Skip to main content

Jaarverslag_OVAM_2000.pdf

Page 1

JaarvErslag 2000

1

OVAM, uw beleidspartner in afval en bodem


TEN GELEIDE

Méér dan ooit was beleidsvoorbereiding tijdens het jaar 2000 een topprioriteit. Er werden strategische plannen opgesteld voor de beleidsvelden afval en bodemsanering. In uitvoering van het bodemsanerings- en het afvalstoffendecreet hebben we voor de bestaande uitvoeringsbesluiten, met name het VLAREBO en VLAREA, de nodige wijzigingen geformuleerd. Dit voorjaar worden ze aan de Vlaamse regering ter goedkeuring voorgelegd. In uitvoering van de Beleidsnota en de prioriteiten van onze minister van Leefmilieu en Landbouw, hebben we enkele belangrijke strategische projecten inzake preventie en eindverwerking opgestart. Via een kritische analyse inzake het globale takenpakket van de OVAM hebben we onderzocht welke kerntaken absoluut prioritair blijven en welke taken eventueel onder sturing van de OVAM qua uitvoering door private organisaties kunnen worden uitgevoerd. 2

Deze activiteitenanalyse vormde vervolgens de basis van het project 'Integratie en dynamiek' dat in het beleidsdomein Leefmilieu samen met Aminal, de VMM en de VLM uitgewerkt wordt teneinde de toekomstige herstructurering van de Vlaamse administratie voor te bereiden en te onderbouwen. 2000 was een jaar waarin een aantal belangrijke preventie-initiatieven geconcretiseerd werden. Zo werd het STIP (Steunpunt en Informatiecentrum voor Preventie van afval en emissies) opgericht. STIP is op korte termijn uitgegroeid tot een forum waar de betrokken actoren hun ervaringen rond afvalpreventie kunnen uitwisselen. Deze (praktijk)ervaringen worden bovendien verzameld en toegankelijk gemaakt voor alle geïnteresseerden via de STIP-website. In hun bedrijfsvoering worden bedrijven zich steeds meer bewust van de noodzaak om rekening te houden met het milieu. Een nog heersende foutieve opvatting is echter dat milieuvriendelijke bedrijfsvoering staat voor extra financiële kosten. Na proefdraaien in een aantal bedrijven heeft de OVAM een gebruiksvriendelijk softwarepakket uitgewerkt om dit te weerleggen en om afvalpreventie te stimuleren. Dit pakket kreeg de naam MAMBO ('Minder afval, meer bedrijfsopbrengsten') en werd ruim gepromoot bij de bedrijven. Via het invoeren van een aantal basisgegevens brengt dit programma de reële afvalkost van het bedrijf in kaart en die blijkt gemiddeld met een factor 6 à 10 te worden onderschat. Meer dan 10.000 Vlaamse bedrijven kregen via een mailing uitvoerige informatie.


Hoewel we duidelijk nog een lange weg af te leggen hebben, is het verheugend te kunnen vaststellen dat Vlaanderen het nieuwe millennium is gestart als medekoploper op Europees niveau, zowel inzake het afval- als het bodemsaneringsbeleid. Via deze weg wil ik alle OVAM-medewerk(st)ers en politieke beleidsverantwoordelijken bedanken die dit mee ontwikkeld en gedragen hebben. Ik ben er zeker van dat we ook op hun verdere steun kunnen rekenen voor de uitdagingen die de toekomst nog inhoudt.

ir. Frank Parent administrateur-generaal

3


ADMINISTRATIE-GENERAAL Vanuit het perspectief van de beleidsfuncties komt, naast beleidsuitvoering en beheer, de beleidsvoorbereiding steeds meer op de voorgrond. Het afvalbeleid vereist een planmatige formulering van doelstellingen, een systematische inzet van beleidsinstrumenten en een gedegen organisatie van de personele, financiële en andere middelen. Vanuit de staf bij de administateur-generaal wordt de planning in zijn diverse aspecten geïnitieerd en/of opgevolgd. Sinds 1998 heeft de OVAM een strategisch planningsproces opgezet om het geheel van plannen, programma’s, projecten en taken doeltreffend en doelmatig uit te voeren in een steeds veranderende omgeving. De OVAM is sinds 1998 ook partner binnen het Gewestelijk Milieu-overleg (GMO), waarvan verder de VLM (Vlaamse Landmaatschappij), de VMM (Vlaamse Milieumaatschappij) en AMINAL (Administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer) deel uitmaken. De OVAM is daardoor mede verantwoordelijk voor de milieubeleidsplanning van het Vlaamse Gewest. We werken mee aan het opstellen van milieubeleidsplannen en milieujaarprogramma’s, overeenkomstig de decretale bepalingen, en aan het toezicht op de uitvoering. De OVAM vaardigt hiervoor een deskundige af in de Planningsgroep, en een planningsverantwoordelijke en themacoördinator in het Permanent Planningsoverleg.

4

Het plannningsproces inzake het afval- en bodemsaneringsbeleid wordt verder decentraal binnen de OVAM opgenomen door de betrokken sectoren, zowel op het strategische als op het operationele niveau. Aan volgende projecten werd in 2000 extra aandacht besteed: • Strategische plannen voor de sectoren afval en bodem als resultaat van het interne planningsproces • Uitvoeringsplannen met decretale basis voor de sector afval in het kader van de milieubeleidsplannen • Strategische projecten in uitvoering van de Beleidsnota en Beleidsbrieven Leefmilieu van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw • het analyseren en optimaliseren van het takenpakket van de OVAM (A-, B- en C–taken). De projectgroep ontwikkelde een methodiek van activiteitenanalyse en categorisering. Deze methodiek diende als basis voor het strategisch project van het kabinet ‘Integratie en dynamiek’. Hierin werd de koppeling gelegd met de input/output en met de personeelsbezetting. • Milieujaarprogramma's 2000 en 2001 Het afgelopen jaar was de OVAM betrokken bij de uitvoering van het Milieujaarprogramma (MJP) 2000 en de voorbereiding van het MJP 2001. Beide programma’s zijn gekoppeld aan de begrotingscyclus en geven uitvoering aan het Milieubeleidsplan 1997-2001 (het MINA-plan 2). Het MJP 2001, dat op 15 december 2000 werd vastgesteld door de Vlaamse regering, spitst zich toe op de activiteiten voor het jaar 2001 en biedt ook informatie over wat er in de periode 1997-2000 al uitgevoerd werd.


De uitvoering van de acties van het thema ‘Verontreiniging door afvalstoffen’ verloopt met de inzet van heel beperkte extra middelen volgens schema. Over de resultaten wordt verder in dit jaarverslag gerapporteerd. Jaarlijks wordt een lijst met het lopende en geplande onderzoek opgesteld en goedgekeurd: het programma Toegepast Wetenschappelijk Onderzoek Leefmilieu (TWOL). De OVAM is verantwoordelijk voor de onderzoeksprogrammering voor de sectoren afval en bodem. In 2000 leverden we een bijdrage aan het TWOL 2001. We maakten hierbij gebruik van het geautomatiseerde opvolgingssysteem van het GMO. Dit systeem bevat, naast de module voor de opvolging van de acties van het MINA-plan 2, ook een module onderzoek waarin de ervaring van het OVAM-DEO onderzoeksopvolgingssysteem opgenomen is. Met deze module 'onderzoek' zal het TWOL niet alleen functioneren bij het uitwisselen van informatie en het monitoren van het milieubeleidsplan, maar ook als kennisdatabank voor het totale leefmilieuonderzoek. Dat wordt verder uitgewerkt in het strategisch project van het kabinet ‘ Stroomlijning wetenschappelijk onderzoek’. • Aanloop naar een volgend milieubeleidsplan In het najaar van 1999 werd het strategisch planningsproces van de OVAM geactualiseerd. De strategische en operationele doelstellingen spelen in op de nieuwe accenten die de nieuwe Vlaamse regering en de minister van Leefmilieu en Landbouw in het beleid wensen te leggen. Het Vlaamse afval- en saneringsbeleid staat niet alleen: de doelstellingen zijn ook afgestemd op federale en Europese beleidsontwikkelingen. Het opstellen van de strategische plannen binnen de OVAM sloot dan ook begin 2000 uitstekend aan op de aanloop naar een volgend milieubeleidsplan. Door de complexer wordende planningstructuur en de uitdaging om de uitvoering van het bestaande milieubeleidsplan te combineren met opmaak van een volgend plan, werd aan het PPO (Permanent Planningsoverleg rond het MINA-plan 2) een werkgroep toegevoegd. In die werkgroep, het PPO+ (Permanent Planningsoverleg rond het nieuwe milieubeleidsplan), vaardigde de OVAM de planningsverantwoordelijke en ook twee nieuwe themacoördinatoren af. Naast het thema ‘Verontreiniging door afvalstoffen’ staat de OVAM nu ook in voor de coördinatie van het nieuwe thema ‘Verontreiniging en aantasting van de bodem’. In de loop van 2000 nam de werkgroep deel aan een voorbereidend seminarie, aan verschillende werksessies en aan de consultatie van (of overleg met) de doelgroepen en het maatschappelijke middenveld in samenwerking met de secretariaten van de SERV en de MINA-raad. De OVAM werkte in 2000 ook mee aan het scenariorapport MIRA-S 2000. Dit rapport beschrijft de te verwachten ontwikkelingen van het milieu bij ongewijzigd en bij gewijzigd beleid en een verkenning van een aantal oplossingsrichtingen op termijn. In dat opzicht was het rapport een belangrijke bron van informatie voor het volgende ontwerp milieubeleidsplan. Het was ook een referentie bij de opmaak van het MJP 2001 omdat er geen afzonderlijk MIRA-themarapport werd gemaakt.

5


Begin 2001 diende het GMO een eerste versie van het ontwerp milieubeleidsplan in bij de minister van Leefmilieu en Landbouw. De minister oordeelde echter dat het nog niet opportuun is om met het ontwerpplan zoals het nu voorligt al in openbaar onderzoek te gaan. Daarvoor zijn de toekomstige taken en strategieën nog onvoldoende vertaald in een aangepaste organisatievorm met de eraan gekoppelde benodigde middelen en mensen. Om op deze vraagstukken een antwoord te krijgen, wachten we op de resultaten van de strategische projecten ‘Financiering van het milieubeleid’ en ‘Integratie en dynamiek’. Het MJP 2001 is dus waarschijnlijk niet het laatste programma van de lopende planperiode. Het MJP 2002 zal zich toespitsen op de volledige realisatie van het Milieubeleidsplan 1997-2001. Om het beleid te structureren zullen de Beleidsnota, de Beleidsbrieven Leefmilieu en de strategische projecten die daaruit voortvloeien, verder worden uitgewerkt. Er komt nu ook meer tijd beschikbaar voor verder overleg met de administraties en de andere bestuursniveaus, de doelgroepen en het maatschappelijke middenveld en de overige leden van de Vlaamse regering.

Openheid: de troef in de OVAM-dienstverlening 6

Om invulling te geven aan haar missie, met name 'het beheersen van de afvalstoffen- en bodemsaneringsproblematiek in Vlaanderen', zet het OVAM-personeel zich ten volle in om haar deskundigheid voortdurend uit te breiden en te vertalen in de dagelijkse aanpak van dossiers. Het realiseren van onze missie vergt tegelijkertijd een breed draagvlak bij en de ondersteuning van het ruime publiek en milieuen politieke organisaties. Door haar grote maatschappelijke gevoeligheid komt de afvalstoffen- en bodemproblematiek regelmatig in de actualiteit. Daarom is het noodzakelijk om via een (pro)actief informatiebeleid naar de pers een correcte, evenwichtige benadering in de hand te werken die een positieve profilering van de OVAM bevordert. Het is de opdracht van de woordvoerster en PR-verantwoordelijke om dit beleid te helpen realiseren. Het snel en accuraat inspelen op vragen vanwege de pers is een sleutelactiviteit van het woordvoerderschap, een proactief informatiebeleid realiseren is echter meer. Zo werden in 2000 regelmatig persconferenties georganiseerd of persberichten verspreid omtrent beleidsrelevante thema's, zoals de inventarisatie van de huishoudelijke afvalstoffen en de stand van zaken in de uitvoering van het bodemsaneringsdecreet. Daarnaast hebben we sensibiliseringscampagnes gelanceerd rond ambtshalve saneringen of afvalstoffenverwijderingen en studieresultaten onder de aandacht gebracht. Enkele voorbeelden hiervan zijn het Weekend van de Compostmeester, de campagne rond hergebruik, de aanpak van de illegale rubberstorten of de presentatie van een studie over de impact en aanpak van de problematiek van de zinkassenwegen. Aan het PR-beleid werd in 2000 voornamelijk invulling gegeven door het opstellen van een ontwerpbeleidsplan


en als gevolg daarvan door actief te participeren in talrijke interne en externe projecten waarij communicatie en informatie centraal staan. Enkele voorbeelden zijn het PREMAZ-project, het studiesyndicaat benzinestations, de lancering van het STIP, de communicatieaanpak in het ISVAG-dossier en de presentatie van het MAMBO-project. De bevolking komt, ondanks haar gevoeligheid voor de afvalstoffen- en bodemproblematiek, zelden rechtstreeks in contact met de OVAM. Dat is anders in dossiers van (ambtshalve) afvalstoffenverwijdering en bodemverontreiniging en de sanering ervan. Van bij het begin hechtte de OVAM in deze dossiers veel belang aan een goede communicatie. Dit beleid werpt stilaan vruchten af. We zijn er namelijk in geslaagd een negatief imago om te zetten in een situatie waarbij de OVAM steeds meer ervaren wordt als een betrouwbare informatiebron. De woordvoerster adviseert daarbij intern en extern over de aanpak en organisatie van informatievergaderingen voor omwonenden. Belangrijke informatievergaderingen waren er dit jaar bijvoorbeeld in de Kouterwijk in Sint-Amands, in Sint-Truiden over de MONROE-site, in Zwevegem bij Bekaert en de vergaderingen rond de verbrandingsoven ISVAG. Voor dit type dossier heeft de woordvoerster ook een plan van aanpak uitgewerkt, dat op verschillende studiedagen of symposia werd toegelicht zodat ook bedrijven en communicatiebureaus hiervan kunnen gebruikmaken. De imagovorming van de OVAM wordt verder ondersteund door de participatie in diverse commissies inzake communicatie (o.a. MOVI, MINA-raad) en in redactieraden. Zoals elk jaar staat de woordvoerster in voor de samenstelling van dit jaarverslag en de driemaandelijkse nieuwsbrief 'OpgeruimD', die steeds meer lezers krijgt. Dit alles kan enkel gerealiseerd worden door het in stand houden van een intensief intern netwerk. Een actief, kwalitatief informatiebeleid kan alleen maar slagen dankzij een permanente communicatiebereidheid en -alertheid bij elk van de OVAM-medewerkers. Zij zorgen namelijk voor de heel belangrijke inhoudelijke invulling van de boodschappen die we verspreiden.

7


BODEMONDERZOEK EN ATTESTERING SANERING Nadat het Vlaams parlement in 1998 besliste om het bodemsaneringsdecreet te wijzigen, verzocht het kabinet van Leefmilieu de OVAM een ontwerptekst op te stellen voor de wijziging van het VLAREBO (Vlaams Reglement betreffende de Bodemsanering). De vorige Vlaamse regering keurde deze tekst principieel goed. Op verzoek van de nieuwe Vlaamse regering heeft de OVAM de ontwerptekst opnieuw geëvalueerd. Begin 2000 heeft de regering advies gevraagd over de aangepaste tekst van de SERV (Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen), de MINA-raad en de Raad van State. De SERV en de MINA-raad keurden de tekst reeds goed, op het advies van de Raad van State wordt nog gewacht.

REGISTER Sinds 1 oktober 1996 moet iedereen die een overeenkomst over de overdracht van gronden wil sluiten, eerst bij de OVAM een bodemattest aanvragen. Uiterlijk een maand na de ontvankelijke aanvraag levert die een bodemattest af; voor risicogronden bedraagt de wettelijke termijn twee maanden. Als een grond is opgenomen in het register van verontreinigde gronden, dan wordt dat vermeld op het bodemattest; in het andere geval spreken we van een blanco bodemattest. Vanaf april 2000 wordt op de OVAM-website aangegeven welke bodemattestaanvragen er op die welbepaalde dag in

8

behandeling zijn. Dagelijks worden gemiddeld 750 bodemattesten op aanvraag afgeleverd. De afleveringstermijn voor een blanco bodemattest bedraagt gewoonlijk niet meer dan een week na de ontvankelijke aanvraag. Eind 2000 waren er ruim 18.000 percelen opgenomen in het register van verontreinigde gronden. Een deel hiervan wacht nog op de technische eindbeoordeling. Daarnaast is er ook een databank met informatie over bodembedreigende activiteiten. Deze inventaris omvat bijna 22.000 percelen. Er is ook een koppeling gemaakt met de bodemattestaanvragen waardoor de aanvrager in voorkomend geval een begeleidende brief krijgt met informatie over de bodembedreigende activiteiten. Dit systeem wordt op termijn vervangen door de gemeentelijke inventaris.

GIS – geografisch informatiesysteem Voor de invoering van een geografisch informatiesysteem werken we samen met het Ondersteunend Centrum GIS-Vlaanderen dat zijn eigen procedure ook voorstelt aan andere instanties die een GIS willen toepassen. In samenwerking met het Ondersteunend Centrum GIS-Vlaanderen en de nv Geographic Information Management (GIM) hebben we in 2000 de eerste 3 van de 4 fasen van het project ‘Implementatie van een geografisch informatiesysteem bij de OVAM’ afgerond. Bij de aanvang van de tweede fase werd duidelijk dat de invoering van een derde generatie GIS enkel kan gebeuren samen met een herziening


van de administratieve toepassing, omdat de ruimtelijke informatie rechtstreeks in de databank wordt ondergebracht. Aangezien deze herziening maar over enkele jaren gepland wordt, hebben we geopteerd om in afwachting hiervan een voorlopige eerste generatie GIS te realiseren waarin de ruimtelijke informatie los staat van de databank. In fase 2 werd het ontwerp herzien in functie van een voorlopig GIS en in fase 3 hebben we een bestek opgemaakt voor de levering van een eerste generatie GIS. Eind 2000 werden de levering en installatie door de OVAM gegund aan Intergraph Benelux B.V. Zij startten in januari 2001 en medio 2001 zal het GIS operationeel zijn. Intussen hebben we al technische richtlijnen en procedures opgesteld om ruimtelijke informatie uit de reeds beschikbare onderzoeken over te brengen naar het GIS. Dat gebeurde in samenwerking met GIM. In de toekomst is het de bedoeling dat de erkende bodemsaneringsdeskundigen alle ruimtelijke informatie verbonden aan een bodemonderzoek digitaal uitwisselen met de OVAM. Hiervoor hebben we in samenwerking met GIM in 2000 een document opgesteld met richtlijnen voor het uitwisselen van digitale ruimtelijke informatie en de daarbijhorende alfanumerische informatie.

Vaststelling bodemverontreiniging Zoals voorzien in het bodemsaneringsdecreet verloopt de aanpak van de bodemverontreiniging in Vlaanderen in fases die over verschillende jaren gepland zijn. Soms wordt deze planning evenwel doorkruist door de vaststelling van een acute bodemverontreiniging. Om te voldoen aan zijn algemene zorgvuldigheidsplicht, is het in een dergelijk geval noodzakelijk dat de eigenaar of de gebruiker snel een aantal aangepaste maatregelen treft die verdere verspreiding van of bedreiging door de verontreiniging stopt of inperkt. Indien dat op een succesvolle manier is gebeurd, kan worden overgegaan tot een tweede fase. In deze fase gaan we via de normale decretale procedure na welke saneringsmaatregelen dienen te worden genomen om de verontreiniging definitief te verwijderen of te neutraliseren. De OVAM heeft in 2000 een proefproject opgestart, waardoor bij een melding van een schadegeval onmiddellijk een erkend bodemsaneringsdeskundige ter plaatse wordt gestuurd. Die verricht in opdracht van de OVAM de nodige vaststellingen en stelt indien nodig een noodscenario op voor de onmiddellijk te nemen maatregelen. In 2000 werden 254 nieuwe gevallen behandeld, ongeveer evenveel als het jaar voordien. Momenteel worden alle relevante schadegevallen uit het verleden via hun kadastrale gegevens geregistreerd. In de toekomst kunnen de kopers van een perceel waarop zich ooit een schadegeval heeft voorgedaan, hierover worden geĂŻnformeerd via hun bodemattest. Nu gebeurt dat via een afzonderlijke brief met een korte beschrijving van de bodemverontreiniging.

9


BODEMONDERZOEK Oriënterende en beschrijvende bodemonderzoeken leveren informatie voor het register van verontreinigde gronden en moeten gebeuren door een erkend bodemsaneringsdeskundige. Dat is een persoon of firma die over de nodige kennis en ervaring beschikt, de onderzoeksprocedures van de OVAM volgt en door de OVAM werd erkend. Het oriënterend bodemonderzoek geeft snel een beeld van de bodemgesteldheid en -verontreiniging op een bepaald perceel. Eerst wordt de voorgeschiedenis van het terrein in kaart gebracht, zodat we hypothesen over de verontreiniging kunnen ontwikkelen. Boringen en analyses moeten die hypothesen dan bevestigen. Afhankelijk van de verontreinigingsgraad en het historische karakter ervan, moet de bodem al dan niet worden gesaneerd. De eerste stap bij zo'n sanering is het beschrijvend bodemonderzoek. Daarbij onderzoekt de bodemsaneringsdeskundige hoe de verontreiniging zich al heeft verspreid en hoe die verspreiding in de toekomst nog zal evolueren. Verder gaat hij de risico's na die verbonden zijn aan de bodemverontreiniging. Terwijl het oriënterend bodemonderzoek vooral een signaalfunctie heeft, besteedt het beschrijvend bodemonderzoek aandacht aan de impact van de verontreiniging op de omgeving en de gevaren voor de volks10

gezondheid. De informatie uit deze beide onderzoeken wordt opgeslagen in een databank. De aanwezigheid van bodemverontreiniging leidt tot een opname in het register van verontreinigde gronden. Aan de hand van het bodemsaneringsdecreet wordt dan de saneringsplicht nagegaan. Eind 2000 had de OVAM bijna 13.500 dossiers in behandeling. Door de decretale onderzoeksplicht (bij overdracht van gronden, de stopzetting van activiteiten en de sluiting van inrichtingen, periodiciteit) kwamen er in 2000 ongeveer 4.200 bijkomende oriënterende bodemonderzoeken binnen voor beoordeling. In circa 66% van de gevallen ging het om een overdracht van gronden. Dit percentage ligt iets lager dan vorige jaren. Dat komt door de dossiers die begin 2000 werden ingediend in het kader van de eerste periodieke verplichting tot oriënterend bodemonderzoek voor bedrijven van categorie C. Voor de onteigening van gronden liet de OVAM ongeveer 45 oriënterende bodemonderzoeken uitvoeren op risicogronden. Op basis van de geëvalueerde dossiers verstuurden we ongeveer 540 aanmaningen tot bodemsanering (te starten met beschrijvend bodemonderzoek). Dat aantal komt overeen met bijna 20% van de ingediende oriënterende bodemonderzoeken voor overdrachten. In 2000 beoordeelde de OVAM bijna 700 voorstellen van beschrijvend bodemonderzoek en werden er ongeveer 1.050 verslagen van beschrijvend bodemonderzoek ingediend. Ruim 25% werd aangemaand een bodemsaneringsproject op te stellen. Naast een eventuele saneringsplicht naar aanleiding van een overdracht, sluiting of stopzetting, wordt de aanpak van de historische bodemverontreiniging geregeld door artikel 30 van het decreet. Volgens dat artikel wijst de Vlaamse regering op voorstel van de OVAM de historisch verontreinigde gronden aan waar bodemsanering moet plaatsvinden.


