"^SwwiTJ*^^
iK , Mnt
-11 - ii^aLLL £-~Zr.-i£i^mÊ~'
M&W
Zf IS 30 JAAR AL SINDS 3 0 JAAR WEET IEDEREEN DIE NAAR B A T I B O U W KOMT PRECIES WAT ER OMGAAT IN BOUW, DECORATIE EN RENOVATIE.. B A T I B O U W BEGELEIDT U, MAAKT U WEGWIJS IN NIEUWE ONTWIKKELINGEN, MATERIALEN, TECHNIEKEN, PRIJZEN EN DE FINANCIËLE ASPECTEN VAN UW PROJEKTEN DIT JAAR WERD ER VOOR BATIBOUW EEN PALEIS BIJGEBOUWD, 1.200 BEDRIJVEN UIT DE HELE WERELD STAAN ER NU VERSPREID OVER 12 PALEIZEN EN RUIM 1 5 0 . 0 0 0 M 2 . 3 0 JAAR: ONZE BEROEMDE SCHILDPAD IS OUD EN WIJS GENOEG VOOR HET NIEUWE EUROPA.
VAN
18 TOT 26 FEBRUARI,
IE S1AA1 VOOR U KLAAR
dj de neef industriepark 8
3100 Heist op den Berg
tel 015 24 62 3 1 3 2
tfax 015 24 80 72 11x62 926
Kan bogen op een veelzijdige ervaring voor het restaureren van Historische gebouwen en Monumenten INJEKTEREN VAN BAKSTEEN EN METSELWERK •STRUKTURELE HERSTELLING DOOR LIJMEN VAN WAPENINGEN EN CHEMISCHE ANKERS •WATERAFDICHTINGEN VAN MUREN ONTZWAMBEHANDELING •RESTAURATIE EN PREVENTIEVE BEHANDELING VAN HOUTEN DRAAGBALKEN •FUNDERINGSVERBETERINGEN
Father's Damien Church Kaluapapa - Hawaï - USA
• ALGEMENE BOUWONDERNEMING • VERNIEUWBOUW
ZONDER RENOFORS-BETA 2AG U DIE MOLENS NIET MEER...
• RESTAURATIEWERKEN LWERKEN •JjEVELWEi STEENHERSTELLINGEN
Heeft l' zich al eens afgevraagd hoe het komt dat eeuwenoude houten molens nog steeds de wind trotseren? Of hoe de Middeleeuwse klokkestoel van de prachtige Sint-Romhoutskathedraal zijn tonnenzware beiaard torst'•' Solar nv vernieuwt en versterkt rottend hout met het Kenofors-Bèta systeem. Voor jiaaren.
• BETONREPARATIES ANDERE m
Renofors-Iièta is een (kostenbesparend) alternatiefvoor dure en moeUi{ke vervangingswerken.
il
Renofors-lièta is een gewapend kunstharssysteem dat snel, doeltreffend en esthetisch eeuwenoude constructies restaureert. Vraag nu vrijblijvend documentatie. Bel 03/7",6.91.62
BOUWONDERNEMING
os
ai i-
O
n
GOETINCK ADMINISTRATIEVE ZETEL: LIEVEN BAUWENSSTRAAT 2 0 •^gppGGE 2
. _ '-i" 1 "
U HEEFT GEEN MONUMENT TE VERLIEZEN...
Solar
«51.2700St -Ntkl
Ook sterk in: gevelreinigmg - steenverhardmg - vochtwenng - drooglegging van muren mei capillair stijgend vocht dichtmgswerken - betonrestauratie hout behandel mg - brandremming.
«STEP
®
Waterdichte muren, aan waterdichte prijzen (Ongeveer de helft van de normale kostprijs) Freezteq uw professioneel middel tegen opstijgend vocht! Revolutionair door zijn eenvoud. Kijkt Uzelf: - Geen injectieapparatuur vereist - Exacte dosering dank zij gestandarlseerde patronen - Tijd- en kostenbesparend. Kortom: Het beste produkt qua kwaliteit! Het beste produkt qua toepassing! Het beste produkt qua prijs I
(^\ Neem nu kontakt met E.C.C. Kwaliteitsprodukten Terbekehofdreef 50-52 2610WUrijk Tel. 03/828.94.95 (5 L) Telex 73.332 ECC-B T. Fax 03/830.27.69
Ik wil alles weten over FREEZTEQ Graag bezoek van uw vertegenwoordiger Naam Firma Adres Gemeente . Postcode Tel
E E N E R V A R E N K I J K OP DE T O E K O M S T
NATUURSTEEN VAN AMSTELSTRAAT 63 2100 ANTWERPEN TEL. (03) 326 03 83 TELEFAX (03) 325 68 66
II
AMINCK GASSTRAAT 11 A 9100 LOKEREN TELEX 32158 NAVLAM TEL (091) 48 12 17 TELEFAX (091) 48 96 61
spectron
Spectron n.v.
Liersesteenweg 36, B-2800 Mechelen, Telefoon (015) 21.99.02
- Beveiligen van kunstwerken door inbraakwerend glas - Glazen toonkasten - nieuwe modellen - Verlichting van kunstvoorwerpen door "Fibre Opties" - Brandwerende beglaasde deuren
Duiven zijn inderdaad zo vervelend dat u ik-weet-niet-wat zou doen om ze te verjagen. Zij vervuilen en ontsieren niet alleen onze historische gebouwen; zij werken aktief mee aan het verval ervan.
MAAR HET KAN Depigeonal is een eenvoudig en doeltreffend systeem om duiven te weren Onzichtbaar voor voorbijgangers en onschadelijk voor de dieren. Vraag meer informatie over Depigeonal en gebouwenconservatie en -restauratie in het algemeen bij
1 .1
.• - ;
U
Kwaliteitsprodukten van Ateliers
Solar
Kleine Breedstraat 51, 2700 Sint-Niklaas. Of bel 03/776 91 62.
RIETEN DAKEN
MEYVAERT DEPIGEONAL
WILLY IBENS
P.V.B.A.
Brandbeveiligde daken Rietmatten en rietplaten Restauraties Nieuw en herstellingswerk Isolatiewerken met rustieke rietplaten Gratis dokumentatie Leopoldslei 161 2130 Brasschaat Tel. (03) 651 53 45
DOK NOORD 3 • 9000 GENT TEL. (091) 25 54 27 • TELEX 11397 • FAXNR. (091) 25 68 75
Smederij
mmm
o
MOLENBAAN 18 2220 WOMMELGEM Tel.: (03) 353 97 87 • • • • • •
Restauratie alle smeedwerk Kopiëren Drijfwerk Eigen ontwerp Design Meubels
Gediplomeerd restaurateur
lil
In het labyrint van bouwspecialiteiten wijzen wij de weg
Verdeler van Remmers-Chemie Duitsland Voor nieuwbouw, saneringsen restauratiewerken Voor advies en levering : Van den Brande EM b.v.b.a. Industriepark 20 3100 Heist-op-den-Berg Tel. : (015)24 19 68 Telefax: (015)24 28 60 ftOAU*
Lotto, Presto, Duo, Joker. De winnaars die niet spelen danken de spelers die niet winnen. De 65% Belgen die met de Lotto, Presto, Duo of Joker spelen, hoeven zich geen kopbrekens te maken in de bestemming van hun inzet als zij verliezen. De Nationale Loterij maakt er helemaal geen geheim van en zegt het duidelijk in de dagbladen of met metersgrote affiches: hun inzet dient zowel voor de restauratie van een historisch waardevol gebouw of de internationale uitstraling van IV
de Opera voor Vlaanderen, als voor het kankeronderzoek, de voorbereiding van de Belgische atleten of waterboringen voor de hard getroffen Sahel-bewoners. Trouwens, haar naam alleen al maakt het duidelijk. De Nationale Loterij die de Lotto, Duo, Presto en Joker groepeert, is geen privé-onderneming gebaseerd op winstbejag, maar een openbare instelling ten dienste van de Gemeenschap. Anders gezegd, zelfs
al winnen zij niet met de Lotto, Duo, Presto of Joker, hun inzet is nooit weggegooid geld. Hij is enkel omgetoverd in een aria, een museum, een laserstraal, een atletiekpiste of een levensnoodzakelijke bron midden de woestijn.
©
Nationale Loterij Kardinaal Mercierstraat 6 1000 BRUSSEL
cï rtve
&
&
Arch. Groep Planning en Stabo
Informatiecentrum van de non-ferrometalen
-
Montoyerstraat, 4 7
- 1 0 4 0 Brussel Tel. 0 2 / 5 1 3 . 8 6 . 3 4
A+ 91.
Nieuwe bijgewerkte en herziene druk
WET- en REGELGEVING Monumenten, stads- en dorpsgezichten Landschappen Roerend Cultureel Patrimonium K.C.M.L. Heraldiek
Een uitgave van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap A.R.O.L. Bestuur voor Monumenten en Landschappen
Te verkrijgen door overschrijving van 160 fr. op reknr. 000-2001776-84 van het Fonds M&L met vermelding 'Wetgeving'
v
langs Vlaamse wegen OUDENBURG
WANDELBROCHURES 'LANGS VLAAMSE WEGEN' Voor een nadere kennismaking met de voornaamste monumenten en landschappen in de steden en gemeenten van Vlaanderen, kan U gebruik maken van de wandelbrochures die door de Stichting Monumenten- en Landschapszorg vzw worden uitgegeven.
Reeds verschenen : Torhout » Leuven . Maaseik . Hasselt de Antwerpse Zoo • Tongeren • Oudenburg Technische gegevens : zestien bladzijden . vierkleurendruk formaat : 21 cm x 29,7 cm Kostprijs : 50 fr./exemplaar (verzendingskosten inbegrepen) Inlichtingen: Stichting Monumenten- en Landschapszorg vzw Bergstraat 72 - 1000 Brussel Tel. (02)512 40 97 Rekeningnr. 426-3141111-35
Bij de Stichting Monumentenen Landschapszorg vzw verschijnt in de loop van de maand september het derde deel van de 'Verzamelde Opstellen' van Geert Belkaert. De publicatie 'Hierlangs' bundelt de artikels die Bekaert tussen 1971 en 1979 in diverse kranten en tijdschriften publiceerde.
GEERT BEKAERT
Verzamelde Opstellen
Daarnaast is eveneens het eerste deel 'Stapstenen' en het tweede deel 'Los in de ruimte' nog beschikbaar. Inlichtingen : Stichting Monumenten- en Landschapszorg vzw Bergstraat 72 - 1000 Brussel Tel. (02) 512 40 97
VI
2 LOS IN DE RUIMTE
1966 -1970
de rust en het evenwicht van mineralen n Dit is geen verhaal over bronwater. Wel een manifest over fundamentele principes van de restauratietechniek. Wij vatten dit in 5 puntjes samen:
De restauratiematerialen moeten zich kunnen aanpassen aan hun omgeving, zodanig dat de autenticiteit van het monument bewaard blijft.
H H
ARCHITECTUUR ALS BUUR
Het materiaal moet zoutbestendig zijn en mag de zout- en vochttransporten met belemmeren. Het materiaal moet vrij van kunststoffen zijn en speciaal-cementgebondsn.
U
•
Fysische eigenschappen van het restauratiemateriaal moeten aangepast worden aan de eigenschappen van het object.
C
H
Het restauratiemateriaal moet eenvoudig en kostenbesparend toe te passen zijn.
B
U
R
A
L
T
U
U
SEPTDEC '88 R
A
GENT
Om die vijf fundamentele principes te kunnen handhaven verkoopt en gebruikt Solar gemakkelijk verwerkbare, zuivere minerale restauratiemortels voor natuursteen, die meestal geen dure wapening vereisen, en zoutbestendige pleister- en injektiemortels van hoogwaardige kwaliteit [SOLAR RESTAURATIETECHNOLOGIE IN HARMONIE MET HET VERLEDEN
.'^•^^
Solar-
KleineBreedSlraaI51 2700St -Niklaas
voor meer informatie belt u' 05/776.91.61
EEN GEVARIEERD EN AANTREKKELIJK PROGRAMMA. VOOR EEN FORMULE DIE EEN TRADITIONELE TENTOONMET BOUWEN EN ARCHISTELLING OVERSTIJGT VOOR EEN TECTUUR WORDT IEDEREEN GECONPROJECT DAT VAN DIT NAJAAR IN ONS FRONTEERD OVERAL EN ELKE DAG, LAND HET NAJAAR VAN DE ARCHITECVAN 'S MORGENS TOT S AVONDS HET TUUR ZAL MAKEN .. IS ER GEWOON, OF ]E DAT NU WILT OF OP HET PROGRAMMA: EEN CENNIET. ALLEEN AL DAAROM HEBBEN TRALE TENTOONSTELLING, VRIJE EN WE ER ALLE BELANG BIJ DAT ER MEER GELEIDE BEZOEKEN IN EN OM DE AANDACHT KOMT VOOR BETERE STAD; EEN ARCHITECTUURKAART, ARCHITECTUUR DAARVOOR MENSEN DIVERSE AANVULLENDE TENTOONGEVOELIG MAKEN, IS HET OPZET VAN STELLINGEN HER EN DER IN DE STAD; HET PROJECT "ARCHITECTUUR ALS EEN LASERPROJECT, ARCHITECTUUR BUUR" DAT DIT NAJAAR IN GENT EN FILM, EN MUZIEK, EN KUNST, EN .. PLAATS HEEFT HET VOLLEDIGE PROGRAMMA IS 'ARCHITECTUUR ALS BUUR" IS EEN GRATIS VERKRIJGBAAR BIJ DE DIENST INITIATIEF VAN DE STAD GENT EN VAN TOERISME VAN DE STAD GENT P / A ALLE OOST-VLAAMSE ARCHITECTUUR- BELFORTBTRAAT 9, 9000 GENT, TEL VERENIGINGEN MET EEN BREED (091/25 3641). PANORAMA VAN WAT DE GENTSE REALLEEN BELANGSTELLENDEN VAN GIO DE LAATSTE TWINTIG JAAR AAN BUITEN OOST-VLAANDEREN KRIJGEN BETERE ARCHITECTUUR HEEFT OP- HET KOSTELOOS TOEGESTUURD GELEVERD, WILLEN DE INITIATIEFNEMERS EEN RUIM PUBLIEK CONFRONTEREN MET WAT ARCHITECTUUR VANDAAG IS EN KAN ZIJN. OM DIT TE DOEN WERD GEKOZEN VOOR >1RCHIIECTUUR ALS BUUR
JJ3
VII
ü ETN, F BRUXELMAN & ZOON NV ü
In het jaar 1886 vestigt de steenhouwer Frangois Bruxelman zich als aannemer. Zijn zoon Florimond volgt hem op in 1910. Vanaf 1938 geeft zijn kleinzoon Albert Bruxelman de onderneming haar volle dimensie. D, Bruxelman neemt over in 1968. De "Etn. Fl. Bruxelman en Zoon" worden in juni 1983 een naamloze vennootschap. Mede door zijn oorsprong heeft het bedrijf zich altijd gespecialiseerd in het restaureren van gebouwen, zowel kerken als historische monumenten, een domein dat vertrouwd geworden is. De werkhuizen van het bedrijf zijn uitgerust zowel voor steenhouwen als voor houtbewerking. De moderne technieken worden praktisch aangewend in de oprichting van appartements- of kantoorgebouwen, privé-woningen, enz. En l'année 1886 Frangois Bruxelman, tailleur de pierre, s'établit entrepreneur. Son fils Florimond lui succède en 1910. C'est ensuite son petit-fils Albert Bruxelman qui dès 1938 donne a la firme sa pleine dimension. D. Bruxelman prend la relève en 1968. Les "Ets. Fl. Bruxelman et Fils" deviennent société anonyme en juin 1983. De par ses origines la société s'est toujours spécialisée en restauration de batiments anciens, tant églises que demeures historiques. Rien ne lui est étranger dans ce domaine. Ses ateliers assurent tant la taille de la pierre que Ie travail du bois. Les techniques modernes sent tout autant son champs d'action avec la construction d'immeubles a appartements ou bureaux, habitations privées etc... St.-Paulus -1934
Kerk Eine -1918
M&L
ISSN 0770-4948 T jaargang Nr. 4 juli-augustus 1988
MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN
Tweemaandelijks tijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu Bestuur Monumenten en Landschappen
Inhoud
'Veduta di BruseV Remigio Cantagallina, ca. 1612-1613 (Brussel, K.M.S.K., nr. 2994/62 (detail))
. • s:»iii
Generiek
11
De Sint-Catharinakerk te Hoogstraten Coméra, Dovéra : zoals ze was, waar ze was Roeland De Ceulaer en Willem Aerts
12
Van frivole putti en gotische apostelen. Conserveringswerken in het kasteel van Laarne Marjan Buyle
24
Twee lindebomen met een markante vorm Arthur De Haeck
30
Redactie
Het 'Hof van Hoogstraten', de Brusselse verblijfplaats van Antoine de Lalaing Dirk Van Eenhooge en Marcel M. Celis M&L Binnenkrant
Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu, Bestuur Monumenten en Landschappen. Afdeling Pers & Voorlichting. Belliardstraat 14-18, 1040 Brussel. Tel. (02) 513 99 20. Eindredactie : M.M. Celis. Redactiesecretariaat : M. Hoflack. Administratie en promotie : L. Tack. Zetwerk : D. Torbeyns. Vormgeving : An Beullens. Redactiecomité
36
Voorzitter : E. Goedleven. Leden : H. Craeybeckx (voorzitter K.C.ML.), F. Vanderputte (Diensten van de SecretarisGeneraal), A. Bergmans, J. Braeken, M. Buyle, M. Celis, M. De Borgher, A. Demey, J. De Schepper, M. Fierlafijn, M. Hoflack, A. Malliet, G. Ostyn, L. Tack, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche. Advertentiewerving De Ganzerik. J. Casier Philipstockstraat 39, 8000 Brugge Tel. (050) 33 82 20. Druk die Keure Oude Gentweg 108, 8000 Brugge Tel. (050) 33 12 35
Abonnementsvoorwaarden België : 950 fr. (ook losse nummers verkrijgbaar voor 180 fr.). CJP'ers betalen : 840 fr. Buitenland : 1100 fr. Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 470-0278201-29 van Monumenten & Landschappen, Belliardstraat 18, 1040 Brussel met vermelding „M&L-jaarabonnement 1988". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.
De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of henverken zijn voorbehouden.
MINISTERIE VAN D E VLAAMSE GEMEENSCHAP
<f"l l *5|T mm ara*
B.CiW/in
n.v.
GEVELRENOVATIE: • • • • • • • •
reiniging van gebouwen en monumenten betonherstelling met minerale of epoxymortels scheurinjectie in metselwerk of beton steenrestauratie behandeling tegen opstijgend vocht waterafstotend maken van gebouwen en monumenten verstevigen van verzande ondergronden beschermen met acrylsiloxaanverven
DAKRENOVATIE: • ontmossen van leiendaken en golfplaten • herstellen van goten en asfaltdaken • behandelen met een hoogwaardig acrylaatsysteem
Al deze produkten kunnen bekomen worden bij de n.v. Rewah, tel. (03) 485 55 33. De uitvoering van al deze werken kan toevertrouwd worden aan Bodima n.v., tel. (03) 485 77 77. Vraag gratis deskundig advies en prijzen.
HERNIEUMOffi UW ABONNEMENT
RESTAURATIE EN MONUMENTENZORG Onderzoek :
Kunsthistorisch -Technisch Bouwkundig
Behandeling :
Muurschilderingen • Stuc
1989
Sculptuur (steen en hout) Meubilair • Leder Schilderijen (paneel en doek) Bodemvondsten (houten leder) Adres Oostveldkouter 26 9920 Lovendegem DeClercql
03 2 3 3 8 2 2 7 • Van Der Biest l . 03 7714466
VandenborreH.&LauwersM. 091 726303
•
SchudelW
091221753
%** k\^4 M 1 1 » - M ! • * M I M I H
^70-0276201-29^
V S i ï ï i ^ i M •11 fu
Een geliefd silhouet Ruim 2 ton springstof zouden in oktober 1944 onherroepelijk het einde betekenen van de fiere toren van Sint-Catherina in Hoogstraten... ware er niet de koppige vox populi en haar pastoor-deken J. Lauwerys. De haast vanzelfsprekende getrouwe anastylose, naar de plannen van de architecten J.L. Stynen en P. Berger, zou dan ook vrijwel meteen worden bedongen. Bij het recente verschijnen van hun Inventaris van het kerkpatrimonium, blikken Roland de Ceulaer en Willem Aerts even terug op een koortsachtige bouwgeschiedenis.
Een werk van lange adem Muurschilderingen kregen hier bewust — en verdiend — reeds eerder bij herhaling aandacht. Hun latente — maar frekwent tè laat besefte — aanwezigheid, vereist immers een permanent geactiveerde aandacht voor dit kleurrijk, vrijwel weerloos patrimonium. Weggedoken in het waterslot van Laarne geeft Marjan Buyle daarvan nog maar eens een staaltje weg.
Onder de groene linden Boomchirurgie is weliswaar sinds lang de kinderschoenen ontgroeid, al oogt ze zelden even indrukwekkend als de — gesubsidieerde — restauratie van de 'etagelinden' in Westerlo en Retie. Arthur De Haeck is ongetwijfeld uit het juiste hout gesneden om de beide ingrepen in hun brede context te situeren en duidelijk te maken hoe hierbij werd tewerkgegaan.
'A Nulle plus!' Al gaat de vergelijking met het mythische Hissarlik slechts ten dele op, toch wordt nu stilaan duidelijk dat de kasseien van het Koningsplein nog heel wat prijs te geven hebben. Een intensief — hoewel in omvang relatief beperkt — archeologisch onderzoek van het voormalig Rekenhof door Dirk Van Eenhooge en Marcel Celis toont alvast aan dat de carrière èn de Brusselse woonst van Antoine de Lalaing, eerste graaf van Hoogstraten, minstens twee kenmerken gemeen hadden: verblindend, en in wel en wee verbonden met het Hertogelijk Hof.
De Sint-Catharinakerk te Hoogstraten Coméra, Dovéra: zoals ze was9 waar ze was
Roeland De Ceulaer en Willem Aerts, Dienst Kunstpatrimonium, Provinciale Cultuurdienst Antwerpen
Op 23 oktober 1944 werd de 104 m hoge toren van de Sint-Catharinakerk te Hoogstraten door het terugtrekkende Duitse leger opgeblazen. Hij sleepte in zijn val een groot deel van de kerk met zich mee — enkel het koor en de kruisbeuk bleven overeind — en het stadhuis dat naast de kerk is gelegen. De recente publikatie van een wetenschappelijke inventaris (1) van de Sint-Catharinakerk lijkt een goede gelegenheid om dieper in te gaan op de problematiek van de wederopbouw van de 'kathedraal van de Kempen' zoals ze was en waar ze was, een parafrase op het Italiaanse 'com'era, dov'era', die de wens verwoordde van de Venetianen toen de in 1902 ingestorte campanile op het Sint-Marcoplein moest worden opgebouwd.
Alle verhoudingen in acht genomen heeft de verwoes- Hoe deze 'terreurdaad' destijds werd ervaren, kan ting van de kerk van Hoogstraten de plaatselijke geïllustreerd worden aan de hand van volgend krangemeenschap evenzeer beroerd als de heropbouw teknipsel: „Toen de Duitsers door de Engelsen uit hun ervan. De bijna als onmenselijk aangevoelde aanslag posities bij Hoogstraten werden verdreven, lieten ze bij op dit symbool van het glorierijke verleden van een middel van dynamiet de prachtige toren der /collegiale gemeenschap, was evenredig met de niet minder kerk van Sinte Katharina in de lucht vliegen en aldus gedistantieerde verontwaardiging in binnen- en bui- vernietigden ze het schoonste bouwwerk uit baksteen, tenland over de 'barbaarse' vernietiging van dit kunst- dat er in België bestond. Zulks geschiedde onder het patrimonium. bedrieglijk voorwendsel dat de toren zou hebben kunM&L 12
nen dienen tot observatiepost voor de geallieerden, alsof deze niet over een voldoende aantal vliegtuigen beschikten om in staat te zijn gemakkelijk de bewegingen van de vijand te volgen... . Doch hier, zoals elders, deden de Duitsers niet anders dan hun verdelgingslust botvieren, die van hen het wildste en het achterlijkste krijgsvolk maakt, dat er ooit op de wereld heeft bestaan" (2).
Noors rood grenehout. De huidige leien zijn afkomstig uit de groeven van Herbeumont. De oorspronkelijke schallen daarentegen kwamen uit de Noordfranse groeve Martin Fosse. Enkel de oostpartij, en hier bedoelen we het koor, de zijkoren en aanpalende ruimten, bleef bij de vernieling in 1944 overeind. Alleen hier komen nog authentieke materialen voor.
Beschrijving De Sint-Catharinakerk te Hoogstraten, 40 km benoorden Antwerpen, draagt terecht de titel 'kathedraal der Kempen'. Ze wordt als een ongeëvenaard hoogtepunt beschouwd van de Kempische baksteengotiek. In aanleg is de Sint-Catharinakerk een georiënteerde kruisbasiliek met een driebeukig schip, een kruisbeuk en een vijfzijdig gesloten koor met zijkoren, waaraan ten noorden de grafelijke bidkapel en ten zuiden de sacristie werden aangehecht. De toren op vierkant plan bestaat uit een vierkante romp van vijf geledingen en wordt bekroond door een octogonale lantaarn met peerspits. De kerk werd opgetrokken uit baksteen, die te Hoogstraten en omgeving werd vervaardigd. Gemetseld in kruisverband worden de bakstenen op de hoeken om de vijf lagen afgewisseld met kalkzandsteen, die vermoedelijk vanuit Balegem werd betrokken. Het meeste bouwmateriaal, meer bepaald de baksteen, dateert van na de verwoesting van de kerk in 1944. Nog bruikbaar materiaal werd evenwel gerecupereerd. De kalkzandsteen werd vervangen door aanverwante witte steen uit de groeven van Massengis. Voor de spanten gebruikte men gewapend beton en Gezicht op de Vrijheid en de toren van de Sint-Catharinakerk (1525-1550), omstreeks 1880. Rombout II Keldermans' werk in volle glorie (fotodienst Provinciale Musea Antwerpen - PMA)
Plattegrond, naar F. Berger en J.L. Stynen (foto PMA)
13 M&L
M&L 14
Bouwgeschiedenis Bij de bouw van de nieuwe Sint-Catharinakerk in het tweede kwart van de 16de eeuw werd de oude kerk volledig afgebroken. De afbraak wordt vermeld in de bouwrekeningen van 1525-1538, waardoor enig inzicht werd verkregen in de structuur van haar voorganger. De opgravingen die in 1949-1950 plaatsvonden, vlak vóór de wederopbouw van de kerk, boden een unieke gelegenheid om naar nog oudere voorgangers te speuren. De resultaten waren nochtans ondermaats. Daarvoor waren de opgravingen te partieel. De Sint-Catharinakerk 1525-1550 De cultuurgeschiedenis van Hoogstraten nam een definitieve wending wanneer Elisabeth van Culemborg (t 1555), erfdochter van Jaspar, Heer van Hoogstraten, in 1509 met An toon de Lalaing (t 1540) in het huwelijk trad. Hun huwelijk luidde één van de meest glorievolle perioden uit de geschiedenis van Dwarsdoorsnede van het schip, naar P. Berger en J.L. Stynen deze stad in. Omwille van bewezen diensten ver- (foto PMA) leende Margaretha van Oostenrijk hen de titel van graaf en gravin, een titel die ze waardig zouden voeren door een prestigieus uitgebouwde mecenaatspolitiek. In navolging van Margaretha van Oostenrijk, Fase II die te Brou bij Bourg-en-Bresse een monumentale kerk liet oprichten, wensten ze hun naam in steen te Tussen 1534 en 1535 werd de bouw stopgezet. De vereeuwigen. reden hiervoor is niet bekend. Volgens sommige Hoe klein Hoogstraten ook was, het werd begiftigd auteurs zou dit oponthoud te maken hebben met een planwijziging van de kerk. Twee losse zuilen in witte met een nieuwe, monumentale kerk. In het najaar van 1524 deed graaf Antoon de Lalaing steen ten westen van de zijkapellen zouden erop een beroep op meester Rombout of Rombout II wijzen dat men aanvankelijk de intentie had een Keldermans (t 1531) voor de bouw van het nieuwe vijfbeukige kerk te bouwen of dat men althans een Gelmelslot, residentie van de graven te Hoogstraten. kerk met een doorlopende rij kapellen langs twee Keldermans werd in 1525 tevens belast met het ont- buitenste beuken voor ogen had, zoals te Brou en te Veere (Zeeland). Deze hypothese werd nog versterkt werp van het stadhuis van Hoogstraten. De leiding van de kerkwerf vertrouwde hij toe aan toen in 1950 de aanzet van een losse pilaar teruggevonden werd in de zuidmuur, tegenover de tweede zijn medewerker, Hendrik Lambrechts (t 1542). Zijn neef Anthonis III Keldermans (t ca. 1564), nam zuil van de middenbeuk. later de uitvoering van het metselwerk van de toren Het antwoord op het waarom van deze planwijziging ligt vermoedelijk vervat in de financiële balansen van voor zijn rekening. de graaf en de gravin. Elisabeth van Culemborg zag in die jaren de opbrengsten van haar goederen in Fase I Holland sterk verminderen, vooral door de overstroMet de bouw van de Sint-Catharinakerk werd op 18 ming van het Land van Borselen in 1530. Daarenbonovember 1525 gestart. De Hoogstraatse steenbakke- ven was ook de jaarwedde van de graaf sedert 1531 rijen draaiden op volle toeren en er werden enorme met een derde verminderd. Redenen genoeg om op hoeveelheden steen en kalk aangevoerd uit Mechelen, het oorspronkelijke plan te bezuinigen. Hendrik Lambrechts was dus genoodzaakt om bij de hervatting van Breda en Ginneken. Omstreeks 1533 werden de in 1525 gestarte werken de werken, van het vijfbeukig concept van meester aan de oostpartij en de kruisbeuk volledig beëindigd. Rombout over te schakelen naar een 'budgetvriendeTerzelfder tijd voltooiden de glazeniers Claes Mathy- lijke' driebeukige kerk. Lambrechts' rol als bouwsen en Antonis Eversoen hun werk. Jan de Brouwer meester mag dus zeker niet over het hoofd worden staat als voornaamste timmerman genoteerd en gezien. Albrecht Gelmers wordt als schrijnwerker vermeld in Reeds in het begin van 1536 werden de eerste stappen verband met het groot koorgestoelte. ondernomen voor de bouw van het schip en de toren. De werken verliepen gestaag, vooral door het chroLinks: binnengezicht van de Sint-Catharinakerk, naar het oosten, nisch gebrek aan witte steen omwille van de transportmoeilijkheden. omstreeks 1925 (foto-archief Provinciebestuur Antwerpen - PB)
V .
TJ^
15 M&L
: VlWHEYt VAN H Ü O L H S l " ' 1 ' » ^ » CASTtEL AI500 SY WAS Aj2*Ui
'mÊ
U.J i
I
4;
•
.
!
. ^
-M
'• *Vi.,: y A itfi
•
^
Éfc'Hik.u.
' i ; . * ^
JÊt '•'#•
t
', (
i
iV^RÜteüiaik ^vÉMaÉt lvtL.1 1^ ! : ! Ü S ^ mi 1!
