OMGEVINGSHANDHAVINGSRAPPORT 2019 AFDELING HANDHAVING 4.06.2020
www.omgevingvlaanderen.be
VOORWOORD Beste lezer, Begin dit jaar kon u ons eerste omgevingshandhavingsplan leren kennen. We trekken de integratie-lijn resoluut door, en kunnen u nu ons eerste omgevingshandhavingsrapport aanbieden. U vindt hierin niet enkel informatie en cijfers over onze omgevingsinspectie (ruimte, milieu en erfgoed), maar ook - en dat is dus nieuw - interessante data over onze bestuurlijke beboeting en advisering. Voor werkjaar 2019 krijgt u zo een geĂŻntegreerd overzicht van de resultaten van onze volledige afdeling Handhaving. In het eerste hoofdstuk geven we u inzicht in de situering en structuur van de afdeling Handhaving. We beschrijven de beleidscontext en de opdracht van onze afdeling en gaan dieper in op haar bevoegdheden. We geven aan hoe we invulling geven aan programmatische handhaving vertrekkende vanuit prioriteiten en onze risicogebaseerde aanpak. We besluiten het eerste hoofdstuk met een overzicht van onze personele en financiĂŤle middelen. Hoe we invulling gaven aan de handhavingsinitiatieven die we hadden gepland voor het werkjaar 2019, leest u in het tweede hoofdstuk. Stroomlijning en kwaliteit van onze handhavingsactiviteiten bleef de focus in de uitvoering van verschillende eigen afdelingsprojecten. Daarbij namen we onze rol als kennispartner ten volle op door ondersteuning aan te bieden aan lokale overheden en verbeterden we onze dienstverlening door onze klachtenbehandeling te evalueren en te optimaliseren. Wat de speerpunten voor het domein ruimte betreft, blikken we onder meer terug op de succesvolle resultaten van de proactieve controles in de Vallei van de Tieltse Motte en de Vallei van de Caliebeek. De speerpunten voor het domein Onroerend Erfgoed situeren zich bijvoorbeeld in onderzoek naar betere regelgeving, verbeterde monitoring en nieuwe samenwerkingsafspraken met het agentschap Onroerend Erfgoed. Tenslotte gaan we in op de resultaten voor de speerpunten van het domein milieu. De proactieve handhavingsinitiatieven zijn themagebonden en heel divers. Onder meer de initiatieven om een asbestveilig Vlaanderen te realiseren tegen 2040, om de selectieve inzameling van recycleerbare afvalstromen nog te verbeteren en om - gelet op de droogteproblematiek waarmee we voor het vierde jaar op rij worden geconfronteerd - een zorgvuldig grondwatergebruik te bewerkstelligen, springen daarbij in het oog. In het derde hoofdstuk beschrijven we het werkjaar 2019 in cijfers. De recente inwerktreding van nieuwe regelgeving en de ingebruikname van nieuwe monitoringstools, maken dat de cijfers uit dit rapport niet zonder meer kunnen worden vergeleken met rapporteringen uit het verleden. Voor het domein ruimte daalde het aantal processen-verbaal dat Omgevingsinspectie opstelde ten opzichte van de voorgaande jaren terwijl het aantal aanmaningen duidelijk toenam. Dit schrijven we toe aan de gewijzigde regelgeving en de aanpassing van onze handhavingspraktijk waarbij we vooral focussen op aanmaning(en) bij de start van een handhavingstraject. Voor het domein onroerend erfgoed blijft het /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingsinspectierapport 2019
pagina 3 van 110
aantal processen-verbaal op jaarbasis grotendeels hetzelfde, en het instrument ‘minnelijke schikking’ levert een steeds grotere bijdrage om verwaarloosd beschermd erfgoed in ere te herstellen. Het aantal processen-verbaal voor het domein milieu nam de afgelopen jaren gestaag toe terwijl het aantal gecontroleerde inrichtingen afnam. Daarin herkennen we de vrucht van onze risicogebaseerde aanpak. We zullen verder blijven inzetten op deze aanpak en prioriteit geven aan handhaving van onvergunde activiteiten, de grootste risico’s of de inbreuken met de grootste impact op de kwaliteit van onze leefomgeving en natuur. Tegelijkertijd verkennen we verder paden naar een toekomstbestendige omgevingshandhaving waarin ook compliance promotion, zelfcontrole en zelfevaluatie een rol kunnen spelen. We willen garant staan voor een snelle, kordate en consequente reactie ten aanzien van diegenen die de regels overtreden. De cijfers in hoofdstuk 3 geven duiding bij het bestuurlijk sanctioneringsbeleid van onze gewestelijke beboetingsentiteit. Zo wordt steeds meer gebruik gemaakt van een bestuurlijke transactie, en kunnen we korter op de bal spelen. Ook de bestuurlijke beboeting van RO-schendingen werd gestart. Ten slotte geven we nog duiding over de advisering door de clustering Sanctionering en Advisering over beroepen in het kader van bestuurlijke maatregelen en gemotiveerde dwangsomverzoeken. Samen met een team van deskundige en gedreven handhavers wens ik dat dit rapport u inspireert om samen verder bij te dragen aan een kwaliteitsvolle leefomgeving voor huidige en toekomstige generaties!
Sigrid Raedschelders Afdelingshoofd
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingsinspectierapport 2019
pagina 4 van 110
Tot balen geperste betonbewapening.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingsinspectierapport 2019
pagina 5 van 110
INHOUDSOPGAVE VOORWOORD ................................................................................................................................ 3 1
ORGANISATIE VAN DE AFDELING HANDHAVING .................................................................. 10
1.1
SITUERING EN STRUCTUUR ............................................................................................................................... 10
1.2 BELEIDSCONTEXT EN OPDRACHT ....................................................................................................................... 13 1.2.1 Vlaamse beleidscontext ........................................................................................................................................ 13 1.2.2 Departementaal ondernemingsplan .................................................................................................................... 14 1.2.3 Missie, visie, strategische pijlers en waarden ...................................................................................................... 16 1.2.3.1 Missie .................................................................................................................................................................. 16 1.2.3.2 Visie..................................................................................................................................................................... 16 1.2.3.3 Strategische pijlers ............................................................................................................................................. 17 1.2.3.4 Waarden ............................................................................................................................................................. 17 1.2.4 Macroprocesmap afdeling Handhaving ............................................................................................................... 18 1.3 1.3.1 1.3.2 1.3.3
BEVOEGDHEDEN EN PROGRAMMATISCHE HANDHAVING .................................................................................... 20 Toepassingsgebied toezicht en sanctionering .................................................................................................... 20 Prioriteiten ............................................................................................................................................................ 23 Geïntegreerde en risicogebaseerde handhaving ................................................................................................. 24
1.4
PERSONEEL ........................................................................................................................................................ 26
1.5 1.5.1 1.5.1.1 1.5.1.2 1.5.1.3 1.5.1.4 1.5.2
FINANCIËN .......................................................................................................................................................... 27 Uitgaven ................................................................................................................................................................ 27 Laboratoriumkosten voor milieu-onderzoek ................................................................................................... 27 Handhavingsstudies ........................................................................................................................................... 27 Uitgaven in het kader van ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed ........................................................ 28 Werkingsmiddelen .............................................................................................................................................. 28 Ontvangsten .......................................................................................................................................................... 29
2
HANDHAVINGSINITIATIEVEN 2019 ........................................................................................ 31
2.1 2.1.1 2.1.2 2.1.3 2.1.4 2.1.5
GEÏNTEGREERDE HANDHAVING .......................................................................................................................... 31 AFDELINGSPROJECT ‘INTEGRATIE OMGEVINGSINSPECTIE’ ................................................................................... 31 AFDELINGSPROJECT ‘UNIFORMITEIT EN KWALITEITSBEWAKING’ ........................................................................ 31 AFDELINGSPROJECT ‘ONDERSTEUNING HANDHAVING LOKALE OVERHEDEN’ ................................................... 32 AFDELINGSPROJECT ‘EVALUATIE EN OPTIMALISATIE KLACHTENBEHEERSYSTEEM’ ............................................ 33 DEPARTEMENTAAL PROJECT ‘OMGEVINGSHANDHAVINGSBELEID’ ...................................................................... 34
2.2 SPEERPUNTEN RUIMTE ...................................................................................................................................... 37 2.2.1 PROACTIEVE CONTROLES ..................................................................................................................................... 37 2.2.1.1 De Vallei van de Tieltse Motte ........................................................................................................................... 37 2.2.1.2 De Vallei van de Caliebeek ................................................................................................................................. 37 2.2.2 GERECHTELIJKE EN BESTUURLIJKE MAATREGELEN ............................................................................................. 38 2.2.2.1 Gerechtelijke herstelvorderingen ...................................................................................................................... 38 ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 6 van 110
2.2.2.2 2.2.2.3 2.3 2.3.1 2.3.2 2.3.3 2.3.4 2.3.5
Bestuurlijke maatregelen ................................................................................................................................... 38 Ambtshalve uitvoering ...................................................................................................................................... 39 SPEERPUNTEN ONROEREND ERFGOED .............................................................................................................. 41 Draaiboek handhaving onroerend erfgoed ......................................................................................................... 41 Monitoringssyteem handhaving onroerend erfgoed .......................................................................................... 41 Samenwerkingsprotocol met het Agentschap Onroerend Erfgoed ................................................................... 41 Samenwerkingsprotocol met het Agentschap voor Natuur en Bos .................................................................. 42 Optimalisatie van de regelgeving inzake handhaving onroerend erfgoed en varend erfgoed ....................... 42
2.4 SPEERPUNTEN MILIEU ........................................................................................................................................ 44 2.4.1 REACTIEF OPTREDEN ............................................................................................................................................ 44 2.4.2 ROUTINEMATIG OPTREDEN .................................................................................................................................. 44 2.4.3 PROACTIEF OPTREDEN ......................................................................................................................................... 44 2.4.3.1 Afval .................................................................................................................................................................... 44 2.4.3.2 Dieren ................................................................................................................................................................. 47 2.4.3.3 Hinder ................................................................................................................................................................. 50 2.4.3.4 Ketentoezicht ..................................................................................................................................................... 51 2.4.3.5 Klimaat ................................................................................................................................................................ 55 2.4.3.6 Lucht ................................................................................................................................................................... 55 2.4.3.7 Omgevingsveiligheid .......................................................................................................................................... 59 2.4.3.8 Ondergrond en grondwater .............................................................................................................................. 62 2.4.3.9 Water .................................................................................................................................................................. 65 2.4.3.10 Richtlijn Industriële Emissies - inspectieprogramma ....................................................................................... 66
3
REGULIERE WERKING AFDELING HANDHAVING IN CIJFERS ................................................. 70
3.1 3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.1.4 3.1.5 3.1.6 3.1.7 3.1.8 3.1.9 3.1.10 3.1.11 3.1.12
OMGEVINGSINSPECTIE - RUIMTE IN CIJFERS ....................................................................................................... 70 Klachten ................................................................................................................................................................. 70 Onderzoeken ter plaatse ...................................................................................................................................... 70 Raadgevingen ........................................................................................................................................................ 71 Aanmaningen ........................................................................................................................................................ 71 Verslagen van vaststelling en processen-verbaal................................................................................................ 71 Stakingsbevelen..................................................................................................................................................... 72 Bestuurlijke maatregelen ...................................................................................................................................... 73 Herstelvorderingen ............................................................................................................................................... 74 Minnelijke schikkingen .......................................................................................................................................... 75 Processen-verbaal van (niet-)uitvoering .............................................................................................................. 75 Kwijtschelding dwangsommen ............................................................................................................................ 76 Natraject, (her-)betekeningen en lichten hypotheken ........................................................................................ 76
3.2 3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.2.4 3.2.5 3.2.6 3.2.7 3.2.8 3.2.9 3.2.10 3.2.11
OMGEVINGSINSPECTIE - ONROEREND ERFGOED IN CIJFERS ............................................................................... 79 Klachten ................................................................................................................................................................. 79 Onderzoeken ter plaatse ...................................................................................................................................... 79 Raadgevingen ........................................................................................................................................................ 79 Aanmaningen ........................................................................................................................................................ 79 Verslagen van vaststelling en processen-verbaal................................................................................................ 80 Stakingsbevelen..................................................................................................................................................... 80 Bestuurlijke maatregelen ...................................................................................................................................... 81 Herstelvorderingen ............................................................................................................................................... 81 Minnelijke schikkingen .......................................................................................................................................... 82 Processen-verbaal van (niet-)uitvoering .............................................................................................................. 83 Exclusieve en alternatieve bestuurlijke boetes ................................................................................................... 83
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 7 van 110
3.2.12 3.3 3.3.1 3.3.2 3.3.3 3.3.4 3.3.5 3.3.6 3.3.7 3.3.8 3.3.9
Terugvordering premies ....................................................................................................................................... 83 OMGEVINGSINSPECTIE - MILIEU IN CIJFERS ......................................................................................................... 85 Klachten ................................................................................................................................................................. 85 Voorvallen ............................................................................................................................................................. 86 Controles ter plaatse ............................................................................................................................................ 87 Monsternames en metingen ................................................................................................................................. 88 Raadgevingen en aanmaningen........................................................................................................................... 89 Verslagen van vaststelling en processen-verbaal................................................................................................ 90 Bestuurlijke maatregelen ...................................................................................................................................... 92 Veiligheidsmaatregelen......................................................................................................................................... 93 Milieucrisismanagement ....................................................................................................................................... 93
3.4 ADVISERING EN BEBOETING IN CIJFERS .............................................................................................................. 95 3.4.1 Bestuurlijke sanctionering .................................................................................................................................... 95 3.4.1.1 Dossierinstroom via parketten ......................................................................................................................... 96 3.4.1.2 Dossierinstroom via verbalisanten ................................................................................................................... 98 3.4.1.3 Totale dossierinstroom ...................................................................................................................................... 99 3.4.1.4 Uitstroom van boetebeslissingen ..................................................................................................................... 99 3.4.1.5 Beroepen tegen boetebeslissing ......................................................................................................................102 3.4.2 Advisering over beroepen tegen bestuurlijke maatregelen .............................................................................102 3.4.2.1 Beroep tegen een opgelegde bestuurlijke maatregel inzake milieu .............................................................102 3.4.2.2 Beroep tegen een weigering tot opleggen van een bestuurlijke maatregel inzake milieu .........................103 3.4.2.3 Beroep tegen een bestuurlijke maatregel inzake ruimtelijke ordening ........................................................103 3.4.3 Gemotiveerde dwangsomverzoeken ..................................................................................................................103 3.4.4 Toepassen milieuschadedecreet ........................................................................................................................104
BIJLAGE - AFKORTINGEN ............................................................................................................ 106 BIJLAGE - CONTACTGEGEVENS AFDELING HANDHAVING ............................................................. 108
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 8 van 110
Gratis aangeboden asbesthoudende dakbedekking.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 9 van 110
1 ORGANISATIE VAN DE AFDELING HANDHAVING 1.1
SITUERING EN STRUCTUUR
Het Vlaams Regeerakkoord 2014-2019 voorzag het fuseren van het beleidsdomein Leefmilieu, Natuur en Energie en het beleidsdomein Ruimtelijke Ordening, Wonen en Onroerend Erfgoed tot het beleidsdomein Omgeving. In dit kader situeerde zich de inkanteling van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie en het Departement Ruimte Vlaanderen in het nieuwe Departement Omgeving, dat sinds 1 april 2017 operationeel is. Het beleidsdomein Omgeving bestaat uit 10 verschillende entiteiten: het Departement Omgeving, het Agentschap voor Natuur en Bos, het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, het Vlaams Energieagentschap, de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij, de Vlaamse Milieumaatschappij, het Agentschap voor Onroerend Erfgoed, het Agentschap Wonen Vlaanderen, de Vlaamse Landmaatschappij en tot slot de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen.