Ten gevolge van een arrest van de Raad van State dient de OVAM voortaan per dossier een gemotiveerd voorstel op te maken. De procedure werd geautomatiseerd en geoperationaliseerd.

VERPLICHTE EN VRIJWILLIGE SANERING Beoordeelt de bodemsaneringsprojecten en controleert de saneringswerken. Stelt tevens een conformiteitsattest of een vraag tot aanvulling en/of wijziging op. Het conformiteitsattest geldt ook als vergunning voor de bodemsaneringswerken. Zijn er na de uitvoering nog maatregelen voor bewaking en controle nodig, dan worden die ook opgevolgd. Achteraf levert de OVAM een verklaring af over de resultaten van de werkzaamheden. In 2000 werden bij de OVAM 221 bodemsaneringsprojecten ingediend. Voor 212 bodemsaneringsprojecten kenden we een conformiteitsattest toe, dat kan gelden als milieuvergunning, bouwvergunning en vergunning voor grondwaterwinning voor de uit te voeren bodemsaneringswerken. Voor 61 projecten formuleerde de OVAM voorstellen tot wijziging of aanvulling. Op 106 locaties met een conformiteitsattest werden de bodemsaneringswerken aangevat of worden maatregelen tot nazorg genomen door de saneringsplichtige. De OVAM leverde bovendien 22 verklaringen af na de uitvoering van de bodemsaneringswerken. Zo’n verklaring bevestigt de resultaten van de werkzaamheden. Voor de in 2000 ingediende bodemsaneringsprojecten waarvoor de OVAM een conformiteitsattest heeft afgeleverd, wordt de kostprijs van de werken geraamd op 3,3 miljard frank (81,8 miljoen euro). Het totale bedrag voor de periode 1997-2000 bedraagt circa 9,0 miljard (0,2 miljard euro). In dit bedrag is tevens de raming opgenomen voor de bodemsaneringswerken die door de OVAM worden uitgevoerd. Voor de periode 1997-2000 wordt dit bedrag geraamd op circa 245 miljoen (6,1 miljoen euro). De rest wordt gedragen door de saneringsplichtigen.

STRATEGISCHE PROJECTEN De minister van Leefmilieu legde aan de OVAM de uitwerking van het strategisch project Bodemsanering op. Dit project bestaat uit vier deelprojecten: • Geïntegreerde aanpak van brownfields en woonzones • Verfijning wetgeving bodemsanering • Alternatieve financiering bodemsanering • Versnelling ambtshalve procedure bodemsanering Hieronder volgt een stand van zaken van de verschillende deelprojecten.

11


Brownfields De zogenaamde brownfield-gedachte wil de zware erfenis van voormalige (industriële) terreinen aanpakken en ze opnieuw productief maken. Daarbij wordt gestreefd naar een integratie van de site in de omgeving. De uitgangspunten zijn een gebruiksklare ontwikkeling die inspeelt op de lokale noden en een duurzame ontwikkeling. Een belangrijke drijfveer bij deze ontwikkelingsvisie is de vaststelling dat de resterende open (en groene) ruimte niet langer mag worden aangesproken voor urbanisatie en industriële doeleinden. We willen ook de ‘kankerplekken’ in oude buurten aanpakken. De minister voor Economie en Ruimtelijke Ordening ondersteunt dit project. In een eerste fase in 2000 hebben we vooral informatie vergaard in het buitenland, en werd binnen de OVAM een projectteam samengesteld. Daarbij aansluitend werd een Stuurgroep brownfield-ontwikkeling opgestart waarvan de OVAM het voorzitterschap en secretariaat op zich heeft genomen.

Woonzones 12

We hebben een eerste ruw voorstel van systematiek voor de aanpak van woonzones op potentieel verontreinigde gronden uitgewerkt. De systematiek voor de aanpak wordt verder uitgewerkt in 2001. We hebben de eerste contacten met Nederland gelegd teneinde overleg te plegen om te leren van hun rijke ervaring op dit vlak.

Verfijning wetgeving bodemsanering Zoals hierboven vermeld, hebben we het nodige werk verricht voor de wijziging van VLAREBO. Daarnaast werd een volgende wijziging van het bodemsaneringsdecreet voorbereid door een knelpuntenanalyse.

Alternatieve financiering bodemsanering Parallel aan het strategisch deelproject ‘Alternatieve financiering bodemsanering’ formuleerde het kabinet een project ‘Alternatieve financiering milieubeleid’. In dit project werd ook een luik bodemsanering opgenomen. De OVAM heeft ervoor geopteerd om beide projecten op elkaar af te stemmen. Binnen het project hebben we twee fases onderscheiden. In eerste instantie het inschatten van de financieringsbehoeften. We hebben opdracht gegeven om zo nauwkeurig mogelijk de financieringsbehoeften voor bodemsanering in te schatten. Zo wilden we een beeld krijgen van de middelen die nodig zijn voor de sanering van alle gevallen van historische bodemverontreiniging die een ernstige bedreiging vormen, zowel voor de saneringen in opdracht van de saneringsplichtigen, als voor de ambtshalve bodemsanering. Daarenboven diende deze studie een inschatting te geven van het aantal bedrijven dat een verplichting heeft tot het uitvoeren van een oriënterend bodemonderzoek (met verwijzing naar periodiciteit) en een inschatting van het aantal beschrijvende bodemonderzoeken en bodemsaneringsprojecten dat


waarschijnlijk zal worden ingediend voor sanering van historische bodemverontreiniging. De resultaten van deze studie zijn begin april 2001 beschikbaar. In een tweede fase willen we alternatieve middelen voor financiering uitwerken. De OVAM heeft opdracht gegeven om alle mogelijke relevante middelen voor financiering van bodemsanering in kaart te brengen. Het betreft een overzicht van zowel instrumenten om geld te vergaren voor de financiering van ambtshalve bodemsaneringen en van saneringen in probleemsectoren, als financiële instrumenten om sanering door derden te stimuleren. Eén hoofdstuk van deze studie richt zich specifiek op het stimuleren van brownfieldsaneringen. Een voorlopig rapport is al beschikbaar. Na overleg met de relevante actoren, zullen de middelen die het meest realistisch en relevant geacht worden, verder uitgewerkt worden. In het kader van het deelproject ‘Alternatieve financiering bodemsanering’ passen eveneens twee meer specifieke initiatieven: het Premaz-project en de oprichting van een fonds bodemsanering benzinestations. Fonds bodemsanering benzinestations Bij overeenkomst d.d. 8 augustus 1997 werd tussen de drie gewesten en de diverse federaties in de petroleumsector een studiesyndicaat opgericht met volgende doelstellingen: - het analyseren van de huidige toestand van de bodemverontreiniging van benzinestations; - het formuleren van aanbevelingen voor een regeling inzake bedoelde bodemsanering; - het uitwerken van een financieringssysteem en een beheersysteem binnen het wettelijke kader van onder meer het mededingingsrecht. Na diverse besprekingen in het algemeen studiesyndicaat en in de technische/juridische werkgroepen binnen dit studiesyndicaat werden op 7 juni 1999 een aantal besluiten genomen over een aantal knelpunten: - financieringsmechanisme/verdeling; - exploitatieverbod; - structuur interregionale bodemsaneringscommissie; - zetelverdeling en beslissingsbevoegdheid fonds. In de periode oktober-november 1999 werden de noodzakelijke teksten (samenwerkingsakkoord, memorie van toelichting, decreet…) gefinaliseerd. In december 1999 werd het dossier officieus ingediend bij de Europese Commissie. In het voorjaar 2000 werd het advies ingewonnen van de inspectie van Financiën, de MINA-raad en de SERV, gevolgd door een principiële goedkeuring van het ontwerp van samenwerkingsakkoord door de Vlaamse regering. Aangezien het dossier op federaal niveau werd geblokkeerd wegens het financieringsmechanisme, werkte het studiesyndicaat verder aan een aanpassing van het samenwerkingsakkoord en de memorie van toelichting. In januari-februari 2001 keurden de federale regering en de Vlaamse regering de aangepaste versie van het ontwerp van samenwerkingsakkoord principieel goed. Een principiële goedkeuring van de Waalse en Brusselse regering is nog vereist vóór het kan worden voorgelegd aan de Raad van State.

13


Medio 2000 werd het dossier ook voorgelegd aan de Belgische Raad voor Mededinging. Deze procedure is nog lopende. Het Premaz-project Een specifiek voorbeeld van alternatieve financiering is het uitwerken van financieringsinstrumenten voor de solidarisering van de kosten die verbonden zijn aan de milieurisico’s van lekkende of risicovolle stookolietanks. Hierover onderhandelen we met de stookoliesector. De aanzet voor deze discussie werd gegeven in het Premaz-project, waarbij op grote schaal gepoogd werd om tanks te controleren en desgevallend te saneren. Het eindrapport is beschikbaar op de website van Premaz: www.premaz.be. Vorig jaar werd met de stookoliesector een MBO afgesloten, waarin die zich er onder meer toe engageert om financieringsinstrumenten voor milieurisico’s uit te werken. De OVAM is een van de drijvende krachten achter het uitwerken van deze instrumenten. De eerste grote lijnen voor een concrete invulling van deze MBO zijn intussen uitgewerkt.

Versnelling ambtshalve bodemsanering De versnelling van de ambtshalve bodemsaneringen zal structureel worden opgelost. Enerzijds zullen we vereenvoudigde procedures toepassen om sneller tot resultaat te komen bij een individuele ambtshalve 14

sanering. Anderzijds zullen meer ambtshalve saneringen worden opgestart.

ONDERSTEUNING Geeft advies over financiële waarborgen, verricht beleidsondersteunend en technisch-wetenschappelijk onderzoek en beheert de dossiers voor erkenning als bodemsaneringsdeskundige. Beleidsondersteunend onderzoek is bedoeld om de procedures voor de uitvoering van het bodemsaneringsdecreet te verbeteren.

Erkenning bodemsaneringsdeskundigen Volgens het decreet moeten alle bodemonderzoeken en bodemsaneringsprojecten, alsook de opvolging van de werken, gebeuren door of onder toezicht van een erkend bodemsaneringsdeskundige. Wie wil worden erkend als bodemsaneringsdeskundige, moet daarvoor een aanvraag indienen. De beoordeling van de aanvraagdossiers resulteerde in 91 erkenningen op het einde van 2000. Vijf bestaande erkenningen werden ingetrokken.

Financiële zekerheden De OVAM kan een saneringsplichtige verzoeken financiële zekerheden te stellen tot waarborg van zijn verbintenissen. Dat doen we vooral bij de overdracht van risicogronden waarop een saneringsplicht rust. Het totale bedrag van de zekerheden bedroeg het afgelopen jaar ongeveer 1,7 miljard frank (42,1 miljoen euro). Ongeveer 4% van dat bedrag heeft te maken met een procedure 'gemotiveerd stilzitten' (waarbij de overdracht onder strikte voorwaarden al na het oriënterend bodemonderzoek kan plaatsvinden, al moet er daarna nog wel worden gesaneerd), 61% met artikel 48 van het bodemsaneringsde-


creet. Dit laatste artikel stelt dat de Vlaamse regering van de toepassing van bepaalde artikelen van het decreet kan afzien. De overige 34% van het bedrag werd gesteld volgens de gewone procedure.

Informatievoorziening De toepassing van het gewijzigde bodemsaneringsdecreet gaf aanleiding tot heel wat vragen. Om alle telefoontjes te beantwoorden zijn gemiddeld 2 voltijdse krachten nodig. Daarnaast komen er nog steeds vele schriftelijke vragen binnen.

Beleidsondersteuning De technisch-wetenschappelijke beleidsondersteuning omvat twee hoofdthema’s: enerzijds normering en risico-evaluatie, anderzijds de evaluatie van de best beschikbare technieken voor bodemsanering. Daarnaast voeren we ook specifieke onderzoeksprojecten uit. Zo werd in 2000 het onderzoeksproject ‘Risicoanalyse en sanering van wegen bedekt met assen en slakken uit de non-ferro industrie’ afgerond. De bedoeling van het project was oplossingen uit te werken voor de problematiek van de zinkassenwegen in Noord-Limburg en de Antwerpse Kempen. Aan de hand van de resultaten van het project hebben we richtlijnen opgesteld die door de betrokken gemeenten en provincies worden toegepast. Ondersteuning werd aangeduid als voortrekker en eindverantwoordelijke van een nieuw thema in het Milieubeleidsplan 3 (MBP 3) (2001-2006): ‘Verontreiniging en aantasting van de bodem’. In dit thema komen bodemverontreiniging (zowel vaste bodems als onderwaterbodems) en bodemaantasting aan bod. In samenwerking met AMINAL-afdeling Land en Water leggen we het toekomstige bodembeleid in het MBP 3 vast. De belangrijkste beleidslijnen voor de komende jaren zijn het versneld aanpakken van de historische bodemverontreiniging, het saneren van onderwaterbodems en de ontwikkeling van een gecoördineerd beleid inzake bodemaantasting.

Internationaal Ook internationaal zijn we zeer actief. Dat blijkt uit onze deelname aan Europese initiatieven zoals CLARINET (Contaminated Land Rehabilitation Network for Environmental Technologies in Europe). Deze werkgroep probeert de aanwezige kennis over de risico-evaluatie van bodemverontreiniging beter in kaart te brengen en op termijn beter op elkaar af te stemmen.

Samenwerking Nederland-Vlaanderen op het vlak van bodemsanering Nederland heeft al een jarenlange ervaring met bodemsanering. In Vlaanderen zijn we nog niet zo lang bezig, maar we hebben met veel beperktere middelen toch al wat gerealiseerd en we worden internationaal al als volwaardige gesprekspartners beschouwd. Vorig jaar hebben we concrete stappen gezet om te gaan samenwerken met Nederland. Aangezien we een aantal gelijklopende beleidslijnen hebben, is het voor beide landen interessant om uit elkaars ervaringen te leren en om toekomstige inspanningen op elkaar af te stemmen. De samenwerkingsinitiatieven worden chronologisch weergegeven.

15


• Actief Bodembeheer De Kempen werd ongeveer anderhalf jaar geleden in Nederland opgericht als overlegplatform tussen de verschillende betrokkenen om een oplossing uit te werken voor de diffuse, grootschalige verontreiniging met zware metalen in Nederlands Limburg en Noord-Brabant. De TCB, het officiële technische adviesorgaan voor de Nederlandse overheid adviseerde de minister van VROM om Vlaanderen bij het project te betrekken, wegens onze ervaring. Er is regelmatig overleg over de problematiek tussen ons en Nederland. Dat heeft al geleid tot een workshop over saneringstechnieken voor deze verontreiniging en tot een uitwisseling van ervaringen met zinkassen. • De SKB (Stichting Kennisontwikkeling en Kennisoverdracht Bodem) werd door de Nederlandse overheid opgericht om de beschikbare kennis rond bodembeheer en bodemsanering te verzamelen en te verspreiden, en om het onderzoek inzake bodemsaneringstechnieken en bodembeheerconcepten te coördineren en aan te sturen. Aangezien Ondersteuning onder meer ook als taak heeft de kennis rond bodemsanering te verhogen en het onderzoek inzake relevante problemen te coördineren, hebben wij geprobeerd om een samenwerking met SKB op te starten. Eind vorig jaar is het overleg met succes op gang gekomen. We wisselen onze onderzoeksprogrammaties uit en hebben 4 gezamenlijke onderzoeksprojecten gedefinieerd, die voor beide partijen relevant zijn en die we samen gaan financieren en aansturen. • Het Overleg Lage Landen, opgestart door de de SBNS (Stichting Bodemsanering Nederlandse 16

Spoorwegen), is een informeel overleg tussen enkele relevante actoren uit Vlaanderen en Nederland. Dit overleg heeft als doel elkaar jaarlijks op een informele manier te ontmoeten en ervaringen op het vlak van beleidsevoluties uit te wisselen. Een eerste workshop vond plaats eind 2000. • Het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) doet onderzoek in het kader van de ondersteuning van de beleidsontwikkeling en de uitoefening van toezicht op het terrein van de volksgezondheid en op het terrein van het milieu en de natuur. Het is in Nederland onder meer verantwoordelijk voor het onderzoek m.b.t risico-evaluatie van bodemverontreiniging. • Ondersteuning heeft onder meer als taak om het bodemsaneringsbeleid te ondersteunen met het opstellen van concepten van risico-evaluatie en bodemsaneringsnormen. Wij coördineren dan ook onderzoek in deze richting en hebben recentelijk een eerste afspraak gemaakt met het RIVM om met elkaar te gaan samenwerken. Deze samenwerking zal verder geconcretiseerd worden in 2001.

BOUW- EN GRONDBEHEER Zorgt er in samenwerking met vzw Grondbank voor dat uitgegraven bodem geen nieuwe bodemverontreiniging veroorzaakt. Via analysemethodes, monsternameprocedures en beoordelingsstudies worden de normen getoetst.

Baggerspecie In 2000 hebben we de ‘knelpuntennota baggerspecie’ overgemaakt aan de Vlaamse regering. Op basis hiervan wordt gewerkt aan een prioriteitennota over de te baggeren waterlopen. Naast de bepaling van de kwantiteit en de kwaliteit dienen ook bergingslocaties te worden aangeduid.


Grondbank vzw Sinds 1 oktober 1996 is het bodemsaneringsdecreet van kracht. Het legt de automatische sanering op van elke nieuwe bodemverontreiniging die de bodemsaneringsnormen overschrijdt. Het decreet heeft dus niet alleen gevolgen voor het beheer van de bodem als vastgoed. Ook aan de aan- en afvoer van grond in het kader van werken zijn voortaan risico's verbonden, die een aanzienlijke meerkost met zich mee kunnen brengen. Op basis van artikel 48 bis van het bodemsaneringsdecreet stelden we een ontwerp-uitvoeringsbesluit op over de toepassing van uitgegraven bodem. De diverse toepassingsmogelijkheden (als bodem, in of als bouwstof) worden gekoppeld aan duidelijke milieuhygiënische kwaliteitsvereisten. Het ontwerpbesluit is voor goedkeuring voorgelegd aan de bevoegde minister. Op basis van de omzendbrief van de minister van 26 oktober 1999 worden alle ontwerpen aangepast die na 1 maart 2000 door het ministerie van de Vlaamse gemeenschap worden aanbesteed. Deze aanpassingen, die doorgevoerd werden in overleg met de OVAM, zorgen ervoor dat al van bij de aanbesteding de kwaliteit en het mogelijke milieuverantwoord gebruik van uitgegraven bodem gekend zijn. In 2000 hebben we schriftelijk advies uitgebracht voor ongeveer 80 dossiers inzake werken die werden stilgelegd of dreigden stil te vallen door het ontdekken van verontreinigde bodem. 30% van deze dossiers heeft betrekking op werken in opdracht van openbare besturen, 70% op werken uitgevoerd door privébouwheren. Daarnaast hebben we ook 90 adviezen verleend over het gebruik van gereinigde grond.

Centrum Duurzaam Bouwen De renovatiewerken van de gebouwen op een oud mijnterrein in Heusden-Zolder zijn volop bezig. De officiële opening is gepland voor de tweede helft van 2001. Om de duurzaamheid van een product na te gaan hebben wij een evaluatiesysteem uitgewerkt. Dit systeem dient als basis om te oordelen of een product al of niet aanvaard is in het Centrum Duurzaam Bouwen. Het project is een initiatief van het Europees Centrum voor Restauratietechnieken (ECR), de Organisatie voor Duurzame Energie Vlaanderen (ODE), de Vlaamse Confederatie Bouw (VCB), de Kamer Bouwnijverheid Limburg, Nacebo-Limburg de KMO bouwfederatie, de Vereniging van Limburgse Waterbedrijven (VLW) en het Streekplatform Midden-Limburg. Het Centrum Duurzaam Bouwen neemt deel aan het euroregionaal netwerk voor Duurzaam Bouwen, samen met het Dubo Centrum Parkstad Limburg in Heerlen en Wirtschaftsförderungsgesellschaft Kreis Aachen mbH in Alsdorf. Het netwerk wordt gesteund door de EU Interreg II.

17


PROJECTWERKING Projectmethodologie Projectontwikkeling Afvalstoffen heeft een dubbele doelstelling: de afvalprojecten leiden, en een methode ontwikkelen om dat op een efficiënte en professionele manier te doen. In 2000 hebben we een aantal projecten voortgezet die reeds gestart waren in 1999 en ook aan aantal nieuwe opgestart. Daarnaast hebben de projectleiders begin 2000 de projectwerking inhoudelijk en organisatorisch geëvalueerd, en waar nodig bijgestuurd. Nieuwe projecten: • Uitvoeringsplan slib • Strategisch Project Preventie • Demonstratiepoject DORA, Depollutie en Onderzoek over de Recyclage van Auto’s Projecten die in 2000 beëindigd werden: • REMOWAB-MAMBO (Minder Afval Meer BedrijfsOpbrengsten) 18

• Ecoware (afvalbeheersysteem en –plan voor de Vlaamse zeehavens) • MINA-plan 2, actie 122 (doelgroepenbeleid) • Opzet cel Thuiscomposteren • Steunpunt Afval- en Emissiepreventie (STIP) • Opmaak en goedkeuring Uitvoeringsplan OrganischBiologisch Afval • Opmaak en goedkeuring Uitvoeringsplan Gescheiden Inzameling Bedrijfsafval van Kleine Ondernemingen • Programma afzet kunststoffen • Controle op de aanvaardingsplicht en op de milieubeleidsovereenkomsten Projecten die werden voortgezet in 2000 : • Milieubeleidsovereenkomst afvalolie • Strategisch Plan Afval • Optimalisering OVAM-taken Enkele projecten waarin het afgelopen jaar aanzienlijke vooruitgang werd geboekt, lichten we even nader toe.

Uitvoeringsplannen Organisch-Biologisch Afval en Gescheiden Inzameling Bedrijfsafval van Kleine Ondernemingen De Uitvoeringsplannen Organisch-Biologisch Afval en Gescheiden Inzameling Bedrijfsafval van Kleine Ondernemingen passen in een reeks van soortgelijke plannen die de OVAM al verschillende jaren in overleg met alle betrokken partijen uitwerkt.


In het voorjaar van 1999 doorliepen de beide ontwerpplannen een openbare inspraak- en adviesprocedure. Naast een uitgebreide mailing gebeurde dat via een toelichtingsdag per provincie. Uit deze breed opgezette inspraakronde blijkt dat de plannen worden gedragen door het publiek. Op basis van de reacties tijdens de procedure kregen beide plannen hun definitieve vorm. De Uitvoeringsplannen werden samen met de verslagen van de inspraakprocedure aan de Vlaamse regering voorgelegd en goedgekeurd op 21 januari 2000.

