INSTEMMINGSDECREET MET HET SAMENWERKINGSAKKOORD POST-ORINT
Advies van de Vlaamse Raad voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, Wetstraat 34-36, 1040 Brussel W www.vlaamseraadwvg.be – T +32 2 209 01 11 – E info@vlaamseraadwvg.be
Adviesvraag
Voorontwerp van decreet houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van xxx tussen de Vlaamse gemeenschap, het Waalse Gewest, de Gemeenschappelijke gemeenschapscommissie en de Duitstalige Gemeenschap betreffende de samenwerking tussen de deelentiteiten met betrekking tot de gezinsbijslagen
Adviesvrager
Wouter Beke - Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid, Gezin en Armoedebestrijding
Ontvangst adviesvraag
25 januari 2022
Decretale opdracht
adviesfunctie
Goedkeuring
Sectorale kamer Gezin en Jongerenwelzijn op 17 februari 2022
Contactpersoon
Annick De Donder
addonder@serv.be
Advies Het Interregionaal Orgaan voor de Gezinsbijslag (Orint) is in het leven geroepen zodat de deelentiteiten ook na de regionalisering van de gezinsbijslagen sommige aspecten ervan nog samen konden beheren. Na de uitstap van de Vlaamse Gemeenschap uit het Orint zijn over een aantal van de opdrachten van het platform nieuwe afspraken nodig. Daartoe sluiten de deelentiteiten nu een nieuw samenwerkingsakkoord waarin afspraken worden gemaakt over de verdere samenwerking. Over deze regelgeving vraagt de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid, Gezin en Armoedebestrijding, Wouter Beke, advies aan de Vlaamse Raad WVG. De adviesvraag is binnen de raad behandeld door de kamer Gezin en Jongerenwelzijn, die het advies bij consensus goedkeurde op 17 februari 2022. De raad vindt het belangrijk dat de opdrachten van het Orint met dit samenwerkingsakkoord op een goede manier worden voortgezet. Ten eerste omdat de uitvoering van deze opdrachten een impact heeft op gezinnen met kinderen. Ten tweede omdat er via het platform de nodige coördinatie en afstemming gebeurt tussen de deelentiteiten, alsook een bredere coördinatie wanneer het gaat over internationale kinderbijslagdossiers. Daarom vraagt de raad om de geplande tweejaarlijkse evaluatie van de verdeelsleutel (voor de kosten en werklast) uit te breiden met elementen die peilen naar de effectieve werking van het nieuwe platform. In het bijzonder de borging van expertise, de gelijke behandeling van dossiers door de deelentiteiten en een klantvriendelijke aanpak zijn zaken die ook geevalueerd moeten worden. Met het opzetten van een nieuwe constructie zou men op elk van deze domeinen stappen vooruit kunnen zetten tegenover de werking van het huidige Orint. Maar de raad vindt in de begeleidende documenten bij het samenwerkingsakkoord hierover geen ambities terug. Dit stemt tot ongerustheid. Ook wat betreft het gezamenlijk opnemen van de rol als verbindingsorgaan in internationale context is de raad ongerust. Hij vreest dat in de praktijk er vanuit België geen positie zal ingenomen worden. Voorts stelt de raad zich vragen bij de verdeling van de kosten in dit samenwerkingsverband (artikels 3, 6, 7, 8, 9 en 10). De verdeling zou gebeuren zoals voorzien in artikel 47/5, § 5 van de Bijzondere Wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, met dus een verdeelsleutel op basis van het aantal inwoners van nul tot en met 18 jaar in elke regio. De raad vraagt zich af of dit een billijke manier is om de kosten te verdelen. Aanvragen met betrekking tot de correcte toepassing van de aanknopingsfactoren om de bevoegdheid inzake de gezinsbijslagen te bepalen, moeten tijdig beantwoord worden. Bij 3
het uitblijven van een antwoord mogen er geen nadelige gevolgen zijn voor de gezinnen (artikel 4). Het samenwerkingsakkoord bepaalt dat voor deze aanvragen bij een binnenlandse of buitenlandse dienst of instelling, of bij de betrokkene zelf, de behandelingstermijn geschorst kan worden. Voor binnenlandse diensten of instellingen zou een antwoord zelfs kunnen uitblijven en neemt de deelentiteit een beslissing op basis van de gegevens waarover ze wel beschikt. De raad kan zich niet vinden in deze werkwijze en verwacht van een binnenlandse dienst of instelling dat er weldegelijk wordt gereageerd en dat de nodige informatie stipt aangeleverd wordt. Een vlotte informatiedoorstroming is belangrijk in functie van een tijdige dossierbehandeling voor de gezinnen. Als het antwoord van een binnenlandse dienst toch uitblijft, dan zou een beslissing in het voordeel van het kind en het gezin genomen moeten worden. Het zou beter zijn om de mogelijkheden voor conflictbehandeling in het samenwerkingsakkoord uit te breiden (artikel 7). Nu is voorzien dat conflicten tussen de deelentiteiten eerst beslecht worden via een bemiddeling in een ad hoc commissie samengesteld uit een vertegenwoordiger van elke deelentiteit of – wanneer bemiddeling geen oplossing biedt - via een samenwerkingsgerecht. Ook de raad wil bemiddeling alle kansen geven. Het zou daarom beter zijn om een alternatieve conflictoplossing toe te voegen via bemiddeling door een erkend bemiddelaar. Tot slot geeft de raad nog een taalkundige correctie mee: in artikel 5 bij de zin ‘De deelentiteiten zijn, elk wat hen betreft, verwerkingsverantwoordelijke voor bovenvermelde persoonsgegevens zij verwerken’ ontbreekt het woordje ‘die’ tussen de woorden ‘persoonsgegevens’ en ‘zij’.
4