Figuur 1. Organogram Beleidsdomein Omgeving.
De structuur van het Departement Omgeving staat ten dienste van de inhoud en van het beleid dat het wil realiseren. De structuur krijgt verder vorm op basis van een klantgerichte, efficiĂŤnte en wendbare werking. Vanuit deze invalshoek zijn de opdrachten van het departement ondergebracht in drie organisatiepijlers en acht afdelingen. Sinds 1 april 2017 maakt de afdeling Handhaving, die is samengesteld uit de voormalige afdeling Milieuinspectie (AMI), de voormalige afdeling Inspectie en Handhaving Ruimtelijke Ordening en Onroerend Erfgoed (AIHRO) en de voormalige afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer (AMMC), deel /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 10 van 110
uit van het Departement Omgeving. De afdeling Handhaving is samen met de afdeling Beleidsontwikkeling en Juridische ondersteuning en de afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -Projecten ondergebracht in de organisatiepijler ‘Omgevingsbeleid voor Ruimte en Milieu’ van het Departement Omgeving. Deze pijler staat in voor de ontwikkeling van het (langetermijn)beleid en instrumentarium inzake omgeving (ruimte en milieu).
Figuur 2. Organogram Departement Omgeving.
Intern organiseert de afdeling Handhaving zich in twee aparte clusters: de cluster Omgevingsinspectie en de cluster Sanctionering en Advisering, die allebei worden ondersteund door een team Administratieve Ondersteuning en een team Strategie en Coördinatie. Er bestaat een duidelijke structurele scheiding tussen de cluster Omgevingsinspectie en de cluster Sanctionering en Advisering wat de autonomie en onafhankelijkheid van de inspecteurs enerzijds en de beboeters anderzijds waarborgt. De cluster Omgevingsinspectie werkt decentraal met één werkplek per provincie terwijl de cluster Sanctionering en Advisering zich vanuit een centraal gelegen werkplek organiseert. Iedere werkplek wordt aangestuurd door een handhavingsmanager. In functie van het realiseren van een coherente handhaving in heel Vlaanderen werkt de afdeling handhaving binnen haar cluster Omgevingsinspectie transversaal met twee teamverantwoordelijken. Zij organiseren een thematische werkgroepwerking met specialisten wat garant moet staan voor een afdelingsbrede kwaliteit en uniformiteit. Drie werkgroepen verzekeren de ‘handhavingskwaliteit ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed’. Voor deze werkgroepen (de juridische werkgroep ruimtelijke ordening/onroerend erfgoed, de werkgroep handhavingsuitvoering ruimtelijke ordening en handhavingsuitvoering onroerend erfgoed) zijn telkens een werkgroepcoördinator en werkgroepleden aangesteld. Voor de ‘handhavingskwaliteit milieu’ gebeurt de werkgroepwerking rond tien thema’s. Voor de thema’s lucht, water, afval, ondergrond & grondwater en dieren staan themabeheerders in voor de coördinatie /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 11 van 110
van een werkgroep bestaande uit één à twee werkgroepleden per decentrale werkplek. Voor de thema’s hinder en klimaat kunnen themabeheerders per onderwerp een werkgroep samenroepen volgens noodzaak. Voor de thema’s ketenteam en omgevingsveiligheid zijn telkens een aanspreekpunt en werkgroepleden aangesteld. De themaoverkoepelende coördinatie voor Richlijn Industriële Emissies (RIE)-installaties gebeurt door de RIE-werkgroep.
Figuur 3. Organogram afdeling Handhaving.
De cluster Sanctionering en Advisering werkt voor de behandeling van boetedossiers met thematische specialisaties in vier werkgroepen: - milieuvergunningen en afval; - water, bodem, mest, lucht, hinder, licht en geluid; - milieubeheer; - ruimte. Daarnaast komen ook de beroepen ingesteld bij het Handhavingscollege, de adviezen inzake beroepen bestuurlijke maatregelen en gemotiveerde dwangsomverzoeken binnen deze werkgroepwerking aan bod. Twee coördinatoren ‘college en advisering’ verzorgen de coördinatie van deze dossierstromen voor het domein milieu respectievelijk het domein ruimtelijke ordening. Het team Administratieve Ondersteuning staat mee in voor de performante werking van de verschillende werkplekken. Het team Strategie en Coördinatie ten slotte zet zich, rekening houdend met de departementslogica en het afdelingsbelang, in voor de beleidsontwikkeling, -implementatie en -evaluatie van de handhavingsuitvoering en neemt opdrachten op die zich in hoofdzaak situeren binnen de /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 12 van 110
managementprocessen van de afdeling Handhaving, met name communicatie, personeel, juridische ondersteuning, ICT en informatiebeheer, financiën, stafwerking van de afdeling, …
1.2 BELEIDSCONTEXT EN OPDRACHT Het jaar 2019 vormt een scharnierjaar tussen twee regeerperioden waarin de afdeling Handhaving niet alleen uitvoering gaf aan de beleidslijnen van het Vlaams Regeerakkoord 2014-2019 maar ook de uitvoering van de beleidslijnen van het Vlaams Regeerakkoord 2019-2024 verkende en waar mogelijk voorbereidde.
1.2.1
Vlaamse beleidscontext
Het Vlaams Regeerakkoord 2014-2019 voorzag dat beleidslijnen en -prioriteiten van de handhaving van de omgevingsvergunning werden uitgewerkt in het handhavingsprogramma, dat de instrumenten van bestuurlijke handhaving optimaal werden ingezet en dat de handhaving inzake de omgevingsvergunning werd toegespitst op de belangrijkste, in termen van impact, omvang en duur, niet-regulariseerbare overtredingen. De Beleidsnota Omgeving 2014-2019 gaf meer concreet de volgende invulling aan de handhaving voor de domeinen milieu en ruimte: - strategische doelstelling 3 ‘eenvoudige en doeltreffende instrumenten’, met in het bijzonder operationele doelstelling 14 ‘verdere uitbouw gericht handhavingsbeleid’; - strategische doelstelling 6 ‘de milieukwaliteit van de leefomgeving verhogen in meerdere thematische processen voor de aanpak van specifieke milieuproblemen’; - strategische doelstelling 10 ‘interbestuurlijk samenspel in vertrouwen tussen bestuurskrachtige, verantwoordelijke partners’, met in het bijzonder operationele doelstelling 69 ‘naar een geïntegreerde omgevingsadministratie’. De Beleidsnota Onroerend Erfgoed 2014-2019 gaf meer concreet de volgende invulling aan de handhaving voor het domein onroerend erfgoed: - strategische doelstelling 3 ‘samen met de prioritaire partners worden op transparante wijze de ambities voor de onroerenderfgoedzorg geformuleerd’, met in het bijzonder operationele doelstelling 3.4 ‘de opmaak van een Handhavingsprogramma Onroerend Erfgoed waarborgt de efficiënte inzet van de nieuwe handhavingsinstrumenten onder meer op het vlak van bestuurlijke handhaving’. Het Vlaams Regeerakkoord 2019-2024 schenkt voor het eerst uitgebreid aandacht aan de Vlaamse bevoegdheden inzake justitie en handhaving en wijdt een apart hoofdstuk aan de realisatie van een geïntegreerde, innovatieve, risicogebaseerde en slagkrachtige omgevingshandhaving. Ook voor het domein onroerend erfgoed benadrukt het Vlaamse Regeerakkoord het belang van handhaving, en van proactieve handhaving in het bijzonder. De Beleidsnota’s 2019-2024 geven op hun beurt meer concrete duiding bij het Vlaams Regeerakkoord 2019-2024. Voor de afdeling Handhaving zijn daarbij accenten van verschillende beleidsnota’s van belang. Een uitgangspunt voor de afdeling Handhaving is het geven van prioriteit aan het opsporen van onvergunde activiteiten, de grootste risico’s en de inbreuken met de grootste milieugevolgen. De afdeling Handhaving zal daarnaast ook voort werk maken van onder andere de inzet op een krachtdadige, afgestemde en gestroomlijnde bestuurlijke omgevingshandhaving, de verkenning van innovatieve technieken voor handhavingsdoeleinden en compliance promotion, de verdere ontwikkeling tot een /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 13 van 110
kenniscentrum waarop lokale besturen zich kunnen beroepen en de versterking van een gedigitaliseerde en datagedreven handhaving. Het jaarlijks omgevingshandhavingsplan ten slotte, vormt voor de afdeling Handhaving de basis voor proactieve handhaving waarbij ze rekening houdt met maatschappelijk relevante thema’s (www.omgeving.vlaanderen.be/handhaving-plannen-rapportering-en-evaluaties).
1.2.2
Departementaal ondernemingsplan
Het departementaal ondernemingsplan 2019 geeft via beleidsdoelstellingen invulling aan het beleidskader uitgetekend door de verschillende Beleidsnota’s 2019-2024, maar omvat ook doelstellingen voor het regulier beleid en doelstellingen gericht op een efficiënte organisatie en een slagkrachtig beleid. Het departementaal ondernemingsplan 2019 schuift de volgende mijlpalen naar voor inzake omgevingshandhaving: - continue en kwaliteitsvolle managementsondersteuning en organisatiebeheersing; - continue en kwaliteitsvolle operationele ondersteuning van de organisatie; - bijdragen aan ontwikkelen en afstemmen van geïntegreerd omgevingshandhavingsbeleid en regelgeving; - coördineren en opmaken beleidsinbreng en regelgevingsvoorstellen over handhavingsuitvoering milieu, ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed; - uitwerken, via toepassing verfijnen en implementeren van het bestuurlijk beboetingskader milieu en ruimtelijke ordening; - intern coördineren en opmaken input voor handhavingsprogramma milieu, ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed; - verstrekken advies omgevingsvergunning op proef en beslissingen over toegewezen bevoegdheden inzake milieuhygiëneregelgeving; - beleidsgericht ondersteunen en adviseren over handhavingsuitvoering milieu, ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed; - vertegenwoordigen van de afdeling en inhoudelijk bijdragen aan (externe) overlegstructuren gericht op handhaving milieu, ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed; - coördineren handhavingsuitvoering milieu, ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed; - milieucrisismanagement; - coördineren en toepassen Milieuschadedecreet; - coördineren en opmaken omgevingshandhavingsplan 2020; - geïntegreerde aanpak milieu, ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed: o vervullen van Europese en Vlaamse verplichtingen inzake planmatige aanpak; o vat zowel reguliere als themaspecifieke initiatieven; o vat zowel routinematig, reactief als proactief optreden; - inspecteren en maatregelen nemen milieu, ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed, inclusief permanentie- en responssysteem milieuhygiëne, waarbij uitvoering wordt gegeven aan het omgevingsinspectieplan 2019: o uitvoering van de geïntegreerde initiatieven milieu, ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed; o uitvoering van Europese en Vlaamse verplichtingen inzake planmatige aanpak; o uitvoering van zowel reguliere als themaspecifieke initiatieven; o uitvoering van zowel routinematige, reactieve als proactieve initiatieven; - beoordelen kwijtschelding dwangsom VCRO (ambtshalve en eenvoudig verzoek bij stedenbouwkundig inspecteur); /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 14 van 110
- bestuurlijk sanctioneren van milieuschending, schending ruimtelijke ordening en schending onroerend erfgoed; - beheren gerechtelijke procedures onroerend erfgoed; - beoordelen klachten milieu, ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed; - adviseren beroep tegen (weigering) bestuurlijke maatregel milieu, ruimtelijke ordening of onroerend erfgoed; - adviseren gemotiveerd verzoek kwijtschelding dwangsom VCRO bij de minister; - beheren beroepen tegen een boete milieu, ruimtelijke ordening of onroerend erfgoed ingesteld bij het Handhavingscollege; - beheren hoger beroepen ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed; - ondersteunen van lokale besturen en andere (handhavings)actoren inzake handhavingsuitvoering; - intern inhoudelijk wetenschappelijk en juridisch ondersteunen over handhavingsuitvoering; - rapporteren en informeren over handhavingsuitvoering milieu, ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed. Het departementaal ondernemingsplan 2019 schuift de volgende speerpunten naar voor inzake omgevingshandhaving:
We staan in voor de ontwikkeling en uitvoering van een gedragen, geïntegreerd, slagkrachtig en toekomstgericht omgevingshandhavingsbeleid. In 2018 zijn we gestart met de organisatorische en inhoudelijke implementatie van het handhavingsbeleid rond de omgevingsvergunning voor zowel inspectie als beboeting en advisering. We maken voort werk van de ontwikkeling van een geïntegreerd omgevingshandhavingsbeleid, initiëren de afstemming en actualisatie van de handhavingsprioriteiten en verkennen bij de uitvoering van een geïntegreerd omgevingshandhavingsbeleid de inzet van gemengde inspectieteams. We versterken de systematische en structurele wisselwerking tussen handhavers en beleidsmakers. Daartoe formuleren we beleidsvoorstellen en delen we concrete handhavingservaringen in functie van een verbeterde toepasbaarheid en handhaafbaarheid van (nieuwe) omgevingsregelgeving. We optimaliseren de inzet van bestaande handhavingsinstrumenten. We werken aan een optimalisatie van het klachtenbeheersysteem met behulp van de input bekomen via de gerichte bevraging die binnen de afdeling Handhaving werd georganiseerd in 2018. We onderzoeken hoe we meer risicogericht kunnen handhaven en trekken voluit de kaart van technologische innovatie. We stimuleren zowel beleidsdomein- als bestuursniveauoverschrijdende samenwerking, afstemming en informatie/data-uitwisseling tussen de verschillende handhavingsactoren. We brengen de handhavingsprogramma’s (milieu, ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed) in de praktijk door een preventieve en herstelgerichte inzet van het handhavingsinstrumentarium op de vastgelegde prioriteiten. We beheren het permanentie- en responssysteem milieuhygiëne, nemen een coördinerende rol op bij ernstige milieu-incidenten volgens het draaiboek milieu-incidenten en staan in voor het toepassen van het Milieuschadedecreet bij ernstige milieuschadegevallen. In 2018 werd het draaiboek milieu-incidenten meermaals toegepast, geëvalueerd en geactualiseerd. We ondersteunen lokale besturen en andere (handhavings)actoren door het delen van kennis via advisering, door het geven van opleidingen over (nieuwe) regelgeving en de toepassing ervan in de praktijk, met bijzondere aandacht voor nieuwe handhavingsinstrumenten. Waar mogelijk stellen we controlevragenlijsten ter beschikking en verlenen we ondersteuning op het terrein. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 15 van 110
De voorbereiding van een efficiënt en billijk beboetingsbeleid schendingen ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed is afgerond. Het Besluit van de Vlaamse Regering handhaving omgevingsvergunning trad samen met het wijzigingsdecreet van 8 december 2017 in werking op 1 maart 2018. De bestuurlijke handhaving ruimtelijke ordening, met instrumenten zoals bestuurlijke maatregelen en de mogelijkheid tot verzoeken kwijtschelding dwangsom, operationaliseren en implementeren we verder in 2019. We verfijnen (verder) het bestuurlijk boetekader voor milieu, ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed op basis van concrete praktijkervaring. We maken optimaal gebruik van bestuurlijke transacties om “kort op de bal” te spelen. We adviseren de minister inzake de beroepen tegen (weigering van) bestuurlijke maatregelen. We schenken aandacht aan de Europese en internationale handhavingscontext, waar het verbeteren van de naleving van bestaande Europese milieuregelgeving hoog op de agenda staat. We werken mee aan de concrete implementatie van het actieplan van de Europese Commissie inzake “Environmental Compliance Assurance” gericht op een geïntegreerde handhavingsaanpak (van sensibilisering over inspecties tot sanctionering). We dragen bij aan de werkzaamheden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu, staan mee in voor de kwalitatieve opmaak van onderling afgestemde handhavingsprogramma’s voor milieu en ruimtelijke ordening en werken mee aan de plannen om in de schoot van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu te komen tot een geïntegreerd omgevingsrapport. We nemen actief deel aan de expertisenetwerken van het Parket-Generaal en bespreken de prioriteiten voor strafrechtelijke vervolging alsook de richtlijnen inzake strafrechtelijke of bestuurlijke sanctionering.