^
4
£>c oudste en belangrijkste iconografische bron voor de architectuurgeschiedenis van Hoogstraten: 'Dit is de vrijheyt voor Hoochslraten met het casteel alsoo sy was A" 1564'. Olieverf op doek, gekleefd op paneel, 146 x 225 cm (Raadzaal stadhuis Antwerpen)
In 1541 werden de werken aan de toren voortgezet. terwijl de uitgaven van de graaf, of beter van de Lambrechts reisde naar Culemborg om de gravin het gravin, ruim 30.000 Rijnse gulden bedroegen. plan te tonen. Het is echter niet bekend of het een eigen ontwerp betrof dan wel de plannen van zijn Latere ingrepen voorganger Rombout II Keldermans, waaraan de gravin ongetwijfeld reeds vroeger haar goedkeuring De onderhouds- en herstellingswerken aan de kerk had gegeven. Anthonis III Keldermans sleepte als werden aanvankelijk gefinancierd met een jaarrente laagste bieder de aanbesteding van het torenmetsel- van tweehonderd gulden, die gravin Elisabeth van werk in de wacht. Culemborg „tot volmakinge ende noodlicke reparatie In 1542 werd de kerk voltooid. De toren daarentegen derzelver kercke, aen daken, glasen, goten en muren" was nog maar tot op een derde van zijn hoogte ter beschikking had gesteld. opgetrokken en werd eerst in 1546 afgewerkt, afgaande op het bouwopschrift '1546' op de lantaarn. In 1588 en 1600 werden een aantal dringende herstelDe afwerkingsfase ervan was vermoedelijk ook in lingen uitgevoerd aan het dak en aan de glasramen. handen van Anthonis III, vermits hij sedert 15 mei In 1611 werd het dak van de toren gerepareerd. Vijf 1542 als poorter van Hoogstraten stond ingeschreven jaar later, in 1616, werd het kerkinterieur voor de en er bleef wonen tot aan zijn dood op 30 oktober eerste maal gewit en werden de glasramen hersteld. 1564. In 1550 werd het kruis op de torenspits Tijdens de Franse omwenteling werd het koordoksaal geplaatst ; de bouwcampagne werd toen volledig uit de 15de eeuw gesloopt. Het dakruitertje boven de beëindigd. kruisbeuk werd afgebroken, maar werd nooit teruggeplaatst. De kerkwijding vond plaats op 5 oktober 1544. Gravin van Culemborg zag alzo haar droom in vervulling gaan. Zij overleed te Culemborg op 9 december 1555. De toren werd herhaaldelijk beschadigd door brand ten gevolge van blikseminslag (24 februari 1804, 2 Aan de Sint-Catharinakerk werd eenentwintig jaar mei 1813, 20 september 1831 en 17 maart 1838). gebouwd, de onderbrekingen tijdens de wintermaan- Tussen 1840 en 1841 werd het kerkdak gerepareerd. den buiten beschouwing gelaten. Deze relatief korte Het gewelf van het noordzijkoor, dat gedeeltelijk was tijdsspanne getuigt van een efficiënte bouwmethode. ingestort, werd herstoken. In 1855 verkeerde de kerk De vrijheid droeg in totaal 2.200 Rijnse gulden bij, in een lamentabele toestand. Tussen 1866 en 1869 M&L 16
werd ze gerestaureerd door aannemer H. Gervais, naar de plannen van provinciaal bouwmeester J. Van Gastel. Terzelfder tijd werd ook aan het inwendige van de kerk gewerkt: de gewelven werden herschilderd en er werden nieuwe glasramen geplaatst. Sommige oude glasramen werden — met blijvende letsels — hersteld. In 1890 werden de muren ontdaan van de kalk die „er het schone van verborgen hield". De kapitelen, de consoles en de gewelfribben werden gepolychromeerd en verguld. Vanaf 1915 waren nieuwe reparaties aan toren en bedaking noodzakelijk, een probleem dat zich met onderbrekingen bleef herhalen tot in 1940. Ook kleinere restauraties, vooral aan de glasramen en de vloeren, werden in deze periode uitgevoerd onder het toezicht van provinciaal bouwmeester J. Taeymans. Haast gelijktijdig met de aanvang van de bouw van de nieuwe Sint-Catharinakerk werden de bouwactiviteiten gestart aan het stadhuis (ca. 1530-1534) en het Gelmelslot te Hoogstraten. Aan deze drie gebouwen is de naam verbonden van het beroemde bouwmeestersgeslacht Keldermans. L. Guicciardini (1521-1589) en J.B. Gramaye (15801635) vestigden reeds in de 16de en in de 17de eeuw de aandacht op de „fraey vlecke" Hoogstraten. Voor een architecturale appreciatie van de kerk moeten we wachten tot in de 19de eeuw. Schreef A.G.B. Schayes immers niet dat België zo weinig monumenten telde die zo indrukkend waren als de toren van de Sint-Catharinakerk? En werden deze woorden later niet herhaald door R. Maere en S. Leurs in termen van 'wonderlijk' en 'meesterlijk'? Na de heropbouw heeft de kerk niets aan schoonheid ingeboet.
Vergezicht vanuit het Westen. De Sint-Catharinakerk in het stedelijk landschap, anno 1987 (foto PMA)
De Sint-Catharinakerk vanuit het zuiden, anno 1987 (foto PMA)
De Sint-Catharinakerk en de Kempische gotiek Binnen de Kempische groep neemt de Sint-Catharinakerk een belangrijke plaats in. De eigenheid van deze regionale bouwstijl ligt vooral in de toepassing van plaatselijk gebakken baksteen, want in de Kempen treft men, op enkele banken ijzerzandsteen na, haast geen natuursteen aan. De natuursteen die men voor decoratieve en meer bewerkelijke onderdelen aanwendde, werd 'geïmporteerd'. Het gebruik ervan werd tot een minimum herleid vanwege de hoge transportkosten, want door het gebrek aan goede waterwegen in de omgeving diende het materiaal voor het grootste gedeelte per kar te worden vervoerd. Als kerktype gaf men in de Kempen de voorkeur aan een basilicale of pseudo-basilicale opbouw, die evenals in de kuststreek — waarmee de Kempische groep nauw verwant is — zeer licht van structuur is. Behalve in uitzonderlijke gevallen zoals in de collegiale kerk te Hoogstraten en de Sint-Dimpnakerk en de SintAmandskerk te Geel, zag men af van de algehele overwelving en werd de voorkeur gegeven aan houten tongewelven. De zuilen zijn meestal slank geconcipieerd en de lichtbeuk is samengesteld uit vensters waarvan de dagkanten als versieringselement onder de dorpels zijn doorgetrokken. Te Hoogstraten werd dit element zelfs naar Nederrijnse mode als een soort schijntriforium behandeld. Evenals in Vlaanderen werd in de Kempen veel aandacht besteed aan de torenbouw. Tot in de 15de eeuw bleef deze eenvoudig en bescheiden van opvatting, zoals bij de torens van de Sint-Pieter- en Paulus17 M&L
WSBÊÊSÊÊÊHÊBKÊSM
kerk te Loenhout en de Sint-Michielskerk te Brecht. Vanaf het midden van de 15de eeuw en vooral tijdens de 16de eeuw groeiden de westtorens uit tot ware juwelen: de muurvlakken werden door sierbanden en blinde spits- en rondboognissen onderverdeeld in meerdere vakken per verdieping. De torens van de Sint-Pieterskerk en de Sint-Amelbergakerk te Lille, die van de Sint-Leonarduskerk te Sint-Lenaarts (Brecht) en die van de Sint-Trudokerk te Peer in de Limburgse Kempen, vertegenwoordigen deze strekking het best. De mooiste torens vertonen een opvallend rijke behandeling van steunberen en gevelvlakken, met het accent op de bovengeleding, die meestal een weinig terugwijkt. De versieringsdrang bereikt een climax door het gebruik van zogenaamde speklagen, waar zand- en baksteen met elkaar worden afgewisseld. Het toepassingsgebied valt grotendeels samen met de plaatsen waar de Brabantse steenhandel op het einde van de 15de eeuw in expansie was. De torens van de Sint-Gertrudiskerk te Vorst (Laakdal) en de SintDimpnakerk te Geel zijn hiervan exponenten.
De Sint-Catharinakerk kan echter niet helemaal van Brabantse kenmerken vrijgepleit worden. Er werd weliswaar geen triforium uitgespaard en de plattegrond en opstand zijn vrij eenvoudig van opzet gebleven. Zelfs de versiering van de gevelvlakken werd tot een minimum herleid, met positieve resultaten voor hun compositie. De monolitische zuilen met koolbladkapitelen zijn wel typisch Brabants. Ook het concept van de torenconstructie is op Brabantse leest geschoeid. De decoratieve patronen werden, in tegenstelling tot de vormentaal van het kerkgebouw, meer uitgesproken doorgevoerd. Aanverwant in dit opzicht is de Sint-Willibrorduskerk te Rijkevorsel, waarvan het ontwerp tevens aan Rombout II Keldermans wordt toegeschreven. Van deze kerk bleef na de brand in 1944 enkel de toren (1502 na 1525) overeind staan. Ook de toren van de SintMichielskerk te Ravels (Weelde) uit de jaren 15271529, kan hier als exponent vermeld worden. De vernieling (1944) en de heropbouw (1950-1958) van de Sint-Catharinakerk
Onder de Kempische torens spant die van Hoogstraten zeker de kroon. Zoals hoger uiteengezet, werd Op 23 oktober 1944 om 4.30 uur 's ochtends werd de Rombout II Keldermans als bouwmeester omstreeks toren met 2.000 kg springstof opgeblazen door het 1525 naar Hoogstraten gehaald door graaf Antoon de Duitse leger. Jozef Lauwerys (1896-1982), pastoorLalaing en gravin Elisabeth van Culemborg. Wat niet deken te Hoogstraten tussen 1945 en 1967, deed zijn kan worden nagegaan is in hoeverre de oorspronke- verhaal als volgt aan een reporter van de Zondagslijke plannen werden uitgevoerd. Zoals hoger ver- vriend: meld, noopten financiële problemen tot bezuiniging „ Terwijl bijna heel het land reeds twee maanden leefde op het kerkplan, en tijdens de opbouw van de toren in de vreugderoes van de bevrijding, was deze Noordin 1541 werd Hendrik Lambrechts aan het Hof van hoek nog steeds in Duitse handen en er heerste de Culemborg ontboden om er met gravin van Culem- volledigste ontreddering, veroorzaakt door het almaar borg enkele correcties aan de toren te bespreken. door voorbij trekken van soldaten in volle aftocht. Men mag de verantwoordelijkheid van Lambrechts Nochtans toen de Engelsen tot staan werden gebracht en zijn mogelijk aandeel in het bouwprogramma zeker aan het Kempisch kanaal, bleef in Hoogstraten een niet over het hoofd zien, zoals dat in het verleden vaste bezetting, die de toren gebruikte als een uitstevaak gebeurde. kende observatiepost. Het was geweten dat zij er een Uitgaande van de veronderstelling dat het ontwerp lading van twee ton springstof hadden ingebracht met van de Sint-Catharinakerk volledig aan Rombout II de bedoeling het heerlijke gebouw bij het eerste alarm Keldermans kan worden toegeschreven, neemt zij in de lucht te blazen. Zo bleef de toestand drie weken binnen zijn oeuvre een bijzondere plaats in. Vooral duren. het kerkgebouw munt uit door zijn sobere verschijningsvorm, onder meer als gevolg van een spaarzame versieringstechniek en de eenvoudige behandeling van de steunberen. Het monument vond direct navolging in de Sint-Salvatorkerk te Meerle (Hoogstraten), waarvan de oostpartij omstreeks 1529 werd voltooid. Deze kerk vertoont dezelfde kenmerken met uitzondering van de steunberen die met rijkelijk versierde pinakels bekleed zijn. Ook in de oostpartij van de Sint-Leonarduskerk van Sint-Lenaarts (Brecht) uit 1530-1550 is de invloed van de Sint-Catharinakerk voelbaar. Anderzijds heeft de Sint-Catharinakerk ook Brabantse stijlkenmerken geassimileerd. Dit gebeurde nochtans op een tijdstip waarop de eigen aard van de lokale architectuur sterk genoeg was om Rombout II ertoe aan te zetten een kerkplan te ontwerpen volgens uitgesproken Kempische normen. Het gebruik van baksteen heeft hier ongetwijfeld een fundamentele De Sint-Catharinakerk na de verwoesting in 1944 (foto PMA) rol in gespeeld. ! M&L 18
Het 16de-eeuws koorgestoelte na de ravage van 1944. Op de voorgrond het met zandzakjes beschermde praalgraf van A. de Lalaing en E. van Culemborg (foto PMA)
Op 23 oktober te 4.30 uur gebeurde het gevreesde. Men had ons niet verwittigd. Gelukkig maar, dat het grootste gedeelte van de bevolking de nacht in de sterke kelders van het Seminarie doorbracht uit vrees voor de beschieting door de geallieerden, anders waren er zeker slachtoffers geweest. Toch was iets uitgelekt van het misdadig voornemen. Ik stond op en, in de opkomende klaarte van de dageraad, kon ik van aan mijn venster heel het drama volgen. Een eerste ontploffing deed alles rondom mij daveren. De toren verdween in een stofwolk, maar toen zij optrok stond hij nog pal overeind. Ik jubelde inwendig, hopende dat het daarbij zou blijven. Nog zag ik de geliefde silhouet, donker tegen de schemerige morgenlucht: het was de laatste maal. Een tweede ontploffing, ontzettender dan de eerste, weerklonk. De luchtverplaatsing sloeg me achteruit, rond mij rinkelden glasscherven. Dan trok de stofwolk langzaam op, en ik zag niet meer, dan een regen van kleine stofjes hout en steen, die overal als bladeren neerdwarrelden. Hoogstraten had geen toren meer! Maar wij bouwen een nieuwe...". De toren vernielde in zijn val het schip en de kruisbeuk van de kerk en verpletterde het aanpalende stadhuis. De koorpartij, een gedeelte van de kruisbeuk, de zuilen en bogen van de middenbeuk bleven overeind staan, aldus het relaas van architect Max Winders, lid van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen: „De toren is dwars over de groote baan neergestort en verspert volkomen
Het puin is geruimd. Uiterst links de restanten van het Stadhuis, door Rombout II Keldermans. Opname 1945 (foto PMA)
De Sint-Catharinakerk wordt wederopgebouwd. Opname ca 1955 (foto PMA)
19 M&L
het verkeer. (...) Van de overige gedeelten der kerk zijn de zijbeuken vernietigd, alsmede het gansche dak en gewelf boven den middenbeuk. De kolommen van het middenschip zijn blijven staan. De puinen, zeer hoog opgestapeld, bedekken den kostbaren ineengedrukten eiken predikstoel. Het welfsel in de viering is neergestort. De dwarsbeuk, alsook het koor, zijn
behouden, mits zekere beschadigingen en gedeeltelijke instortingen van gewelven, enz. De kunst-loodglasramen, buiten de vermaarde ramen van het begin der XVIe eeuw (...) zijn totaal vernietigd". Op 29 maart 1945 werd de kerk een tweede maal getroffen door een Vl-bom, waardoor het tot dusver gespaarde hoogkoor toch nog schade opliep: het dak werd weggeslagen en de gewelven raakten beschadigd. De monelen en tympanen van negen ramen werden uitgeslagen en verbrijzelden de altaartrappen en de koorvloer. Gelukkig waren de zestiende-eeuwse glasramen van Antonis Eversoen en Claes Mathysen al in 1941 op verzoek van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen veilig opgeborgen. Aanvankelijk gingen er bij de hogere instanties stemmen op om de kerk als 'ruïne nationale' te beschermen. De Hoogstraatse bevolking was daartoe onmogelijk te bewegen. Deken J. Lauwerys trad hierbij als 'vox populi' naar voren. Hoogstraten was trots op zijn roemrijk verleden en niemand kon zich verzoenen met de gedachte de aanblik van de toren te moeten missen. J. Lauwerys had, in het kielzog van E. Adriaensen en G. Segers, de historische en oudheidkundige waarde van de kerk herhaaldelijk aangetoond aan de hand van goed bestudeerde archiefstukken, waarover hij zich in de loop der jaren uitstekend had gedocumenteerd. Op andere plaatsen in ons land werden door oorlog vernielde kerkgebouwen vaak vervangen door moderne bouwwerken. In Hoogstraten is hieraan nooit gedacht. Immers, welk zou het lot zijn van de vele kunstwerken die uit de kerk konden worden gered? Wat moest men bijvoorbeeld doen met de glasramen, de koorgestoelten, de praalgraven enz. die hun historische band en omgeving zouden verliezen? Op 22 juni 1945 werd tot de wederopbouw van het op 30 mei 1936 beschermde monument besloten. Zoals hierboven geïllustreerd, was J. Lauwerys de bezieler van deze enorme onderneming. Zijn inspirerende en stimulerende kracht spoorde de architecten J.L. Stynen en P. Berger aan om zich met evenveel toewijding aan hun opdracht te geven. Gezien de uitvoeringstermijn en de wens om de financiële lasten te spreiden, werd geopteerd voor een driefasenplan. Vooreerst werd de kerk onder dak gebracht. Fase 2 voorzag in de afwerking van het kerkgebouw, het bouwen van gewelven, steunberen en luchtbogen en het uitvoeren van bepleisteringswerken. Fase 3 betrof de wederopbouw van de toren. Aannemer E.G. Verstraete uit Wilrijk nam de uitvoering van deze drie fasen op zich.
Opmetingsplan van de toren door J. Van Gastel, 1865 (foto PMA)
M&L 20
Bij de eerste twee fasen ondervond men weinig moeilijkheden omdat de exacte maten en verhoudingen konden worden afgeleid van hetgeen nog overeind stond. De nieuwe bakstenen werden conform de oude vervaardigd. Als blijvende herinnering werd een mozaïek met de profielen van al de gebruikte
met uitzondering van enkele roosteringen die in gewapend beton werden uitgevoerd. De torenwerken gingen van start op 1 juni 1953 en waren in de lente van 1958 voltooid. De kosten van wederopbouw en restauratie van de kerk bedroegen ca. 14.000.000 BF, de restauratie van de toren ca. 23.700.000 BF. Gelijktijdig met de wederopbouw maakte de firma Van Herck een aanvang met de restauratie van de beschadigde kunstvoorwerpen.
Oorlogsschade aan kerkgebouwen in de provincie Antwerpen tijdens de Tweede Wereldoorlog Naast de 16de-eeuwse gebouwen te Hoogstraten werden in de provincie Antwerpen nog talloze monumenten verwoest en beschadigd zowel tijdens de achttiendaagse veldtocht als door geallieerde bombardementen en door operaties van het Duitse leger.
De Sint-Catharinakerk en het Stadhuis vanuit het oosten, anno 1988 (foto PMA)
Zeer zwaar getroffen werd bijvoorbeeld de Sint-Pieterskerk te Berlaar, waar de vroeg-gotische toren van het driebeukig neo-Romaans-gotische gebouw (18741880), naar ontwerp van architect L. Blomme, in 1940 werd opgeblazen, en later naar het oorspronkelijk concept door architect F. De Groodt wederopgebouwd werd. De Sint-Lambertuskerk te Kessel uit de 14de en 15de eeuw kreeg het tijdens de Eerste Wereldoorlog hard te verduren. De zwaarste klap werd haar in 1940 toegediend, toen de 14de-eeuwse toren door het Belgische leger werd opgeblazen, waarbij ook het schip zwaar beschadigd raakte. De architecten Fr. Blockx en J. Heylen bogen zich met historische nauwkeurigheid over de restauratie van het kerkgebouw.
bakstenen in de zuiderkruisbeukgevel ingemetseld. Van de in totaal 6.540 m3 baksteen die nodig was, werd ongeveer vijftig procent uit het puin gerecupereerd. Verder verwerkte men 92 m3 eik en 400 m3 witte steen. Fase 1 en 2 werden op 15 april 1954 De schade aan de Sint-Michielskerk van Brecht bleef beëindigd. tijdens de Tweede Wereldoorlog beperkt tot het De reconstructie van de toren stelde heel wat meer westelijke gedeelte. Eerder al in 1575 en 1584 werd problemen. In situ werden het metselverband van de de kerk verwoest en in 1629 werd ze wederopgebakstenen en de hoogte van de lagen in de nog bouwd. Tijdens de restauratiewerken in 1948-1949 rechtstaande torenbasis nagegaan. De profielen in werden de authentieke materialen en vormen door de bak- en natuursteen aan plinten, deurportieken, pina- architecten Peeters en Vandekerkhove gerespecteerd. kels enz. werden nauwkeurig opgetekend, zelfs van stukken die door de ontploffing tot tweehonderd De Sint-Bartholomeuskerk van Merksem, die in 1616meter ver weggeslingerd waren. Verder werd er 1619 ingrijpend verbouwd werd en in 1833 en 1937gespeurd naar historische documenten en naar beeld- 1938 vergroot, werd op 20 december door een VImateriaal. Men kon beschikken over de plannen en bom totaal verwoest. Met de reconstructie werd op 8 dossiers van de provinciale bouwmeesters J. Van december 1947 door architect H. Huyghe gestart. Gastel en J. Schellekens en over de fotografische documentatie van het Koninklijk Instituut voor het Uit de 18de-eeuwse Onze-Lieve-Vrouwekerk te Kunstpatrimonium te Brussel. Door een gelukkig Essen konden in 1944 slechts enkele kunstwerken toeval kwam men in contact met de 'Bijhoudings- gered worden. Het gebouw zelf ging reddeloos verlodienst der Rijksdriehoeksmeting van Nederland' te ren. Een modern-gotisch bedehuis (1950-1952), naar Delft. De toren van Hoogstraten is namelijk één van ontwerp van architect G. Van Meel, neemt thans de drie hoofdpunten waarop het in kaart brengen van haar plaats in. Nederland gebaseerd is. De documentatie die deze dienst bereidwillig ter beschikking stelde, was verras- De Onze-Lieve-Vrouw-ter-Sneeuwkerk te Borgersend bruikbaar. Alzo was het mogelijk om de toren hout uit 1841, een vroeg voorbeeld van neogotiek als een getrouwe kopie uit zijn puin te laten verrijzen. naar ontwerp van provinciaal bouwmeester F. Berck-
21 M&L I
De in 1940 verwoeste toren van de Sint-Pieterskerk, te Berlaar (foto ACL, Brussel)
Dezelfde toren, na de wederopbouw (foto ACL, Brussel)
De neogotische Onze-Lieve-Vrouw-ter-Sneeuwkerk, te Borgerhout, werd in 1944 tot puin herleid (foto Provinciaal Museum Sterckshof)
De nieuwe, modern-romaanse kerk van Borgerhout, naar het ontwerp van J. Willems en J.L. Stynen (foto ACL, Brussel)
M&L 22
mans, werd op 2 november 1944 tot puin herleid. Ze werd in 1952 afgebroken en in 1954 vervangen door een modern-Romaans driebeukig bedehuis met byzantijnse trekjes, naar ontwerp van de architecten J. Willems en J.L. Stynen. In Baarle-Hertog werden tijdens de Tweede Wereldoorlog twee kerken vernield. De laat-gotische SintRemigiuskerk (1640) werd bij de bevrijding van de streek op 2 oktober 1944 door Poolse strijdkrachten zwaar beschadigd. Ze werd in 1950 wederopgebouwd in oorspronkelijke stijl onder leiding van architect J. Ritzen. De Sint-Rumolduskerk (1859-1860) van Zondereigen (Baarle), naar ontwerp van provinciaal bouwmeester J. Taeymans, werd in 1944 verwoest en in 1949 modern-gotisch wederopgebouwd en vergroot door architect Van Steenbergen. Aan deze lijst kunnen onnoemlijk veel voorbeelden worden toegevoegd: de Sint-Amelbergakerk te Zandhoven (beschadigd in 1914 en 1940), de Sint-Willibrorduskerk te Rijkevorsel (afgebrand in 1944), de Sint-Gertrudiskerk te Zandvliet (afgebrand in 1940),
de Sint-Pieter en Pauluskerk te Loenhout (vernield in 1940), de Sint-Leonarduskerk te Sint-Lenaarts (beschadigd in 1944), de Sint-Dimpnakerk te Geel (uitgebrand in 1944), de Sint-Lambertuskerk te Grobbendonk (vernield in 1940), de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Wuustwezel (zwaar beschadigd in 1941) en de Sint-Cordulakerk te Schoten, waarvan de toren en het schip in 1944 zwaar geteisterd werden... . In het algemeen kan men vaststellen dat in één op twee gevallen geopteerd werd voor een historische reconstructie van het bouwwerk. Van alle reconstructiepogingen is die van de Sint-Catharinakerk ongetwijfeld de meest gefundeerde en daardoor de meest geslaagde onderneming. Onder de bouwwerken die in een historiserende of moderne stijl werden wederopgebouwd bevinden er zich een aantal die getuigen van inzicht, creativiteit en inventiviteit. Dit aspect van de naoorlogse architectuur is echter nauwelijks bestudeerd. De vraag naar de plaats van deze religieuze bouwkunst in onze recente architectuurgeschiedenis blijft dan ook onbeantwoord.
Voetnoten (1) De Ceulaer R., De Sint-Catharinakerk te Hoogstraten (Inventaris van het Kunstpatrimonium van de Provincie Antwerpen, 2), onder de eindredactie van W. Aerts en R. De Ceulaer, Gent, 1988. In deze studie wordt onder meer een volledig overzicht geboden van bronnen en literatuur. Onderstaande lijst is voor onderhavig artikel als aanbevolen te beschouwen: — Adriaensen E. en Segers G., De collegiale kerk van de H. Katharina te Hoogstraeten, Hoogstraten, 1895. — Aerts W., Beschermd cultuurpatrimonium in de provincie Antwerpen. Arrondissement Turnhout, Wommelgem, 1987. — Donnet F., Provincie Antwerpen. Provinciaal Comiteit van Monumenten. Inventaris der kunstvoorwerpen in de openbare gestichten bewaard, 1, (= Bulletin van het Comiteit der briefwisselende Leden van de Koninklijke Commissie van Monumenten, V, Antwerpen, 1902, 24-38). — Ernalsteen L, De kerkenbouw in het Land van Hoogstraten 1420-1542, in Hoogstratens Oudheidkundige Kring, 32, 1964, 92-114. — Keldermans. Een architectonisch netwerk in de Nederlanden, Bergen op Zoom, 1987. — Lauwerys J., Gids voor Hoogstraten, z.p., uitgave 1931 en 1975.
— Lauwerys J., De kerk van Hoogstraten I (tot 1555), in Hoogstratens Oudheidkundige Kring, 28, 1960, 5-228. — Lauwerys J., Hoogstraten. Vrijheid en Heerlijkheid (XIIleXVIe eeuw), in Hoogstratens Oudheidkundige Kring, 31, 1963, 5-138. — Lauwerys J., Hoogstratens Oorlogsboek (1940-1945), in Hoogstratens Oudheidkundige Kring, 38, 1970, 5-218. — Provincie Antwerpen. Provinciaal Comiteit van Monumenten. Inventaris der kunstvoorwerpen in de openbare gestichten bewaard, 9, Antwerpen, 1926, 1408-1412. — Squilbeck J., Bouwkundige aanteekeningen over de SteCatharinakerk te Hoogstraten, in Hoogstratens Oudheidkundige Kring, 4, 1936, 357-367. — Stynen J.L., De restauratie en wederopbouw van Hoogstratens Kerk en Toren, in Hoogstratens Oudheidkundige Kring, 29, 1961, 115-134. — Stynen J.L., Eredeken J. Lauwerys en de wederopbouw van de St.-Katharinakerk en toren te Hoogstraten, in Liber Amicorum Jozef Lauwerys, Hoogstraten, 1976, 224-225. (2) Pierron S., in Le Peuple, 16-17 december 1944.
23 M& L
Van frivole putti en gotische apostelen. Conserveringswerken in het kasteel van Laarne
Marjan Buyle, B.M.L.
Tussen de opnames van André Delvaux' „l'CEuvre au Noir" door, werd eind 1987 in het kasteel van Laarne gestart met de conservering van twee zeer verschillende muurschilderingen: de 18de-eeuwse schouw schilderingen in het zomersalon en de 14de-eeuwse gotische muurschilderingen op de muren en de gewelven van de slotkapel (1). Vermits deze opdracht de materiële mogelijkheden van de conserveringsploeg van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen ietwat overschreed, werd besloten om in verschillende fasen te werken: het zomersalon werd afgewerkt en in de kapel werd de noordermuur met de twaalf apostelen behandeld. De drie overblijvende muren en de gewelven worden volgende winter aangepakt.
Het zomersalon Het 18de-eeuwse zomersalon is zo'n typisch produkt van een periode waarin het defensieve karakter van de oude slotburchten niet meer echt hoefde. Het salon opent uitnodigend zijn brede vensters, zowel in de buitenmuur als naar de binnenplaats toe.
De schouwversiering is opgevat als een triptiek: op het middenpaneel prijkt een enorme bloemenvaas, aan weerszijden geflankeerd door een putto met bloemenkorfjes in de hand. Op de achtergrond verschijnen tussen de heuvels vier torens, waarvan de drie grootste duidelijk herkenbaar zijn als de torens van Gent: Sint-Niklaas, Belfort en Sint-Baafs.
De 18de-eeuwse schouwschilderingen in het zomersalon van het kasteel van Laarne (foto G. Charlier) M&L 24
Op de zijluiken zijn geromantiseerde ruïnes geschilderd. Het onderste gedeelte van deze drie luiken is volledig verdwenen, wellicht door de installatie van een latere schouw. De verfschilfers werden met een verdunde acrylaatemulsie behandeld. Retouches werden uitgevoerd met pigmenten en paralloid in ethanol en diacetonalcohol. Aangezien bijna een derde van de picturale laag verloren was gegaan, werd dit een zeer tijdrovende bezigheid. Na onderzoek van de kaders en de rest van de schouwmantel bleek dat er oorspronkelijk een houtimitatie geschilderd was. Deze was echter te zwaar beschadigd en te fragmentair bewaard om voldoende gegevens te bieden voor een verantwoorde restauratie of reconstructie. Er werd dan ook geopteerd voor een monochrome kalkcaseïneverf in de oorspronkelijke tint van de houtimitatie. M. Goossens vermeldt in 1975 nog sporen van polychromie op de plafonds, die thans wit geschilderd zijn (2).
Detail na de fixering en vóór de retouchering (foto BML)
De slotkapel De slotkapel bevindt zich op de verhoogde 'gelijkvloerse' verdieping, in de vierkante donjon die nog deel uitmaakt van de oorspronkelijke 14de-eeuwse constructie. De donjon is geflankeerd door twee achthoekige torens en een traptoren. De kapel heeft een vierkant grondplan met een kruisribgewelf op verdwenen kraagstenen. Twee periodes hebben hun stempel gedrukt op het kapelinterieur: de gotiek met een oorspronkelijke, zuivere architectuur en de beschildering van alle bouwonderdelen, en de barok met verbouwingswerken.
Het salon na de restauratie (foto G. Charlier)
Tijdens deze aanpassing aan de veranderde stijl en smaak werd een groot, nieuw venster geopend in de noordermuur. Het marmeren barokaltaar werd geïn-
Het kasteel van Laarne met de donjon (foto G. Charlier)
De slotkapel na de conservering van de (foto G. Charlier)
noordermuur
stalleerd en de geometrische, marmeren vloer werd gelegd. De muurschilderingen verdwenen onder de witkalk; misschien werd in die periode ook het goudleer aangebracht, als een soort lambrizering tot op de hoogte van de kraagstenen. In oude publikaties is sprake van de verwijdering van dit goudleer in 1911, waarbij toen voor de eerste maal muurschilderingen werden vastgesteld.
Iconografie
klaar. Wellicht wordt aan de andere zijde het vervolg van het verhaal voorgesteld: met enige moeite herkennen we een rechtstaande figuur met geheven mes en een offeraltaar met een ram, die volgens het verhaal Isaacs plaats mocht innemen. Op de westermuur is de 'geboorte van Jezus' nog duidelijk aanwijsbaar. Maria ligt op het rustbed, de hand uitgestrekt naar Jezus in de kribbe. Boven zijn hoofd waken de os en de ezel. Links van deze scène tekent zich fragmentarisch een Jozeffiguur af.
Van bij de bouw werden het iconografische en het decoratieve schema voorzien en uitgevoerd. Ondanks de zeer talrijke en grote lacunes is er nog voldoende aanwezig om het schema theoretisch te reconstrueren (3), wat pas later zal gebeuren omdat verschillende muren en gewelfvelden nog niet systematisch vrijgelegd zijn. Wat thans zichtbaar is, zijn volgende herkenbare voorstellingen: twaalf hiëratische apostelfiguren op de noordermuur, die reeds behandeld werd. In hun lange gewaden en met hun traditioneel blote voeten zijn ze twee aan twee voorgesteld, elk met een boek en met hun persoonlijk attribuut. Bij het kappen van het grote barokke venster gingen de vier middelste apostelen teniet. De figuren zijn levensgroot en tekenen zich af tegen een monochroom rode achtergrond, die in de reinste gotische traditie met gele bloemschabloonmotieven werd verfraaid. We identificeren van links naar rechts: Philippus (kruislans), Mattheus (zwaard), Jacobus de Meerdere (pelgrimsstaf), Jacobus de Mindere (vollerstang), Simon (zaag), (Petrus, Thomas, Judas Thaddeus ?), Andreas (Andreaskruis), Mat- Links op deze muur wordt de identificatie moeilijker. thias (bijl), Johannes (kelk met vluchtende slang), Na fixering en reiniging wordt dit wellicht leesbaarBartolomeus (mes). Van een scène bovenaan moest der. We bemerken op dit moment enkel een stoet van het middengedeelte eveneens wijken voor het venster. personen. Bovenaan is de schildering nog niet volledig Links herkennen we een vrouwelijke heilige en rechts vrijgelegd. Mogelijk zal hier een 'God de Vader van de Heilige Catharina met het wiel als attribuut. het laatste Oordeel' verschijnen. De zuidermuur moet nog worden vrijgelegd maar zal alleszins zeer grote De aansluitende gewelfvelden vertonen links het lacunes vertonen. 'offer van Abraham'. Isaac wacht met middeleeuwse gelatenheid en het typische gebaar van de hand onder Achter het barokaltaar, op de oostmuur, staat een de kin, zijn dood af. Abraham staat met geheven mes figuur van zulke reusachtige afmetingen dat we wellicht met de Heilige Christoffel te maken hebben. Een gedeelte van de figuur gaat schuil achter het altaar, dat tegen de muur is gemetseld met bakstenen muurtjes. Het decoratieschema is voor die periode zeer traditioneel. Onderaan was er een typische gordijnschildering, een thema dat uit de oudste tijden van het christendom stamt en waarvan in de vroegste basilica's reeds voorbeelden aanwijsbaar zijn.. Boven de gordijnen zijn een aantal registers van wisselende hoogte geschilderd: rood, wit en geel. Hierop staat dan een golvende grond, met de apostelen afgetekend tegen de rode achtergrond. De gewelfribben zijn gekalkt en dan met okeren banden opgehoogd. De gewelfvelden hebben in het midden een grijze band op het hoogste punt, zodat de gewelven in twee werden opgedeeld om plaats te bieden voor twee voorstellingen.
