), kortvleugeligen (=brachyptere soorten). Dus ook de tunnel Flossendelle werkt voor versnipperingsgevoelige loopkevers! Dit pleit (waar het kan) voor een aanpassing/omvorming van weinig gebruikte tunnels tot ‘ecotunnels’ of tot tunnels met gemengd gebruik, zoals die van Flossendelle.

Figuur 131: De Paarse loopkevers (Carabus violaceus) was de vierde talrijkst gevangen loopkeversoort bij voorliggend bodemvalonderzoek én de talrijkste brachyptere loopkeversoort. We vonden haar centraal op het ecoduct én op de aanlooptaluds van het ecoduct én in de tunnel Flossendelle. (foto: Bernard Van Elegem).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 173 van 261


10.4 SPINNEN 10.4.1 Algemene bevindingen We vingen bij voorliggend onderzoek van de T1 van ecoduct Groenendaal en tunnel Flossendelle, in 2019, met bodemvallen 2.582 spinnen, verdeeld over 80 soorten. De gevangen spinnensoorten en hun aantallen per locatie worden weergegeven in Tabel 41 met vermelding van: x de status in Vlaanderen volgens de Rode Lijst (Maelfait et al., 1998); x habitatvoorkeur (volgens Maelfait et al., 1998). Er zijn 17 soorten op de Rode Lijst opgenomen, meer bepaald in de categorieën: x Met uitsterven bedreigd (MUB): één soort: Heidekrabspin (Xysticus acerbus); x Bedreigd (B): vier soorten: Drassyllus lutetianus, Ozyptila sanctuaria, Robertus arundineti en Trachyzelotes pedestris; x Kwetsbaar (K): negen soorten: Arctosa leopardus, Asagena phalerata, Coelotes terrestris, Pardosa prativaga, Pardosa saltans, Phlegra fasciata, Tegenaria silvestris, Walckenaeria corniculans en Xerolycosa nemoralis; x Zeldzaam (Z): drie soorten: Histopona torpida, Pardosa hortensis en Pardosa tenuipes Soorten uit de categorie ‘Zeldzaam’ zijn sensu stricto geen ‘Rode LijstͲsoorten’. Het zijn alle drie soorten die hier aan de noordgrens van hun areaal voorkomen. De Veldwolfspin (Pardosa tenuipes) is recent zeer sterk toegenomen en hoort in de categorie ‘Momenteel niet bedreigd’ thuis. Let op: Pardosa tenuipes stond tot voor kort bekend als Pardosa proxima. De Rode Lijst van Maelfait et al. (1998) is inmiddels ruim 20 jaar oud. Door enerzijds nieuwe inzichten ten gevolge van veel nieuw verspreidingsonderzoek, en anderzijds door reële veranderingen (toename / afname) in voorkomen van soorten, is de status van heel wat soorten niet meer adequaat, waaronder het merendeel van de i.k.v. voorliggend onderzoek gevangen Rode LijstͲ soorten. We gaven hierboven reeds een voorbeeld voor Pardosa tenuipes en we duiden dit (onder meer) in de soortbesprekingen meer concreet. De spinnen zijn gedetermineerd door Johan Van Keer.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 174 van 261


Tabel 41: Spinnen gevangen in 2019 met 16 bodemvallen op ecoduct Groenendaal (EG1ͲEG16) en met twee bodemvallen in tunnel Flossendelle (TF).

Agelena labyrinthica Agroeca brunnea Agyneta rurestris Alopecosa pulverulenta Amaurobius fenestralis Anyphaena accentuata Arctosa leopardus Asagena phalerata Bathyphantes gracilis Centromerita bicolor Centromerita concinna Centromerus sylvaticus Cicurina cicur Clubiona terrestris Cnephalocotes obscurus Coelotes terrestris Collinsia inerrans Diplocephalus picinus Diplostyla concolor Drassyllus lutetianus Drassyllus pusillus Enoplognatha thoracica Erigone atra Erigone dentipalpis Evarcha arcuata Gongylidiellum vivum

RL K K K B

Hab. EG1 EG2 EG3 EG4 EG5 EG6 EG7 EG8 EG9 EG10 EG11 EG12 EG13 EG14 EG15 EG16 TF Totaal centraal op ecoduct westzijde oostzijde 2 2 1 1 2 5 6 1 4 11 5 12 6 1 1 1 55 2 1 3 3 1 6 3 25 3 5 5 3 60 6 6 1 1 Gowt 1 1 Hd 7 1 2 10 8 3 1 3 6 14 8 2 3 2 1 1 35 87 9 10 6 2 10 1 2 1 41 1 1 1 3 1 2 1 3 7 1 1 1 1 1 1 Fddd 1 11 2 6 20 4 4 1 1 5 7 2 1 1 1 27 5 5 2 1 2 1 5 5 6 1 6 29 Gowt 1 1 1 2 7 1 4 2 1 1 21 5 6 1 4 7 2 6 4 11 11 1 2 60 1 1 4 3 9 3 5 1 6 1 3 32 16 4 4 1 76 7 3 8 5 7 27 43 5 1 1 1 1 109 2 2 18 2 5 2 12 20 1 1 3 9 1 13 1 88

omgevingvlaanderen.be


RL Hab. EG1 EG2 EG3 EG4 EG5 EG6 EG7 EG8 EG9 EG10 EG11 EG12 EG13 EG14 EG15 EG16 TF Totaal centraal op ecoduct westzijde oostzijde Heliophanus cupreus 1 1 Histopona torpida Z (n) 1 1 2 Mermessus denticulatus 1 1 Mermessus trilobatus 2 3 3 2 1 16 3 1 2 1 5 1 2 2 44 Metellina merianae 1 1 Micaria micans 1 1 2 4 Micrargus herbigradus 1 2 1 1 1 3 9 Micrargus subaequalis 1 1 2 Microlinyphia pusilla 1 4 5 Microneta viaria 1 1 2 Monocephalus fuscipes 1 1 Neon reticulatus 1 1 Neottiura bimaculata 1 1 1 1 1 5 Oedothorax apicatus 8 45 36 20 27 58 86 1 9 3 1 1 12 307 Oedothorax fuscus 1 6 6 1 2 2 15 4 1 5 43 Oedothorax retusus 8 51 24 3 3 18 32 49 4 21 13 4 29 259 Ostearius melanopygius 1 4 3 3 2 13 Ozyptila praticola 1 1 2 1 8 13 Ozyptila sanctuaria B Godt 5 6 2 13 Pachygnatha clercki 1 2 4 2 4 10 3 2 1 7 36 Pachygnatha degeeri 7 2 5 4 5 1 24 Palliduphantes pallidus 2 1 1 4 Pardosa amentata 2 1 1 1 3 15 27 2 2 8 1 12 3 4 82 Pardosa hortensis Z (n) 1 1 Pardosa nigriceps 3 1 4 Pardosa palustris 1 1 22 2 6 8 2 4 4 1 1 2 54 Pardosa prativaga K Mc 1 1 2

pagina 176 van 261

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////


Pardosa pullata Pardosa saltans Pardosa tenuipes Pelecopsis parallela Phlegra fasciata Phrurolithus festivus Piratula latitans Pocadicnemis juncea Porrhomma microphthalmum Robertus arundineti Tegenaria silvestris Tenuiphantes flavipes Tenuiphantes tenuis Theridion melanurum Tiso vagans Trachyzelotes pedestris Trochosa ruricola Trochosa terricola Walckenaeria acuminata Walckenaeria corniculans Xerolycosa nemoralis Xysticus acerbus Xysticus cristatus Xysticus kochi

RL Hab. EG1 EG2 EG3 EG4 EG5 EG6 EG7 EG8 EG9 EG10 EG11 EG12 EG13 EG14 EG15 EG16 TF Totaal centraal op ecoduct westzijde oostzijde 1 4 1 3 8 5 1 4 6 26 18 4 14 95 K Fddv 1 1 3 28 1 17 2 53 Z (n) 1 4 1 6 5 3 1 3 12 K Godb 2 1 1 4 2 2 1 1 2 1 1 B K B

Gowr Fddd Godt

1 17 5 3 1

1 24 2 14

2 37 2 7 17

25 1 2 2

1 1 38 3 2 23 1

1 13 4 14 2

36 4 18

1 18 8 1 25 1

1 7 1 6 4 1

21 4 5 10 2

13 1 3 7 5

1 4 9 3

28 2 4 15

4 4 1

11 2 24

32 3

25 1

7 1 26 16 324 1 33 65 155 14

1

1

1 4

1 2 19

1

1 16

2 2 9

9

2

13

2

2 4

2 1

1

1

1 1

2 1

3 6 3 8 80

K Fdwo K Fddv MUB Hdb

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 177 van 261


Xysticus ulmi Zelotes latreillei Zelotes subterraneus Aantal exemplaren Aantal soorten Aantal RodeͲlijstsoorten

RL

Hab. EG1 EG2 EG3 EG4 EG5 EG6 EG7 EG8 EG9 EG10 EG11 EG12 EG13 EG14 EG15 EG16 TF Totaal centraal op ecoduct westzijde oostzijde 1 1 1 3 1 1 2 4 1 1 105 196 262 58 169 181 360 337 74 115 148 93 132 54 78 175 45 2582 23 27 38 16 32 28 30 34 23 24 31 24 28 19 20 24 9 80 1 3 7 1 5 5 3 3 5 1 4 8 4 2 5 3 3 17

LEGENDE: RL = Rode Lijst: x MUB: Met uitsterven bedreigd; x B: Bedreigd; x K: Kwetsbaar; x Z: Zeldzaam. (waarbij (n) indiceert dat de soort voorkomt aan de noordrand van haar areaal) Hab. = Voorkeurshabitat x God = droge, voedselarme graslanden; x Gow = natte, voedselarme graslanden; x Mc= moerassen met groteͲzeggenvegetaties; x Hd = droge heide; x Fdd = droog loofbos; x Fdw = nat loofbos.

pagina 178 van 261

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////


10.4.2 De talrijkst gevangen soorten De tien talrijkst gevangen soorten worden in Tabel 42 in afnemende volgorde van talrijkheid weergegeven: Tabel 42: Overzicht van de 10 talrijkst gevangen spinnensoorten bij het bodemvalonderzoek in 2019 op ecoduct Groenendaal.

Soort Tenuiphantes tenuis Oedothorax apicatus Oedothorax retusus Trochosa ruricola Erigone dentipalpis Pardosa pullata Gongylidiellum vivum Bathyphantes gracilis Pardosa amentata Xysticus kochi

Totaal 324 307 259 155 109 95 88 87 82 80

Van (slechts) vijf spinnensoorten zijn er gedurende voorliggend onderzoek meer dan 100 exemplaren gevangen. Dit betreft vier soorten DwergͲ en Hangmatspinnen (familie Linyphiidae). Dit is met verre voorsprong de soortenrijkste spinnenfamilie in België, met anno 2009 niet minder 264 soorten (Bosmans, 2009). Vier van de door ons talrijk gevangen soorten zijn uitgesproken pioniersoorten, in het bijzonder de drie dwergspinnen (dus beide Oedothorax soorten en Erigone dentipalpis) maar ook het Bodemwevertje (Tenuiphantes tenuis). Deze hangmatspin was de talrijkst gevangen soort (324 ex. = 12,5% van het totaal aantal gevangen spinnen). Ze vertoont frequent aeronautisch gedrag en is een echte pionier (http://srs.britishspiders.org.uk/portal.php/p/Summary/s/Tenuiphantes+tenuis). Een andere uitgesproken pioniersoort, Erigone atra, valt overigens maar net buiten deze top 10 (met 76 ex.). De vijfde soort in de top vijf van talrijkst gevangen soorten is de Veldnachtwolfspin (Trochosa ruricola), een wolfspin (familie Lycosidae). Het is niet zo dat één bepaalde soort de aantallen zeer sterk domineert, zoals bijvoorbeeld Pardosa tenuipes bij de T7 van ecoduct De Munt (Feys et al., 2019; Lambrechts et al., 2019). Geen enkele van de topͲ10 van talrijkst gevangen soorten staat op de Rode Lijst. Dit lijkt misschien logisch, maar bijvoorbeeld bij de T7 van ecoduct De Munt waren de drie talrijkst gevangen soorten opgenomen in de Rode Lijst…. Omgekeerd, is van 17 spinnensoorten in de loop van het bodemvalonderzoek maar één exemplaar gevangen. Dit kan zowel zwervende exemplaren betreffen van soorten die geen populaties hebben in het gebied, als soorten die lastig te vangen zijn met bodemvallen (vb. de Struikspin Anyphaena accentuata).

omgevingvlaanderen.be


10.4.3 Voorkeurshabitat van de Rode LijstͲsoorten De 14 Rode LijstͲsoorten (s.s.) die voorliggend onderzoek opleverde, zijn door Maelfait et al. (1998) gekarakteriseerd naar ecotoopvoorkeur. We vinden de volgende verdeling: x God = droge, voedselarme graslanden: drie soorten, waarvan één soort droge, voedselarme graslanden met plekken kale bodem (Godb) verkiest en twee andere soorten met graspollen (Godt); x Gow = natte, voedselarme graslanden: drie soorten, waarvan twee soorten de aanwezigheid van graspollen verkiezen (Gowt) en één soort plekken ruigere vegetatie (Gowr); x Mc= moerassen met groteͲzeggenvegetaties: één soort; x Hd = droge heide: twee soorten, waarvan één soort plekken kale bodem (Hdb) verkiest; x Fdd = droog loofbos: vier soorten, waarvan twee gebonden aan (veel) dood hout (Fddd) en twee andere aan bosranden (Fddv); x Fdwo = nat loofbos: één soort, met voorkeur voor voldoende open bos (Fdwo). Er is dus een behoorlijke diversiteit aan habitatvoorkeuren: x zowel droog (negen soorten) als nat (vijf soorten); x zowel open ecotopen (negen soorten) als bos (vijf soorten); x binnen de open ecotopen zowel graslandsoorten (zes soorten), als heidesoorten (twee soorten) als soorten van moeras (één soort). De drie soorten uit de categorie 'Zeldzaam’ (randareaalsoorten) zijn niet gekarakteriseerd naar habitatvoorkeur door Maelfait et al. (1998), maar uit eigen ervaringen en literatuur weten we dat het om één bossoort gaat (Histopona torpida) en twee soorten van open terrein (Pardosa hortensis en P. tenuipes).

10.4.4 Vergelijking van de onderzochte locaties Het laagste aantal gevangen spinnen per locatie was in de tunnel Flossendelle (TF: 45 ex.). Op het ecoduct zijn het minst aantal spinnen gevangen in de boomstammenwal aan de oostzijde (EG14: 54 ex.) en in de stobbenwal centraal op het ecoduct (EG4: 58 ex.). Het aantal gevangen spinnen per locatie was het hoogst centraal op het ecoduct, nl op de twee ‘zuidgeoriënteerde’ locaties aan de noordzijde van het ecoduct (EG7: 360 ex.; EG8: 337 ex.). Op de dertien andere locaties op het ecoduct zijn tussen de 74 en 262 spinnen gevangen gedurende het onderzoek. Het aantal gevangen spinnensoorten per locatie volgt enigszins de lijn van de zonet beschreven parameter. Minste aantal soorten in de tunnel Flossendelle (TF: negen), gevolgd door dezelfde twee ecoductͲlocaties (EG4: 16 spec; EG14: 19 spec). Op negen locaties zijn tussen de 20 en 30 soorten gevonden en op vijf plaatsen 30 of meer soorten, met als topͲlocatie EG3 (38 soorten), een plek met veel kale bodem, centraal op het ecoduct Groenendaal, ideaal voor pioniersoorten. Het aantal gevangen Rode LijstͲspinnensoorten per locatie varieert van één tot acht Rode LijstͲ soorten. Op drie locaties is ‘slechts’ één Rode LijstͲspinnensoort gevangen: EG1 en EG4 centraal op het ecoduct en EG10 in de boomstammenwal aan de westzijde. Het hoogste aantal Rode LijstͲspinnensoorten (acht) is genoteerd in de referentielocatie EG12, het bos aan de westzijde.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 180 van 261


Merk op dat het aantal dus sterk kan variëren op beperkte afstand (enkele meters): terwijl dit laag was in EG1 en EG4 (één soort), was dit hoog (zeven soorten) in EG3. In de tunnel Flossendelle zijn niet minder dan drie Rode LijstͲspinnensoorten aangetroffen. Dit zijn bovendien alle drie kenmerkende bossoorten, waarvan er één, Tegenaria silvestris, in erg hoge aantallen (25 ex.) is gevangen in de tunnel. Gemiddeld zijn er minder Rode LijstͲspinnensoorten gevonden op de acht locaties centraal op het ecoduct Groenendaal (3,5) vergeleken met de zes locaties op de aanlooptaluds + de twee referentielocaties (vier). Bij de loopkevers was dit omgekeerd. In onderstaande tabel vergelijken we de resultaten van de spinnen in de drie verschillende situaties: x Centraal op het ecoduct Groenendaal (EG1 tot EG8). x De aanlooptaluds (EG9, EG10 en EG11; EG13, 14 en 16). x De twee ‘referentielocaties’ (EG12 en EG15). N locaties (= n N spinnen N soorten N Rode LijstͲ bodemvallen) spinnen soorten Centraal op 8 1.668 57 13 ecoduct Aanlooptaluds 6 698 51 9 Referentielocaties 2 171 32 8 Een eerste vaststelling is dat centraal op ecoduct relatief veel spinnen zijn gevangen, ongeveer dubbel zoveel als Ͳ op basis van het aantal bodemvallen en de aantallen op de andere locaties Ͳ zou verwacht worden. De meest voor de hand liggende verklaring is dat dit te danken is aan de ‘hoge ligging’ van het ecoduct, waardoor door de lucht disperserende spinnen (aeronauten) er talrijker worden gevangen. Een tweede cijfer dat eruit springt is het relatief hoge aantal Rode Lijstsoorten (acht soorten) op de referentielocaties. Zoals reeds vermeld: op de referentielocatie EG12, het bos aan de westzijde, zijn acht Rode Lijstsoorten gevonden. Van de 80 bij het bodemvalonderzoek vastgestelde spinnensoorten, zijn er 57 centraal op het ecoduct aangetroffen, en dus 23 soorten niet centraal op het ecoduct maar wel elders. Van de 80 bij het bodemvalonderzoek vastgestelde spinnensoorten, zijn er 51 op de aanlooptaluds aangetroffen (en dus 29 soorten niet). Van de 80 bij het bodemvalonderzoek vastgestelde spinnensoorten, zijn er 32 op de referentielocaties aangetroffen (en dus 48 soorten niet).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 181 van 261


10.4.5 Vergelijking met andere ecoducten We vergelijken de bevindingen van spinnen van de T1 van de acht bodemvallen centraal op ecoduct Groenendaal (EG1ͲEG8), met de eerdere onderzoeken op ecoducten elders in Vlaanderen. Dit kan vergeleken worden omwille van vergelijkbare methodologie: telkens acht bodemvallen. Enkel op de duur van de bemonstering zit variatie. Tabel 43: vergelijking van enkele kengetallen van de spinnen van de T1 op ecoduct Groenendaal met andere Vlaamse ecoducten.