Uitvoeringsplan Organisch-Biologisch Afval Met het Uitvoeringsplan Organisch-Biologisch Afval (opgezet krachtens actie 47 van MINA-plan 2) probeert de Vlaamse overheid de verwerkingshiërarchie — eerst voorkomen, dan recupereren, en pas als dat niet kan, verbranden en storten — te handhaven via concrete projecten en resultaatgerichte acties. Daarbij wijzen we alle betrokkenen op hun verantwoordelijkheid. Voor GFT- en groenafval wordt het driesporenbeleid voortgezet: stimuleren van preventie, maximale ontwikkeling van de verwerkingsketen voor groenafval en vervolgens van de verwerkingsketen voor GFT. Het is de bedoeling om te komen tot een sluitend controlesysteem om ook organisch-biologisch bedrijfsafval op een kwaliteitsvolle manier nuttig toe te passen: onder meer als meststof of bodemverbeteraar.

Uitvoeringsplan Gescheiden Inzameling Bedrijfsafval van Kleine Ondernemingen Volgens het VLAREA (Vlaams Reglement inzake Afvalvoorkoming en -beheer) gelden voortaan meer afvalstoffen als bedrijfsafval, en niet langer als huishoudelijk afval. Dat betekent heel concreet dat de gemeenten ze niet meer komen ophalen. Met name KMO's moeten voortaan dus zelf hun gescheiden afvalinzameling organiseren. Gezien hun beperkte afvalproductie is het voor hen echter niet eenvoudig om dat op een efficiënte en rendabele manier te doen. Daarom, zo stelt het Uitvoeringsplan Gescheiden Inzameling Bedrijfsafvalstoffen van Kleine Ondernemingen (opgezet krachtens actie 44 van MINA-plan 2), moeten KMO's gemakkelijk kunnen toetreden tot inzamelstructuren. Voor de specifieke bedrijfsgebonden afvalstoffen is dat een sectorale inzameling. Voor de (beperkte) hoeveelheden met huishoudelijk afval vergelijkbare afvalstoffen kan de gemeente inspringen, kan een plaatselijke samenwerking tussen KMO's heil brengen of kunnen afvalstoffen via de lege retourvrachten worden samengebracht tot grotere volumes. Het plan maakt ruimte voor acties waarbij de betrokkenen zelf initiatieven nemen. Een overlegplatform, samengesteld uit alle betrokken sectoren, zorgt voor coördinatie en opvolging van de respectievelijke Uitvoeringsplannen.

Thuiscomposteren Zoveel mogelijk Vlamingen aanzetten tot kwaliteitsvol thuiscomposteren: het is een hele uitdaging waarvoor de OVAM zich geplaatst ziet. Deze opdracht kan alleen maar slagen als alle betrokkenen samenwerken. Zo ontstaat er een netwerk van waaruit we zoveel mogelijk composteerders kunnen bereiken. Naast de OVAM krijgen ook de intercommunales, de gemeenten, de compostmeesters en de particuliere composteerders de gelegenheid om hun standpunt uiteen te zetten. Binnen een projectgroep is er over-

19


leg tussen de VLACO vzw (Vlaamse Organisatie ter Bevordering van de Afzet van GFT en Groencompost), de OVAM en de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten. De VLACO vzw zit ook samen met de intercommunales en gemeenten, en tot slot zijn er nog de opleidingen en bijscholingen voor compostmeesters. Dankzij al deze maatregelen hebben tijdens het tweede werkjaar van de cel al heel wat plaatselijke initiatieven rond thuiscomposteren een flinke duw in de rug gekregen. In 2000 werd sterk ingespeeld op de noden van de betrokken doelgroepen, met name een verbetering van de communicatie en onderbouwde informatie. Enkele belangrijke initiatieven: het weekend van de compostmeester in juni, de opleidingen en specifieke themabijscholingen voor compostmeesters en ‘les’gevers, de samenwerking met ecologische verenigingen en het eigen vakblad ‘De Compostmeester’.

Uitvoeringsplan slib In uitvoering van actie 57 van het Uitvoeringsplan Organisch-Biologisch Afval startten we in 2000 de voorbereidingen voor een Uitvoeringsplan slib. De bedoeling is oplossingen te zoeken voor de afzet van slib van rwzi’s (rioolwaterzuiveringsinstallaties) en ander zuiveringsslib, van slib van drinkwaterproductie 20

en van het reinigen van riolen. Tegen medio 2001 verwachten we een analyserapport, aangevuld met aanbod- en verwerkingsscenario’s. Via een strategiebepaling zullen we de meest gewenste pistes bepalen. De concrete acties moeten leiden tot het bepalen van de doelstellingen.

Verkennend onderzoek doelgroepenbeleid Krachtens actie 122 van het MINA-plan 2 moest worden onderzocht welke vormen van doelgroepenbeleid binnen het huidige Vlaamse milieubeleid mogelijk zijn. Het onderzoek gebeurde in opdracht van het Gewestelijk Milieu-Overleg, kortweg GMO. De OVAM leidde de stuurgroep, waarin verder ook AMINAL, de VLM, de VMM en de Planningsgroep van het GMO vertegenwoordigd waren. Een adviesbureau voerde het eigenlijke onderzoek uit. Het onderzoek dat voornamelijk uitgevoerd werd in 1999 leverde een hele reeks aanbevelingen op, zowel op korte, middellange als lange termijn. De resultaten werden begin 2000 overhandigd aan het GMO. Het GMO besliste dat de kortetermijnacties moesten worden uitgevoerd en dat hiervoor ‘procesbegeleiders’ binnen AMINAL zouden worden aangeworven. Het Planningsteam van het GMO leidt nu de verdere uitvoering van deze acties.

Steunpunt Afval- en Emissiepreventie Het steunpunt kreeg de naam ‘STIP, het STeunpunt en Informatiecentrum voor Preventie van afval en Emissies’. Na de aanwerving van het personeel, het vastleggen van het werkprogramma, het voorzien van de logistieke middelen en het vastleggen van een startdatum, werd het project begin mei als afgerond beschouwd. Vanaf dan zorgt Europa, Preventie, Onderzoek en Ontwikkeling voor de dagelijkse leiding.


MAMBO Het verspeidingsproject dat startte in 1999 leverde in maart 2000 een mix van acties op die er voor moest zorgen dat het rekenmodel als softwaretoepassing werd ontwikkeld, kenbaar werd gemaakt en tot bij de doelgroep (bedrijven) zou geraken. De OVAM ging een samenwerkingsverband aan met het milieuadviesbureau Ecolas NV en de softwareontwikkelaar Hemmis NV. Streefdoel was de softwaretoepassing voor te stellen op IFEST, meer bepaald op 26 oktober 2000. Vanaf april tot en met november 2000 werd intensief gewerkt aan de softwaretoepassing, een bijhorende handleiding, de opmaak en verspreiding van een folder, de organisatie van de IFEST-voorstelling en een mailing aan 10.000 Vlaamse bedrijven. Het product kreeg de naam ‘MAMBO – Minder Afval Meer BedrijfsOpbrengsten’. We hebben het streefdoel gehaald: op 26 oktober 2000 werd MAMBO voorgesteld aan de pers en het publiek. Begin 2001 waren cd-rom en handleiding gedrukt en werden ze verspreid bij de ondertussen meer dan 100 bestellers. De mailing aan de bedrijven volgde.

Project ECOWARE Het project startte reeds in september 1998. Het had tot doel een logistiek en informatiesysteem uit te werken om het beheer en de monitoring van de verwerking van scheepsafval in de Vlaamse zeehavens te automatiseren. De OVAM participeerde in een consortium waarin ook de havenbesturen, de havenbedrijven, het Maritiem Instituut van de UG, de havenconsultant APEC, een afvalverwerker en een softwareontwikkelaar vertegenwoordigd waren. Midden 2000 was de software klaar voor gebruik en werd proefgedraaid bij enkele scheepsagenten. Het project, dat gesteund werd door het Europese LIFE-programma, eindigde officieel op 30 juni 2000. Op 11 oktober 2000 werden de resultaten voorgesteld op een studiedag aan de Universiteit Gent. De verschillende havenbesturen werken ondertussen verder aan de problematiek, vooral met het oog op de MARPOL-richtlijn (Richtlijn 2000/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2000 betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen) die stelt dat tegen 28 december 2000 aan de bepalingen moet voldaan zijn.

Programma afzet kunststofafval De betrokken partijen hebben een consensus bereikt over een actieprogramma over hoe we in de komende jaren een duurzame ontwikkeling kunnen geven aan de mechanische recyclage van verschillende kunststoffen. Dit actieprogramma is gebaseerd op drie werkdocumenten: een informatiedocument met gegevens inzake de kunststofrecyclage, voornamelijk in Vlaanderen, België en Europa; een analyse-

21


document over de marktwerking, vooral dan de knelpunten inzake de afzet van kunststofrecyclaat en een strategiedocument met doelstellingen en een visie over mogelijke wijzen van aanpak. Om het project zijn duurzame voortgang te geven moet er een coördinatie- en beheercentrum komen. Dit project voor kunststofafval hield rekening met de opmerkingen van alle extern betrokken partijen (consumenten en milieuverenigingen inbegrepen) en kon de industriële sectoren engageren om de respectievelijke acties concreet te maken.

MBO afvalolie Als overheid moeten we voorkomen dat er te veel verschillende soorten afvalolie door elkaar worden ingezameld. Zo kan afvalolie immers vermengd raken met gevaarlijke stoffen als PCB's en andere zwaar gehalogeneerde stoffen. De betrokken industriële sectoren sloten in mei 2000 een principeovereenkomst met de Vlaamse minister voor Leefmilieu. Een technische commissie moet een studierapport voorleggen dat concreet invulling geeft aan haalbare kwantitatieven en kwalitatieve doelstellingen met een gepaste instrumentenmix. Een analyse van de verwerking in België en een vergelijkende analyse van de verschillende inzamelsystemen in Europa is afgewerkt. Over de inzet van instrumenten en de financiering zal de technische commissie in het voorjaar van 2001 een stappenplan trachten uit te werken. Om toch enige druk uit te oefenen, werd in de aanpassing van VLAREA een aanvaardingsplicht voor 22

afvalolie ingevoerd. Dat laat de overheid en de sector toe om de bedrijven die geen milieubeleidsovereenkomst wensen te onderschrijven, strengere voorwaarden op te leggen inzake de terugname van afvalolie. Nu al is duidelijk dat de verantwoordelijkheid voor de terugname van afvalolie in de eerste plaats bij de producenten en de verdelers van olieproducten zal liggen. Dit project past in actie 40 van het MINA-plan 2.

Project DORA, Depollutie en Onderzoek naar Recyclage van Auto’s De Vlaamse overheid sloot in 1999 met de automobielsector een milieubeleidsovereenkomst die afspraken bevat over afvalpreventie, inzameling van autowrakken en de opvolging van de demontage. Met de recente oprichting van het demonstratieproject DORA wenst de OVAM te onderzoeken hoe – uitgaande van de bestaande wetgeving en de afgesloten milieubeleidsovereenkomst die een maximale recyclage oplegt – autowrakken op een economisch en ecologisch verantwoorde manier ontmanteld kunnen worden. Dit met inbegrip van de verwijdering van schadelijke stoffen (depollutie) en maximale aandacht voor de terugwinning van herbruikbare onderdelen. Naast een Europese Richtlijn voor autowrakken, bepaalt VLAREA de invoering van de aanvaardingsplicht voor afgedankte voertuigen en de percentages van materiaalrecuperatie en energieterugwinning die gehaald moeten worden bij de verwerking. De doelstelling van DORA is om met de huidige industriële verwerkers van autowrakken een of meerdere onderzoekscentra op te starten. VLAREA bepaalt dat consumenten hun afgedankt voertuig nu reeds mogen achterlaten bij de handelaar waar zij een andere wagen kopen. Krachtens de Europese regelgeving geldt vanaf 1 juli 2002 een aanvaardingsplicht voor voertuigen die vanaf die datum op de markt zijn gekomen. De autoproducent dient het wrak naar een erkend verwerker af te voeren. Vanaf 1 januari 2007 geldt er ook een aanvaardingsplicht voor afgedankte auto’s die vóór 1 juli 2002 op de markt kwamen.


Strategisch Plan Afval en het ‘thema afval’ binnen het MINA-plan 3 Omdat er behoefte was aan evaluatie, continuïteit, vernieuwing en herformulering voor het afvalstoffenbeleid met een visie op de korte, middellange en lange termijn, nam de OVAM de opmaak van een Strategisch Plan Afval op in de doelstellingen voor 2000. Begin maart 2000 begon ze eraan. Tegelijkertijd startte ze met de opmaak van een Strategisch Plan Bodem. Het Strategisch Plan Afval kwam tot stand tijdens verschillende werksessies binnen de OVAM, soms met bijstand van externe deskundigen. In de analysefase werd eerst bekeken welke tendensen in de omgeving de werking van de OVAM en het afvalstoffenbeleid kunnen beïnvloeden en wat de knelpunten zijn van het huidige afvalstoffenbeleid. Ook zijn we nagegaan aan welke principes het toekomstige afvalstoffenbeleid moet beantwoorden. Deze analyse werd aangevuld met een studie van de beleidslijnen en tendensen in de ons omringende landen met inbegrip van de knelpunten en de tendensen op het vlak van afvalstoffenbeleid op Europees niveau, binnen de OESO en UNEP. Verder hebben we nagedacht over hoe het afvalstoffenbeleid kan bijdragen tot duurzame ontwikkeling. Op basis van deze analyse werden de krijtlijnen vastgelegd van het afvalstoffenbeleid voor de periode 2001–2006 met een doorkijk naar 2010. 23 Het resultaat bestaat uit een duurzaamheidsdoelstelling, vier plandoelstellingen met daaraan gekoppeld operationele doelstellingen. Deze doelstellingen creëren het kader waarin het afvalstoffenbeleid zich de komende jaren zal situeren. Zes projecten die vertrekken van het huidige afvalstoffenbeleid zorgen ervoor dat in het komende afvalstoffenbeleid de vooropgestelde doelstellingen centraal staan. Ze concentreren zich op afvalvoorkoming, prioritaire bedrijfsafvalstromen, het opmaken en uitvoeren van een uitvoeringsplan huishoudelijke afvalstoffen 2003–2007, hoogcalorisch afval, het verruimen van het internationaal draagvlak voor het Vlaamse afvalstoffenbeleid en ten slotte het verhogen van de effectiviteit van het afvalstoffenbeleid door een doeltreffender controle en monitoring. Het Strategisch Plan Afval zoals het nu voorligt leverde de basistekst voor het ‘thema afval’ binnen het MINA-plan 3.

Evaluatie van de projectwerking Begin 2000 startten de projectleiders een evaluatie van de projectwerking . Daarbij gingen ze na op welke punten de projectmethodologie moest worden aangepast, en werkten ze de aanpassingen uit. Ook de definitie van ‘project’ binnen de sector afval werd herbekeken. De projectleiders kwamen tot de conclusie dat bij de afweging of een initiatief al dan niet als project moet worden aangepakt, het accent veel meer moet liggen op het strategische aspect dan op het aspect ‘dienstoverschrijdend’. Een tweede conclusie is dat er meer aandacht moet gaan naar het teamwork binnen een project om de effectiviteit te vergroten. Deze conclusies werden al gedeeltelijk in de praktijk omgezet via de lancering van strategische projecten door de minister rond thema's als preventie, financiering… De conclusies en voorstellen zullen worden besproken in het kader van het project ‘Integratie en dynamiek’ met betrekking tot de herstructurering van de Vlaamse milieuadministratie.


AFVALSTOFFENBEHEER Bestaat uit twee ondersteunende en vijf sectorgebonden entiteiten: • ondersteunend: - Europa, Preventie, Onderzoek en Ontwikkeling - Administratief en Datacentrum • sectorgebonden: - Organische Afvalstoffen - Selectief Ingezamelde Stromen - Biologische Afvalstoffen - Gemeenten en Huishoudelijke Afvalstoffen - Anorganische Afvalstoffen

EUROPA, PREVENTIE, ONDERZOEK EN ONTWIKKELING 24

EUROPEES EN INTERNATIONAAL AFVALBELEID Europa EPOO vertegenwoordigt het Vlaamse Gewest in verschillende comités die worden voorgezeten door de Europese Commissie. In 2000 werden de richtlijn afgedankte voertuigen, de richtlijn verbranding van afvalstoffen en de richtlijn ozonafbrekende stoffen afgehandeld en gepubliceerd. De tweede herziening van de afvalstoffenlijst werd goedgekeurd en er werd grondig onderhandeld over de regelgeving rond elektrische en elekronische apparatuur. EPOO heeft ook zwaar werk geleverd voor de omzetting van de richtlijn storten van afvalstoffen. EPOO waakt over de correcte omzetting van de steeds uitgebreider wordende Europese afvalstoffenregelgeving en heeft verschillende klachten, aanmaningen en ingebrekestellingen van de Europese Commissie kunnen laten klasseren in 2000.


Europees voorzitterschap 2001 De werkzaamheden rond het Belgische voorzitterschap van de Europese Raad in de tweede helft van 2001, werden in 2000 uitvoerig voorbereid. We hebben prioriteiten vastgesteld, het overleg met de andere betrokkenen binnen België uitgebreid en verantwoordelijke personen aangeduid en opgeleid. Afvalbeleid wordt een zeer belangrijk thema gedurende het voorzitterschap.

Grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen EPOO heeft deelgenomen aan de vergaderingen van de Technische Werkgroep en de Legale Werkgroep onder het Verdrag van Bazel. De taken van de werkgroepen waren onder meer het ontwikkelen van verschillende technische richtlijnen voor de verwerking van afvalstoffen, het opstellen van juridische richtlijnen over illegale overbrengingen en het ontwerpen van een mechanisme voor de naleving van het Verdrag. De OESO heeft twee vergaderingen van de Working Group Waste Management Policy georganiseerd. Tijdens deze vergaderingen, die elk één week duurden, werden de laatste besprekingen gehouden rond de herziening van de regelgeving over de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen voor nuttige toepassing. Doel van deze herziening is vooral de harmonisatie met het Verdrag van Bazel.

TFS-project (Transfrontier Shipment of Waste) Tijdens het plenaire congres in mei werden verschillende projecten goedgekeurd. Samen met collega’s uit Nederland, Duitsland, Italië en Oostenrijk heeft de OVAM in 2000 het TFS-treinproject ontwikkeld. Doel van dit project is de controle van afvalstoffen die per spoor worden vervoerd. In samenwerking met Duitsland en Nederland is de OVAM eveneens gestart met een project rond de elektronische gegevensuitwisseling. Dat zou in de toekomst de administratieve werklast van zowel de autoriteiten als van de bedrijven moeten verlichten.

POP’s Verdrag In december 2000 werden de onderhandelingen voor een mondiaal Verdrag tot verbieden en vernietigen van persistente organische stoffen (POP’s) met succes afgerond. Het afvalstoffenaspect is cruciaal voor het welslagen van dat Verdrag. EPOO heeft een voortrekkersrol vervuld in de standpuntbepaling van de Europese Unie bij de onderhandelingen in Johannesburg.

PREVENTIE VAN AFVALSTOFFEN EN EMISSIES IN DE BEDRIJFSWERELD De strategie voor de preventie van afvalstoffen en emissies in de bedrijfswereld staat voor een planmatige aanpak die gericht is op bedrijfsprocessen én -producten. De aanzet is gegeven om de strategie in het ruimer kader van duurzame ontwikkeling te plaatsen. De raakvlakken met het federale plan van duurzame ontwikkeling werden afgetast.

25


Om preventie in bedrijven meer ingang te doen vinden, is een gecoördineerde aanpak met de verschillende actoren essentieel. In dat kader neemt EPOO o.a. deel aan specifieke overlegplatforms op CCIMniveau (het Coördinatiecomité Internationaal Milieubeleid) en gebeurt waar mogelijk de nodige input en opvolging bij de uitwerking van relevante Europese en internationale wetgeving. Een aantal voorbeelden van concrete acties die in 2000 werden uitgevoerd:

Informatiepunt ecodesign Specifiek voor de bedrijven en betrokken intermediairs hebben we de mogelijkheden van de oprichting van een centraal informatiepunt rond ecodesign (milieugerichte productontwikkeling) onderzocht. Een eerste aanzet voor de uitvoering van een proeffase werd gegeven.

Milieu & Winst Milieu & Winst is een Vlaams–Nederlands samenwerkingsproject dat op 1 januari 2000 van start ging. Dit project heeft als doel afval en emissies van bedrijven te verminderen door gebruiksvriendelijke infor26

matie te geven over het invoeren van preventieve maatregelen. Voor Vlaanderen is er een overzichtelijk website (www.milieuwinst.be) uitgewerkt met honderden preventieve milieumaatregelen en tal van cases van bedrijven die de maatregelen succesvol hebben ingevoerd. Voor de uitbouw van deze site hebben EPOO en STIP nauw samengewerkt.

Voorbereiding programma 2001 Eind 2000 zijn we gestart met een studie over milieuvriendelijke consumptie. Het consumptiegedrag is namelijk een belangrijke hefboom om producenten aan te zetten tot het produceren van milieuvriendelijke producten. Om zowel de bedrijven als ook de particulieren in staat te stellen een milieubewuste keuze te maken in hun aankoopgedrag, hebben we de beschikbare informatie verwerkt. Zo zal gebruiksvriendelijke informatie over verschillende productklassen ter beschikking worden gesteld in een handboek ‘Milieuvriendelijk consumeren’. Een tweede studie werd gelanceerd om het gevoerde beleid te ondersteunen. Zo moet er een meetsysteem komen voor de preventie van bedrijfsafvalstoffen en dient te worden onderzocht welke optimale instrumentenmix voor preventie van toepassing is voor Vlaanderen.

Preventie Stimulerend Programma (PRESTI) De PRESTI-programma’s zijn subsidieprogramma’s van het Vlaamse Gewest om de preventie van afval en emissies bij bedrijven te stimuleren. PRESTI-2 is een subsidieregeling waarbij beroepsfederaties subsidies kunnen krijgen als ze preventiemaatregelen demonstreren. Enkele proefbedrijven hebben na een doorlichting een aantal preventiemaatregelen daadwerkelijk ingevoerd. Deze maatregelen worden geëvalueerd op hun ecologische waarde en


op hun technische en economische haalbaarheid. De verspreiding van opgedane ervaring binnen de sector is een essentieel onderdeel. 9 KMO-beroepsfederaties hebben in 2000 acties uitgewerkt om preventiemaatregelen aan hun sector te tonen. Voor de overige projecten zijn acties voorzien in 2001. Voor PRESTI-3 konden KMO’s tot 31 december 1999 een subsidievraag indienen om een preventieplan op te stellen en een deel ervan in praktijk brengen. Er werden 53 projecten goedgekeurd. De projecten lopen voornamelijk in de sectoren autodemontage, papier, chemie, hout, goederenbehandeling, garage en carrosserie, recreatie, metaal, oppervlaktebehandeling, voeding en de grafische sector. Eind 2000 hebben al 43 bedrijven een preventieplan ingediend waarvan er 29 ook daadwerkelijk preventiemaatregelen invoeren. PRESTI-4 subsidieert bedrijfsgerichte intermediaire organisaties om systemen op te zetten die bedrijven aansporen tot milieuzorg. Een goed jaar na de goedkeuring van PRESTI-4 (in 1999) zijn de Milieucharterprojecten een begrip geworden in alle Vlaamse provincies en kan ieder Vlaams bedrijf deelnemen aan een dergelijk project. De verschillende initiatiefnemers hebben zich akkoord verklaard om gezamenlijk de benaming ‘Milieucharter’ te hanteren voor de verklaring die de bedrijven ondertekenen bij deelname. Deze herkenbaarheid draagt bij tot de toenemende waardering van het deelnemende bedrijf door anderen (bedrijven, overheid, omwonenden…) voor geleverde prestaties rond milieuzorg. Sinds de subsidiëring zijn zowat 130 nieuwe bedrijven toegetreden, die samen staan voor 250 actiejaren (bedrijven kunnen meerdere jaren na elkaar deelnemen).