Stijl De muurschilderingen moeten reeds in slechte staat geweest zijn vóór ze werden overkalkt. Dit laat vermoeden dat ze zeer lang (tot in de 17de eeuw?) zichtbaar gebleven zijn. De verflaag is afgesleten, er zijn talloze grote en kleine lacunes en de meeste details van de lijnvoering zijn verdwenen. Verregaande stilistische gevolgtrekkingen worden dan uiteraard onmogelijk. Deze gotische muurschilderingen zijn één met de architectuur. Ze doorbreken de muur niet met perspectieven, maar bevestigen daarentegen de bouwonderdelen in hun eigenheid: de muren als verticale dragers en de gewelven als afdekking van de ruimte. Het achterwege laten van een realistische ruimtesituering, de abstracte achtergrond met gele schabloonmotieven, de grote langgerekte figuren in heupstand en het palet met aardekleuren verwijzen zonder twijfel naar gelijkaardige 14de-eeuwse voorbeelden. De schilderingen in Laarne zijn verwant met de grote figuren van Christoffel en Sint-Jan de Doper en met de apostelen van het laatste Avondmaal in de Bijlokerefter te Gent (ca. 1330) (4). Het kleurenpalet is echter wel eenvoudiger: er zijn groenen noch blauwen. De polychrome decoratie van de refter in de
Bijloke werd weliswaar volledig herschilderd naar belangrijke overblijfselen, die bij de restauratie van 1924 teruggevonden werden. Ook hier komt een rode achtergrond met schabloonmotieven en onderaan een gordijnschildering voor. Volgens de heer M. Savko, die de jongste restauratie in de jaren zeventig leidde, werden deze muurschilderingen bijgewerkt in de 16de eeuw. Hij veronderstelt tevens dat de rode achtergrond pas dan aangebracht zou zijn, terwijl de oorspronkelijke fond wit zou zijn geweest (5). De bijna totaal vernielde muurschilderingen uit de refter van het voormalige dominicanerklooster te Gent, dateren uit het derde kwart van de 14de eeuw. Ook hier was de achtergrond van de schilderingen donker baksteenrood (6). De figuren in Laarne vertonen eveneens gelijkenis met de zogenaamde Heilige Lodewijk uit het midden van de 14de eeuw in de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Brugge. Bij dit personage is de detaillering wel beter bewaard gebleven. De sierlijke heupstand is typisch voor deze periode, waarin men duidelijk op Franse voorbeelden geïnspireerd was. In onze 14de-eeuwse muurschilderkunst verwijzen slechts weinig elementen reeds naar het prachtige koloriet en de realistische ruimtewerking van onze zo geroemde 15de eeuw.
De noordermuur na het opvullen van de lacunes (foto BML) 27 M&L
Techniek De drager bestaat uit nogal slordig gekapte Balegemse steen. De voegen werden ingevuld met kalkmortel; de grootste oneffenheden werden weggewerkt. De pleisterlaag is van wisselende dikte en volgt organisch het onregelmatig verloop van de muur. Het oppervlak werd niet geëffend met het strijkbord (dit treffen we pas aan op het einde van de 15de eeuw). De pleisterlaag is enkel met de borstel geëgaliseerd. Deze laag, samengesteld uit kalk en zand, is op sommige plaatsen afgekapt, afgebrokkeld of verdwenen. Op andere plaatsen zijn onhandige herstellingen uitgevoerd met inadequaat materiaal: zavelmortel, cement, gips,... . Hierboven werd, als ondergrond voor de muurschildering, een dun laagje kalk uitgestreken. Op de gewelfribben ontbreekt de eigenlijke pleisterlaag: enkel de voegen werden platgestreken en het geheel verdween onder een laagje kalk, dat met de borstel werd aangebracht. De verflaag zelf is zeer dun. Het bindmiddel (lijm?) is haast volledig vergaan en de tempera-schildering is zwaar verpulverd. De apostelfiguren zijn uitgespaard in de rode achtergrond. De bovenste figuren daarentegen zijn op deze achtergrond geschilderd, waardoor ze zich minder duidelijk aftekenen en moeilijker leesbaar zijn.
Materiële toestand Problemen rezen op elk niveau van de schildering: de drager, de pleisterlaag, de verflaag. Op het niveau van de drager noteren we grote verticale barsten (het gevolg van een aardbeving op het
einde van de 17de eeuw?), verzakkingen, een precaire toestand van de bakstenen gewelven en latere verbouwingen (deur- en vensteropeningen). Enkel de twee spitsboogvensters, de drie smalle verticale openingen, de nis achter het altaar en een deuropening in de zuidermuur lijken oorspronkelijk. De drager is ruw afgewerkt en de voegmortel is verzand. De pleisterlaag is van mindere kwaliteit, wegens een zeer hoog gehalte aan zand. De menging is niet zeer zorgvuldig gebeurd, te oordelen naar de zichtbare zand- en kalkklonters. De verflaag, ten slotte, is weinig resistent. De fragiliteit ervan is nog verhoogd doordat in verschillende lagen is geschilderd: eerst het silhouet, daarna de detaillijnen van gezichten, plooien, handen en voeten. Veel van deze detaillering is verloren gegaan, deels door het vrijleggen, deels door de reeds erg versleten toestand van de schildering vóór het witkalken.
De conservering Na een uitgebreid voorafgaand onderzoek werden de voorstellingen verder vrijgelegd. De oorspronkelijke schildering was bedekt met een tiental kalklagen. Loszittende stukken pleisterwerk werden gehecht met verdunde polyvinylacetaat. De verpoederde verflaag werd gefixeerd met een erg verdunde acrylaatemulsie (primal in water en ethylalcohol). Pas dan kon worden overgegaan tot het verwijderen van gipsvullingen van de vorige restauratie in de jaren zestig. Deze lacunes werden opgevuld met kalkmortel. Voor diepe leemtes werd in verschillende lagen gewerkt: een eerste laag met grof zand en minder kalk, een tweede laag met fijn zand en kalk (in de verhouding 2/1) en een afwerkingslaagje van gepigmenteerde kalk (siena en gebrande omber), met de borstel uitgestreken. De pleisterlaag rond de vensteropeningen werd hersteld en plaatselijk vervangen. Op de plaatsen waar de pleister vroeger was afgekapt, werd deze terug aangebracht in verschillende lagen, zoals hoger beschreven. De verflaag werd gereinigd met water en ethanol en plaatselijk met xyleen. De retouchering werd uitgevoerd met aquarel. Voor grote lacunes (meer dan 1 cm2) werd de tratteggiotechniek aangewend. Het retoucheren was veruit het moeilijkste onderdeel van de behandeling, omdat de lacunes zich moesten inpassen in een zeer heterogene achtergrond. Volgende winter zal de westermuur worden aangepakt, waarop nu enkel 'de geboorte van Jezus' goed leesbaar is. De werken zullen nog over enkele jaren gespreid worden, maar een volledig en niet geretoucheerd ensemble uit deze periode is in ons land zo uniek dat de grootste zorg en inspanning verantwoord zijn.
De vier apostelen rechts, vóór de retouchering (foto BML)
• •
M&L 28
Zicht op de gerestaureerde noordermuur
(foto G. Charlier)
Voetnoten (1) Het kasteel van Laarne behoort sinds 1962 toe aan de Koninklijke Vereniging der Historische Woonsteden van België en is alle dagen, behalve op maandag, voor het publiek toegankelijk (jaarlijkse sluiting in januari). Over de bouwgeschiedenis: A. Heins, Le manoir féodal de Laarne, Gent, (1905). E. Dhanens, Laarne, in Kastelen van België, 1961, p. 140-144. Oudheidkundige Inventaris van Oost-Vlaanderen, dl. V, Gent, 1911, p . 12-16. H. Van Liefferinge, Laarne, in Burchten en Hoevekastelen, Brussel, 1976, p . 162-164. Wij danken de heer en mevrouw P. de Pessemier voor hun daadwerkelijke hulp, de heer E. Schepens voor de talrijke gegevens uit de archieven en publikaties, de heer en mevrouw Van den Broecke voor hun vriendelijke belangstelling, de D.A.C.-ploeg voor de hulp en Anita voor het geduldig uitwissen van onze kalksporen... . De werken werden aangevat in het zomersalon in november 1987 en beëindigd in de slotkapel in april 1988. Ze werden uitgevoerd door Marjan Buyle, Els Jacobs en Philippe Schur-
mans van de conserveringsploeg van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen. (2) M. Goossens, Catalogus middeleeuwse muurschilderingen, in Gent. Duizend jaar Kunst en Cultuur, Gent, 1975, p. 62. (3) Over de muurschilderingen: M. Goossens, op. cit., p. 59-62. R. Van Elslande, De gotische muurschilderingen in de kapel, in Castellum, jg. 1, 1, nr. 3, 1984. In oudere publikaties, onder andere die van J. Philippe, werd nog geen melding gemaakt van deze schilderingen, omdat ze pas in 1963 door de heer Seghers werden vrijgelegd. Deze vrijlegging gebeurde zeer plaatselijk en onvolledig. De gevonden voorstellingen werden niet gefixeerd, maar wel met een rode saus overschilderd. (4) J. Philippe, La peinture murale du XlVe siècle en Belgique, in Extrait des Annales de la Federation archéologique et historique de Belgique, (35e Congres, Kortrijk, 1953), Kortrijk, 1955, p. 356-361. (5) M. Savko, in Bulletin van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, XVII, 1978-'79, p. 207. (6) J. Philippe, op. cit., p. 361-362. M. Goossens, op. cit., p. 53-58. 29 M & L
Twee lindebomen met een markante vorm
Arthur De Haeck, B.M.L.
„Eens beval Karel de Groote dat in elk dorp vóór elke kerk een lindeboom zou geplant worden, tot bezwering van de slechte geesten... en zou het omwille van Karel de Groote zijn dat hedendaags nog vele dorpspleinen met een eeuwenoude linden prijken?" (1) Op de markt van Retie en Westerlo staan zulke eeuwenoude linden. Door leiden, aanbinden, knotten, snoeien en stutten werden zij tot etagebomen gevormd. De linde te Retie werd in 1987-'88 gesaneerd met een financiële tussenkomst van de Dienst Groen, Waters en Bossen (A.R.O.L.); de sanering van de linde van Westerlo, eveneens in 1987-'88, werd gesubsidieerd door het Bestuur voor Monumenten en Landschappen (A.R.O.L.). Beide bomen werden volgens de nieuwste inzichten inzake boomverzorging behandeld.
Joan Blaeu, Toonneel der Steden, Amsterdam, 1649. Vogelperspec- Nicotaas De Bruyn, Tuinfeest in een kasteelpark, I7de eeuw. Detail van de als 'danslinde' ingerichte etagelinde (foto: Stedelijk Prententief (detail) van 'de plaetse' van 'Westoultre' met vormbomen Boven: Westerlo, detail van het gereconstrueerde gietijzeren staketsel kabinet Antwerpen) (foto BML) • H i
M&L 30
De linde als cultuurboom In de mythologie is de linde gewijd aan de Germaanse Freya, godin van de liefde en de vruchtbaarheid, en aan de Griekse Philyra. J. Copijn vermeldt, echter zonder bronvermelding, „dat sinds de Keltische tijd de linde een cultuurboom is. Dat wil zeggen dat hij bewust in de menselijke omgeving wordt aangeplant, bij het huis ter bescherming van de bewoners, maar vooral als centrum van de gemeenschap"{2). Dezelfde auteur citeert verder nog: „die dorpslinde was dan vaak een etagelinde (Duits: Stufenlinde), in drie etages gesnoeid om het wereldbeeld van de mens te weerspiegelen. In de bovenste etage wonen de goden, in de middelste de wereldlijke overheden, en de onderste belichaamt de gewone mensen. De takken als geheel omvatten het firmament, de wortels het aardelichaam, de stam is het centrum van het leven" (3). Lang na de kerstening van onze gewesten bleef de bomencultus bewaard. „In de tooverij-geschiedenissen ontbreekt de linde niet: met lindebast op de borst gebonden, kon men in de Sint Jansnacht de rondzwervende heksen afzweren; de runderen kregen een band van lindebast rond de hoornen en waren dan beschermd. Een huis omgeven met lindeboomen was veilig tegen alle heksen"{A). Tal van heidense rituelen worden nog teruggevonden in de folklore. Goblet d'Alviella maakt melding van fetisjbomen, die in het begin van de 20ste eeuw nog in Henegouwen werden vereerd: aan de voet van de boom werd gebeden en aan de stam werden ex-voto's opgehangen als dank voor bekomen genezing (5). Het opkomende christendom heeft deze praktijken bestreden en, waar mogelijk, diep ingewortelde handelingen een christelijk karakter gegeven.
Retie, de linde vóór de restauratie (foto BML) Boven: Westerlo, de marktlinde vóór de restauratie. Meer dan de helft van de gietijzeren kolommen was met de jaren vervangen door 'voorlopige' stutten (foto BML)
schappelijke naam is 'Koningslinde' (8). Determinerend kenmerk voor de Tilia x vulgaris cv. Koningslinde is dat de knoppen en de twijgen vooral in de nazomer en tijdens de winter roodachtig verkleuren (9). Botanisch gezien is de Hollandse linde een kruising tussen de Grootbladige of Zomerlinde (Tilia platyphyllos Scop.) en de Kleinbladige of Winterlinde (Tilia cordata Mill.). Zij zijn alle inheems, maar weinig verspreid in de natuur. In bossen zijn ze zeldzaam, meestal voorkomend als hakhout (10).
Lindehout is eerder marginaal, tenminste in vergelijking met soorten als eik en beuk. Linden wordt gebruikt voor het vervaardigen van speelgoed, tekenplanken, gietmodellen, lijsten, draaiwerk, houtsnijen beeldhouwwerk en graveerwerk. Het hout is licht, fijn, zacht en homogeen (6). De bast van jonge lindetwijgen werd vroeger als grondstof gebruikt voor het maken van touw. Van de snoeilinde werd het snoeihout aangewend voor bakovens en als vlechthout (7). Een infuus van de bloemen wordt in de artsenij gebruikt als zweetmiddel bij verkoudheden, en de De linde van Retie bloemen geven een aantrekkelijke bijenhoning. De linde komt vaak voor bij boerderijen, op kruispunten van wegen en langs dreven, bij kapellen en op „Item 12 februari ontfangen van de uytvaert ende pleinen. Hij werd er aangeplant bij heuglijke gebeurte- begrafenis van Syken onder de linde, in de kercke, viij nissen zoals huwelijken en geboorten. Hij behoedt voor st. (8 stuivers)" (11). rampspoed en verdedigt onschuldig veroordeelden. Het citaat uit de kerkmeestersrekening van 1652 is de oudst bekende vermelding van de lindeboom. Dat Dendrologische aspecten deze linde in het verleden een belangrijk element vormde in het maatschappelijk leven, blijkt uit meerdere archiefstukken, hoewel geschreven bronnen die De lindebomen van Retie en Westerlo zijn een cul- over een boom handelen op zich een uitzondering tuurvariëteit van de Hollandse linde (Tilia x vulgaris zijn. Sneyers sluit niet uit dat de boom geplant werd Hayne). In de handel wordt deze cultuurvariëteit in 1332, toen Retie afgescheiden werd van Geel en vaak als 'Pallida' aangeboden, maar de juiste weten- een zelfstandige heerlijkheid werd.
31 M&L I
Retie, de linde na de restauratie. De hakconstructie rond de stam werd vergroot ten behoeve van de beworteling. Hij doet tevens dienst als zitbank. Onder de klinkerverharding is een beluchtingssysteem aangebracht (foto BML)
Dat het hier om een gerechtslinde gaat, is vrijwel zeker. Elk jaar in januari werd onder de boom het jaargeding gehouden. De schepenbank beraadslaagde vooral over boerenbelangen, allerlei klachten, nieuwe keuren en wetsbepalingen. In de bewaarde dorpsrekeningen is om de twee jaar een bedrag voor het scheren en leiden van de linde opgenomen. In 1683 wordt Govaert Meeus door de schepenen vergoed voor het leveren van 26 potten bier en 32 schoven stro aan de Hollandse wacht die onder de boom legerde. Zeker vanaf 1727 tot het begin van de 20ste eeuw werd onder de boom botermarkt gehouden. Sneyers stelt verder dat de boom tot het begin van de 19de eeuw nog drie etages had. In 1849 werd het voor de aanleg van de provinciale weg Turnhout-Mol hinderlijke deel van de boomkruin verwijderd. O p 28 juni 1891 besliste de Retiese gemeenteraad het staketsel, dat aangebracht was ter ondersteuning van de horizontale takken, te vervangen door een gietijzeren. Secretaris Remi Willekens bracht op volgende wijze verslag uit van de beslissing: „De Heer Voorzitter brengt den Raad ter kennis dat de houten onderschraging van de aiouden en vermaarden lindenboom welke de marktplein versiert, gansch versleten is en dat er middelen dienen beraamd te worden voor de vernieuwing dezer onderschraging. Waarop de Raad : Overwegende dat deze boom eeuwenoud zijnde, een waar monumentaal karakter heeft, dat hij in de gemeente opgegroeid, ontwikkeld en oud geworden, met de naam 'oudsten burger' bestempeld wordt, dat hij diensvolgens in eere moet worden gehouden; Overwegend dat buiten het monumentaal karakter dat den boom heeft, er onder de schaduwe zijner uitgespreide takken eene wekelijksche botermarkt wordt gehouden; gezien het plan voorgelegd door de Heer Janssens, constructeur te Turnhout, welke zich, mits de som van 650 fr. verbindt eene ijzere onderschraging onder den boom te stellen, ter uitzondering van het metselwerk geschat op 50 fr. zoodat de totale onkosten slechts 700 fr. zouden belopen; M&L 32
Overwegende dat de Pronvinciale Raad in zitting van 21 juli 1871 een subsidie van 1000 fr. verleend heeft voor de onderschraging van den boom van Westerloo welke veel minder oud schijnt te zijn dan die van Rethy; Besluit met eenparige stemmen, 1 de Heer Janssens, constructeur te Turnhout, aan te stellen eene ijzere onderschraging onder den ouden lindenboom te plaatsen, volgens plan en prijs door hem voorgesteld; 2 zich tot de Provincie te wenden zooals bij deze geschiedt, ten einde voor het dekken der kosten eene subsidie te willen verleenen evenals zij gedaan heeft voor den boom van Westerloo, met het verschil nochtans dat deze subsidie geen 1000 fr. moet bedragen zooals voor Westerloo, maar dat de tusschenkomst der provincie zich op 220 fr. zouden kunnen beperken; 3 dat er hoogdringendheid bestaat en daar de conditien door den Heer Janssens gesteld uiterst voordelig zijn, dit werk aan den heer Janssens uit ter hand aan te besteden, ten einde alle vertraag in het werk te voorkomen en den oudsten burger niet te laten nederstorten. Aldus gedaan in zitting van den Raad, als boven" (12). D e wettelijke bescherming als landschap van de linde dateert van 19 februari 1951. De linde is eerder bescheiden van vorm; hij heeft een korte, dikke stam met een schotelvormige etage. D e stambasis is omgeven door metselwerk. De gehele etage werd ondersteund door een metalen staketsel bestaande uit I-profielen die onderling verbonden waren door horizontale soortgelijke profielen. In 1978 besliste het gemeentebestuur een dossier voor de sanering van de linde en het staketsel te laten samenstellen. Na negen jaar sleutelen werd het definitieve ontwerp goedgekeurd. De raming bedroeg 1.367.636,-fr.. De laagst biedende aannemer schreef op de aanbesteding in voor 1.515.004,-fr.. Op 29 februari 1988 gingen de werken van start, en op 5 april 1988 vond de voorlopige oplevering plaats. Een financiële tussenkomst werd hier verstrekt door de Dienst Groen, Waters en Bossen, daar de bescherming als landschap geen mogelijkheid biedt tot subsidiëring vanwege het Bestuur voor Monumenten en Landschappen.
Metingen van 1983 stamomtrek: 1.30 m boven metselwerk: 3.92 m 1.50 m boven maaiveld: 3.80 m hoogte onderkant kruin: 2.40 m totale hoogte boom: 4.20 m kroonbreedte: N-Z richting: 15.80 m O-W richting: 11.20 m hoogte metselwerk: 0.60 m.
r
r
M &/l BOA)N'BA)ICRAN Z
Inhoud nr. 36 / Bijlage bij M&L 7/4 - Juli-Augustus 1988
ATIE
(foto P. Van den Broeck) Het huis "De Spiegel' aan de Oude Beurs nr. 16 te Antwerpen kwam tot stand in 1589 door de splitsing van een gebouwencomplex dat zich uitstrekte tussen de Grote Markt en de toenmalige Bullinckstraat, thans Oude Beurs. Het bestaat uit vier vleugels rond een binnenkoer. Alleen de huistoren (pagaddertoren) liet nog iets van de eerbiedwaardige ouderdom van het geheel vermoeden. De vier vleugels waren in de loop der tijden — en vooral in de 19de eeuw — grondig verbouwd, dermate zelfs dat van de oorspronkelijke ordonnantie achter de cementbepleistering niets meer zichtbaar was.
(foto Stad Antwerper , 1972)
^
•
•
K
v^a %V
I f il\
m T "~u
mil iiKyl
HV* ÜÜIM
Toen in 1976 het voornemen ontstond tot restauratie van de toren, werden steekproeven uitgevoerd op de gevels van de binnenkoer. Op twee van de vier gevels kwamen laat-gotische raamomlijstingen aan het licht die ten dele bewaard waren. De twee overige gevels bleken van recentere datum en hadden geen bijzondere karakteristieken. Binnen de geplande renovatie van het bouwblok waarin het huis De Spieghel zich bevindt werd toen besloten de vleugels palende aan de Oude Beurs en de Wisselstraat af te breken en te vervangen door een nieuwbouw waarvan de ordonnantie die van de te slopen vleugels zou overnemen. De twee overige vleugels, waarin zich de gotische elementen bevonden en de huistoren zouden reconstruerend worden gerestaureerd. Hierbij werden de aanwezige onderdelen getrouw bewaard en volgens de aanduiding der gevonden verbouwingssporen aangevuld met nieuwe delen volgens de originele vormgeving. Vergelijking met de raamomlijsting en de opbouw van de gevels van het klooster van Sint-Paulus, waar dezelfde details terug te vinden zijn, leverde vormgeving en maatvoering van een aantal onbrekende details zoals de raammonelen, kroonlijsten en dergelijke. Tijdens de uitvoering van de nieuwbouw aan de Wisselstraat en de Oude Beurs in 1981 deed zich een verzakking voor aan de pagaddertoren. Dankzij het aanbrengen van de nodige onderschoringen kon de toren overeind blijven. Met de eigenlijke
M&L BINNENKRANT
restauratiewerken werd uiteindelijk pas in 1986 gestart. De binnenkoer werd met 70 cm uitgegraven om tot het oorspronkelijk niveau te komen. Hierbij lówamen nog een aantal originele details aan het licht die het mogelijk maakten het ontwerp enigzins bij te sturen. De restauratie is thans voltooid. Meteen kregen we opnieuw één van de merkwaardigste, laatgotische gevels in de Antwerpse binnenstad terug en is de huistoren — één van de weinige nog resterende exemplaren — opnieuw een bezienswaardige bezienswaardigheid.
(foto BML)
Heropening van de Egyptische Tempel in de Antwerpse dierentuin. Na jaren van intensief onderzoek en werk werd op 29 april 1988 de restauratie van de Egyptische Tempel in de Antwerpse zoo beëindigd. Dit unieke gebouw, één van de laatste getuigen van de 19de-eeuwse egyptomanie, werd plechtig heropend in het bijzijn van zijne Koninklijke Hoogheid prins Filip, en vele andere hoogwaardigheidbekleders. In zijn toespraak onderstreepte de heer R. Delia Faille, voorzitter van de Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde van Antwerpen, de blijvende interesse van het vorstenhuis voor de Antwerpse dierentuin sinds de inhuldiging van de tempel door koning Leopold I. De burgemeester, de heer B. Cools, betreurde dat de Zoo er niet in geslaagd was haar twee grote bezienswaardigheden tegelijk aan het publiek te kunnen laten zien, nu de alomgekende gorilla Gust overleden was. Hij benadrukte verder het uitzonderlijk architecturale kader waarin de dierentuin tot stand kwam: de architectuur van de paviljoenen in de zoo, maar tevens het Centraal Station en de art nouveau feestzaal. Gemeenschapsminister van Cultuur, de heer P. Dewael beklemtoonde dat de lange tijd tussen het vooronderzoek en het definitieve uitvoeringsdossier — bijna twee jaar — het belang illustreerde dat de Vlaamse Gemeenschap aan deze restauratie van de Egyptische Tempel hechtte, vooraleer hij het gebouw, met goedvinden van de Prins, officieel voor open verklaarde. De tempel, gebouwd in 1856 naar een ontwerp van architect Charles Servais, was in de zoo lange tijd het enige gebouw voor grote dieren. Thans biedt hij onderdak aan Indische olifanten, Nubische netgiraffen, struisvogels en Arabische onyxen. In zijn geschiedenis heeft hij herhaaldelijk restauraties moeten ondergaan, waarbij veel van zijn authenticiteit verloren ging. De intense samenwerking van de opdrachtgever, de architecten, het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium en het Bestuur voor Monumenten en Landschappen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, maakte een grondige, kunsthistorisch verantwoorde restauratie mogelijk, met als basisconcept: het gebouw van de toevoegingen te ontdoen en nieuwe elementen bij te voegen alleen waar ze functioneel noodzakelijk zijn.
ffofo K.M.D.A.)
Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen. Wijziging van de samenstelling. Bij besluit van de Vlaamse Executieve van 4 mei 1988 wordt aan de heer A. Janssens de Bisthoven (Brugge) eervol ontslag verleend als ondervoorzitter van de tweede afdeling van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen. Hij wordt gemachtigd de titel te voeren van 'ere-ondervoorzitter van de Ko-
M&L BINNENKRANT
ninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen'. Bij hetzelfde besluit wordt de heer F. Baudouin, Lange Herentalsestraat 30, te 2018 Antwerpen, lid van de tweede afdeling, benoemd tot ondervoorzitter van de tweede afdeling van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen.
TENTOONSTELLINGEN Tentoonstellingen in Limburg.
Gent in weelde herboren. Wereldtentoonstelling 1913.
De Frankische kolonisatie
Vijfenzeventig jaar geleden organiseerde de stad Gent haar Wereldtentoonstelling. Thans wou het Gentse Stadsbestuur deze unieke gebeurtenis herdenken met een retrospectieve tentoonstelling. Een tentoonstelling over een tentoonsteling dus.
18 november -19 februari 1989 Na belangrijke ontdekkingen van bewoningsresten van Germaanse inwijkelingen tijdens archeologische opgravingscampagnes in Neerharen, Reken en Donk, wordt de geschiedenis van de Frankische kolonisatie opnieuw geëvalueerd en vervolledigd. Provinciaal Gallo-Romeins Museum Kielenstraat 15, 3700 Tongeren, ® 012/23.39.14. van 9-12 en 14 tot 17 gesloten op zondagochtend en maandag.
Koffertentoonstellingen Deze tentoonstellingen zijn zó opgebouwd dat ze gemakkelijk kunnen worden opgesteld op andere plaatsen. Ze kunnen worden ontleend op de betrokken diensten. - Provinciaal Museum voor Religieuze Kunst Begijnhof 59 3800 Sint-Truiden S 011/68.85.79 Het Sacraal Metaal De Grafmonumenten: monumenten van eeuwigheid Muurschilderingen in Limburgse Kerken en Abdijen. - Provinciaal Museum voor Industrieel Erfgoed Begijnhof 59 3800 Sint-Truiden S 011/68.54.37 Steenkool in Limburg - Provinciaal Gallo-Romeins museum Kielenstraat 15 3700 Tongeren S 012/23.39.14 Met de Romeinen aan tafel.
4
De Wereldexpo van 1913 was de grootste manifestatie die ooit in Gent plaatsvond. Vijf jaar lang werd intens aan de voorbereiding ervan gewerkt, honderdtwintig hectaren werden volgebouwd met paleizen en paviljoenen, meer dan dertig landen waren vertegenwoordigd, honderdduizenden zoniet miljoenen bezoekers stroomden toe in een volksfeest dat zes maanden duurde en gepaard ging met tal van begeleidende activiteiten die alle facetten van het maatschappelijke leven stimuleerden. De Gentse expo was echter geen alleenstaand gebeuren; veeleer was ze de bekroning van een jarenlange drukke activiteit die de hele stad wijzigde. Meest opvallend was de ingrijpende renovatie van de binnenstad: de 'kuip'. Hand in hand daarmee verliep de historiserende restauratie van een hele rits monumenten — Belfort, Lakenhalle, Gravensteen, Graslei, Geraard Duivelsteen — en de inpassing van verleden-gerichte nieuwbouw zoals de Koninklijke Nederlandse Schouwburg, het groot Postgebouw en het Sint-Pietersstation. Daarenboven groeiden na 1913 op de expo-terreinen nieuwe wijken: SintPieters-Aalst en het Miljoenenkwartier. Men kan bijgevolg stellen dat de wereldtentoonstelling ingrijpende en blijvende gevolgen had die het huidige stadsbeeld mede bepalen. De expo was in oorsprong een privéinitiatief, uitgaande van de industriële elite van de stad — met de figuren als Gustave Carels en Gerard Cooreman — die voor de realisatie ervan ijverde en de overheden kon overtuigen eraan deel te nemen. Eens de beslissing door de stedelijke en nationale overheid goedgekeurd, ontplooide zich een nooit geziene samenwerking. Alle creatieve elementen droegen hun steentje bij, de kapitaalkrachtigen werden aandeelhouder van de expo-NV, het stadsbestuur
I M&L BINNENKRANT
trok een slordige tien miljoen uit, vooral bestemd voor de verfraaiingsen infrastructuurwerken, en de banken leverden de nodige kredieten. Alle inspanningen dienden een doel dat duidelijk hoger lag dan de tijdelijke expositie: handel en industrie moesten een extra elan krijgen. Deze mooie droom werd spijtig genoeg één jaar later door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog teniet gedaan. Gent slaagde er slechts op de valreep in haar Wereldtentoonstelling te houden. Bovendien sloot de Gentse expo de reeks af van de 19deeeuwse World's Fairs die uit de industriële revolutie waren geboren. In de herdenkingstentoonstelling wordt de activiteit van de aan de expo voorafgaande jaren en haar betekenis voor de stadsontwikkeling belicht: de ingrijpende renovatie van de binnenstad, de zorg voor het historisch erfgoed en de figuur van burgemeester Emile Braun, groot gangmaker zowel van de stadswerken als van de expo. Vervolgens gaat alle aandacht naar de Wereldtentoonstelling zelf. Planning, financiering, organisatie, constructie, opening en sluiting worden achtereenvolgens geëvoceerd aan de hand van authentiek materiaal afkomstig uit openbare instellingen en tal van privé-verzamelingen. Dit materiaal biedt, net als de expo van 1913, een erg bonte verscheidenheid: fraaie affiches, talloze prentkaarten, foto's en memorabilia allerhande, originele plannen en ontwerpen, met op de eerste plaats de nooit eerder getoonde ontwerpen van expo-architect Oscar Van de Voorde (uit de verzameling van de Centrale Bibliotheek, Rijksuniversiteit, Gent). Speciaal te vermelden zijn verder nog enkele meubelen ontworpen door Frank Brangwyn voor Groot-Brittannië (uit het Brangwyn Museum, Brugge), een maquette van de Duitse kunstnijverheidszaal door de Nederlandse architect Lauweriks (uit het Karl-Emst Osthaus Museum, Hagen, Bundesrepublik Deutschland), een selectie uit de houtskoolschetsen voor het Panorama van Congo (uit het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, Tervuren), een evocatie van de Sint-Jorisgilde in Oud-Vlaanderen (uit het Museum van de Sint-Jorisgilde, Gent) en, voor de filatelisten, een uitzonderlijke verzameling van tijdens de expo verstuurde luchtpost, toen nog een zeldzame manier van postbestelling. Aan de hand van archiefmateriaal wordt duidelijk aangetoond dat de sterke beweging voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit die deze periode kenmerkte, ook haar weerslag had op de wereldtentoonstelling die er evenmin aan ontsnapte en overschaduwd werd door allerlei taaiacties.
Het hele verhaal wordt in een rijk geïllustreerde catalogus (300 foto's) in een meer blijvende vorm voorgesteld. De tentoonstelling werd voorbereid door het Stadsarchief en werd gerealiseerd in samenwerking met het Centrum voor Kunst en Cultuur.
LITERATUUR
Publikatie: catalogus: 500,-fr..