Ecoduct Groenendaal T1 Ecoduct Warande T1 T3 T7 Totaal T1ͲT7 Ecoduct Kikbeek T1 T3 T7 Totaal T1ͲT7 Ecoduct De Munt T7 Ecoduct Kempengrens T2

Periode / duur

N spinnen

9 maanden (19 maart – 17 december 2019 8 maanden (8 maart – 7 november 2006) 11 maanden (29 febr 2008 – 19 jan 2009) 11 maanden (1 maart 2012 – 30 januari 2013 9,5 maanden (4 april 2009 – 22 jan 2010) 9,5 maanden (3 april 2009 – 21 jan 2010) (ruim) 10 maanden (17 maart 2013 – 27 jan 2014) 8 maanden (6 maart – 5 nov. 2018)

N soorten spinnen

1.668

N Rode LijstͲ soorten

57

13

2.052

63

13

1.466

80

19

2.269

69

15

5.787 1.198

100 78

23 23

1.791

96

28

1.301

90

30

4.290 1.776

132 66

46 10

7 maanden (17 maart – 812 54 8 24 oktober 2016) Opm.: de T1 en T3 van De Munt kunnen niet gebruikt worden ter vergelijking wegens methodologische verschillen (zie Feys et al., 2019). Zo zijn de spinnen van de soortenrijkste families (dwergͲ en hangmatspinnen) niet op naam gebracht. De vijf ecoducten verschillen sterk in landschappelijke context waarin ze zich bevinden: x Ecoduct Warande: midden in uitgestrekt historisch permanent loofͲ en naaldbos (>1000 ha); x Ecoduct Kikbeek: midden in uitgestrekt Nationaal Park Hoge Kempen (ca. 5000 ha), met veel (droge en natte) heide en naaldbos;

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 182 van 261


x

x

Ecoduct Kempengrens: ten tijde van de T0 en T2 vooral naaldbos, en akkers, én brede, ecologisch waardevolle snelwegbermen; op wat grotere afstand (>1 km) droge en natte heide. Ecoduct De Munt: intensief bewerkt agrarisch gebied met natuur eerder als kleine relicten; aanpalend aan ecoduct wel meerdere hectare recente natuurontwikkeling.

Het ecoduct De Warande is qua context het meest vergelijkbaar met ecoduct Groenendaal. Als we de T1 onderzoeken op ecoduct Warande en Groenendaal vergelijken, zien we dat Warande beter scoort qua aantal gevangen spinnen en soorten, maar op beide ecoducten even veel Rode LijstͲspinnensoorten (13) gevangen zijn, waardoor de verhouding voor ecoduct Groenendaal (23% RLͲsoorten) hoger is dan voor ecoduct Warande (21%).

10.4.6 Soortbesprekingen Eerst bespreken we de ecotoopvoorkeur volgens de literatuur, vervolgens onze eigen bevindingen in het studiegebied. 10.4.6.1 Met uitsterven bedreigd Xysticus acerbus, de Heidekrabspin, is zeldzaam in Vlaanderen. De Nederlandse naam suggereert een voorkeur voor heide en Maelfait et al. (1998) geven ‘droge heide met plekken kale bodem’ op als voorkeurshabitat. Lambrechts & Janssen (2005) vonden de soort in OostͲLimburg op meerdere plaatsen in droge schrale graslanden. Anderzijds deden zij tal van onderzoeken in droge heide in Limburg en daarbij is de soort niet gevangen. Het feit dat deze soort blijkbaar eerder droge (kalk)graslanden (ipv heide) bewoont, wordt ook door Roberts (1998) vermeld.

Figuur 132: Xysticus acerbus, de Heidekrabspin, is volgens de Rode Lijst de meest bedreigde spinnensoort die bij voorliggend onderzoek is aangetroffen. Er werden drie exemplaren gevangen op het ecoduct Groenendaal (foto: Gilbert Loos (Beeldbank Arabel)). /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 183 van 261


De Heidekrabspin werd in 2008 in Het Vinne te Zoutleeuw, in het uiterste oosten van de provincie VlaamsͲBrabant, in opmerkelijke aantallen gevonden, niet minder dan 61 exemplaren. Er zijn populaties gevonden in een nat ‘veenmosgrasland’ dat al lange tijd in natuurbeheer is, maar evenzeer in twee ‘schraalgraslanden’ die slechts kort voor de bemonstering zijn hersteld door plagbeheer, een vochtig en droog ‘schraalgrasland’ (Lambrechts et al., 2013b). We vonden drie exemplaren Heidekrabspin op het ecoduct Groenendaal, één centraal op ecoduct (EG3) en twee op een noordgericht talud (EG16). 10.4.6.2 Bedreigd Drassyllus lutetianus, de Moeraskampoot, verkiest natte, voedselarme graslanden met (gras)pollen (Maelfait et al., 1998). In een onderzoek in natte heide (Van Dyck et al., 2001) bleek de aanwezigheid van D. lutetianus positief gecorreleerd met de aanwezigheid van een groot aantal andere RodeͲ lijstsoorten. Het aantreffen van deze soort op het ecoduct De Warande in Meerdaalwoud in 2008 (bij de T3) was een verrassing, en de aantallen waren dan nog eens opmerkelijk hoog: 32 exemplaren. In 2012 (T7) waren de aantallen sterk teruggelopen tot vijf gevangen exemplaren (Lambrechts et al., 2013a). De Moeraskampoot is ook op het ecoduct Groenendaal in behoorlijke aantallen gevangen (21 ex.). De voorkeur voor open terrein wordt geïllustreerd door het ontbreken op de twee beboste referentielocaties (EG12 en EG15). Voorts is de soort op 10 van de 14 onderzochte locaties op het ecoduct aangetroffen, meestal één of twee dieren, maar tot zeven exemplaren op de ‘warmste plek’, namelijk aan de voet van het noordelijk geluidstalud (EG8), dus zuidgeoriënteerd. Ozyptila sanctuaria, de Bleke bodemkrabspin, heeft volgens Maelfait et al. (1998) een voorkeur voor droge, voedselarme graslanden met graspollen. De soort is op het ecoduct De Warande in Meerdaalwoud bij de T3 in 2008 voor het eerst gevonden en meteen in relatief hoge aantallen (16 ex.). Bij de T7 (in 2012) is ze echter niet meer aangetroffen, ondanks het feit dat er twee bodemvallen in een heischrale vegetatie opgesteld stonden, alwaar in 2008 het merendeel van de dieren was aangetroffen (Lambrechts et al., 2013a). De aantallen Bleke bodemkrabspin op het ecoduct Groenendaal (13 ex.) wijzen er – net als bij bovenvermelde soort – op dat er een populatie van deze spinnensoort aanwezig. De vangsten concentreerden zich op een beperkt aantal (drie) locaties, waarvan twee centraal op het ecoduct gelegen, beide met veel open plekken in de vegetatie (EG3 en EG6, resp. vijf en zes ex.) en één locatie op het oostelijk aanlooptalud, doch nabij de top (centrum) van het ecoduct (EG13, 2ex.). Van Robertus arundineti, de Moerasmolspin, is slechts één mannetje gevonden, centraal op het ecoduct Groenendaal (EG6), in september 2019. Trachyzelotes pedestris, de Stekelkaakkampoot, komt/kwam in Nederland vooral op kalkgraslanden voor, maar in België is de soort algemener verspreid (Roberts, 1998). In Limburg en VlaamsͲBrabant is de soort door ons de voorbije 15 jaren regelmatig gevangen en uit de vindplaatsen /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 184 van 261


blijkt een voorkeur voor droge, schraal begroeide (warme) graslanden (Lambrechts & Janssen, diverse publicaties). De (sterke) toename in vindplaatsen suggereert een (sterke) toename van deze schraalͲ graslandsoort. Dit werd alvast ondersteund door de bevindingen op het ecoduct De Warande, waar de soort gestaag is toegenomen doorheen de jaren: één exemplaar in 2006 (T1), vijf exemplaren in 2008 (T3) en 15 exemplaren in 2012 (T7), wijd verspreid over het ecoduct(Lambrechts et al., 2013a). Trachyzelotes pedestris is eveneens talrijk gevangen bij de T2 op het ecoduct Kempengrens (77 dieren), waarvan de meerderheid aan de hoofdstobbenwal (67 ex.). De soort is er ook in een nabijgelegen snelwegberm talrijk aangetroffen (Lambrechts et al., 2017). We vingen eveneens hoge aantallen Stekelkaakkampoot bij de T7 op ecoduct De Munt (Feys et al., 2019; Lambrechts et al., 2019). De Stekelkaakkampoot was de talrijkst gevangen Rode Lijstsoort (65 ex.) bij voorliggend onderzoek. Ze is op 12 van de 16 onderzochte locaties op ecoduct Groenendaal vastgesteld. Op twee ‘koudere locaties’, zoals de noordgeoriënteerde EG1 en EG16 ontbrak ze. Opmerkelijk zijn de hoge aantallen (24 ex.) in de referentiesituatie EG15. Deze bosrand zonder struikͲ of kruidlaag kan echter zeker als een ‘warme locatie’ beschouwd worden. 10.4.6.3 Kwetsbaar Arctosa leopardus, de Moswolfspin, is een soort met een kenmerkend uiterlijk die een voorkeur heeft voor nat voedselarm grasland met pollenvegetatie (Maelfait et al., 1998) terwijl ze volgens Roberts (1998) vooral in mosrijke venen algemeen kan zijn. We stelden in meerdere studies vast dat er een duidelijke voorkeur is voor schaars begroeide (niet beboste) natte terreinen (dus met veel kale natte plekken) (cfr. onder meer Lambrechts, 2002). Onze bevindingen op ecoduct De Munt sloten hier mooi bij aan: alle 21 gevangen dieren zijn bekomen in de open (veel kale bodem), vochtige locaties in het ‘natuurontwikkelingsgebied’ (Feys et al., 2019; Lambrechts et al., 2019). Waar een populatie van de soort aanwezig is, vangt men vaak hoge aantallen met bodemvallen. Op het ecoduct De Warande is slechts één dier gevangen bij de T1 en twee ex. bij de T3 (Lambrechts et al., 2013a), wat wijst op zwervende ex. en geen lokale populatie. Op het ecoduct Groenendaal is slechts één mannetje Moswolfspin gevangen, in juni 2019, centraal op ecoduct (EG5). We beschouwen dit als een zwerver. Asagena phalerata, de Heidesteatoda, leeft vooral van mieren, en zou meestal in de buurt van (bos)mierennesten voorkomen (Roberts, 1998). De voorkeur gaat uit naar droge heide (Maelfait et al., 1998). We stelden recent een toename van deze spinnensoort vast in Vlaanderen: we ontdekten tal van nieuwe vindplaatsen en vrij hoge aantallen, niet enkel in typisch leefgebied zoals in een soortenrijk heidegebied in Dessel (Lambrechts et al., 2012), maar ook na natuurherstel in het Vinne in Zoutleeuw, ver buiten de zandige Kempen (Lambrechts et al., 2013b) en op meerdere plaatsen in de duinen (cfr. overzicht in Lambrechts et al., 2018), alwaar de soort nooit eerder was vastgesteld. Deze mooie kogelspin is bij de T0 in 2012 op negen van de 10 onderzochte locaties in de omgeving van het ecoduct Kempengrens aangetroffen (in totaal 63 ex). In 2016 bij de T2 lagen de aantallen op diezelfde locaties lager (in totaal 35 ex.) en de Heidesteatoda ontbrak op dat moment nog op het ecoduct Kempengrens. We vingen in 2018 twee mannetjes en één wijfje Heidesteatoda in het ‘natuurontwikkelingsgebied’ aan de voet van het ecoduct De Munt (Feys et al., 2019; Lambrechts et al., 2019). /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 185 van 261


Ook het ecoduct Groenendaal wordt het eerste jaar na aanleg, in 2019, al gekoloniseerd door deze spin. We vingen in totaal tien dieren, vooral op twee locaties met veel kale bodem centraal op het ecoduct: EG3 (zeven ex.) en EG6 (één ex.). Dit zijn dezelfde plekken als waar we een ander schraallandsoort vonden, Ozyptila sanctuaria. Op de plaats waar we meeste Heidesteatoda’s vonden, EG3, zijn nochtans zo goed als geen mieren vastgesteld (slechts één ex.). Tot slot vonden we de Heidesteatoda ook op het westelijk aanlooptalud (EG11, twee ex.). Coelotes terrestris, de Gewone bostrechterspin, is een zeer kenmerkende (stenotope) bossoort. Dit is bevestigd in een zeer omvangrijk onderzoek in 40 Vlaamse bossen, waar het globaal de derde talrijkst gevangen soort was (De Bakker et al., 2009). Op het ecoduct De Warande in Meerdaalwoud is de soort in 2006 (T1) en in 2008 (T3) in nagenoeg identieke aantallen gevangen (31 ex. respectievelijk 32 ex.) terwijl de aantallen in 2012 (T7) – tegen de verwachting in – (een vierde) lager lagen (24 ex.) (Lambrechts et al., 2013a).

Figuur 133: Coelotes terrestris, de Gewone bostrechterspin, is een kenmerkende bossoort met binding aan dood hout. In de tunnel Flossendelle is er meer passage van deze soort vastgesteld dan op het recent aangelegde ecoduct Groenendaal (zes vs. één ex.) (foto: Gilbert Loos (Beeldbank ARABEL)).

Bij voorliggend onderzoek zijn weliswaar 20 exemplaren van de Gewone bostrechterspin gevangen, maar daarvan is er slechts één (mannetje) op het ecoduct Groenendaal aangetroffen. Dit was centraal op het ecoduct, in EG2, in een dichtgrazige vegetatie, maar dus niet in de stobbenwal (EG4 en EG5) of langs de beschaduwde zuidrand (EG1). Het merendeel van de gevangen dieren (11 ex.) is bekomen in het bos aan de westzijde (EG12). In de referentiesite aan de oostzijde (EG15), waar eerder in de bosrand is bemonsterd en niet dieper in het bos, zijn slechts twee dieren aangetroffen in de bodemvallen.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 186 van 261


In de (eco)tunnel Flossendelle zijn zes ex. Gewone bostrechterspin vastgesteld, allen mannetjes. Op de zes locaties op de aanlooptaluds van het ecoduct Groenendaal zijn dus geen Gewone bostrechterspinnen gevangen, ook al stonden er vijf (van de zes) bodemvallen langs ‘boomstammenwallen’ opgesteld. Dit indiceert dat deze locaties nog verder moeten ‘rijpen’ tot ze meer een boskarakter hebben. Pardosa prativaga, de Oeverwolfspin, is in een groot deel van de Benelux algemeen, op natte onbeschaduwde plaatsen (Roberts, 1998). Maelfait et al. (1998) vermelden een voorkeur voor moerassen met grote zeggenvegetaties. Op het ecoduct De Warande in Meerdaalwoud waren bij de T1 in 2006 al flinke aantallen Oeverwolfspin gevonden (43 ex.). Ten tijde van de T3, in 2008, waren de aantallen nog sterk toegenomen (118 ex., derde talrijkst gevangen spinnensoort in 2008). In 2012, bij de T7, bleken de aantallen aanzienlijk lager te liggen (27 ex. gevangen) (Lambrechts et al. 2013a). Bij het T7Ͳonderzoek op ecoduct De Munt was de Oeverwolfspin de tweede talrijkst gevangen spinnensoort, met 629 ex., verspreid over alle 16 onderzochte locaties (Feys et al., 2019; Lambrechts et al., 2019). Op het ecoduct Groenendaal zijn slechts twee mannetjes Oeverwolfspin gevangen, zeer lage aantallen naar ‘wolfspinͲnormen’, zoals hierboven beschreven. Pardosa saltans, de Zwarthandboswolfspin, is een typische bosrandsoort. Op het ecoduct De Warande in Meerdaalwoud is de soort tijdens elk van de drie onderzoeksperiodes (T1 in 2006, T3 in 2008 en T7 in 2012) op alle acht met bodemvallen onderzochte locaties waargenomen! De aantallen, die in 2008 iets hoger lagen dan in 2006, (54 ex. versus 41 ex.), gingen in 2012 sterk crescendo op alle locaties! Met 230 exemplaren was Pardosa saltans de vierde talrijkst gevangen spinnensoort in 2012. Op alle acht locaties zijn in 2012 meer dan 10 exemplaren gevangen, maar de hoogste aantallen zijn – net als tijdens T1 en T3 – aan de zuidrand van de stobbenwal bekomen (48 ex.), nipt gevolgd door de bodemval aan de voet van de zuidzijde van het noordelijk geluidstalud (44 ex.) (Lambrechts et al., 2013a). De Zwarthandboswolfspin was de tweede talrijkst gevangen Rode Lijstsoort (53 ex.) bij voorliggend onderzoek, na de Stekelkaakkampoot. Ze is meest aangetroffen in de twee referentieͲlocaties aan de voet van ecoduct Groenendaal (EG12: 28 ex.; EG15: 17 ex.). Dit is volgens de verwachtingen, al hadden we hogere aantallen in de warme bosrand EG15 verwacht dan in het beukenbos EG12, terwijl het omgekeerde waar was. Voorts zijn er eerder lage aantallen gevonden: x

Centraal op ecoduct: twee ex., waarvan één langs de warme noordrand (EG8) maar geen langs de stobbenwal (EG4 en EG5); x Aan de westzijde: drie ex. in EG11, aan het ‘uiteinde’ van een boomstammenwal; x Aan de oostzijde: ook drie ex; waarvan twee in EG16 en dus maar één langs de boomstammenwal (in EG13, niet in EG14); In de ‘koele’ tunnel van Flossendelle is deze soort niet aangetroffen in de bodemvallen.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 187 van 261


Figuur 134: Pardosa saltans, de Zwarthandboswolfspin, is een typische ‘bosrandsoort’. We vonden de soort vooral in de referentiesites, dus in het bos nabij het ecoduct, maar toch zijn er her en der al dieren op het ecoduct zelf gevonden. In de donkere, koele tunnel Flossendelle daarentegen is deze warmteminnende soort niet aangetroffen (foto: Gilbert Loos (Beeldbank ARABEL)).