STIP - Steunpunt en Informatiecentrum voor Preventie van afval en emissies Op 28 juni 2000 werd de officiële start gegeven van het Steunpunt en Informatiecentrum voor Preventie van afval en emissies (STIP) op een bijeenkomst in Brussel in aanwezigheid van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw. STIP, een gemeenschappelijk initiatief van de OVAM, VLM, VMM en AMINAL, is een kennis- en informatiecentrum over milieuvriendelijk consumeren en produceren waarbij het voorkomen van afval en emissies centraal staat. Door informatie over afval-en emissiepreventie te verzamelen, te structureren en te verspreiden, zal STIP intermediaire organisaties voor de burger of de bedrijfswereld een flinke ruggensteun geven. Om dit doel te realiseren, nam STIP in 2000 al verschillende initiatieven: de ontwikkeling van een eigen website (www.stip.ovam.be), de creatie van een preventieprojectendatabank en de ver-

27


spreiding van de nieuwsbrief ‘STIP-berichten’. Daarnaast werd er ook volop gewerkt aan de organisatie van een eerste studiedag ‘AEP en internet’. STIP werkt ook mee aan de website www.milieuwinst.be, zoals hierboven al is vermeld. Naast de doorstroming van informatie en de organisatie van nieuwe studiedagen zal het STIP in 2001 ook overlegplatforms of themabijeenkomsten ondersteunen en oprichten. Zo kan de basis gelegd worden voor een preventienetwerk waarin nuttige informatie gevaloriseerd wordt en de diverse geleverde inspanningen elkaar versterken.

ADMINISTRATIEF EN DATACENTRUM (ADC) Het Administratief en Datacentrum (ADC) is het informatieknooppunt voor de sector afvalstoffen. ADC waakt over de diverse procedures, houdt de databanken up to date, beheert de klassementen… We investeren vooral veel energie in de opvolging van de VLAREM-adviesverlening, de in- en uitvoerprocedure van afvalstoffen en de jaarlijkse melding. Maar ook allerlei ‘kleinere’ procedures krijgen onze aandacht: de erkenning en registratie van ophalers en vervoerders, de registratie en inventarisatie van te 28

verwijderen PCB-apparaten, de gebruikscertificaten voor secundaire grondstoffen, de erkenning van laboratoria en het opvolgen van andere systemen zoals de heffingsdatabank. ADC staat uiteraard ook in voor een efficiënt gebruik van al die gegevens. Vandaar dat ADC ook de afvalstatistieken bijhoudt. Bovendien staat ADC steeds op de bres om de systemen en methodes van gegevensvergaring permanent te evalueren en te verbeteren. In nauwe samenwerking met onder meer de informaticadienst zorgt ADC voor de uitbouw van een krachtig en performant informatiesysteem. 2000 was voor ADC het jaar waarin een aantal nieuwe technieken voor informatiebeheersing ingang vonden. Voortbouwend op het voorbereidende werk in 1999 werden een hele reeks toepassingen en databanken operationeel. • ADC beheert een adressenbestand van 83.665 maatschappelijke en exploitatiezetels, een schat aan gegevens die als basis zal dienen voor een centraal bedrijvenbestand voor de verschillende leefmilieuVOI’s en AMINAL. • ADC ontwikkelde technieken en software voor gewogen regressies en trendanalyses op basis van gepaarde waarneming. Via doorgedreven statistische methoden wordt de kwaliteit van de afvalgegevens opgedreven. • De databank voor de in- en uitvoer van afvalstoffen werd volledig operationeel, wat leidde tot een efficiëntere aanpak van dit soort dossiers. • Op wetgevend vlak werkten we mee aan de ontwikkeling van een nieuwe VLAREA met een specifiek statistiekhoofdstuk, en aan de opvolging van de Europese plannen voor een afvalstatistiekverordening. • ADC investeerde ten slotte veel energie in de afvalhoofdstukken van het MIRA-scenariorapport en de OESO/EUROSTAT questionnaire 2000.


ORGANISCHE AFVALSTOFFEN Is bevoegd voor het afvalverbrandingsbeleid en de milieuheffing op afvalverbranding, het onderzoek naar alternatieve afvalverwerkingstechnieken en het beheer van medisch afval. De eindverwerking van afgewerkte olie en het toezicht op de afbouw van PCB-houdende apparaten vallen eveneens in het takenpakket. Ook laboratoria moeten er aankloppen voor een erkenning voor de analyse van afvalstoffen en/of bodemmonsters. Organische Afvalstoffen behandelt de problematiek vanuit een ruime invalshoek en volgt de dossiers op van a tot z. Zo ontstaat er een reservoir van kennis ten behoeve van de doelgroepen, bijvoorbeeld over schone technologie. Ook het formuleren van voorstellen om de wetgeving terzake doorzichtiger te maken, behoort tot de taken. De belangrijkste doelgroepen zijn, afhankelijk van de gekozen invalshoek: - economische sectoren: houtbewerking, gezondheidszorg, laboratoria, tankreiniging en industriĂŤle cleaning, (petro)chemie - specifieke afvalverwerkingstechnieken: verbranding, sorteren (containerdiensten) - specifieke afvalstromen: medisch afval en geneesmiddelen, PCB's en transformatoren, afgewerkte olie In 2000 deed Organische Afvalstoffen hoofdzakelijk voorbereidend studiewerk om de beleidsprioriteiten te kunnen uitvoeren, zoals ze zijn vastgesteld in het het Vlaamse regeerakkoord en in de Beleidsbrief Leefmilieu van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw.

Eindverwerking De Beleidsbrief Leefmilieu bevat een aantal initiatieven om de eindverwerking van afvalstoffen op een planmatige wijze te organiseren. Momenteel is die systematische aanpak er immers enkel voor huishoudelijke afvalstoffen en de daarmee vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen. Ter voorbereiding van die planmatige aanpak hebben we een aantal studieopdrachten en onderzoeken opgestart: - Vergelijkende studie van verwerkingsscenario's voor huishoudelijk afval en categorie II bedrijfsafval (VITO): in deze studie worden de verschillende bestaande verwerkingsscenario's (klassieke roosteroven, scheiden en vergisten, biologische droging, perolyse en vergassingssystemen) met elkaar vergeleken op basis van hun milieuperformantie, betrouwbaarheid en kostprijs. Deze studie vormt mee de basis voor het nieuwe Uitvoeringsplan Huishoudelijke Afvalstoffen. - Inventarisatie van de afvalverbrandingssector (VITO): met het oog op de opmaak van een nieuw Uitvoeringsplan Huishoudelijke Afvalstoffen kreeg de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO) van de OVAM de taak om de uit 1996 daterende studie over de huisvuilverbran-

29


dingssector te actualiseren en uit te breiden tot installaties voor de verbranding van bedrijfsafvalstoffen. - Inventarisatie van het aanbod hoogcalorisch en brandbaar bedrijfsafval: aan de hand van interne gegevens van de OVAM en bedrijfsgegevens bekomen uit een rondvraag, hebben we het aanbod hoogcalorisch en brandbaar bedrijfsafval in kaart gebracht. Deze gegevens zullen o.a. ingebracht worden in het plan hoogcalorisch afval dat deel uitmaakt van het strategisch project eindverwerking. - Emissies van dioxines en PAK's door gebouwenverwarming met vaste brandstof (VITO): deze studie ligt aan de basis van een project dat in samenwerking met AMINAL werd opgezet om de problematiek van ‘allesbranders’ te regelen en aan te pakken.

Houtafval De OVAM kreeg de opdracht een plan op te stellen voor het beheer van houtafval. Ter voorbereiding van dit plan heeft de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO) een studie opgestart die het gebruik van houtafval in de spaanderplatenindustrie moet evalueren. Daarnaast werden de houtafvalstromen binnen het Vlaamse Gewest geïnventariseerd.

30

Oude en vervallen geneesmiddelen Aangezien de bestaande milieubeleidsovereenkomst over de selectieve inzameling van oude en vervallen geneesmiddelen in de lente van 2001 vervalt, heeft de OVAM onderhandelingen aangeknoopt met de farmaceutische sector om deze overeenkomst te verlengen. Door een onduidelijkheid in de interpretatie van de federale wetgeving over geneesmiddelen konden deze onderhandelingen niet tijdig worden afgerond. Meer bepaald werd de vraag gesteld of de inzameling van oude en vervallen geneesmiddelen op containerparken onderworpen is aan de vergunningsplicht inzake het houden van geneesmiddelen, ondanks het feit dat het om afval van geneesmiddelen gaat. De farmaceutische sector is wel bereid om in afwachting van verduidelijking een overeenkomst met OVAM te sluiten zodat de inzameling en verwerking onder dezelfde voorwaarden als nu het geval is, kunnen worden voortgezet. Binnen dezelfde sfeer staat het project voor de selectieve inzameling van injectienaalden in de startblokken. Hier is het alleen nog wachten op de voor medio 2001 aangekondigde aanpassing van VLAREA.

PCB's Op 17 maart 2000 keurde de Vlaamse regering het verwijderingsplan voor PCB-houdende apparaten en de erin aanwezige PCB's goed. Met de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad op 17 mei is het PCB-vernietigingsbeleid in het Vlaamse Gewest op kruissnelheid gekomen en werd een belangrijke doelstelling uit het MINA-plan 2 (actie 31) gerealiseerd. De cel PCB concentreert zich nu hoofdzakelijk op de verdere actualisering van de PCB-inventaris, de behandeling van afwijkingsaanvragen en op het verwijderingsplan en de handhaving ervan.


SELECTIEF INGEZAMELDE STROMEN Is bevoegd voor het afvalstoffenbeleid in de bedrijfssectoren transport, metaal, papier en kunststoffen, alsmede voor de niet-sectorgebonden ophaling van bedrijfsafvalstoffen. De invoering van de aanvaardingsplicht als nieuw instrument in het afvalstoffenbeleid is van bijzonder belang. Daarnaast wordt ook gewerkt aan een betere afzet van gerecycleerde stoffen.

MBO’s maken de aanvaardingsplicht tastbaar VLAREA legt een aanvaardingsplicht op voor afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, afvalbanden, voertuigwrakken, papierafval en batterijen. De OVAM probeert in samenspraak met de betrokken sectoren milieubeleidsovereenkomsten (MBO’s) af te sluiten voor de diverse stromen, en staat daarna in voor de opvolging. De MBO met de uitgevers van tijdschriften en dagbladen resulteerde in gratis advertentieruimte voor milieuboodschappen van de Vlaamse (lokale) overheden en de MBO voor reclamedrukwerk in een stickeractie tegen ongewenst reclamedrukwerk. In het kader van de MBO voor reclamedrukwerk werd het Interventiefonds Oud Papier opgericht, een financieringsfonds voor de inzameling van papierafval. De gemeenten zullen worden vergoed met de bijdragen die worden geïnd voor het verspreide reclamedrukwerk. De OVAM zit in de begeleidingscommissie voor batterijen van BEBAT. Mede dankzij de grote inspanningen voor sensibilisering door de sector, behoort Vlaanderen tot de top van Europa als het gaat om selectieve inzameling en recyclage van batterijen (meer dan 60%). Samen met de brancheorganisatie FEBELAUTO werkte de OVAM verder aan de operationalisering van de MBO voor voertuigwrakken. Na de creatie van het wettelijke kader voor de erkende centra en de erkenning van een onafhankelijk keuringsorgaan, staat er nu een inzamel- en verwerkingstraject voor voertuigwrakken op papier. In 2000 werd de MBO voor afvalbanden van kracht. Binnen het beheersorganisme Recytyre, dat de MBO uitvoert, waren de werkzaamheden al aan de gang. Van belang hierbij is het netwerk van erkende operatoren dat is gecreëerd voor de inzameling en verwerking van afvalbanden.

31


Met het oog op de gelijkaardige regelgeving die binnenkort te verwachten is in de andere gewesten, hebben we ten slotte een principeakkoord bereikt over de MBO voor afgedankte elektrische en elektronische apparatuur. De wettelijke procedure voor het afsluiten van de MBO is eind 2000 ingezet. Op basis van bijdragen geïnd naar aanleiding van de verkoop van elektrische en elektronische apparatuur, zal de sector instaan voor de selectieve inzameling van de afgedankte apparaten bij zowel de eindverkopers als bij de gemeenten. Op het vlak van de verwerking moeten doelstellingen naar hergebruik en recyclage (o.a. schadelijke stoffen) worden gehaald. De operationele start is voorzien op 1 juli 2001. De OVAM heeft ook onderhandelingen gevoerd over nieuwe MBO’s voor batterijen en afgewerkte olie. We verwachten hierover akkoorden in de loop van 2001. In het kader van de producentenverantwoordelijkheid heeft Selectief Ingezamelde Stromen het project ‘Handhaving aanvaardingsplicht / milieubeleidsovereenkomsten’ voorgedragen. Gezien de parallelle regelingen in de drie gewesten, heeft de OVAM het initiatief genomen om ook voor de handhaving te komen tot een doorgedreven interregionale samenwerking. In het huidige beleid is de producent verantwoordelijk voor zijn product, ook in de afvalfase. Alvorens de 32

waaier van afvalstromen uit te breiden, voert de OVAM een studie uit naar de kenmerken van het product, de producenten of van de afvalstof die bepalen of voor een bepaalde afvalstroom de aanvaardingsplicht wel degelijk het gepaste instrument is om de vooropgestelde milieudoelstellingen te bereiken, of dat eerder een mix van andere instrumenten nodig is. De resultaten van de studie worden in de loop van 2001 verwacht.

Illegaal ingevoerd afval gaat terug Net zoals vorige jaren maakte de OVAM werk van de terugzending van illegaal ingevoerd afval van buitenlandse herkomst. In oktober 1999 bracht de politie van Turnhout ons op de hoogte van een illegale opslag van afval in een loods in het centrum van BaarleHertog. De loods bleek volgestouwd met 50.000 afvalbanden van Nederlandse herkomst. Overeenkomstig de bepalingen van de EG-Verordening 259/93 verzochten wij de Nederlandse Inspectie Milieuhygiëne de verantwoordelijke aan te sporen de afvalbanden te komen weghalen. Na een aanslepende procedureslag werden de banden in oktober 2000 weggehaald en verwerkt op kosten van de verantwoordelijke voor de sluikhandel.


Op 17 november 2000 kregen we een seintje van de Havenbrigade van de Rijkswacht dat in de haven van Antwerpen al enkele dagen een container met sterk vervuild papierafval stond te wachten op verscheping. Het bleek te gaan om een mengeling van papier en kunststoffen, die deel uitmaakte van een afvalstroom van 200 ton, afkomstig van een Duitse sorteerinstallatie. De afvalstoffen waren bestemd voor een Kempense sorteerinstallatie, actief in de inzameling, sortering en export van oud papier en karton. Noch de OVAM noch de bevoegde Duitse diensten hadden een vergunning afgeleverd voor de overbrenging. Bovendien was de installatie niet vergund om dergelijke afvalstoffen te verwerken. Na overleg met onze Duitse collega’s stuurden we begin 2001 de partij terug naar afzender. Onze steekproef-controleacties in de Antwerpse haven brachten in 2000 ook enkele keren illegale trafieken aan het licht met elektroschroot bestemd voor China. Telkens stelden wij strafrechtelijke vervolging in tegen de verantwoordelijken en werden de afvalstoffen teruggestuurd naar de afzenders.

Illegaal uitgevoerd afval komt terug Het kwam gelukkig minder vaak voor dat afval illegaal werd uitgevoerd. Op 31 januari 2000 onderschepte de Rotterdamse douane een container kunststofafval met bestemming Maleisië. Hoewel de partij geschikt bleek voor recycling, had de exporteur nagelaten een vergunning te vragen aan de OVAM en de Maleisische autoriteiten. De container werd teruggehaald en kon opnieuw vertrekken nadat alle vergunningen in orde waren gebracht.

De dioxineproblemen bij de ferro- en non-ferrobedrijven: normering In de meeste ferro- en non-ferrobedrijven worden naast grondstoffen ook en soms zelfs in belangrijke mate afvalstoffen verwerkt met het oog op de terugwinning van de aanwezige metalen. In tegenstelling tot de primaire grondstoffen zijn de afvalstoffen - meestal in beperkte mate - belast met organische verontreinigingen (vernis, verf, olie, kunststoffen…). Aangezien deze verontreinigingen verbrand worden, is er ook in deze sector kans op emissie van dioxines, VOS… De OVAM is van mening dat de vergunningsvoorwaarden voor deze bedrijven moeten worden getoetst aan de emissiegrenswaarden die gelden voor afvalverbrandingsinrichtingen, omdat de emissie van dioxines, VOS… eigenlijk het gevolg is van de verbranding van de aanwezige organische componenten. Bovendien moet, krachtens het regeerakkoord van de Vlaamse regering, het spanningsveld tussen de emissienormen die gelden voor afvalverbrandingsprocessen enerzijds en de klassieke industriële processen anderzijds worden afgebouwd, zodat verwijdering en nuttige toepassing inzake vergunningsvoorwaarden op dezelfde leest worden geschoeid. Niettemin is er bij de praktische toepassing van deze redenering één probleem. De ferro- en non-ferronijverheid worden gekenmerkt door een grote diversiteit aan metallurgische processen. Aangezien de procesomstandigheden mede bepaald worden door de gekozen productietechniek, zijn ook die zeer verschillend. Het vastleggen van bepaalde standaardomstandigheden, zoals bij afvalverbrandingsprocessen, lijkt dan ook onmogelijk. Momenteel proberen we via bijkomende studies verder inzicht te krijgen in deze problematiek.

33


OVAM pakt uitvoer voertuigwrakken en afgedankte elektrische en elektronische apparatuur naar Afrika aan Onder leiding van het parket van Antwerpen en in samenwerking met de rijkswacht en de douane hebben we begin december 2000 een controleactie uitgevoerd in de haven van Antwerpen. Met deze actie wilden wij een kijk krijgen op de uitvoer van afgedankte voertuigen, geladen met tweedehandsgoederen of afvalstoffen, en op de uitvoer van koel- en vriesapparatuur. De uitvoer van dergelijke apparatuur, in zoverre zij CFK’s bevat, is sinds 1 oktober 2000 verboden. Van de ongeveer 500 gecontroleerde voertuigen waren er 218 niet in orde waren met de wetgeving. Er werden procesverbalen opgesteld en de milieucel van het parket van Antwerpen zal de zwaarste overtredingen strafrechtelijk vervolgen.

ECOWARE: programma voor het beheer van afvalstoffen in havens In samenwerking met de havens van Antwerpen, Gent, Oostende en Zeebrugge heeft de OVAM een project afgerond inzake het afvalstoffenbeheer in de Vlaamse zeehavens. Dit project werd Ecology Cluster for Overall Waste Re-engineering (ECOWARE) genoemd en genoot de financiële steun van het 34

Life-fonds van de Europese Commissie. Het programma startte op 1 november 1998 en kreeg een looptijd van 20 maanden (tot 30 juni 2000). ECOWARE legt de nadruk op alle aspecten van de inzameling, de sortering, het transport en de verwerking van havenafvalstoffen en op een coördinatie van al deze deelactiviteiten. Het project moest een oplossing brengen voor alle havenafvalstoffen, zowel voor scheepsafvalstoffen als voor het afval afkomstig van de havengebonden activiteiten. ECOWARE past ook in het kader van de uitwerking van een aantal verplichtingen die werden opgelegd door de recente richtlijn (van 27 november 2000) inzake havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen. Verschillende partijen werkten mee aan het project: de havens van Antwerpen, Gent, Oostende en Zeebrugge, maar ook het Maritiem Instituut van de Gentse Universiteit, APEC, de OVAM, softwarebureau Artemis, Indaver, AGHA (de Antwerpse Gemeenschap voor de Haven), APZI (de vereniging van de privé-sector in de haven van Brugge-Zeebrugge) en de Gentse en Oostendse Havenbelangen. De belangrijkste output van ECOWARE is een geïnformatiseerd monitoring-, beheer- en controlesysteem, dat preventie en optimaal beheer van het havenafval mogelijk maakt. Dit systeem, ECOTECH genaamd, werd tweeledig opgebouwd. De kern van het systeem is een planning en een scheduling


module. Dat is een instrument waarmee de dispatcher voor een bepaalde afvalstroom de optimale inzameling, verwerking en logistieke voorwaarden kan bepalen. Om de knelpunten op te vangen die op het terrein kunnen ontstaan bij de keuze van een bepaalde optie voor een individuele afvalstroom, werd ECOTECH tevens voorzien van een simulatiemodule. Momenteel draait ECOTECH proef bij enkele havenbedrijven en zijn de verschillende groeperingen binnen de respectievelijke havens gestart met een overleg over hoe de invoering van ECOTECH veralgemeend kan worden, onder andere met het oog op de MARPOL-Richtlijn die op 28 december 2002 van kracht wordt. In het kader van ECOWARE werd ook een handleiding ‘Afvalstoffenbeheer bij goederenbehandelaars in de Vlaamse zeehavens’ uitgewerkt.

BIOLOGISCHE AFVALSTOFFEN De belangrijkste bevoegdheid is het beheer van dierlijke en plantaardige afvalstromen. Ook de inzameling en verwerking van organisch-biologische afvalstoffen en hun gebruik als meststof, bodemverbeterend middel of dierenvoeder behoren tot het takenpakket. Daarnaast is de dienst nog actief op het vlak van textielafval.