1.2.3
Missie, visie, strategische pijlers en waarden
De afdeling Handhaving schrijft zich in in de missie van het Departement Omgeving:
We staan garant voor een kwaliteitsvolle leefomgeving met respect voor mens, dier en ecosysteem. We maken milieu-ecologische en ruimtelijke afwegingen en ontwikkelingskeuzes in het belang van de Vlaamse samenleving. We streven naar een duurzame omgang met diverse natuurlijke hulpbronnen in een koolstofarme, energiezuinige, klimaatintelligente samenleving. We realiseren een sterke band tussen ecologische, sociale en economische dimensies. Daarnaast realiseert de afdeling Handhaving ook haar eigen missie, visie en strategische pijlers en geeft ze nog meer concreet invulling aan de waardengedreven organisatie die ze wil zijn.
1.2.3.1
Missie
De afdeling Handhaving vormt het sluitstuk van een slagkrachtig omgevingsbeleid. Zij draagt bij aan een kwaliteitsvolle leefomgeving voor huidige en toekomstige generaties.
1.2.3.2
Visie
De afdeling Handhaving draagt vanuit haar eigen expertise op een geïntegreerde en gedragen manier bij tot een verbetering van de naleving van de regelgeving inzake leefmilieu, ruimte en onroerend erfgoed. Zij zet daarbij in op de uitvoering van zowel proactieve als reactieve controles en bestuurlijke beboeting. Zij zorgt bij deze handhaving voor een optimale toepassing van diverse instrumenten, een gerichte samenwerking met andere actoren en milieucrisismanagement. Zij wendt haar ervaring aan om in samenwerking met de beleidsmakers de omgevingsregelgeving te optimaliseren. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 16 van 110
1.2.3.3
Strategische pijlers
Het bundelen van de handhavingsprocessen inzake milieu, ruimte en onroerend erfgoed biedt de afdeling Handhaving de mogelijkheid om te evolueren naar een optimaal geïntegreerde handhaving van het omgevingsbeleid. De keuze voor een gedragen handhaving gaat hand in hand met een slagkrachtige handhaving. Een gedragen, innovatieve en risicogebaseerde aanpak realiseert mee een toekomstgericht omgevingshandhavingsbeleid.
1.2.3.4
Waarden
De afdeling Handhaving stelt een door waarden gedreven samenwerkingscultuur voorop. Het resultaat van de belanghebbendenbevraging van 2017 schuift ‘klant- en oplossingsgericht’, ‘doelmatig en doeltreffend’ en ‘onafhankelijk en neutraal’ als belangrijkste waarden naar voor. Alle medewerkers van de afdeling Handhaving onderschrijven de vier algemene waarden (openheid, daadkracht, 360° vertrouwen en wendbaarheid) waarmee de Vlaamse overheid haar missie en visie kleurt, richting geeft aan het beleid en haar dienstverlening beïnvloedt. Alle medewerkers van de afdeling Handhaving onderschrijven ook de specifieke waarde ‘duurzaamheidsreflex’ van het Departement Omgeving. Bij het uitvoeren van haar opdracht werken de medewerkers van de afdeling Handhaving onafhankelijk en neutraal, integer en geloofwaardig, kwaliteitsgericht en doeltreffend. - Onafhankelijk en neutraal We voeren onze taak ongebonden uit en vermijden belangenvermenging. We handelen objectief en komen daarbij professioneel en onpartijdig over. We geven loyaal uitvoering aan het handhavingsbeleid maar laten geen interventies of invloed door externe druk toe. - Integer en geloofwaardig We zijn objectief, neutraal en betrouwbaar omdat we vanuit het gemeenschappelijk belang de verantwoordelijkheid nemen voor ons handelen en de consequenties daarvan voor anderen. In lijn met onze visie doen we wat we zeggen. Zo zetten we ons in om rechtszekerheid voor burgers en bedrijven te garanderen. We behandelen gelijke situaties op een gelijke manier en hanteren een gepaste vorm van open communicatie. - Kwaliteitsgericht Onze keuzes zijn weloverwogen en gericht op het realiseren van een kwaliteitsvolle omgeving. Onze handelingen en acties voeren we grondig en met kennis van zaken uit. We spreken duidelijke en begrijpbare taal voor onze doelgroepen. We spannen ons blijvend in om de kwaliteit van onze dienstverlening te verhogen: van de interne en externe communicatie, van het informatiebeheer, van de dossierbehandeling, van de werkomstandigheden van alle leden van onze organisatie. Door ons te verplaatsen in en in dialoog te gaan met onze belanghebbenden, zowel intern als extern, kennen we hun behoeften en logica, en kunnen we hier gericht op inspelen. - Doeltreffend We zetten onze beschikbare instrumenten weloverwogen in om onze missie en visie zo gericht mogelijk te realiseren. We bereiken onze doelstellingen door een doordacht gebruik van de middelen. We delen onze kennis en door innovatief samen te werken, vergroten we onze slagkracht. We /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 17 van 110
evalueren onze werkwijze in het licht van onze doelstellingen en sturen bij waar nodig. We streven samen met onze partners duurzame resultaten na.
1.2.4
Macroprocesmap afdeling Handhaving
De kernopdracht van de afdeling Handhaving bestaat uit: - het inspecteren en maatregelen nemen inzake milieuhygiëne, ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed; - milieucrisismanagement (de coördinatie van de acties vanuit het beleidsdomein Omgeving bij ernstige milieu-incidenten); - de bestuurlijke sanctionering van milieuschendingen, schendingen onroerend erfgoed en sedert maart 2018 ook van schendingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; - de advisering van de minister in beroepen ingesteld tegen bestuurlijke maatregelen n.a.v. schendingen milieu en ruimtelijke ordening; - de beoordeling van verzoeken tot kwijtschelding van dwangsommen opgelegd n.a.v. gerechtelijke uitspraken met herstelvorderingen ruimtelijke ordening; - beheren gerechtelijke procedures handhaving onroerend erfgoed; - de toepassing van het Milieuschadedecreet. Hoewel de afdeling Handhaving een belangrijk deel van haar tijd besteedt aan bovenstaande opdracht, draagt ze ook nog tot heel wat andere processen bij. Figuur 4 geeft de macroprocesmap van de afdeling Handhaving weer. De afdeling Handhaving streeft voortdurend naar een verhoging van de kwaliteit van de handhaving. Daarbij besteedt ze bijzondere aandacht aan een doelmatig, uniform en geïntegreerd optreden over heel Vlaanderen. Om de handhaving in haar geheel te laten slagen, werkt de afdeling Handhaving samen met heel wat (handhavings)actoren, vermijdt ze concurrerende handhavingsactiviteiten en wil ze een voorbeeldfunctie vervullen voor de lokale overheden. Voorts onderhoudt de afdeling Handhaving (inter)nationale contacten om actief in te kunnen spelen op vernieuwingen en internationale tendensen inzake handhaving. Voor de beleidsvoorbereiding en -evaluatie adviseert de afdeling Handhaving over de uitvoerbaarheid en de handhaafbaarheid van de regelgeving. Hiertoe koppelt de afdeling haar ervaringen op het terrein terug naar de beleidsmakers. Ten slotte rapporteert en informeert de afdeling Handhaving als kennispartner over haar optreden, aanpak en expertise door het deelnemen aan verschillende fora (IMPEL, CIW, VHRM, CVH, Minaraad, …), het bijdragen aan expertisenetwerken (begeleidingscommissie van interne/externe studies, expertisenetwerken met de parketten, …), het verzorgen van voordrachten tijdens (al dan niet zelf georganiseerde) opleidingen en workshops, het bijdragen aan publicaties in nieuwsbrieven en vakbladen, … Met deze transparante aanpak beoogt ze een voldoende breed maatschappelijk draagvlak voor een doelmatige handhaving te creëren.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 18 van 110
Figuur 4. Macroprocesmap van de afdeling Handhaving.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 19 van 110
1.3 BEVOEGDHEDEN EN PROGRAMMATISCHE HANDHAVING De lijst van regelgeving die deel uitmaakt van de handhavingsopdracht van de afdeling Handhaving, is lang en divers. De uitdaging om daarenboven op een geïntegreerde manier rekening te houden met de prioriteiten van meerdere meerjarenhandhavingsprogramma’s is groot.
1.3.1
Toepassingsgebied toezicht en sanctionering
De cluster Omgevingsinspectie van de afdeling Handhaving houdt toezicht op de volgende regelgeving: - het Onroerenderfgoeddecreet, - het Varenderfgoeddecreet, - de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, - titel III, titel IV, titel V en titel XV van het decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid, - de wet van 28 december 1964 op de bestrijding van de luchtverontreiniging, - de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder, - het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer, - het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, - de wet van 12 juli 1985 betreffende de bescherming van de mens en van het leefmilieu tegen de schadelijke effecten en de hinder van niet-ioniserende stralingen, infrasonen en ultrasonen, - titel III, hoofdstuk 2 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, - het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen, - het Oppervlaktedelfstoffendecreet, - het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond, - het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, - het decreet van 8 februari 2013 houdende duurzaam gebruik van pesticiden in het Vlaamse Gewest, als het van toepassing is op hinderlijke inrichtingen vermeld in artikel 5.2.1 van het decreet, - het samenwerkingsakkoord van 16 februari 2016 tussen de federale staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, - de Verordening (EG) Nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de persistente organische verontreinigde stoffen en tot wijziging van Richtlijn 97/117/EEG, - de Verordening (EG) Nr. 166/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van de Richtlijn 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad, - de Verordening (EG) Nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, - de Verordening (EG) Nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van de Verordening (EEG) Nr. 793/93 van de Raad en de Verordening (EG) Nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijn 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie, /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 20 van 110
- de Verordening (EG) Nr. 1418/2007 van de Commissie van 29 november 2007 betreffende de uitvoer, met het oog op terugwinning, van bepaalde afvalstoffen, vermeld in bijlage III of III A bij de Verordening (EG) Nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad, naar bepaalde landen waarop het OESO-besluit betreffende het toezicht op de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen niet van toepassing is, - de Verordening (EG) Nr. 1497/2007 van de Commissie van 18 december 2007 tot vaststelling, ingevolge de Verordening (EG) Nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire brandbeveiligingssystemen die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten, - de Verordening (EG) Nr. 1516/2007 van de Commissie van 19 december 2007 tot vaststelling, ingevolge de Verordening (EG) Nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevat, - de Verordening EG Nr. 1102/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 inzake het verbod op de uitvoer van metallisch kwik en andere kwikverbindingen en -mengsels en de veilige opslag van metallisch kwik, - de Verordening (EG) Nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaagafbrekende stoffen, - de Verordening (EG) Nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van de Verordening (EG) Nr. 1774/2002, - de Verordening (EU) Nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van de Verordening (EG) Nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die Richtlijn, - de Verordening (EU) Nr. 333/2011 van de raad van 31 maart 2011 tot vaststelling van criteria die bepalen wanneer bepaalde soorten metaalschroot niet langer als afval worden aangemerkt overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad, - de Verordening (EU) Nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad, - de Verordening (EU) Nr. 1179/2012 van de Commissie van 10 december 2012 tot vaststelling van criteria die bepalen wanneer kringloopglas overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad niet langer als afval wordt aangemerkt, - de Verordening (EU) Nr. 715/2013 van de Commissie van 25 juli 2013 tot vaststelling van criteria die bepalen wanneer koperschroot overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad niet langer als afval wordt aangemerkt, - de Verordening (EU) Nr. 1257/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake scheepsrecycling, en tot wijziging van de Verordening (EG) Nr. 1013/2006 en van Richtlijn 2009/16/EG, - de Verordening (EU) Nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van de Verordening (EG) Nr. 842/2006, /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 21 van 110
- de Verordening (EU) 2017/852 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 betreffende kwik, en tot intrekking van De Verordening (EG) Nr. 1102/2008. Het toepassingsgebied van de cluster Sanctionering en Advisering van de afdeling Handhaving, beter bekend als de gewestelijke beboetingsentiteit, die instaat voor de bestuurlijke beboeting, spoort grotendeels samen met bovenvermeld toepassingsgebied, aangevuld met gerichte Vlaamse wetgeving en de integrale Europese en internationale milieuregelgeving: - de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, - alle titels van het decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid, met uitzondering van titel I, titel II, titel VIII, titel X, titel XI, - de Jachtwet van 28 februari 1882, - het Boswetboek van 19 december 1854, - de wet van 1 juli 1954 op de riviervisserij, - de wet van 28 december 1964 op de bestrijding van de luchtverontreiniging, - de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen, - de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, met uitsluiting van hoofdstuk IV, afdeling IV, en hoofdstuk VI, van deze titel voor wat de overtredingen van hoofdstuk IIIbis en de uitvoeringsbesluiten ervan betreft, - de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, - de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder, - de wet van 10 januari 1977 houdende regeling van de schadeloosstelling voor schade veroorzaakt door het winnen en het pompen van grondwater, - de wet van 28 juli 1981 houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten, en van de Bijlagen, opgemaakt te Washington op 3 maart 1973, - het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer, met uitsluiting van hoofdstuk IV, afdeling IV, en hoofdstuk VI, van deze titel voor wat de overtredingen van hoofdstuk IVbis en de uitvoeringsbesluiten ervan betreft, - het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, - de wet van 12 juli 1985 betreffende de bescherming van de mens en van het leefmilieu tegen de schadelijke effecten en de hinder van niet-ioniserende stralingen, infrasonen en ultrasonen, - het Bosdecreet van 13 juni 1990, - het Jachtdecreet van 24 juli 1991, - het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, - het decreet van 4 april 2003 betreffende de oppervlaktedelfstoffen, - het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoรถrdineerd op 15 juni 2018, wat betreft artikel 1.3.1.1, artikel 1.3.2.2 tot en met 1.3.3.3.1, artikel 1.7.3.3, artikel 1.7.5.4, afdeling 2, van hoofdstuk VI van titel II en hoofdstuk 2 van titel III, - het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, - het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen, met behoud van de toepassing van artikel 61, ยง 2, van dat decreet, - het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond, - het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, - het decreet van 8 februari 2013 houdende duurzaam gebruik van pesticiden in het Vlaamse Gewest, /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 22 van 110
- het decreet van 28 maart 2014 betreffende de preventie, surveillance en bestrijding van ziekten bij in het wild levende dieren, - het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning voor zover het projecten betreft bedoeld in artikel 5, 1°, c, en 2°, b, - het decreet van 21 december 2018 houdende de luchtkwaliteit in het binnenmilieu van voertuigen, - de milieuregelgeving van de Europese Unie en de internationale milieuregelgeving, die de Vlaamse Regering bepaalt, alsook op de door of krachtens de voormelde regelgeving uitgevaardigde bepalingen en opgelegde verplichtingen, wat betreft de bevoegdheden van het Vlaamse Gewest. De gewestelijke inspecteurs onroerend erfgoed van de afdeling Handhaving staan in voor de bestuurlijke beboeting binnen het volgende toepassingsgebied: - het Onroerenderfgoeddecreet; - het Varenderfgoeddecreet.