Stenen herleven. 111 jaar kunstig restaureren in Brugge. 111 jaar gelegen reikte de Stad Brugge, als eerste in het land, subsidies uit voor het restaureren van huisgevels. Naar aanleiding van deze gebeurtenis heeft de Stad Brugge Dienst voor Monumentenzorg en Stadsvernieuwing, een tentoonstelling en een publikatie gebracht met als titel Stenen herleven. 111 jaar kunstig restaureren in Brugge. In 1877 vroeg de eigenaar van het woonhuis Jan van Eyckplein 8 als eerste een restauratiesubsidie aan. Na enige discussie stemde het College van Burgemeester en Schepenen toe en de voorgevel werd onder leiding van stadsarchitect Louis Delacenserie 'kunstig hersteld'. Sindsdien hebben ruim 500 eigenaars dit voorbeeld gevolgd. Protagonisten van deze merkwaardige restauratiebeweging worden in de publikatie op boeiende wijze beschreven en toegelicht.
De polemieken en pleidooien illustreren de heersende opvattingen, die tot op vandaag doorleven. De auteurs beperken zich niet tot een oppervlakkige weergave van de feiten, maar dringen door tot de sociaal-economische achtergrond van de tijdsgeest. Ook de belangrijke rol van de opkomst van het toerisme in dit hele gebeuren wordt benadrukt. Bovendien kan de lezer de evolutie van de restauratiefilosofie stap voor stap volgen in uitgebreide beschrijvingen van gevelherstellingen en boeiende biografieën van architecten. Aan de hand van deze restauratieproblematiek herleeft een recente brok Brugse geschiedenis. De Dienst voor Monumentenzorg en Stadsvernieuwing van de Stad Brugge telt architecten, kunsthistorici en historici onder haar medewerkers. De auteurs van de publikatie 'Stenen herleven, 111 jaar kunstig restaureren in Brugge' zijn Brigitte Beemaert (1951), Frederika Ducheyne ( 1964), Jean Pierre Esther ( 1945), Sibylla Goegebuer ( 1964), Patrick Ronse ( 1962) en Marleen Struye ( 1950). De teksten zijn opgesteld onder leiding van ir. arch. Luc Constandt, Hoofd van de Dienst ( 1947). Het boek verscheen bij uitgeverij M. Van de Wiele. De prijs van dit rijk geïllustreerde en gedocumenteerde werk bedraagt 1 495,-fr..
In 1889 wordt de houten gevel van het Lucas-Huys (A. Mennessier, 1875) in BrusTechnische gegevens: formaat: sel gedemonteerd en heropgebouwd in 32 x 35 cm de Minderbroedersstraat. aantal bladzijden: 208 illustraties: 30 kleurenfoto's en 270 zwart/witfoto's afwerking met harde kaft met vierkleuren stofwikkel oplage; 2000 exemplaren.
Groen Brugge Het 75-jarig bestaan van de Brugse Stedelijke Groendienst was de aanleiding tot dit overvloedig geïllustreerd boek waarin de gevarieerdheid van het binnen het grondgebied gelegen groen op een systematische wijze benaderd wordt.
M&L BINNENKRANT
Vertrekkende van de ontstaangeschiedenis van de streek en de geologisch-geografische gesteldheid wordt eerst aandacht besteed aan de halfnatuurlijke landschappen zoals de duinen (de Fonteintjes), de polders (Dudzele, Lissewege), de heiderestanten (Sint-Andries), de bossen (SintAndries, Sint-Michiels), de Assebroekse Meersen De problemen rond en de bedreigingen die rusten op deze gebieden worden in het kort behandeld. Het grote aantal kasteelparken in en rond Brugge is het onderwerp van een volgend hoofdstuk waarin de historische, natuurwetenschappelijke en educatieve waarde van deze parken nader bekeken wordt. Enkele van deze parken werden aangekocht door de stad (Beisbroek, Tudor, Koude Keuken) en ten behoeve van de bevolking ingericht. De aanwezigheid van talrijke kloosters in de binnenstad en de rol van Brugge in de wol- en linnennijverheid waren in de loop der eeuwen verantwoordelijk voor heel wat open ruimte: tuinen, raamlanden, blekerijweiden die nu in grote mate hun functie verloren hebben maar wel bewaard bleven in de vorm van parken, pleinen,... Voorbeelden hiervan zijn het Astridpark, het Koning Albertpark, het Minnewaterpark Een ander belangrijk groenelement in Brugge zijn de tot wandeling omgevormde stadswallen. Deze in de tweede helft van de 19de eeuw doorgevoerde bestemmingswijziging verliep fasegewijs, en tijdens dit proces kon niet verhinderd worden dat delen van de wallen verdwenen. Het belang dat door Brugge reeds lang gehecht wordt aan het zogenaamde 'zachte stadslandschap' komt eveneens tot uiting in de hoofdstukken Straten en pleinen, Spel, sport en groen en Groener wonen. De aandacht en de zorg voor het bomenbestand, de aanleg van speelterreinen, de aanwezigheid van groen in nieuwe verkavelingen, worden aan de hand van talrijke voorbeelden verduidelijkt. Het laatste hoofdstuk is gewijd aan de Stedelijk Groendienst zelf, meer bepaald aan de oprichting en de evolutie ervan en aan de veelzijdige opdracht van deze in 1987 204 mensen tellende dienst. Als conclussie kan gesteld worden dat dit boek, verzorgd uitgegeven maar met een soms minder geslaagde lay-out, een beeld ophangt van het in Brugge aanwezige groen.
Voor deken Lauwerys betekende dit een ware passie, en gedurende heel zijn leven nam hij de redactie waar van het jaarboek HOK. Onder zijn leiding werden, naast het plaatselijk archief en de rijksarchieven van Antwerpen en Brussel, tevens buitenlandse archiefverzamelingen (Anholt, Arnhem en Culemborg) geëxcerpeerd. Het onderzoek gebeurde grondig en het meeste bronnenmateriaal werd gepubliceerd.
R. De Ceulaer, De Sint-Catharinakerk te Hoogstraten. Inventaris van het Kunstpatrimonium van de provincie Antwerpen, Snoeck-Ducaju & Zoon n.v., Gent, 1988. Deze nieuwe publikatie over de SintCatharinakerk verschilt enigzins van het eerste deel uit de reeks 'Inventaris van het Kunstpatrimonium van de Provincie Antwerpen', gewijd aan de Sint-Gummaruskerk te Lier. Zo werd de beschrijving van de kunstwerken bewust in omvang beperkt om in totaal 360 foto's te kunnen opnemen die doorheen de tekst geplaatst zijn. Ook werden achteraan enkele uitklapbare plannen voorzien. Een moderne lay-out dus, die nochtans de volledigheid of wetenschappelijkheid niet beïnvloed heeft. Het boek is opgebouwd uit twee grote delen. In het eerste deel worden architectuur en bouwgeschiedenis bestudeerd. Het tweede deel, de 'Kunstinventaris', telt vierhonderdzeventien nummers, waarmee in werkelijkheid meer voorwerpen corresponderen, gezien er soms twee of meer onder hetzelfde inventarisnummer werden bijeengebracht. Tot slot een uitgebreid personenregister en een index op plaatsnamen, wat het zoekwerk aanzienlijk vergemakkelijkt. De geschiedenis van de Sint-Catharinakerk heeft in het verleden heel wat
auteurs naar de pen doen grijpen. In 1895 reeds verscheen een opmerkelijke studie over De collegiale Kerk van de H. Katharina te Hoogstraten door de auteurs Adriaensen en Segers, gefundeerd op plaatselijk archiefonderzoek. Ongeveer gelijktijdig pleegde Génard enkele bijdragen over Hoogstratens kunstbezit. Eerder al, in 1889, vestigde Max Rooses in zijn publikatie Op reis naar heinde en ver de aandacht op het roemrijke verleden van Hoogstraten en haar kerk. Pionierswerk voor de geschiedschrijving van Hoogstraten werd verricht door Jozef Lauwerys, pastoor-deken van 1945 tot 1967. Onder de hoge bescherming van het provinciebestuur van Antwerpen werd op zijn initiatief in 1928 'Hoogstratens Oudheidkundige Kring' gesticht. Deze kring startte vanaf 1933 met de uitgave van een gelijknamig jaarboek.
Gezicht op het hoofdaltaar (1854-1892) en het praalgraf van A. de Lalaing en E. van Culemborg (ca. 1S28-1529) (foto PMA)
Voor deze inventaris werden de bronnenstudies aangevuld met gegevens uit de archieven van het provinciebestuur van Antwerpen en van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen en haar Antwerpse afdeling. Aansluitend werd op zoek gegaan naar bijkomende gegevens uit de literatuur. Bij het opmaken van een status quaestionis werd al vlug vastgesteld dat vooral de praalgraven, glasramen en koorgestoelten bekendheid genieten. De andere kunstwerken bleven in de schaduw. Deze inventaris zal in dit opzicht een lacune aanvullen. Laten we even terugkeren in de tijd, meer bepaald naar de zestiende eeuw toen het adellijk paar Antoon de Lalaing (1480-1540) en Elisabeth van Culemborg (1475-1555), erfdochter van Jasper, Heer van Hoogstraten, er zijn intrede deed. Hun diensten aan het Hof van Margaretha van Oostenrijk te Mechelen werden zeer gewaardeerd, waardoor Hoogstraten in 1518 tot graafschap werd verheven. Dat de graaf en de gravin deze titel waardig zouden voeren, blijkt uit hun prestigieuze mecenaatspolitiek. De haast gelijktijdige aanvang van de bouw van de nieuwe Sint-Catharinakerk, het stadhuis en het Gelmelslot, alle omstreeks 1525, illustreert dit overduidelijk. De leiding van de werf van SintCatharina werd toevertrouwd aan bouwmeester Rombout II Keldermans (t 1531). Hij liet zich assisteren door Hendrik Lambrechts (t 1542) en Anthonis III Keldermans (f ca. 1564), die na zijn dood in 1531 het bouwwerk voltooiden. De aankleding van de kerk verliep parallel met de bouwactiviteiten. De huidige kunstcollectie omvat nog steeds kunstwerken uit die tijd. Biezondere aandacht vraagt Albrecht Gelmers, die zijn naam verbonden heeft aan het groot koorgestoelte. De naam Gelmers werd op het einde van de 19de eeuw in de archieven ontdekt. Zijn biografische fiche is echter beknopt. Vermoedelijk werd hij geboren te Antwerpen waar hij in 1532 het meesterschap verwierf. In de archieven wordt Gelmers voor de laatste maal vermeld in 1551.
M&L BINNENKRANT
De twee koorvleugels werden tussen 1532 en 1548 vervaardigd en geplaatst. Vooral de handgrepen en zittertjes spreken boekdelen, en openbaren voor ons de mentaliteit van de late middeleeuwen. Kortom, het gestoelte is een prachtig cultuur-historisch document waarin op een haast speelse wijze de religieuze en sociale situatie in beeld worden gebracht. Zowel de mecenassen Antoon de Lalaing en Elisabeth van Culemborg, die hun patroonheiligen op de zijwangen lieten sculpteren, als de kanunniken voor wie het gestoelte bestemd was, hebben hun zeg gehad op de keuze van de onderwerpen. Zij gingen hierbij ruimdenkend tewerk en tolereerden de haast satirische ondertoon waarmee de meeste religieuze taferelen zijn uitgebeeld. Anekdotisch en pittoresk zijn vooral de spreuken en gezegden waaruit de levenshouding van de mens blijkt. De Nieuwe Tijd nadert voelbaar. Stilistisch wordt het eindpunt van het laat-gotisch koormeubilair bereikt.
BUITENKR Verslag Colloquium Oxford, 18-23 april 1988. In september 1980 werd in Bischenberg/Strassbourg een eerste Europese inventarisatie-conferentie georganiseerd door het Franse Ministerie van Cultuur, Inventaire general des richesses artistigue de la France, Direction régionale d'Alsace. De bijdragen, waaronder deze van het Koninklijk Instituut van het Kunstpatrimonium en van de Vlaamse en Franse Gemeenschappen werden in 1984 uitgegeven als Cahiers de l'Inventaire, numero spécial. In de toenmalige slotbeschouwingen werd gewezen op het uiterste belang van verdere internationale samenwerking en van doorlopende contacten die echter niet verder werden gezet op georganiseerde wijze. Wat Vlaanderen betreft werden wel vrij regelmatige betrekkingen, raadplegingen en uitwisselingen gehouden zowel met de buurlanden als andere (Polen, Hongarije, D.D.R., Finland, Denemarken...). Na acht jaar wou de Royal Commission on the Historical Monuments of England de draad opnieuw opnemen om een geactualiseerd beeld op te hangen van de inventarisatie en reinventarisatie in Europa; in de lijn van de Britse traditie en opvattingen werden voor dit Colloquium Inventories of Monuments and Historie Buildings in Europe, zowel archeologen als architectuurhistorici uitgenodigd: in het Verenigd Koninkrijk wordt de term 'ancient monument', naar de bestaande wetgeving, veelal gebruikt voor archeologische sites en belangrijke gebouwen tot 177-1714, terwijl 'historie building' en 'architectural heritage' gelden voor doorsneearchitectuur en het latere bouwkundig erfgoed;
Gezicht op het klein gestoelte, Brabant, 3de kwart 15de eeuw (foto PMA)
Technische gegevens: formaat: 16 x 23 cm omvang: XXXIV + 273 bh. 19 kleurenillustraties en 344 zwart-witopnamen uitvoering: paperback, genaaid ISBN 90 70481 09 prijs: 1.100,- fr.
Traditiegetrouw wordt gedetailleerd inventariswerk verricht door de onder meer hiertoe, sinds 1908 aangestelde Royal Commissions. Behalve in Noord-Ierland worden beschermingen voorgesteld op basis van voorlopige lijsten uitgewerkt door aparte diensten, onder meer Welsh Historie Monuments - CADW, English Heritage Department of Environment... . Vanuit deze 'nationale' situatie wou de organiserende Royal Commission of England blijkbaar vernemen hoe inventarisatie en bescherming van verdwenen en bestaande gebouwde omgeving elders in Europa verliepen.
M&L BINNENKRANT I
Op uitzonderingen na brachten de vertegenwoordigde landen - België, Bulgarije, Denemarken, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Nederland, Spanje, Portugal, WestDuitsland en Zwitserland - in twee facetten, archeologie en architectuur, een status quo van onderzoek, werkmethode, publikatie, verspreidingswijze en gebruik van de inventarisgegevens. In het bijzonder werd hierbij doorgaans aandacht besteed aan de problemen van de verzamelde documentatie en het systematiseren en automatiseren. De officiële uitnodiging tot dit colloquium bereikte slechts in extremis het Bestuur voor Monumenten en Landschappen; daarom kon geen tekst worden ingediend omtrent de inventarisatie van het Bouwkundig Erfgoed. Ter plekke, aansluitend bij de lezing van Dr. G. De Boe, Directeur van de Nationale Opgravingsdienst, kon deze leemte worden ingevuld met een bondig overzicht en enkele kanttekeningen in dit verband. De gevraagde uitgeschreven tekst zal worden opgenomen in het eindrapport. Uit de veelvuldige persoonlijke contacten en de algemene slotbeschouwingen blijkt: 1. dat ondanks nationale en regionale verschillen, geregelde internationale contacten en confronterende besprekingen hoogst wenselijk en zelfs noodzakelijk blijven voor een verruiming van 'eigen' opvattingen en voor een geleidelijke en 'bijschavende' verbetering van werken verspreidingsmethoden; 2. dat het op de vooravond van de Europese eenmaking van 1992 wenselijk lijkt een flexibel systeem uit te bouwen waardoor vlotte uitwisseling van zienswijzen, ervaringen en publikaties zouden worden bevorderd, zo mogelijk met - financiële - steun van de Europese Gemeenschap;
7
i 50,000
ministeries van cultuur en ruimtelijke ordening. Het thema ging meer bepaald over het probleem van de archieven met betrekking tot het architectuuronderwijs — definties, methoden, moeilijkheden — en besloeg de historische periodes van de middeleeuwen tot vandaag. De deelnemers aan het colloquium kwamen uit Frankrijk, Italië, West-Duitsland, Polen en België.
1965
1970
1975
3. dat, waar niet georganiseerd of historisch gegroeid, betere vormen van samenwerking dienen gezocht tussen de instellingen respectievelijk gelast met de inventarisatie van en de zorg voor het bouwkundig erfgoed; 4. dat met het oog op de toenemende automatisatie van de (inventaris-) documentatie zou kunnen worden geijverd voor een vorm van gemeenschappelijke basiswoordenschat, samen te brengen in een internationale thesaurus waarin alle Europese talen zouden worden opgenomen; 5. dat niettemin blijvend aandacht zou worden besteed aan de nationale en regionale verschillen en de individuele waarden en karakteristieken van elke afzonderlijke component van het archeologisch en bouwkundig erfgoed; 6. dat, in dit verband, onderzoek van grensoverschrijdende problemen zou worden bevorderd en door de betrokken staten voorzien van de nodige omkadering en financiële middelen; 7. dat een actief werkcomité moet worden opgericht om de follow-up van deze eindresoluties uit te voeren en de continuïteit van de opnieuw opgenomen internationale samenwerking te verzekeren; 8. dat, dientengevolge, regelmatig colloquia dienen georganiseerd in afwisselende landen en wel omtrent meer specifieke aspecten van de inventarisatie. In dit verband werd reeds gemeld dat een werkvergadering over computerisatie van inventarisgegevens gepland wordt in Londen, november 1989; 9. dat, ten slotte, gezien het dynamische karakter van de inventarisatie, de noodzaak rijst tot het hanteren van soepele systemen die 'open' blijven voor nieuwe vragen en aanpassingen. Verder komen uiteraard problemen ter sprake als 'follow-up' en 'updating' - het corrigeren, aanpassen, aanvullen ... die blijkbaar makkelijker te realiseren zijn in een volledig gecomputeriseerd systeem. Computerisatie zal evenwel altijd als een
1980
1985
hulpmiddel dienen beschouwd en niet als een alleenzaligmakend doel op zich; het hoort uitgebouwd tot een efficiënt middel om het gebruik van de documentatie te vergemakkelijken maar kan geenszins een ruim verspreide publikatie vervangen. Lezingen en besprekingen tijdens dit colloquium van Oxford brachten een vrij genuanceerd en geactualiseerd beeld van de inventarisatie in Europa en lieten toe de situatie in Vlaanderen in te schatten. Eigen werk, publikatievorm, -ritme en -verspreiding moeten niet onderdoen voor het buitenland, en dit geldt tevens voor het tijdschrift M&L waarin ook geregeld materiaal voortkomend uit de inventarissen wordt verwerkt. Op een moment dat alle aandacht gaat naar het 'visualiseren' van gegevens, werd met interesse gekeken naar onze fotoregisters en de verhouding tekst-illustratie binnen het boekblok. Wel zouden nog meer vulgariserende uitgaven uit het buitenland in zekere zin en mits de nodige aanpassingen kunnen worden nagevolgd, zoals bijvoorbeeld architectuurgidsen en een vorm van losse documentatie verkrijgbaar in elk belangrijk, voor het publiek opgengesteld monument (cf. onder meer Wales, publikaties van English Heritage). S. Van Aerschot-Van
Haeverbeeck
Colloquium archieven en architectuurgeschiedenis. Van 5 tot 7 mei vond in Parijs een internationaal colloquium plaats over 'Archieven en Architectuurgeschiedenis'. Het werd georganiseerd onder meer door het nationaal centrum voor wetenschappelijk onderzoek (CNRS), de architectuurschool van La Villette, de school voor hogere studies in de sociale wetenschappen (EHESS) en verscheidene universiteiten, en met medewerking van de Académie d'Architecture en de
M&L BINNENKRANT
De vrij recente ontdekking van het bestaan van de architectuurarchieven en van hun aanwending voor de geschiedschrijving van de architectuur heeft in Europese landen — echter minder in Frankrijk — al veel stof doen opwaaien, en dit niet zozeer omwille van de wetenschappelijke resultaten. De redenen van de heibel zijn van 'conjuncturele' aard, met name de oneerbiedige behandeling, de versnippering en het verlies van onscheidbare archiefgehelen, hun onwetenschappelijke interpretatie, de zware vereisten van hun vulgarisatie, en hun commerciële verhandeling op een meedogenloze internationale markt die vooral voor Europa steeds nadeliger uitvalt. Het colloquium getuigt van de bewustwording van een probleem dat meteen de achterstand weergeeft van het fundamentele architectuuronderzoek op het andere culturele onderzoek, zoals de kunst- en literatuurgeschiedenis, en van het archiefbeleid in Frankrijk in vergelijking met andere landen. Deze achterstand zou echter wel eens een troef kunnen worden. Drie vraagstellingen kwamen op het colloquium aan bod, eerst van de archieven als een materieel voorwerp, dan van de archieven als historische bron, en ten slotte van de archieven als repliek van een gebouwde realiteit. Wat uit het nogal overladen programma moet worden onthouden zijn enkele ideeën aangaande de definitie van architectuurarchieven, hun bronwaarde en hun bewaring. Een algemene indruk van het colloquium is dat het begrip archief oneindig rekbaar is. De archieven van de architectuur omvatten meer dan de archieven van de architect. Administratieve, institutionele en documentaire archieven, maar ook gebruiksvoorwerpen en werktuigen, en andere dan visuele archieven komen in aanmerking voor onderzoek en bewaring. Buiten het documentonderzoek speelt de archeologie trouwens een steeds grotere rol, hierbij een beroep doend op het gebouw zelf of op zijn fysische overblijfselen. Enkele ongekende, maar voor de Europese architectuurgeschiedenis belangwekkende bronnen werden behandeld, zoals bijvoorbeeld de ongemeen rijke archieven van de 'Society for the Protection of Ancient Buildings' in Londen (D. Lamberini),
tuurarchieven en drukwerken van België worden bijeengebracht en publiek toegankelijk gemaakt (A. Van Loo). In Frankrijk wil men zoveel mogelijk de integriteit en integraliteit van de archieffondsen behouden. Dank zij een soort van deontologische code wil men de uitwaaiering van archieven en de verhangenheid aan de commerciële en artistieke waarden van de stukken tegengaan (M. Gulot). Gedaan met het 'collectioneren'.
de 'Agence des Batiments Publics' in Parijs (N. Felkay), de archieven van grote industrieën zoals Citroen (P. Smith), de centrale minutenstaat van de notarissen, die reeds na de middeleeuwen werd aangezet (W. Szambien) Nieuwe bronnen vereisen soms een nieuwe onderzoeksmethode, geven soms aanleiding tot een andere geschiedschrijving, maar omgekeerd kan een nieuwe vraagsteUing van 'klassieke' archieven openbarend werken. Er werd nogal wat aandacht besteed aan de architectuurschetsen die aan het ontwerp voorafgaan en de creatie van de architect richten, en die vroeger, omwille van him onbenulhgheid, dikwijls door de auteur zelf werden vernietigd (P. Dufoumet, G. Mormier). Zo is het ook de moeite, aan de hand van dezelfde bronnen, eerder te werken aan een geschiedenis van de beslissing dan aan een eenduidige geschiedenis van de vorm (D. Calabi). Het colloquium hechtte nadrukkelijk veel belang aan de wedersamenstelling van de architectuurvorm op basis van — soms schaarse — archieven, een zeer in trek zijnde soort van onderzoek die lange tijd verwaarloosd werd. Boeiend is dan vast te stellen hoezeer de architectuurgeschiedenis vervalst werd omwille van methodologische fouten en verkeerde bronneninterpretatie, vooral in de 19de eeuw door 'vaste waarden' als Viollet-le-Duc O.M. Pérouse de Montclos). Architecturale restitutie is inderdaad op de eerste plaats een methodologisch probleem van bronnenkritiek. Via een juiste methode maakt de onderzoeker zo bijna automatisch de stap van een geschiedschrijving van de vorm naar een geschiedschrijving van de produktie van de vorm. De recente bouw van een enorme, uiterst gedetailleerde maquette op basis van twee minuscule schetsjes voor een achthoekige kerk van Leonardo da Vinci, moet dan eerder beschouwd worden als een intellectueel spel en een stilistische oefening van de historicus Q. Guillaume), dan als een wetenschappelijke bijdrage aan de geschiedenis. Voor praktijkmensen die in de monumentenzorg werkzaam zijn, blijken de architectuurarchieven ais betrouwbare weergave van een reëel gebouw dikwijls een mythe (F. Didier). Daarenboven klagen deze mensen er over — en misschien zelfs meer dan de historici zelf — dat tot op heden in Frankrijk, zoals ook in vele andere landen, geen enkel praktisch, volledig en betrouwbaar historisch apparaat bestaat in de vorm van elementaire monografieën over sleutelpersonages als Le Vau of Mansart (J. Moulin).
Poging tot restitutie naar een tekening van Leonardo da Vinci (Cod. Atl. 279v-a) door J. Cuillaume en S. Kühbacher
Het beleid voor de bewaring van de architectuurarchieven blijkt heden in Frankrijk een bepaalde wending te nemen die verschillen vertoont met de andere landen. Het probleem van de bewaring is tweeledig: wat moet er bewaard worden en waar moet dit gebeuren? De beleidsvooruitzichten in Frankrijk zijn tegengesteld aan die van, bijvoorbeeld, het Architectuurmuseum in Frankfurt — waar vooral een thematische selectie wordt gemaakt voor de aankoop en verzameling van archiefstukken (maquettes, wedstrijd, gebouw, auteur, ...) (L. Sabau) — of van het Architectuurmuseum in Wroclaw — waar een zo breed mogelijk gamma van archiefstukken en voorwerpen van allerlei aard wordt verzameld (O. Czemer) — of van de 'Archives d'Architecture Moderne' in Brussel — waar architec-
M&L BINNENKRANT I
De nieuwe politiek is voornamelijk gesteund op decentralisatie. In de verschillende gewesten van het land worden speciale regionale depots voorzien voor de ontvangst van architectuurarchieven onder het toezicht van de Nationale Archieven in Parijs. Hiermee is het de bedoeling de bewaring 'in situ' te bevorderen, omdat de archieven in hun geheel, in him samenhang en in hun context bewaard dienen te blijven (J.P. Babelon). In januari 1989 is ook de opening voorzien van het gloednieuwe 'Gentre d'Archives de 1'Architecture du XXe siècle' (onder leiding van M. Gulot), afhankelijk van het 'Institut Frangais d'Architecture' (IFA) en in samenwerking met de Nationale Archieven. Ook hier gaat het niet om een centraliserende verzameling van archieven, maar integendeel om een centrum voor de behandeling (restauratie,, inventarisatie, publikatie) van archieven, die na deze verwerking weer worden doorgestuurd naar de betreffende plaatselijke of nationale archieven. De renovatie van het gebouw van het Gentrum (door de architecten Reichen en Robert) is afgewerkt en wacht op de binneninrichting en de installatie van de technische uitrustingen. Een groot deel van de architectuurarchieven zullen dus beheerd blijven door de staatsinstelling van de nationale archieven. Andere instellingen richten zich op een bepaalde periode (zoals het Musée d'Orsay) of op gespecialiseerde archieven zoals die van het beroepskader, en op de opvang van bedreigde privé-fondsen, ondernomen door de Académie d'Architecture. Blijft het probleem van de toegankelijkheid van de architectuurarchieven voor de onderzoekers. Hier geldt geen regel. Overal wordt de informatie van de inventarisatie en van de raadpleging aangekondigd of is ze reeds gestart. Geen enkele coördinatie is tot op heden echter voorzien. Architectuurarchieven blijken in de context van dit colloquium een belangwekkend educatief materiaal te kunnen worden voor het leren omgaan met de architectuur en ter vervanging van de seculaire traditie van het prentenkabinet en het architectuurmuseum. Pieter
Uyttenhoven
9
Nationale Monumentenstudiedag. Den Haag, 1988. De Stichting Nationale Contactcommissie Monumentenbescherming (NCM) uit Amsterdam organiseerde op 9 juni 1988 de jaarlijkse nationale monumentenstudiedag. Thema van deze studiedag in de Grote Sint Jacobskerk te Den Haag was ditmaal 'de voorlichting en marketing in de monumentenzorg'. Tevens konden informatiestands bezocht worden. Voor de Vlaamse Gemeenschap was dit een gelegenheid om haar imago naar buiten uit te dragen. AROL Bestuur voor Monumenten en Landschappen bouwde een infostand op waarin de publikaties rond monumenten- en landschapszorg werden voorgesteld. Na het traditionele welkomswoord van de heer J. Lammers, Voorzitter van de NCM, hierin gevolgd door de heer R. Vlaanderen, wethouder Monumentenzorg in Den Haag, en de officiële opening door de heer A.J. Evenhuis, Staatssecretaris van Economische Zaken, verzorgde de heer H.A. Lichtenveldt, Directeur van Dantzig en Lichtenveldt, een inleiding op het thema 'Public relations en voorlichting binnen de monumentenzorg". De noodzaak om public relations en voorhchting als instrumenten te hanteren binnen de momunentenzorg wordt steeds meer onderkend. Op landelijk niveau gebeurt dat al, maar regionaal en plaatselijk veel minder. Zonder inzicht in de begrippen reclame, marketing, public relations en voorlichting, public affairs, kunnen overheden en particuliere organisaties geen gebruik maken van de middelen die ze binnen die kaders ten dienste staan. Ten aanzien van public relations en voorlichting is het goed te beseffen waar het om gaat: de instandhouding van het culturele erfgoed. Die zorg mag nooit een zorg zijn van de Minister alleen, maar moet gedragen worden door de bevolking. Public relations en voorlichting kunnen bijdragen tot die betrokkenheid van de burger, via de politiek, de media en drukkingsgroepen.
het lokale, regionale en provinciale verleden als aanvulling op de 'vaderlandse geschiedenis' wordt wezenlijker indien concrete informatie en documentatie voorhanden is. Op velerlei terrein wordt hier in Nederland hard aan gewerkt: lesbrieven, wandelingen... . Met name monumenten, grote en kleine, lelijke en mooie, oude en jonge kunnen, mits structureel opgenomen in de schoolwerkplannen, het verleden tastbaar maken. De heem- en oudheidkundige kring die hiervan werk maakt, zorgt ervoor dat de jeugd kans heeft op een monumentale toekomst. In de provincie Noord-Brabant zijn momenteel 80 heem- en oudheidkundige verenigingen en stichtingen werkzaam. Nagenoeg al deze kingen zijn aangesloten bij de in 1947 opgerichte Stichting Brabants Heem. Ongeveer 14 000 mensen zijn lid van deze kringen. Na de lunch brak Drs. W.L. Sliepen, Directeur van het Nederlands Studiebureau voor Toerisme en Recreatie, een lans voor 'De historische omgeving: motor of barrière voor economische impulsen'. De historische omgeving verandert voortdurend. Deze veranderingen zijn het gevolg van maatschappelijke processen die zich continu in tijd en ruimte voltrekken, waarbij tastbare sporen ons erfdeel worden. De historie van de omgeving laat zich wellicht beter beschrijven dan dat de historische omgeving zich laat definiëren. Brengen wij de ontwikkeling van het economische leven in verband met wijzigingen in vorm en inhoud van het stedelijk gebied, dan ontvouwt zich een boeiend historisch schouwspel. De ambachtelijke bedrijvigheid in de eerste helft van de I9de eeuw is het beginpunt van een ontwikkeling die haar hoogtepunt vindt in de jaren zestig en zeventig van de 20ste eeuw. Een zich uitbreidend stedelijk milieu betekent een belangrijke impuls voor de economische bedrijvigheid en koopkracht. De effecten op de historische binnensteden zijn aanmerkelijk.
'Wie de jeugd heeft, heeft een monumentale toekomst', bepleitte vervolgens de heer E.G. Kolen, Stafmedewerker van de Stichting Brabants Heem. In toenemende mate groeit in Nederland en elders in Europa de opvatting dat de schoolgaande jeugd kennis mag of moet maken met wat genoemd wordt het 'culturele erfgoed'. Daar zijn zowel pedagogisch/ didactische als cultuurfilosofische argumenten voor aan te dragen. In veel gevallen maakt het kind, de jonge mens in wording, kennis met het verleden in het geschiedenisboekje. Gerichte informatie omtrent
Gemeenten worden geconfronteerd met omvangrijke problemen van bevoorrading in het centrumgebied, de bereikbaarheid hiervan voor een explosief groeiend aantal automobilisten en schaalvergroting die op diverse plaatsen het oorspronkelijke stadsbeeld aantast. Het streven van de gemeenten om de toenemende bedrijvigheid binnen haar grenzen te houden leidt op meerdere plaatsen tot een vergaande verandering van het oorspronkelijke stedebouwkundige milieu.