Phlegra fasciata, de Gestreepte springspin, staat bekend om haar binding aan plekken kale bodem in droge voedselarme graslanden (Maelfait et al., 1998). Op het ecoduct De Warande is de soort bij de T3 in 2008 voor het eerst gevangen (één mannetje), terwijl de soort bij de T7 in 2012 op drie schraal begroeide plaatsen is aangetroffen, met in totaal negen exemplaren (Lambrechts et al., 2013a). Op het ecoduct Groenendaal zijn in 2019 bij de T1 reeds twee mannetjes en twee vrouwtjes Gestreepte springspin aangetroffen, vooral centraal op het ecoduct (drie ex.) en net ten westen (EG9, één ex.). Tegenaria silvestris, de Steentrechterspin, is volgens Roberts (1998) niet zeldzaam in de Benelux, meestal in bossen. Maelfait et al. (1998) geven als voorkeursecotoop ‘droog loofbos met veel dood hout’. We vingen niet minder dan 25 Steentrechterspinnen in de tunnel Flossendelle (TF), en daarnaast slechts één dier op de referentielocatie EG12, dus in het beukenbos. Walckenaeria corniculans, het Harig knobbelsierkopje, heeft een voorkeur voor open moerasbossen (Maelfait et al., 1998). Toch is de soort in vier verschillende bosreservaten in Voeren in drogere ecotopen gevonden. In Lembeekbos, nabij Hallerbos, is ze in een open, lichtrijk bestand op het plateau gevangen (vijf ex.) en niet op een natte plek (Lambrechts et al., 2017). We troffen Walckenaeria corniculans bij voorliggend onderzoek enkel op de twee referentielocaties aan (EG12: twee ex., EG15: één ex.). Dit illustreert eens te meer dat het niet evident is dat bosbewonende spinnen het bos verlaten en open ecotopen doorkruisen. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 188 van 261


Xerolycosa nemoralis, de Bosrandwolfspin, is in lage aantallen (in totaal zes ex.) op vijf locaties gevonden. De vindplaatsen situeren zich vooral centraal op het ecoduct Groenendaal (vier ex.) en voorts is er één ex. in elke referentiesite (EG12 en EG15) aangetroffen. De soort ontbrak op de zes locaties op de aanlooptaluds, al kunnen we daar geen verklaring voor vinden en is dit wellicht eerder aan toeval te wijten. 10.4.6.4 Zeldzaam Histopona torpida, de Slanke bostrechterspin, is een kenmerkende bossoort waarvan tijdens elke monitoringsperiode op ecoduct De Warande lage aantallen zijn gevangen. In 2006 (T1) betrof dit één exemplaar, in 2008 (T3) twee dieren (waarvan één langs de stobbenwal) en in 2012 (T7) drie exemplaren (verspreid over het ecoduct, maar niet aan stobbenwal) (Lambrechts et al. 2013a). Op het ecoduct Groenendaal vonden we de soort niet in 2019, wel één dier in de referentiesite EG12 (het beukenbos aan de westzijde) én één dier in de tunnel Flossendelle.

Figuur 135: Histopona torpida, de Slanke bostrechterspin, is wél in de tunnel Flossedelle gevonden (één ex.), maar niet op het ecoduct Groenendaal (foto Pierre Oger (Beeldbank ARABEL)).

Pardosa hortensis, het Geelarmpje, is een zuidelijke wolfspinͲsoort die sterk in opmars is. Daarvan getuigen ook de aantallen op het ecoduct De Warande (Lambrechts et al. 2013a): x in 2006 zijn 6 mannetjes gevonden, op 4 locaties; x in 2008 zijn 40 exemplaren gevangen, op alle 8 onderzochte locaties, met de hoogste vangstaantallen op de 2 meest schraal begroeide plaatsen; x in 2012 zijn 54 exemplaren gevangen, verspreid over alle 8 locaties. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 189 van 261


Bij voorliggend onderzoek is slechts één dier (een mannetje) gevonden, in de referentiesite EG12, het beukenbos aan de westzijde van het ecoduct Groenendaal. Pardosa tenuipes, de Noordelijke veldwolfspin, is algemeen in ZuidͲEuropa, maar heeft (had) bij ons zijn noordgrens. In Nederland is (was) ze enkel in ZuidͲLimburg gevonden (Roberts, 1998). De soort is recent sterk toegenomen en wordt tegenwoordig vaak in hoge aantallen gevonden. Eén (van de vele) voorbeeld(en): op ecoduct De Munt was het de talrijkst gevangen spinnensoort, met 1.357 ex. (dit was 27,6% van al de gevangen spinnen), verspreid over alle 16 onderzochte locaties (Feys et al. 2019; Lambrechts et al. 2019). Op het ecoduct Groenendaal zijn zes mannetjes P. tenuipes gevangen met bodemvallen, vooral centraal op het ecoduct. 10.4.6.5 Momenteel niet bedreigd Agroeca brunnea, de Grote lantaarnspin, is een bossoort die bij de T1 (in 2006) op ecoduct De Warande vooral langs de stobbenwal gezien is en tijdens de latere jaren meer verspreid over het ecoduct is aangetroffen (Lambrechts et al., 2013a). Op het ecoduct Groenendaal is enkel één wijfje langs de boomstammenwal op het oostelijk aanlooptalud gevonden, maar merkwaardig genoeg niet in de referentiesites EG12 en EG15. Amaurobius fenestralis, de Huiskaardespin, is – samen met de Huiskogelspin Theridion melanurum en de Herfststrooiselspin Cicurina cicur – één van de drie spinnensoorten die enkel in tunnel Flossendelle aangetroffen is, en niet op en rond het ecoduct Groenendaal. De Huiskaardespin leeft onder boomschors, in spleten in muren en rotsen, tussen stenen of dood hout, en de tunnel vormt op zich een geschikt leefgebied. Er zijn niet minder dan 6 ex. aangetroffen, terwijl dit voor de twee andere genoemde soorten (Huiskogelspin en Herfststrooiselspin) telkens slechts één ex. was. Enoplognatha thoracica, de Bodemtandkaak, is enkel gevonden op de twee referentiesites (EG12, vier ex.; EG15: drie ex.) en een enkel dier centraal op het ecoduct. Mermessus trilobatus, de Drielobbige Amerikaanse dwergspin, is in 1999 voor het eerst in België gevonden, in de Mechelse heide (Lambrechts et al., 2002). De soort heeft momenteel een holarctische verspreiding. Eerst kwam ze enkel in NoordͲAmerika voor, nu ook in Europa. De soort heeft zich sindsdien sterk verspreid en wordt sinds 2007 ook in hogere aantallen gevonden zoals beschreven door Lambrechts et al. (2008). Mermessus trilobatus is één der meer algemene spinnensoorten in ons land geworden. De toename wordt ook op het ecoduct De Warande mooi geïllustreerd (Lambrechts et al. 2013a): x één ex in 2006 (T1); x 23 ex in 2008 (T3); x 153 ex in 2012 (T7), verspreid over alle acht locaties, met de laagste aantallen aan de noordrand van de stobbenwal. Mermessus trilobatus was daarmee in 2012 de vijfde talrijkst gevangen spinnensoort, en de talrijkst gevangen nietͲwolfspin, op het ecoduct De Warande. In voorliggend onderzoek vonden we Mermessus trilobatus op 14 van de 17 onderzochte locaties, met in totaal 44 exemplaren. Meer bepaald: x x x x

Vooral centraal op ecoduct: 30 dieren; Westzijde: vier dieren; Oostzijde : 10 dieren; Tunnel Flossendelle: niet gevonden.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 190 van 261


Mermessus denticulatus, de Amerikaanse Kasdwergspin, is Ͳ evenals de zonet vermelde genusgenote Ͳ een adventiefsoort in België. De soort is weliswaar afkomstig uit Amerika, maar is in België (ook) ingevoerd vanuit het Middellands Zeegebied (Van Keer, 2011). We vingen één mannetje in de eerste helft van augustus 2019 centraal op het ecoduct Groenendaal. Metellina merianae, de Holenwielwebspin, verkiest donkere, vochtige plekken, zoals onder bruggen, in grotten en holen, of in donkere bossen. We vingen één mannetje in de bosrand EG15, terwijl dit bij uitstek een soort is die we in de tunnel van Flossendelle verwachtten. Micaria micans, is recent (opnieuw) afgesplitst van de ‘tweelingsoort’ Micaria pulicaria, de Gewone mierspin. Beiden behoren tot de familie van de bodemjachtspinnen (Gnaphosidae) en lijken oppervlakkig op mieren (mimicry), waarschijnlijk om predatoren te misleiden en niet omdat ze op mieren jagen (Muster & Michalik, 2020). We vingen twee ex. Micaria micans centraal op het ecoduct Groenendaal en twee ex. op het westelijk aanlooptalud. Palliduphantes pallidus, het Geknot bodemwevertje, is een hangmatspin die enkel gevonden is op de twee referentiesites (EG12, twee ex.; EG15: één ex.), en dus niet op het ecoduct Groenendaal, en een enkel dier in de tunnel Flossendelle (TF, één ex.). Tenuiphantes flavipes, het Zwart wevertje, is een bossoort en dat uit zich in de resultaten. We vonden 15 dieren op de twee referentiesites, met hogere aantallen in de bosrand (EG15: 11 ex.) dan in het bos (EG12: vier ex.). Op het ecoduct Groenendaal dook één exemplaar op in EG5, dus in de stobbenwal.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 191 van 261


10.4.7 Conclusies We vingen bij voorliggend onderzoek van de T1 van ecoduct Groenendaal en tunnel Flossendelle, in 2019, met bodemvallen 2.582 spinnen, verdeeld over 80 soorten. Van de 80 bij het bodemvalonderzoek vastgestelde spinnensoorten, zijn er 57 op de acht locaties centraal op het ecoduct Groenendaal aangetroffen (en dus 23 soorten niet centraal op het ecoduct maar wel elders), 51 soorten op zes locaties op de aanlooptaluds van het ecoduct (en dus 29 soorten niet), 32 soorten op de twee referentielocaties aan de voet van het ecoduct (en dus 48 soorten niet) en negen soorten in de tunnel Flossendelle. Van de 80 soorten spinnen zijn 17 soorten op de Rode Lijst opgenomen, waarvan één soort ‘met uitsterven bedreigd’, de Heidekrabspin (Xysticus acerbus), vier soorten als ‘bedreigd’, negen soorten als ‘kwetsbaar’ en drie soorten als ‘zeldzaam’, wat sensu stricto geen ‘Rode LijstͲsoorten’ zijn. De soorten die de aantallen domineren zijn vooral echte pioniersoorten, zoals enkele soorten DwergͲ en Hangmatspinnen (familie Linyphiidae). Dat is erg logisch gezien het ecoduct Groenendaal recent is aangelegd (we onderzochten de T1) en zich nog in een pionierstadium bevindt. Vooral centraal op ecoduct zijn relatief veel spinnen gevangen, vooral pioniersoorten, wat wellicht te wijten is aan de ‘hoge ligging’ van het ecoduct, waardoor (door de lucht) disperserende spinnen (de aeronauten) er talrijker worden gevangen. Als we de ecotoopvoorkeur van de Rode LijstͲsoorten (s.s.) beschouwen, is er een behoorlijke diversiteit aanwezig. Er zijn zowel soorten van droog terrein (negen soorten) als nat terrein (vijf soorten) gevonden, zowel soorten van open ecotopen (negen soorten) als bossoorten (vijf soorten) en binnen de open ecotopen zowel graslandsoorten (zes soorten), als heidesoorten (twee soorten) als soorten van moeras (één soort). Gemiddeld zijn er (iets) minder Rode LijstͲspinnensoorten gevonden op de acht locaties centraal op het ecoduct Groenendaal (3,5) vergeleken met de zes locaties op de aanlooptaluds + de twee referentielocaties (4). Bij de loopkevers was dit omgekeerd. Het verschil is echter eerder beperkt. De tunnel Flossendelle was de locatie waar het minste aantal spinnen en spinnensoorten zijn aangetroffen, maar anderzijds zijn er niet minder dan drie Rode LijstͲspinnensoorten aangetroffen. Dit zijn bovendien alle drie kenmerkende bossoorten, waarvan Tegenaria silvestris in erg hoge aantallen (25 ex.) is gevangen in de tunnel (en daarbuiten slechts één ex., in het bos, dus niet op het ecoduct) en ook Coelotes terrestris in behoorlijke aantallen (zes ex.). Deze drie soorten zijn buiten de tunnel enkel op de referentielocaties aangetroffen en niet op het ecoduct Groenendaal zelf, uitgezonderd één ex. Coelotes terrestris. Ook onder de niet Rode LijstͲsoorten zijn er drie soorten, met name Amaurobius fenestralis, de Huiskaardespin, de Huiskogelspin Theridion melanurum en de Herfststrooiselspin Cicurina cicur, die enkel in tunnel Flossendelle aangetroffen zijn, en niet op en rond het ecoduct Groenendaal, en één soort (Palliduphantes pallidus) die buiten de tunnel enkel op de referentielocaties nabij het ecoduct is gevonden. Dit illustreert de belangrijke aanvullende betekenis die de ecotunnel heeft voor passage van spinnen tov het ecoduct. We gingen na of er spinnensoorten zijn waarvoor het ecoduct belangrijk is naar passage van de R0. We kijken dan in de eerste plaats naar bossoorten, om twee redenen: /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 192 van 261


x

Stenotope bosoorten zijn soorten van een relatief stabiel milieu en zullen het bos niet makkelijk verlaten.

x

Het ecoduct Groenendaal verbindt het Zoniënwoud beiderzijds de R0, dus het gaat vooral om ecologische ontsnippering van bossoorten.

De zes RodeͲlijsoorten (5 s.s. + 1 s.l.) die kenmerkend zijn voor bos, zijn de Gewone bostrechterspin Coelotes terrestris, de Slanke bostrechterspin Histopona torpida, de Zwarthandboswolfspin Pardosa saltans, de Steentrechterspin Tegenaria silvestris, het Harig knobbelsierkopje Walckenaeria corniculans en de Bosrandwolfspin Xerolycosa nemoralis. Van deze zes soorten zijn: x de helft (Histopona torpida, Tegenaria silvestris en Walckenaeria corniculans) enkel in (één van) de (twee) referentiesites gevonden en niet op het ecoduct zelf! De twee eerstgenoemden zijn wel in de tunnel Flossendelle gevonden. x Twee soorten vooral in de (twee) referentiesites gevonden: Coelotes terrestris en Pardosa saltans; x Slechts één soort, Xerolycosa nemoralis, in gelijkaardige aantallen op de twee referentiesites en drie andere locaties (centraal op het ecoduct) gevonden. Het feit dat de bossoorten vooral op de referentiessites gevonden zijn, indiceert dat het ecoduct nog verder moet ‘rijpen’, meer bepaald nog meer begroeien en ‘boskarakter’ krijgen. Het is dus zeer waardevol om in de toekomst na te gaan of deze bosoorten het ecoduct wél gebruiken als passage. Het feit dat de bossoorten vooral op de referentiessites gevonden zijn, verklaart ten dele het relatief hoge aantal Rode Lijstsoorten (acht soorten) op de referentielocaties samen. Op één van beide referentielocaties, het bos aan de westzijde, zijn namelijk acht Rode Lijstsoorten gevonden, het hoogste aantal van alle onderzochte locaties. Op de andere referentielocatie zijn vijf van deze acht soorten gevonden. Bij de T1 op ecoduct De Warande stelden we vast dat de stobbenwal een belangrijk ‘geleidend’ element was voor de voornaamste bosspinnen. Bij de T3 werd dit fenomeen minder duidelijk. Na de T7 besloten we dat het ecoduct door de vegetatiesuccessie inmiddels als geheel geschikt is voor passage van bosbewonende spinnen, maar dat de stobbenwal omwille van haar bebost karakter toch nog steeds een aantrekkingskracht heeft. Op het ecoduct Groenendaal wijzen de resultaten niet duidelijk op een belang van de ‘boomstammenwallen’ voor passage van spinnen van bosecotopen. De boomstammen geven op zich wel wat beschutting en structuur, maar anderzijds zijn ze nog niet begroeid (vb. met bramen) en dus nog relatief kaal. Qua inrichting en beheer stellen we dezelfde streefbeelden voor dan voor de loopkevers en we verwijzen naar §10.3.6.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 193 van 261


10.5 MIEREN In onderstaande Tabel 44 wordt per locatie aangegeven welke mierensoorten gevangen zijn met bodemvallen in 2019. Ook staat de status volgens de Rode Lijst (Dekoninck et al., 2003) en de kaste vermeld, waarbij: • WER=werkster • OGY=ongevleugelde gyne • (GGY=gevleugelde gyne; hier niet aangetroffen) • MAN=mannetje Bij de mieren vangt men vooral werksters en in mindere mate geslachtsdieren. De geslachtsdieren, meer bepaald de wijfjes (gynes, ‘koningin’) en mannetjes, zijn gevleugeld (uitgezonderd sommige mannetjes). Na de korte voortplantingsperiode zoekt het wijfje (gevleugelde gyne) een plekje om een nieuw nest te starten. De vleugels worden dan afgeworpen (ogy = ongevleugelde gyne). De mieren zijn gedetermineerd door François Vankerkhoven. Er zijn bij voorliggend onderzoek in totaal slechts 60 mieren gevangen met bodemvallen, wat erg weinig is. Het betrof zeven soorten. Geen enkel van de gevangen soorten heeft op de Rode Lijst (Dekoninck et al., 2003) een status die afwijkt van ‘momenteel niet bedreigd’. Geen van de soorten is zeldzaam te noemen binnen het kader van de meest recente mierenatlas van België (Dekoninck et al., 2012). De precieze vangstaantallen per mierensoort hebben niet zo veel ecologische betekenis (in tegenstelling tot loopkevers en spinnen) omdat ze vooral variëren met de afstand van de bodemval tot een mierennest. De soortenrijkste mierenfauna is op ‘gerijpte’, weinig verstoorde terreinen te vinden (droge heide, venen, schraalgraslanden, bossen). Op recent vergraven terreinen, zoals 14 van de 16 locaties op het ecoduct Groenendaal, zijn weinig soorten te verwachten. Op vier locaties is zelfs geen enkele mier gevonden gedurende het hele onderzoek. Het betrof drie locaties centraal op het ecoduct, waaronder de twee langs de boomstammenwal (EG4 en EG5), wat op zich net de plekken zijn waar men vestiging zou verwachten. Op de referentielocaties EG12 en EG15 zijn dus wel meer soorten en aantallen te verwachten. Dit bleek inderdaad het geval, doch slechts in beperkte mate. Ook daar zijn telkens slechts drie mierensoorten gevonden, wat nog door twee andere locaties geëvenaard is, één centraal op het ecoduct (EG6) en één aan de westzijde (EG11). In totaal zijn er vijf mierensoorten gevonden op de twee referentielocaties. Het aantal soorten per ‘deelgebied’ is als volgt: x Centraal op het ecoduct Groenendaal (EG1 tot EG8): zeven soorten. x De aanlooptaluds (EG9, EG10 en EG11; EG13, 14 en 16): vier soorten. x De twee ‘referentielocaties’ (EG12 en EG15): vijf soorten. In tunnel Flossendelle is slechts één mier gevonden gedurende het hele onderzoek, een Glanzende houtmier.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 194 van 261


Tabel 44: Mieren gevangen in 2019 met 16 bodemvallen op ecoduct Groenendaal (EG1ͲEG16) en met twee bodemvallen in tunnel Flossendelle (TF).