Dierlijk afval In 2000 waren er de naweeën van de dioxinecrisis van 1999. Zo werd de OVAM begin februari 2000 gehoord in de federale parlementaire onderzoekscommissie in verband met de werking van de containerparken, de aanpak van de PCB-problematiek en het beleid inzake dierlijk afval. Vanaf mei 2000 hield de OVAM ook toezicht op de afvoer van dioxineverdacht diermeel vanuit de centrale opslagplaats Manufert in de haven van Antwerpen naar de cementovens in Wallonië. Er was opnieuw intens doelgroepenoverleg via de Commissie Dierlijk Afval waarvan de OVAM het voorzitterschap en secretariaat waarneemt. Eén van de belangrijkste thema’s was de financiering van de krengenophaling en -verwerking. De federale regering besliste immers dat de krengen niet langer mogen worden gebruikt voor dierenvoer, wat grote financiële consequen-

35


ties had, oplopend tot een bedrag van ongeveer 700 miljoen frank (17,4 miljoen euro) per jaar. Er is namelijk een dubbel effect: enerzijds valt de opbrengst van dierlijk meel en vet weg, anderzijds zijn er extra verbrandingskosten. Een studie van de Vakgroep Landbouweconomie, afdeling Agro-Marketing, van de Universiteit Gent (UG) toonde aan hoezeer het bestaande financieringssysteem uit balans werd gebracht. In de studie worden ook beleidsmatige aanbevelingen gedaan voor een toekomstig financieringssysteem op basis van een reële kosteninschatting. Een systeem van gedeelde verantwoordelijkheid tussen de sector en de overheid geniet hierbij de voorkeur. De kost van de krengenophaling en –verwerking kan immers niet worden doorgerekend naar de verdere schakels in de vleesfilière. Bovendien komen ook het Waalse Gewest en de meeste andere Europese lidstaten hierin geheel of gedeeltelijk financieel tussen met het oog op een milieuhygiënisch en sanitair veilige ophaling en verwerking. Rekening houdend met de resultaten van de studie werden eind 2000 de abonnementstarieven bij ministerieel besluit vastgelegd. Het bannen van dierlijk afval uit de voedselketen werd eind 2000 nog verruimd. De EU-Landbouwraad besliste namelijk op 4 december 2000 om vanaf 1 januari 2001 geen diermeel meer toe te laten in het voer voor gebruiksvee en dat alvast voor een periode van 6 maanden. Deze beslissing betekent dat het statuut van diermeel als grondstof of product plots wijzigt in een afvalstof die niet meer mag gebruikt 36

worden in veevoeder met alle logistieke en financiële gevolgen vandien. Logistiek is er het probleem van de tussenopslag en de eindverwerking. Aangezien de ophaling van dierlijk afval van veehouderijen (krengen), van slachthuizen (slachtafval) en van de vleesverwerkende industrie (vetten en beenderen) verzekerd moet blijven, wordt er ook blijvend diermeel geproduceerd. Maar omdat de vernietingscapaciteit beperkt is, is er nood aan tussenopslag. Dat gebeurt in het opslagbedrijf Manuport in Gent, dat werd opgevorderd door de federale minister van Landbouw op vraag van de gewesten. Op financieel vlak spelen 2 factoren. Enerzijds is er de ontwaarding van het diermeel omdat er geen afzet meer mogelijk is als dierenvoer, anderzijds is er de bijkomende kost voor tussenopslag en eindverwerking. Daardoor raakt de markt ernstig verstoord. Onze hoofdbekommernissen blijven de continuïteit van de milieuhygiënische en sanitair veilige ophaling en verwerking van dierlijk afval, en de kwalitatieve en kwantitatieve tracering. Daarom zijn we eind 2000 gestart met het ontwikkelen en/of actualiseren van de nodige begeleidende instrumenten (regelgeving, financiering, communicatie, monitoring, handhaving, beleidsonderbouwing…). Concreet nam de OVAM deel aan de besprekingen met het Kabinet van Vlaams minister van Leefmilieu en Landbouw, de Commissie Dierlijk Afval, federale en regionale overheden, doelgroepen, crisiscellen… Nieuw waren de contacten met het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV) dat een coördinerende rol speelt. Daarnaast hielp de OVAM mee bij de inventarisatie van de voorraden veevoeders met diermeel per 15 december 2000. Iets meer dan 1.600 actoren werden aangeschreven. Het resultaat was een totale resterende voorraad van ongeveer 14.500 ton. Verder werkten we een administratief traceringsysteem uit voor de verwerkers van dierlijk afval en de tussenopslagplaats Manuport in de Gentse haven. Ook in 2001 zal de diermeelproblematiek (BSE) brandend actueel blijven. Op het vlak van beleidsonderbouwend onderzoek heeft de OVAM de twee proefprojecten, in Gent en in Schoten, verder opgevolgd. Die werden gelanceerd om de haalbaarheid te testen van de inzameling van dierlijk afval afkomstig van particulieren. Naar aanleiding van de problematiek van de krengen en het


diermeel werd ook een onderzoek opgezet naar alternatieve verwerkings- en toepassingsmogelijkheden van dierlijk afval.

Uitvoeringsplan Organisch-Biologisch Afval Op 20 januari 2000 heeft de Vlaamse regering het Uitvoeringsplan Organisch-Biologisch Afval vastgesteld. Dit plan vormt het beleidskader voor GFT- en groenafval en biologisch bedrijfsafval. Met het oog op de uitvoering en opvolging van het actieprogramma werden zowel een interne OVAM-werkgroep als een overkoepelend overlegplatform opgericht. Daarnaast hebben we ook een aantal werkgroepen in het leven geroepen voor specifieke acties. Concreet werden o.a. volgende thema’s onder de loep genomen: - de selectieve inzameling van organisch-biologische bedrijfsafval; - de strategie voor het gebruik als meststof of bodemverbeterend middel met een onderzoek naar de begrippen ‘nutriëntenrijk of –arm’ en ‘humusrijk of –arm’; - de haalbaarheid van vergisting van organisch-biologische afvalstoffen; - de ruimtelijke inplanting. Voor de algemene coördinatie van de uitvoering en de thema’s thuiscomposteren, wijkcompostering en bermmaaisel hebben we samengewerkt met de Vlaamse Compostorganisatie (VLACO vzw). De OVAM nam ook deel aan het project ‘afval bij onderhoudswerkzaamheden’ van de Administratie Wegen en Verkeer (AWV) van het Departement Leefmilieu en Infrastructuur (LIN) en is lid van de ‘task force mestverwerking’ onder leiding van de Vlaamse minister van Leefmilieu. De co-verwerking van dierlijke mest met organisch-biologische afvalstoffen en de afzet van de eindstromen waren belangrijke thema’s met OVAMinbreng.

Gebruik van secundaire grondstoffen als meststof of bodemverbeterend middel (VLAREA) Naast het afleveren van gebruikscertificaten voor behandeld waterzuiveringsslib en voor GFT- en groencompost hebben we in april en september controleacties gedaan om de conformiteit met de voorwaarden van het gebruikscertificaat te verifiëren. Hiervoor werkten we samen met de Vlaamse Landmaatschappij (VLM), afdeling Mestbank. Er waren een aantal overtredingen op de normering (zware metalen en tolueen) met schorsing en/of intrekking van een aantal gebruikscertificaten als gevolg. Verder hebben we de herziening van hoofdstuk 4 van VLAREA (Vlaams Reglement inzake Afvalvoorkoming en –beheer) voorbereid. Daarbij werden de knel- en aandachtspunten geïnventariseerd en werden suggesties gedaan om de reglementering aan te passen.

37


Gebruikte frituurvetten en –oliën Naar aanleiding van het federale verbod op de toepassing van gebruikte frituurvetten en –oliën in dierenvoeding, hebben we een onderzoek opgestart met het oog op een milieuhygiënische, technische en economische doorlichting van alternatieve verwerkings- en toepassingsmogelijkheden. Daarnaast begeleiden we een project van de Universitaire Instelling Antwerpen (UIA) dat de haalbaarheid van een eventuele terugnameplicht van gebruikte frituurvetten en –oliën nagaat.

GEMEENTEN EN HUISHOUDELIJKE AFVALSTOFFEN Is bevoegd voor huishoudelijke afvalstoffen. Werkt intens samen met de gemeenten, de intercommunales, de provincies en de kringloopcentra. Is daarnaast ook verantwoordelijk voor de afvalstoffen van scholen, openbare diensten, andere niet-sectorgebonden ‘bedrijven’ en alle ‘kleine’ KMO’s en zelfstandige ondernemers. 38

Inventarisatie huishoudelijke afvalstoffen Onderstaande figuur geeft de evolutie weer voor de periode 1991-1999. Ze laat zien dat er vanaf 1997 meer huishoudelijke afvalstoffen selectief worden ingezameld dan dat er worden ingezameld voor terminale verwerking (voornamelijk storten en verbranden).

600

kg per inwoner

500 400

406

423

331

330

450 334

480

492

335

325

300 200 100

74

93

116

146

167

492

528

280 270 211

258

531

315

216

549

342

207

terminaal te verwijderen selectief ingezameld

0

1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999

totaal huishoudelijke afvalstoffen

Evolutie van de totale, de selectief ingezamelde en de terminaal te verwijderen hoeveelheid huishoudelijke afvalstoffen, uitgedrukt in kilogram per inwoner, voor de periode 1991-1999. In 1999 werd van de huishoudelijke afvalstoffen 62,3% selectief ingezameld en 37,7% ingezameld voor terminale verwijdering.


De volgende figuur geeft de samenstelling weer van de selectief ingezamelde huishoudelijke afvalstoffen in 1999. 341,9 kg/inwoner slectief ingezamelde huishoudelijke afvalstoffen in 1999 overige 2,7 % bouw- en sloopafval 21,9 %

papier en karton 20,6 %

houtafval 4,2 %

textiel 0,9 %

glas 7,6 %

metalen 3,4 %

groenafval 19,6 %

kunststoffen1,7 %

39 drankkartons 0,3 %

GFT 17,1 %

Procentuele verdeling van de selectief ingezamelde hoeveelheid huishoudelijke afvalstoffen in Vlaanderen in 1999. Met ‘overige’ wordt bedoeld : autobanden, vlakglas, witgoed, bruingoed, dierlijk afval, Klein Gevaarlijk Afval en herbruikbaar afval ingezameld door kringloopcentra.

Onderzoek samenstelling huisvuil De OVAM voerde opnieuw een sorteeranalyse uit van het te verwijderen huisvuil. Bij 2000 gezinnen, representatief voor Vlaanderen, werden in december 2000 een eerste maal alle huisvuilzakken meegenomen en uitgesorteerd. Om seizoensinvloeden uit te sluiten hebben we deze campagne nog eens overgedaan in februari en in april-mei 2001. Uit de eerste resultaten blijkt dat de hoeveelheid organisch afval afgenomen is tot ongeveer 42% van de huisvuilzak. Ook blijkt nog steeds een grote hoeveelheid papier en karton (14%) en PMD-afval (4,15%) in de huisvuilzak aanwezig te zijn. Glasafval (2,25%), textielafval (2,75%) en KGA (0,71%) zitten ook nog in de gemiddelde huisvuilzak, ondanks de preventiecampagnes en de doorgedreven selectieve inzameling ervan.

Het gemeentelijk milieuconvenant Vanaf het jaar 2000 trad het nieuwe gemeentelijk milieuconvenant 2000-2001 in werking. Dit nieuwe convenant bouwt voort op het milieuconvenant 1997-1999, maar is meer resultaatsgericht: duidelijker, eenvoudiger en met minder administratieve verplichtingen. Ook het nieuwe milieuconvenant is nog steeds een overeenkomst met het Vlaamse Gewest die de gemeenten op vrijwillige basis kunnen ondertekenen. Deze overeenkomst geeft een gemeente recht op


subsidies voor specifieke acties met betrekking tot preventie, recyclage, hergebruik en selectieve inzameling. Het gemeentelijk milieuconvenant 2000-2001 bestaat uit één basisovereenkomst en 10 opties, waarvan er 3 met afvalstoffen te maken hebben. Eind 2000 hadden 275 gemeenten de basisovereenkomst ondertekend. Daarnaast hadden respectievelijk 221, 247 en 105 gemeenten de opties 4 (preventie en selectieve inzameling van huishoudelijke afvalstoffen), 5 (hergebruik van huishoudelijke afvalstoffen) en 7 (duurzaam gemeentelijk beleid) onderschreven. In 2000 werden deze gemeenten beoordeeld op hun beleid in 1999. Daaruit bleek dat de meeste gemeenten hun inspanningen voortzetten om te voldoen aan de eisen van het milieuconvenant. In totaal werden 255,3 miljoen frank (6,3 miljoen euro) subsidies verleend voor optie 4, 47,2 miljoen frank (1,2 miljoen euro) voor optie 5, 65,6 miljoen frank (1,6 miljoen euro) voor optie 7 en 268,3 miljoen frank (6,7 miljoen euro) voor de uitvoering van de basisovereenkomst, waarvan een aanzienlijk deel gebruikt wordt voor het beheer van huishoudelijk afval. In het voorjaar van 2000 hebben we in opdracht van AMINAL een evaluatie van de vorige milieuconve40

nanten opgestart. Het onderzoek werd uitgevoerd door het HIVA en het CDO en werd begeleid door een uitgebreide stuurgroep waarin ook Gemeenten en Huishoudelijke Afvalstoffen vertegenwoordigd was. Eind 2000 werd het onderzoek afgerond. Het geeft inzicht in de positieve en de negatieve elementen van de convenanten en bespreekt enkel mogelijke scenario’s voor een volgende milieuconvenant (vanaf 2002).

Scholen Bij de schoolstart 2000-2001 voerden we de campagne ‘Ik kleur mijn schooljaar groen !’. Deze campagne werd inhoudelijk voorbereid en uitgewerkt in samenwerking met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, het Waalse Gewest en Fedis. Met de campagne wilden we de vraag naar milieuvriendelijk schoolmateriaal doen stijgen door de leerlingen van het basisonderwijs te sensibiliseren en ervoor te zorgen dat het aanbod in de winkels verhoogt en duidelijk zichtbaar in de rekken wordt geplaatst. Midden 2000 zijn we op initiatief van Aminal Project Groene School gestart met een milieubrochure voor scholen. Deze brochure beschijft op een eenvoudige manier alle verplichtingen die een school in het kader van de Vlaamse milieuwetgeving moet uitvoeren. Gemeenten en Huishoudelijke Afvalstoffen schreef het luik Afval. Daarnaast werd er, in samenwerking met Bodem, ook een luik Bodem toegevoegd. De publicatie van de milieubrochure is voorzien voor begin 2001.


Militaire domeinen Op verzoek van de federale ministers van Leefmilieu en Landsverdediging, hebben we gewerkt aan een protocolovereenkomst over de ontmanteling en vernietiging van toxische en conventionele munitie op het militaire domein van Poelkapelle-Houthulst. Deze protocolovereenkomst kadert in een federale bevoegdheidsoverdracht en dient om de nodige afspraken te maken met het Vlaamse Gewest over de uitbating van deze ontmantelings- en vernietigingsinstallatie met betrekking tot de geldende milieuwetgeving (milieuvergunning, afval, bodem…). Gemeenten en Huishoudelijke Afvalstoffen coördineerde de werkzaamheden.

Uitvoeringsplan Huishoudelijke Afvalstoffen Gemeenten en Huishoudelijke Afvalstoffen stelde een voortgangsrapportage op in verband met het Uitvoeringsplan Huishoudelijke Afvalstoffen 1997-2001. De OVAM heeft een grootschalige campagne gehouden onder het motto ‘wie afval vermijdt, moet het niet kwijt’. Uit de contacten met gemeenten en intercommunales blijkt dat er nood is aan de ondersteuning van het lokale preventiebeleid. Daarom heeft de OVAM het Steunpunt en Informatiecentrum voor Preventie van afval en emissies (STIP) opgericht. Tevens besteden we aandacht aan het thuiscomposteren en de uitbouw van de kringloopcentra. De recuperatie is sinds 1995 sterk toegenomen. In 1999 werd per inwoner van het Vlaamse Gewest 342 kg huishoudelijk afval selectief ingezameld. Dat is 62,3% van de huishoudelijke afvalstoffen. De taakstelling van het Uitvoeringsplan, namelijk een recuperatiegraad van 52% tegen 2001, werd daarmee al ruim overschreden. De maatregelen voor selectieve inzameling moeten verder worden ingevoerd in alle gemeenten. De uitdaging bestaat erin de hoeveelheid selectief ingezameld afval hoog te houden. Ook de kwaliteit van de ingezamelde fracties blijft een aandachtspunt. Voor de verwerking van GFT- en groenafval wordt bijkomende capaciteit voorzien. De structurering en legalisering van de selectieve inzameling van textielafval werd voortgezet. Enkele gemeenten halen de taakstellingen van het Uitvoeringsplan met betrekking tot de te verwijderen hoeveelheid huishoudelijk afval nog steeds niet. Vooral de kustgemeenten hebben hier problemen mee. Om oplossingen te zoeken, werken we samen met de provincie West-Vlaanderen in de kustwerkgroep. In 2000 werd opnieuw een acuut tekort aan verbrandingscapaciteit vastgesteld. Bijkomende capaciteit zal pas eind 2001 voorhanden zijn, wanneer de derde verbrandingsoven van Indaver operationeel wordt. Er werd gestart met de ontwikkeling van een dynamisch scenariomodel dat, uitgaande van de huidige verbrandingscapaciteit en het actuele aanbod te verwijderen afval, prognoses maakt in verband met de benodigde capaciteiten tot 2010.

41


Er is vooral voortgang op het gebied van de instrumenten. De invulling van de aanvaardingsplicht op basis van milieubeleidsovereenkomsten voor verschillende afvalfracties krijgt definitieve vormen. Op 21 januari 2000 keurde de Vlaamse regering het Uitvoeringsplan Organisch-Biologisch Afval goed, waarbij een meer verfijnde invulling van het beleid voor organisch afval wordt opgestart. De heroriëntering van het subsidiebeleid en het milieuheffingensysteem werd voortgezet. Er werden steeds minder afwijkingen op de stortverboden verleend.

Uitvoeringsplan KMO-afval Op 28 januari 2000 keurde de Vlaamse regering het Uitvoeringsplan Gescheiden Inzameling Bedrijfsafval van Kleine Ondernemingen goed. Gemeenten en Huishoudelijke Afvalstoffen werd midden 2000 belast met de coördinatie van de uitvoering van dit plan. Op 20 oktober 2000 hebben we het overlegplatform opgestart waarin alle actoren zetelen die bij het afvalbeleid van en naar KMO’s betrokken zijn. In juni 2000 werden de eerste KMOcontainerparken in Machelen en Leuven officieel geopend in het kader van een proefproject in samenwerking met de intercommunales Interleuven en INCOVO, de provincie Vlaams-Brabant en de Kamers van Handel en Nijverheid van Halle-Vilvoorde en Leuven. Gemeenten en Huishoudelijke Afvalstoffen vol42

gen ook de KMO-containerparken in Kortrijk en in Beveren op. Daarnaast hebben we een ontwerp van modelpolitieverordening betreffende de inzameling van huishoudelijk afval en van bedrijfsafvalstoffen van KMO’s ontwikkeld. Dat gebeurde samen met een model van huisvuilbelasting- en retributiereglement dat gebaseerd is op het principe ‘de vervuiler betaalt’. In het voorjaar 2001 bieden we deze modelreglementen aan de nieuwe gemeentebesturen aan. Er werd ook een inventarisatiestudie uitgevoerd van de huisvuilbelastingen en retributies bij de gemeenten die sinds 1 januari 2000 van kracht zijn.

Afvalvoorkomingsproject IGEMO In 2000 heeft IGEMO het afvalvoorkomingsproject afgerond. De resultaten werden bekend gemaakt op een studiedag op 18 oktober. Door op intergemeentelijk niveau te werken worden diverse voordelen bekomen: - financieel, door bij IGEMO een team ter beschikking te stellen dat voor alle gemeenten werkt. Ook door sensibiliseringmateriaal of educatieve pakketten voor alle gemeenten te ontwerpen en te gebruiken; - ontwijkgedrag beperken door het gezamenlijk invoeren van een dure huisvuilzak en door gezamenlijke afspraken te maken met het parket en de politie- en retributiereglementen op elkaar af te stemmen; - ondanks de intergemeentelijke aanpak blijft elke gemeente zelf verantwoordelijk voor een aantal taken in het project. Dat zorgt voor een gedeelde verantwoordelijkheid voor het al dan niet slagen van het project in een gemeente. De activiteiten van Fost Plus, met onder andere een intensieve PMD-inzameling, zorgen ervoor dat de inwoners liever gebruik maken van dit zeer laagdrempelige inzamelsysteem, dan dat ze afval wensen te voorkomen. Net zoals in de gemeente Dilbeek kunnen ook de gemeenten van IGEMO hun te verwijderen hoeveelheid huishoudelijke afvalstoffen niet terugbrengen tot minder dan 150 kg/inwoner. Daarom start de OVAM een onderzoek naar de factoren die wel tot dergelijke reductie leiden in bijna 100 andere Vlaamse gemeenten.


Kringloopcentra In opdracht van de OVAM en in samenwerking met de KVK (Koepel van Vlaamse Kringloopcentra) en Hefboom maakte het HIVA (Hoger Instituut voor de Arbeid) in 1999 een opvolgingsverslag over de kringloopsector in het Vlaamse Gewest. In 1999 zamelden de kringloopcentra 2,5 kg per inwoner in. In totaal ging het om zowat 14.000 ton. Tegelijk is het gebiedsdekkend netwerk van gesubsidieerde kringloopcentra in Vlaanderen nu bijna voltooid. De gehele Vlaamse bevolking kan een beroep doen op een kringloopcentrum. Via het samenwerkingsverband Cyclus 2 werkt de OVAM samen met de KVK en Hefboom aan een nog fijnmaziger netwerk van kringloopwinkels. Einde 2000 had de OVAM aan 38 kringloopcentra een erkenning afgeleverd op basis van het VLAREA en was het aantal met de OVAM afgesloten overeenkomsten opgelopen tot 41. Twee kringloopcentra gingen op in een groter geheel, zodat Vlaanderen nu beschikt over 39 operationele kringloopcentra.

Herstelarbeid en Revisiehergebruikcentra De KVK en de OVAM hebben een overeenkomst gesloten om de volgende drie jaar over heel Vlaanderen een netwerk van Revisiehergebruikcentra uit te bouwen. Dit netwerk sluit aan bij de integratie van hergebruik in de aanvaardingsplicht van elektrische en elektronische apparaten. In totaal zullen 10 tot 15 Revisiehergebruikcentra in Vlaanderen worden opgericht. Daar zullen ingezamelde apparaten op herbruikbaarheid beoordeeld worden. Ze worden nagekeken en zo nodig hersteld waarna ze het kwaliteitslabel krijgen. Aan dit Revisielabel is een garantie verbonden bij de verkoop van de apparaten in de aangesloten kringloopcentra. Het netwerk zal dan ook nauw samenwerken met de lokale besturen en de kringloopcentra. De OVAM investeert bijna 10 miljoen frank (250.000 euro) in het Samenwerkingsverband Herstelarbeid.

Samenwerkingsakkoord preventie en beheer verpakkingsafval Sinds 5 maart 2000 zijn ook de kleinhandelaars met een gecumuleerde verkoops- of verbruiksoppervlakte van minder dan 200 m2 onderworpen aan de terugnameplicht voor verpakkingsafval. Samen met Fost Plus en de Interregionale Verpakkingscommissie hebben we voor de kleinhandelaars een administratief eenvoudige regeling uitgewerkt. Diverse intercommunales verzochten de OVAM te bemiddelen bij de samenwerking tussen hen en Fost Plus. OVAM nam ook deel aan een werkgroep rond de problematiek van de referentiekosten en aan de Task Force PMD-residu. Het bepalen van de totale en reĂŤle kost

43


en het terugbrengen van het residu in de PMD-zak tot een aanvaardbaar niveau, zijn immers belangrijke knelpunten, die ook aan bod kwamen bij de evaluatie Fost Plus. In het najaar werd met deze evaluatie gestart. Samen met de Interregionale Verpakkingscommissie onderzoeken we de samenstelling van het selectief ingezamelde papier en karton door middel van een sorteeranalyse. Zo willen we de hoeveelheid verpakkingsafval bepalen.

Milieuvergunningen In totaal brachten we 61 adviezen uit voor evenveel containerparken waarvoor in 2000 een nieuwe milieuvergunning of een wijziging van de bestaande milieuvergunning was aangevraagd. Daarnaast leverden we ook nog een 16-tal adviezen af voor overslagstations voor huishoudelijke afvalstoffen, compostering van GFT-afval, scheiden-vergisten van restafval, campings, feestzalen en pretparken. Over deze materie werkten we ook OVAM-standpunten uit.