10
M&L BINNENKRANT
Gelukkig groeit het besef dat historische stedebouwkundige structuren een onvervreemdbare intrinsieke waarde vertegenwoordigen voor uiteenlopende gebruikersgroepen. De stedelijke marketing biedt goede mogelijkheden om de historische omgeving qua produkt- en marktontwikkeling beter af te stemmen op de wensen van uiteenlopende gebruikersgroepen. Hiertoe dient een marketingplan te worden opgesteld waarin de doelstellingen en activiteiten op gemeentelijk niveau worden gesystematiseerd en de efffecten zijn te evalueren. Deze benadering is er op gericht om de historische omgeving actief in te zetten als gewaardeerd produkt voor toeristischrecreatieve doelgroepen. Historische binnensteden zijn aantrekkelijk voor toeristen om in te vertoeven; ze werken verlenging van de verblijfsduur in de hand. De daarmee samenhangende bestedingen en werkgelegenheid vormen veelal een wezenlijk onderdeel van de stedelijke economie. Ook de stedelijke bevolking en het dienstverlenend bedrijfsleven zal, gezien het repetitie-element in de nieuwbouw, in toenemende mate waardering gaan opbrengen voor de sfeer van de historische omgeving. Op gemeentelijk niveau ten slotte wordt het cultuurhistorisch aanbod steeds belangrijker als onderscheidend imago.
De belangrijkste reden voor een meer commerciële instelling bij monumenten is het feit dat het budget vaak niet toelaat het noodzakelijke goede beheer en de eventuele restauratie uit te voeren. Monumentenbehoud is daarbij te sterk afhankelijk van de welwillendheid van de overheid. Uitstel van restauratie betekent echter dat het verval steeds dichterbij komt. Een vervallen monument is weinig aantrekkelijk voor het publiek. Een tweede belangrijke reden is het groeiend privatiseringsbeleid van de overheid. Deze probeert in toenemende mate haar taken af te stoten en uit te besteden aan particuliere organisaties. Het risico voor de monumentenbescherming ligt hierin dat de overheid op een kwade dag kan besluiten ook meer monumenten te verzelfstandigen, dit is: niet langer financieel te steunen. Indien de monumenten op tijd — en dat wil zeggen indien nog niet, dan wel zo snel mogelijk — een meer commerciële en marktgerichte instelling aannemen, zullen zij die zelfstandigheid kunnen opvangen. Een marktgericht beleid is erop toegespitst om de markt voor een produkt (in dit geval een monument) te creëren of te vergroten. Het is noodzakelijk daarbij in de eerste plaats toeristen en de toeristenindustrie te benaderen om zich te verzekeren van voldoende aantallen bezoekers en dus van inkomsten uit entreegelden, verkoop van brochures Het is uiteraard niet gemakkelijk zomaar een meer commerciële houding aan te nemen. Daarvoor is meestal ook geen geld genoeg beschikbaar bij individuele monumenten of andere culturele instellingen. Wel zou het aan te bevelen zijn indien monumenten en andere culturele instellingen zich tot dit doel verenigden. Een ander voordeel kan zijn dat een gezamenlijk optreden economischer is.
Als laatste spreker had de heer G. Van der Kuip, Directeur van het Instituut voor Cultuurtoerisme, het vanzelfsprekend over 'Cultuur en toerisme: vrienden voor het leven'. Wat is de relatie tussen toerisme en cultuur? Het zoeken naar de cultuur van een land, blijkt uit het gedrag van de toerist. Dit gedrag kan bestaan uit het bezoeken van musea en bezienswaardigheden, zoals monumenten. De monumenten van een land zijn ieder op zich een uniek overblijfsel van de cultuur van een land. Ze bevatten culturele waarden maar tevens vaak een historische waarde. Wat is nu voor een toerist de waarde van een monument in een ander land? Ten eerste is het een directe kennismaking met de cultuur zoals die bestond of bestaat in dat land. Vervolgens maakt het een vergelijking mogelijk met de eigen cultuur. Deze herkenningsfase is een bijzonder belangrijke reden voor het behoud van monumenten, bouwwerken en kunst. Immers, erkenning door buitenlandse en binnenlandse bezoekers leidt tot meer begrip en waardering. Zodra duidelijk is dat er een behoefte bestaat aan het zoeken naar de eigen cultuur, naar de cultuur van een ander land, of naar gemeenschappelijke elementen van twee verschillende culturen, zou men op die behoefte moeten inspelen, omdat dan mogelijkheden bestaan voor monumenten en musea om zelfstandiger en commerciëler te worden.
Een culturele instelling heeft aan een stijgend — of constant — aantal bezoekers een houvast om haar belang niet alleen uit culturele overwegingen te verdedigen, maar ook uit 'econimische'. In dit kader van de nieuwe zakelijkheid van de overheid kan zij aldus haar bestaan verdedigen.
M&L BINNENKRANT
11
...en wegwezen (foto's BML)
De Sint-Pauluskerk te Antwerpen.
Monument gezocht. Voor het orgarizeren van studie- en bezinningsdagen zoekt het Instituut voor Toegepaste Studies vzw, Vilain XIIIIstraat 5, 1050 Brussel, S 02/640.77.68 naar een sfeervol gebouw, bijvoorbeeld oude hoeve, klein kasteeltje of dergelijke, in een rustige grone zone of landbouwzone van het gebied Kempen/Haspengouw, met ruime tuin en mogelijkheid om 10 tot 20 personen te logeren. Wijds uitzicht en vijver worden op prijs gesteld.
In 1988 werd het nieuwe dak van de Antwerpse Sint-Pauluskerk voltooid. Het was precies twintig jaar geleden dat klooster en kerk zwaar door brand geteisterd waren. Er blijft echter nog veel te doen! Eén van de dringendste restauratiewerken is het conserveren en restaureren van de elf monumentale biechtstoelen. Peeter Verbruggen de Oude vervaardigde tien van deze vermaarde beeldhouwwerken in 1658; de elfde biechtstoel ontstond in 1699 en wordt toegeschreven aan Willem Kerricx de Oude.
Vlaamse Heraldische Raad. Wijziging van de samenstelling. Bij besluit van de Vlaamse Executieve van 4 mei 1988 wordt aan de heer C. Wyffels (Middelkerke), op zijn verzoek, eervol ontslag verleend als lid van de Vlaamse Heraldische Raad. Hij wordt gemachtigd de titel te voeren van 'Erelid van de Vlaamse Heraldisch Raad'. Bij hetzelfde besluit wordt de heer Eric Houtman, Bisschopsstraat 43, 2008 Antwerpen, benoemd tot lid van de Vlaamse Heraldische Raad.
Een monument in Vlaanderen. De Onze-Lieve-Vrouwebasiliek van Scherpenheuvel. Sinds de 14de eeuw wordt in Scherpenheuvel Onze-Lieve-Vrouw vereerd. De huidige basiliek werd tussen 1609 en 1629 in opdracht van de aarsthertogen Albrecht en Isabella opgetrokken onder leiding van Wenceslas Cobergher. De basiliek zelf heeft een zevenhoekig grondplan, wat overigens zeer uitzonderlijk is, en wordt geflankeerd door zes lagere kapellen en een voorportaal. Het geheel wordt bekroond door een halfronde koepel, waarvoor men zich liet inspireren door de koepel van de Sint-Pieterskerk te Rome. Ook het interieur bevat fraaie barokke kunstwerken, zoals het hoofdaltaar dat uit 1622 dateert. De Onze-Lieve-Vrouwebasiliek van Scherpenheuvel is één van de oudste voorbeelden van barokke bouwkunst in West-Europa. Om deze reden werd de basiliek reeds in 1852 als monument beschermd.
12
Een grondig herstel van de basiliek dringt zich momenteel op. Het dossier voor de elektriciteitsvoorziening werd reeds goedgekeurd. Daarnaast worden nu restauratiedossiers voor de barokke toren en de voormalige kloostergang voorbereid. Al deze werken worden voor het grootste gedeelte betoelaagd door de overheid. De hogere overheid beschikt op dit ogenblik echter niet over voldoende financiële middelen om alle werken volledig te kunnen bekostigen. Dit is o.a. het geval voor de schilderwerken aan het interieur die dringend dienen uitgevoerd te worden. Daarom heeft het kerkbestuur besloten zelf de nodige financiële middelen te verzamelen om deze schilderwerken toch te kunnen starten. Voor het normale onderhoud van de basiliek kan men gelukkig rekenen op de vele giften van parochianen en bedevaarders, maar voor deze schilderwerken dienen nieuwe middelen gezocht te worden. Ook Ukan meehelpen om de basiliek haar oude luister terug te schenken. Elke gift, hoe klein ook, wordt in dank aanvaard. Wie hieraan wil meewerken kan zijn gift storten op rekeningnummer 454-0069551-71 met vermelding 'actie basiliek Scherpenheuvel' of kan gebruik maken van de beschikbare overschrijvingsformulieren. U hoeft hierop enkel nog uw naam, adres, rekeningnummer, datum en het bedrag van uw gift in te vullen. Het ingevulde formulier kan U in de daarvoor voorziene bus in het portaal van de basiliek steken of in de sacristie afgeven.
M&L BINNENKRANT
ledere biechtstoel omvat vier levensgrote beelden, telkens twee heiligen en twee engelen, het geheel verbonden door een prachtig in bas-reliëf gebeeldhouwde achterwand. Tijdens de brand in 1968 werden de zware eikenhouten beelden uit veiligheidsoverwegingen losgewrikt en verwijderd (1). Gelukkig bleven alle kunstwerken bewaard, maar sommige beelden werden wel beschadigd onder andere tijdens het transport. Lente 1988 werd de 'jongste' van de biechtstoelen, die zich in de kruisbeuk van de kerk bevindt, gedemonteerd om de staat van het houtwerk te onderzoeken. Niettegenstaande vroegere behandelingen werd vastgesteld dat toch veel schade ontstond door diverse insecten, onder andere, door de gevreesde 'grote klopkever'. Vooral de biechtstoelen tegen de zuiderwand — een buitenmuur — van de kerk, zijn er erg aan toe. Op basis van de ervaring na het onderzoek van de Kerricx-biechtstoel werd een raming opgemaakt voor de volledige conservering en restauratie — zowel van de voorkant als van de aangetaste achterkant — van deze wereldwijd geroemde meesterwerken. De kosten zouden 300.000,-fr. bedragen per biechtstoel, of in totaal 3.300.000,-fr. Vermits een dergelijk bedrag eerder moeilijk bij één sponsor te vinden is, werd het idee geopperd een consortium van sponsors op te richten. Een eerste inschrijving werd reeds in dank ontvangen van de Generale Bank, zetel Metropool. Een tweede deelnemer kon ingeschreven worden dank zij het mecenaat van de 'SintPaulusvrienden'. Deze vereniging (2) waarbij meer dan 1200 gezinnen aangesloten zijn, legt zich toe op het behoud en het tot zijn recht brengen van het kunstpatrimonium van de Antwerpse Sint-Pauluskerk. Eventuele sponsors kunnen, dank zij de bemiddeling van de Stichting Monumenten- en Landschapszorg, genieten van fiscale aftrekbaarheid.
Alle bijkomende inlichtingen kunnen verkregen worden bij: Sint-Paulusvrienden, p.a. Custaaf Cuylits, Public Relations Officer, Hendrik Meyslaan 9, 2100 Antwerpen-Deume. ïï 03/321.51.57. (1) Literatuur: Eeuwen leven voort in de Sint-Pauluskerk te Antwerpen, Herinneringsalbum over de brand in 1968. Prijs 240,-fr.. (2) Lidmaatschapsbijdrage 400,-fr. — Ereleden 800,-fr., Beschermende leden 1600,-fr. — over te schrijven op bankrekening 220-0227117-76 van Sint-Paulusvrienden, Sint-Paulusstraat 29-31 te 2000 Antwerpen.
Koning Boudewijnstichting: de campagne 'Verenigingen zetten zich in voor Monumenten', 1987-1988 Kleine monumenten dreigen door de mazen van het grote beschermingsen restauratienet te vallen; hoewel ze — zoals bijvoorbeeld pompen, drinkbakken en kapelletjes — beeld- en sfeerbepalend zijn voor het leven van alledag. Zij zijn gegroeid vanuit het dagelijks bestaan van het volk. Ze komen uit het leven en hebben niet zelden generaties lang het lokale gemeenschapsleven een streekgebonden gezicht gegeven. Deze bedenkingen zetten de Koning Boudewijnstichting er toe aan om in 1985, in samenwerking met de Nationale Loterij een nieuw tweejaarlijks initiatief te lanceren: de campagne "Verenigingen zetten zich in voor Monumenten'. De oproep werd gericht tot de talloze lokale heemkundige, historische en archeologische verenigingen. De steun aan deze projecten is relatief klein — tussen 100 000,- en 400 000,-fr. - maar tegelijk ook direct. In de campagene 1987-1988 werden 27 projecten geselecteerd. Steun wordt verleend voor werken aan de watermolen van Overpelt, een torenruïne in leper, de Staties van de Zeven Weeën langs de kerk van Onze-Lieve-Vrouw-over de Dijle te Mechelen, de ingangspoort en ommuring van het domein Roosendaal in Sint-Katelijne-Waver... . Ze worden uitvoeriger toegelicht in een brochure "Verenigingen zetten zich in voor Monumenten', de tweede in de reeks. Inmiddels zijn reeds enkele projecten voltooid, zo onder meer de restauratie van de neogotische kapel in Erpe Mere en van de Heilige Barbarakapel in Sint-Martens-Lennik.
leper, torenruïne van de Mde-eeuwse 'Bourgondische' vesting (foto M. Hendryckx)
Een derde oproep in het kader van deze campagne zal in december 1988 (projecten 1989/1990) gelanceerd worden. Het moet hier niet noodzakelijk om wettelijk beschermde monumenten gaan; alle waardevolle projecten met betrekking tot het onroerend erfgoed komen in aanmerking. De brochure over de campagne 1987/ 1988 kan kosteloos aangevraagd worden bij de Koning Boudewijnstichting, progr BE, Brederodestraat 21, 1000 Brussel.
MONUMENTENZORG IEDERS ZORG Verenisinsen zetten zich in voor monumenten 1987 1988
teïÉ! 1 Mllïll B
Koning Boudewiinstidttrng Nationate Loterii
M&L BINNENKRANT
Koning Boudewijnstichting. Internationale ideeënwedstrijd voor de herwaardering van de historische plaats van de slag bij Waterloo De slag van Waterloo heeft de toekomst van de meeste Europese naties in grote mate bepaald. Sinds 1815 komen talloze bezoekers naar het slagveld en naar de plaatsen in de omgeving, waar de belangrijke feiten in verband met deze slag zich afspeelden. De lokatie als geheel is echter nooit op een samenhangende manier ingericht. Om die reden organiseert de Koning Boudewijnstichting een internationale ideeënwedstrijd voor de herinrichting van deze historische plaats, die in 1914 door de Belgische overheid als nationaal monument beschermd werd. Sinds de Tweede Wereldoorlog immers is dit beschermd patrimonium — ondanks inspanningen vanuit verschillende kringen — gestadig in verval geraakt. Een aangepaste ruimtelijke ordening is noodzakelijk. Zonder het natuurlijk milieu, de bestemming van het gebied als landbouwzone en het herdenkingskarakter van het geheel te schaden, ligt het in bedoeling een kwalitatieve toeristische onthaaltructuur te creëren die de historische en symbolische waarde van het landschap herstelt en versterkt. De wedstrijd wordt georganiseerd in samenwerking met de vereniging 'Slag bij Waterloo 1815', waarvan de
13
- 1992: Geïntegreerde herwaardering van openbare ruimten en historische centra. De belangrijkste regels voor het programma 1989 zijn : - de monumenten of historische plaatsen moeten van Europees, nationaal of lokaal belang zijn op grond van hun artistieke waarde, historische betekenis en sociaaleconomische invloed; - de aanvrager moet over voldoende andere financieringsmiddelen beschikken om de uitvoering van het project te voltooien (eigen middelen, overheidssubsidie, steun van een particuliere instelling); - het monument of de historische plaats moet voor het publiek toegankelijk worden gesteld. Waterloo : de leeuw
Provincie Brabant en de vier gemeenten op wier grondgebied de gebeurtenissen plaatsvonden, deel uitmaken. De Internationale Architecten Unie staat borg voor het correcte verloop van de wedstrijd en voor de toepassing van de internationale regelementering ter zake. De wedstrijd richt zich tot professionelen en studenten stedebouw, ruimtelijke ordening, architectuur en grafische vormgeving in de landen van de Europese Gemeenschap. Deelnemen kan individueel of in groepsverband. De deelnemers kunnen zelf bepalen welke van genoemde vakgebieden zij verkiezen. Daarom werd de jury in twee secties ingedeeld: één bestaande uit architecten en stedebouwkundigen en één bestaande uit grafische vormgevers. Alle juryleden zijn internationaal befaamde persoonlijkheden. Vertegenwoordigers van de gemeenten Braine-l'Alleud, Waterloo en de provincie Brabant zullen de vergadering van de jury als waarnemer bijwonen. Deze wedstrijd is een eerste initiatief in een campagne van de Koning Boudewijnstichting om een aantal histori-
sche plaatsen in het land te herwaarderen. Deze initiatieven moeten uiteraard tot concrete resultaten kunnen leiden. Daarom betrekt de Koning Boudewijnstichting in het kader van deze wedstrijd een aantal overheidsinstellingen bij de studie van de resultaten: — het Ministerie van Openbare Werken; — het Ministerie van de Franse Gemeenschap van België; — de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen; — de Provincie Brabant; — de gemeenten waarover het slagveld zich uitstrekt.
Praktische informatie: De talen van de wedstrijd zijn het Frans, Nederlands, Duits en Engels. Het wedstrijdreglement, evenals de inschrijvingsformulieren zijn te bekomen bij de Koning Boudewijnstichting, Secretariaat van de Internationale Ideeénwedstrijd 'Historische plaats van de slag bij Waterloo', Brederodestraat 21, 1000 Brussel.
Steun voor modelprojecten met het oog op de instandhouding van het architectonisch erfgoed in de Europese Gemeenschap. Sinds 1984 verleent de Commissie van de Europese Gemeenschappen financiële steun voor modelprojecten tot instandhouding van het architectonisch erfgoed. Vanaf 1989 zal deze actie kaderen in een vierjarenplan met de volgende thema's: - 1989: Uitzonderlijke burgerlijke en
14
en religieuze monumenten of historische plaatsen. 1990: Historische gebouwen die bepalend zijn voor het stads- of plattelandsweefsel. 1991: Getuigenissen van industriële, agrarische en ambachtelijke produktieactiviteiten van de mensheid.
M&L BINNENKRANT
De aanvragen moeten vóór 8 februari 1989 worden ingediend. Voor nadere inlichtingen, volledig reglement en inschrijvingsformulieren kan men zich wenden tot de Commissie van de Europese Gemeenschappen (DCX-'Culturele Zaken'), Wetstraat 200, 1040 Brussel, of tot het Bestuur voor Monumenten en Landschappen, Belliardstraat 18, 1040 Brussel, ® 02/513.99.20 (vragen naar M. Fierlafijn).
Gebouw bestemd voor de huisvesting van het Europees Parlement te Brussel. Historiek van het bouwontwerp. Toen het Ministerie van Openbare Werken de opdracht ontving een gebouw op te richten voor het Europees Parlement, in de nabijheid van het thans bezette gebouw, Belliardstraat 107-113, werden meerdere oplossingen in die wijk in beschouwing genomen. Aldus heeft het Ministerie van Openbare Werken in november 1981 de Groep Planning ermee belast een architectuurontwerp op te maken voor het Europese Parlement op het terrein gelegen tussen de Belliard- en de Van Maerlantstraat. De onteigening van de bij het programma betrokken percelen aan de Belliard- en de Van Maerlantstraat, werd voorzien in het Koninklijk Besluit van 23 oktober 1980. Voor deze belangrijke wijk legden de Stedebouwkundige diensten van de Stad Brussel de verplichting op, het woonmilieu te vrijwaren en te doen heropleven in heel het stadsdeel en meer speciaal in het blok dat omsloten wordt door de Etterbeeksesteenweg en de Pascal- en Maerlantstraat.
• f _ r
h
.
^J
•^
^^^i
^-^ ^1
—
b^
^
^
^
_i ^ ^
•
Het stedebouwkundig voorstel voorzag een stadsaanleg die als basis zou kunnen dienen voor de ruimtelijke ordening die noodzakelijk is tussen de Belliardstraat en het Schumanverkeersplein. De basisidee voor die aanleg was gesteund op de volgende principes: — Het bestaande gebouw van de Commissie van het Europees Parlement met zijn uitbreiding integreren door het scheppen van een stedebouwkundige vormgeving die zijn Europese functie benadrukt. — De benedenkant van de BeUiardstraat benadrukken en afwerken door deze 19de-eeuwse verkeersas af te sluiten met een rechthoekig plein, in analogie met het Schumanverkeersplein. Dat plein zou het ruimtelijk verbindingsteken zijn tussen de Ministerraad, de Commissies van het Parlement, het woningblok aan de Etterbeeksesteenweg en de groene ruimte van het Leopoldspark. — De voor deze stadswijk vereiste kunstwerken concentreren onder een nieuw openbaar plein, zonder de collector van de Maelbeek te wijzigen.
Waaier van de mogelijke uitbreidingen van het Europees Parlement in de wijk Vanaf het bestaande gebouw van de Parlementaire Commissies, Belliardstraat 107, is een uitbreiding van kan-
toren gerealiseerd langs de Belliardstraat naar de Ardennestraat toe. Intussen is ook de uitvoering begonnen van het project aan de BeUiardstraat/Van Maerlantstraat dat 210 kantoren en 3 vergaderzalen zou omvatten. Later zou een uitbreiding kunnen worden voorzien langs de Belliardstraat, op de plaats van het huidige parkeerterrein. Dit zou het mogelijk maken 3 of 6 bijkomende zalen en ± 200 kantoren te verwezenlijken. Aldus zou langs de Belliardstraat een erekoer tot stand kunnen komen, in de as van de nieuwe uitbreidingen en voor het bestaande gebouw van de Parlementaire Commissies, vergelijkbaar met het Belgisch Parlement in de Wetstraat. Die koer zou omheind kunnen worden met een sierlijke afrastering. De zalen kunnen achteraan ingeplant worden, beschut tegen het lawaai van de Belliardstraat. Die realisatie zou de Parlementaire Commissies de mogelijkheid geven in Brussel over 9 bijkomende zalen en ± 400 nieuwe kantoren te beschikken. Rond dit gehele zouden dan overgangsgebouwen voorzien worden die woon- en dienstenfuncties vervullen, zoals voorzien werd in het sectorplan (gemengde zone).
M&L BINNENKRANT
15
De stedelijke structuur De Commissies van het Europees Parlement, gegroepeerd in een geheel van gebouwen, kunnen een aanzet betekenen voor de herstructurering van de benedenkant van de Belliardstraat en in de Stoomsleperstraat. Bovendien biedt deze optie een oplossing voor de terreinen aan de benedenkant van de Belliardstraat. Het wedersamenstellen van een stedelijke structuur bestaande uit straten, pleintjes en een groot plein aan het einde van de Belliardstraat, kan ten opzichte van het Europees Parlement een belangrijk merkteken zijn, vergelijkbaar met het Schumanverkeersplein ten opzichte van de Ministerraad (Karel de Grote-gebouw) en de Europese Commissie (Berlaymontgebouw). Dat nieuwe plein zou een stedebouwkundige en ruimtelijke eenheid vormen met het Leopoldspark.
In die fase zou het Europese Parlement in totaal kunnen beschikken over 16 zalen voor de Commissies en 800 kantoren en dienstlokalen, dit alles gegroepeerd rond een erekoer in de Belliardstraat. Tussen die gebouwen in zouden twee voetgangersbruggen een complete lus vormen voor het inwendige verkeer. De verbinding tussen de Van Maerlantstraat en de Belliardstraat zou tot stand gebracht worden via een overdekte voetgangersdoorgang. Afscheiding van de zalen en de kantoren Om redenen van economische opvatting van de structuur, de constructie en de speciale technieken, werden de zalen en de kantoren niet boven elkaar geplaatst. Daar er een verschillende werkatmosfeer heerst in de zone van de zalen en in de zone van de kantoren, maakt de scheiding van die 2 eenheden een verschillende behandeling mogelijk en tevens een goede herkenbaarheid van buiten af. Dank zij die oplossing werd een gevoelige vermindering van de oppervlakken, de kostprijs en de exploitatiekosten bereikt.
De metalen boog-met-trekkers wordt aangebracht in de vroege ochtend van 21 mei 1988 (foto BML)
Verbinding met het hoofdgebouw, Belliardstraat 107 De verbinding bestaande uit twee niveaus, maakt rechtstreekse verbindingen mogelijk tussen de 2de verdieping van het bestaande gebouw, Belliardstraat 107, en het niveau van de zalen van de uitbreiding, dank zij
een trap boven de Belliardstraat. Het bovenste niveau van die brug verbindt de niveaus van de kantoren van de twee gebouwen met elkaar op de 4de verdieping zonder treden en maakt aldus het dienstverkeer mogelijk. Het functionele gegeven van dit Bruggebouw werd getransponeerd tot een stedelijk teken dat de Europese eenwording in dit deel van Brussel wil onderstrepen. Het Brug-gebouw wordt aldus een Europees symbool dat de plek van de Europese instellingen te Brussel moet aanduiden. In de 19de eeuw onderstreepte de Triomfboog van het Jubelpark te Brussel de aanwezigheid van de monarchie. Vandaag wil de overbrugging door een boog, de groei tussen de Europese staten benadrukken en aldus de Europese eenmaking te Brussel symboliseren. Het is vandaag te Brussel — omwille van de schaalvergroting van onder ander de Europese instellingen —
16
M&L BINNENKRANT
Architecturale uitdrukkingskracht De bouwhoogte in de Belliardstaat varieert van 25 tot 28 m hoogte, dakwerk inbegrepen. Het huidige gebouw van het Europees Parlement, Belliardstraat 107, waarin de Commissies zijn ondergebracht, is 32 m hoog. Het aanhouden van een bouwhoogte van 24,80 ter plaatse van de ingang van het nieuwe gebouw in de Van Maerlantstraat, maakt het mogelijk een hoog volume te voorzien voor de kantoren en een laag volume voor de zalen. Aldus wordt een goede overgang van de volumes bekomen ten opzichte van het naburige neogotische klooster.
belangrijk om nieuwe instellingen leesbaar te maken voor de bewoner en gebruiker en ze aldus te beklemtonen met duidelijke stedelijke tekens en metaforen. De Europese wijk wordt vandaag vanuit de Belliardstraat bereikt, waardoor het brug-gebouw als eerste zichtbaar signaal en als Poort van de Europese zone zal worden ervaren. Het Brug-gebouw bestaat uit een transparante metalen boog met trekkers, waaraan een stenen sokkel hangt. De metalen boog krijgt een stedelijke groene kleur, de sokkel wordt met dezelfde witte steen van de twee parlementsgebouwen gebouwd. Het Ministerie van Openbare Werken is opdrachtgever. Groep Planning — onder de leiding van Prof. Jan Tanghe — treedt op als ontwerper, het aannemersbedrijf C.F.E. verzorgt de uitvoering en de beeldhouwer Jean-Paul Laenen zal het brug-gebouw met beelden tooien.
Retie, de stam van de linde vóór en na de restauratie. De bandijzers rond de stam werden vervangen door draadstangen om de stabiliteit van de stam te verhogen (foto BML)
Sanering Metselwerk en staketsel werden integraal vervangen. Binnen en buiten het nieuwe metselwerk werden in de bodem ribbeldrains aangebracht waardoor bij extreme droogte water kan worden toegediend. Van de gelegenheid werd gebruikt gemaakt om de bodem te verbeteren en te bemesten. Voor het huidige staketsel werd geopteerd voor de Afrikaanse houtsoort Padoek. Aangezien de gesteltakken van de boom mechanisch zwak waren, moest het onderstel zeer omzichtig ver- Retie, bovenaanzicht van een inrottende tak. Conform de nieuwe vangen worden: met behulp van voorlopige stutten inzichten inzake boomverzorging werden inrottingen niet tot op het werd tak per tak ondersteund; eenmaal een gedeelte gezonde hout uitgefreesd, om verspreiding van rot te vermijden vernieuwd, kon aan een volgende tak gewerkt wor- (foto BML) den. Een goede coördinatie tussen de aannemer, de schrijnwerker, de boomverzorger en de werfleider was, gezien de moeilijkheidsgraad en het unieke karakter van de opdracht, essentieel. De boomverzorgingstechniek komt overeen met deze aangewend bij de linde van Westerlo, met dien verstande dat in Retie het werkvolume groter was en de boom kwetsbaarder. Een aantal takken en de kruinaanzet werden verankerd: om de ringspanning te herstellen werden langs de wondranden, dwars op de lengterichting van de takken, draadstangen bevestigd. Onder de boom werd in een zandbed zonder stabilisatie een bestrating van hergebruikte gebakken klinkers aangebracht. Een verharding in gestabiliseerd zand zou het regenwater immers beletten via de voegen tot
Westerlo, de marktlinde na de restauratie (foto O. Pauwels)
33 M&L
bij de wortels door te dringen. Belangrijk is dat voortaan geen dooizouten onder de boomspiegel gestrooid zullen mogen worden; zij doen wortels uitdrogen en afsterven, waarbij bladrandnecrose optreedt.
De linde van Westerlo Over de geschiedenis van de marktlinde te Westerlo is weinig geschreven bronnenmateriaal terug te vinden. Afhankelijk van de bron werd de boom rond 1630 (13) tot lang ervoor (14) aangeplant. De boom heeft alvast een unieke vorm: een doorgaande stam met een etage bekroond met een bolvormig gekandelaarde kruin. Een gietijzeren staketsel ondersteunt de horizontale takken van de etage. Op 19 februari 1951 werd de marktlinde van Westerlo beschermd als landschap, en op 23 oktober 1981, als monument. De voorlopige oplevering van de dringende instandhoudingswerken aan boom en staketsel werd gehouden op 20 mei 1988. Aangezien de boom bovengronds altijd goed werd onderhouden, vertonen stam en takken maar weinig problemen. Bij het
Drie van de zeldzame etagelinden in West-Europa: — Boven: Momignies (Macon), de recent gerestaureerde etagelinde op het marktplein van de Henegouwse gemeente (foto BML) — Boven rechts: Enen-Leur, gestutte linde in Nederlands Limburg (foto Shell) — Rechts: Kasberg, de bijna 1000-jarige Kunigundenlinde bij Nuremberg, West-Duitsland
M&L 34
snoeien van de boom werden alle twijgen weggenomen, met behoud van een aantal scheuten ter vervanging van verouderde takken (vervangings- of verjongingssnoei). In tegenstelling tot vroegere boom verzorgingspraktijken werden uit de holten in stam en takken enkel losse bestanddelen, stenen, mos, bladafval ... verwijderd. Het grondig uitkuisen "tot-op-hetgezonde-hout' (de vroegere praktijk) beschadigt immers de door de boom gevormde barrières tussen het gezonde en het rotte hout waardoor rotverspreiding gestimuleerd wordt (15). Zoals bij veel oude bomen is de stam van de marktlinde op meerdere plaatsen hol. Ter hoogte van de bolvormige kruin werd zo'n holte destijds opgevuld met baksteen en mortelspecie, teneinde waterindringing tegen te gaan en overgroeiing van de caviteit mogelijk te maken. Dit is echter een pleister op een houten been omdat mettertijd tussen het opvullingsmateriaal — de vulling of plombe — en het hout een 'spouw' ontstaat die, door de vrij constante temperatuur en vochtigheidsgraad, een gunstig milieu vormt voor allerhande organismen als schimmels en insekten. Aangezien het rottingsproces, door de aanwezige vulling, oncontroleeerbaar is, werden de loszittende stenen verwijderd zonder het gezonde hout te beschadigen. Om de groei, en dus de vitaliteit en de conditie.
van de boom te verbeteren, werd de bodem verbeterd en bemest. Meststoffen zijn noodzakelijk voor een optimale bladgroenverrichting. Hierbij wordt koolzuur uit de lucht, onder invloed van het licht, in het blad omgezet tot suikers. Een deel van de suikers wordt in de boom opgeslagen als energiereserve. Bij het uitlopen van het blad en in stress-situaties, zoals aantasting door insekten en ziekten of bij verwonding verbruiken bomen namelijk opgeslagen suikers. Bodemverbetering omvat die maatregelen die de bodemstructuur verbeteren opdat de water- en zuurstofvoorziening in de wortelzone optimaal blijven of worden, de wortels zich beter ontwikkelen en water en meststoffen opnemen. Het staketsel Uit het gemeenteraadsverslag van Westerlo van 28 juni 1891 blijkt dat de Marktlinde in 1871 ter vervanging van het houten, een gietijzeren staketsel aangemeten kreeg. De constructie vertoonde een cirkelvormig grondplan van twee maal zestien geringde, onderling ter hoogte van het kapiteel met I-profielen — op gesmede hoekschoren — verbonden, achthoekige kolommen op blauwe hardstenen voetstukken, waarvan de buitenste zestien met een geprofileerde, blauwe harstenen plint verbonden waren. Het geheel had een diameter van ca. 12 meter. In 1980 besliste de gemeenteraad de Marktlinde te restaureren. Immers, in de voorbije 100 jaren waren nagenoeg de helft van de kolommen vervangen geworden door asbest- en betonpalen of rondhouten stutten en verkeerden de resterende in een dermate slechte toestand dat de stabiliteit van de boomkruin in het gedrang kwam. Aanvankelijk werd, omwille van het rustiek karakter, een betere vertrouwdheid met hout dan met gietijzer en vooral ook de kostprijs, geopteerd voor een eikenhouten skelet van gebiljoende palen en dwarsbalken op gereconstrueerde blauwe hardstenen voetstukken. Het eikenhouten staketsel werd in 1980 geraamd op 659.634,-fr.; de verzorging van de boom op 556.800,-fr. Op advies van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen werd in 1984 echter beslist opnieuw een gietijzeren staketsel te plaatsen. Men kon.