1.3.2
Prioriteiten
Het Milieuhandhavingsprogramma 2015-2019 van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu, goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 22 april 2016, bundelt de meerjarenprogramma’s van de verschillende milieuhandhavingsactoren. De belangrijkste opdracht van de afdeling Handhaving situeert zich voor wat betreft het domein milieu bij het toezicht op de naleving van de milieuhygiëneregelgeving en de bestuurlijke remediërende handhaving daarvan. Voor sommige sectoren of activiteiten eist de Europese milieuhygiëneregelgeving expliciet een programmatische aanpak. De Richtlijn Industriële Emissies (RIE) legt een risicogebaseerde inspectiefrequentie, uitgewerkt in een inspectieprogramma en -plan, op voor de onder deze Richtlijn ressorterende installaties. De SevesoRichtlijn legt specifieke inspectie-eisen op, waaronder de opmaak en de uitvoering van een controleprogramma dat minstens de aard van de geplande controles, de toe te passen methodiek en de voorziene frequentie moet vermelden. De Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA) bepaalt dat de lidstaten vanaf 2017 plannen opstellen voor de EVOA-controles, gebaseerd op risicobeoordelingen van specifieke afvalstromen en bronnen van illegale overbrengingen. Ook voor controles in het kader van de REACH-Verordening, de POP-Verordening en de Verordening Dierlijke Bijproducten zijn er specifieke eisen inzake planning en risicoanalyse voorzien. Voor de vijf genoemde Europese regelgevingen maakt de afdeling Handhaving specifieke controleprogramma’s op om zodoende deze Europese verplichtingen inzake inspecties optimaal te implementeren. Voor de andere sectoren en activiteiten gelden de algemene principes van de Europese aanbeveling betreffende minimumcriteria voor milieu-inspecties. Omwille van de omvang van de milieuhygiëneregelgeving, de grootteorde van het aantal te controleren inrichtingen en activiteiten, en de verscheidenheid en complexiteit van haar opdracht hanteert de afdeling Handhaving voor het domein milieu een prioriteitenlijst die ze op regelmatige basis evalueert en desgevallend bijstelt. Het Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening 2015, meegedeeld aan de Vlaamse Regering op 17 juli 2015, bepaalt grotendeels het kader voor de handhavingsuitvoering voor het domein ruimte op Vlaams niveau. Dit programma zet de krachtlijnen uit voor het gewestelijk handhavingsbeleid door middel van het vastleggen van strategische en operationele doelen en schrijft op een gedetailleerde wijze het handhavingstraject voor dat de Vlaamse administratie moet volgen. Voor de lokale overheden biedt het programma een houvast zonder evenwel bindend te zijn. Het Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening 2015 voorziet het jaarlijks opstellen van gewestelijke en gezamenlijke prioriteiten. De Vlaamse Regering nam op 23 december 2016 kennis van de door de minister bepaalde handhavingsprioriteiten. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 23 van 110
In globo situeren de gewestelijke handhavingsprioriteiten zich in de ruimtelijke kwetsbare gebieden en bijkomend op de vrijwaring van de watergevoelige zones. In het Handhavingsprogramma Onroerend Erfgoed 2015, goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 27 november 2015, zijn de prioriteiten voor het domein onroerend erfgoed opgenomen. Het uitgangspunt is dat de schaarste van de middelen ertoe noopt bepaalde schadegevallen conform de prioriteitenlijst bij voorrang te behandelen, zonder dat niet in de lijst voorkomende gevallen helemaal worden losgelaten of niet behandeld. Met het oog op een doelgerichte, geïntegreerde en uniforme behandeling van de boetedossiers besteedt de cluster Sanctionering en Advisering veel aandacht aan een eenvormig kader met criteria voor het bepalen van de hoogte van de geldboete. Dit kader creëert rechtzekerheid en is transparant terug te vinden op de website van de afdeling Handhaving. De cluster Sanctionering en Advisering werkt bij het behandelen van boetedossiers via inhoudelijke specialisatie en met mogelijke prioritering in beboeting. Een uitgangspunt is om de specifieke handhavingscampagnes of prioriteiten van verschillende handhavingsactoren via sanctionering kracht bij te zetten (bv. campagnes zwerfvuil). Zo zet de cluster Sanctionering en Advisering ook nadrukkelijk in op de behandeling van stedenbouwschendingen die prioritair zijn voor het gewestelijke of het lokale niveau.
1.3.3
Geïntegreerde en risicogebaseerde handhaving
Geïnspireerd door de omgevingsgedachte integreerde de afdeling Handhaving in 2019 voor het eerst haar handhavingsinitiatieven voor de domeinen ruimte, milieu en onroerend erfgoed in één omgevingsinspectieplan 2019. Voortbouwend op dit plan gaf de afdeling Handhaving in haar omgevingshandhavingsplan 2020 ook duiding over de opdrachten en plannen van de cluster Sanctionering en Advisering, beter bekend als de gewestelijke beboetingsentiteit. Zodoende bood de afdeling Handhaving een volledig overzicht van haar werking, plannen en acties. Deze aanpak maakt mee een krachtdadige en afgestemde bestuurlijke omgevingshandhaving mogelijk. In 2019 zette de afdeling Handhaving op basis van risicogebaseerde monitoringstools, risicogebaseerde inspectiefrequenties, risico-analyses en risicobeoordelingen haar risicogebaseerde handhaving voort voor de domeinen milieu, ruimte en onroerend erfgoed. De afdeling Handhaving zal vanaf 2020 ook bijdragen aan het departementaal onderzoeksproject ‘ontwikkeling methodologie risicogebaseerd meerjarenhandhavingsprogramma’. Daartoe gunde de afdeling Beleidsontwikkeling en Juridische Ondersteuning van het Departement Omgeving in het najaar 2019 een overheidsopdracht die de ontwikkeling van een methodologie voor risicoanalyse, als basis om beleidslijnen en handhavingsprioriteiten te actualiseren en te stroomlijnen alsook voor het opstellen van een strategisch meerjarenhandhavingsprogramma, beoogt.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 24 van 110
Voor het vierde jaar op rij wordt Vlaanderen met een droogteperiode geconfronteerd.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 25 van 110
1.4 PERSONEEL Op 31 december 2019 kon de afdeling Handhaving rekenen op in totaal 189 medewerkers samen goed voor 171,85 VTE. Tabel 1 geeft een overzicht van het aantal medewerkers (koppen) dat eind 2019 bevoegd was om een proces-verbaal of een verslag van vaststelling op te stellen. Tabel 1. Het aantal in een toezichtsfunctie aangestelde medewerkers.
functie
aantal medewerkers
milieutoezichthouder
88
milieutoezichthouder zware risicobedrijven
9
gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur
13
*
verbalisant ruimtelijke ordening
9
Erfgoedinspecteur *
6
(*) bijkomend zijn 17 medewerkers ook aangesteld als officier van de gerechtelijke politie
Tabel 2 geeft het overzicht van het aantal medewerkers (koppen en VTE), in rekening gebracht volgens hun hoofdopdracht. Tabel 2. Het aantal medewerkers ingedeeld volgens hun hoofdopdracht.
functie
aantal medewerkers
aantal (VTE)
leidinggevende
10
10,00
strategisch coรถrdinator
6
5,60
milieutoezichthouder
84
74,80
milieutoezichthouder zware risicobedrijven
9
8,30
gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur
11
10,00
verbalisant ruimtelijke ordening
9
8,40
erfgoedinspecteur
5
4,60
beboeter
14
13
administratief medewerker
34
31,85
inhoudelijk ondersteunende functie (overige)
7
5,30
Bij de jaarlijkse opmaak van het omgevingshandhavingsplan maakt de afdeling Handhaving een inschatting van de benodigde inspectiecapaciteit per onderdeel van het plan.โ ฏTot voor kort baseerde de afdeling Handhaving zich op een voorhanden zijnde tijdsinschatting van jaren geleden. Door de evolutie van de taken en de aard van het werk waren deze cijfers niet meer representatief voor de werking van de afdeling Handhaving. Er werd daarom een nieuwe tijdsmeting uitgevoerd tussen 1 april 2019 en 30 juni 2019. Iedere medewerker van de cluster Omgevingsinspectie werd gevraagd om hier aan mee te /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 26 van 110
werken, zodat de resultaten zo volledig en representatief mogelijk waren. Op die wijze kreeg de afdeling Handhaving een geactualiseerd beeld dat mee als basis kan dienen voor het inschatten van de beschikbare inspectiecapaciteit bij het plannen van handhavingsinitiatieven.
1.5 FINANCIËN 1.5.1 1.5.1.1
Uitgaven Laboratoriumkosten voor milieu-onderzoek
Ter ondersteuning van haar sleutelproces 'inspecteren en maatregelen nemen' sluit Omgevingsinspectie overeenkomsten af met erkende laboratoria voor het meten, bemonsteren en analyseren van allerhande stoffen en emissies. Voor de meting, monstername en analyse van afvalwater, koelwater en oppervlaktewater enerzijds en afvalstoffen, bodem en grondwater anderzijds werden 2 langlopende (4 jaar) overeenkomsten afgesloten met een erkend laboratorium. Om emissiemetingen uit te voeren op de schoorsteen van verbrandingsinrichtingen en procesinstallaties doet Omgevingsinspectie beroep op ĂŠĂŠn erkend laboratorium via een langlopend contract. Naast de hierboven vermelde algemene overeenkomsten werden nog enkele overeenkomsten afgesloten voor een aantal specifieke dossiers.
28,1 32,0
8,2
1,5 0,2 30,0 afval
hinder
klimaat
lucht
ondergrond
water
Figuur 5. Uitgaven voor milieu-onderzoek in 2019.
1.5.1.2
Handhavingsstudies
In bepaalde omstandigheden is het noodzakelijk bijkomende studies te laten uitvoeren door gespecialiseerde laboratoria of deskundigen. Zo kan Omgevingsinspectie bijvoorbeeld niet-courante analyses laten uitvoeren of de milieu-impact van een specifieke inrichting laten onderzoeken. In toepassing van het kwaliteitssysteem gebruikt en actualiseert Omgevingsinspectie een kwaliteitshandboek, waarover zij ook regelmatig intern een audit organiseert.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 27 van 110
1.5.1.3
Uitgaven in het kader van ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed
In 2019 werden in het kader van ruimtelijke ordening zeer beperkt uitgaven gedaan voor de ambtshalve opheffing van hypotheken. Voor onroerenderfgoeddossiers werden enerzijds uitgaven gedaan voor de uitvoering van dringende instandhoudingswerken, voor het verlenen van bouwtechnische ondersteuning en stabiliteitsadvies met betrekking tot het bouwkundig erfgoed. Anderzijds werden er betalingen uitgevoerd aan advocaten en deurwaarders.