Wetenschappelijke naam Lasius brunneus Lasius fuliginosus Lasius platythorax Myrmica ruginodis Myrmica scabrinodis Stenamma debile Temnothorax nylanderi Aantal exemplaren Aantal soorten

Nederlandse naam Boommier Glanzende houtmier Humusmier Bossteekmier Moerassteekmier Gewone drentelmier Bosslankmier

Kaste OGY WER totaal OGY OGY WER totaal MAN WER totaal OGY WER totaal OGY WER totaal OGY WER totaal

EG2 EG3 EG6 EG7 EG8 EG10 EG11 EG12 EG13 EG14 EG15 EG16 TF Totaal centraal op ecoduct westzijde ecoduct oostzijde ecoduct 1 1 1 1 2 1 1 1 3 1 2 1 4 1 1 4 1 4 3 2 1 15 4 1 4 4 2 1 16 1 1 1 1 1 3 6 1 1 1 1 3 7 2 2 1 2 1 4 1 4 1 6 1 1 6 6 1 6 7 1 1 6 10 16 6 11 17 5 1 8 1 1 4 6 14 6 1 10 2 1 60 2 1 3 1 1 1 3 3 2 1 3 2 1 7

omgevingvlaanderen.be


10.6 PISSEBEDDEN De pissebedden uit de bodemvallen zijn gedetermineerd door Pallieter De Smedt. In Tabel 45 wordt per locatie aangegeven welke soorten gevangen zijn bij het onderzoek van 2019, en in welke aantallen. In totaal zijn er 718 pissebedden vastgesteld, verdeeld over vier soorten. De drie talrijkst gevangen soorten betreffen de Kelderpissebed (Oniscus asellus), Ruwe pissebed (Porcellio scaber) en Mospissebed (Philoscia muscorum). Dit zijn de drie meest abundante soorten in Vlaanderen. De vierde soort is de Gewone oprolpissebed (Armadillidium vulgare), een soort die talrijk is in Vlaanderen, maar meer in droge omstandigheden dan de drie eerdergenoemde soorten. De hoogste aantallen pissebedden zijn geteld in het beukenbos, de referentielocatie EG12 (380 ex.), gevolgd door de tunnel Flossendelle (TF, 223 ex.). Op beide locaties is ‘het drietal’ aangetroffen, de drie meest abundante soorten in Vlaanderen. Maar in het beukenbos domineerde de Ruwe pissebed, in de tunnel de meer vochtminnende Kelderpissebed. Op de andere referentielocatie (EG15) zijn de aantallen pissebedden veel lager (slechts 28 ex.). Logisch, vermits dit een ‘warme bosrand’ betreft, en de meeste pissebedden Ͳals één van de weinige groepen op het land levende schaaldieren (Crustacea) Ͳ uitgesproken vochtminnend zijn. Op twee locaties is geen enkele pissebed aangetroffen, EG1 en EG13. Op drie locaties, allen centraal op het ecoduct, is gedurende het hele onderzoek slechts één pissebed gevangen (EG2, EG7 en EG8). Ook elders centraal op het ecoduct, waren de aantallen laag. Enkel op EG6 zijn meer pissebedden gevonden (36 ex., vier soorten). We hebben hier geen verklaring voor want de bodemval stond hier op een wal, dus droger en meer geëxposeerd. We hadden centraal op het ecoduct de hoogste aantallen verwacht in de stobbenwal (EG4 en EG5), gezien de sterke binding van pissebedden met dood hout (vocht, beschutting). De voornaamste conclusie is dat het ecoduct nog verder moet evolueren, ‘rijpen’, een boskarakter krijgen, om zo geschikter te worden voor pissebedden.

10.7 MILJOENPOTEN De miljoenpoten uit de bodemvallen zijn gedetermineerd door Willem Proesmans. In Tabel 46 wordt per locatie aangegeven welke soorten gevangen zijn bij het onderzoek van 2019, en in welke aantallen. In totaal zijn er 706 miljoenpoten op naam gebracht, verdeeld over acht soorten. De aantallen worden zeer sterk gedomineerd door de Getande platrug Polydesmus coriaceus (652 ex.). Dit is een generalistische soort, maar vooral aan leemgrond gebonden. In de Kempen en de Ardennen is de soort veel schaarser. De soort is in Nederland zeer zeldzaam en enkel in zuidͲLimburg aanwezig. De soort wordt in Vlaanderen zowel in open als in beboste habitats (zeer) algemeen aangetroffen, maar zo een grote dominantie als in het studiegebied werd door Willem Proesmans (pers.med.) nooit vastgesteld. Op vijf van de acht locaties centraal op het ecoduct, op alle drie locaties op het westelijk aanlooptalud en op één van de drie locaties op het oostelijk talud, was dit de enige vastgestelde

omgevingvlaanderen.be


soort. In het bijzonder op EG8, een zuidgeoriënteerde locatie, waren de aantallen heel hoog (202 ex.). Van de Brede kronkel Cylindroiulus caeruleocinctus, de typische miljoenpoot van open habitats, is slechts één exemplaar aangetroffen, in de bosrand EG15. Volgens Kime (2004) verkiest ze natuurlijke kalkrijke habitats of verstoorde, antropogene habitats zoals tuinen, parken en landbouwgrond. In de tunnel Flossendelle is het hoogste aantal soorten miljoenpoten vastgesteld, 6 soorten, gevolgd door de referentielocatie aan de oostzijde van het ecoduct, een warme bosrand (EG15, 5 soorten). In het beukenbosbestand EG12, ook een referentielocatie, zijn maar drie soorten miljoenpoten gevonden. Een mogelijke verklaring: strooisel van beuken is vrij zuur, miljoenpoten zijn zeer gevoelig aan pH en verkiezen in het algemeen kalkrijke, basische habitats. Drie (van de acht) soorten zijn in de hoogste aantallen in de tunnel Flossendelle vastgesteld: Cylindroiulus punctatus, Julus scandinavius en Tachypodoiulus niger, terwijl Leptoiulus kervillei enkel in de tunnel is genoteerd. Chordeuma sylvestre, Cylindroiulus punctatus, Craspedosoma rawlinsi, Julus scandinavius en Tachypodoiulus niger zijn ‘bossoorten’ in brede zin: ze zijn redelijk generalistisch en kunnen ook in parken en tuinen opduiken, maar ze bereiken hun hoogste dichtheden in bossen. De aantallen in verhouding met de zeer dominante P. coriaceus zijn in voorliggend onderzoek echter zeer laag. Chordeuma sylvestre is de enige miljoenpoot die in de hoogste aantallen gevonden is op een referentielocatie (8 ex. in EG15). Dé meest typische bossoorten onder de miljoenpoten, zoals Glomeris soorten en Melogona gallica, ontbraken in voorliggend onderzoek. Dit kan liggen aan het feit dat de beboste referentielocaties (EG12, EG15) aan of nabij de bosrand lagen, of aan het feit dat er maar twee beboste locaties waren en ze daardoor toevallig gemist zijn. Miljoenpoten zijn niet echt mobiele beesten, en de meeste echte bossoorten gaan niet snel tientallen meters buiten het bos opduiken. Miljoenpoten worden, net zoals pissebedden, zeer sterk beïnvloed door randeffecten, met name droogte, warmte,... De voornaamste conclusie is dan ook, net als voor pissebedden, dat het ecoduct nog verder moet ‘rijpen’ tot er een boskarakter is, om zo geschikter te worden voor de kenmerkende bosbewonende miljoenpoten.

10.8 DUIZENDPOTEN De duizendpoten uit de bodemvallen zijn gedetermineerd door Willem Proesmans. In Tabel 47 wordt per locatie aangegeven welke soorten gevangen zijn bij het onderzoek, en in welke aantallen. In totaal zijn er 126 duizendpoten vastgesteld, verdeeld over 10 soorten. Op elke locatie zijn tussen de twee en 14 duizendpoten gevangen, enkel in EG9 zijn er geen aangetroffen. Het beukenbosbestand EG12, een referentielocatie, leverde het hoogste soortenaantal op (zes soorten). In de tunnel Flossendelle zijn drie soorten aangetroffen. Lamyctes emarginatus, het Eenoogje, was goed voor de helft van de gevangen individuen. De soort is op vrijwel alle locaties gevonden, maar niet op de twee referentielocaties (EG12 en EG15), dus niet in het bos, en evenmin in de tunnel van Flossendelle (TF). /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 197 van 261


Lithobius muticus, de Breedkopsteenloper, is een echte bossoort. We vonden één dier op de referentielocatie EG12, dus in het beukenbos, maar ook één centraal op het ecoduct, aan de noordgeoriënteerde (beschaduwde) zuidzijde van het ecoduct (EG1). Cryptops parisi, de Kleibladkruiper, wordt vaak, maar niet uitsluitend, in bos aangetroffen. We vingen drie exemplaren op de referentielocatie EG12, dus in het beukenbos, maar ook één centraal op het ecoduct, in de boomstammenwal (EG5). De voornaamste conclusie is, net als voor pissebedden en miljoenpoten, dat het ecoduct nog verder moet ‘rijpen’ tot er een boskarakter is, om zo geschikter te worden voor de kenmerkende bosbewonende duizendpoten.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 198 van 261


Tabel 45: Pissebedden gevangen in 2019 met 16 bodemvallen op ecoduct Groenendaal (EG1ͲEG16) en met twee bodemvallen in tunnel Flossendelle (TF).

Nederlandse naam

Gewone oprolpissebed Kelderpissebed Mospissebed Ruwe pissebed Aantal exemplaren Aantal soorten

EG2 EG3 EG4 EG5 EG6 EG7 EG8 EG9 EG10 EG11 EG12 EG14 EG15 EG16 TF Totaal 2 4 6 1 3 3 2 1 5 8 33 6 17 128 207 1 1 1 2 7 2 15 2 2 11 44 1 2 31 2 332 9 84 461 1 4 3 3 36 1 1 2 12 16 380 6 28 2 223 718 1 3 1 1 4 1 1 1 2 4 3 1 3 1 3 4

Tabel 46: Miljoenpoten gevangen in 2019 met 16 bodemvallen op ecoduct Groenendaal (EG1ͲEG16) en met twee bodemvallen in tunnel Flossendelle (TF).

Wetenschappelijke naam

Chordeuma sylvestre Craspedosoma rawlinsi Cylindroiulus caeruleocinctus Cylindroiulus punctatus Julus scandinavius Leptoiulus kervillei Polydesmus coriaceus Tachypodoiulus niger Aantal exemplaren Aantal soorten

EG1 EG2 EG3 EG4 EG5 EG6 EG7 EG8 EG9 1 1 1 1 1 58 20 33 26 69 85 26 202 6 1 58 20 33 26 71 87 26 204 6 1 1 1 1 3 3 1 3 1

EG 10 7 7 1

EG 11 8 8 1

EG 12 1 52 1 54 3

EG 13 9 9 1

EG 14 1 6 7 2

EG 15 8 1 1 2 4 16 5

EG 16 1 2 30 1 34 4

TF 1 5 10 1 11 12 40 6

Totaal 10 1 1 10 16 1 652 15 706 8

omgevingvlaanderen.be


Tabel 47: Duizendpoten gevangen in 2019 met 16 bodemvallen op ecoduct Groenendaal (EG1ͲEG16) en met twee bodemvallen in tunnel Flossendelle (TF).

Wetenschappelijke naam

Cryptops parisi Lamyctes emarginatus Lithobius calcaratus Lithobius crassipes Lithobius forficatus Lithobius melanops Lithobius microps Lithobius muticus Schendyla nemorensis Strigamia crassipes Aantal exemplaren Aantal soorten

pagina 200 van 261

EG1 EG2 EG3 EG4 EG5 EG6 EG7 EG8 EG10 EG11 EG12 EG13 EG14 EG15 EG16 TF Totaal 1 3 4 6 4 4 2 3 4 7 6 11 1 14 62 1 2 1 4 3 3 3 3 4 7 1 2 2 2 2 3 3 1 33 1 2 3 5 2 13 1 1 1 1 2 1 1 1 1 1 3 7 7 9 6 13 5 7 9 2 13 13 2 11 4 14 4 126 2 2 4 2 4 2 1 3 1 2 6 1 5 2 1 3 10

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////


10.9 HOOIWAGENS 10.9.1 Inleiding Hooiwagens zijn een onderbelichte groep binnen de klasse van de spinachtigen. Met iets meer dan 30 soorten in België, is het een behoorlijk kleine groep qua soortenrijkdom. In bepaalde biotopen zoals vochtige bossen, evenaren ze echter een zeer soortenrijke groep als spinnen qua abundantie (Van de Poel, 2016). Dit, samen met het feit dat het afbrekers van dood en levend plantaardig en dierlijk materiaal zijn, maakt hen een belangrijk onderdeel van de voedselpiramide. Hooiwagens kunnen grofweg ingedeeld worden in twee morfologische groepen: de langpotige dieren en de kortpotige dieren. De langpotige soorten vertoeven voor een groot deel van hun leven in de vegetatie. Hierdoor worden ze veel minder waargenomen bij gebruik van bodemvallen. De kortpotige soorten blijven voornamelijk op de grond en in de strooisellaag waardoor ze frequenter gevangen worden met een bodemval. Zowat alle soorten zijn afhankelijk van vocht. Bemonstering op beboste locaties resulteert dan ook in hogere aantallen dan dezelfde bemonsteringsinspanning in een grasland of akker. Slechts één soort, de Gewone hooiwagen (Phalangium opilio), is wat droogteresistenter en komt daardoor wat vaker voor in de drogere habitats.

10.9.2 Algemene bevindingen Er zijn in voorliggend onderzoek 74 hooiwagens gevangen met bodemvallen, verdeeld over 13 soorten. Deze worden weergegeven in Tabel 48. Zoals verwacht werden er geen grote aantallen aan hooiwagens gevangen in de bodemvallen doordat het ecoduct nog jong is. Eén bodemval (EG15) bevatte duidelijk meer specimens en soorten dan alle andere bodemvallen. Dit is een bodemval die in het bos staat. Hier werden 21 exemplaren gevangen, verdeeld over 6 soorten. Opvallend is het voorkomen van de zeldzame Paranemastoma quadripunctatum in het midden van het ecoduct. Deze soort komt voornamelijk voor in het strooisel van vochtige bossen, vaak in de directe omgeving van water. Belangrijke biotoopeisen zijn een permanente hoge luchtvochtigheid en de aanwezigheid van een dichte onderbegroeiing met dikke strooisellagen (Wijnhoven, 2009). Dit zijn niet de omstandigheden die in augustus 2019 aanwezig waren midden op een ecoduct dat begin juni 2018 geopend werd. Ook opvallend is de duidelijke aanwezigheid van het genus Trogulus midden op het ecoduct. Trogulus closanicus en Trogulus nepaeformis waren aanwezig. Beide soorten zijn waarschijnlijk sterk gebonden aan vochtige loofbossen en werden daarom niet verwacht in deze aantallen. Mogelijk werden deze soorten op het ecoduct ingebracht met transport van grond of boomstammen, maar het is niet uit te sluiten dat het omliggende oude bos als een enorme bron functioneert en deze soorten op eigen kracht reeds het midden van het ecoduct wisten te bereiken. Midden op het ecoduct wordt eerder de warmteͲ en droogteminnende Phalangium opilio verwacht. Deze soort werd gevonden in EG3, EG5 en EG10, maar kan vermoedelijk gevonden worden op het hele ecoduct. Vier soorten, Lacinius ephippiatus, Lophopilio palpinalis, Oligolophus tridens en Paroligolophus agrestis, werden enkel aan de oostzijde van het ecoduct gevonden. Dit is ook de kant die meer in

omgevingvlaanderen.be


contact staat met het oude bos en daardoor dus soortenrijker is. Het is interessant om op te volgen met welke snelheid deze soorten het ecoduct koloniseren. Zoals verwacht ontbreken de echte langpotige soorten (Leiobunum sp., Dicranopalpus ramonus, Opilio canestrinii) in de soortenlijst van hooiwagens die langs het ecoduct gevangen werden met bodemvallen. Handvangsten in de bosrand zouden met hoge waarschijnlijkheid deze soorten nog kunnen toevoegen aan het lijstje. Om deze soorten op het ecoduct zelf te krijgen en ondertussen de andere soorten in aantallen te doen toenemen, is hogere vegetatie nodig in de vorm van een struiklaag of hakhoutperceel dat dan kan fungeren als geschikt leefgebied of corridor. De twee bodemvallen in ecotunnel Flossendelle leverden twee exemplaren van Paranemastoma quadripunctatum op. Deze locatie is geschikter voor deze soort doordat de tunnel gelegen is in vochtig loofbos. Ook zes exemplaren van de langpotige soort Leiobunum rotundum werden hier gevangen. Het bos sluit hier aan bij de tunnel, en in de tunnel is de vochtigheid hoog genoeg. Rilaena triangularis werd ook gevangen op het ecoduct en in de tunnel. Deze soort is de enige soort die in het voorjaar (april) volwassen is, wanneer het nog wat vochtiger is. Hierdoor kan deze soort ook op plaatsen voorkomen die later op het jaar te droog worden. Het voorkomen van de soort in het midden van het ecoduct is dus geen verrassing.

10.10

OVERIGE ONGEWERVELDEN

Vermeldenswaardig is dat er drie bijzondere keversoorten op het ecoduct Groenendaal zijn vastgesteld als bijvangst met de bodemvallen. In juli 2019 is zowel op het westelijk talud (in EG11) als op het oostelijk talud (in EG14) een Lederboktor (Prionus coriaceus) gevangen, telkens in de boomstammenwal. In augustus 2019 is op het oostelijk talud (in EG13) een Klein vliegend hert (Dorcus parallelipipedus) gevangen, ook in de boomstammenwal. In november 2019 is een Driehoornmestkever (Typhaeus typhoeus) gevangen op het oostelijk talud, in EG16, dus niet in de boomstammenwal. Het is vooral een heidesoort die echter ook van tal van plaatsen in zoniënwoud bekend is (zie https://waarnemingen.be/species/1663/maps/). Deze mestkever gebruikt vooral konijnen – en schapenmest. De soort graaft diepere gangen dan veel andere mestkevers, tot 1,5 m diep (Chinery, 2003). Van deze drie keversoorten is bekend dat ze kunnen vliegen.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 202 van 261


Soort / Locatie Homalenotus quadridentatus Lacinius ephippiatus Lophopilio palpinalis Leiobunum rotundum Nemastoma bimaculatum Nemastoma lugubre Oligolophus tridens Paroligolophus agrestis Phalangium opilio Paranemastoma quadripunctatum Rilaena triangularis Trogulus closanicus Trogulus nepaeformis Aantal exemplaren Aantal soorten

EG 1

EG 2

EG 3

EG 4

EG 5

EG 6

EG 7

EG 8

EG 9

centraal op ecoduct

EG 10

EG 11

EG 12

EG 13

EG 14

westzijde

6

1 1

1

1

1

2 2

1 1 1

2 8 2

2 1 3 2

2 4 3

1 1 2 2

1 1 1

EG 15

EG TF 16

oostzijde

2 6

1

1

1 1

1 5

6 3

1

1

4 1

6 3

0 0

1 1

1 1

1 7 3

Totaal

Tabel 48 : Hooiwagens gevangen in 2019 met 16 bodemvallen op ecoduct Groenendaal (EG1ͲEG16) en met 2 bodemvallen in ecotunnel Flossendelle (TF).