Westerlo, toestand tijdens de werken. Het nieuwe gietijzeren staketsel is reeds aangebracht. Ingegroeide I-profielen van het vorige onderstel worden, zonder extra schade te berokkenen, voorzichtig verwijderd (foto BML)
ongeacht de meerprijs, niet voorbijgaan aan dit industrieel-archeologisch uitzonderlijk en esthetisch aantrekkelijk getuigenis van 19de-eeuwse giet- en smeedijzer toepassing in de monumenten- en landschapszorg. Op 30 september 1985 hechtte de gemeenteraad van Westerlo zijn goedkeuring aan het aangepaste ontwerp in giet- en smeedijzer voor een bedrag van 2.778.200,-fr. De boomverzorging werd goedgekeurd voor een raming van 787.869,-fr. Omdat de Marktlinde van Westerlo bij K.B. van 23 oktober 1981 als monument beschermd is, werden in toepassing van artikel 6 van het Besluit van de Vlaamse Executieve van 1 juli 1982 de kosten als volgt verdeeld: de Vlaamse Gemeenschap 60%; de provincie Antwerpen 20%; de gemeente Westerlo 20%. Gezien het karakter van de werkzaamheden werd de procedure van dringende instandhoudingswerken ten belope van maximaal 2.000.000,-fr. toegepast.
Voetnoten (1) (2) (3) (4) (5) (6) (7) (8) (9)
Vinck K., Onze Boomen, Leuven, 1932, p. 77. Copijn J., Bomen laten leven, Amsterdam, s.d. p. 156. Copijn J., o.c., p. 156. Vinck K., o.c, p. 76. d'Alviella G., Histoire des Bois et Forêts de Belgique, tome 1, Parijs-Brussel, 1927. Nationaal Houtvoorlichtings Bureau, Het Hout, Brussel, 1960. Copijn J., o.c, p. 157. Grootendorst H.J., Dendroflora 7: 69-71: Tilia keuringsrapport van de regelingscommissie sierbomen N.A.K.B.. Boom B.K., Nederlandse Dendrologie, Wageningen, 1978.
(10) Bary-Lenger A., Evrard R. en Gathy P., La Forêt, Liège, 1974. (11) Sneyers E., Bijdrage tot de geschiedenis van Rede, 1949. (12) Adriaensen A., Brochure over de linde van Retie, 1988. (13) Wijnants J., Verslagaan de K.C.M.L. betreffende bescherming als monument van de linde van Westerlo, Brussel, 1980 (niet gepubliceerd). (14) Onzia J., Westerlo, 1947. (15) De Haeck A. en Geeroms P., Nieuwe inzichten in verband met boomverzorging, RMLZ-documentatiemap Landschapsonderzoek 13, 1985. (16) Bijdrage Van den Bossche H., B.M.L. 35 M&L WÊÊÊm
Het 'Hof van Hoogstraten', de Brusselse verblijfplaats van Antoine de Lalaing
Dirk Van Eenhooge en Marcel M. Celis, B.M.L.
Dat in de kelderverdiepingen van het vroegere Rekenhof, gelegen aan het Brusselse Koningsplein, nog getuigen aanwezig waren van het Bourgondische Hof van Hoogstraten, was de geschiedschrijvers Henne en Wauters (1) en stadsarchivaris Des Marez reeds bekend (2). Een bouwaanvraag voor aanpassings werken ten behoeve van het Ministerie van het Brusselse Gewest, leidde in 1985 tot een uitgebreid archeologisch onderzoek. Dit bracht aan het licht dat van het prestigieuze Hof van Hoogstraten veel meer bewaard bleef dan werd verondersteld. Deze ontdekking werd reeds sporadisch vermeld in de dag- en weekbladpers (3) en maakte het voorwerp uit van mededelingen op archeologische congressen (4). Ze wordt hier voor het eerst op een uitvoerige manier beschreven.
Het onderzoek Op aanvraag van de Directie Brussel-Hoofdstad van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen werd het archeologisch onderzoek in augustus 1985 aangevat door de Afdeling Archeologie van hetzelfde Bestuur en, met talrijke onderbrekingen, voortgezet tot eind 1987. Naast het sonderen van talloze muren en plafonds, omvatte deze prospectie eveneens 16 opgravingssleuM&L 36
ven die niet alleen informatie aanbrachten inzake bouwgeschiedenis, vloerniveau's en dateringen, maar ook leidden tot de (her)ontdekking van twee traptorens, een kelder, de huiskapel en de latrine. Een grote hulp boden de tekeningen die de Italiaanse kunstenaar Remigio Cantagallina van het Hof van Hoogstraten maakte omstreeks 1612. Het was hoofdzakelijk deze informatie, aangevuld met de resultaten van het onderzoek, die een reconstructietekening van het Bourgondische gebouwencomplex mogelijk maakte.
Remigio Cantagallina In 1886 legt het 'Musée Royal de Peinture et de Sculpture de Belgique' in Firenze, bij een zekere Vincenzo Capelli, voor 500 bf de hand op 105 17de-eeuwse tekeningen, overwegend zichten uit de Lage Landen en het Prinsbisdom Luik. H. Fierens-Gevaert zou deze tekeningen in 1923 voor het eerst uitvoerig bespreken en toeschrijven aan de Florentijnse kunstenaar Remigio Cantagallina (1582(?)-1656), medewerker van architect Giulio Parigi (1571-1635) aan het hof van de Medici. Het verblijf van Remigio Cantagallina in de Lage Landen, mogelijks op uitnodiging van zijn leeftijdgenoot hertog Alexandre de Bournonville (1585-1656) duurt ruim 20 maanden, te situeren tussen maart 1612 en oktober 1613. Een dertig tekeningen hebben betrekking op Brussel. Na zijn huwelijk met Anne de Melun in september 1611 en gestimuleerd door de tijdelijke heropleving van het hof onder de Aartshertogen Albrecht en Isabella na het intreden van het Twaalfjarig Bestand (1609-1621), had Alexandre de Bournonville hier inderdaad verbouwingswerken laten aanvatten aan het oude hof van Mansfeld, langs de huidige Wolstraat. In afwachting vindt hij mogelijks een tijdelijk onderkomen in één der bijgebouwen of in het Hof van Hoogstraten waar hij eerder reeds, op jeugdige leeftijd, met zijn moeder Maria Christina van Egmont had verbleven.
-w
De — niet gedateerde — tekening nr. 2994163 draagt als opschrift "disegno del palatio (reale) di Brusel' (177 x 279 mm, bruin gewassen over potlood, rood krijt). De kunstenaar heeft plaatsgevat in de tuin, dicht bij de hoek van de Terarkenstraat en de Villa Hermosastraat. De bijzonder nauwkeurige schets toont ondermeer de tuinmuur — met kantelen — langsheen het Ingelantstraatje, de huiskapel van het Hof van Hoogstraten, de woonvleugels met traptoren en — uiterst rechts — de gotische bogengaanderij. Op de achtergrond, aan de overzijde van het Ingelantstraatje (gemarkeerd door een puntgevel), verrijzen de door Karel V gebouwde hertogelijke kapel (1525-1551) en de Magna Aula (1452-1460) van Filips de Goede. Bibliografie — de Lathuy R., Le Voyage de Remigio Cantagallina dans les Pays-Bas Méridionaux et la Principauté de Liège (1612-1613) a travers l'album de dessins conserve aux musées royaux des Beaux-Arts de Belgique, Licenciaatsverhandeling U.C.L., 1986-1987, onuitgegeven. — Fierens-Gevaert H., Voyage inédit d'un artiste florentin du XVllème siècle au beau pays de Flandres et de Wallonië, in Le Flambeau, I, Bruxelles, 1923, p. 1-36.
^
-: t l •• i
.-..
Ü.
i
^J"S
De historische context
bouwgeschiedenis, in vier grote perioden ingedeeld, in hun historisch kader situeren.
Voor een uitgebreide beschrijving van de historische context waarin het Hof van Hoogstraten ontstond en evolueerde is hier weinig plaats. Een goed begrip van Wat volgt is echter slechts mogelijk als we de fysische
Het startsein voor Periode I (13de - eerste helft 15de eeuw) werd gegeven door Hendrik I, Hertog van Brabant (1190-1235) die vanuit de Brusselse benedenstad zijn residentie verhuisde naar de hogergelegen 37 M&L
/*
.^ .*V.^?
' -i* '.
' s. &s <?
"^*
-V -is> ^
>i>v
.e-
^
v^ •<?
SS
^
^
.^ ^>
^
#
oh O O
-U
>
t e
M&L 38
Coudenberg. In zijn spoor voegde zich de feodale adel, een evolutie die nog werd versneld door de omvangrijke verbouwingen die Jan III (1312-1355) in het hertogelijk slot uitvoerde. De feodale adel werd uiteindelijk door een Bourgondische adel vervangen. Uit het onderzoek is gebleken dat wat men later het 'Hof van Hoogstraten' zal noemen, in feite toen reeds gegroeid is uit de voortdurende aaneenvoeging van afzonderlijke woonsten die in deze Periode I werden opgericht. Deze bevinden zich in het bouwblok begrensd door de Hofberg, de huidige Villa Hermosastraat (toen de 'eerste Jode trappen' geheten), de Terarckenstraat, en de (nu overwelfde) Isabellastraat. Op het eind van deze eerste periode worden de
Plan 29 (detail). Reconstructietekening
gebouwen achtereenvolgens vermeld als het 'Hof van Kersbeke' (eigendom van Walter van Kersbeke) en het 'Hof van Auxy' (5). De eigenaar moet Jean IV, heer van Auxy (ca. 1396-1474) zijn geweest. Periode II (tweede helft 15de eeuw - 1776) laten we aanvangen met de aankoop van het Hof van Auxy door Filips van Bourgondië, heer van Beveren (t 1498), waarvan geweten is dat hij aan zijn Hof een kapel en een galerij toevoegde (6). Hij wordt opgevolgd door Antoon de Lalaing, graaf van Hoogstraten (1480-1540), die bovendien het aanpalend huis aankoopt en alzo het eigenlijke Hof van Hoogstraten samenbrengt.
van het Hof van Hoogstraten in de 17de eeuw (D. Van Eenhooge)
39 M&L
Boven: Jacob van Deventer (detail). 1550-1554, manuscript, oriëntatie Noord, ca 1/9000 (Brussel, Koninklijke Bibliotheek) Onder: Braun en Hogenberg (detail), 1572, oriëntatie Zuid-Oost, 116700 (Brussel, antiquariaat Van Loock)
In deze situatie komt geen fundamentele verandering tot Periode III (1776-1844), waarin — ruim 40 jaar na de brand in het hertogelijk paleis — het Koningsplein wordt aangelegd. In deze periode komt het grootste gedeelte van het Hof van Hoogstraten in handen van Corneel-Juste-Filibert-Filip, graaf van Spangen en Uytternesse, die een compleet nieuwe woning bouwt op het nieuwe, nu hoger gelegen niveau van het Koningsplein. Hiertoe sloopt hij blijkbaar de oude gebouwen die aan de Hofberg lagen. De overige gebouwen blijven echter grotendeels behouden, de nog vrijstaande gevels worden gerestaureerd, en bovenop deze gebouwen bouwt graaf van Spangen zijn nieuwe residentie! M&L 40
Boven: Martin de Tailly (detail), 1640. heruitgave van 1748, oriëntatie Zuid-Oost, 113000 (Brussel, Stadsmuseum) Onder: J. Laboureur en J. Van der Baren (detail), 1700, oriëntatie ca Oost, 114900 (Brussel, Algemeen Rijksarchief)
In Periode IV (1844-heden) worden deze gebouwen achtereenvolgens ingenomen door het Ministerie van Openbare Werken en het Rekenhof. Vanaf 1849 wijzen talrijke bouwaanvragen op herhaalde verbouwingen die weliswaar vooral op de hogere niveau's betrekking hadden. Toch werden uiteindelijk in en rond het oude Hof van Hoogstraten zoveel ruimtes heringedeeld, verbouwd en bijgevoegd, dat in de huidige toestand een bezoek aan het Bourgondische Hof nog steeds een lange zoektocht betekent langs ogenschijnlijk banale bureelruimtes, archieflokalen, gangen en, sinds het archeologisch onderzoek, soms metershoge puinbergen...
De stadsplannen Het eerste plan van Brussel, opgetekend door Jacob van Deventer in 1550-1554 in opdracht van Karet V, toont meteen de uitzonderlijke ligging van het Hof van Hoogstraten: op de Noord-Westflank van de Coudenberg, nog net binnen de eerste stadswal, op een steenworp van de hertogelijke Warande, ter hoogte van de vijver van de Clutinckx. De Coudenbergpoort (midden), net onder de gelijknamige abdijkerk, leidt via de tweede, XlVde-eeuwse stadsomwalling (rechtsonder) naar Eisene. Rond 1572 wordt het Hof van Hoogstraten voor het eerst gedetailleerd — doch onnauwkeurig — geschetst door Braun en Hogenberg, tussen 'Thof van den Keyser' en het 'Ravensteijn'. Merk meteen de twee traptorens. Bijzonder fraai, maar even weinig nauwkeurig, is het stadsplan van Martin de Tailly uit 1640. De Isabellastraat is doorgetrokken; het hoekhuis aan het Balieplein en de 'derde vleugel' zijn correct gesitueerd. Langs de eerste 'Jodentrap' wordt een dubbele (?) huizenrij afgebeeld, met achterin een ranke traptoren. Een kleine uitbouw, links onderaan, lijkt treffend op de — fout geplaatste — kapel. Aan de voet en aan weerszijden van de tweede 'Jodentrap', prijkt het tweeledige Ravensteyn. Zowel Laboureur en Van der Baren (1700) als Frickx (1711) wijzen op een stedelijke evolutie: de verhuizing van de adel naar de nabijgelegen Zavel, ter hoogte van de 'Paardemarckt'. De oude hoven aan de 'Hofstraet' staan leeg of worden verhuurd; het Ravensteyn wordt niet eens meer vermeld. Het Hof van Hoogstraten wordt nog uitdrukkelijk aangegeven maar is — zoals bij alle vorige plannen — verkeerdelijk rechtover de Magna Aula gesitueerd. Beide plannen tonen de kleine traptoren naast de Isabellastraat. Het Groot Plan van Brussel lijkt tot stand gekomen te zijn omstreeks 1760, nu bijna 30 jaar na de verwoestende brand van het hertogelijk paleis. Het vroegere Hof van Hoogstraten heeft stand gehouden naast de monumentale ruïnes. Nog enkele jaren, en op deze plaats verrijst het Koningsplein...
'•¥kl * •
CvC-;--
a
: i
#
•"vlllii,
'•f^iisA
Bibliografie — Danckaert L., L'Evolution territoriale de Bruxelles. La cartographic de ± 1550 a 1840, Arcade, Bruxelles, 1968.
.m%. Boven: Eug. Frickx (detail), 1711, oriëntatie ca Oost, 1/6600 (Brussel, Koninklijke Bibliotheek) Onder: Anoniem (detail), ca 1760, oriëntatie bijna Oost-ZuidOost, 111300 (Brussel, Stadsarchief)
Periode I (13de - eerste helft 15de eeuw)
maakte ook duidelijk dat er hier drie bouwfasen aanwezig waren die de bouw van de naastliggende huiskapel voorafgingen, en dus tot Per/o^e /behoren. Zoals vermeld ontstond het Hof van Hoogstraten uit Jammer genoeg moest deze opgraving, vooral wegens de samenvoeging van afzonderlijke woonsten. In het stabiliteitsproblemen, erg beperkt blijven zodat volleonderzochte — dit is het nu nog in opstand bewaarde dige resultaten uitbleven. — gedeelte van het complex zouden aldus in totaal Toch bleek duidelijk dat er zich onder Zaal 1 vroeger vier afzonderlijke gebouwen geïdentificeerd worden een kelder bevond. Hierop wezen het uitgebroken (zie plans). gewelf en de gepleisterde muurdelen die onder de oudste vloer werden aangetroffen. Huis I bevindt zich tussen de Isabellastraat en de huidige trapzaal. Een opgraving in Zaal 1 en Ruimte Waarschijnlijk werd de traptoren ten oosten van Zaal la leidde niet alleen tot de herontdekking van de 1 pas in een tweede fase toegevoegd, waarbij het huis traptoren die Cantagallina daar afbeeldde, maar dus uitgebreid werd in oostelijke richting. Zoniet valt 41 \ f * T
T" J.
iVX OC I J
moeilijk te verklaren waarom voor de bouw van de traptoren het keldergewelf werd uitgebroken en de fundering van de zuidwestelijke hoek van de toren in de kelder vooruitspringt en totaal onafgewerkt is, ongeacht nog de herstellingen aan weerszijden van de fundering. De kelder werd hierna gedempt en in Zaal 1 werd een nieuwe vloer gelegd die we 'in situ' aantroffen. Deze vloer in baksteen (afmeting 27 x 12,5 x 5,5 cm) was echter niet in mortel gelegd noch gevoegd en was op regelmatige afstanden onderbroken door 10 cm brede naden; bovendien eindigt het pleisterwerk op de muur 4 cm boven het niveau van deze vloer. Bijgevolg lijkt het aannemelijk dat deze in feite een soort fundering vormde voor een tegelvloer.
Huis III
De opvulling van de kelder leverde fragmenten op van daktegels, baksteen, aardewerk en steengoed. Het aardewerk omvat schalen en potten in rood aardewerk uit de eerste helft van de 14de eeuw (7) en een fragment van een kruik in grijs aardewerk. Tot het steengoed behoren een vroeg 14de-eeuws bodemfragment, afkomstig van de Zuid-Limburgse pottenbakkerijen van Brunssum-Schinveld, en twee frag-
Plan 5. Doorsnede BB. De gevels langsheen de Isabellastraat (D. Van Eenhooge)
meuten van Siegburg-kannen in wit, gevlamd steengoed uit eind 14de eeuw. De bouw van de traptoren kunnen we aldus ten vroegste op het eind van de 14de eeuw situeren. Vanuit Zaal 1 kon de traptoren betreden worden via een deuropening die ca 50 cm boven het niveau van de vloer in Zaal 1 lag. De deuropening heeft een zandstenen, rechthoekig ingesneden omlijsting. Resten van de trap werden in de opgraving teruggevonden. De traptoren
Plan 8. Doorsnede AB (boven) en Ruimte Ja-sleuf 5a (onder) (D. Van Eenhooge)
M&L 42
Van het oorspronkelijke uitzicht van de binnenzijde van de traptoren weten we, ingevolge een latere verbouwing, weinig. Wel was duidelijk dat de deuropening naar de tuin oorspronkelijk in de noordoostelijke hoek van de toren lag. In de derde bouwfase van deze Periode I werd de deuropening verplaatst naar de noordwestelijke hoek (plan 8, nr. 45) en werd een bakstenen spiltrap met zandstenen treden ingebracht. Van deze trap bleven de onderste vijf treden volledig bewaard; uit de manier waarop deze in de muur zijn ingewerkt blijkt duidelijk dat ze een latere toevoeging vormen. Onderin de traptoren bevindt zich een mooi verzorgde vloer in baksteen (afmeting 26 x 12 x 5 cm).
Traploren
Op dit niveau wordt de toren verdeeld door een muur (plan 8, nr. 38); het deel ten zuiden hiervan was opgevuld. In deze opvulling — die slechts zeer gedeeltelijk kon onderzocht worden — werden fragmenten aangetroffen van een kookpot in rood aardewerk, bedekt met loodglazuur. De geprononceerde ribben op de schouder lijken een datering in 1375-1425 te suggereren (8). We dateren deze verbouwing van de traptoren dan ook in de eerste helft van de 15de eeuw. Op het gelijkvloerse niveau werden onder een dikke cementbezetting sporen aangetroffen van het verdere verloop van de spiltrap (zie plan 8). Over het uitzicht van Huis I hebben we voor deze periode voorts weinig gegevens, ook al omdat het meestal niet meevalt vast te stellen tot welke periode bepaalde elementen behoren. Tot Periode I behoort in elk geval de zandstenen plint (plans, nr. 24) op de oostelijke en noordelijke gevels van het huis: we konden immers vaststellen dat de huiskapel tégen deze plint was aangebouwd. Best bewaard is de plint in de nu overwelfde Isabellastraat (toen nog Ingelantstraatje geheten (9); de naam Isabellastraat ontstond pas bij de heraanleg van de straat omstreeks 1625 door de Infante Isabella (10)). De plint varieert in hoogte, en volgt de helling van de straat (zie plan 5). Wat onmiddellijk opvalt, is dat de gevel en plint van Huis III duidelijk later aangebouwd zijn.
Over het oorspronkelijk uitzicht van de noordgevel van Huis I weten we weinig: de vensters op niveau 1 behoren tot Periode III, deze op de gelijkvloerse verdieping waarschijnlijk tot Periode II: bij één van de vensters (bijl. 2, plan 6, nr. 7) is duidelijk dat de onderdorpel oorspronkelijk lager lag; in tegenstelling tot de zandstenen omlijsting van het venster is dit onderste gedeelte voorzien van een afgeschuinde bakstenen dagkant. Door latere verbouwingen verdwenen alle sporen onder de andere vensters. Huis II Dit huis omvat, op gelijkvloers niveau, de huidige trapzaal en Zaal 2. Uit de manier waarop Zaal 4 aansluit bij het huis is duidelijk dat het reeds bestond toen de bogengaanderij én Zaal 4 werden gebouwd, en dus tot Periode I behoort. Nog minder dan in Huis 1 kunnen we hier elementen aanduiden die onbetwistbaar tot Periode I kunnen gerekend worden. Hiertoe behoort wel de kelder (kelder B), waarvan het gewelf echter in het recente verleden werd uitgebroken en vervangen door een betonplaat. De uitbraaksporen die we in de noordelijke, zuidelijke en westelijke muur aantroffen (bijl. 2, plan 14, nr. 91) wijzen op een groot tongewelf in baksteen (afmeting 26 x 12 x 5 cm). Deze kelder loopt evenwel niet onder het gehele huis door: opgravingen 43 M&L
•
—
in de trapzaal wezen duidelijk uit dat zich hier géén kelder bevonden heeft (zie plan 14). Ook dit huis is voorzien van een zandstenen plint, waarvan op de noord- en westgevels resten bewaard bleven. In de westgevel bevindt zich een kelderdeur (plan 20, nr. 127) die werd dichtgemaakt bij laat 18de-eeuwse verbouwingen. Een verdere beschrijving van het huis verwijzen we naar Periode II, daar het onderscheid tussen beide perioden niet kon gemaakt worden. Huis III Eenzelfde probleem stelt zich voor Huis /ƒ/, waar we ons nu ook tot de kelderverdieping zullen beperken. Deze had bij de aanvang van het onderzoek het uitzicht van een recentelijk aangelegde stookkelder voor de verwarmingsinstallatie: de noordelijke, oostelijke en westelijke muren zijn in moderne baksteen, maar onder de zeer dikke cementbezetting van de zuidelijke muur schuilde een natuurstenen muur (bijl. 2, plan 17, kelder C), waarin ook baksteen sporadisch is verwerkt. In deze muur bevindt zich één klein venstertje (plan 17, nr. 105); uitbraaksporen wijzen op het vroegere bestaan van een zware tussenmuur (plan 17, nr. 106). Opvallend is dat de natuurstenen muur rechtstreeks aansluit bij de bakstenen muur erboven, en er geen sporen van een gemetseld gewelf zijn waar te nemen; we veronderstellen dan ook dat de kelder met een balklaag was overdekt. Over de oorspronkelijke omvang van de kelder en van het huis zelf bestaat geen duidelijkheid: in oostelijke richting kon het kelderniveau niet worden onderzocht en de opgraving in Zaal 4 leverde enkel een sterk verbouwde bakstenen fundering op. Waarschijnlijk werd Zaal 4 in Periode II volledig aan het huis toegevoegd. Een aantal details wettigen de veronderstelling dat Huis III het oudste element van het Hof van Hoogstraten vormt, maar dat hiervan enkel de kelderverdieping bewaard bleef en de bovengrondse niveau's in Periode II volledig herbouwd werden. Huis IV Dit huis is een 'breedhuis' gelegen langs de 'eerste Jode trappen', nu de Villa Hermosastraat. De kelder van dit huis is overwelfd met bakstenen gewelven op zandstenen gordelbogen. Zowel in de oost- als in de westmuur bevinden zich keldervensters.
Periode II (tweede helft 15de eeuw - 1776) In deze periode bereikte het Hof zijn maximale omvang. Een eerste uitbreiding en verfraaiing greep plaats onder Filips van Bourgondië, heer van Beveren, die aan het Hof een kapel en gaanderij toevoegde. M&L 44
Antoon de Lalaing Als jongste zoon van Josse de Lalaing (ca 1437-1483), heer van Montigny, en Bonne de la Viesville, Vrouwe van Sains, maakt Antoon de Lalaing (1480-1540) reeds op zestienjarige leeftijd deel uit van de hofhouding van hertog Filips de Schone (1478-1506). Met de titel van 'kamerheer' zal hij deze als vanzelfsprekend vergezellen op diens 1ste (1501-1503) en 2de (1505) Spaanse successiereizen. De scherpzinnige, vaak naïef-realistische verslaggevingen van deze expedities, bezorgen de ambitieuze hoveling meteen een wijd verspreide faam. Op 25 september 1509 overlijdt Filips de Schone in Burgos aan de gevolgen van een onverklaarbare koorts. Prins Karel (1500-1559) is nog maar een kind, niet bij machte te regeren. Margaretha van Oostenrijk (1480-1530), de jongere zuster van de betreurde hertog, treedt aan als landvoogdes. Haar leeftijdsgenoot Antoon de Lalaing heeft het intussen gebracht tot kastelein van Ath en commissaris bij de wapenschouw van het veldleger. Op 11 april 1509 treedt hij in het huwelijk met Elisabeth van Culemborg (1475-1555), kersverse — en steenrijke — weduwe van zijn boezemvriend Jan van Luxemburg (f 31 september 1508), dochter van Jasper van Culemborg (ca 1445-1504) en Johanna de la Roche (ca 1460-1511), dochter van Antoon van Bourgondië (1421-1504), graaf de la Roche, 'Groot-Bastaard' van Filips de Goede (1396-1467). In 1512 vatten de echtgenoten in Mechelen de bouw aan van een nieuwe woonst, in feite een paleis, naar de plannen van Rombout Keldermans. De macht en het aanzien van Antoon de Lalaing wassen overigens zienderogen. In 1515 neemt Karel V hem op als lid van zijn Raad en benoemt hem tot Hoofd van de Financiën. Twee jaar voordien was hij reeds gepromoveerd tot tweede kamerheer van de prins. In het besef dat hun huwelijk kinderloos zal blijven, schenkt Elisabeth haar echtgenoot in 1916 het land en de heerlijkheid van Hoogstraten, de heerlijkheid van Minderhout, het huis van Mechelen en het huis van Brussel. Nog hetzelfde jaar, op 6 november, wordt Antoon te Brussel verheven tot Ridder van het Gulden Vlies. In juni 1518 verheft Karel Vbij brief Hoogstraten tot graafschap. De kroning van Antoine de Lalaing tot Graaf van Hoogstraten volgt op 25 november, in de Brusselse Sint-Michielskathedraal. In 1519 breidt hij zijn titels nogmaals uit tot de heerlijkheid Rijkevorsel. Op 8 februari 1522 benoemt de keizer hem tot stadhouder van Holland, Zeeland en Friesland. Intussen heeft de begenadigde diplomaat geleidelijk aan het vertrouwen weten te winnen van Margaretha van Oostenrijk, in die mate dat deze hem op 15 mei 1523 benoemt tot Ereridder.
Aangezien er aldus een groter en complexer geheel tot stand kwam, lijkt het waarschijnlijk dat met deze uitbreidingen ook grondige aanpassingen van de andere gebouwen moesten doorgevoerd worden. Vandaar enige aarzeling om elementen van de bovengrondse verdiepingen zondermeer aan Periode I toe te schrijven. Ze worden dan ook gezamenlijk in deze Periode II beschreven. Een verdere uitbreiding van het Hof gebeurde door Antoine de Lalaing, graaf van Hoogstraten (14801540), die nieuw aangeworven bezittingen (waarschijnlijk aan de Hofberg gelegen) bij het vroegere Hof van Beveren toevoegt, aldus het eigenlijke 'Hof
De huiskapel Eveneens langs de Isabellastraat lag de huiskapel van het Hof van Hoogstraten, waarvan het bestaan niet enkel uit archivalische gegevens bekend was, maar die ook afgebeeld is op een tekening van Cantagallina als een smal langwerpig gebouwtje met driezijdig afgesloten koor. Nabij het koor bevindt zich aan de westzijde een erkerachtige uitbouw.
Voortaan is Antoon de Lalaing haar persoonlijke raadgever, zonder dewelke nauwelijks nog iets wordt beslist. Margaretha zal hem zo ook haar bevoegdheden voorlopig overdragen vooraleer zij op 1 december 1530, na een kortstondige ziekte overlijdt. Meteen verloor Antoon de Lalaing tegelijkertijd zijn beschermster en een aanzienlijk deel van zijn inkomsten.. Hoewel de nieuwe landvoogdes Maria van Hongarije (15051558), zuster van de keizer, hem zijn ambten als Hoofd van de Financiën en als Stadhouder liet behouden, zou zijn invloed merkelijk tanen. Bovendien groeit te politieke situatie stilaan naar een chaos toe. Tijdens het bestraffen van de Gentse opstandelingen, kort na de plechtige intrede van de keizer op 14 februari 1540, wordt de graaf ernstig ziek. Hij overlijdt er op 2 april. Bibliografie — Born R., Les Lalaing, Les Editeurs d'Art Associés, Bruxelles, 1986. — De Jong J.D., Elisabeth van Culemborg 1475-1555, Levensschets, in Jaarboek van Koninklijke Hoogstratens Oudheidkundige Kring, 24ste jaar, 1957. p. 1-29. — Lauwerys J., Elisabeth van Culemborg, in Jaarboek van Koninklijke Hoogstratens Oudheidkundige Kring, 24ste jaar, 1956, p. 13-168. — Lauwerys J., De graven van Hoogstraten (1518-1709), 1, in Jaarboek van Koninklijke Hoogstratens Oudheidkundige Kring, 33ste jaar, 1965, p. 88-185.
van Hoogstraten' creërend. De situatie zou nadien niet fundamenteel meer veranderen, tót de aanleg van het Koningsplein. Vermelden we ook nog dat in deze periode aan de overzijde van het Ingelantstraatje, later Isabellastraat, de door Hendrik I (1190-1235) gestichte hertogelijke residentie uitgroeide tot een groots hertogelijk paleis. Meest imponerende gedeelten hiervan waren vooral de langs de Isabellastraat gelegen hertogelijke kapel en, daarop aansluitend, de Magna Aula, allebei zichtbaar op de schetsen van Cantagallina.
Tussen en onder 18de-eeuwse en latere verbouwingen kwamen nog enkele resten van deze kapel tevoorschijn. Op een diepte van 1,20 m onder de huidige vloer legden we de westmuur van de kapel bloot over een lengte van 4,50 m. De buitenkant van deze baksteenmuur (afmeting 27 x 13 x 5,5 cm) kon niet onderzocht worden. Wel bleef een gedeelte van de tegelvloer bewaard. Deze vloer, bestaande uit rode en zwarte ongeglazuurde tegels (afmeting 14 x 14 x 2 cm), ligt bovenop de uitspringende muurfundering en kan dus wellicht als de oorspronkelijke bevloering worden beschouwd. Langsheen de muur is hij afgewerkt met iets grotere (18,5 x 18,5 x 2,3 cm) zwarte tegels. De noordrand van de opgravingssleuf wordt gevormd door een massieve laat 18de-eeuwse muur, die zelfs gedeeltelijk op de oude vloer werd gebouwd en diende om de druk op te vangen van de gewelven die toen boven de Isabellastraat werden aangebracht. Het koor van de kapel bevindt zich nu onder een in 1930 opgericht gebouw en kon niet onderzocht worden. De opvullingslagen onmiddellijk onder de kapelvloer leverden geen archeologisch materiaal op en dus geen dateringselementen. Die vonden we echter wel in de onderliggende lagen die geassocieerd zijn met Periode I van Huis I: een occupatielaag, een loopniveau en een opvullingslaag waarin tussen brokstukken baksteen, natuursteen en daktegels ook wat aardewerk werd aangetroffen: een fragment van een drinkschaaltje in wit gevlamd steengoed uit Siegburg uit ten vroegste 1375 (II), een bodemfragment van zogenaamd Andenne-aardewerk met gelig loodglazuur uit ten laatste tweede helft 14de eeuw (12) en twee fragmenten van kannetjes in reducerend gebakken aardewerk, eveneens uit eind 14de - begin 15de eeuw. Stratigrafisch gezien kunnen we dus enkel stellen dat de huiskapel ten vroegste in de 15de eeuw werd gebouwd. Door onze vroegere vaststelling echter dat de verbouwing van de traptoren in Huis I, die de bouw van de kapel voorafging, in de eerste helft van de 15de eeuw te situeren was, kunnen we de datering van de kapel verfijnen tot ten vroegste de tweede helft van de 15de eeuw. Dit valt dan samen met de historische vermelding van Filips van Bourgondië (t 1498) als bouwheer van de kapel.