1.5.1.4
Werkingsmiddelen
Voor de uitvoering van de inspecties beschikken de milieutoezichthouders over heel wat materieel en over speciaal daartoe ingerichte dienstwagens. In de meeste dienstwagens is een scheidingswand aangebracht tussen de passagiers- en de kofferruimte zodat propere en mogelijk gecontamineerde items gescheiden worden vervoerd. Bovendien zijn de meeste dienstwagens voorzien van een koelbox, waarmee genomen monsters gekoeld en in het donker worden vervoerd tussen de plaats van monstername en het laboratorium. Voor het zelf uitvoeren van metingen op het terrein beschikken milieutoezichthouders onder meer over pH- en temperatuurmeters, zuurstofmeters, geleidbaarheidsmeters, geluidsmeters, trillingsmeters, radioactiviteitsmeters, gasdetectiemeters, explosiemeters en markers voor Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). Omgevingsinspectie zorgt ervoor dat de haar toestellen steeds geijkt en onderhouden zijn. Ook voor het uitvoeren van monsternames van water, afval en bodem beschikken de milieutoezichthouders over een grote hoeveelheid materieel. Ten slotte stelt Omgevingsinspectie persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking van haar milieutoezichthouders, verbalisanten ruimtelijke ordening, gewestelijke stedenbouwkundige inspecteurs en inspecteurs onroerend erfgoed. Om haar goede werking te waarborgen, beschikt de afdeling Handhaving over een aantal kredieten die haar in de mogelijkheid stellen de noodzakelijke aankopen te realiseren en te zorgen dat haar personeelsleden de nodige vormingen kunnen volgen.
afval
hinder
klimaat
lucht
ondergrond
water
onroerend erfgoed
ruimtelijke ordening
kwaliteit en uniformiteit
meetmateriaal Figuur 6. Uitgaven van de afdeling Handhaving in 2019. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 28 van 110
1.5.2
Ontvangsten
De bestuurlijke boetes die de afdeling Handhaving oplegt voor milieuschendingen spijzen het Minafonds. De gelden bekomen uit bestuurlijke geldboetes voor schendingen, dwangsommen, minnelijke schikkingen en meerwaarden met betrekking tot het domein ruimte gaan integraal naar het Grondfonds. De gelden afkomstig van bestuurlijke boetes, dwangsommen en minnelijke schikkingen met betrekking tot het domein onroerend erfgoed voeden het Fonds Onroerend Erfgoed. In het kader van het Milieuhandhavingsdecreet en de Vlaamse Codes Ruimtelijke Ordening legde de gewestelijke beboetingsentiteit van de afdeling Handhaving voor een totale waarde van respectievelijk 2.394.624,84 euro en 391.110,00 euro aan boetebeslissingen op. Ten gevolge van correcties en waardeverminderingen op vorderingen uit voorgaande begrotingsjaren wordt het begrotingsjaar 2019 afgesloten met een vorderingsbedrag ter waarde van respectievelijk 2.240.066 euro en 388.580,00 euro. Dit zijn, naast de correcties ten gevolge van faillissementen, insolvabiliteit, ‌ de dossiers waarbij het gaat om boetebeslissingen (vorderingen) opgemaakt eind 2018, waarna een beroepsprocedure bij het Handhavingscollege werd gestart en waarbij het Handhavingscollege in 2019 een uitspraak heeft gedaan die tot gevolg had dat een (deel van de) geldboete niet moest worden betaald.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 29 van 110
Affakkeling in de Antwerpse Haven.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 30 van 110
2 HANDHAVINGSINITIATIEVEN 2019 2.1 GEÏNTEGREERDE HANDHAVING 2.1.1
AFDELINGSPROJECT ‘INTEGRATIE OMGEVINGSINSPECTIE’
Iedereen is gebaat bij een geïntegreerde en multidisciplinaire aanpak. Een eenzijdige benadering louter vanuit de domeinen milieu, ruimte of onroerend erfgoed is te vermijden bij de uitvoering van de handhavingstaken, hoewel de overlappende elementen tussen de verschillende domeinen niet van die aard zijn dat een volledig geïntegreerde benadering mogelijk is. De eerste terreinervaringen bevestigden dat het aantal dossiers waarbij er tussen de drie domeinen op gewestelijk niveau geïntegreerd kan worden gewerkt, beperkt is. De gewestelijke prioriteiten, die in het verleden zijn bepaald vanuit ieder beleidsdomein afzonderlijk, blijken de grootste hinderpaal te zijn. Midden mei 2019 startte een interne werkgroep met de opdracht om een kader uit te werken voor samenwerking over de verschillende domeinen heen en om een mogelijke uitbreiding van het aantal gemeenschappelijke dossiers in kaart te brengen. De projectgroep, samengesteld uit medewerkers van de domeinen milieu, ruimte of onroerend erfgoed en de verschillende werkplekken van de Omgevingsinspectie, diepte deze opdracht verder uit. De werkgroep maakte een overzicht van de eigen prioriteiten per domein. Vertrekkend vanuit het omgevingsdenken legde de werkgroepgroep vervolgens een aantal algemene principes vast met het oog op een meer geïntegreerde samenwerking. Tenslotte werkte zij een werkwijze uit en verkende zij de aangewezen mogelijkheden tot uitbreiding van de gewestelijke prioriteiten. Op basis van deze werkwijze startte de werkgroep, samen met de themabeheerders en werkgroepcoördinatoren van Omgevingsinspectie, met de geïntegreerde aanpak van een aantal proefprojecten. De afdeling Handhaving zal de resultaten van deze werkwijze in 2020 evalueren en desgevallend bijsturen.
2.1.2
AFDELINGSPROJECT ‘UNIFORMITEIT EN KWALITEITSBEWAKING’
De afdeling Handhaving hecht belang aan een uniforme handhaving waarbij de beoordeling en inzet van handhavingsinstrumenten zo gestroomlijnd mogelijk gebeurt in heel Vlaanderen. In 2019 werkte de afdeling Handhaving een bestek uit voor de studieopdracht ‘kwaliteitsbewaking en uniformiteitsbewaking binnen de afdeling Handhaving’. Uniformiteit impliceert dat er bij gelijkaardige vaststellingen en in gelijkaardige situatie op een gelijkaardige manier wordt gehandeld en dus vergelijkbare werkwijzen gehanteerd en vergelijkbare producten worden gegenereerd. Optimalisatie van uniformiteit betreft niet alleen het eindproduct, maar ook de sturing, interne processen en systemen die erachter zitten. Kwaliteit wordt gedefinieerd als eigenschappen en kenmerken van een product, systeem of proces dat voldoet aan eisen van klanten en andere belanghebbenden. De focus bij kwaliteit is een goede kwaliteitscontrole op de output én kwaliteitsbewaking tijdens het proces om minimaal te moeten ingrijpen op de output. In 2020 volgt een interne begeleidingscommissie, die is samengesteld uit medewerkers met ervaring in de domeinen milieu, ruimte of onroerend erfgoed en van de verschillende clusters van de afdeling Handhaving, de uitvoering van deze studieopdracht op. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 31 van 110
2.1.3
AFDELINGSPROJECT ‘ONDERSTEUNING HANDHAVING LOKALE OVERHEDEN’
Met haar project ‘ondersteuning handhaving lokale overheden’ wil de afdeling Handhaving onderzoeken welke mogelijkheden en middelen voorhanden zijn om een efficiënte en kwaliteitsvolle ondersteuning aan lokale overheden aan te bieden en via welke concrete acties zij daar effectief invulling aan kan geven. In 2019 nam de afdeling Handhaving daartoe verschillende initiatieven. De lokale toezichthouders gaven aan dat zij vooral nood hebben aan dossiergebonden adhocondersteuning, waarbij zowel technische bijstand op het terrein als administratieve bijstand bij de opmaak van documenten aan bod kunnen komen. Aansluitend op haar proactief handhavingsinitiatief op de selectieve inzameling van afvalstoffen bij klasse 1-inrichtingen, werkte de afdeling Handhaving in overleg met de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM) in 2019 inspectietools uit voor de lokale toezichthouders die controles uitvoeren op de selectieve inzameling van afvalstoffen bij klasse 2en klasse 3-inrichtingen. Ook het verlenen van ondersteuning bij de controles van selectieve inzameling op sloopwerven, en de bijzondere aandacht voor asbesthoudende afvalstoffen, was een belangrijk onderdeel van dit initiatief. De afdeling Handhaving organiseerde in 2019 workshops in Antwerpen, Gent en Brugge. Aansluitend op deze workshops bood de afdeling Handhaving de mogelijkheid om gezamenlijke inspecties uit te voeren. De workshops konden rekenen op een ruime belangstelling en kregen positieve feedback van de lokale toezichthouders. De workshops voor het thema ‘koelinstallaties’ hadden als doel de lokale toezichthouders op te leiden en te ondersteunen bij controles van koelinstallaties in klasse 2- of klasse 3-inrichtingen. De afdeling Handhaving ging in op de impact van lekkende koelinstallaties op het milieu en het klimaat en op een aantal specifieke controleaspecten bij koelinstallaties. De workshops voor het thema ‘bevoorradingsstations voor motorvoertuigen’ brachten een aantal milieu- en veiligheidsaspecten onder de aandacht die belangrijk zijn bij de controle van bevoorradingsstations. De afdeling Handhaving lichtte toe op welke wijze een controle best wordt uitgevoerd en welke handhavingsinstrumenten kunnen worden toegepast bij bevoorradingsstations, die bij de invoering van de omgevingsvergunning grotendeels werden gedeclasseerd van een klasse 1- naar een klasse 2-inrichting. Voor het domein ruimte verleende de afdeling Handhaving in 2019 in iedere provincie haar medewerking aan de opleiding ‘Handhaving ruimtelijke ordening voor gemeentelijk verbalisant ruimtelijke ordening en gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur’ georganiseerd door de bestuursscholen. Om veel interactie mogelijk te maken tijdens de opleiding, beperkten de bestuursscholen het aantal inschrijvingen per sessie. Om de daardoor ontstane wachtlijsten weg te werken, hernamen de bestuursscholen in het najaar de basisopleiding in twee provincies. Omwille van de blijvende interesse zal dit iniatief in 2020 een vervolg kennen. In 2019 startte de afdeling Handhaving overlegrondes met gemeentebesturen en intercommunales met de bedoeling om te vernemen welke verwachtingen en bekommernissen er zijn ten aanzien van de afdeling Handhaving, welke accenten inzake handhaving er op lokaal niveau worden gelegd en om concrete handhavingsdossiers aan bod te laten komen voor bespreking en ondersteuning. Van de aangeschreven gemeentebesturen en intercommunales ging 43% in dialoog met de afdeling Handhaving. Hoewel in 2019 nog niet alle overleggen konden doorgaan, tekenden zich eind 2019 een aantal tendensen af die de nodige aandacht zullen krijgen bij de verdere evaluatie in 2020. Het blijkt voor kleine gemeenten niet evident om handhavingstaken milieu, ruimte en onroerend erfgoed naar behoren in te vullen omwille van capaciteitsproblemen. In kleine gemeenten die op handhaving vanuit een gemeentelijk samenwerkingsverband of intercommunale beroep kunnen doen, is een meer efficiënte en doeltreffende /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 32 van 110
handhaving mogelijk. In beide gevallen wordt ondersteuning vanuit de afdeling Handhaving erg op prijs gesteld. Om de lokale overheden te informeren, maakt de afdeling Handhaving gebruik van de CAPLO-nieuwsbrief van het Departement Omgeving, de VVSG-nieuwsbrief en de websites van het Departement Omgeving en de VHRM. De afdeling Handhaving nam ook actief deel aan overlegssessies die voor lokale toezichthouders en verbalisanten werden georganiseerd, hetzij vanuit provinciaal initiatief, hetzij door intercommunales. Deze netwerkmomenten vormen een ideale gelegenheid om kennis en ervaring uit te wisselen.
2.1.4
AFDELINGSPROJECT ‘EVALUATIE EN OPTIMALISATIE KLACHTENBEHEERSYSTEEM’
In 2019 werkte de afdeling Handhaving richtlijnen uit die zorgen voor een gestroomlijnde en klantgerichte behandeling van klachten binnen de Omgevingsinspectie. Waar nodig hield de afdeling Handhaving rekening met de eigenheid van de domeinen milieu, ruimte en onroerend erfgoed door meer concrete richtlijnen te voorzien. Duidelijke, respectvolle en tijdige communicatie en klantgerichtheid spelen een cruciale rol in het inspectie-optreden van de afdeling Handhaving. Door aan de indieners van een klacht duidelijk aan te geven wat de afdeling Handhaving wanneer kan/zal doen, vermijdt ze dat men onrealistische verwachtingen heeft of zich niet gehoord voelt. De afdeling Handhaving verliest evenwel niet uit het oog dat zij ook bij de behandeling van klachten: - prioriteiten moet stellen volgens de eigen prioriteitenkaders; - de gegrondheid van de klacht moet nagaan via eigen vaststellingen of op basis van dossierkennis; - soms afhankelijk is van (informatie of acties van) derden; - haar eigen werkdruk bewaakt door zo efficiënt mogelijk te werken. De afdeling Handhaving ontvangt klachten van burgers met betrekking tot allerlei schendingen van de regelgeving ruimtelijke ordening. De afdeling Handhaving onderzoekt iedere klacht aan de hand van de gewestelijke handhavingsprioriteiten ruimtelijke ordening zoals vastgelegd door de Vlaamse minister bevoegd voor Omgeving. Indien de klacht onder deze prioriteiten valt, start de afdeling Handhaving zelf een handhavingstraject. Indien de klacht geen betrekking heeft op de handhavingsprioriteiten, deelt de afdeling Handhaving dit mee aan de indiener van de klacht die zij tevens op de hoogte brengt van de mogelijkheden om zich te richten tot de lokale handhavers en/of om een herstelvordering in te dienen bij de burgerlijke rechtbank. Tegelijkertijd stuurt de afdeling Handhaving de klacht door naar de betrokken gemeente. Bij de verwerking van klachten onroerend erfgoed geeft de afdeling Handhaving voorrang aan de prioriteiten zoals opgenomen in het Handhavingsprogramma Onroerend Erfgoed 2015, zijnde erfgoed dat zonder onmiddellijk optreden verloren dreigt te gaan, schadelijke misdrijven of inbreuken in uitvoering, dossiers waarin verjaring dreigt en optreden op vraag van gerechtelijke instanties. De overige dossiers handelt de afdeling Handhaving af volgens de beschikbare capaciteit. De klachten die de afdeling Handhaving met betrekking tot milieu ontvangt, toetst zij aan haar bevoegdheden en toezichtsopdracht, en aan de afspraken die zij maakte bij overlapping van bevoegdheden met andere toezichthoudende overheden. De afdeling Handhaving behandelt in principe alleen klachten over klasse 1-inrichtingen die milieuhinder veroorzaken of deze waar geen andere Vlaamse of een lokale overheid bevoegd is. Voor alle andere klachten (quasi alle klasse 2- en klasse 3/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 33 van 110
inrichtingen, vrije velddelicten) gebeurt doorverwijzing naar de bevoegde lokale toezichthouder van de gemeente of politie. In 2020 zal de afdeling Handhaving haar geoptimaliseerd klachtenbeheersysteem voor de domeinen milieu, ruimte en onroerend erfgoed verder implementeren en zo nodig verfijnen.