In- en uitvoer In 2000 behandelden we 5 kennisgevingen van in- en uitvoer van huishoudelijke afvalstoffen. 44

Erkenningen In 2000 verleenden we een advies voor één erkenningsaanvraag voor het ophalen van KGA van huishoudelijke oorsprong.

Gesubsidieerde werken Gemeenten en Huishoudelijke Afvalstoffen onderzoekt de aanvragen die ondergeschikte besturen indienen voor de subsidiëring van recipiënten en infrastructuur die ze willen gebruiken voor de preventie, selectieve inzameling en verwerking van huishoudelijke afvalstoffen. De OVAM kan bijvoorbeeld de aanleg en uitrusting van containerparken subsidiëren pro rata van 60% van de kostprijs. We steunen ook de bouw van sorteercentra en composteerinstallaties voor GFT- en groenafval pro rata van 30%. In 2000 was hiervoor een totaal budget van 265 miljoen frank (6,6 miljoen euro) beschikbaar, waarvan 221,3 miljoen (5,5 miljoen euro) ook daadwerkelijk werd gebruikt.


Subsidies verlenen is een instrument om het huishoudelijk afvalstoffenbeleid sneller uit te voeren. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de subsidies tijdens de periode 1990-1999. Ook in de toekomst zal dit een belangrijk beleidsinstrument blijven. Vandaar dat er gewerkt wordt aan een nieuw subsidiĂŤringsbesluit.

1000

subsidie (x 1.000.000 BEF)

900

860,2

800 700 600

562,8

548,3

500

433,2

437,8

400 300 305,8

353,1

316,3

244,5

246,6

200 100 0 1990

1991

1992

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

begrotingsjaar

45

Onderstaande tabel geeft een beknopt overzicht van de bij de OVAM ingediende en behandelde ontwerpdossiers voor 2000.

aard project

aantal

geraamde kostprijs

toegezegde subsidie

containerpark1

14

170.167.000 BEF

63.243.000 BEF

(4.218.329,74 EUR)

(1.567.753,02 EUR)

456.846.000 BEF

76.062.000 BEF

(11.324.916,52 EUR)

(1.885.527,73 EUR)

GFT-compostering2

Groencompostering

sorteerloods3

2

4

1

171.140.000 BEF

42.265.000 BEF

(4.242.449,78 EUR)

(1.047.721,98 EUR)

7.178.000 BEF

2.478.000 BEF

(177.937,97 EUR)

(61.428,02 EUR)

1

nieuw aangelegde containerparken, niet de verdere uitrusting van bestaande containerparken

2

aanpassingswerken aan de installatie van IL en bouw van installatie van IVAGO

3

aanpassingswerken aan de installatie van IGEMO en AALTER; bouw van installaties van IVAGO en IBOGEM


De uitvoering van de meeste projecten is gespreid over een aantal (begrotings-)jaren. Dat heeft te maken met de tijd die het kost om de nodige vergunningen te verkrijgen van de verschillende instanties en om geschikte terreinen te verwerven. Bovendien kunnen de middelen pas worden vastgelegd nadat de minister van Leefmilieu voor elke fase van het dossier zijn goedkeuring heeft gegeven. Pas dan kan de gemeente of intercommunale de aannemer de opdracht geven met de werkzaamheden te beginnen.

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de projecten die tijdens het werkjaar 2000 de gunningsfase hebben bereikt.

aard project

aantal

containerpark

8

kostprijs 90.945.400 BEF (2.254.477,58 EUR)

GFT-compostering1

3

960.627.745 BEF (23.813.339,77 EUR)

groencompostering2

46

1

17.662.210 BEF (437.834,75 EUR)

sorteerloods

1

7.424.298 BEF (184.043,54 EUR)

1

installatie van IL, INTERCOMPOST, IVVO

2

installatie van AALTER


In 2000 bereikten ook verschillende projecten hun eindfase zodat de subsidie daadwerkelijk kon worden uitbetaald. Voor grotere projecten kunnen de aanvragers voorschotten krijgen, die worden uitbetaald naarmate de werkzaamheden vorderen (als bewijs dienen vorderingsstaten).

aard project

aantal eindafrekeningen

subsidiebedrag

containerpark1

20

53.750.000 BEF

voorschotten

(1.332.427,70 EUR) GFT-compostering2

groencompostering3

selectieve inzameling

1

3

29

17.820.000 BEF

34.419.000 BEF

(441.746,26 EUR)

(853.224,72 EUR)

40.379.000 BEF

45.201.000 BEF

(1.000.969,26 EUR)

(1.120.503,52 EUR)

72.916.000 BEF (1.807.540,43 EUR)

sorteerloods

1

47

10.221.000 BEF

27.857.000 BEF

(253.371,97 EUR)

(690.556,99 EUR)

1

zowel de volledige containerparken als de verdere uitrusting van bestaande containerparken

2

installatie van IOK

3

installatie van IGEMO, IVBO en IOK


ANORGANISCHE AFVALSTOFFEN Stortverboden Sinds 1 juli 2000 zijn er verschillende nieuwe stortverboden voor brandbare afvalstoffen van kracht. Dat betekent dat bijna 90% van de huidige aanvoer naar stortplaatsen van categorie 2 vanaf die datum onder een stortverbod valt. Voor de verwerking en vooral de verbranding van bepaalde afvalstoffen is er momenteel nog steeds onvoldoende verbrandingscapaciteit. Daarom bepaalt het VLAREA dat de minister van Leefmilieu, na advies van de OVAM te hebben ingewonnen, aan de exploitanten van stortplaatsen afwijkingen kan toestaan voor welbepaalde afvalstoffen, voor een termijn van maximum twee jaar. Op 30 juni 2000 vervielen de afwijkingen van 1998, en vanaf 1 juli 2000 traden tevens nieuwe stortverboden in werking. Met het oog op nieuwe afwijkingen voor de periode vanaf 1 juli 2000, werd de toestand in het voorjaar van 2000 opnieuw geëvalueerd. 48

- Huishoudelijk afvalstoffen Acht stortexploitanten vroegen samen 307.660 ton aan afwijkingen op jaarbasis. Er werd 253.000 ton aan afwijkingen verleend. - Bedrijfsafvalstoffen Elf stortexploitanten vroegen samen 1.054.800 ton aan afwijkingen op jaarbasis. Er werd 905.500 ton aan afwijkingen verleend. De contingenten werden bepaald in functie van een maximale benutting van de beschikbare verbrandingscapaciteit. Ze werden over de verschillende stortplaatsen verdeeld uitgaande van de bestaande afvalstromen en rekening houdend met de bepalingen van het Uitvoeringsplan Huishoudelijke Afvalstoffen, het nabijheidsbeginsel en de prioritaire afwerking van bepaalde stortplaatsen. De afwijkingen werden verleend voor een periode van 9 maanden, tot 31 maart 2001. Zo kunnen we de situatie op korte termijn opnieuw evalueren. Tegelijkertijd zijn we - met het oog op een efficiënte benutting van de beschikbare verbrandingscapaciteit - eind 2000 gestart met een studie die de mogelijkheden van een clearinghouse-systeem onderzoekt. Zo’n systeem zou voor de vrije restcapaciteit van de verschillende verbrandingsinstallaties vraag en aanbod op een efficiënte wijze op elkaar moeten afstemmen. De resultaten worden verwacht in de loop van 2001. In 2000 werd op de 11 stortplaatsen van categorie 2 nog 1.382.405 ton afvalstoffen gestort t.o.v 1.429.730 ton in 1999. In afwijking op het stortverbod werden van 1 juli tot 31 december 2000 126.586 ton huishoudelijke afvalstoffen (253.171 ton op jaarbasis) en 449.655 ton bedrijfsafvalstoffen (899.309 ton op jaarbasis) gestort. De werkelijke aanvoer in 2000 (de strengere stortverboden werden slechts op 1 juli van kracht) bedroeg 291.322 ton huishoudelijke afvalstoffen en 921.450 ton bedrijfsafvalstoffen, samen 1.191.250 ton. De resterende 191.155 ton betreft voornamelijk verbrandingsas en in mindere mate tussenafdekmateriaal (grond), bouw-en sloopafval en zuiveringsslib.


HEFFINGEN Op het verbranden en storten van afvalstoffen wordt een milieuheffing geïnd. Onderstaande tabel geeft een financieel overzicht van de inkomsten.

Aangegeven heffingen

3.187.407.593 BEF 79.013.770,31 EUR

Aangegeven heffingen + opcentiemen

3.263.242.008 BEF 80.893.656,36 EUR

Ontvangsten + annulaties

2.715.429.193 BEF 67.313.731,39 EUR

Ontvangsten + opcentiemen

2.142.952.004 BEF 53.122.392,57 EUR

Annulaties

594.581.677 BEF 14.739.294,77 EUR

Terugbetalingen arrest 55/96 en 34/97 Netto opbrengst

--2.120.847.516 BEF 52.574.436,62 EUR

Enige uitleg: • aangegeven heffingen: de spontane aangiftes door de heffingplichtigen • opcentiemen: ingevorderd met medewerking van de OVAM ten behoeve van gemeenten met een verwerkingsinstallatie op hun grondgebied • netto opbrengst: het bedrag dat de OVAM in het MINA-Fonds stort • annulaties: een gevolg van de controles door de OVAM van de spontane aangiftes; kwijtscheldingen van administratieve boetes of ministeriële beslissingen bij geschillen • ontvangsten + annulaties/opcentiemen: het MINA-bedrag, vermeerderd met annulaties resp. opcentiemen.

49


INTERVENTIES, VERWIJDERINGEN EN SANERINGEN Herstelt en/of beheert milieuschade die het gevolg is van bodemverontreiniging of achtergelaten afvalstoffen, en treedt op wanneer niet aan de voorwaarden uit het bodemsaneringsdecreet resp. het afvalstoffendecreet is voldaan. De praktische uitvoering wordt uitbesteed aan derden. Over het hele jaar werd ca. 1 miljard frank (ca. 25 miljoen euro) besteed aan lopende en nieuwe projecten (artikel 3.16 van het MINA-fonds).

AMBTSHALVE AFVALVERWIJDERING Volgens artikel 37 van het afvalstoffendecreet kan de OVAM achtergelaten afvalstoffen ambtshalve verwijderen. Eerst onderzoeken we of er risico's bestaan op hinder of schade voor mens en milieu. Na een bezoek ter plaatse en een evaluatie beslissen we wat er verder moet gebeuren als de vervuiler niet zelf kan of wil opruimen.

50

In 2000 startten we dossiers in Turnhout, Beringen, Stekene en Kampenhout, en werkten we verder in Bocholt, Steenokkerzeel, Boom en aan de verwijdering van het rubberafval in heel Vlaanderen. Verder werden in enkele afvaldossiers de achtergelaten afvalstoffen, onder impuls van de OVAM, vrijwillig door de vervuilers zelf opgeruimd. Deze laatste verwijderingen werden gecontroleerd op hun correcte uitvoering.

Turnhout, Verkeerspolitie In samenwerking met Afvalstoffenbeheer, werd een container met explosieve en brandbare afvalstoffen in zekerheid gebracht en verwijderd na vrijgave door het parket. De verwijdering gebeurde in samenwerking met de federale politie.

Stekene, Joli In dit dossier werd een loods vrijgemaakt van deels verbrand textielafval dat was achtergelaten door een gefailleerde vennootschap. Door een vonnis van de vrederechter was de eigenaar gemachtigd om de huurders en de afvalstoffen uit te drijven. De kans was groot dat de afvalstoffen aldus op de openbare weg zouden terechtkomen. Het natte en deels verbrande textielafval werd ter plaatse ontbaald en bij INDAVER verbrand.

Kampenhout, Bukenstraat-Voortstraat In de dossiers Kampenhout, Voortstraat 14 en Bukenstraat 76 rondde de OVAM in 2000 de procedure af die voorafgaat aan de ambtshalve verwijdering van illegaal opgeslagen afvalstoffen. Op de terreinen werden namelijk grote hoeveelheden schroot, voertuigwrakken, vaten en klein gevaarlijk afval opgeslagen. Deze afvalstoffen hinderden de buurtbewoners. De eigenaar beschikte bovendien niet over de nodige milieuvergunning.


De verwijderingswerken aan de Bukenstraat gingen begin augustus 2000 van start en verliepen woelig. De eigenaar hinderde de aannemer en de OVAM bij hun werkzaamheden. Ondanks de gevraagde politiebijstand heeft de OVAM de werkzaamheden moeten staken wegens continue hinder en ook om veiligheidsredenen. Begin oktober 2000 werden de werkzaamheden hervat nadat de rijkswacht toegezegd had continu ter plaatse te zijn. De verwijderingswerken aan de Voortstraat moeten nog worden voorbereid.

Bocholt (Reppel), oude arseenfabriek Begin 2000 werd de afbraak van de gebouwen van de oude arseenfabriek in Bocholt voortgezet. Daarbij werden arbeiders en omwonenden volledig beschermd tegen arseenstofinname. Het hoogtepunt was de afbraak van de schouw in maart 2000 door een specialist in schouwafbraak. Om de stofverspreiding te beperken werd eerst een grafkuil gegraven voor de schouw. De wanden van deze kuil waren over de gehele lengte uitgerust met sproeiers die voor een watergordijn zorgden. De afbraakstenen werden fijn gemalen en opgeborgen in de sarcofaag. Daarna werd de met arseen en andere zware metalen verontreinigde grond afgedicht waardoor in de toekomst stofverspreiding wordt voorkomen en het regenwater niet langer door de vervuilde ondergrond naar dieper gelegen grondwater sijpelt. Om deze afdichting te realiseren werd eerst een funderingszandbed aangelegd, waarop een laag ondoordringbaar materiaal werd aangebracht. Op deze laag kwam een dikke waterdichte HDPE-folie. Boven deze folie heeft de aannemer een drainagelaag aangebracht zodat de bovenliggende teelaarde niet van de plastiek schuift. Uit de luchtmetingen en uit de biomonitoring van de omwonenden blijkt dat de werkzaamheden zeer veilig zijn verlopen.

Steenokkerzeel, Haras De OVAM startte in mei 2000 de opruiming van een illegale stortplaats in Steenokkerzeel. Het gaat om 10.000 ton inert, 5.000 ton huishoudelijk, 15.000 ton industrieel, 3.000 ton ziekenhuis- en 10.000 ton risicohoudend afval. Dit laatste afval is microbieel besmet. De uitvoering verloopt onder strenge veiligheidseisen en in samenwerking met andere overheidsdiensten (medische inspectie, de gemeente‌).

51


De werkzaamheden worden dagelijks opgevolgd door een studiebureau en lopen nog tot de zomer van 2001.

Boom, Frateur De OVAM ruimde het afval op van een illegale opslag van brandbare en ontvlambare afvalstoffen in een woonwijk in de gemeente Boom. Gezien de hoge veiligheidsrisico's stond de brandweer van Boom paraat.

Rubberafval In mei startte de opruiming van 9.500 ton rubberafval (vooral banden). Ook werd 5.707 ton rubberafval afgevoerd van sites in Lokeren, Meerhout, Heusden-Zolder, Herzele en Ronse.

52

AMBTSHALVE BODEMSANERING Het bodemsaneringsdecreet omschrijft een aantal ingrepen die de OVAM ambtshalve kan uitvoeren. In de eerste plaats gaat het om bodemsaneringswerken op percelen die staan vermeld op een lijst die de Vlaamse regering jaarlijks opstelt. Daarnaast neemt de OVAM ook veiligheidsmaatregelen wanneer de bodemverontreiniging een direct gevaar vormt voor mens of milieu. Soms is het risico niet groot genoeg voor veiligheidsmaatregelen maar toch te groot om de normale, tijdrovende procedures te volgen. Dan legt de OVAM voorzorgsmaatregelen op aan de eigenaar of exploitant. Wanneer die niet zelf de geĂŤiste maatregelen neemt, treedt de OVAM op in zijn plaats met terugvordering van alle kosten. In 2000 startten de saneringswerken in Dilsen-Stokkem en de veiligheidsmaatregelen in Bredene. De saneringswerken in Brecht en Schelle, de veiligheidsmaatregelen in Schoten en de voorzorgsmaatregelen in Asse werden voortgezet. De Hooge Maey werd verder opgevolgd. Daarnaast werden in 2000 enkele andere bodemdossiers opgestart in het kader van het bodemsaneringsproject (BSP). Dit project dient te worden opgesteld door een erkend bodemsaneringsdeskundige die enerzijds de technische aspecten van de sanering uitzoekt en anderzijds een administratief dossier opmaakt dat na conformverklaring de nodige vergunningen verleent. Dat was onder meer het geval in Mortsel, Ninove, Antwerpen en Menen. In een aantal dossiers werd nazorg uitgevoerd. Dat was het geval in Maldegem, waar het grondwater rondom een voormalige stortplaats wordt gemonitord.

Dilsen-Stokkem, zinkfabriek De saneringswerken startten in november 2000. De bodemsanering omvat de afbraak van de opstallen, de afgraving van de zinksintels en de heraanvulling van de terreinen. De zinksintels worden afgevoerd en


gestockeerd in de saneringsopslag van Containerbouw BudĂŠ. De exacte stortmodaliteiten werden vastgelegd in een overeenkomst die de OVAM en Containerbouw BudĂŠ in 2000 afsloten. De OVAM volgt de werkzaamheden zowel milieu- als veiligheidstechnisch op.

Sint-Amands, Kouterwijk Opdat de bewoners hun wensen en bemerkingen over de sanering van hun woonwijk deskundig naar voren zouden kunnen brengen, zal de OVAM, in samenwerking met de provincie Antwerpen, een onafhankelijk erkend bodemsaneringsdeskundige (bewonersdeskundige) aanstellen. Deze deskundige zal de bewoners vertegenwoordigen op de overlegmomenten bij de opmaak en de uitvoering van het bodemsaneringsproject. De opmaak van dit bodemsaneringsproject start in het voorjaar van 2001.

Bredene, veiligheidsmaatregelen in de NoordEdestraat Begin 2000 besliste de OVAM tot veiligheidsmaatregelen naar aanleiding van een schadegeval met benzylchloride. De verontreiniging werd met behulp van pump-and-treat behandeld. De saneringsplichtigen werden aangemaand en in gebreke gesteld voor het nemen van voorzorgsmaatregelen. De OVAM zal deze maatregelen ambtshalve treffen begin 2001.

Brecht, Terra Cotta De bodemsaneringswerken op deze site, waar kleiwinningsputten illegaal werden volgestort met allerhande afval, werden eind 2000 na 42 maanden afgerond. Bijzonder bij deze sanering was het doel om uit de gestorte afvalstoffen (o.a. bouw- en sloopafval) een maximale recuperatie van zand en puin te realiseren d.m.v. een op de site gebouwde recyclage-installatie. De sanering bestond er in om alle afval te ontgraven en indien mogelijk door de recyclage-installatie te sturen. Zo niet werd het opgeslagen in de saneringsopslag, een nieuw ingericht stortvak op de site zelf. Gevaarlijke producten die hier niet terecht konden, werden afgevoerd voor verbranding met energierecuperatie. Er werd ongeveer 150.000 ton verontreinigde grond en afval uitgegraven. Er ging veel aandacht naar de zuivering van alle waterstromen (oppervlaktewater, bemaling, percolaat) in een fysicochemische waterzuivering. Deze installatie zuiverde in totaal 355.768 m3 water. De gesaneerde site heeft als bestemming deels stortgebied met nabestemming groengebied en deels natuurgebied. Nu de bodem proper is, kan de stortplaats op een gecontroleerde wijze verder worden ingericht en kan de natuur zich herstellen. In 2001 komt er ook nog aanplanting om dit proces te versnellen. De site zal nog lang opgevolgd worden, o.a. door kwaliteitscontrole van het grondwater.

53


Schelle, stortplaats Van Den Bosch De stortplaats Van den Bosch moet om twee redenen worden gesaneerd. Een eerste probleem is dat het regenwater gewoon in het stort kan dringen en daardoor het grondwater kan verontreinigen. Dat wordt opgelost door een ondoordringbare kleilaag. Tweede probleem is dat het stortgas, dat ontstaat door afbraak van het afval, niet wordt opgevangen, waardoor vroeger de ‘stortbranden’ ontstonden en waardoor ook geurhinder kan ontstaan. Dat wordt opgelost door het stortgas op te vangen en te verbranden in een fakkelinstallatie. De eigenlijke saneringswerken startten in 2000. Zo werd de verticale isolatie van het stortlichaam reeds gerealiseerd. Deze isolatie gebeurde grotendeels met klei. Aan de grens met een bestaand vliegasstort werden twee diepwanden met een totale lengte van ongeveer 160 meter en een gemiddelde diepte van 10 meter gerealiseerd. In totaal werden 17 onttrekkingsputten geïnstalleerd om het stortgas te verzamelen en het percolaat te kunnen onttrekken. Een tijdelijke fakkelinstallatie fakkelt het stortgas af. Een met perslucht aangedreven pomp onttrekt het percolaat. Dit systeem uit de Verenigde Staten is volledig explosieveilig en wordt voor de eerste keer in België gebruikt. 54

Temse, Gosselin Midden 2000 werd in Temse de pump-and-treat installatie voor het onttrekken van de petroleumverontreiniging stilgelegd. Hierbij werd een erkend bodemsaneringsdeskundige aangesteld om het proces te bewaken. Na het stilleggen en het normaliseren van de grondwaterstand, komt er begin 2001 een beschrijvend bodemonderzoek.

Schoten, veiligheidsmaatregelen Maes-Eelen In 2000 zorgde de OVAM voor de zuivering van verontreinigd regenwater van het terrein en de lozing ervan in het riool. Na de inventarisatiecampagne in het najaar van 1999 werd begin 2000 een karakterisatie van de aanwezige afvalstoffen (voornamelijk afvaloliën) gemaakt. Het karakterisatierapport werd midden juli afgewerkt. Op basis van de inventarisatie en het karakterisatierapport werkte de veiligheidscoördinator-ontwerp een veiligheids- en gezondheidsplan uit, waarvan we eind oktober de definitieve versie kregen. Ook het beschrijvend bodemonderzoek van de site werd eind 2000 afgerond. Bedoeling is nu op korte termijn het terrein daadwerkelijk te saneren door de afvalstoffen te verwijderen en een bodemsaneringsproject op te maken.

Asse, Linksa voorzorgsmaatregelen Op de voormalige Asphaltcoterreinen in Asse heeft de OVAM na ingebrekestelling ambtshalve voorzorgsmaatregelen laten uitvoeren. Tussen maart en juni werd alle verontreiniging op het terrein verwijderd. Daarnaast hebben we ook de opdrachten voor een bodemsaneringsproject (aanduiden erkend bodemsaneringsdeskundige en veiligheidscoördinator-ontwerp) gelanceerd en toegekend. Dit bodemsaneringsproject wordt in 2001 afgerond.


Machelen, cyanides - voorzorgsmaatregelen In de nazomer heeft de OVAM op een terrein in Machelen ambtshalve voorzorgsmaatregelen getroffen. De urgentie werd veroorzaakt door vrij aan de oppervlakte liggende cyanidevlekken, op een vrij toegankelijk talud. De taluds werden afgedekt om toevallig contact te vermijden.