HuisI Op hetzelfde niveau als de kapelvloer bevindt zich in de noordmuur van Huis I een (dichtgemetselde) deuropening (bijl. 2, plan 6, nr. 33), die toegang gaf tot de traptoren. Deze deuropening bevindt zich echter 45 M&L WÊÊÊ
Plan 11. Een 15de-eeuwse 'melkteil' (D. Van Eenhooge)
ruim 1,30 m boven de oorspronkelijke vloer van de traptoren. Het is dan ook duidelijk dat bij de bouw van de kapel het onderste gedeelte van de traptoren werd gesupprimeerd: de traptoren vertoonde op het niveau van de deuropening een verharde grondlaag, waarop wel een vloer zal gelegen hebben.
niveau, onder een zware cementbezetting, de zandstenen omlijsting aan van drie vensteropeningen, waarvan althans één (bijl. 2, plan 6, nr. 7) een verbouwing van een ouder venster is. De vensters zijn bij de 1,30 m breed en 2,90 m hoog; de omlijsting vertoont een kwarthol profiel dat ook doorloopt in de bovendorpel (zie plan 6, nr. 6). De tussendorpel verdeelde, blijkens duidelijke uitbraaksporen, het venster in twee gelijke delen. De huidige arduinen onderdorpels zijn niet origineel. De vier vensters op niveau 1 behoren tot Periode III (zie verder). Nabij de noord-westhoek van het huis vonden we sporen van een ouder venster, waaruit enkel kon afgeleid worden dat de bovendorpel een stuk lager geplaatst was dan bij de huidige vensters.
Hieronder een opvulling met veel baksteen en — helemaal onderaan — een wijde schaal in rood aardewerk met twee horizontale handvatten, een uitgeknepen giettuit en een lensbodem op drie lobvoeten (plan 11). Enkel de binnenzijde van de schaal is volledig met glazuur bedekt, al kwamen tijdens het aanbrengen strepen en vlekken glazuur op de buitenzijde terecht. Dergelijke schalen, dikwijls 'melkteilen' genaamd, waren gemeengoed in alle keukens en zijn vrij moeilijk te dateren: ze komen reeds voor in de Latere verbouwingen lieten weinig heel van de bin14de eeuw (13) en hun vorm veranderde nauwelijks neninrichting van het huis. Op niveau O werd de tot in de 20ste eeuw (14). Wel lijken de late voorbeel- balklaag in Periode III vervangen door gewelven. den ondieper te zijn dan ons exemplaar dat, door de Enkele steekproeven op niveau 1 leerden wel dat de gesloten context waarin het werd aangetroffen, in de oorspronkelijke moerbalken aanwezig waren; de protweede helft van de 15de eeuw wordt gedateerd (15). fielen van de balksleutels zijn alle beschadigd, maar In de noordgevel van Huis I troffen we op gelijkvloers waarschijnlijk ging het hier om peerkraalprofielen. M&L 46
Ook de stenen consoles waar de balken ongetwijfeld op rustten zijn alle verdwenen. Een mysterieuse tegelkachel Bij de opgraving in Huis I (Sleuf 5) troffen we geen vloer of vloerniveau aan dat tot Periode II behoort. Boven de oudste vloer uit Periode I bevindt zich een opvullingslaag die reeds geassocieerd is met de eerste bouwfase van Periode III. In deze aanvullingslaag zat echter, samen met veel baksteenpuin, belangwekkend archeologisch materiaal: fragmenten van enkele tegels afkomstig van een zogenaamde tegelkachel, een imposante stookplaats opgebouwd met holle geglazuurde tegels. Uit de teruggevonden fragmenten kon althans één tegel nagenoeg volledig gereconstrueerd worden (plan 10). Deze bestaat uit twee delen: een 28 cm hoge en 13,5 cm brede nis in de vorm van een verticaal doormidden gesneden cilinder, en een soort raam dat vóór deze nis werd geplaatst. Het gaat hier dus om één van de oudste types van de nistegel, die ontstond in de 14de eeuw maar ook in de 15de eeuw nog veel voorkwam (16). Dit exemplaar en fragmenten van andere zijn tevens bedekt met een groene loodglazuur, al vertonen enkele tegelfragmenten tevens een gele loodglazuur. Beide kleuren zijn typerend voor deze oudere tegels (17); latere voorbeelden vertonen
dikwijls een rijke polychrome versiering, alhoewel het gebruik van groen en geel glazuur ook toen nog voortduurde. De 'gevel' van de nis vertoont een rijke versiering: de opening heeft de vorm van een gedrukte gotische driepas, hierboven blad- en bloemmotieven en ter bekroning een sierlijk uitgewerkte kruisbloem. Deze referenties naar de gotische architectuur zijn typerend, vooral voor de 15de-eeuwse nistegels (18). Nog tijdens de 15de eeuw evolueerde deze versiering naar een fijn uitgewerkt maaswerk, een verdere ontwikkeling dus van de vroege nistegels (19). Bij nagenoeg alle vergelijkbare voorbeelden worden de vlakken aan weerszijden van de kruisbloem of spits van de driepas ingenomen door twee identieke maar antithetisch opgestelde figuren zoals dieren, geometrische of plantaardige motieven, wapenschilden... . De tegels uit het Hof van Hoogstraten wijken hier echter op een zonderlinge manier van af: in het linkervlak bemerken we de Bourgondische vuurslag, in het rechtervlak een houten hek, waarover een soort tekstbanderolle is gedrapeerd. De vuurslag geeft alvast een dateringselement: de Bourgondische vuurslag, bestaand uit een ijzeren vuurslag en een vuursteen waaruit vonken spatten, was een creatie van Filips de Goede die hem, na de
HUUSSEL Hof van Hocxjslraton
0 I
r
i
3 5 i
i
10 mii
i
(lV(! Plan 10. Een 15de-eeuwse nistegel (D. Van Eenhooge)
47 M&L
Wm
dood van Jan zonder Vrees in 1419, aanbracht in de halsketting van de Bourgondische ridderorde die reeds door Filips de Stoute was gesticht (20). Deze vuurslag kan dus ten vroegste na 1419 op deze tegels zijn verschenen. Echt bekend werd de Bourgondische vuurslag natuurlijk door de halsketting van de Orde van het Gulden Vlies, door Filips de Goede gesticht in 1430. Een eerste veronderstelling was dan ook dat de rechterfiguur op onze tegels een heraldische verwijzing was naar één van de eigenaars van het Hof van Hoogstraten, die tevens lid was van deze ridderorde: eerst en vooral bleek ons 'houten hek' wel degelijk een heraldisch figuur te zijn (21); bovendien waren vanaf de Heer van Auxy tot en met Antoon de Lalaing alle eigenaars lid van de Orde (22). Bij geen van de betrokken Heren vonden we in het familiewapen echter deze figuur terug, waardoor dit eerste spoor doodliep. Een tweede mogelijkheid was dat de twee figuren samen een heraldische figuur vormden. Om dit te verifiëren bleef er niets anders over dan een zoektocht doorheen de meer dan 100.000 wapens die verzameld zijn in de geïllustreerde 'Armorial General' van Rietstap (23). Hoewel voorbeelden werden genoteerd van wapens met ofwel een vuurslag, ofwel een staketsel, ofwel een combinatie van één van beide met andere figuren, nergens vonden we de zo gegeerde combinatie. Het Mysterie van de Brusselse Kacheltegel blijft dus onopgelost (24). Samenvattend kan wel gesteld worden dat het hier om de resten gaat van een 15de-eeuwse tegelkachel.
De 15de-eeuwse nistegel, bedekt met een groene loodglazuur (foto O. Pauwels)
M&L 48
De eigenaars Door de tijden heen zullen de eigenaars van de lap grond tussen de 'Grote Straat' (de Hofbergstraat), de eerste 'Jode trappen' (de latere Villa Hermosastraat), de 'Terarckenstraat' en het 'Ingelantstraatje' (de latere Isabellastraat) elkaar gestadig opvolgen. Na de uitdrijving in 1370 van de oorspronkelijke Joodse bewoners, komt Walter van Kersbeke (ca 1370-1409?) zich vestigen aan de voet van de eerste trap, in de schaduw van het hertogelijk paleis. Hij wordt er enige tijd later opgevolgd door Jan IV (ca 1396-1474), heer van Auxy. Hogerop, naar de Grote Straat toe, woonde intussen ene Jean Toustain, wiens huis blijkens de cijnsboeken van 1432 en 1499 door Filips de Goede (1418-1467) onteigend werd ten gunste van zijn natuurlijke zoon 'Groot Bastaard' Antoon van Bourgondië (1421-1504). Na diens overlijden gaat het goed over naar zijn jongere halfbroer Boudewijn van Bourgondië
(....-....).
Het Hof van Auxy krijgt als volgende eigenaar Filips van Bourgondië (f 1518), zoon van Groot Bastaard Antoon. Johanna de La Roche (ca 1460-1511), dochter van deze laatste, treedt in 1470 in het huwelijk met Jasper van Culemborg (ca 1445-1504). Op 11 april 1509 gaat hun oudste dochter Elisabeth (1475-1555) een tweede huwelijk aan met Antoon de Lalaing (1480-1540). In 1516 schenkt ze haar echtgenoot 'het huis van Brussel', de vroegere woonst van haar grootvader. Vermoedelijk na het overlijden van haar oom Filips in 1518, verenigt Antoon de Lalaing de twee eigendommen. Hetzelfde jaar nog wordt Antoon verheven tot 1ste graaf van Hoogstraten. Het Brusselse Hof van Hoogstraten is geboren. Bij testamentaire beschikking gaat dit Hof bij het overlijden van Antoon naar diens nee/Filip de Lalaing (1510-1555) die er vrijwel meteen zijn intrek in neemt. Het goed wordt geërfd door diens zoon Antoon (ca 1533-1568), 3de graaf van Hoogstraten. In 1567 — de hertog van Alva is nog maar net in Brussel toegekomen — worden de graven van Egmont en Hoorn gevangen gezet. Antoon II de Lalaing ontkomt haast bij toeval en vlucht naar het moederlijk slot Renneberg, bij Keulen. Ziedend van woede laat Alva diens goederen verbeurd verklaren: het huis van Brussel wordt geplunderd. Antoon sneuvelt in 1568, in niet geheel opgehelderde omstandigheden; het Hof van Hoogstraten wordt nu eigendom van diens minderjarige zoon Willem (1563-1590), die zijn vader in 1578 opvolgt als 4de graaf van Hoogstraten. Ingevolge de pacificatie van Gent terug in het bezit gesteld van zijn eigendommen, huwt Willem in 1587 met Maria Christina van Egmont (1554-1622), weduwe van Oudart de Bournonville (f 1585) met een zes maand oud zoontje: Alexander. Willem de Lalaing overlijdt in 1590, 27 jaar oud, met als erfgenaam hun 2 jaar oud zoontje Antoon (1588-1613). Na een derde, kortstondig huwelijk met graaf Karel van Mansfeld (15471596) neemt Maria Christina, nu prinses van Mansfeld, haar intrek in het Hof van Brussel, en dit tot aan haar dood. Bij het vroegtijdig overlijden van haar tweede zoon Antoon de Lalaing was het Hof van Hoogstraten in het bezit gekomen
Dergelijkse vondsten zijn in onze streken vrij zeldzaam. Niet alleen was dit type verwarming nooit erg gangbaar in West-Europa (in tegenstelling tot de Noord- en Oost-Europese landen, het Alpengebied en Duitsland (25)), daarenboven waren deze kachels zeker dure installaties die dan ook enkel in de meer voorname huizen voorkwamen.
*, S
J
••
•
«
*« *
'^ -
Sl i
HH
>
*-' > ' w*
H» H
Har
/ *?
>-.... •;
Lefebvre d'Archambault, 'Plan détaillé manuscrit de la Ville de Bruxelles...' (detail), 1774, oriëntatie West, ca 111700 (Brussel, Stadsarchief). De cijfers XX duiden het Hof van Hoogstraten aan.
Anoniem, Plan van Brussel (detail), ca 1776, oriëntatie Oost (?), ca 1/1800 (Brussel, Stadsmuseum). Het nieuwe Koningsplein is nauwkeurig getekend. Het Hof van Hoogstraten bleef nog ruim bewaard naast het groots 'Hotel' van Graaf van Spangen.
van haar schoonbroer Karel de Lalaing (1567-1626), derde zoon van Antoon 11, en 6de graaf van Hoogstraten. De grafelijke goederen, waaronder het huis van Brussel, worden overgedragen op diens zoon Albert (1608-1644) die 'in hoog aanzien stond te Brussel, waar hij deelnam aan het hofleven en waar hij de lang gesloten poorten van het Hof van Hoogstraten openstelde voor feestmalen en bals die ophef maakten'. Zijn enige en zwakzinnige zoon Frans Paul (1630-1691) blijft ongehuwd. Bij diens overlijden wordt het Hof eigendom van zijn stief zuster Maria Gabriëla de Lalaing (16397-1709), tweede dochter uit het tweede huwelijk van Albert de Lalaing. In december 1659 treedt ze in de echt met Karel Florentijn, Wild- en Rijngraaf van Salm (1638-1676). Het Hof van Hoogstraten zou nu achtereenvolgens gaan naar Frederik Karel van Salm (1658-1696), diens jongere broer Willem Florentijn van Salm (1670-1707) — die beide echter nog vóór hun moeder overleden — en diens zoon Niklaas Leopold (1701-1770), prins van Salm-Salm, 1ste hertog van Hoogstraten. De laatste eigenaar door afstamming wordt Prins Maximiliaan Frederik Ernest van Salm-Salm (1732-1773), tweede-oudste zoon uit een eerste huwelijk van Niklaas Leopold. In 1756 huwt deze zijn nicht Maria Louisa Eleonora van Hessen-Rheinfels (1729-1800). Zij is het die bij conventie van 30 november 1774 een eerste stuk van het Hof van Hoogstraten, met het oog op de aanleg van het Koningsplein, afstaat aan de stadsmagistraat die zich ertoe verbindt 'de faire démolir... les murs et batiments
places sur les parties cédées, du coté de la grande rue jusqu'au rez-de-chaussée, et du coté de la rue laterale dite rue d'Isabelle a la profondeur du niveau qui sera determine pour la nouvelle place'. De hoofdmoot van het oude huis zal nochtans op 3 januari 1776 voor zowat 50.000 daalders aangekocht worden door Corneel-Juste-Filibert-Filip, graaf van Spangen en Uytternesse, (....-1817), 'scavoir certaine grande maison avec tous ses batiments, remises, jardins, écuries, fontaines, et toutes autres appendances et dépendances du ei devant nommé hotel d'Hoogstraeten'. Om deze aankoop en de bouw van het nieuwe herenhuis te bekostigen diende Corneel van Spangen heel wat andere goederen te hypothekeren. Hij zou deze pas aflossen kort voor zijn overlijden.
Huis II Meer nog dan bij Huis I het geval was, bleef tengevolge van de 18de-eeuwse verbouwingen weinig bewaard van de oudere toestand van Huis II.
ping drie vensters. In de 18de eeuw werden de middelste vensters dichtgemaakt en deze aan weerszijden ervan verbouwd. In de westgevel verdwenen alle vroegere vensters. Bleven hier wél bewaard: de ontlastingsbogen van één van de onderste vensters (plan 20, nr. 126) en van het enige venster op de eerste verdieping (nr. 123). Deze gevel behield bovendien de sporen van de weggekapte waterlijst (nr. 125) die
Zowel de noord- als de westgevel werden eind 18de eeuw gerestaureerd; in de noordgevel tekent Cantagallina op zowel de gelijkvloerse als de eerste verdie-
Bibliografie — Des Marez G., La Place Royale d Bruxelles. Genese de losuvre, sa conception et ses auteurs. Memoires de 1'Académie Royale de Belgique, Classe des beaux-Arts, Collection in-4, Deuxième série, Tome I, fase. 3 et dernier, Bruxelles, 1923. — Lauwerys J., De graven van Hoogstraten (1518-1709), I, in Jaarboek van Koninklijke Hoogstratens Oudheidkundige Kring, 33ste jaar, 1965, p. 88-185, en II, in Jaarboek van Koninklijke Hoogstratens Oudheidkundige Kring, 34ste jaar, 1966, p. 91-211.
49 M&L
ook op Cantagallinas schets is weergegeven, net als trouwens de noordwestelijke hoek van de noordgevel (bijl. 2, plan 6, nr. 13); hieruit kunnen we afleiden dat de onderdorpels van de vensters op dit niveau aanvankelijk hoger waren gesitueerd.
een laatgotisch profiel, wat ook het geval is voor de balksleutels waar ondanks verminkingen het peerkraalmotief nog herkenbaar is. Op niveau 1 verdween de oude balklaag.
Ook het interieur van Huis II overleefde de 18deeeuwse verbouwingen nauwelijks. In Zaal 2 bleven wel drie oude moerbalken bewaard, maar slechts twee van de zes zandstenen consoles. Deze hebben
Zoals reeds vermeld, was Huis /ƒ niet helemaal onderkelderd. Door een 18de-eeuwse verbouwing, waarbij de huidige trapzaal ontstond, is de vroegere toestand moeilijk te reconstrueren. Bij deze verbouwing werd niet alleen een zware tussenmuur in het huis opge-
Plan 20. Doorsnede EE (D. Van Eenhooge)
M&L 50
trokken (bijl. 2, plan 14, nr. 80), ook de muur tussen Tenslotte vermelden we nog de resten van een oude Huizen I en II werd zowel toen als in latere perioden deuropening in de zuidwestelijke hoek van het huis grondig gewijzigd en verhakkeld. Wél vertoonde de (plan 14, nr. 89), die toegang gaf tot Zaal 4. zuidoostelijke hoek van de trapzaal sporen van een uitgebroken klimmend gewelf dat tegen de zuidmuur Een latrine aanleunde. Verdere uitbraaksporen naast dit gewelf, Op de scheiding tussen de Huizen I en II tekent en lager in de muur (zie plan 14), zouden kunnen Cantagallina een licht vooruitspringende constructie wijzen op een vroegere trapconstructie. In de opgra- met een overkragende bovenverdieping. Vermoedens ving op deze plaats werd evenwel geen enkel spoor dat het hier om een latrine ging werden bevestigd van een dergelijke constructie teruggevonden. door een opgraving op deze plaats. Aldus kon vastgesteld worden dat de latrine (binnenmaats) 1,40 op 60 cm bedroeg en in baksteen (afmeting 28 x 13 x 5,5 cm) was opgetrokken. Tegen deze latrine was een met een tongewelf overdekte aalput aangebouwd, waarschijnlijke afmetingen (binnenmaats): 3,10 m op 2,40 m. Het gewelf van deze aalput werd echter in 1930 grotendeels uitgebroken bij de aanleg van een fundering die ook tot gevolg had dat op een diepte van 3,80 m (onder huidig vloerniveau) nog steeds verstoorde grond werd aangetroffen. Om veiligheidsredenen moest de opgraving op deze diepte gestaakt worden, terwijl ook een uitbreiding in noordelijke richting onmogelijk was. Verder onderzoek is gepland tijdens de restauratiewerkzaamheden. Huis III Ook voor dit huis moeten we dezelfde klaagzang aanheffen als voor de andere huizen: de 18de eeuw had duidelijk een passie voor het uitwissen van vroegere gegevens. Eerst en vooral verdween in het oostelijk gedeelte van het huis nagenoeg alle vroegere informatie door ingrijpende verbouwingen. We recupereerden dan ook enkel een groot venster dat uitgaf op de Isabellastraat (plan 5, nr. 95). In de huidige Zaal 3 werd de oude balklaag vervangen door gewelven; wel bleven sporen bewaard van twee oude vensters (bijl. 2, plan 17, nrs. 99-100) en een deuropening (nr. 101). Naast de deuropening ontdekten we een klein, met een keperboog afgesloten nisje (nr. 102). Op niveau 1 leidden enkele steekproeven tot de vaststelling dat hier wel de oude moerbalken aanwezig zijn. Zowel op niveau 0 als niveau 1 werd de muur tussen de Huizen I en /// zorgvuldig onderzocht in de hoop een chronologisch verband te kunnen aantonen. Tevergeefs echter, tengevolge van ... vele 18deeeuwse en latere verbouwingen. Een verdwenen trappenhuis Tussen Huis III en de bogengaanderij bevindt zich een bouwvolume met nagenoeg vierkantig grondplan, dat waarschijnlijk in zijn geheel bij Huis III werd gevoegd in Periode II. In ieder geval bleek de (ten overstaan van de westgevel van Huis IT) vooruitspringende westelijke gevel aangebouwd tégen Huis II, terwijl in de opgraving in de zuidoostelijke hoek van Zaal 4 geen spoor werd aangetroffen van de natuurstenen keldermuur van Huis III. Dat dit bouwvolume pas in Periode II ontstond, wordt des te aannemelijker als we de functie ervan
Het hertogelijk paleis
De residentie van de Brabantse hertogen op de Brusselse Coudenberg zat vanaf de vestiging door Hendrik I (reg. 1190-1235) geleidelijk uitgroeien tot een schitterend paleis. Ingrijpende bouwcampagnes kunnen aldus toegeschreven worden aan Jan 111 (reg. 1312-1355), diens dochter Johanna (reg. 1355-1406), Filips de Goede (reg. 1433-1467) en Karel V (reg. 1506-1555). Een anoniem XVllde-eeuws olieverfpaneel stelt het paleis voor omstreeks 1535-1540, gezien vanuit de Warande. De nieuwe gaanderij van Karel V is voltooid, de muren-inopbouw van de hertogelijke kapel zijn tijdelijk afgedekt met stro. Het Hof van Hoogstraten, rechts van deze werf, vertoont helaas weinig overeenkomst met de tot op heden bekende gegevens; het is ook tè ver naar de Hofberg toe ingeplant.
M&L 52
Het stadsplan van Martin de Tailly uit 1640 werd bij de heruitgave van 1748 ondermeer verlucht met een verwant gezicht, gegraveerd door Nikolaas Van der Horst. De gebouwen zijn nog in omvang toegenomen, de hofkapel van Karel V domineert de omgeving. De tuinvleugel van het Hof van Hoogstraten is nog net zichtbaar, evenals twee traptorens... . Diezelfde noordvleugel en ... de twee traptorens kunnen mits enige moeite eveneens ontwaard worden op een vooralsnog niet toegeschreven XVlllde-eeuws olieverfschilderij, in de knetterende gloed van het brandend paleis, de nacht van 3 op 4 februari 1731. (Brussel, Stadsmuseum)
begrijpen, wat mogelijk werd door een doorgedreven onderzoek. In Zaal 4 bevindt zich nu een trap die toegang geeft tot de kelder onder de bogengaanderij. Uit tal van details bleek dat deze trap niet oorspronkelijk kon zijn, zodat besloten werd tot de opgraving van nagenoeg de volledige oppervlakte van de zaal. Tot onze verrassing bleek de oorspronkelijke trap zich zowat in het midden van de zaal te bevinden en bovendien verbonden te zijn met andere muurresten die de zaal op een eigenaardige manier indelen. Ook vonden we aan de binnenzijde van de westgevel op niveau 1 sporen van een klimmend gewelf dat leidde tot het niveau van de vertrekken gelegen boven de bogengaanderij . De conclusie was dan ook voor de hand liggend: Zaal 4 was oorspronkelijk een soort trappenhuis of verkeersknooppunt dat de circulatie tussen de verschillende onderdelen van het Hof mogelijk maakte. Hierop wijst ook het feit dat dit kleine bouwvolume zeer toegankelijk was: op niveau - 1 weliswaar enkel vanuit de kelder onder de bogengaanderij, maar op niveau 0 zowel vanuit de bogengaanderij (plan 20, nr. 109), vanuit de tuin (plan 20, nr. 110) via een stenen trap waarvan de resten werden blootgelegd (sleuf 16), vanuit Zaal 2 (bijl, 2, plan 14, nr. 89), vanuit Zaal 3 (bijl. 2, plan 17, nr. 104) als vanuit de binnenkoer van het Hof (bijl. 3, plan 23, nr. 107). Op niveau 1 is de situatie door latere verbouwingen minder duidelijk. Een juiste reconstructie van de trappenconstructie in Zaal 4 is nochtans niet mogelijk daar teveel aanwijzingen verloren gingen.
De gotische bogengaanderij in haar huidige toestand: deels dichtgemetseld, deels doorsneden door een vloer (foto P. Van den Broeck)
ven met sluitsteen. Kruisribben en sluitsteen zijn in zandsteen uitgevoerd, de gewelven zelf in baksteen. Aan de — gesloten — zuidzijde rusten de gewelven op versierde kraagstenen (zie plan 17), aan de — De buitengevels van dit gebouwtje waren, zoals de opengewerkte — noordzijde evenwel op arduinen rest van het Hof, voorzien van een zandstenen plint zuilen (zie plan 21). De ronde schacht van de 3,60 m waarvan we nog gedeelten terugvonden. Vermelden hoge zuilen rust op een hoog (1,50 m) achtkantig we ook nog de resten van een venster met zandstenen basement en wordt bekroond door een eveneens omlijsting, onder een pleisterlaag in de westgevel, achtkantig kapiteel, aan de noordzijde voorzien van (plan 20, nr. 128), evenals de sporen van een water- een wapenschild. Op geen enkele van deze schilden werden sporen of resten van enigerlei versiering waarlijst. genomen. In de opvullingslaag tussen de muren van de trappen- De zuilen zijn onderling verbonden door stompe constructie bevonden zich fragmenten van grijs aarde- spitsbogen. Onder een dikke pleisterlaag vonden we werk. Het gaat voornamelijk om bekers en kleine de sporen terug van een weggekapte, oorspronkelijk kannetjes die we omstreeks eind 14de, begin 15de uitspringende versiering: een waarschijnlijk geprofieeuw kunnen situeren (26). Vooral de kleine drinkbe- leerde boogomlijsting, bekroond door een kruiskers kunnen waarschijnlijk toegeschreven worden aan bloem; tussen de bogen, in het verlengde van de de pottenbakkerijen van Sint-Kwintens-Lennik (pro- zuilen, stonden halfzuiltjes, met een bekroning waarduktie tussen 1325 en 1450). Dergelijke plaatselijke van de juiste vorm niet meer uit de sporen is af te imitaties van steengoed uit Siegburg werden eveneens lezen. De basementen van de zuilen waren verbonden gevonden in Jette, Flobecq en Viane (27). door een zandstenen borstwering met arduinen afdekplaat. Resten hiervan zijn nog in situ aanwezig (plan 21, nr. 117). Een bogengaanderij In het verlengde van Huis II en Zaal 4 bevindt zich Uit twee steekproeven is gebleken dat het loopvlak een 20 m lange bogengaanderij. van de gaanderij ongeveer 1 meter boven dat van de De eronder gelegen kelder (kelder E) is overdekt met tuin gelegen was; het onderste gedeelte van de noordeen tongewelf en verlicht door een aantal vensters in muur van de gaanderij is uitgewerkt in de vorm van de noordmuur. In de zuidmuur bevindt zich slechts een zitbank-achtige plint in zandsteen, met arduinen één opening: een met zandsteen omlijste deuropening afdekplaat (plan 21, nr. 118). naar een naastliggend keldertje (bijl. 2, plan 17, nr. 120). Op Cantagallinas tekening bemerken we boven de gaanderij een verdieping, bekroond door een dakconDe gaanderij zelf, die de verbinding vormde tussen de structie. Bij de laat 18de-eeuwse verbouwingen verHuizen III en IV, is overdekt met vijf kruisribgewel- dwenen hiervan echter alle sporen. 53 M&L —
De vermelding van Filips van Bourgondië, Heer van Beveren, als bouwheer van de gaanderij dateert deze aldus in de tweede helft van de 15de eeuw; deze datering is wel iets later dan zou blijken uit de opvullingslagen in Zaal 4, waar het materiaal eerder rond eind 14de- begin 15de eeuw te situeren lijkt. Stadsarchivaris Des Marez vermeldt overigens dat er in 1517, nog aan de gaanderij gewerkt wordt (28).
Hieronder: de gotische bogengaanderij. Detail van een achtkantig zuilbasement (foto BML) Onderaan: Plan 21. De bogengaanderij aan de tuingevel. Huidige toestand met de oorspronkelijke elementen (D. Van Eenhooge)
Nog een verdwijning De bogengaanderij die de Huizen III en IV onderling verbond, sloot evenwel niet rechtstreeks op Huis IV aan. Tussen beide bevond zich een ruimte van ca. 3,50 m, dit in tegenstelling tot de huidige situatie. De oorspronkelijke toestand valt echter niet helemaal te reconstrueren, doordat de laat 18de-eeuwse verbouwingen een volledige verandering van de situatie tot gevolg hadden. Toch zijn er nog een aantal elementen aanwezig, die ons een eind op de goede weg helpen. Tussen de kelders onder respectievelijk de gaanderij en Huis IV bevindt zich een smal langwerpig keldertje (kelder F). Twee deuropeningen met zandstenen omlijsting geven toegang tot de aan weerszijden gelegen kelders E en G. De oorspronkelijke overwelving verdween in de 18de eeuw, toen ook de bovenliggende structuur werd gesloopt. De enige sporen hiervan waren, in de noordoostelijke hoek van de huidige Ruimte 6, een versierde kraagsteen, en in de noordmuur de uitbraaksporen van een gewelf en een tweede kraagsteen (?) (bijl. 3, plan 23, nr. 176), van een oude deuropening (nr. 113) en een weggebroken muur (nr. 177). De afstand tussen beide kraagstenen is dezelfde als tussen de gaanderij en Huis IV, zodat we hier een vierkant overwelfd gebouwtje kunnen reconstrueren. Of dit gebouwtje gesloten dan wel aan de westzijde opengewerkt was, is niet helemaal duidelijk. Ook de aanwezigheid van een tweede deuropening in de muur van de gaanderij (bijl. 2, plan 17 en bijl. 3, plan 23, nr. 115) brengt geen uitsluitsel; wel werden erboven geen sporen van een tweede gewelf aangetroffen, zodat we aannemen dat zich ten westen van het vierkant gebouwtje een kleine binnenkoer bevond, die via een poortje met de huidige Villa Hermosastraat in verbinding stond.