2.1.5
DEPARTEMENTAAL PROJECT ‘OMGEVINGSHANDHAVINGSBELEID’
Om invulling te geven aan de departementale doelstelling ‘we ontwikkelen een geïntegreerd, afgestemd en risicogebaseerd omgevingshandhavingsbeleid in nauwe samenwerking met de afdeling die instaat voor de uitvoering ervan’ startte de afdeling Beleidsontwikkeling en Juridische Ondersteuning van het Departement Omgeving het project ‘ontwikkeling van een geïntegreerd, afgestemd en risicogebaseerd milieuhandhavingsbeleid binnen het Departement Omgeving en inbedding ervan in een toekomstgericht omgevingshandhavingsbeleid’ op. Het project bestaat uit meerdere deelprojecten: 1. de integratie van compliance promotion in het omgevingshandhavingsbeleid; 2. de ontwikkeling van een methodologie/kader, op basis van een op te stellen risicoanalyse, om beleidslijnen en prioriteiten te bepalen, ter onderbouwing van de opmaak van een strategisch meerjaren handhavingsprogramma; 3. de ontwikkeling van een omgevingshandhavingsmonitor; 4. de afstemming/integratie milieu en ruimte zowel wat betreft regelgeving (Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid (DABM) - Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO), prioriteiten, handhavingsprogramma’s en handhavingsrapportering (DABM-VCRO); 5. het introduceren van nieuwe technologische innovaties bij het toezicht en de opsporing van misdrijven (bijvoorbeeld satellietbeelden, drones,…); 6. het ontwikkelen, implementeren en opvolgen van (nieuwe) Europese en Vlaamse visies en strategieën met betrekking tot milieuhandhavingsbeleid; 7. het werken aan een betere, eenvoudigere, heldere en meer handhaafbare regelgeving, met vermindering van de administratieve handhavingslasten voor bedrijven. De afdeling Handhaving draagt bij aan een kwalitatieve invulling van deze deelprocessen zodat de resultaten ervan maximaal toepasbaar en bruikbaar zijn bij het inspectiewerk op het terrein. De afdeling Beleidsontwikkeling en Juridische Ondersteuning van het Departement Omgeving gunde in 2019 voor het eerste deelproject de studieopdracht “integratie van compliance promotion in het milieuhandhavingsbeleid (en bij uitbreiding in het omgevingshandhavingsbeleid)” vanuit haar ambitie om te komen tot een betere naleving van de regelgeving en betere milieu- en stedenbouwkundige prestaties, zonder inzet van bijkomende handhavingscapaciteit. Compliance promotion is in deze context het geheel van acties dat erop is gericht het bewustzijn, de kennis en het begrip inzake milieurechtelijke verplichtingen en ruimtelijke ordeningsverplichtingen in hoofde van de rechtsonderhorige te vergroten, en op deze manier een blijvende gedragsverandering tot stand te brengen. Het resultaat is dan een vrijwillige en correcte naleving van de milieuregelgeving en de wetgeving ruimtelijke ordening. Initiatieven kunnen de vorm aannemen van voorlichting en vorming, technische bijstand, transparante communicatie en nalevingsprikkels. De afdeling Handhaving nam actief deel aan de begeleidingscommissie van deze opdracht. Zij stelde de opdrachtnemer in kennis van allerlei initiatieven die zij in het verleden nam of waarvan zij weet had, en die te beschouwen zijn als één of andere vorm van compliance promotion. Niet alleen de uitgebreide terreinervaring vormde een /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 34 van 110
belangrijke referentie van de afdeling Handhaving om deel te nemen aan de begeleidingscommissie. De afdeling Handhaving voorzag doorheen de jaren ook voorlichting aan sectorfederaties, medewerking aan opleidings- en vormingssessies, vertegenwoordiging in diverse handhavingsfora en publiceerde in vakbladen. Zij verleende technische bijstand door sjablonen en checklists online te plaatsen zodat milieucoördinatoren, bedrijven, … deze instrumenten kunnen gebruiken. Samen met de insteek van andere handhavingsactoren en de insteek bekomen door bevraging van andere internationale handhavingsinstanties werkte de opdrachtnemer in 2019 een voorstel uit over hoe de integratie van compliance promotion in het milieuhandhavingsbeleid en bij uitbreiding het omgevingshandhavingsbeleid best verloopt in Vlaanderen. De afdeling Handhaving zal in de toekomst mee uitvoering geven aan een handhavingsbeleid waarin compliance promotion een grotere rol speelt en meewerken aan de concrete uitwerking van een aantal pilootprojecten. De afdeling Beleidsontwikkeling en Juridische Ondersteuning van het Departement Omgeving startte begin 2019 met het vijfde deelproject en meer concreet met een verkenning van de mogelijkheden om technologische innovaties, zoals het gebruik van satellietbeelden, beelden van drones, andere luchtbeelden en andere geospatiale gegevensbronnen, te introduceren bij het toezicht en de opsporing van misdrijven. De afdeling Handhaving droeg bij aan de voorbereiding van het bestek voor de studieopdracht “fotogrammetrische volumebepalingen” die in het najaar 2019 werd gegund, en nam actief deel aan het netwerkmoment “technologische innovaties (remote sensing en geo-intelligentie) met focus op omgevingshandhaving” binnen het beleidsdomein Omgeving. De afdeling Handhaving volgt de verdere evolutie van dit deelproject van nabij op met aandacht voor de praktische en vooral ook de juridische aspecten om tot verdere implementatie van innovatieve technieken binnen omgevingshandhaving over te kunnen gaan.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 35 van 110
Toestand voor (boven) en na (onder) aanmaning naar aanleiding van controles in De Vallei van de Caliebeek (zie hoofdstuk 2.2.1.2).
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 36 van 110
2.2 SPEERPUNTEN RUIMTE 2.2.1
PROACTIEVE CONTROLES
In 2019 selecteerde Omgevingsinspectie een aantal kwetsbare gebieden of zones die bijkomende bescherming genieten door onder meer de Vogelrichtlijn, de Ramsar-Conventie of de Habitatrichtlijn en onderzocht proactief de toestand in deze gebieden. Bij een schending waarvoor de verjaring nog niet speelt, startte Omgevingsinspectie een handhavingstraject op. In het ander geval zou de controle als nulpuntmeting naar de toekomst toe gelden. Voor deze controles maakt Omgevingsinspectie zowel qua ligging als op het vlak van personele inzet een provincie-overschrijdende aanpak mogelijk. Na intern overleg en afstemming met het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) koos Omgevingsinspectie voor twee gebieden voor deze gebiedsgerichte controle: de Vallei van de Tieltse Motte en de vallei van de Caliebeek.
2.2.1.1
De Vallei van de Tieltse Motte
Dit gebied bevindt zich in de gemeente Tielt-Winge, centraal in het Hageland, een streek die wordt gekenmerkt door ZW-NO-gerichte heuvelruggen waartussen kleine beken vloeien in brede dalen. De vallei van de Tieltse Motte herbergt een grote botanische rijkdom aan soorten uit het zandig Kempisch en het lemig Brabants district. Bijna het volledige visiegebied wordt als biologisch waardevol tot zeer waardevol beschouwd. Het gebied is onder meer bijzonder beschermd als VEN- en Habitatrichtlijngebied. In de loop van de maand oktober 2019 onderzochten negen gewestelijke verbalisanten ruimtelijke ordening van Omgevingsinspectie proactief de toestand in dit gebied. Op 53 percelen gebeurde een grondige controle met vaststellingen, voor 49 van deze percelen verstuurde Omgevingsinspectie een aanmaning naar de overtreders om zich in regel te stellen. De meest voorkomende schendingen houden het volgende in: - het oprichten en in stand houden van allerlei constructies zoals weekendhuisjes, stacaravans, bergingen, verhardingen, oeverbeschoeiing van aangelegde vijvers, afsluitingen in herashekwerk, metalen afsluitpoorten, …; - het gewoonlijk gebruik van de grond voor het opslaan van allerhande materiaal, materieel of afval; - het aanmerkelijk wijzigen van het reliëf door het uitgraven van vijvers en het in stand houden van die vijvers. Omgevingsinspectie volgt de resultaten van deze aanmaningen op in het werkjaar 2020. De eerste resultaten blijken alvast positief, meerder overtreders kondigden inmiddels aan de illegale werken ongedaan te maken. Op de overige ongeveer 300 percelen waar Omgevingsinspectie geen stedenbouwkundige schendingen vaststelde, gebeurde een registratie van deze ongeschonden toestand (“nulmeting”) met het oog op eventuele latere controles.
2.2.1.2
De Vallei van de Caliebeek
De Vallei van de Caliebeek bevindt zich in het grensgebied tussen Turnhout en Kasterlee. Als zijrivier op de grens de waterlopen Aa I en Aa II, is de Caliebeek een belangrijke speler in het behalen van de doelstellingen als aandachts- en speerpuntgebied in het kader van de stroomgebiedbeheerplannnen. Binnen het Integraal Project Aa zijn ANB en de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) van start gegaan met een werkgroep Caliebeek. In de vallei van de Caliebeek werden in het verleden tientallen weekendvijvers aangelegd en ook heel wat constructies, bijvoorbeeld weekendhuisjes, zonder vergunning opgericht. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 37 van 110
Op 5 november 2019 voerden vijf gewestelijke verbalisanten ruimtelijke ordening en een gewestelijke milieutoezichthouder van Omgevingsinspectie controles uit op een 50-tal kadastrale percelen op het grondgebied van de gemeente Kasterlee (actie op het grondgebied van de stad Turnhout volgt begin 2020). Omgevingsinspectie stuurde aanmaningen aan een 20-tal eigenaars (vaak eigenaars van meerdere percelen) om zich in regel te stellen. Omgevingsinspectie volgt de resultaten van deze aanmaningen op in het werkjaar 2020 maar de eerste resultaten blijken ook hier alvast positief. Meerdere eigenaars verklaarden inmiddels tot herstel te zullen overgaan of hun eigendom te zullen verkopen aan ANB met het oog op herstel.
2.2.2 2.2.2.1
GERECHTELIJKE EN BESTUURLIJKE MAATREGELEN Gerechtelijke herstelvorderingen
Voor het inleiden van een herstelvordering vraagt de stedenbouwkundige inspecteur een verplicht advies aan de Hoge Raad voor Handhavingsuitvoering. Alleen bij positief advies kan de stedenbouwkundige inspecteur een herstelvordering inleiden. Deze herstelvordering kan betrekking hebben op het betalen van een meerwaarde, het uitvoeren van bouw- of aanpassingswerken, het staken van het gebruik en/of het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand. Omgevingsinspectie zette in 2019 in op het screenen van hangende herstelvorderingen.
2.2.2.2
Bestuurlijke maatregelen
Het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning voerde naar analogie met de milieuhandhavingsregeling de mogelijkheid in om het herstel bij wijze van bestuurlijke maatregel op te leggen. Deze bestuurlijke maatregelen kunnen de vorm aannemen van last onder dwangsom of bestuursdwang en betrekking hebben op het betalen van een meerwaarde, het uitvoeren van bouw- of aanpassingswerken, het staken van het strijdig gebruik en/of de plaats in de oorspronkelijke toestand herstellen. Deze nieuwe vorm van handhaven biedt een alternatief voor de klassieke gerechtelijke herstelvordering en de daarmee verbonden (veelal) lange gerechtelijke procedures. Het gebruik van een bestuurlijke maatregel is voorbehouden voor misdrijven die een aanvang genomen hebben na 28 februari 2018 en bij schendingen waar de instandhouding van de illegaliteit in kwetsbaar gebied of de schending van het BPA, gemeentelijk RUP of verkavelingsvoorschrift dateert van na dezelfde datum. Voorts stelt het Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordering dat men behoedzaam moet omgaan met het gebruik van de bestuurlijke maatregel. Er moet rekening worden gehouden met de principiĂŤle voorrang van de gerechtelijke handhaving en met het feit dat het gebruik van bestuurlijke maatregelen binnen de handhaving ruimtelijke ordening een volledig nieuwe materie betreft die de nodige vaardigheden en juridische kennis van de bevoegde handhavers vergt. Het gebruik van de bestuurlijke maatregel blijft voorlopig beperkt tot de prioritaire stedenbouwkundige misdrijven of inbreuken en er wordt gestreefd naar een geleidelijke toepassing van het aantal bestuurlijke maatregelen waarvoor, volgens het Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening 2015, minstens aan de volgende basisvoorwaarden wordt voldaan: - er mag geen betwisting bestaan over de gepleegde feiten en het daderschap; - er mogen geen zwaarwichtige misdrijven gepleegd zijn; - in eerste instantie moeten die zaken worden gekozen waar als herstelmaatregel de betaling van de meerwaarde of geen al te grote aanpassingswerken wordt gevraagd.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 38 van 110
In 2019 ging Omgevingsinspectie actief op zoek naar mogelijke dossiers waarvoor ze een gepaste bestuurlijke maatregel kon uitwerken en de effecten opvolgen en evalueren. Met drie opgelegde maatregelen bleef het door de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteurs uitgevaardigde aantal bestuurlijke maatregelen heel beperkt. Omgevingsinspectie kan nauwelijks gebruik maken van bestuurlijke maatregelen omdat deze maatregelen alleen mogelijk zijn voor misdrijven of inbreuken sinds 1 maart 2018 waar een aanmaning is gegeven en vervolgens een verslag van vaststelling of proces-verbaal is opgesteld rekening houdend met de gewestelijke prioriteiten. Bovendien moet in overeenstemming met het Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening (tenzij bij hoogdringendheid) het parket eerst beslissen over het verder gevolg dat zij aan het dossier geeft. Ten slotte kan dit instrument alleen worden ingezet bij misdrijven die relatief eenvoudig zijn, met een eerder beperkte ruimtelijke impact en waar het herstel voornamelijk bestaat uit de betaling van een meerwaarde of (beperkte) aanpassingswerken. De meeste van de door Omgevingsinspectie behandelde misdrijven zijn daarentegen ernstig en vereisen een herstel in de oorspronkelijke staat. Bovendien worden heel wat misdrijven die Omgevingsinspectie behandelt, spontaan hersteld ingevolge de aan het proces-verbaal voorafgaande aanmaning(en) of de met het proces-verbaal verstuurde opvolgende aanmaning. Aan twee van de drie opgelegde bestuurlijke maatregelen gaf de overtreder reeds in de loop van het werkjaar een gunstig gevolg. Zo stortte een overtreder in ĂŠĂŠn geval op een terrein in overstromingsgevoelig gebied steenpuin dat hij nadien ingevolge de opgelegde last onder dwangsom verwijderde.