Antwerpen, Hooge Maey De OVAM heeft de sanering van de Hooge Maey verder gesubsidieerd. De percolaatputten en de monitoringputten werden afgewerkt. De monitoringputten liggen buiten de stortplaats en controleren het grondwater. De percolaatschachten verwijderen het percolaat uit de stortplaats en zuigen het vrijkomende gas af. Om de gaskwaliteit en -kwantiteit te testen werd een proeffakkel geplaatst. De aanbesteding voor de waterzuivering voor het zuiveren van het percolaat bleef behouden en er kwamen twee proefinstallaties.

55


ALGEMENE ZAKEN COMMUNICATIE Vlaanderen Proper 2000 Voor de tweede maal organiseerde de OVAM de overkoepelende actie ‘Vlaanderen Proper’, tegen de hardnekkige plaag die zwerfvuil toch wel is. Meer dan 130 gemeenten schaarden zich achter de oproep om het zwerfvuil in Vlaanderen aan te pakken en organiseerden lokale opruimacties, voornamelijk in de week van 3 tot 9 april 2000. Tijdens deze lokaal georganiseerde initiatieven, staken vrijwilligers uit (jeugd)verenigingen, buurtcomités of natuurverenigingen de handen uit de mouwen. De deelnemende gemeenten werden met een grootse sensibiliseringscampagne ondersteund. Het accent lag daarbij op zwerfvuilpreventie, door de mogelijke kwalijke gevolgen van rondslingerend zwerfvuil expliciet te tonen. Via affichage op 20 m2-borden en advertenties in dag- en weekbladen probeerden we ieders aandacht voor het probleem te wekken. De OVAM stelde tevens logistieke ondersteuning ter beschikking: affiches, handschoenen, vuilniszakken en een aandenken voor de deelnemers. Via de Vlaamse Infolijn en de OVAM56

website kon iedereen te weten komen in welke gemeenten er opruimacties georganiseerd werden. Omiddellijk na de campagne lieten we een impactmeting door een extern bureau uitvoeren. Hieruit bleek dat niet minder dan 36% van de respondenten de campagne gezien had. Ook bij milieuambtenaren hebben we gepeild naar hun bevindingen over de zwerfvuilcampagne. Belangrijke suggesties voor verbetering van bepaalde acties werden aangereikt. Zo kwam er onder meer het voorstel om gemeenten wat vroeger in te lichten over aankomende campagnes. Bij de voorbereiding van de campagnes voor 2001 werd zoveel mogelijk rekening gehouden met alle nuttige tips.

Afvalpreventie De campagne rond afvalpreventie kende haar zwaartepunt in de maand mei. Voortbouwend op de eerste afvalpreventiecampagne uit 1998 vestigden we dit keer met een ander beeld de aandacht op het verstikkende effect dat de overvloed aan afval op ons heeft. Voor de advertentieruimte werd gebruik gemaakt van overeenkomsten uit de MBO-papier.


Weekend van de Compostmeester Op 10 en 11 juni 2000 kende het Weekend van de Compostmeester zijn derde editie. Een 70-tal intercommunales en gemeenten en ontelbare compostmeesters plaatsten het thuiscomposteren opnieuw in de kijker. Voor het eerst kwamen ook de ‘kringlopen’ in de tuin aan bod. Een aantal compostmeesters stelden hun eigen tuin open voor het publiek en toonden hoe je door het respecteren van natuurlijke kringlopen, je tuin kan verrijken en tegelijk de afvalberg verminderen. De mediacampagne liep via de Vlaamse dagbladen en de regionale televisie. In totaal waren er een 800tal aanvragen voor de programmabrochure, waarvan 250 via de Vlaamse Infolijn.

‘Ik kleur mijn schooljaar groen!’ Samen met het Waalse en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is in 2000 voor het eerst campagne gevoerd om het aankopen van milieuvriendelijk en duurzaam schoolgerief te bevorderen. De campagne bestond uit twee luiken. Enerzijds wilden we de leerlingen bereiken. Dat dit gelukt is, bewijzen de aanvragen van meer dan 1000 basisscholen voor niet minder dan 350.000 foldertjes. Anderzijds stimuleerde Fedis, de federatie van de distributiesector, verschillende winkelketens om daadwerkelijk een aanbod van milieuvriendelijk schoolgerief in hun gamma op te nemen.

De ex van Liesje wordt het schatje van Stijn In oktober 2000 organiseerde de OVAM in samenwerking met de Koepel van Vlaamse Kringloopcentra voor de eerste keer een gewestelijke campagne rond hergebruik en kringloopcentra, met als hoogtepunt de Dag van de Kringloopwinkel op 28 oktober. De uiteindelijke doelstelling van deze campagne was om de hergebruikgedachte en het fenomeen 'kringloopcentrum' bij een breed publiek

57


bekend te maken. De ruime mediacampagne via regionale tv en advertenties in dag- en weekbladen, belichtte de beide aspecten van een kringloopcentrum: inzameling én verkoop van herbruikbare goederen. Vijf handige provinciale kringloopwinkelgidsen werden massaal verspreid via de kringloopwinkels en via de Vlaamse Infolijn gepromoot. De Vlaamse Infolijn beantwoordde niet minder dan 1.700 informatievragen tijdens de campagneduur. Ook de Stichting Leefmilieu droeg haar steentje bij met de uitgave van een algemene informatiebrochure ‘In de ban van de kring’. Tijdens de Dag van de Kringloopwinkel gooiden alle kringloopwinkels hun deuren open en werden bezoekers op een speciale manier onthaald: rondleidingen achter de schermen, optredens, modeshows, wedstrijden, recepties, marktjes… Goed voor gemiddeld dubbel zoveel bezoekers dan op andere zaterdagen. 58

Tijdens en na de campagne stegen de oproepen voor ophalingen spectaculair. Alle centra spreken van een stijging van het aantal klanten, waaronder veel nieuwe gezichten. Deze startcampagne was een groot succes en zal in 2001 zeker een vervolg kennen.

Voorbereidingen In 2000 startten ook de niet geringe voorbereidingen voor een andere aanpak van de campagnes in 2001. Daarnaast werd ook een handboek rond de visuele identiteit van de OVAM-publicaties voorbereid.

Samenwerking Eind 2000 werden de banden met verschillende instanties wat strakker aangehaald. VVSG/Interafval, milieuambtenaren uit gemeenten en intercommunales, Bond Beter Leefmilieu en het kabinet werden betrokken bij brainstormingsessies over de aanpak van sensibiliseringscampagnes van de OVAM. Deze aanpak bleek erg vruchtbaar om een haalbare langetermijnstrategie voorop te stellen. Daarnaast werd ‘Heen & Weer’ opgericht, als bijlage bij het OVAM-huisblad OpgeruimD. ‘Heen & Weer’ biedt enerzijds een kanaal voor Communicatie om tijdig initiatieven en sensibiliseringscampagnes aan te kondigen, anderzijds kunnen milieuambtenaren hier ook hun positieve en negatieve sensibiliseringservaringen in kwijt.

Afval op evenementen Sinds enkele jaren ondersteunt de OVAM allerhande evenementen. Tegenover de ondersteuning van een evenement staat steeds een verbintenis van de organisator over het voorkomen en selectief inzamelen van afval. Door deel te nemen aan deze evenementen is de OVAM niet alleen visueel aanwezig waardoor onze naambekendheid steeds groeit, maar bereiken we vooral een ruim publiek dat op een ont-


spannen manier kennismaakt met het afvalprobleem en met de mogelijkheden om afval te voorkomen en te sorteren. Onze voorkeur gaat uit naar evenementen die voldoende uitstraling hebben zoals de Gordel, het Folkfestival van Dranouter, de Gordel voor Scholen, Cactusfestival, Open Tropen, Mano Mundo, Pennenzakkenrock… Hun acties kunnen dan als voorbeeld dienen voor andere evenementen. Naar aanleiding van de uitgave 2000 van de Tweedaagse Voettocht van Blankenberge hebben de organisatoren in samenwerking met de OVAM en het Provinciebestuur van West-Vlaanderen de brochure ‘Op stap naar een schoner milieu’ uitgewerkt. Deze handleiding geeft praktische tips voor milieuzorg tijdens wandelevenementen. In 2000 werd de eerste samenwerking tussen de OVAM en Ketnetcool*** beloond met een afvalarm evenement en een sportpaleis dat er dagelijks netjes bijlag. Ook nieuw in 2000 was de samenwerking tussen de OVAM en de Nacht van de Atletiek. Tijdens dit evenement werd de afvalproblematiek in goede banen geleid. De Nacht van de Atletiek evenals de internationale veldrit ‘Barlow classic’ zijn twee evenementen die ruime mediabelangstelling genieten en de OVAM was er bij! De OVAM werkte ook voor het eerst succesvol samen met de legerbasis van Leopoldsburg op het gebied van afvalvoorkoming en -sortering tijdens de opendeurweek van de legerbasis.

Beurzen en studiedagen Zowel op de Educabeurs als op Ifest stond de OVAM op een gezamenlijke stand met AMINAL, de VMM en de VLM. Tijdens de Educabeurs kreeg het Afvalmanspel, een educatief afvalspel dat ook op de OVAM-website staat, alle aandacht. Tijdens de Ifestbeurs stond het MAMBO-project in de schijnwerpers en kon het publiek nader kennismaken met het STIP. In de eerste helft van 2000 begeleidden we de praktische organisatie van een zestal studiedagen over afzet van kunststofafval.

59


In mei vond de startdag van het STIP (Steunpunt en Informatiecentrum voor Preventie van Afval en Emissies) plaats. Communicatie heeft deze dag grondig mee voorbereid. De OVAM stond samen met AMINAL op de driedaagse beurs over duurzaam bouwen en verbouwen in Maastricht. Dankzij ‘het groendak’ kreeg onze gezamenlijke stand de eerste prijs voor zijn standinvulling. Wij stonden ook in de Brabanthal van Leuven naar aanleiding van een studiedag voor carrosseriebedrijven.

Verkoop van publicaties In 2000 verstuurden en factureerden we 2.533 bestellingen voor te betalen OVAM-publicaties. Enkele opvallende bestelcijfers: • Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer (VLAREA): 227 stuks • Vlaams reglement betreffende de bodemsanering (VLAREBO): 143 stuks • Standaardprocedure voor beschrijvend bodemonderzoek: 165 stuks 60

• Overzicht betreffende de uitvoering van het bodemsaneringsdecreet in Vlaanderen: 130 stuks • Brochure ‘Wie afval vermijdt, moet het niet kwijt’: 2.300 stuks • Brochure ‘Composteren : doe ik het zelf of laat ik het doen? Een wegwijzer’: 37.630 stuks • Leaflet composteren (A4-formaat): 11.450 stuks • Pak-je afval. Voor eindeloos gebruik (spellendoos + plattegrond in posterformaat): 1.599 stuks In 2000 kwamen er 22 te betalen OVAM-publicaties bij. In totaal zijn er nu 193 te verkrijgen. We kregen 94 aanvragen binnen voor het uitlenen van videocassettes.

Informatievragen De OVAM kreeg in 2000 150 schriftelijke informatievragen, hoofdzakelijk van scholieren en studenten. Daarnaast waren er ruim 5.650 aanvragen voor gratis publicaties zoals folders, brochures of posters. We kregen een 700-tal aanvragen via het internet. Meer dan 1.000 scholen vroegen foldertjes aan over milieuvriendelijk schoolgerief. Dankzij de campagne rond afvalpreventie kwamer er 1.200 aanvragen voor de brochure ‘Wie afval vermijdt, moet het niet kwijt’.

Website www.ovam.be Begin 2000 werd de OVAM-website in een nieuw kleedje gestoken. Mede hierdoor en doordat het aantal mensen op de elektronische snelweg steeds toeneemt, steeg het gemiddeld aantal bezoekers per dag gevoelig.


Voor de lancering van het MAMBO-softwarepakket hebben we een aantrekkelijke pagina voorzien op de OVAM-website. Vanuit deze pagina kan de bezoeker het MAMBO-softwarepakket ontdekken en bestellen. De OVAM-website wordt maandelijks, soms wekelijks geactualiseerd. De lijsten met erkende bodemsaneringsdeskundigen en erkende afvalophalers op de website, worden regelmatig geüpdatet. Zo blijven we de gebruikers van de website op een vlotte en gebruiksvriendelijke manier aan actuele informatie helpen.

Intranet Ook in 2000 werd er verder aandacht geschonken aan het intranet. Deze website is enkel toegankelijk voor de personeelsleden van de OVAM. Via dit circuit staan personeelsinformatie, nieuws en verslagen van interne vergaderingen on line ter beschikking van de personeelsleden. In 2000 startte ook een proefproject met de persoverzichten op het intranet.

TWICA 61 Het TWICA (Technisch-Wetenschappelijk Informatiecentrum Afvalstoffen) blijft met zijn 28.000 referenties de absolute nummer één in Vlaanderen voor iedereen die op zoek is naar informatie over de afval- en bodemproblematiek.

PERSONEEL, ORGANISATIE EN OPLEIDING Steunt op twee pijlers: personeelsadministratie en personeelsbeleid. Personeelsadministratie behelst het beheer van aanwezigheden, lonen en subsidies, het administratief beheer van de loopbanen (van indiensttreding tot pensioen) en de opvolging van het systeem voor personeelsbeheer. Personeelsbeleid heeft betrekking op het rekruterings-, selectie-, loopbaan- en vormingsbeleid, het evaluatiesysteem, het personeelsbehoeftenplan, de personeelsbegroting en de medewerking aan verschillende strategische projecten. Het jaar 2000 was een intensief werkjaar, waarbij we, naast de courante opdrachten inzake personeelsadministratie– en beleid, ook een aantal belangrijke projecten realiseerden. Zo zijn we gestart met de uitbouw van een professioneel personeelsbeheersysteem en hebben we het instellingsspecifieke besluit van de OVAM opgemaakt. We volgden ook de initiatieven van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap op om het stambesluit te wijzigen dat sinds 1 oktober 2000 van kracht is voor sommige Vlaamse openbare instellingen. We zijn begonnen met een bijsturing van het evaluatiesysteem binnen de OVAM en hebben een belangrijk personeelsadministratiedossier voor nieuw personeel afgewerkt. Verder werd de OVAM-onthaalbrochure afgerond, hebben we een interne bevorderings-


ronde binnen de OVAM georganiseerd, meegewerkt aan het project ‘Integratie en dynamiek’, een aantal belangrijke wervingsdossiers aangepakt en het proefproject rond telewerk opgestart. Vooral deze laatste twee projecten zetten we graag even in de kijker.

Wervingsdossiers In afwachting van een structureel plan m.b.t. de proces- en personeelsinzetanalyse voor de OVAM , hebben we de dringendste personeelsbehoeften aangepakt door een contractueel wervingsdossier in te leiden volgens de methodiek van de doelmatigheidsanalyse: het Geografisch Informatie Systeem-dossier, het VLAREA-dossier, het VLAREBO-dossier, de versterking van het OVAM-team in het kader van de voorbereiding van het Europese voorzitterschap in de tweede helft van 2001 en ten slotte ook wervingen die samenhangen met de nieuwe beleidsinitiatieven voor Afval en Bodem en met de vraag tot uitbreiding van de ondersteunende diensten. Daarnaast werden een aantal contractuele personeelsleden statutair geworven die actief zijn in bodemsanering en in 1998 slaagden voor een wervingsexamen. 62

Opstart proefproject telewerk In het najaar van 2000 startte de voorbereiding van het proefproject telewerk dat overigens begin 2001 daadwerkelijk van start is gegaan. Dit proefproject heeft als doel na te gaan of thuiswerk binnen de OVAM succesvol kan worden ingevoerd en veralgemeend, en onder welke voorwaarden. Succesvol betekent hier dat het zowel een meerwaarde inhoudt voor de organisatie, via mogelijke kostenbesparingen en verhoogde productiviteit van de betrokken personeelsleden, als voor het personeelslid, via een betere afstemming van de werk-privésituatie. In het najaar werden achtereenvolgens volgende stappen ondernomen: • bespreken van het projectvoorstel met de directieleden; • binnen de voorbereidende werkgroep, afspreken van budgettaire grenzen en ter beschikking te stellen logistieke middelen; • lanceren van projectoproep; • beoordelen van de ingediende projectvoorstellen aan de hand van duidelijk vooropgestelde objectieve criteria; • voorstellen van de geselecteerde proefprojecten aan de directie; • informeren van de geselecteerde en niet-geselecteerde kandidaten, mits uitgebreide motivering en voorleggen van een ontwerp-telewerk-contract en ontwerp-opvolgingsrapport.


FINANCIEEL BEHEER EN LOGISTIEK Bestaat uit twee cellen: Financieel beheer en Logistiek. De cel Financieel Beheer is verantwoordelijk voor de boekhouding. Zij stelt de begroting en de jaarrekening op, volgt het kredietverbruik, beheert de administratie van crediteuren, debiteuren en activa. De cel Logistiek is verantwoordelijk voor huisvesting en verstrekt de benodigdheden.

Cel Financieel Beheer Voor 2000 kreeg de OVAM de volgende budgetten toegewezen: (in miljoenen franken/euro) 2000 BEF (EUR)

1999 BEF (EUR)

1998 BEF (EUR)

542,7 (13,5)

537,2 (13,3)

453,3 (11,2)

Administratieve kapitaaluitgaven

46,5 (1,2)

54,8 (1,4)

45,6 (1,1)

Statutaire lopende projecten

122,2 (3)

120,1 (3)

172,4 (4,3)

17 (0,4)

29,4 (0,7)

32,9 (0,8)

713 (17,7)

390,4 (9,7)

433,2 (10,7)

1441,4 (35,7)

1131,9 (28,1)

1137,4 (28,2)

Eigen ontvangsten

218,6 (5,4)

306,2 (7,6)

277,2 (6,9)

Totaal middelen

1660 (41,2)

1438,1 (35,7)

1414,16 (35,1)

Administratieve werking

PRESTI Ambtshalve verwijderingen en saneringen Totaal dotaties

Naast deze middelen putte de OVAM ook nog uit de volgende artikels van het MINA-fonds: 2000 BEF (EUR)

1999 BEF (EUR)

1998 BEF (EUR)

42 (1)

47,2 (1,2)

16,9 (0,4)

245,8 (6,1)

13,9 (7,8)

353,2 (8,8)

1947,8 (48,3)

1799,2 (44,6)

1784,2 (44,2)

Verwijdering krengen SubsidiĂŤring infrastructuur ondergeschikte besturen Algemeen totaal

In vergelijking met 1999 is het totale budget gestegen vooral ten gevolge van de toename van de toegekende budgetten voor verwijderingen en saneringen.

63


De belangrijkste vastleggingen voor ambtshalve verwijderingen en saneringen hadden betrekking op: Steenokkerzeel (ziekenhuisafval) Rubberafval Dubois-Van Den Bosch; Dilsen-Stokkem Bocholt (arseenfabriek)

403 (10) miljoen BEF (EUR) 72,3 (1,8) miljoen BEF (EUR) 138,6 (3,4) miljoen BEF (EUR) 11,3 (0,3) miljoen BEF (EUR)

De post ‘statutaire lopende projecten’ sloeg onder meer op: - Bijdrage VLACO vzw (Vlaamse Compostorganisatie):

13,7 (0,3) miljoen BEF (EUR)

- Bijdrage IVC (Interregionale Verpakkingscommissie):

9,5 (0,2) miljoen BEF (EUR)

- vzw SVW (Studiecentrum Voor Water):

5,3 (0,1) miljoen BEF (EUR)

- Bijdrage kringloopcentra:

4 (0,1) miljoen BEF (EUR)

- Vlaanderen proper campagne

13,3 (0,3) miljoen BEF (EUR)

- Studie kwaliteit thuiscompost

8,5 (0,2) miljoen BEF (EUR)

- Weekend Compostmeester

4,6 (0,1) miljoen BEF (EUR)

- Campagne hergebruik en kringloopcentra 64

2 (0,1) miljoen BEF (EUR)

- MBO-papier - Educatief pakket ‘kinderen composteren’

12 (0,3) miljoen BEF (EUR) 1,5 (0,04) miljoen BEF (EUR)

Cel Logistiek De cel Logistiek verleent ondersteuning op het gebied van huisvesting en voorzieningen en verstrekt benodigdheden. Het belangrijkste feit van 2000 is het huurcontract dat de OVAM heeft afgesloten voor een kantoorgebouw nabij het centraal station van Mechelen. Het gebouw kan 380 personeelsleden huisvesten zodat alle diensten van de OVAM erin kunnen worden ondergebracht. De verhuis is gepland voor oktober en november 2001. Intussen zijn Ondersteuning en Selectieve Inzameling gehuisvest in een derde gebouw aan de Olivetenvest 52 in Mechelen. In het kader van haar gelijke kansenbeleid en om de combinatie werk-gezin te vergemakkelijken, organiseert de OVAM kinderopvang voor haar personeelsleden. Deze eigen kinderopvang in de korte vakanties had ook in 2000 veel succes. Er werden activiteiten georganiseerd in de krokus-, paas- en herfstvakantie voor respectievelijk 29, 29 en 32 kinderen.

Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het Werk (IDPBW) In 2000 heeft de Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het Werk (IDPBW) werk gemaakt van de risicobeheersing binnen de OVAM-gebouwen. Dat gebeurde onder andere door regelmatige controles van de technische installaties en de opvolging van de technische keuringsverslagen, door de organi-


satie van evacuatieoefeningen en door de opleiding van interventieploegen. Bovendien werd er voor de ‘veldwerkers’ een uitgebreidere medische opvolging uitgedokterd. Verder werkte de IDPBW ook mee aan een typebestek voor de aanstelling van veiligheidscoördinatoren - ontwerp en/of uitvoering voor de begeleiding van saneringswerven, en nam de IDPBW actief deel aan veiligheidscommissies op diverse saneringswerven.

JURIDISCHE ZAKEN Zorgt ervoor dat de OVAM juridisch correct en consistent handelt en optreedt. Hiertoe verleent zij intern en extern advies en werkt zij het vooropgestelde beleid juridisch uit.

Wetgeving Juridische Zaken werkte mee aan het voorbereiden van wijzigingen aan de respectieve uitvoeringsbesluiten op het bodemsaneringsdecreet en het afvalstoffendecreet (VLAREBO en VLAREA). Zij nam actief deel aan de implementatie van de Euroreglementering in de OVAM decreet- en regelgeving.

Gerechtelijke dossiers Juridische Zaken volgde de lopende rechtszaken over afvalstoffen en bodemsanering op.

Advies Juridische Zaken verleende adviezen in verband met het bodemsaneringsdecreet, het afvalstoffendecreet en hun respectievelijke uitvoeringsbesluiten. Dit werd in eerste instantie ter ondersteuning van de eigen diensten gegeven en in functie van bepaalde dossiers aan derden. We verleenden ook intern adviezen over de interpretatie van de wetgeving over afval, bodem en van de wetgeving op de overheidsopdrachten en van andere wetteksten zoals de wet op de openbaarheid van bestuur.

Afvalstoffendecreet Juridische Zaken gaf permanente juridische ondersteuning aan Afvalstoffenbeheer en juridische ondersteuning in dossiers over de ambtshalve verwijdering van afvalstoffen.