6

2 2 6 6 3 5 8 4 8

2

3

1

3

1

2 2

1 1

21 6

2 2

3 9 13 1 5 12 74 4 13

omgevingvlaanderen.be


11 WILDE BIJEN EN ZWEEFVLIEGEN 11.1INLEIDING Bijen en zweefvliegen zijn beide soortenrijke groepen pollinatoren met een sterk verschillende ecologie. Bijen zijn het soortenrijkst in warme, droge leefgebieden en maken nestjes in de bodem of in allerlei bovengrondse holtes (of zijn zelfs broedparasieten van andere bijen) en voeden hun larven met stuifmeel. Ze vertonen daarbij vaak een sterk gespecialiseerd bloembezoek. De larven van zweefvliegen daarentegen leven in een waaier aan milieus, van allerlei planten waar ze zich voeden met bladluizen, over planten waar ze plantenweefsels eten, tot kwelmodder en rottend hout. Enkel de volwassen zweefvliegen voeden zich weinig specifiek met nectar en stuifmeel, voornamelijk op gemakkelijk te bereiken bloemen (bv. schermbloemen of Prunus sp.). Zweefvliegen zijn het soortenrijkst in eerder koele, vochtige en beschutte milieus, zoals vochtige, oude en structuurrijke loofbossen. Een structuurrijk gebied als de voormalige renbaan Groenendaal middenin het Zoniënwoud kan voor beide soortgroepen erg interessant zijn, en het ecoduct kan als leefgebied rechtstreeks hierop aansluiten.

11.2METHODIEK Het onderzoeksgebied bestond uit het ecoduct zelf en de voormalige renbaan. Om vergelijkbaar te zijn met de andere soortgroepen, worden de resultaten van beide ‘gebieden’ afzonderlijk behandeld. Ook de vlakbij gelegen zandgroeve in het noordwesten die recent werd heringericht voor zachte recreatie (Figuur 136) werd onderzocht. De noordelijke helft van de voormalige renbaan wordt voornamelijk beheerd als hooiland. In de grachten van de renbaan bevinden zich ruigte en struweel. De zuidelijke helft wordt extensief begraasd met Schotse Hooglanders, en bestaat uit een lappendeken van struweel, ruigte, zomen en grazige stukken. Het ecoduct en de aanlooptaluds hebben een nog eerder ruderale vegetatie. Er werden vijf bezoeken gebracht in 2019, gespreid doorheen het groeiseizoen, overeenkomend met de verschillende bloeiperiodes van de vegetatie en de bijensoorten die eraan aangepast zijn. De bezoekdatums waren 22 maart, 24 april, 23 mei, 9 juli en 8 augustus. Het onderzoeksgebied werd daarbij doorlopen, waarbij specifiek de meest kansrijke plekken voor bijen en zweefvliegen werden afgezocht (interessante bloeiende planten, zonbeschenen zomen en bosranden, mogelijke nestplekken voor bijen). Bijen en zweefvliegen werden zoveel mogelijk in het veld op naam gebracht, eventueel na vangst met een vlindernet. Indien soortidentificatie in het veld niet mogelijk was, werd de bij meegenomen voor identificatie onder een binoculair. Koninginnen (behalve de typisch gekleurde aardhommel koninginnen) en werksters van Aardhommel, Veldhommel en Wilgenhommel werden niet tot op soort gedetermineerd, aangezien deze nauwelijks te identificeren zijn. Alle waarnemingen werden via de app Obsmapp ter plekke genoteerd en ingevoerd in www.waarnemingen.be. Tijdens een deel van elk bezoek werd routeregistratie gebruikt, zodat de zoekinspanning kon worden bepaald. Ook bloembezoek werd zoveel mogelijk genoteerd.

omgevingvlaanderen.be


Figuur 136: Overzichtskaart van het studiegebied (groen omlijnd), met het deelgebied van het ecoduct apart aangeduid. Rode sterren duiden de waarnemingen van bijen aan, blauwe die van zweefvliegen.

Naast waarnemingen gedaan in het kader van dit project werden ook andere bijenwaarnemingen uit waarnemingen.be (t.e.m. eind 2019) mee geanalyseerd. Enkel als betrouwbaar beschouwde waarnemingen (in collectie, goedgekeurd op basis van fotografisch bewijsmateriaal of veldwaarnemingen komende van betrouwbare waarnemers van in het veld als identificeerbaar beschouwde soorten) werden gebruikt. Dit leverde in totaal 518 tot op soort gedetermineerde bijenwaarnemingen op, waarvan 506 verzameld in het kader van dit project. Voor zweefvliegen ging het om 162 respectievelijk 145 waarnemingen. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 205 van 261


11.3WILDE BIJEN

40 0

20

Aantal soorten

60

80

Er zijn in totaal 77 soorten bijen waargenomen in het onderzochte gebied, waarvan 15 (ook) werden genoteerd op het ecoduct zelf. Deze worden opgelijst in Tabel 49. Ondanks het behoorlijk aantal soorten is de soortenlijst voor het onderzochte gebied nog onvolledig. Een inschatting van het totaal aantal aanwezige soorten komt uit op niet minder dan 120 (met de zogenaamde Chao1 diversiteitsschatter) respectievelijk 128 soorten (ACE diversiteitsschatter) die kunnen gevonden worden met een voortgezette zoekinspanning, weliswaar met een grote foutenmarge. Ook een zogenaamde rarefaction curve, die het verband weergeeft tussen het aantal waarnemingen en het aantal soorten, is nog verre van afgevlakt (Figuur 137). Dit alles geeft aan dat met bijkomende onderzoeksinspanning en meer bijenwaarnemingen nog heel wat extra soorten kunnen gevonden worden. In wat volgt bespreken we de aangetroffen bijenfauna.

0

100

200

300

400

500

Aantal waarnemingen Figuur 137: Rarefaction curve voor de bijen in het onderzoeksgebied op en rond het ecoduct Groenendaal, waarin het verband gegeven wordt tussen het aantal waarnemingen en het aantal aangetroffen soorten.

Bijzondere bijensoorten aangetroffen in het onderzoeksgebied zijn min of meer gebonden aan bossen en bosranden (Gewone rozenzandbij, Berijpte geurgroefbij, Zadelgroefbij), aan bloemrijke graslanden veelal rijk aan vlinderbloemigen (Wikkebij, Geelstaartklaverzandbij, Zwarte sachembij, Geriemde zandbij, Gewone langhoornbij, maar ook Klaverdikpoot), of beide (de zeldzame Groene zandbij, en ook Veldhommel, Tuinhommel en Tweekleurige koekoekshommel). Wat wel opviel voor de bijen afhankelijk van bloemrijke graslanden, was dat het zeer veel zoekinspanning kostte om een /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 206 van 261


enkel exemplaar te vinden, ondanks de soms rijkelijke aanwezigheid van geschikte waardplanten. Dat ging overigens ook op voor grotere andere bijen in late voorjaarͲzomer zoals bladsnijders (Megachile spp.). Denkelijk zijn de dichtheden dus eerder laag te noemen. Roodrandzandbij en Doornkaakzandbij hangen dan weer af van een afwisselend landschap met in het voorjaar o.a. voldoende bloeiende wilgen en Prunus soorten en in de zomer schermbloemigen, braam en distels. Vermeldenswaard is ook dat de groefbijengemeenschap typisch is voor leemgronden met zeer veel Kleigroefbij, maar ook Breedkaakgroefbij en de typisch in lemige steilkantjes nestelende Kleine groefbij en Borstelgroefbij. Onder andere deze soorten kunnen nestelend verwacht worden in de wortelkluiten van de stobbenwal op het ecoduct (Figuur 138), en alvast Kleigroefbij werd hier dan ook aangetroffen. Ook de grachten op de voormalige renbaan kunnen geschikte steilkantjes bieden, maar de meeste zijn te sterk beschaduwd door ruige vegetatie. Ook Zwarte sachembij nestelt op leem doorgaans in steilkanten, maar kan ook vlakkere open zandlemige bodems gebruiken als nestplaats. Ook in de voormalige groeve nestelden veel groefbijtjes, waarvan de talrijke aanwezigheid van het op kleine groefbijtjes parasiterende Geeltipje getuigde.

Figuur 138: Wortelkluit op de stobbenwal op het ecoduct Groenendaal, 22 maart 2020. Net zoals bij natuurlijk omgevallen bomen kunnen de lemige steilkantjes, indien zonbeschenen, een geschikt nesthabitat zijn voor heel wat solitaire bijen en graafwespen, evenals het molmhout en vraatgangen in de dode stammen en stronken (foto: Pieter Vanormelingen).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 207 van 261


Tabel 49: Bijen waargenomen in het onderzoeksgebied op en rond het ecoduct Groenendaal. Zowel het totaal aantal waarnemingen (Aantal wngn) als het aantal hiervan op het ecoduct zelf (Wngn ecoduct) worden weergegeven. Tenslotte wordt ook aangegeven of de soort op de recent gepubliceerde Rode Lijst van België (Drossart et al., 2019) staat. Gebruikte afkortingen: DD = Data Deficient (Onvoldoende Gegevens), LC = Least Concern (Momenteel Niet Bedreigd), NT = Near Threatened (Bijna Bedreigd), VU = Vulnerable (Kwetsbaar), EN = Endangered (Bedreigd).

Soort (Lat)

Soort (Nl)

Aantal wngn

Wngn Rode ecoduct Lijst

Andrena angustior

Geriemde zandbij

1

NT

Andrena bicolor

Tweekleurige zandbij

4

2 LC

Andrena chrysosceles

Goudpootzandbij

1

LC

Andrena clarkella

ZwartͲrosse zandbij

2

LC

Andrena dorsata

Wimperflankzandbij

19

2 LC

Andrena flavipes

Grasbij

58

9 LC

Andrena fucata

Gewone rozenzandbij

2

VU

Andrena fulva

Vosje

4

LC

Andrena gravida

Weidebij

1

LC

Andrena haemorrhoa

Roodgatje

14

1 LC

Andrena lathyri

Wikkebij

1

NT

Andrena minutula

Gewone dwergzandbij

17

3 LC

Andrena nitida

Viltvlekzandbij

5

LC

Andrena praecox

Vroege zandbij

3

LC

Andrena rosae

Roodzandzandbij

1

LC

Andrena scotica

Meidoornzandbij

8

LC

Andrena subopaca

Witkopdwergzandbij

1

LC

Andrena trimmerana

Doornkaakzandbij

1

DD

Andrena vaga

Grijze zandbij

2

LC

Andrena viridescens

Groene zandbij

1

LC

Andrena wilkella

Geelstaartklaverzandbij

1

NT

Anthidiellum strigatum

Kleine harsbij

1

LC

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 208 van 261


Anthophora plumipes

Gewone sachembij

2

LC

Anthophora retusa

Zwarte sachembij

1

EN

Apis mellifera

Honingbij

90

8 DD

Bombus bohemicus

Tweekleurige koekoekshommel

1

NT

Bombus hortorum

Tuinhommel

4

NT

Bombus hypnorum

Boomhommel

2

LC

Bombus lapidarius

Steenhommel

11

LC

Bombus lucorum

Veldhommel

1

NT

Bombus pascuorum

Akkerhommel

73

1 LC

Bombus pratorum

Weidehommel

11

LC

Bombus sylvestris

Vierkleurige koekoekshommel

7

LC

Bombus terrestris

Aardhommel

4

LC

Bombus terrestris/lucorum/cryptarum

AardhommelͲcomplex

Colletes daviesanus

13

1 /

Wormkruidbij

3

1 LC

Eucera longicornis

Gewone langhoornbij

1

VU

Halictus rubicundus

Roodpotige groefbij

1

LC

Halictus tumulorum

Parkbronsgroefbij

4

LC

Hoplitis leucomelana

Zwartgespoorde houtmetselbij

1

LC

Hylaeus brevicornis

Kortsprietmaskerbij

1

DD

Hylaeus communis

Gewone maskerbij

2

LC

Hylaeus dilatatus

Brilmaskerbij

1

1 DD

Lasioglossum albipes

Berijpte geurgroefbij

3

NT

Lasioglossum calceatum

Gewone geurgroefbij

2

LC

Lasioglossum laticeps

Breedkaakgroefbij

2

LC

Lasioglossum lativentre

Breedbuikgroefbij

1

LC

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 209 van 261


Lasioglossum minutissimum

Ingesnoerde groefbij

1

LC

Lasioglossum morio

Langkopsmaragdgroefbij

2

LC

Lasioglossum nitidiusculum

Borstelgroefbij

1

LC

Lasioglossum parvulum

Kleine groefbij

6

LC

Lasioglossum pauxillum

Kleigroefbij

26

3 LC

Lasioglossum rufitarse

Zadelgroefbij

1

NT

Lasioglossum semilucens

Halfglanzende groefbij

1

LC

Lasioglossum sexnotatum

Zesvlekkige groefbij

1

LC

Lasioglossum villosulum

Biggenkruidgroefbij

1

LC

Megachile centuncularis

Tuinbladsnijder

1

LC

Megachile willughbiella

Grote bladsnijder

1

LC

Melitta leporina

Klaverdikpoot

1

LC

Nomada bifasciata

Bonte wespbij

1

LC

Nomada fabriciana

Roodzwarte dubbeltand

11

3 LC

Nomada flava

Gewone wespbij

12

LC

Nomada flavoguttata

Gewone kleine wespbij

24

LC

Nomada fucata

Kortsprietwespbij

3

LC

Nomada goodeniana

Smalbandwespbij

3

LC

Nomada lathburiana

Roodharige wespbij

2

LC

Nomada leucophthalma

Vroege wespbij

1

LC

Nomada ruficornis

Gewone dubbeltand

1

LC

Nomada sheppardana

Geeltipje

9

LC

Nomada zonata

Variabele wespbij

1

LC

Osmia bicornis

Rosse metselbij

4

LC

Osmia cornuta

Gehoornde metselbij

5

LC

Osmia leaiana

Kauwende metselbij

1

LC

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 210 van 261


Sphecodes crassus

Brede dwergbloedbij

2

1 LC

Sphecodes ephippius

Bosbloedbij

2

1 LC

Sphecodes gibbus

Pantserbloedbij

1

LC

Sphecodes miniatus

Gewone dwergbloedbij

1

LC

Sphecodes monilicornis

Dikkopbloedbij

2

1 LC

Figuur 139: Vrouwtje Zwarte sachembij foeragerend op Rode klaver. Van deze op de Belgische Rode Lijst als Bedreigd beschouwde bijensoort werd een mannetje aangetroffen op de voormalige renbaan van Groenendaal (foto: Kurt Geeraerts).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 211 van 261


11.4ZWEEFVLIEGEN

30 20 0

10

Aantal soorten

40

Er zijn in totaal 42 soorten zweefvliegen waargenomen in het onderzochte gebied, waarvan 15 (ook) werden aangetroffen op het ecoduct zelf. Deze worden opgelijst in Tabel 50. De soortenlijst voor het onderzochte gebied is nog verre van volledig. Een inschatting van het totaal aantal aanwezige soorten komt uit op 88 (met de zogenaamde Chao1 diversiteitsschatter) respectievelijk 77 soorten (ACE diversiteitsschatter) die kunnen gevonden worden met een voortgezette zoekinspanning, weliswaar met een grote foutenmarge. Mogelijk is dit zelfs nog een onderschatting, en kan met een meer puur op zweefvliegen gerichte staalname dit aantal nog een stuk hoger komen te liggen. Ook een zogenaamde rarefaction curve, die het verband weergeeft tussen het aantal waarnemingen en het aantal soorten, begint nog maar nauwelijks af te vlakken (Figuur 140). Dit alles geeft aan dat met bijkomende onderzoeksinspanning en meer waarnemingen nog heel wat extra soorten kunnen gevonden worden. In wat volgt bespreken we de aangetroffen zweefvliegenfauna.

0

50

100

150

Aantal waarnemingen Figuur 140: Rarefaction curve voor de zweefvliegen in het onderzoeksgebied op en rond het ecoduct Groenendaal, waarin het verband gegeven wordt tussen het aantal waarnemingen en het aantal aangetroffen soorten.

De meest bijzondere zweefvlieg betrof zonder enige twijfel een vrouwtje Gele myolepta aangetroffen op het ecoduct. Dit is een echte specialist van oude loofbossen waarvan de larve in vochtige boomholtes leeft. Deze soort wordt gezien als ze komt nectardrinken, doorgaans op witte schermbloemen. Andere minder algemene soorten betroffen verschillende gitjes waarvan de larven in specifieke plantensoorten leven, met name Moesdistelgitje (in Moesdistel), Wilgengitje (distels), /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 212 van 261


Vosrood gitje (Gewone engelwortel) en Vroeg hoefbladgitje (Groot hoefblad), en die net als veel andere zweefvliegen vaak zonnend of nectardrinkend worden aangetroffen op bloemen met goed toegankelijke nectar. De Glimmende platbek is een typische bossoort waarvan de larven leven van galvormende bladluizen op bomen. Donker elfje komt doorgaans voor in open plekken in bossen en halfopen landschappen waar de larve zicht voedt met bladluizen van alleszins spar, terwijl Melkelfje minder aan bossen gebonden is en voorkomt in structuurrijke (half)open landschappen. Ook de larve van deze soort voedt zich met bladluizen. Donkere veenzweefvlieg tenslotte is één van de soorten waarvan de larve een aquatische levenswijze heeft, waarbij ze in het Zoniënwoud de randen van kwelrijke bospoelen gebruikt. Tabel 50: Zweefvliegen waargenomen in het onderzoeksgebied op en rond het ecoduct Groenendaal. Zowel het totaal aantal waarnemingen (Aantal wngn) als het aantal hiervan op het ecoduct zelf (Wngn ecoduct) worden weergegeven. Tenslotte wordt ook aangegeven of de soort als zeldzaam (Z) of zeer zeldzaam (ZZ) wordt beschouwd volgens www.waarnemingen.be.