2.2.2.3
Ambtshalve uitvoering
De ambtshalve uitvoering wordt geregeld in artikel 6.3.4 van de VCRO. Ook het Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening 2015 bevat een hoofdstuk met betrekking tot de uitvoering van gerechtelijke uitspraken waarvan een onderdeel gaat over de ambtshalve uitvoering. Behoudens een korte periode -einde jaren negentig- waarin de Vlaamse overheid actief is overgegaan tot het zelf uitvoeren van een aantal veroordelingen tot herstel, wordt sinds meer dan 20 jaar getracht de uitvoering van de rechterlijk bevolen herstelmaatregelen af te dwingen middels de in de uitspraken voorziene dwangsommen via inning en invordering. Het zelf overgaan door de overheid tot het uitvoeren van rechterlijke uitspraken in plaats van de overtreder kan in een aantal gevallen aangewezen zijn om zo tot het door de rechter uitgesproken herstel en het herstel van de goede ruimtelijke ordening te komen. In 2019 startte Omgevingsinspectie met de opmaak van een bestek voor een studie over de uitwerking van een kader voor ambtshalve uitvoering. Deze studie moet resulteren in een kader met criteria om te beslissen over het al dan niet ambtshalve uitvoeren van een gerechtelijke uitspraak, met garanties op een gelijke behandeling en consistente aanpak.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 39 van 110
De halfportaalkraan in Oostende voor (boven) en na (onder) herstel.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 40 van 110
2.3 SPEERPUNTEN ONROEREND ERFGOED 2.3.1
Draaiboek handhaving onroerend erfgoed
Omgevingsinspectie beschrijft de opdracht van haar gewestelijke inspecteurs onroerend erfgoed in een draaiboek. Omwille van zowel juridische evoluties (wetgeving, rechtspraak en rechtsleer) als nieuwe technische inzichten (instandhouding, conservatie en herstel) actualiseert Omgevingsinspectie regelmatig dit draaiboek. Zo wil Omgevingsinspectie een uniforme en performante wijze van handhaving en toepassing van het handhavingsinstrumentarium bekomen, wat de rechtszekerheid voor alle betrokken partijen ten goede komt. In 2019 verfijnde Omgevingsinspectie dit draaiboek. Ze finaliseerde daartoe een aantal werkteksten, voegde een aantal modeldocumenten toe en actualiseerde een aantal passages. In een laatste fase zal Omgevingsinspectie ook het natraject voor de handhaving onroerend erfgoed in het draaiboek opnemen.
2.3.2
Monitoringssyteem handhaving onroerend erfgoed
Het monitoringssysteem voor de gewestelijke handhaving onroerend erfgoed bestaat sinds 2009 uit een eenvoudig dossieropvolgingssysteem opgemaakt in de toepassing excel. Deze aanpak werkt vrij doeltreffend als hulpmiddel voor de gewestelijke inspecteurs onroerend erfgoed maar heeft beperkte mogelijkheden voor wat betreft statistische verwerking van gegevens. In 2018 besloot Omgevingsinspectie haar monitoringssysteem voor het domein onroerend erfgoed op een nieuwe leest te schoeien. Ze baseerde zich op de informatie uit haar bestaande systeem om een maximale output te realiseren met een minimale input van gegevens. Zodoende implementeerde Omgevingsinspectie in 2019 een vernieuwd en meer verfijnd monitoringssysteem dat bovendien compatibel is met het monitoringssysteem dat Omgevingsinspectie in 2018 in gebruik nam voor het domein ruimtelijke ordening. Voor wat betreft het voortraject, nl. van klachtenmelding tot en met de opmaak van de herstelvordering, is het gebruik van het nieuwe monitoringssysteem ondertussen ingeburgerd bij de gewestelijke inspecteurs onroerend erfgoed. Omgevingsinspectie zal haar monitoringssysteem nog verder uitbouwen voor het natraject voor de handhaving onroerend erfgoed.
2.3.3
Samenwerkingsprotocol met het Agentschap Onroerend Erfgoed
Begin 2019 legden Omgevingsinspectie en het Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE) de afspraken vast om samen de handhaving van de regelgeving onroerend erfgoed uit te voeren met als gemeenschappelijk doel het behoud van beschermde erfgoedwaarden in ruime zin. Wanneer Vlaamse overheidsinstanties een samenwerkingsovereenkomst afsluiten waarbinnen onder andere de ene instantie ingezamelde persoonsgegevens via elektronische weg meedeelt aan de andere instantie, dan legt het Decreet Algemene Verordening Gegevensbescherming sinds 26 juni 2018 aan beide instanties de verplichting op tot het opmaken van een aanvullend protocol persoonsgegevensbescherming. Het doel van deze nieuwe verplichting is dat de persoonsgegevensverwerkingsverantwoordelijken van beide overheidsinstanties nagaan of te allen tijde wordt voldaan aan de principes van het Decreet Algemene Verordening Gegevensbescherming. Omgevingsinspectie en AOE finaliseren in het begin van 2020 het aanvullend protocol persoonsgegevensbescherming dat ze vervolgens voor eindadvies zullen voorleggen aan de Vlaamse Toezichtscommissie voor de verwerking van persoonsgegevens.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 41 van 110
2.3.4
Samenwerkingsprotocol met het Agentschap voor Natuur en Bos
Omgevingsinspectie en ANB vernieuwden eind 2019 hun samenwerkingsprotocol waarin ze voor het eerst de samenwerking met betrekking tot inspectie onroerend erfgoed opnamen. De samenwerking voor misdrijven en inbreuken inzake onroerend erfgoed houdt in eerste instantie een signaalfunctie in die ANB kan vervullen tijdens het handhaven van de eigen regelgeving. Daarbij zal ANB nagaan of een betrokken perceel beschermd is als onroerend erfgoed en, indien dit het geval is, mogelijke misdrijven en/of inbreuken signaleren aan Omgevingsinspectie die instaat voor de verdere afhandeling. Voorts engageren beide instanties er zich toe om bij het opstellen van herstelvorderingen de inhoud waarvoor ieder bevoegd is met elkaar af te stemmen. Ten slotte verbinden beide instanties zich tot wederzijdse informatie-uitwisseling bij het vaststellen van schendingen op het Bosdecreet en het Onroerenderfgoeddecreet.
2.3.5
Optimalisatie van de regelgeving inzake handhaving onroerend erfgoed en varend erfgoed
Omgevingsinspectie werkte samen met AOE in 2019 aan de optimalisatie van de regelgeving onroerend erfgoed en varend erfgoed. Om tot een optimalisatie van deze regelgeving te kunnen komen, gebeurde in 2019 een grondige evaluatie van de misdrijven en inbreuken zoals beschreven in de vigerende wetgeving. Daarbij werden zowel mogelijke efficiëntiewinsten bij de afhandeling van de handhavingsdossiers als een verfijning van de wetgeving met het oog op optimalisatie van de rechtszekerheid voor de verschillende partijen beoogd. Met het oog op een efficiëntere handhaving onderzocht Omgevingsinspectie mee welke erfgoedmisdrijven in aanmerking komen voor depenalisering waardoor sanctionering kan gebeuren middels een exclusieve administratieve geldboete. Een eerste piste betrof de problematiek van het slopen van een in de vastgestelde inventaris bouwkundig erfgoed opgenomen onroerend goed zonder vergunning of toelating (Onroerenderfgoeddecreet, artikel 11.2.2.1°). Een tweede piste betrof de mogelijke depenalisatie van het uitvoeren van archeologische onderzoeken, opgravingen, … zonder of in strijd met een toelating (Onroerenderfgoeddecreet, artikel 11.2.2.4°). In de loop van 2020 zal Omgevingsinspectie mee een meer uitgebreide lijst van mogelijkheden tot optimalisatie en mogelijke pistes voor depenalisatie finaliseren.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 42 van 110
Officieel lozingspunt voor het afvalwater van een ingedeelde inrichting.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 43 van 110
2.4 SPEERPUNTEN MILIEU De speerpunten voor het domein milieu situeerden zich in 2019 in belangrijke mate bij zowel het reactief, routinematig als proactief optreden van Omgevingsinspectie en aligneerden zich op de thema’s afval, dieren, hinder, ketenteam, klimaat, lucht, omgevingsveiligheid, ondergrond en grondwater, water en het RIE-inspectieprogramma.
2.4.1
REACTIEF OPTREDEN
Omgevingsinspectie voerde in 2019 heel wat reactieve controles uit. Volgende types van reactieve controles worden onderscheiden: behandeling van klachten, geuronderzoeken, geluids- en trillingsonderzoeken, onderzoek bij slagschaduw van windmolens, optreden bij voorvallen of calamiteiten, controles op vraag van VMM, rapportering naar aanleiding van kantschriften, en opmaken van evaluatieverslagen of -adviezen over proefvergunningen of opdrachten opgelegd krachtens vergunningsvoorwaarden (bijzondere voorwaarden).
2.4.2
ROUTINEMATIG OPTREDEN
Omgevingsinspectie investeerde in 2019 opnieuw in belangrijke mate in haar routinematig optreden. Een aantal routineopdrachten, bijvoorbeeld het nemen en laten analyseren van afval- en afvalwaterstalen of het laten uitvoeren van luchtemissiemetingen door een erkend laboratorium, heeft specifiek betrekking op één milieuthema en coördineert Omgevingsinspectie overkoepelend voor het volledige Vlaamse Gewest binnen haar thematische werkgroepwerking. De afgelopen jaren daalde het aantal monsternames afval en afvalwater en nam het aantal luchtemissiemetingen toe. Omgevingsinspectie bemonstert afval(water)stromen steeds gerichter en als zij verwacht dat dit leidt tot handhaafbare vaststellingen. Omgevingsinspectie verlaagt de bemonsteringsfrequentie bij inrichtingen met een goed naleefgedrag. Het laten uitvoeren van luchtemissiemetingen neemt toe omwille van het groot aantal nog niet gecontroleerde geleide luchtemissies. Andere routineopdrachten, hoewel dit ondertussen een heel beperkt deel uitmaakt van de inspectietaken, hebben betrekking op de exploitatie van hinderlijke inrichtingen in het algemeen, zoals de controle van milieu- en omgevingsvergunningen. Deze controles kunnen gebeuren naar aanleiding van nieuwe vergunningsbesluiten of weigeringsbesluiten, en kunnen ofwel een volledige toets van de realiteit in de inrichting aan de voorwaarden van de vergunning ofwel louter een controle van de bijzondere voorwaarden omvatten. Omgevingsinspectie coördineert deze routineopdrachten op het niveau van haar decentrale werkplekken.