M&L 54
Huis IV Dit huis, gelegen langs de Villa Hermosastraat, werd van alle onderdelen van het Hof van Hoogstraten het meest ingrijpend verbouwd, zodat van de oorspronkelijke indeling niets bewaard bleef. Enkel de kelderverdieping bleef relatief intact, hoewel ook hier zware tussenmuren werden ingebracht die het zicht op de mooie ruimte volledig tenietdoen. Bovendien werd in een recent verleden het zuidelijk gedeelte van de kelder opgevuld en dichtgemetseld, zodat een gefundeerde reconstructie van het oorspronkelijk bouwvolume een onmogelijke zaak leek. Bij nader onderzoek bleek echter een gedeelte van wat nu de zuidelijke afsluitmuur van de kelder is oorspronkelijk te zijn en bovendien een dichtgemetselde deuropening te bevatten. Achter deze deuropening vonden we een vierkante constructie met spiltrap die tot onder de vloer van niveau 0 bewaard was (plan 27). Raadpleging van oude stadsgezichten en -plannen leerden al vlug, dat we hier te maken hadden met het onderste gedeelte van een imposante en fraai versierde traptoren, die het Hof van Hoogstraten domineerde en ongetwijfeld vooral als statussymbool fungeerde (29). Door de latere verbouwingen kon niet met volledige zekerheid uitgemaakt worden of de traptoren tot de oorspronkelijke aanleg van het huis behoorde; naar alle waarschijnlijkheid behoort hij inderdaad reeds tot Periode I, waarbij mag worden aangenomen dat het hoger optrekken en verfraaien van de originele toren mag toegeschreven worden aan één van de latere, meer prestigieuze bewoners.
ven. Een steekproef in de kelder zelf bracht de aanwezigheid van dezelfde vloer aan het licht (plan 27, nr. 147), onder achtereenvolgens een vloer in kleinere baksteen (18 x 9 x 4,5 cm) en de huidige tegelvloer. De treden in de traptoren zijn in zandsteen, met een bakstenen kern. Op 1,40 m boven de vloer bevindt Hieronder: de aanzet tot de traptoren in Huis IV (foto P. Van den Broeck) Onderaan: Plan 27. De traptoren in Huis IV (D. Van Eenhooge)
De traptoren was bereikbaar via een soort voorportaaltje. Hierin is de oorspronkelijke bevloering in baksteen (afmeting 28 x 12 x ... cm) bewaard geble-
Sleur 11
imiJSSEL Hof' van Hooijstn Y:,
Traptoren 7(j Plan
0 55 M&L
Het Koningsplein Expli canon
Na de spectaculaire, onomkeerbare brand van het hertogelijk paleis in 1731, zou het nog steeds indrukwekkende puinenveld stilaan ontaarden tot een waar 'cour des miracles'. Het zal nog tot 1769 duren vóór de militaire gouverneur van Brussel de idee oppert om het bouwvallig Balieplein om te vormen tot een paradeplein voor de opgaande wacht. De suggestie wordt enthousiast onthaald door de stad Brussel die meteen haar architect en directeur van Openbare Werken Claude Joseph Antoine Fisco (1736-1825) opdracht geeft een ontwerp terzake uit te tekenen. Het plan dat korte tijd later aan de gouverneur wordt voorgelegd beantwoordt volkomen aan het eerste opzet: een sober oefenplein, rechthoekig van vorm en omzoomd met een aantal bomenrijen, met behoud van de omringende bebouwing. In de tweede helft van 1774 veegt een 'nieuw feit' deze plannen van tafel: na stemming achten de Staten van Brabant het aangewezen dat het nieuwe plein een monumentaler vorm zou krijgen, teneinde een gepast kader te bieden aan een standbeeld van prins Karel van Lotharingen, de geliefde gouverneur-generaal. Nog vóór de nieuwe richtlijnen officieel worden bekendgemaakt heeft Landelin Louis Joseph Baudour (1735-1798), adjunct-controleur van de werken van het Hof, zijn plan reeds klaar (Brussel, Stadsarchief): een rechthoekig plein, verfraaid "par un plantis qui auroit formé une jolie promenade et dont on auroit tiré un parti quelconque a chaque maturité des arbres que Pon y auroit plantés'. Het ontwerp voorziet in het behoud van de hertogelijke kapel en duidt meteen de belangrijkste omringende hoven aan. Op 9 november 1774, de dag zelf dat het hele dossier voor advies zou worden opgestuurd naar uitgelezen Franse architecten, legt stadsarchitect Fisco de laatste hand aan zijn aangepast ontwerp 'avec les abouts et les tenants de maniere a pourvoir être envoyé è Paris selon les vues de Son Altesse'. Naar verluidt ging dit belangrijke document sindsdien verloren, of ... gaat het om bijgaand, niet gedateerd noch gesigneerd plan (Brussel, St.-Lukasarchief), waarop het nieuwe Koningsplein bovenop de onderliggende hertogelijke ruïnes effectief vorm krijgt in de gevelopstand van de hele wand tussen de Borgendaal en de Naamse straat? Zo ja, dient voortaan te worden aangenomen dat de twee belangrijkste classicistische pleinen
.Om r.* Ar m nirtJs lir Isriif lin lon^.n Mi honW tic deux rontj» i <KI m usoiir I «i iraivriuti\TTiir « iiUn iMii IWvir (U pnmviuHr
T fmtirr paioiirfti/ur.n.i.U-ou «Je OH j»! di-R oVdc fm* A i dsppii juiidTiiv. ncMjuH» on i y polrr nor uMmp mperroHni vnon cnmrmo roinudcLam
i&m u u a l ^ ^ "•'•<'.«„
M&L 56
r
"\
v
'%
Bibliografie — Des Marez G., La Place Royale a Bruxelles. Genese de l'oeuvre, sa conception et ses auteurs, o.c. — Stercx J., Het Martelaarsplein in Brussel, in Monumenten en Landschapppen, jg. 5, nr. 11, februari 1986, p. 36-51.
:
f—
ir
van Brussel — het Sint-Michielsplein (na 1830 'Martelaarsplein ') en het Koningsplein — niet alleen vrijwel gelijktijdig werden gebouwd doch ook slechts één auteur kenden. Dat de pleinaanleg uiteindelijk door de Franse architect Barre zou worden uitgewerkt is genoegzaam bekend. Hoe dan ook is het ten onrechte dat diens confrater Barnabé Guimard, die enkel instond voor een aantal uitvoeringsplannen en het toezicht op de werken, historisch met het Koningsplein wordt vereenzelvigd.
'
xii:^:
tttttu mug
ftptnaripe • - -
fei?niHiïttÊ»«!iii
v^
s
n
zich in de oostzijde een nu dichtgemetselde opening (nr. 138). Deze geeft toegang tot een vertrek dat een rechte hoek vormt met Huis IV, maar in de 18de eeuw bijna volledig verdween. Wel vonden we de fundering terug van de noordelijk muur (nr. 139), evenals het mortelbed van de vloer (nr. 150), op hetzelfde niveau als de deuropening. Zoals uit het plan blijkt, is de traptoren dus niet aangebouwd tégen de hoek gevormd door twee haaks op elkaar staande gebouwen, maar geïntegreerd in de hoek. Dit doet ons ertoe besluiten dat de traptoren deel uitmaakt van het oorspronkelijk ontwerp van Huis IV, dat we, mede gezien de afwezigheid van oorspronkelijke binnenmuren of vroegere eindgevels, als een L-vormig bouwvolume reconstrueren (30). De afbeeldingen van het Hof van Hoogstraten op de opeenvolgende stadsplannen geven bijna alle een verschillende situatie weer; wel is duidelijk dat het Hof een U-vormige configuratie van drie grote vleugels vertoonde. Dit leidt tot de volgende reconstructie: Huis IV als 'breed huis' met achterbouw en, in het verlengde van deze achterbouw, een vijfde huis; achterbouw en Huis V vormen dan de derde vleugel van het U-vormige complex. Deze 'derde vleugel' ligt nu onder de binnenkoer van het vroegere Rekenhof, en zal hopelijk kunnen onderzocht worden tijdens de aanleg van de aldaar geplande ondergrondse parkeergarage. Zoals reeds vermeld, werd Huis IV grondig verbouwd. Wel bleef een gedeelte van de zandstenen plint van de oostelijke muur, die zelf grotendeels herbouwd werd, bewaard (bijl. 3, plan 24, nr. 24). Verder vermelden we nog een originele deuropening waarvan enkel het onderste gedeelte van de zandstenen omlijsting bewaard bleef. Enkele steekproeven toonden aan dat ook de vensteropeningen in de gevel langs de Villa Hermosastraat een zandstenen omlijsting hebben. Doordat evenwel een datum voor de restauratie nog niet vastligt werd besloten de cementen bekleding niet te verwijderen, zodat we niet kunnen stellen of deze vensters oorspronkelijk zijn dan wel 18de-eeuws. Ons vermoeden neigt naar de tweede mogelijkheid.
van Karel van Lotharingen, omgeven door een homogene bebouwing in classicistische stijl. Het hertogelijk paleis wordt gesloopt, althans de gedeelten die uitstaken boven het niveau van het aan te leggen plein. Zodoende bevinden de overblijfselen van de machtige Magna Aula zich heden onder het huidige Koningsplein; onder de gebouwen die nu door het Ministerie van het Brussels Gewest zijn ingenomen (31) ligt nu de kelderverdieping van de hertogelijke kapel, evenals de Isabellastraat die hiertoe zondermeer overwelfd werd (zie plan 5 en reconstructie) (32). Een gelijkaardig lot was het Hof van Hoogstraten beschoren dat aan de rand van het nieuwe plein kwam te liggen, zij het grotendeels lager dan het nieuwe niveau. Het Hof komt in bezit van graaf Corneel van Spangen, baron van Herent. Op het gedeelte boven aan de Hofberg gelegen bouwt hij zijn nieuwe woning na sloping van de aldaar gelegen oude gebouwen (33). Een aantal bijgebouwen laat de graaf optrekken bovenop de bewaarde vleugels van het vroegere Hof van Hoogstraten. Hiertoe dient hij enkel de dakverdieping te slopen en op de bestaande muren verder te bouwen, waarbij wél wat nieuwe binnenmuren en volumes toegevoegd worden. De oorspronkelijke binnenkoer binnen de U-vormige configuratie van het Hof wordt in zuidelijke richting uitgebreid door de sloping van de 'derde vleugel'; hierna volstond een ca. 7,50 m dikke puinlaag om de nieuwe binnenkoer op het niveau van het Koningsplein te kunnen aanleggen...
Zo zijn we aan het einde gekomen van deze beschrijving van het Hof van Hoogstraten en van zijn (prehistorie. Wat volgt, is eigenlijk een soort 'posthistorie', want het Hof verdween letterlijk en figuurlijk in de ondergrond van Brussel, om gedurende een paar eeuwen een bijwijlen pijnlijk maar steeds verborgen bestaan te leiden.
Periode III (1776-1844) In de nacht van 3 op 4 februari 1731 wordt het hertogelijk paleis grotendeels door brand verwoest. Het zal nooit wederopgebouwd worden. Ruim 40 jaar later wordt het plan opgevat om het oude Balieplein om te vormen tot een plein ter ere
Straatgevel van het Hof van Hoogstraten, vanuit de — heden overwelfde — Isabellastraat (foto P. Van den Broeck)
57 M & L
Vanzelfsprekend hadden deze ingrepen op elk van de onderdelen van het oude Hof een verschillende uitwerking. Bovenop de Huizen I en III kwamen voorlopig geen nieuwe constructies (34). Toch vonden ook daar enkele drastische ingrepen plaats die het uitzicht van de gebouwen radicaal veranderden. HuisI Eerst en vooral moet de sloping vermeld worden van de vroegere huiskapel en van de traptoren in het huis zelf. Het verdwijnen van de huiskapel werd veroorzaakt door het overwelven van de ernaastgelegen Isabellastraat, toen hiertoe muren verzwaard en gesteund moesten worden: één zo'n steunbeer doorsnijdt nu de funderingen van de kapel. Ook de traptoren werd het slachtoffer van de verbouwingen. De oude toegangsdeur naar de kapel werd vervangen door een bredere, hogere en iets hoger gelegen deuropening (bijl. 2, plan 6, nr. 5). Merkwaardig is wel dat deze opening voorzien is van een zandstenen omlijsting, waardoor ze eerst tot een oudere periode leek te behoren. Dit was trouwens het geval voor nagenoeg alle deur- en vensteropeningen uit Periode III, zodat slechts kleine details (zoals het ontbreken van een tussendorpel, of het samen voorkomen van verschillende types hergebruikmateriaal) of een analyse van de architecturale context toelieten het chronologisch onderscheid te maken. Ook de oude deuropening van de traptoren naar Zaal 1 werd vervangen door een grotere deur (plan 8, nr. 34). Oorspronkelijk beperkten de verbouwingen zich hiertoe. In een later stadium echter verdween op niveau 0 de oude balklaag om vervangen te worden door bakstenen gewelven op gordelbogen waarin zowel baksteen als zandstenen boogstenen zijn verwerkt. De gordelbogen rusten op geprofileerde zandstenen consoles (bijl. 2, plan 14, nr. 69). Hierbij werd de noordmuur van het huis aan de binnenzijde verzwaard. Ook de vensteropeningen werden verbouwd: de tussendorpel verdwijnt (uitbraaksporen !), er komt een arduinen onderdorpel en een nieuwe arduinen bovendorpel werd aangebracht onder de oorspronkelijke (bijl. 2, plan 6, nr. 6-8).
In het overblijvend gedeelte van het huis (Zaal 3) werden de oude deur- en vensteropeningen dichtgemetseld; de oude balklaag werd zoals in Zaal 1 vervangen door gewelven op gordelbogen. Het samengaan van baksteen en zandstenen boogstenen is ook hier aanwezig en vormt trouwens een kenmerk van alle boogconstructies uit deze periode (36). Op niveau 1 bleef de oude balklaag bewaard; de vensteropeningen in de zuidgevel behoren echter tot Periode IV. Huis II Bovenop Huis II kwamen de eerste bijgebouwen van de woning van de graaf van Spangen. In het oostelijk gedeelte werd een trapzaal geïnstalleerd in de twee bovengrondse niveau's van het middeleeuwse huis. Dit leidde tot een praktisch volledige verbouwing van Plan 22. De gotische bogengaanderij na toevoeging van de 18deeeuwse gaanderij. Reconstructie (D. Van Eenhooge)
Iets dergelijks vindt ook plaats op niveau 1; daar werden waarschijnlijk totaal nieuwe vensters ingebracht, evenwel met hergebruik-zandstenen omlijsting (plan 6, nr. 1-4). Opvallend is hier het ontbreken van uitbraaksporen van een tussendorpel en het door elkaar voorkomen van zowel kwartholle als rechthoekige profielen bij de negblokken. Het volledig ontbreken van sporen van de uitgebroken vensters in de gevel doet ons veronderstellen dat bij de verbouwing de gevel opnieuw werd 'aangekleed' (35). Huis III Het verhogen van het peil van de oude binnenkoer met 7,50 m had voor het huis nogal drastische gevolgen. Het oostelijke gedeelte van het huis werd volledig verbouwd en heringedeeld. Zo ontstond er een trap die vanop de binnenkoer rechtstreeks toegang gaf tot de oude niveau's (plan 3, ruimte 3a) met een aansluitende kleine ruimte (3b), en werden nog twee kleine kelders aangebouwd (3c-d). M&L 58
Hiiimlr
oil
de muur tussen de Huizen I en II, het verdwijnen van de latrine en het bouwen van een nieuwe zware tussenmuur. In beide binnenmuren vonden we dichtgemetselde deuropeningen uit deze periode. Vanuit de trapzaal leidde ook een trap naar de kelder; deze trap (met baksteenvloer en arduinen treden) wordt omgeven door de muur waarop de houten trap van de trapzaal was gefundeerd. Op niveau 1 bleef de oude balklaag bewaard. De vensteropeningen in de noordgevel konden momenteel niet onderzocht worden. Zoals bij Huis I is ook hier duidelijk dat de gevels volledig werden gerestaureerd. In de noordgevel kwamen, op niveau 1, nieuwe grotere vensteropeningen met arduinen boven- en onderdorpel. Op één ervan (bijl. 2, plan 6, nr. 9) ontdekten we een steenhouwersmerk dat nagenoeg identiek is met merk nr. 748 bij J.-L. Van Belle, waar
het echter noch geïdentificeerd, noch gedateerd is. Voor dit steenhouwersmerk kunnen we nu dus een datering in XVIII d voorstellen. De westgevel werd volledig dichtgemaakt. Zowel op niveau 0 als niveau 1 worden de oude deuropeningen in de zuidmuur vervangen door brede, met een lage boog afgesloten openingen (bijl. 2, plan 14, nr. 90). Dergelijke veranderingen wijzen ondubbelzinnig op het ingrijpende karakter van de verbouwingen, waarbij de vroegere woonfunctie verloren ging en de prestigieuze woonruimtes gedegradeerd werden tot dienstgebouwen, waarschijnlijk zelfs tot magazijn. De zalen 4 en 12 Een even radicale ingreep is aan te wijzen in het verbindingsgebouw dat de overgang vormde tussen
59 M&L i j — j
De 19de eeuw Het oude Hof van Hoogstraten zou nu een wisselvallig bestaan kennen. In januari 1821 neemt de Prins van Oranje zijn intrek in het 'hotel' van Spangen, tot dit in oktober 1830 onder sekwester wordt geplaatst. Diverse bewoners zullen hem hier opvolgen vooraleer de luxe-zaak 'Old England' vanaf 1886 stilaan het hele pand inpalmt en met het Art Nouveau hoekgebouw van Paul Saintenoy in 1899 een orgelpunt markeert. De schaalvergroting is in het bijzonder merkbaar in de Villa Hermosastraat, waar de 'eerste Jodetrappen' slechts in 1922-28 worden gedempt bij de bouw van het paleis voor Schone Kunsten. De 'dienstgebouwen' rond de binnenkoer huisvesten vanaf 1835 het Hoog Militair Hof, na 1844 het Ministerie van Openbare Werken, later dit van Spoorwegen. De komst van het Rekenhof in 1897 wordt voorafgegaan door ingrijpende verbouwingen. Ze houden onverdroten aan tot en met de Tweede Wereldoorlog.
Boven: Het Koningsplein, met de huidige bebouwing bovenop het Hof van Hoogstraten (foto BML)
de oostelijke woonvleugel en de gaanderij. Door de aanleg van de nieuwe trapzaal was de trappenconstructie hier overbodig geworden; ze werd dus volledig uitgebroken, inclusief de trap naar de kelder die door de huidige trap werd vervangen. In de zuidmuur werd de vroegere buitendeur vervangen door een brede opening zoals in de noordmuur (bijl. 2, plan 17, nr. 108); ook de vroegere toegang naar zaal 3 werd verplaatst (nr. 1Q53). Zaal 4 wordt overwelfd met een Boheemse kap; hetzelfde gebeurt met zaal 12, die nu pas ontstaat door het inbrengen van een nieuwe binnenmuur aan de oostzijde.
M&L 60
De bogengaanderij De totnogtoe beschreven verbouwingen zijn eerder bescheiden te noemen, vergeleken met wat de gaanderij en Huis IV mochten meemaken ten behoeve van de bijgebouwen die de graaf van Spangen er bovenop wilde optrekken. Vooreerst werd de eerste verdieping van de gaanderij gesloopt; de breedte van de gaanderij werd echter onvoldoende bevonden, en bijgevolg uitgebreid door ... het toevoegen van een tweede gaanderij ten noorden ervan. Deze ongeveer 7,50 m hoge gaanderij (plan: gaanderij 8) bestaat uit massieve pijlers waartussen lage bogen gespannen zijn (bijl. 1, plan 3 ; plan 22), ook hier met de typische combinatie van bak- en zandsteen (36).
Huis IV Vooral dit bouwvolume herkende ongetwijfeld zichzelf niet meer na de verbouwingen. Zoals bij de gaanderij werd ook hier de voor bebouwing beschikbare oppervlakte onvoldoende geacht, en dus uitgebreid. Ten oosten van het huis werd een gemiddeld 5 m brede en meer dan 6 m hoge zaal gebouwd, overdekt met een tongewelf (plan 3, bijl. 3, plans 24 en 26, zaal 5-5b). Parallel met deze zaal werd doorheen Huis IV een zware binnenmuur gebouwd (plans 23 en 26, nr. 171), waardoor aan de binnenzijde van de oostmuur een lange hoge gang ontstond (plan 3 en bijl. 3, plan 26Q, gang 7a). Hoofddoel hiervan was — misschien — via het tongewelf van deze gang, de zijwaartse druk van het grote gewelf boven zaal 5 te helpen verdelen (37). De oorspronkelijke oostelijke muur van het huis werd bijna volledig herbouwd, waardoor, op resten van de zandstenen plint na, in deze muur geen sporen van de oospronkelijke aanleg te herkennen zijn. Bij deze grootscheepse verbouwingswerken verdween de 'derde vleugel' volledig onder de nieuwe binnenkeer, maar ook de mooie traptoren moest wijken. Dit was natuurlijk géén punt in de 18de eeuw, die talloze soortgenoten liet verdwijnen. Verdwijnen deed eveneens het vroegere verbindingsgebouwtje tussen de gaanderij en Huis IV. In de plaats hiervan kwam een overdekte passage tussen de (Villa Hermosa)straat en Gang 5a (plan 3, ruimte 6). Hiertoe moest wel het gewelf van het onderliggend keldertje (kelder F) worden uitgebroken en vervangen door een lager gewelf (zie bijl. 3, plan 23). Erboven werd een bevloering in grote keien aangebracht (plan 23, nr. 159), wat erop schijnt te wijzen dat ruimte 6 inderdaad een passage was die de straat verbond met de nieuwe grote zaal (zaal 5); deze laatste zou dan bijvoorbeeld als paardenstalling of groot magazijn kunnen ingericht geweest zijn.
Er onder: bewaarde bouwaanvragen laten toe de bebouwing langs de Villa Hermosastraat deels te reconstrueren (tekening R. De Meerleer)
De vensteropeningen van de erboven gelegen vertrekken hebben allen een zandstenen omlijsting, bestaande uit hergebruikmateriaal (zie plan 22). Verdere toevoegingen qua bouwvolume zijn, ten noorden van gaanderij 8, een vierkant portaalachtig gebouwtje (plans 3 en 22, ruimte 8a) dat in Periode IV tot trappenhuis werd omgevormd, en ten zuiden van de gaanderij, een lange smalle, 5,60 m hoge gang (bijl. 1, plan 3 ; plan 20 en bijl. 3, plan 24, gang 5a) ; deze gang herstelde aan de achterzijde van de gaanderij de circulatie die verloren ging door het verdwijnen van de oude binnenkeer.
Hiermee besluiten we het overzicht van de op historisch en archituurgebied belangrijke gebeurtenissen in de lange geschiedenis van het Hof van Hoogstraten. Weliswaar werden de oorspronkelijke bijgebouwen van de woning van de graaf van Spangen na 1847 nog herhaalde malen verbouwd toen achtereenvolgens het Ministerie van Openbare Werken en daarna het Rekenhof er hun intrek namen, maar deze verbouwingen hadden weinig invloed op de ondergrondse niveau's. Deze bleven voortaan gespaard van drastische ingrepen; wel werden, vooral ten behoeve van de archieven van het Rekenhof, talloze ruimtes verder ingedeeld, terwijl verdere toevoegingen aan het bouwvolume zich als parasieten op de oorspronkelijke kern nestelden. Deze parasieten bleken uiteindelijk bijzonder ondernemend, want op sommige plaatsen groeiden de oorspronkelijke twee bovengrondse verdiepingen uit tot een klein torengebouw van zeven verdiepingen. Nu de gebouwen zullen heringericht worden voor de administratie van het Brusselse Gewest, durven we dan ook hopen dat de snoeischaar op een intelligente en liefdevolle manier zal gehanteerd worden. 61 M&L
Voetnoten (1) Henne en Wauters, 1975, T.III, p. 366. (2) Des Marez, 1982, p.78-79. (3) Knack, 1986, nr. van 26.2.1986, p. 50. La Lanterne, 19.8.1986. (4) Archaeologia Mediaevalis, nr. 9 (1986), p. 67-68, en nr. 10 (1987), p. 64-65. (5) Henne en Wauters, 1975, T.III, p. 366. (6) Ibid. (7) In bv. Amsterdam werden talrijke potten opgegraven (in een XIVA context) waarop telkens één of twee richels op de schouder kenmerkend zijn: Baart, 1977, p. 233, nrs. 426-430. (8) Baart, 1977, p. 243-245. (9) Saintenoy, 1932, PI. X. (10) Des Marez, 1982, p. 102-105. (11) Soortgelijke drinkschaaltjes werden bijvoorbeeld aangetroffen in de tweede occupatielaag van de donjon van het hertogelijk kasteel te Tervuren (1350-1400): Dewilde, 1985, p. 157, nr. 89. (12) Borremans en Warginaire, 1966, pp. 73-75. (13) Bruijn, 1979, p. 78. (14) Vandenberghe, 1983, p. 77. (15) Goed vergelijkbare 'melkteilen' werden in 1986 opgegeven in een huis aan de Brusselse Boterstraat, in een context die door de opgravers niet nader gedateerd werd dan 15de- eerste helft 16de eeuw: Bonenfant, 1988, PI. XXII, nrs. 5-6 en p. 80. (16) Franz, 1981 (p. 33 en Fig. 13) beschrijft dit type als een 'Nischenkachel mit vorgesetztem Rahmen'. (17) Franz, 1981, p. 33 en Borremans, 1953, p. 22. (18) Franz, 1981, p. 33 en Abb. 44-5. (19) Ibid., p. 34 en bv. Abb. 47-51. (20) Terlinden, 1962, p. 21. (21) de Crayencour (1986, p. 74) beschrijft de figuur als 'Barrière', Pama (1987, p. 191) spreekt over 'staketsels'. (22) Jean IV, heer van Auxy, werd tot lid van de Orde verkozen op het zevende kapittel van 1445 in Gent; Filips van Bourgondië op het 13de kapittel van 1478 in Brugge, en Antoon de Lalaing op het 18de kapittel van 1516 in Brussel. (23) Rolland, 1967. (24) Een in 1986 te Brussel opgegraven kacheltegel was versierd met de persoonlijke symbolen en devies van Filip van Cleef, heer van Ravenstein (1456-1528): Bonenfant, 1988, p. 68-71 en 82-84. De oplossing voor ons mysterie moet misschien ook
(25) (26) (27) (28) (29)
(30) (31) (32) (33)
(34)
(35)
(36) (37)
gezocht worden in de persoonlijke symbolen van één van de leden van de verschillende families die het Hof van Hoogstraten bewoonden. Maclot, 1985, p. 28. Vergelijkbaar materiaal uit een nabijgelegen site, de donjon in Tervuren: Dewilde, 1985, p. 155 en 157. Ibid.,p. 154. Des Marez, 1982, p. 79. De tweede traptoren van het Hof van Hoogstraten staat o.a. afgebeeld op het stadsplan van Braun en Hogenberg (1576) en van Martin de Tailly (1639), evenals op een zicht op het hertogelijk paleis in Les Délices des Pays Bas (ca. 1697). Voorbeelden van een dergelijke combinatie zonder binnenmuren bij Temminck Groll, 1963, p. 103 en 107. Een gebouw oorspronkelijk opgetrokken door de Abdij van Grimbergen in 1777. We danken hierbij Dhr. A. Matthys, Nationale Dienst voor Opgravingen, die ons inzage gaf in de resultaten van zijn onderzoek van de hertogelijke kapel. Bij de voorbereidende werkzaamheden voor de installatie van het Instrumentenmuseum in de aldaar gelegen gebouwen, bezochten we meerdere malen de werf, maar konden geen resten herkennen van de oude gebouwen. Renoy, 1980, toont een gravure uit ca. 1840 waarop duidelijk zichtbaar is dat dit gedeelte nog niet de hoogte bereikt heeft van de andere gebouwen rond de binnenkoer (Vue panoramique de la Place Royale et de la Montagne de la Cour, vers 1840. Gravure de Davenport). Hierbij gebruikte men hergebruik-baksteen van hetzelfde formaat als in de oude constructies. Dit was eveneens het geval voor totaal nieuwe muren en constructies: de massale slopingswerken in de omgeving leverden immers voldoende bouwmaterialen! Hetzelfde fenomeen is waarneembaar in de overwelfde Isabellastraat waar ook de pijlers op dezelfde manier zijn opgebouwd: laat 18de-eeuwse bak- en zandsteenarchitectuur. Cfr. het principe van de gotische luchtbogen. De vraag is evenwel of het tongewelfje boven de gang wel de ideale oplossing was; zoniet moeten we aannemen dat deze enorme constructie enkel tot doel had om in de nieuwe gebouwen een smalle gang te kunnen creëren...
Bibliografie — Baart L, e.a.. Opgravingen in Amsterdam, Amsterdam, 1977. — Bonenfant P., Des traces d'un pelletier-fourreur et un choix de céramiques a Bruxelles, vers 1500, in Le Folklore Brabangon, N 257, Mai 1988, Brussel. — Borremans R., 1953: Poêles en terre cuite de la Province de Luxembourg, in Bulletin de l'lnstitut Archéologique du Luxembourg, 1953, N 1, p. 15-33. — Borremans R. en Warginaire R., La céramique d'Andenne, Rotterdam, 1966. — Bruijn A., Pottersvuren langs de Vecht. Aardewerk rond 1400 uit Utrecht, Rotterdam Papers, III, Rotterdam, 1979. — Craeyencour G. de, Dictionnaire Héraldique, Paris, 1986. — Des Marez G., La Place Royale, Brussel, 1923. — Des Marez G., Le Quartier Isabelle et Terarken, Bruxelles, 1927 (anastaltische herdruk Editions Culture et Civilisation, Bruxelles, 1982). — Dewilde M., De Donjon van het hertogelijk kasteel te Tervuren, in Archaeologica Belgica, 1, 1985-1, p. 141-160. — Franz R., Der Kachelofen, Graz, 1981. — Henne A. en Wauters A., Histoire de la ville de Bruxelles, Brussel, 1975 (herdruk).
M&L 62
— Maclot P., Haard en Kachel als decoratief element in het Antwerpse burgerinterieur omstreeks 1585, in Rijke vorm en bonte kleur in 't Antwerpse burgerinterieur omstreeks 1585, Antwerpen, 1985. — Pama C Rietstaps Handboek der Heraldiek, Leiden, 1987. — Renoy G., Quartier Royal, Brussel, 1980. — Rolland V. & H.V., Illustrations to the Armorial General by J.-B. Rietstap, London, 1967. — Saintenoy P., Les Arts et les Artistes a la Cour de Bruxelles, Brussel, 1932. — Temminck Groll C , Middeleeuwse stenen huizen, 'Gravenhagen, 1963. — Terlinden Burggraaf, Beknopte geschiedenis van de roemrijke ridderorde van het Gulden Vlies, in Het Gulden Vlies, tentoonstellings, Catalogus, Brugge, 1962. — Vandenberghe S., 1983: Archeologisch onderzoek van een postmiddeleeuwse beerput..., in Het Hof van Watervliet, Brugge, 1983. — Van Belle J.-L., Dictionnaire des Signes Lapidaires, Belgique et Nord de la France, Ciaco, 1984.
Summary In despite of all heroic discussions on the reconstruction of the architectural heritage that had been destroyed during the first World War, it almost seemed a matter of course that the St. Catherine's Church of Hoogstraten, dynamited in 1944, should faithfully be rebuilt to the original. Especially its slender brick tower, the outstanding symbol of this masterpiece of Campine gothic style, mesmerized the local polulation decisively. In their article The St. Catherine's Church of Hoogstraten - Com'era, Dov'era: as it was, where it was. Roeland de Ceulaer and Willem Aerts tell the story of its building in the 16th century, according to the plans of Rombout Keldermans and on the initiative of Count Anthony de Lalaing and his wife Elisabeth van Culemborg, its destruction in 1944 and its reconstruction from 1950 tot 1958. Tree surgery may have become fairly current, its application to so-called estrade lime trees however still happens to be a spectacular operation. The thoroughgoing treatment of the centuries-old trees on the market places of Re tie and Westerlo induced A. De Haeck to his contribution Two Lime Trees with a striking shape, in which he tells us more about limes.
about the two mentioned specimen in particular, their history and the way he treated them. For practical and fundamental reasons the activities of the Preservation Team of the Directorate for Monuments and Landscapes are limited — until further notice — to carefully selected interventions. On Frivolous Putti and Gothic Apostles - Preservation works in the Castle of Laarne contains Marjan Buyle's report on the treatment of wall paintings in the 18th century summer salon and the 14th century, later in baroque style adapted castle chapel. Archeological research on the edge of the 18th century Royal Square in Brussels put Dirk Van Eenhooge and Marcel M. Cells on the track to the residence of the first count of Hoogstraten. Their findings, backed up by iconographic documents, are written down in The Court of Hoogstraten, the Brussels residence of Anthony de Lalaing. It is the story of a metropolitan plot of land from the 13th century up till now, on the margin of the ducal palace which has disappeared since then.
63 M&L
INVENTARIS VAN HET ORGELPATRIMONIUM
HET HISTORISCH ORGEL IN VLAANDEREN
NIEUW DEEL DEEL IV A : A. Fauconnier P. Roose
"Het Historisch Orgel in Vlaanderen" Provincie West-Vlaanderen Arrondissement Brugge en Oostende (prijs : 650,- fr.)
REEDS VERSCHENEN DELEN DEEL I
: G. Potvlieghe
"Het Historisch Orgel in Vlaanderen,, Provincie Oost-Vlaanderen (uitgeput)
DEEL II A : A. Fauconnier "Het Historisch Orgel in Vlaanderen,, P. Roose Provincie Brabant, Arrondissement Halle-Vilvoorde (uitgeput) DEEL II B : A. Fauconnier "Het Historisch Orgel in Vlaanderen,, P. Roose Provincie Brabant, Arrondissement Leuven (prijs : 400,- fr.) DEEL III A : A. Fauconnier "Het Historisch Orgel in Vlaanderen,, P. Roose Provincie Antwerpen, Arrondissement Antwerpen (prijs : 600,- fr.)
Te bestellen bij Monumenten & Landschappen Belliardstraat 18 • 1040 Brussel • Rekening nummer : 470-0278201-29
M&L 7/4 - Bijlage I
a
X \
A K:
:
%
,
S
^
<•«
'^
> ^
'CV
14
^
V^
0
l
«
^ v
m.. s
^
^ \
T
^>xA
(hr«
/
s
(hr(i
clvt
M&L 7/4 - Bijlage II
Trapzaal
.Ml
'Ji
IIIUISSEL - Hof van Hoogstraten Doorsnede CC 0 I
<> u
BRUSSEL - Hof van Hoogstraten Doorsnede DD
L_
Zaal 2
•U
B
3 ui
j
XXXXXXX/XXX/X/VXXXXXXA
//////////////////////////////AA//'/•/
M&L 7/4 - Bijlage IV
Plan 29 : Reconstructie van het Hof van Hoogstraten in de 17de eeuw. Links, aan de overzijde van de Isabellastraat, een schematische weergave van de hertogelijke kapel.
Plan 30 : Reconstructie van het Hof van Hoogstraten, na de verbouwingen door Graaf van Spangen. Links de overwelfde Isabellastraat en resten van de hertogelijke kapel.
uwen
|l?
* ^ S./4. CARRIÈRES G Tel. (067) 33 21 16 Tel