Soort (Lat)

Soort (Nl)

Aantal wngn

Wngn Zeldzaam? ecoduct

Cheilosia albipila

Tweekleurig gitje

3

Cheilosia albitarsis

Gewoon weidegitje

3

Cheilosia canicularis

Laat hoefbladgitje

2

2

Cheilosia chloris

Moesdistelgitje

1

Z

Cheilosia chrysocoma

Vosrood gitje

1

Z

Cheilosia grossa

Wilgengitje

1

Z

Cheilosia himantopus

Vroeg hoefbladgitje

4

Z

Cheilosia illustrata

Wollig gitje

1

Cheilosia pagana

Kervelgitje

1

Cheilosia scutellata

Paddenstoelgitje

8

7

Chrysogaster solstitialis

Donker doflijfje

2

1

Chrysotoxum bicinctum

Donkere fopwesp

4

2

Criorhina berberina

Kleine woudzwever

1

Dasysyrphus venustus

Gewone wimperzweefvlieg

1

Episyrphus balteatus

Snorzweefvlieg

12

Eristalis arbustorum

Kleine bijvlieg

3

1

Eristalis nemorum

Puntbijvlieg

1

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 213 van 261


19

8

3

1

21

2

Grote kommazweefvlieg

1

Helophilus pendulus

Gewone pendelvlieg

3

Helophilus trivittatus

Citroenpendelvlieg

5

1

Heringia heringi

Glimmende platbek

1

Z

Melangyna quadrimaculata

Donker elfje

1

Z

Melangyna umbellatarum

Melkelfje

1

Z

Melanostoma scalare

Slanke driehoekszweefvlieg

1

Myathropa florea

Doodskopzweefvlieg

7

4

Myolepta dubia

Gele myolepta

1

1 ZZ

Paragus haemorrhous

Gewoon krieltje

1

Parasyrphus punctulatus

Gevlekt roetneusje

1

Pipiza noctiluca

Grofgestippelde platbek

2

1

Platycheirus albimanus

Micaplatvoetje

6

Sericomyia lappona

Donkere veenzweefvlieg

1

Z

Sphaerophoria scripta

Grote langlijf

Syritta pipiens

Eristalis pertinax

Kegelbijvlieg

Eristalis similis

Onvoorspelbare bijvlieg

Eristalis tenax

Blinde bij

Eupeodes luniger

15

2

Menuetzweefvlieg

1

1

Syrphus ribesii

Bessenbandzweefvlieg

6

3

Syrphus torvus

Bosbandzweefvlieg

1

Syrphus vitripennis

Kleine bandzweefvlieg

1

Volucella pellucens

Witte reus

1

Xanthogramma pedissequum

Gewone citroenzweefvlieg

2

Xylota sylvarum

Grote gouden bladloper

1

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 214 van 261


Figuur 141: Vrouwtje Gele myolepta op het ecoduct Groenendaal, 23 juli 2019. Deze zeer zeldzame zweefvlieg komt voor in bossen met oude bomen waar de larve leeft in vochtige boomholtes (foto Simon Feys).

11.5BLOEMBEZOEK Van in totaal 696 bijen en zweefvliegen werd bloembezoek genoteerd. Een overzicht hiervan wordt gegeven aan de hand van een zogenaamd plantͲpollinator netwerk (Figuur 142). Dit geeft geen volledig perfect kwantitatief beeld, aangezien niet altijd routes werden gelopen (waarin alle individuen geteld moeten worden) en de dikte van de relaties ook afhangt van waar specifiek gezocht werd en hoe gemakkelijk het is om foeragerende bijen en zweefvliegen waar te nemen (moeilijker op bomen en struiken). Het toont wél dat doorheen het jaar veel bloeiende planten gebruikt worden door vaak een verscheidenheid aan bijen en zweefvliegen, de verschillende relaties (bv. zweefvliegendiversiteit op Wilde peen), maar ook de erg dominante positie van Honingbij in een deel van het netwerk. Deze was vooral in de zomerperiode in opvallend hoge dichtheden aanwezig in de graslanden en zomen op Witte klaver, distels, braam spec., Knoopkruid en Rolklaver. In het voorjaar was Honingbij veel minder opvallend aanwezig op de aanwezige bloemen.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 215 van 261


Figuur 142: PlantͲpollinator netwerk als overzicht van het bloembezoek door bijen en zweefvliegen dat werd genoteerd op het ecoduct en de voormalige renbaan Groenendaal.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 216 van 261


Figuur 143: Zicht richting het ecoduct in het vroege voorjaar, 22 maart 2020. De voornaamste nectarͲ en stuifmeelbronnen voor bijen en zweefvliegen zijn op dat moment bloeiende wilgen en Prunus soorten (foto: Pieter Vanormelingen).

Figuur 144: Zoom met veel bloeiende Gewone ereprijs, een geschikt habitat voor de Groene zandbij, 23 mei 2019 (foto Pieter Vanormelingen). /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 217 van 261


Figuur 145: Deel van het extensieve begrazingsblok erg rijk aan bloeiende vlinderbloemigen, waaronder op dat moment rolklaver, Vogelwikke, Witte klaver, Veldlathyrus, en Boslathyrus, 9 juli 2020. Hier werd, weliswaar na een serieuze zoekinspanning, onder andere Gewone langhoornbij aangetroffen, maar ook erg hoge dichtheden foeragerende Honingbijen (foto Pieter Vanormelingen).

Figuur 146: Zomers bloeiaspect van het ecoduct met veel bloeiende Wilde peen, een geschikte nectarplant voor grote aantallen zweefvliegen en verschillende wilde bijen, waaronder maskerbijen zoals de Brilmaskerbij, 8 augustus 2020 (foto Pieter Vanormelingen).

Aangetroffen wilde bijen met een gespecialiseerd bloembezoek (zogenaamde oligolectische bijen) zijn Groene zandbij (Gewone ereprijs, Figuur 147), Kauwende metselbij (composieten w.o. distels en Knoopkruid), Gewone langhoornbij (vlinderbloemigen), Klaverdikpoot (vlinderbloemigen, vooral Witte klaver en Luzerne), Wikkebij (Wikke en Lathyrus), Geelstaartklaverzandbij (klavers, rolklaver), Vroege zandbij (wilgen), Grijze zandbij (wilgen), Roodrandzandbij (voorjaar wilgen, zomer schermbloemigen). Ook Zwartgespoorde houtmetselbij en Kleine harsbij kunnen in dit lijstje /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 218 van 261


vermeld worden. Die laatste kunnen weliswaar ook op andere plantenfamilies vliegen, maar hebben wel een sterke voorkeur voor rolklaver. Vermeldenswaard is dat Groene zandbij uitgebreid wordt besproken door D’Haeseleer et al. (2015) naar aanleiding van de vondst van meerdere populaties in Beersel, toen de eerste in 20 jaar voor België (zie ook https://www.natuurpunt.be/nieuws/zeerͲ zeldzameͲgroeneͲzandbijͲontdektͲbeerselͲ20150630).

Figuur 147: Vrouwtje Groene zandbij, een zeldzame bijensoort die voorkomt in graslandjes, bermen, zomen en bosranden met voldoende bloeiende Gewone ereprijs. Een vrouwtje werd aangetroffen in de begrazingsblok van de voormalige renbaan Groenendaal met rijkelijk bloeiende Gewone ereprijs (foto: Kurt Geeraerts).

11.6 CONCLUSIES Op de renbaan en het ecoduct Groenendaal werden tot nu toe 77 soorten wilde bijen en 42 soorten zweefvliegen vastgesteld, terwijl nog heel wat extra soorten kunnen ontdekt worden. Hiertoe behoren heel wat beheerrelevante, minder algemene soorten van structuurrijke bossen, bosranden en bloemrijke graslanden, hoewel vaak in relatief lage aantallen. Enkele suggesties worden gedaan om het huidige structuurrijke landschap met tal van overgangen tussen struweel, zomen, ruigtes, bloemrijk grasland, bosranden, zandgroeve en kleine open bosplekken nog te verbeteren voor bijen en zweefvliegen. Het recent ingerichte ecoduct kan hier mits extra omvormingsbeheer als (partieel) leefgebied voor wilde bijen en zweefvliegen perfect op aansluiten. In het algemeen is het belangrijk dat het huidige structuurrijke landschap met tal van overgangen tussen struweel, zomen, ruigtes, bloemrijk grasland, bosranden, zandgroeve en kleine open bosplekken behouden blijft, of zoveel mogelijk nog versterkt wordt. De noordelijke helft van de renbaan wordt gemaaid rond eind juni, waarbij reeds een paar kleine delen gefaseerd worden uitgespaard. Naarmate de vegetatie schraler en bloemrijker wordt, kan het uitgespaard deel uitgebreid worden tot bv. een vijfde van de oppervlakte (of zelfs meer), waarbij er best voor gezorgd wordt dat uitgespaarde delen een van de volgende maaibeurten telkens meegenomen worden. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 219 van 261


Wat de zuidelijke helft van de renbaan onder begrazing betreft, zou de sterke vervilting van de grasmat – die op heel wat plaatsen geresulteerd heeft in een monotone grasvegetatie zonder bloemen met een dichte laag dood gras – best doorbroken worden door deze zones een paar keer te maaien mét afvoer van het maaisel, bv. in het vroege voorjaar. Dit zou moeten resulteren in een betere vegetatieͲontwikkeling (schraalland), een toename van de bloemenrijkdom voor bijen en zweefvliegen, en van ondergrondse nestgelegenheid voor bijen door het creëren van meer open bodem. Naar verwachting zou dit ook voor typische graslandzweefvliegen (Platvoetjes en Langlijven) positief zijn. Verjonging van het Bremstruweel zou zo terug op gang moeten kunnen komen.

Figuur 148: Volledig vervilt en vergrast deel van de zuidelijke begrazingsblok op de voormalige renbaan van Groenendaal, 9 juli 2019. Enkele maaibeurten met afvoer zouden hier moeten resulteren in een voor bijen en zweefvliegen interessanter open schraalland (foto: Pieter Vanormelingen).

Het is daarnaast ook aan te raden geen kasten met Honingbij volken te plaatsen. Dit is alleszins zo voor de zomerperiode (junͲjulͲaug), aangezien Honingbijen op dat moment opvallend talrijk aanwezig waren op plantensoorten die voor veel wilde bijen erg belangrijk zijn als waardplanten. Effectieve voedselcompetitie is weliswaar moeilijk aan te tonen, maar in natuurgebieden kan best uitgegaan worden van het voorzichtigheidsprincipe (Vanormelingen et al., 2019). In het vroege voorjaar waren Honingbijen duidelijk minder dominant aanwezig. De herinrichting van de zandgroeve voor zachte recreatie is zeer goed te combineren met een belangrijke functie als nestgelegenheid voor wilde bijen, waarbij de centrale zone het meest open, zandig en verstoord blijft en de recreatiedruk afneemt naar de rand toe. Er wordt best gezorgd dat de min of meer zuidgerichte steilkanten als specifiek nesthabitat zo zonnig mogelijk blijven en dus niet beschaduwd geraken door opkomende boompjes. In de randzones kan een extensief zoombeheer toegepast worden om te sterke verbraming tegen te gaan en een bloemrijke vegetatie (zowel kruidig als struiken) voor de nestelende bijen te creëren.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 220 van 261


Figuur 149: Bloeiende Brem in zoom van de heringerichte zandgroeve, met geleidelijk opgaande bosrand met zonbeschenen staand dood hout achteraan. Op de open bodems en dan vooral op de steilere kantjes nestelen onder andere reeds erg veel kleinere groefbijen. 23 mei 2019 (foto Pieter Vanormelingen).

Het ecoduct zelf tenslotte zou best enkele malen gemaaid worden met afvoer van het maaisel bv. in het vroege voorjaar en in het najaar tot de raaigras dominantie doorbroken is en de vegetatie verschraald is, wat de bloemenrijkdom en openheid van de bodem ten goede zal komen (ondergrondse nestgelegenheid). Hierbij kunnen bloemrijke zones of zones met opkomende Brem bv. telkens uitgespaard worden. Daarna kan eventueel overgeschakeld worden op seizoensbegrazing (bv. periode augͲapril), wat ten goede komt aan de structuurrijkdom. De stobbenwal en zonbeschenen dode stammen zouden best zonbeschenen blijven zodat ze beschikbaar blijven als nestgelegenheid voor bijen.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 221 van 261


12 ALGEMENE CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN VOOR HET BEHEER Na analyse van de resultaten van de diverse onderzochte groepen, kunnen nog enkele algemene aanbevelingen voor het beheer worden meegegeven. Deze werden ook reeds in de conclusies bij elke soortgroep weergegeven, maar worden in dit laatste hoofdstuk nog eens samengebracht.

12.1 ECODUCT 12.1.1 Geleidende elementen Om voor een aantal van de bossoorten als verbinding te fungeren tussen beide delen van het bos, is momenteel nog niet voldoende geleiding aanwezig op het ecoduct. Voor verschillende soortgroepen bleven de bossoorten immers beperkt tot de bosrand, maar ontbreken waarnemingen op het ecoduct zelf. De reeds aanwezige boomstammen vormen al een goed startpunt. Wanneer deze op termijn verder ontwikkelen (bijvoorbeeld door begroeiing met bramen), zal hun geleidingsfunctie nog worden versterkt. Voor niet alle soorten zal dit echter volstaan, en is ook bijvoorbeeld een houtkant wenselijk. Er werd reeds plantsoen aangeplant op het ecoduct, maar door de droge zomers van de afgelopen jaren is een groot deel hiervan afgestorven. Voor verschillende typische bossoorten (bijvoorbeeld een aantal hooiwagens, loopkevers, spinnen, …) is dergelijke verbinding van groot belang. Zo een verbinding zou dan best langs de noorkant van het ecoduct (bijvoorbeeld langs de noordrand van de stobbenwal) worden voorzien, zodat het hele ecoduct niet in de schaduw wordt gezet door deze verbinding. Ook voor vleermuizen, en dan vooral de soorten van een meer gesloten omgeving, zou een dergelijke verbinding de routemogelijkheden verbeteren. Daarnaast wordt aangeraden om de noordͲzuid verbinding van bomen aan de westzijde van het ecoduct te behouden en versterken. Indien vleermuizen hier vlot een lineair element in kunnen blijven herkennen, wordt ook de vliegroute daar behouden. Vleermuizen kunnen bovendien via die vliegroute het ecoduct ontdekken als oversteekplaats van de snelweg.

12.1.2 Maaibeheer Momenteel is de vegetatie op het ecoduct nog volop in ontwikkeling. Indien deze minder dan twee keer per jaar wordt gemaaid, zal deze vegetatie verder evolueren naar een ruigte. Door de raaigrasweide gefaseerd te maaien kan deze zich op termijn ontwikkelen naar een bloemrijk glanshavergrasland. De voorwaarde voor deze ontwikkeling is dat alle raaigrasstukken minstens twee keer per jaar worden gemaaid (1e maaibeurt vanaf 15 mei, 2e maaibeurt vanaf 15 september), waarbij het maaisel wordt afgevoerd. Dit zal de bloemenrijkdom en openheid van de bodem ten goede komen. De pioniervegetaties zullen op termijn ontwikkelen naar graslandvegetaties of ruigtes, afhankelijk van het beheer. Bloemrijke zones en zones met opkomende Brem kunnen worden uitgespaard. Daarna kan eventueel ook worden overgeschakeld op seizoensbegrazing, door bijvoorbeeld het raster te verplaatsen. De combinatie van enerzijds voldoende geleiding, en anderzijds meer open stukken, zorgt ervoor dat zowel typische bossoorten als soorten van een meer open landschap het ecoduct kunnen gebruiken als oversteekplaats en als leefgebied.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 222 van 261


Om de waardevolle bosranden te behouden, is het tevens belangrijk dat er niet gemaaid wordt tot tegen de bosrand, maar dat er een mooie overgangszone blijft. Op de voormalige renbaan is het belangrijk dat het huidige structuurrijke landschap met tal van overgangen tussen struweel, zomen, ruigtes, bloemrijk grasland, bosranden, zandgroeve en kleine open bosplekken behouden blijft, of zoveel mogelijk nog versterkt wordt. De noordelijke helft van de renbaan wordt gemaaid rond eind juni, waarbij reeds een paar kleine delen gefaseerd worden uitgespaard. Naarmate de vegetatie schraler en bloemrijker wordt kan het uitgespaard deel uitgebreid worden tot bv. een vijfde van de oppervlakte (of zelfs meer), waarbij er best voor gezorgd wordt dat uitgespaarde delen een van de volgende maaibeurten telkens meegenomen worden. De zuidelijke helft van de renbaan onder begrazing kan best een paar keer gemaaid worden mét afvoer van het maaisel. Dit zou moeten resulteren in een betere vegetatieͲontwikkeling (schraalland), een toename van de bloemenrijkdom voor bijen en zweefvliegen, en van ondergrondse nestgelegenheid voor bijen door het creëren van meer open bodem. Verjonging van het Bremstruweel zou zo terug op gang moeten kunnen komen. Het is ook aan te raden om hier geen kasten met Honingbijvolken te plaatsen. Dit is alleszins zo voor de zomerperiode (junͲjulͲaug), aangezien Honingbijen op dat moment opvallend talrijk aanwezig waren op plantensoorten die voor veel wilde bijen erg belangrijk zijn als waardplanten. In het vroege voorjaar waren Honingbijen duidelijk minder dominant aanwezig.

12.1.3 Beheer exoten Er werden in totaal drie soorten invasieve exoten waargenomen op het ecoduct. Elk van deze soorten had slechts één groeiplaats. Voor twee van deze soorten dient geen actie te worden ondernomen. De derde soort, Robinia, kan best worden verwijderd. Het gaat nog om een jong exemplaar, dat zonder al te veel problemen kan worden weggehaald. Daarna wordt best in de gaten gehouden of er geen nieuwe exemplaren opduiken.