65


Bodemsaneringsdecreet Juridische Zaken : - antwoordde op interne vragen over dossiers in verband met het bodemsaneringsdecreet; - zat in de interne commissie bodemsanering, die oplossingen zoekt voor structurele problemen bij de toepassing van het decreet; - behandelde zowat 100 dossiers rond het ‘onschuldig eigenaarschap’, een procedure waarbij de overdrager van gronden geen beschrijvend bodemonderzoek hoeft te laten uitvoeren; - waakte over de naleving van de decretale procedures bij voorzorgs-en veiligheidsmaatregelen: de dienst stelde mee de uitnodigingen tot hoorzitting op en woonde de hoorzittingen bij; - werkte mee aan het studiesyndicaat voor de sanering van de benzinestations en nam actief deel aan het samenwerkingsakkoord over de uitvoering en financiering van de sanering van de benzinestations.

Studiedagen Op studiedagen, georganiseerd door de OVAM of door derden, lichtte Juridische Zaken de afvalstoffenen bodemsaneringswetgeving toe. 66

INFORMATICA EN SYSTEEMBEHEER Ontwikkelt en beheert de soft- en hardware van de OVAM. Het aspect ontwikkeling slaat op het aanschaffen, installeren en testen van nieuwe hardware en het laten schrijven, installeren en testen van nieuwe software. Daarbij houden we rekening met drie factoren: de behoeften van de organisatie en haar medewerkers, de technische stand van zaken en de kostprijs. We overleggen daarover binnen de OVAM en kunnen ons daarnaast laten bijstaan door externe deskundigen. Onder het aspect beheer vallen het onderhoud van de infrastructuur, de beveiliging van gegevens op de centrale infrastructuur, het upgraden van software, het opsporen en (laten) herstellen van fouten in soften hardware en het begeleiden van de medewerkers bij het gebruik van de soft- en hardware. In 2000 hebben we gewerkt aan de voorbereiding van de installatie van een geografisch informatiesysteem bij Bodemonderzoek en attestering. Verder hebben we ook de netwerkbeveiliging beter aangepakt. Op basis van het in 1999 ontwikkelde Centraal Bedrijvenbestand (CBB) hebben we nieuwe toepassingen ontwikkeld voor de beheersing van het afvalstoffenbeleid (melding van bedrijfsafvalstoffen, dierlijk afval, PCB-databank, enquête huishoudelijke afvalstoffen).


In 2000 werd ook de In- en Uitvoer van afvalstoffen uitgebreid met enkele toepassingen op het web als eerste stap naar een volwaardig e-government. Vanuit Duitsland en Oostenrijk is er interesse voor deze toepassing en voor de ontwikkeling van een gezamenlijke standaard voor de data-uitwisseling. Tot slot werden verschillende functies toegevoegd aan het interne netwerk. Vooral de beveiliging van e-mail en het internetverkeer kreeg bijzondere aandacht.

67


Referenties Hieronder vindt u een lijst van eigen publicaties, publicaties in opdracht van de OVAM uitgevoerd door derden, publicaties van derden waar de OVAM aan meegewerkt heeft en organisaties die door de OVAM worden gefinancierd.

Publicaties die tegen betaling verkrijgbaar zijn • Evolutie van de calorische waarde van de input in de Vlaamse huisvuilverbrandingsinstallaties • Tarieven en capaciteiten voor storten en verbranden (actualisatie tot 1998, evolutie en prognose) • Beslisondersteunend systeem voor actief bodembeheer • Risico-analyse en sanering van wegen bedekt met assen en slakken uit de non-ferro industrie (verslag + bijlagen) • Standaardprocedure voor beschrijvend bodemonderzoek • Veldmethoden voor bodemonderzoek • Afvalstoffenbeheer bij goederenbehandelaars in de Vlaamse zeehavens - handleiding • De kringloopcentra in het Vlaamse gewest : opvolgingsverslag 1999 • Internationaal afvalstoffenbeleid : Brussels Hoofdstedelijk en Waals gewest, Nederland, Frankrijk en Duitsland • Internationaal afvalstoffenbeleid : EU, OESO, UNEP, Verenigde Staten van Amerika, Verenigd 68

Koninkrijk en Zweden • MAMBO-pakket (CD-rom + handleiding) • Voorstel tot kwaliteitsbewaking van anaërobe vergisting in Vlaanderen • Eindevaluatie van het afvalvoorkomingsproject IGEMO • Samenstelling van het grofvuil in Vlaanderen 1998-1999 • Bedrijvig in milieuzorg. Presti 4 en Milieucharters : de praktijk van preventie • Milieuhandleiding voor de brouwer (PRE013) • PRESTI-project : handleiding (tandartsen) (PRE016) • Uitvoeringsplan gescheiden inzameling bedrijfsafval van kleine ondernemingen • Uitvoeringsplan gescheiden inzameling bedrijfsafval van kleine ondernemingen - Verslag inspraak- en adviesreacties • Uitvoeringsplan organisch-biologisch afval • Uitvoeringsplan organisch-biologisch afval - Verslag inspraaken adviesreacties • Voortgangsrapportage 2000 Uitvoeringsplan huishoudelijke afvalstoffen 1997-2001

Publicaties die gratis verkrijgbaar zijn Ik kleur mijn schooljaar groen (folder + affiche) Affiches : - sla je slag met drankkartons - sla je slag met plastic - sla je slag met metaal - sla je slag met glas - sla je slag met papier en karton - sla je slag met gevaarlijk afval op school - sla je slag met groente-, fruit- en tuinafval


Brochure pcb-houdende toestellen : alles over je rechten en plichten als bezitter OVAM-voorstellingsbrochure + folder Brochure Hergebruik, de kringloopcentra maken er iets mooi van (Vlaams-Brabant, Antwerpen, WestVlaanderen, Oost-Vlaanderen en Limburg)

Organisaties die door de OVAM worden gefinancierd * Werkingsbijdragen vzw Studie- en Samenwerkingsverbond Vlaams Water Mechelsesteenweg 64 2018 ANTWERPEN vzw VLACO Kan. De Deckerstraat 22-26 2800 MECHELEN 69

vzw Grondbank Landbouwstraat 34-42 1000 BRUSSEL Interregionale Verpakkingscommissie Kunstlaan 10-11 1210 BRUSSEL

* Participaties nv SOBOREL nv EKOL

E. Coppéelaan 91

Europapark 1075

3600 GENK

3530 HOUTHALEN-HELCHTEREN cvba PREMAZ nv ECOPLA

Dauwstraat 12

Lozenberg I-7

1070 BRUSSEL

1932 ST.-STEVENS-WOLUWE Centrum Duurzaam Bouwen cvba VLABRAVER

Heldenplein 1

Diestsesteenweg 52

3500 HEUSDEN-ZOLDER

3010 LEUVEN cvba Vlaams Selectiebureau voor het cvba APLIM

Overheidspersoneel

Universiteitslaan 1

Interleuvenlaan 62 - Zone 2

3500 HASSELT

3001 HEVERLEE


Boordinformatie Wilt u meer weten over onderwerpen of publicaties die in dit jaarverslag aan bod kwamen ? U kunt terecht op de volgende adressen : Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest - OVAM Kan. De Deckerstraat 22-26 - 2800 MECHELEN Tel. : 015/284 284 Fax : 015/203 275 Woordvoerster : Karina De Beule tel. : 015/284 148 fax : 015/284 139

TWICA (Technisch Wetenschappelijk Informatiecentrum Afvalstoffen) tel. : 015/284 143 of 015/284 144 70

Openingsuren (enkel na afspraak) • maandag - donderdag : voormiddag : 9 u - 12u30 namiddag

: 14 u - 16u30

• vrijdag : voormiddag : 9 u - 12 u namiddag

: gesloten

website en e-mail : http://www.ovam.be e-mail : info@ovam.be Verkoop tel. : 015/284 145 fax : 015/203 275 Contactpersoon : Gerda Baudoncq Uitlening informatiestands - aanvraag gratis publicaties Algemene infostand (Multi-Screen) Stand composteren (waaier) Contactpersoon : Petra Van Opstal - tel. 015/284 142 OpgeruimD Contactpersoon : Veerle De Ridder Kan. De Deckerstraat 22-26 - 2800 MECHELEN tel. : 015/284 148 fax : 015/284 139


Bodemattesten Groene lijn bodemattesten : tel. : 015/284 458 - 015/284 459 Rekeningnummer voor het aanvragen van bodemattesten : 435-4518011-25 met vermelding bodemattest, naam aanvrager, postnummer Informatie melding : Meldingstelefoon : 015/284 371 Administratief en datacentrum - algemene informatie procedures afval Monique Vandeven - tel. 015/284 317 Informatie milieuheffingen : Anne Andriaens (storten) : 015/284 331 Walter Werquin (verbranden) : 015/284 320

71


SYNTHESE De OVAM is binnen het Vlaamse Gewest verantwoordelijk voor het afval- en bodemsaneringsbeleid. Het Vlaamse afvalstoffenbeleid heeft drie doelstellingen: de afvalberg verkleinen door middel van preventie, afval hergebruiken en recycleren, en wat er dan nog overblijft op een milieuvriendelijke manier verwerken. Het is de taak van de OVAM om die doelstellingen te realiseren. De positieve trendbreuk sinds 1997 - toen er voor het eerst méér huishoudelijk afval selectief werd ingezameld dan gestort of verbrand - werd voortgezet. In 2000 trad ook het nieuwe gemeentelijk milieuconvenant in werking en werd het IGEMO-afvalvoorkomingsproject goedgekeurd. De aanvaardingsplicht voor de verschillende afvalfracties krijgt verdere invulling. Zo werd de milieubeleidsovereenkomst voor afvalbanden van kracht. Een belangrijke verwezenlijking was de afronding van ECOWARE, een project inzake de automatisering van het afvalstoffenbeheer in de Vlaamse zeehavens. Verder hebben we in 2000 het MAMBO-project 'Minder Afval, Meer BedrijfsOpbrengsten', een softwaretoepassing voor bedrijven, voorgesteld aan pers en publiek. Extra aandacht ging ook naar de Strategische Plannen Afval en Bodem als resultaat van het interne planningsproces. 72 Om specifieke afvalproblemen aan te pakken, stelt de OVAM al verschillende jaren in overleg met de betrokken sectoren Uitvoeringsplannen op. In 2000 heeft de Vlaamse regering de Uitvoeringsplannen Organisch-Biologisch afval en Gescheiden Inzameling Bedrijfsafval van Kleine Ondernemingen goedgekeurd. Om de preventie van afval te stimuleren lanceerden we het Steunpunt en Informatiecentrum voor Preventie van afval en emissies (STIP). Sinds 1 juli 2000 zijn er nieuwe stortverboden voor brandbare afvalstoffen van kracht. In 2000 waren er bovendien de naweeën van de dioxinecrisis van 1999. Daarnaast was de OVAM nauw betrokken bij de problematiek van de krengen en het diermeel. Inzake bodemsanering gingen we in 2000 door op de ingeslagen weg. Het aantal bodemsaneringsprojecten en -werken dat bij de OVAM werd ingediend, bleef stijgen. Belangrijk nieuws was de sanering van de Terra Cotta-site in Brecht, waar kleiwinningsputten in het verleden illegaal werden volgestort met afval. Ze werd na 42 maanden afgerond. Een hoogtepunt in de sanering van de oude arseenfabriek in Bocholt was de afbraak van de schouw. In 2000 hebben we ook concrete stappen gezet om te gaan samenwerken met Nederland op het vlak van bodemsanering. Een efficiënt beleid kan niet zonder een breed maatschappelijk draagvlak, zeker als het gaat om gevoelige thema's als afval en bodemsanering. Een actieve en open communicatie is dan ook heel belangrijk. Zo organiseerde de OVAM in 2000 een campagne waar voor het eerst hergebruik centraal stond. Het hoogtepunt was de 'Dag van de Kringloopwinkel'. Ook nieuw was de campagne 'Ik kleur mijn schooljaar groen!' om de aankoop van milieuvriendelijk schoolgerief te bevorderen. Onze website werd in een nieuw kleedje gestoken en het aantal bezoekers bleef stijgen.


In 2000 werd de projectwerking voor de eerste keer geĂŤvalueerd. We hebben een aantal projecten afgerond en er ook nieuwe opgestart. Verder hebben we in 2000 aandacht besteed aan het analyseren en optimaliseren van het takenpakket van de OVAM.

73


SYNTHESE L'OVAM est responsable de la politique de gestion des déchets et d'assainissement des sols en Région flamande. La politique flamande en matière de déchets poursuit trois objectifs: la réduction du volume global des déchets au moyen de mesures préventives, la réutilisation et le recyclage des déchets, ainsi que le traitement écologique de la fraction résiduelle. L'OVAM a pour mission d'atteindre ces objectifs. La tendance positive observée depuis 1997 – année où, pour la première fois, la quantité de déchets ménagers récoltés lors des collectes sélectives a dépassé le volume des déchets mis en décharge ou incinérés – s'est maintenue. En 2000, la nouvelle convention communale est entrée en vigueur et le projet IGEMO de prévention des déchets a été approuvé. L'obligation d'acceptation pour les différentes fractions résiduelles s'est étendue, avec entre autres l'application de l'accord environnemental en matière de pneus usés. Une autre réalisation importante a été l'achèvement du projet ECOWARE qui vise à automatiser la gestion des déchets dans les ports maritimes flamands. D'autre part, c'est en 2000 qu'a été présenté à la presse et au public le projet MAMBO - 'Minder Afval, Meer Bedrijfsopbrengsten' (Moins de déchets, 74

plus de revenus pour l'entreprise), un logiciel d'application destiné aux entreprises. Les Plans stratégiques Sol et Déchets, résultant du processus de planification interne, ont également bénéficié d'une attention particulière. En concertation avec les secteurs concernés, l'OVAM élabore depuis plusieurs années des plans d'action afin de s'attaquer à des problèmes spécifiques liés aux déchets. En 2000, le gouvernement flamand a approuvé les plans d'action relatifs aux déchets bio-organiques et à la collecte sélective des déchets des PME. Dans un souci préventif, nous avons lancé le Point d'appui et Centre d'information pour la Prévention des déchets et des émissions (STIP - Steunpunt en Informatiecentrum voor Preventie van afval en emissies). De nouvelles interdictions de mise en décharge de déchets combustibles sont en vigueur depuis le 1er juillet 2000. En outre, les séquelles de la crise de la dioxine de 1999 se sont encore fait sentir en 2000 et l'OVAM a également été associée de près à la problématique des carcasses et des farines animales. Dans le domaine de la dépollution des sols, nous avons poursuivi dans la même voie en 2000. Le nombre de projets et de travaux d'assainissement des sols introduits auprès de l'OVAM a continué à progresser. Il est important de noter à cet égard que le site de Terra Cotta à Brecht, où d'ancien puits d'extraction d'argile avaient jadis été comblés de déchets illégaux, a été assaini après 42 mois de travaux. La démolition de la cheminée a été un temps fort dans l'assainissement de l'ancienne usine d'arsenic de Bocholt. Nous avons également entrepris des démarches concrètes en 2000 pour collaborer avec les Pays-Bas dans le domaine de la dépollution des sols. Une politique efficace nécessite un large soutien de l'opinion publique, surtout par rapport à des enjeux aussi sensibles que les déchets et la dépollution des sols. Une communication active et transparente s'avère donc incontournable. C'est dans cette optique que l'OVAM a organisé en 2000 une première campagne axée sur la réutilisation, qui a culminé avec 'de Dag van de Kringloopwinkel' (la Journée de la


Boutique de Recyclage). Autre innovation, la campagne 'Ik kleur mijn schooljaar groen!' (Je colorie mon année scolaire en vert!) visant à stimuler l'achat de matériel scolaire plus respectueux de l'environnement. Notre site internet a fait peau neuve et a accueilli un nombre toujours croissant de visiteurs. C'est aussi en 2000 qu'a eu lieu la première évaluation des projets réalisés. Certains d'entre eux ont été clôturés alors que de nouveaux projets voyaient le jour. Enfin, nous avons également été attentifs à analyser et à optimiser les missions de l'OVAM en 2000.

75


ZUSAMMENFASSUNG Die OVAM ist für Abfallentsorgung und Bodensanierung in der Flämischen Gemeinschaft zuständig. Die flämische Abfallpolitik verfolgt drei Ziele: Verkleinerung des Abfallbergs durch Müllvermeidung, Abfallwiederverwertung und -recycling, sowie die umweltverträgliche Verwertung des Restmülls. Die Aufgabe der OVAM ist es, diese Ziele zu erreichen. Die seit 1997 beobachtete positive Tendenz - in jenem Jahr übertraf das Volumen des getrennt gesammelten Haushaltmülls zum ersten Mal das Volumen des deponierten bzw. in Verbrennungsanlagen entsorgten Mülls - hält weiter an. Im Jahre 2000 ist das neue Gemeindeabkommen in Kraft getreten und das Projekt IGEMO zur Müllvermeidung gebilligt worden. Die Verpflichtung zur Annahme der verschiedenen Arten von Restmüll wurde erweitert, unter anderem durch die Anwendung des Umweltübereinkommens über gebrauchte Autoreifen. Ein weiterer wichtiger Fortschritt war die Beendigung des Projekts ECOWARE zur automatischen Behandlung der Abfälle in den flämischen Seehäfen. Darüber hinaus wurde das Projekt MAMBO 'Minder Afval, Meer Bedrijfsopbrengsten' (weniger Abfall, mehr Einkünfte für den Betrieb) der Presse und der Öffentlichkeit vorgestellt, ein Anwenderprogramm für Betriebe. Besondere Aufmerksamkeit galt den 76

strategischen Plänen für Böden und Abfälle als Ergebnis interner Planungen. Schon seit mehreren Jahren entwickelt die OVAM gemeinsam mit den betroffenen Sektoren Aktionspläne zur Lösung von spezifischen Abfallproblemen. Im Jahre 2000 hat die Flämische Regierung die Aktionspläne für organisch-biologische Abfälle und die Mülltrennung der kleinen und mittleren Unternehmen gutgeheißen. Zur Förderung der Müllvermeidung haben wir den Stützpunkt und das Informationszentrum zur Reduktion von Müll und Emissionen (STIP - Steunpunt en Informatiecentrum voor Preventie van afval en emissies) eingerichtet. Seit dem 1. Juli 2000 sind neue Verbote für die Deponierung von brennbaren Abfällen in Kraft getreten. Außerdem waren die Folgen der Dioxinkrise von 1999 auch im Jahre 2000 noch zu spüren, und die OVAM war auch mit der Problematik der Tiergerippe und -mehle befasst. Auf dem Gebiet der Bodensanierung haben wir im Jahre 2000 unsere bisherige Strategie fortgesetzt. Die Anzahl der bei der OVAM eingereichten Anträge für Projekte und Pläne zur Bodensanierung ist weiter gestiegen. Ein wichtiges neues Projekt war die Sanierung des Geländes von Terra Cotta in Brecht, wo in der Vergangenheit in ehemaligen Lehmförderschächten illegal Müll abgelagert worden war, der nun nach 42 Monate dauernden Arbeiten saniert wurde. Ein Höhepunkt bei der Sanierung der früheren Arsenfabrik in Bocholt war der Abbruch des Kamins. Im Jahre 2000 haben wir auch konkrete Schritte unternommen für eine Zusammenarbeit mit den Niederlanden auf dem Gebiet der Bodensanierung. Eine wirksame Politik ist ohne breite öffentliche Basis nicht denkbar, insbesondere wenn es sich um so heikle Themen wie Müllentsorgung und Bodensanierung handelt. Eine aktive und offene Kommunikation ist da überaus wichtig. Daher hat die OVAM im Jahre 2000 eine erste Kampagne zu dem Thema Wiederverwertung veranstaltet, deren Höhepunkt 'de Dag van de Kringloopwinkel' (der Tag des Recycling) war. Eine weitere Neuigkeit war die Kampagne 'Ik kleur mijn schooljaar groen!' (Ich färbe


mein Schuljahr grün!) zur Förderung des Kaufs von umweltfreundlichem Schulzubehör. Unsere Website ist vollständig überarbeitet worden und zieht ein ständig steigende Zahl von Besuchern an. In diesem Jahr 2000 wurden die durchgeführten Projekte zum ersten Mal bewertet. Eine Reihe von Projekten wurden abgeschlossen, neue Projekte in die Wege geleitet. Ferner haben wir 2000 alle Aufgaben der OVAM aufmerksam analysiert und optimalisiert.

77


SUMMARY Within the Flemish Region, OVAM is responsible for the policy areas of waste management and soil decontamination. Flemish policy on waste materials has three objectives: to reduce the mountain of waste by prevention, to reuse and recycle waste, and to dispose of what remains in an ecologically sound manner. It is the task of OVAM to put these objectives into practice. The positive break in the trend we observed since 1997 – when, for the first time more household waste was selectively collected than was deposited in landfills or incinerated – continued. In 2000, too, the new municipal environmental covenant went into effect, and the IGEMO waste-prevention project was approved. The acceptance obligation for the various waste fractions was further specified. Thus, the environmental-policy agreement for discarded tires was put into force. An important achievement was the completion of ECOWARE, a project for the automation of waste management in the Flemish harbours. Further, in 2000 we presented to the press and the public the MAMBO project - 'Minder Afval, Meer Bedrijfsopbrengsten' (Less waste, more profits), a software application for firms. Extra attention also went to the drawing up of the Waste and Soil Strategic Plans as a 78

result of the internal planning process. In order to deal with specific waste problems, OVAM has been devising Implementation Plans for several years now in consultation with the sectors involved. In 2000, the Flemish government approved the Implementation Plans for Organic Biological Waste and Separate Collection of Commercial Waste from Small Companies. In order to encourage the prevention of waste, we launched the Support and Information Centre for the Prevention of waste and emissions (STIP - Steunpunt en Informatiecentrum voor Preventie van afval en emissies). Since 1 July 2000, new dumping bans for combustible waste have been operative. In 2000, there were also the aftereffects of the 1999 dioxin crisis. In addition, OVAM was closely involved in the problem of the carcasses and bone meal. In the area of soil decontamination, in 2000 we continued along the same path as previously. The number of soil-decontamination projects and works that were submitted to OVAM continued to increase. Important news was the decontamination of the Terra Cotta site in Brecht, where in the past clay pits had been illegally filled with waste. It was completed after 42 months. A high point in the decontamination of the old arsenic plant in Bocholt was the demolition of the chimney. In 2000, we also took concrete steps toward collaboration with the Netherlands in soil decontamination. An efficive policy is not possible without broad social support, certainly not where such sensitive topics as waste and soil decontamination are concerned. Active and open communication, therefore, is very important. Thus, in 2000 OVAM organized a campaign in which, for the first time, reuse was central. The high point was 'de Dag van de Kringloopwinkel' (the Day of the Recycling Shop). Also new was the campaign 'Ik kleur mijn schooljaar groen!' (I’m colouring my school year green!) to promote the purchase


of environment-friendly school supplies. Our website was given a new look and the number of visitors has continued to rise. In 2000, the project activities were evaluated for the first time. We have completed a number of projects and also started new ones. Further, in 2000 we analysed and optimized the task packet of OVAM.

79


80

v.u.: OVAM - ir. Frank Parent, Kan. De Deckerstraat 22-26, 2800 Mechelen


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Jaarverslag_OVAM_2000.pdf by Vlaanderen-be - Issuu