12.2 ECOTUNNEL FLOSSENDELLE Naast het ecoduct bleek ook de ecotunnel gebruikt te worden als verbinding tussen beide kanten van de snelweg, en dit door verschillende soorten uit verschillende soortgroepen. Voor de landdieren (nietͲvliegende zoogdieren, ongewervelden, amfibieën, …) is de aanwezigheid van een geleidingselement (zoals de reeds aanwezige boomstammen) van groot belang. Wanneer dit op termijn door de natuur wordt afgebroken, is het raadzaam deze te vervangen door een nieuwe stobbenwal. Het gebruik van de tunnel door onder andere brachyptere loopkevers pleit in elk geval (waar het kan) voor een aanpassing/omvorming van weinig gebruikte tunnels tot ‘ecotunnels’ of tot tunnels met gemengd gebruik, zoals die van Flossendelle. Voor vleermuizen richten maatregelen aan de tunnel Flossendelle zich vooral op enerzijds het bereikbaar houden van de tunnel voor vleermuizen, anderzijds het onverlicht houden van de tunnel. Om de tunnel bereikbaar te houden, worden vlot doorvliegbare bospaden best onderhouden. Aangezien de tunnel van Flossendelle en het ecoduct op een (voor vleermuizen althans) behoorlijke afstand van elkaar liggen, kunnen de voorgestelde maatregelen best ook toegepast worden aan de tunnels die gelegen zijn tussen Flossendelle en het ecoduct. Gepaste maatregelen kunnen hier mogelijk ook deze tunnels voor vleermuizen geschikt(er) maken.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 223 van 261


In het algemeen is de grootst mogelijke verstoring van deze ontsnipperende maatregelen het gebruik door bezoekers, zeker indien zij honden bij zich hebben. Zeker in een tunnel is het belangrijk dat loslopende honden weggehouden worden.

12.3 FAUNABUIS NOORD Soorten als Vos en Steenmarter maken actief gebruik van deze faunabuis om zich tussen beide zijden van de snelweg te verplaatsen. Op basis van de aantallen fotoreeksen blijkt de faunabuis meer in trek bij deze soorten dan de nabijgelegen ecotunnel. Om het gebruik van faunabuis noord door zoogdieren mogelijk te blijven maken, is het belangrijk dat dit verbindingselement open blijft, en niet verstopt geraakt door bijvoorbeeld afgevallen bladeren, takken, modder, … Een regelmatige controle hiervan is dus zeker nuttig.

12.4 ECORASTER Uit het onderzoek uitgevoerd in 2019 – 2020 bleek dat er nog weinig slachtoffers vallen langsheen het ecoraster. Om dit zo te houden is een regelmatige controle van het raster belangrijk. Indien problemen worden vastgesteld (gaten in het raster, omgevallen bomen op het raster, …), is het zaak om deze zo snel mogelijk op te lossen. Ook de faunaͲuitstapplaatsen langsheen het raster worden best regelmatig gecontroleerd. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 224 van 261


REFERENTIES Bach L., Burkhardt P. & Limpens H.J.G.A. (2004). Tunnels as a possibility to connect bat habitats. Mammalia 68 (4): 411Ͳ420. Boeken M., Desender K., Drost B., Van Gijzen T., Koese B., Muilwijk J., Turin H. & Vermeulen R.J. (2002). De loopkevers van Nederland en Vlaanderen (Coleoptera: Carabidae). Stichting Jeugdbondsuitgeverij, Utrecht: 212 pagina’s. Bosmans R. (2009). Een herziene soortenlijst van de Belgische spinnen (Araneae). Nieuwsbrief van de Belgische Arachnologische Vereniging 24 (1Ͳ3): 33Ͳ58. Chinery M. (2003). Thieme Nieuwe insektengids. D’Haeseleer J., Veraghtert W. & De Grave D. (2015). BIJvriendelijk Beersel. Wilde bijen in Beersel: diversiteit, hotspots & behoud. Rapport Natuurpunt Studie 2015/14, Mechelen. Decleer K., Devriese H., Hofmans K., Lock K., Barenbrug B. & Maes D. (2000). Voorlopige atlas en "rode lijst" van de sprinkhanen en krekels van België (Insecta, Orthoptera). Werkgroep Saltabel i.s.m. I.N. en K.B.I.N., Rapport Instituut voor Natuurbehoud 2000/10, Brussel, 76 p. Dekoninck W., Vankerkhoven F. & Maelfait J.ͲP. (2003). Verspreidingsatlas en voorlopige Rode Lijst van de mieren van Vlaanderen. Rapport van het Instituut voor Natuurbehoud 2003.7. Brussel. Dekoninck W., Ignace D., Vankerkhoven, F. & Wegnez F. (2012). Verspreidingsatlas van de mieren van België. Bulletin de la Société royale belge d’Entomologie / Bulletin van de Koninklijke Belgische Vereniging voor Entomologie 148 (2012): 95Ͳ186. Desender K. (1986a). Distribution and ecology of carabid beetles in Belgium (Coleoptera, Carabidae). Part 1. Species 1Ͳ80. Studiedocumenten van het KBIN nr. 26. Desender K. (1986b). Distribution and ecology of carabid beetles in Belgium (Coleoptera, Carabidae). Part 2. Species 81Ͳ152. Studiedocumenten van het KBIN nr. 27. Desender K. (1986c). Distribution and ecology of carabid beetles in Belgium (Coleoptera, Carabidae). Part 3. Species 153Ͳ217. Studiedocumenten van het KBIN nr. 30. Desender K. (1986d). Distribution and ecology of carabid beetles in Belgium (Coleoptera, Carabidae). Part 4. Species 218Ͳ379. Studiedocumenten van het KBIN nr. 34. Desender K. (1989). Dispersievermogen en ecologie van loopkevers (Coleoptera, Carabidae) in België: een evolutionaire benadering. Studiedocumenten van het KBIN nr. 54. Desender K., Maes D., Maelfait J.ͲP. & Van Kerckvoorde M. (1995). Een gedocumenteerde Rode Lijst van de zandloopkevers en loopkevers van Vlaanderen. Mededelingen van het Instituut voor Natuurbehoud 1995 (1): 1Ͳ208.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 225 van 261


Desender K., Dekoninck W., Maes D., Crevecoeur L., Dufrêne M., Jacobs M., Lambrechts J., Pollet M., Stassen E. & Thys N. (2008). Een nieuwe verspreidingsatlas van de loopkevers en zandloopkevers (Carabidae) in België. Rapporten van het Instituut voor NatuurͲ en Bosonderzoek, 2008 (13). Brussel: Belgium. 184 pp. De Bakker D., Desender K. & Grootaert P. (2000). Determinatie en bioͲindicatie van bosgebonden ongewervelden. 1. BioͲindicatie en standplaatsvariabelen. KBIN rapport ENT.2001.01 in opdracht van AMINAL Bos & Groen (B&G/29/98). De Bakker D., De Vos B., De Bruyn L., Desender K. & Maelfait J.ͲP. (2009). In Flanders forests: final results of a large spider survey. Nieuwsbrief van de Belgische Arachnologische Vereniging, 24(1Ͳ3): 167Ͳ198. De Grave C. & Willems W. (2012). Comment les chauvesͲsouris traversentͲelles le ring et la E411 dans la Forêt de Soignes ? Echo des Rhinos 75 (6): 6Ͳ8. De Knijf G., Anselin A., Goffart P. & Tailly M. (2006). De Libellen (Odonata) van België: verspreiding – evolutie – habitats. Libellenwerkgroep Gomphus i.s.m. Instituut voor NatuurͲ en Bosonderzoek, Brussel. 368 pp. Drossart M., Rasmont P., Vanormelingen P., Dufrêne M., Folschweiller M., Pauly A., Vereecken N. J., Vray S., Zambra E., D'Haeseleer J. & Michez D. (2019). Belgian Red List of bees. Belgian Science Policy 2018 (BRAINͲbe Ͳ (Belgian Research Action through Interdisciplinary Networks). Mons: Presse universitaire de l’Université de Mons. 140 p. Feys, S., Boers, K., Hoeymans, B., Jacobs, M., Lefevre, A., Steeman, R., Symens, P. & Lambrechts J. (2019). Monitoring van het ecoduct De Munt over de E19 en HSL in Wuustwezel (T7). Natuurpunt Studie i.o.v. Vlaamse Overheid, Departement Omgeving. Rapport Natuurpunt Studie 2019/1, Mechelen. Indeherberg M., Lambrechts J. & Hendrickx P. (2004). Opmaak van een beheerplan en natuurrichtplan voor de taluds van het Albertkanaal tussen Kanne en Bilzen. Aeolus in opdracht van AMINAL afdeling Natuur (Limburg). Jooris R., Engelen P., Speybroeck J., Lewylle I., Louette G., Bauwens D. & Maes D. (2012). De IUCN Rode Lijst van de amfibieën en reptielen in Vlaanderen. Rapporten van het Instituut voor NatuurͲ en Bosonderzoek 2012 (22). Instituut voor NatuurͲ en Bosonderzoek, Brussel. Kleukers R.M.J.C., Van Nieukerken E.J., Ode B., Willemse L.P.M. & Van Wingerden W.K.R.E. (1997). De sprinkhanen en krekels van Nederland (Orthoptera). Nederlandse fauna l. Nationaal Natuurhistorisch Museum, KNNV Uitgeverij & EISͲNederland, Leiden. 416 blz., 16 platen. Lambrechts J., Verheijen W., Gorssen J. & Rutten J. (2000a). Evaluatie van het actuele heidebeheer op de intrinsieke kwaliteiten voor de fauna. AEOLUS in opdracht van AMINAL afdeling Natuur (Limburg). Lambrechts J., Verheijen W., Gorssen J. & Rutten J. (2000b). FaunaͲelementen op de wegbermen langsheen de autosnelweg E314. AEOLUS in opdracht van AMINAL afdeling Natuur (Limburg).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 226 van 261


Lambrechts J. (2002). Onderzoek naar sturing van beheer van natte heideterreinen. Aeolus in opdracht van AMINAL afdeling Natuur (Limburg). Deel I: eigen onderzoek. Deel II: literatuurstudie en interviews met terreinbeheerders. Aeolus in opdracht van AMINAL afdeling Natuur (Limburg). Lambrechts J., Janssen M. & Hendrickx F. (2002). Vier nieuwe spinnensoorten voor de Belgische fauna. Nieuwsbrief van de Belgische Arachnologische Vereniging (2002), 17 (3): 74 Ͳ 79. Lambrechts J., Stassen E., Indeherberg M., Van de Genachte G., Janssen M. & Gabriëls J. (2004). De rijke fauna van het mijnterrein van Eisden – Lanklaar. LIKONA Jaarboek 2003: 42 – 63. Lambrechts J. & Janssen M. (2005). De spinnenfauna op de taluds van het Albertkanaal tussen Bilzen en Kanne (Riemst): veel variatie in abiotiek resulteert in een hoge diversiteit. Nieuwsbrief van de Belgische Arachnologische Vereniging 20 (2): 37Ͳ65. Lambrechts J., Verlinde R., Van der Wijden B. & Gorssen J. (2007). Monitoring ecoduct Warande over de N25 in Meerdaalwoud (Bierbeek). Verslag van het onderzoek in T1 (2006). Aeolus in opdracht van cel NTMB. Lambrechts J., Verlinde R., Van der Wijden B. & Gorssen J. (2008). Monitoring ecoduct KIKBEEK over de E314 in Maasmechelen. Verslag van het onderzoek in T1 (2007). Aeolus in opdracht van cel NTMB. Lambrechts J., Hendrickx P., Gabriëls J., Jacobs M., De Vocht A. & Hendig P.T. (2009). Ontwikkeling van het geïntegreerd Cat A. bergingsconcept te Dessel en Mol. Ecologische inventarisatie van de fauna en flora in de nucleaire zone ten Noorden van het Kanaal BocholtͲHerentals in ondersteuning van de opmaak van een planͲMER en twee projectͲMER. Arcadis Belgium in opdracht van NIRAS. 112 pp + bijlages + kaarten. Lambrechts J., Verlinde R., Stassen E., &. Verkem S. (2010). Monitoring ecoduct Warande over de N25 in Meerdaalwoud (Bierbeek). Resultaten van het onderzoek in het derde jaar na aanleg (T3: 2008). Arcadis in opdracht van Dienst NTMB. 88 p. + 6 bijlages. Lambrechts J., Verlinde R., Stassen E., Hendig P. & Verkem S. (2011a). Monitoring ecoduct ‘KIKBEEK’ over de E314 in Maasmechelen. Resultaten van het derde jaar na aanleg (T3: 2009). Arcadis iov Dienst NTMB. 107 pp+ 8 bijlages. Lambrechts J., Vanderheyden I. & Stijnen T. (2011b). Onderzoek naar de verspreiding van en opmaak van een soortbeschermingsplan voor de Vuursalamander in Vlaanderen. Arcadis i.o.v. ANB VlaamsͲ Brabant. 143 blz + kaartenbundel. Lambrechts J. (2013). Herontdekking van Kamsalamander (Triturus cristatus) in het Zoniënwoud te Tervuren. De Boomklever 41 (4): 138Ͳ141. Lambrechts J., Boers K., Keulemans G., Jacobs M., Moens L., Renders M. & Willems W. (2013a). Monitoring ecoduct ‘De Warande’ over de N25 in Meerdaalwoud (Bierbeek). Resultaten van het zevende jaar na aanleg (T7: 2012) en vergelijking met de T3 en T1. Natuurpunt Studie i.o.v. Vlaamse

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 227 van 261


Overheid, LNE, Dienst MilieuͲintegratie Economie en Infrastructuur. Rapport Natuurpunt Studie 2013/4, Mechelen. Lambrechts J., Boers K., Jacobs M., Mergeay J., Machielsen W., Lefevre A., Pandelaers C. & Puls S. (2013b). Opmeten van de huidige ecologische situatie (T0) in de omgeving van het geplande ecoduct Kempengrens over de E34 in Postel (Mol). Natuurpunt Studie i.o.v. Vlaamse Overheid, LNE, Dienst MilieuͲintegratie Economie en Infrastructuur. Rapport Natuurpunt Studie 2013/1, Mechelen. 166 p. Lambrechts J., Lewylle I., Vercayie D., Jacobs M. & Lefevre A. (2014). Monitoring ecoduct ‘Kikbeek’ over de E314 in Maasmechelen. Resultaten van het zevende jaar na aanleg (T7: 2013) en vergelijking met de T3 en T1. Natuurpunt Studie in opdracht van de Vlaamse Overheid, departement Leefmilieu, Natuur en Energie, afdeling MilieuͲintegratie en Ͳsubsidiëringen, Dienst MilieuͲintegratie Economie en Infrastructuur. Rapport Natuurpunt Studie 2014/3. Mechelen. Lambrechts J., Boers K., Feys S., Jacobs M., Machielsen W. & Lefevre A. (2017). Monitoring van het ecoduct Kempengrens over de E34 in Mol (T2). Natuurpunt Studie i.o.v. Vlaamse Overheid, LNE, Dienst MilieuͲintegratie Economie en Infrastructuur. Rapport Natuurpunt Studie 2017/1, Mechelen. Lambrechts J., Van Keer J., Jacobs M. & Zwaenepoel A. (2018). De spinnenfauna van de Binnenduinen te Knokke (Provincie WestͲVlaanderen). Onderzoek naar spinnen in functie van de opmaak van het beheerplan. Nieuwsbrief van de Belgische Arachnologische Vereniging 33 (2): 100Ͳ 125. Lambrechts J., Janssen M. & Jacobs M. (2019). De spinnenfauna op het ecoduct De Munt in Wuustwezel (Provincie Antwerpen), zeven jaar na de aanleg. Nieuwsbrief van de Belgische Arachnologische Vereniging 34 (1): 10Ͳ36. Lefevre A., Willems W. & Galens D. (2013). Vleermuizenmonitoring in Natura 2000 gebieden in het Brussels Gewest voor het jaar 2013. Rapport Natuurpunt Studie 2013/19, Mechelen, België. Lenders A.J.W. & Leerschool T. (2012). Kunstmatige schuilplekken voor reptielen. Een vergelijking in het gebruik van verschillend plaatmateriaal. Natuurhistorisch Maandblad 101/10: 213Ͳ218. Maelfait J.ͲP., Baert L., Janssen M. & Alderweireldt M. (1998). A Red list for the spiders of Flanders. Bulletin van het K.B.I.N. 68 :131Ͳ142. Maes D., Vanreusel W. & Van Dyck H. (2013). Dagvlinders in Vlaanderen: nieuwe kennis voor betere actie. Tielt: Uitgeverij Lannoo nv. Maes D., Baert K., Boers K., Casaer J., Criel D., Crevecoeur L., Dekeukeleire D., Gouwy J., Gyselings R., Haelters J., Herman D., Herremans M., Huysentruyt F., Lefebvre J., Lefevre A., Onkelinx T., Stuyck J., Thomaes A., Van Den Berge K., Vandendriessche B., Verbeylen G. & Vercayie D. (2014). Instituut voor NatuurͲ en Bosonderzoek, Brussel. De IUCN Rode Lijst van de zoogdieren in Vlaanderen. Rapporten van het Instituut voor NatuurͲ en Bosonderzoek (INBO.R.2014.1828211). Instituut voor NatuurͲ en Bosonderzoek, Brussel.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 228 van 261


Maes D., Adriaens T., Decleer K., Foquet B., Foquet R., Lambrechts J., Lock K. & Piesschaert F. (2017). IUCN Rode Lijst van de sprinkhanen en krekels in Vlaanderen. Rapporten van het Instituut voor NatuurͲ en Bosonderzoek 2017 (29). Instituut voor NatuurͲ en Bosonderzoek, Brussel. Muilwijk J., Felix R., Dekoninck W. & Bleich O. (2015). De loopkevers van Nederland en België (Carabidae). Entomologische Tabellen 9, 213 p. Muster, C. & Michalik P. (2020). Cryptic diversity in antͲmimic Micaria spiders (Araneae, Gnaphosidae) and a tribute to early naturalists. Zoologica scripta 49 (2): 197Ͳ209. Nijs G., Lambrechts J., Stassen E., Vanormelingen P. Lambeets K. & Feys S. (2016). De Grauwe klauwier in VlaamsͲBrabant: inventarisatie, habitatpreferentie en voedselbeschikbaarheid. Rapport Natuurpunt Studie 2016/5, Mechelen. Raes D. (2012). 4 jaar Dood doet Leven, ook in het Zoniënwoud. Eindverslag. Roberts M.J. (1998). Tirion spinnengids. Vertaald door Aart Noordam. Tirion, Baarn. 397 blz. Rodts J., Holsbeek L. & Muyldermans S. (1998). Dieren onder onze wielen (p. 190). Brussel: VUBͲ PRESS. Swinnen K., Vercayie D. & Van den Berge K. (2012). De otter is weer terug in Vlaanderen. In: Zoogdier, p. 13Ͳ15. Turin H. (2000). De Nederlandse loopkevers, verspreiding en ecologie (Coleoptera, Carabidae). Nederlandse fauna III. Naturalis, KNNV en EISͲNederland, Leiden. 666blz., 16 platen, met cdrom. Vanormelingen P., Schelfhout S., Foubert O., Eeraerts M. & D’Haeseleer J. (2019). Honingbijen in natuurgebieden: Mogelijke voedselcompetitie noopt tot voorzichtigheidsprincipe. Natuur.focus 18(4):154Ͳ161. Van de Poel S. (2016). Harvestman communities in small forest patches in European agricultural landscapes. [Master thesis, Universiteit Antwerpen, Antwerpen]. Van Dyck H., Maes D. & Brichau I. (2001). Toepassen van een multisoortenbenadering bij planning en evaluatie in het Vlaamse natuurbehoud. MINA 121/99/01. Rapport UA in opdracht van Ministerie van Vlaamse Gemeenschap (afdeling Natuur), Wilrijk. Van Keer K. (2011). Exotische spinnen in België. Een stand van zaken en recente trends. Natuur.Focus 10(3): 96Ͳ103. Van Landuyt W., Hoste I., Vanhecke L., Van den Bremt P. Vercruysse W. & De Beer D. (red.) 2006. Atlas van de Flora van Vlaanderen en het Brussels gewest. Nationale Plantentuin en het Instituut voor NatuurͲ en Bosonderzoek i.s.m. Flo.Wer vzw. Van Uytvanck J., Van Kerckvoorde A., Vandevoorde B. & De Blust G. (2017). Evaluatie en optimalisatie van de inventarisatiemethodiek en de beheerevaluatie voor bermen en dijken.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 229 van 261


Rapporten van het Instituut voor NatuurͲ en Bosonderzoek 2017 (32). Instituut voor NatuurͲ en Bosonderzoek, Brussel. Vercayie D., Herremans M., Verbeylen G., Verbelen D., Lambrechts J., Smets L., Degraeve K., Rodts J., Gielen K. & Vanreusel W. (2012). Monitoring van verkeersslachtoffers langs Vlaamse wegen: “Dieren onder de wielen”. Rapport van de Vlaamse overheid – Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, Natuurpunt Studie vzw en Vogelbescherming Vlaanderen vzw. België. Vercayie D. & Lambrechts J. (2014). Voorbereidende studie en opvolging van de monitoring van de ecologische infrastructuur ter ontsnippering van het Zoniënwoud, Monitoringplan, opgesteld door Natuurpunt Studie in opdracht van Agentschap voor Natuur en Bos, Mechelen. Vercayie D. & Herremans M. (2015). Citizen science and smartphones take roadkill monitoring to the next level. In: Seiler A, Helldin JͲO (Eds) Proceedings of IENE 2014 International Conference on Ecology and Transportation, Malmö, Sweden. IENE 2014. Nature Conservation 11: 29–40. Vercayie D. & Swinnen K. (2016). Voorbereidende studie en opvolging van de monitoring van de ecologische infrastructuur ter ontsnippering van het Zoniënwoud. Tussentijds rapport 1. Rapport Natuurpunt Studie 2016/2, Mechelen. Vercayie D. & Lambrechts J. (2017). Inventarisatie en evaluatie van de impact van het verkeer op wilde dieren in Vlaanderen – “Dieren onder de wielen 2.0”. Eindrapport. Rapport Natuurpunt Studie 2017/8, Mechelen. Vercayie D. & Swinnen K. (2017). Voorbereidende studie en opvolging van de monitoring van de ecologische infrastructuur ter ontsnippering van het Zoniënwoud. Tussentijds rapport 2. Rapport Natuurpunt Studie 2017/10, Mechelen. Vercayie D., Paquet A., Feys S., Willems W. & Paquet J.ͲY. (2017). Zoogdierenatlas van het Brussels gewest. 2001Ͳ2017. Rapport Natuurpunt Studie 2017/39, Mechelen. Vercayie D. & Swinnen K. (2018). Monitoring van de ecologische infrastructuur ter ontsnippering van het Zoniënwoud. Eindrapport. Rapport Natuurpunt Studie 2018/12, Mechelen. Verkem S., De Maeseneer J., Vandendriessche B., Verbeylen G. & Yskout S. (2003). Zoogdieren in Vlaanderen. Ecologie en verspreiding van 1987 tot 2002. Natuurpunt Studie en JNMͲ Zoogdierenwerkgroep, Mechelen en Gent, België. Wijnhoven H. (2009). De Nederlandse hooiwagens (Opiliones). Entomologische tabellen. www.zonienwoud.be/lifeozon

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 230 van 261


BIJLAGEN BIJLAGE 1 OVERZICHT VAN DE WAARGENOMEN PLANTENSOORTEN MET HERKOMST, AANDUIDING VAN EXOTEN, INVASIEVE PLANTEN EN AANPLANTEN Nederlandse naam Spaanse aak Gewone esdoorn Duizendblad Gewoon struisgras Gewoon reukgras Grote klit Gewone klit Bijvoet Madeliefje Koolzaad Zachte dravik Herderstasje IJle zegge Boszegge Haagbeuk Korenbloem Knoopkruid Wilde cichorei Akkerdistel Kale jonker Speerdistel Rode kornoelje Hazelaar Eenstijlige meidoorn Brem Peen Ruwe smele Vingerhoedskruid Smalle stekelvaren Mannetjesvaren Beuk Sporkehout Kleefkruid Glad walstro Liggend walstro

Wetenschappelijke naam Acer campestre Acer pseudoplatanus Achillea millefolium Agrostis capillaris Anthoxanthum odoratum Arctium lappa Arctium minus Artemisia vulgaris Bellis perennis Brassica napus * Bromus hordeaceus Capsella bursa Ͳ pastoris Carex remota Carex sylvatica Carpinus betulus Centaurea cyanus Centaurea jacea Cichorium intybus Cirsium arvense Cirsium palustre Cirsium vulgare Cornus sanguinea Corylus avellana Crataegus monogyna Cytisus scoparius Daucus carota Deschampsia cespitosa Digitalis purpurea Dryopteris carthusiana Dryopteris filix Ͳ mas Fagus sylvatica Frangula alnus Galium aparine Galium mollugo Galium saxatile

Rode Lijst Achteruitgaand

Herkomst Invasief AanplantͲ inzaai Inheems Ja Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Incidentele import Nee ja Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Ja Inheems Ja Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Ja Inheems Ja Inheems Ja Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Ja Inheems Ja Inheems Inheems Inheems

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 231 van 261


Nederlandse naam Ruw walstro Slipbladige ooievaarsbek Zachte ooievaarsbek Geel nagelkruid Hondsdraf Moerasdroogbloem Gestreepte witbol Gladde witbol Hop Liggend hertshooi Kantig hertshooi Gewoon biggenkruid Klein springzaad Jakobskruiskruid Pitrus Kompassla Akkerkool Boslathyrus Margriet Vlasbekje Korrelganzenvoet Italiaans raaigras Gewone rolklaver Moerasrolklaver Ruige veldbies Grote veldbies Echte kamille Hopklaver Luzerne Eenbloemig parelgras Witte honingklaver Bosgierstgras Drienerfmuur Akkervergeet Ͳ mij Ͳ nietje Grote klaproos Beklierde duizendknoop Perzikkruid Groot hoefblad Smalle weegbree Grote weegbree Ruw beemdgras Gewoon varkensgras Zilverschoon

Wetenschappelijke naam Galium uliginosum

Rode Lijst

Herkomst Inheems

Geranium dissectum Geranium molle Geum urbanum Glechoma hederacea Gnaphalium uliginosum Holcus lanatus Holcus mollis Humulus lupulus Hypericum humifusum Hypericum maculatum Hypochaeris radicata Impatiens parviflora Jacobaea vulgaris Juncus effusus Lactuca serriola Lapsana communis Lathyrus sylvestris Leucanthemum vulgare Linaria vulgaris Lipandra polysperma Lolium multiflorum Lotus corniculatus Lotus pedunculatus Luzula pilosa Luzula sylvatica Matricaria chamomilla Medicago lupulina Medicago sativa Melica uniflora Melilotus albus Milium effusum Moehringia trinervia

Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Ingeburgerd Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Ingeburgerd Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Ingeburgd Inheems Ingeburgerd Inheems Inheems

Myosotis arvensis Papaver rhoeas

Inheems Inheems

Persicaria lapathifolia Persicaria maculosa Petasites hybridus Plantago lanceolata Plantago major Poa trivialis Polygonum aviculare Potentilla anserina

Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems

Invasief AanplantͲ inzaai ja

Ja

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 232 van 261


Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Gewone brunel Prunella vulgaris Zoete kers Prunus avium Vogelkers Prunus padus Sleedoorn Prunus spinosa Adelaarsvaren Pteridium aquilinum Wintereik Quercus petraea Zomereik Quercus robur Scherpe boterbloem Ranunculus acris Kruipende boterbloem Ranunculus repens Wilde reseda Reseda lutea Wouw Reseda luteola Robinia Robinia pseudoacacia Gewone braam Rubus Sec. Rubus Framboos Rubus idaeus Veldzuring Rumex acetosa Schapenzuring Rumex acetosella Kluwenzuring Rumex conglomeratus Krulzuring Rumex crispus Ridderzuring Rumex obtusifolius Schietwilg Salix alba Geoord helmkruid Scrophularia auriculata Bezemkruiskruid Senecio inaequidens Dagkoekoeksbloem Silene dioica Avondkoekoeksbloem Silene latifolia Blaassilene Silene vulgaris Echte guldenroede Solidago virgaurea Wilde lijsterbes Sorbus aucuparia Rode schijnspurrie Spergularia rubra Bosandoorn Stachys sylvatica Grasmuur Stellaria graminea Boerenwormkruid Tanacetum vulgare Kleine klaver Trifolium dubium Rode klaver Trifolium pratense Witte klaver Trifolium repens Reukeloze kamille Tripleurospermum maritimum Klein hoefblad Tussilago farfara Grote brandnetel Urtica dioica Zwarte toorts Verbascum nigrum Gewone ereprijs Veronica chamaedrys Grote ereprijs Veronica persica Gelderse roos Viburnum opulus Vogelwikke Vicia cracca Ringelwikke Vicia hirsuta Voederwikke Vicia sativa

Rode Lijst

Herkomst Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems

Achteruitgaand

Inheems Inheems Inheems Ingeburgerd Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Ingeburgerd Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems Inheems

Invasief AanplantͲ inzaai Ja Ja

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 233 van 261

Ja Ja

Ja

Ja


Nederlandse naam Akkerviooltje

Wetenschappelijke naam Viola arvensis

Rode Lijst

Herkomst Inheems

Invasief AanplantͲ inzaai

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 234 van 261


BIJLAGE 2 OVERZICHT VAN DE WAARNEMINGEN VAN DE INVASIEVE EXOTEN OP HET ECODUCT

omgevingvlaanderen.be


BIJLAGE 3 VEGETATIEKAART

pagina 236 van 261

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////


BIJLAGE 4 FOTOͲBIJLAGEN VLEERMUIZEN Detector ecoduct oost

microfoon

detector

Detector ecoduct oost. De microfoon bevindt zich bovenop de aardkluit van de boomwortels.

omgevingvlaanderen.be


detector

Detector ecoduct oost, zicht naar het zuiden.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 238 van 261


microfoon

detector Detector ecoduct oost, zicht naar het westen.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 239 van 261


Detector ecoduct centraal

Detector ecoduct centraal, periode 1, zicht naar het zuiden. De microfoon bevindt zich rechts aan de detector zelf.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 240 van 261


Detector ecoduct centraal, periode 1, zicht naar het zuidwesten.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 241 van 261


detector

Detector ecoduct centraal, periode 1, zicht naar het noordwesten. De locatie voor de volgende 3 perioden bevindt zich aan het volgende aangeplante boompje, rechts net buiten beeld.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 242 van 261


microfoon

Detector ecoduct centraal, periode 2, 3 en 4, zicht naar het zuiden.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 243 van 261


Detector ecoduct west

microfoon

Detector ecoduct west, zicht naar het noorden.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 244 van 261


Detector tunnel Flossendelle

microfoon

Detector tunnel Flossendelle, zicht naar het oosten.

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 245 van 261


BIJLAGE 5 BESCHRIJVING VAN DE BODEMVALLOCATIES We geven een beknopte beschrijving van de 16 bodemval locaties op het ecoduct Groenedaal: 1) De raai van acht bodemvallen centraal op het ecoduct:

Bodemval EG1 ligt tegen de schanskorven aan de zuidrand van het ecoduct. De schanskorven en de rest van het talud fungeren als geluidsͲ en visueel scherm. Op enkele meters afstand ligt een reptielenplaat. 19 maart 2019 (foto: Jorg Lambrechts).

EG2 in een grazige zone, op enkele meters van de zuidrand van het ecoduct. Nabij de vallen is recent struweel aangeplant. Foto genomen in westwaartse richting, met zicht op de voormalige renbaan van Groenendaal. 19 maart 2019 (foto: Jorg Lambrechts). /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 246 van 261


De vegetatie op het ecoduct is later op het jaar sterk opgeschoten. Beeld van bodemval EG2 op 5 augustus 2019 (foto: Simon Feys).

Zicht op EG3 op 19 maart 2019. Veel kale bodem. Foto genomen naar het noorden (foto: Simon Feys).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 247 van 261


Ook later op het jaar is er nog heel wat kale bodem aanwezig tussen de hoge vegetatie. 30 juli 2019 (foto: Simon Feys).

EG4 en EG5 situeren zich in de centrale stobbenwal op het ecoduct.

Jorg Lambrechts plaatst bodemval EG4 in de stobbenwal op 19 maart 2019 (foto: Simon Feys).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 248 van 261


Bodemval EG4 situeert zich in de stobbenwal. 19 maart 2019 (foto: Jorg Lambrechts).

Bodemval EG5 situeert zich in een minder fors deel van de stobbenwal. Foto genomen naar het zuiden. 19 maart 2019 (foto: Simon Feys).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 249 van 261


Bodemval EG6 ligt op een verhoogde richel centraal over de lengte van het ecoduct, parallel aan de stobbenwal. Op deze richel zijn bomen aangeplant. Direct rond de bodemval is op het moment van plaatsing veel kale bodem.

Bodemval EG6 op een richel net ten noorden van de stobbenwal. Foto genomen naar het westen. 19 maart 2019 (foto: Jorg Lambrechts).

Bodemval EG6. 30 juli 2019 (foto: Simon Feys).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 250 van 261


Bodemval EG7 net ten noorden van de richel. Foto genomen naar het westen. Simon Feys en Andreas Baele zijn een cameraval aan het ophangen. 19 maart 2019 (foto: Jorg Lambrechts).

Vier maanden later is de vegetatie rond bodemval EG7 sterk opgeschoten. 30 juli 2019 (foto: Simon Feys).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 251 van 261


Bodemval EG8 ligt tegen de schanskorven aan de noordrand van het ecoduct. Deze plek is zuidgeoriënteerd en beschut gelegen, en kan als ‘warm’ getypeerd worden. 19 maart 2019 (foto: Jorg Lambrechts).

Beeld van EG8, op 30 juli 2019 (foto: Simon Feys).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 252 van 261


2) De vier bodemvallen ten westen van de R0: drie op het westelijk aanlooptalud van het ecoduct en één referentielocatie in bos:

Bodemval EG9 ligt ten westen van het ecoduct, langs een ril van boomstammen, met erlangs aangeplant struweel. Foto westwaarts genomen, met zicht op graslanden voormalige renbaan. 19 maart 2019 (foto: Jorg Lambrechts).

Detail bodemval EG9, tussen de dominante Witte klaver, op 30 juli 2019 (foto: Simon Feys).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 253 van 261


Bodemval EG10 situeert zich langs dezelfde ‘boomstammenril’ dan EK9, maar lager op de helling, dus verder westwaarts. Bemerk het aangeplant struweel. 19 maart 2019 (foto: Jorg Lambrechts).

Detail bodemval EG10, op 5 augustus 2019 (foto: Simon Feys).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 254 van 261


Bodemval EG11 ligt net ten zuidwesten van het ecoduct, aan het noordelijke uiteinde van een andere ‘boomstammenril’. Ook hier is veel struweel aangeplant. Foto genomen in zuidwaartse richting. 19 maart 2019 (foto: Jorg Lambrechts).

Zicht op de locatie waar bodemval EG11 staat, op 30 juli 2019 (foto: Simon Feys).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 255 van 261


Bodemval EG12 staat in een beukenbos net ten noordwesten van het ecoduct. Dit is een referentielocatie, want de enige bodemvalͲlocatie ten westen van het ecoduct die ongewijzigd bleef bij de aanleg. Foto genomen in zuidwaartse richting, naar ecoduct toe. 19 maart 2019 (foto: Jorg Lambrechts).

In tegenstelling tot de meeste andere locaties (uitgezonderd EG15), ziet de kruidlaag in EG12 er in de zomer zeer gelijkaardig uit. 30 juli 2019 (foto: Simon Feys).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 256 van 261


3) De vier bodemvallen ten oosten van de R0: drie op het oostelijk aanlooptalud van het ecoduct en één referentielocatie in de bosrand:

Bodemval EG13 ligt aan de zuidzijde van de centrale ‘boomstammenril’, vrij hoog op het oostelijk aanlooptalud. Enkele meters verder ligt een ‘slangenplaat’. Foto genomen naar het westen. 19 maart 2019 (foto: Jorg Lambrechts).

EG13. Foto genomen naar het oosten. 30 juli 2019 (foto: Simon Feys).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 257 van 261


Bodemval EG14 is langs dezelfde boomstammenril als EG13 geplaatst, maar veel lager op de helling van het aanlooptalud van het ecoduct, op beperkte afstand van de bosrand (zichtbaar op achtergrond). 19 maart 2019 (foto: Jorg Lambrechts).

Zicht op bodemval EG14, op 30 juli 2019 (foto: Simon Feys).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 258 van 261


Bodemval EG15 staat in het bos aan de voet van het oostelijk aanlooptalud van het ecoduct. Dit is een referentielocatie, want de enige bodemvalͲlocatie ten oosten van het ecoduct die ongewijzigd bleef bij de aanleg (cfr. EG12). Foto genomen in oostwaartse richting. 19 maart 2019 (foto: Jorg Lambrechts).

De vegetatie in de kruidlaag op de locatie EG15 is in de zomer niet sterk toegenomen. 5 augustus 2019 (foto: Simon Feys).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 259 van 261


Zicht op bodemval EG15, in de bosrand. Foto genomen in westelijke richting. De overgang van het ongestoorde bos naar het aangelegde ecoduct is duidelijk. Links op foto Simon Feys, trekker van de T1Ͳmonitoring in 2019 op het ecoduct Groenendaal, beschreven in voorliggend rapport. Rechts op foto Andreas Baele, stuwende kracht achter de eerdere monitoring. 19 maart 2019 (foto: Jorg Lambrechts).

Zicht op bodemval EG16, opgesteld tussen jonge aanplant op het noordwaarts gerichte aanlooptalud, ten noordoosten van het ecoduct. Op moment van plaatsing was het er vochtig (dicht geslempte bodem). 19 maart 2019 (foto: Jorg Lambrechts).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 260 van 261


Zicht op bodemval EG16, in een dichte vegetatie met veel Witte klaver. 5 augustus 2019 (foto: Simon Feys).

/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 261 van 261


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
2021-02-24_ecoduct_groenendaal_eindrapport_web_0.pdf by Vlaanderen-be - Issuu