2.4.3 2.4.3.1
PROACTIEF OPTREDEN Afval
Het begrip ‘afvalstof’ is de voorbije halve eeuw geëvolueerd van een absoluut waardeloos naar een potentieel heel waardevol product. Al sinds 40 jaar stuurt Europa de afvalregelgeving via de opeenvolgende ‘Kaderrichtlijnen Afval’. Naast deze Kaderrichtlijnen publiceerde Europa ook andere wetgevende initiatieven die specifieke afvalverwerkingswijzen (stortplaatsen, afvalverbrandingsinstallaties) of afvalstromen (afgedankte elektrische en elektronische apparaten, einde-afval-criteria, afgedankte voertuigen, mijnbouwafval) reguleren. Vlaanderen neemt al geruime tijd een voortrekkersrol op in het Europese afvalbeleid en liet het eerdere Afvalstoffendecreet evolueren tot het bredere /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 44 van 110
Materialendecreet en zijn uitvoeringsbesluit VLAREMA, een belangrijke stap richting circulaire of kringloopeconomie. Afvalstoffen worden gegeerde grondstoffen en de regelgeving moet het mogelijk maken om niet te vermijden afvalstoffen op een kwalitatief hoogstaande wijze te recycleren. De definitieve verwijdering is de allerlaatste optie. Omgevingsinspectie houdt toezicht op alle aspecten van de Vlaamse afvalstoffenwetgeving met uitzondering van de inzameling van huishoudelijke en scheepsafvalstoffen, de voornamelijk administratieve monitoring van de beleidsuitvoering (uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, heffingen, recyclagedoelstellingen, …) en op de uitvoering van de sectorale uitvoeringsplannen. Omdat het inspecteren van afvalregelgeving een zeer specialistisch werk is, bestaan binnen Omgevingsinspectie verschillende werkgroepen die rond het thema afval werken: de algemene themawerkgroep ‘afval’, de themawerkgroep ‘dieren’ en de themawerkgroep ‘ketentoezicht’ die zich concentreert op de inzameling, de doorvoer en het vervoer van afvalstoffen. Het toezicht op de afvalregelgeving omvat de inzameling ervan, het transport binnen en buiten de gewest- en landsgrenzen, de traceerbaarheid en de verwerking van de afvalstoffen. Hoge verwerkingskosten stimuleren het zoeken naar “goedkopere”, soms illegale verwerkings- en verwijderingsalternatieven zoals de uitvoer van afvalstoffen naar lageloonlanden of het bijmengen van sterk vervuilde, soms gevaarlijke, afvalstoffen met andere minder vervuilde en ongevaarlijke afvalstoffen. Deze praktijken houden een risico in voor de menselijke gezondheid en het leefmilieu. De aandacht van Omgevingsinspectie spitst zich dan ook toe op de correcte verwerking van afvalstoffen zonder het veroorzaken van hinder, het nagaan van de traceerbaarheid van afvalstoffen, het onderzoek naar illegaal verdunnen van afvalstoffen en het voorkomen van ongeoorloofde emissies naar water, lucht en bodem. In 2019 besteedde Omgevingsinspectie bijzondere aandacht aan twee specifieke afvalstromen, namelijk asbesthoudend afval en bedrijfsrestafval, en aan de aangevoerde stromen bij biogas- en composteerinstallaties. 2.4.3.1.1
Asbest
Asbesttoepassingen zijn alomtegenwoordig in de Vlaamse (bedrijfs)gebouwen. Via het asbestafbouwbeleid dat in 2018 van start ging, streeft de Vlaamse overheid naar een asbestveilig Vlaanderen in 2040. Als gevolg hiervan zullen risicovolle asbesthoudende toepassingen in de volgende jaren verplicht moeten worden geïnventariseerd, worden afgebroken en ingezameld op sloopwerven door erkende asbestverwijderaars en particulieren, worden afgevoerd naar onder andere containerparken en sorteerbedrijven en ten slotte definitief worden verwijderd. In 2019 voerde Omgevingsinspectie in het kader van het handhavingsinitiatief ‘aanwezigheid van asbest in bedrijfsgebouwen’ 194 plaatsbezoeken uit. Omgevingsinspectie gaf in navolging daarvan 151 raadgevingen en 7 aanmaningen, en stelde 5 processen-verbaal met aanmaning op. Omgevingsinspectie trof dus bij 88% van deze controles asbest aan en gaf daarvoor telkens een raadgeving met betrekking tot het correct afbreken en verwijderen van asbest. In bepaalde gevallen was het noodzakelijk om een aanmaning te geven, bijvoorbeeld bij de niet correcte opslag van asbestcementplaten. Omgevingsinspectie zal dit handhavingsinitiatief in 2020 op een ad-hocbasis voortzetten. In 2019 voerde Omgevingsinspectie in het kader van het handhavingsinitiatief ‘controles op de selectieve inzameling op sloopwerven’ 50 plaatsbezoeken uit. Omgevingsinspectie stelde in navolging daarvan 13 processen-verbaal met aanmaning op. Omgevingsinspectie stelde vooral problemen vast met de manier waarop asbest wordt ingezameld en de veroorzaakte hinder. Voor dit handhavingsinitiatief controleerde /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 45 van 110
Omgevingsinspectie zowel klasse 1-inrichtingen/werven (40% van de uitgevoerde controles) als overige werven (60% van de uitgevoerde controles). Deze laatste controles gebeurden in sommige gevallen in samenwerking met lokale overheden. Omgevingsinspectie zal dit handhavingsinitatief in 2020 op een ad-hocbasis voortzetten, waarbij input vanuit de lokale overheden mogelijk blijft. In 2019 controleerde Omgevingsinspectie in het kader van het handhavingsinitiatief ‘controles op de omgang met asbest en bouw- en sloopafval op containerparken’ 27 containerparken. Omgevingsinspectie gaf in navolging daarvan 2 aanmaningen en stelde 1 proces-verbaal met aanmaning op. De vaststellingen hadden grotendeels betrekking op de omgang met asbest, de omgeving van de asbestcontainer en het werkplan. De vaststellingen waren zeer divers en sterk afhankelijk van de uitbater, namelijk een intercommunale of een gemeente. Omgevingsinspectie zal dit handhavingsinitiatief in 2020 voortzetten. In 2019 controleerde Omgevingsinspectie in het kader van het handhavingsinitiatief ‘controles op de omgang met asbest bij sorteerbedrijven’ 39 sorteerbedrijven (voornamelijk klasse 1-bedrijven). Omgevingsinspectie gaf in navolging daarvan 5 aanmaningen en stelde 6 processen-verbaal met aanmaning op. Omgevingsinspectie formuleerde vooral opmerkingen met betrekking tot stofhinder en een niet-correcte opslag van asbest. Omgevingsinspectie zal dit handhavingsinitiatief in 2020 voortzetten. In 2019 controleerde Omgevingsinspectie 5 asbestverwijderaars. Omgevingsinspectie stelde geen tekortkomingen vast, gaf dus geen aanmaningen en stelde geen processen-verbaal met aanmaning op. Samengevat hebben de meeste misdrijven te maken met het niet-correct omgaan met asbest, zoals de inzameling (niet-selectief), de acceptatie op het terrein, de omgeving van de asbestcontainer, de nietcorrecte verwijdering van het asbestafval, een ontbrekende of slechte verpakking, het breken van asbesthoudende platen, … Daarnaast stelde Omgevingsinspectie in een aantal gevallen proces-verbaal op voor het veroorzaken van stofhinder. Ook het administratieve luik bleek in vele gevallen niet (volledig) in orde, zoals de vergunning (bijvoorbeeld niet-vergunde opslag van asbestafval), het werkplan of het sloopopvolgingsplan. 2.4.3.1.2
Niet-gevaarlijk bedrijfsrestafval
In Vlaanderen geldt al vele jaren een sorteerplicht voor afval van particulieren en voor bedrijfsafvalstoffen. Uit de meest recente analyse van het bedrijfsrestafval in Vlaanderen (2017) blijkt dat nog 44% van het bedrijfsrestafval in afzetcontainers en 29% van het bedrijfsrestafval in rolcontainers bestaat uit recycleerbare materialen. Deze afvalstoffen werden dus niet selectief ingezameld aan de bron bij de afvalstoffenproducent. Nog recycleerbare materialen komen op deze manier terecht op een stortplaats of in een verbrandingsoven, en worden bijgevolg niet circulair ingezet. De Vlaamse wetgeving staat toe dat onder specifieke voorwaarden bepaalde afvalfracties die in aanmerking komen voor hoogwaardige materiaalrecyclage, worden samengevoegd in hetzelfde recipiënt, als ze nadien volledig worden gesorteerd. De naleving van de voorwaarden is belangrijk om een maximale materiaalrecyclage te bereiken. In 2019 voerde Omgevingsinspectie 207 controles uit bij afvalstoffenproducenten, waarvan 81% bij een klasse 1-inrichting, op de inzameling van bedrijfsrestafval en het selectief houden van andere afvalstromen. Globaal gezien was ongeveer de helft van de restafvalcontainers in orde. Bij de andere helft stelde Omgevingsinspectie in het kader van bronsortering zowel kleine tekortkomingen (bijvoorbeeld de aanwezigheid van plastiekflessen of papier en karton bij het restafval) als grote overtredingen (bijvoorbeeld de ophaling van een volledige container groenafval als restafval) vast. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 46 van 110
Omgevingsinspectie stelde een belangrijk verschil vast tussen klasse 1-inrichtingen en de kleinere bedrijven (bijvoorbeeld horecazaken). Bij de klasse 1-inrichtingen was 61% van de restafvalcontainers volledig in orde terwijl er bij de kleinere bedrijven altijd tekortkomingen werden vastgesteld. Omgevingsinspectie gaf in navolging van deze controles 29 aanmaningen en stelde 18 processen-verbaal met aanmaning op. Omgevingsinspectie merkte daarbij 14 keer expliciet op dat het contract met de inzamelaar niet in orde was en stelde vast dat de meeste sorteerfouten gebeurden voor PMD (30%), papier en karton (22%), plastiek (17%), hout (8%), glas (7%) en piepschuim (6%). Omgevingsinspectie zal dit handhavingsinitiatief in 2020 voortzetten. In 2019 voerde Omgevingsinspectie controles uit bij diverse afvalinzamelaars en -verwerkers. Daarbij besteedde ze onder andere aandacht aan de selectieve inzameling van recycleerbare afvalstromen en het respecteren van het verbrandings- of stortverbod. Omgevingsinspectie stelde diverse overtredingen vast waarvoor ze proces-verbaal met aanmaning opstelde. De opmerkingen hadden vooral betrekking op het ontbreken of het onvoldoende uitvoeren van een sortering op de afvalstoffen, het foutief benoemen van afvalstoffen in het kader van heffingen, het ophalen van onvoldoende gesorteerd afval en het onvoldoende uitvoeren van een ingangscontrole op de aangeleverde afvalstoffen. 2.4.3.1.3
Biogas- en composteerinstallaties
In het verleden heeft de controle van enkele installaties aangetoond dat schadelijke afvalstromen mee werden verwerkt tot organische “bodemverbeteraars”. Het gebruik ervan in de landbouw kan leiden tot verontreiniging van landbouwpercelen, met grote schade tot gevolg. Ook besmetting van de voedselketen is bij deze praktijken niet uit te sluiten. In 2019 voerde Omgevingsinspectie 43 controles uit bij biogasinstallaties. Omgevingsinspectie gaf in navolging daarvan 11 aanmaningen en stelde 2 processen-verbaal met aanmaning op. In een aantal gevallen nam Omgevingsinspectie monsters van de aan- en afvoerstromen. Omgevingsinspectie maakte opmerkingen met betrekking tot onder andere de zindelijkheid van de inrichting, het aanvaarden van de aangeleverde stromen en de administratieve verplichtingen. 2.4.3.1.4
Routinemonsternames
Een belangrijk onderdeel van de controles binnen het thema afval bestaat uit het nemen van afvalmonsters ter controle van vergunningsvoorwaarden en de voorwaarden voor verwerking en hergebruik van ‘materialen’. De medewerkers van Omgevingsinspectie beschikken over een intern ‘kwaliteitshandboek voor monsternemingen en metingen’, een contract met een erkend laboratorium en professioneel materieel voor het nemen van afvalmonsters.
2.4.3.2 2.4.3.2.1
Dieren Veeteelt
Het RIE-handhavingsprogramma van Omgevingsinspectie omvat de grote meerderheid van de geplande controles in de landbouwsector. De activiteiten bij de intensieve pluimvee- en varkenshouderij behoren tot het toepassingsgebied van de RIE, die de regels bevat voor RIE-installaties. Omgevingsinspectie voert controles uit op de constructie en werking van de ammoniakemissiearme (AEA)-stalsystemen bij klasse 1-inrichtingen die onder de RIE vallen met als doel een inventaris op te stellen van alle effectief geplaatste installaties in Vlaanderen en deze te toetsen aan de constructie- en gebruiksvoorwaarden zoals beschreven in het Ministerieel Besluit ‘Ammoniakemissiearme stalsystemen’. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 47 van 110
In 2019 controleerde Omgevingsinspectie 152 AEA-stalsystemen. Omgevingsinspectie stelde in navolging daarvan 19 processen-verbaal met aanmaning op. Tabel 3 geeft een overzicht van het aantal controles per staltypes. Tabel 4 geeft een overzicht van het percentage AEA-stalsystemen met tekortkomingen ten opzichte van het aantal gecontroleerde systemen voor het jaar 2019 en voor de jaren 2018-2019 samen. De tendens van de tekortkomingen blijft nagenoeg constant, behalve voor de aanwezigheid van logboeken en de administratieve verplichtingen. Deze tekortkomingen daalden significant. Een mogelijk verklaring hiervoor is enerzijds dat de sector op de hoogte is van deze controles en haar verplichtingen op eigen initiatief beter nakomt, en anderzijds de elektronische monitoring die zijn opgang maakt voor deze systemen. Tabel 3. Het aantal gecontroleerde AEA-stalsystemen per stalsysteem.
aantal gecontroleerde AEAstalsystemen
biologische luchtwasser
chemische luchtwasser
biobed
staltype pluimvee
staltype varkens
31
10
0
42
69
Tabel 4. Vastgestelde tekortkomingen bij de gecontroleerde AEA-stalsystemen.
tekortkoming
% t.o.v. het aantal gecontroleerde systemen
% t.o.v. het aantal gecontroleerde systemen
2019
2018-2019
36,8%
76%
8%
8%
16,3%
16,8%
20,3%
21%
25%
31,4%
21,5%
43%
21,6%
22,5%
er is geen of een onvolledig logboek aanwezig (alleen van toepassing op luchtwassers) het geplaatste stalsysteem stemt niet overeen met het vergunde stalsysteem er is geen of geen correct constructieattest beschikbaar de constructie voldoet niet aan de constructievoorwaarden zoals voorzien in het Ministerieel Besluit de werking voldoet niet aan de werkingsvoorwaarden zoals voorzien in het Ministerieel Besluit de administratie voldoet niet aan de administratieve verplichtingen zoals voorzien in het Ministerieel Besluit bij de bemeten luchtwassers blijkt uit de indicatieve ammoniakmetingen dat er geen 50% ammoniakreductie wordt gehaald
Voor de handhaving van milieuvervuilende activiteiten bij andere landbouwsectoren, zoals rundveehouderijen, voorziet Omgevingsinspectie sectorspecifieke handhavingsinitiatieven. Zo oordeelt Omgevingsinspectie dat het effect van de lozing van nutriÍntrijke vloeibare stromen (waaronder silosappen, mestsappen, ‌) als een belangrijk milieuprobleem wordt ervaren. Wanneer landbouwers kuilvoeder niet volgens de code van de goede landbouwpraktijken bewaren omwille van het ontbreken /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 48 van 110
van een citerne of gepaste opvang, kunnen nutriëntrijke silosappen, die een aanzienlijke organische vuilvracht veroorzaken, in Vlaamse oppervlaktewateren terechtkomen. In 2019 controleerde Omgevingsinspectie 148 inrichtingen in de rundveesector waar er zich potentiële lozingen konden voordoen van pers- en silosappen uit voederkuilen, van mestsappen (afkomstig van mestopslagplaatsen, reinigingswater van stallen, potstallen, kalverboxen, …), van sappen van groentenresten en slibs, van spoel- en reinigingswater van het melkhuisje/-put en van landbouwvoertuigen. De focus lag daarbij op inrichtingen met meer dan 200 runderen gelegen in gebieden die aangeduid zijn als speerpuntgebied. Omgevingsinspectie stelde in navolging van deze controles 9 processen-verbaal met aanmaning op. 2.4.3.2.2
Dierlijke bijproducten
Dierlijke bijproducten zijn producten van dierlijke oorsprong die niet voor menselijke consumptie zijn bestemd. Een verkeerd gebruik ervan kan een risico inhouden voor de volksgezondheid, de diergezondheid en het milieu. Enkele grootschalige crisissen, bijvoorbeeld de dioxinecrisis in 1999, resulteerden in de aanpak van deze problematiek in de schoot van de Europese Unie door het opstellen van Europese Verordeningen. De belangrijkste Verordeningen ter zake zijn de Verordeningen 1069/2009 en 142/2011. Deze Verordeningen definiëren welke dierlijke bijproducten onder deze regelgeving vallen (beginpunt en eindpunt van de producten), lijsten de toegelaten verwerkingsmethoden op en onderscheiden verschillende risicocategorieën dierlijke bijproducten. Daarnaast bevatten de Verordeningen onder andere regels en procedures rond de traceerbaarheid van dierlijke bijproducten en definiëren ze de zelfcontroleverplichtingen voor de exploitanten. Deze verordeningen zijn in de Vlaamse regelgeving geïmplementeerd via het Vlaams Reglement betreffende de Milieuvergunning (VLAREM) en het Besluit van de Vlaamse Regering betreffende dierlijke bijproducten en afgeleide producten. In Vlaanderen staan verschillende overheidsinstanties, zowel Vlaams als federaal, in voor het toezicht op bovenstaande regelgeving. Omgevingsinspectie stelt voor de aspecten waarvoor zij zelfbevoegd is jaarlijks een risicogebaseerd controleplan op dat voldoet aan de eisen uit de artikelen 41 en 42 van de Europese Verordening 882/2004. Omgevingsinspectie inspecteert op basis van dat controleplan jaarlijks verschillende inrichtingen die dierlijke bijproducten voortbrengen. Het gaat enerzijds om bedrijven die op grond van Verordening 1069/2009 erkend zijn voor het inzamelen, opslaan of verwerken van dierlijke bijproducten (onder andere biogasinstallaties, composteerinstallaties en verwerkers van dierlijke bijproducten) waarbij Omgevingsinspectie nagaat of deze exploitanten de opgelegde voorwaarden correct naleven. Anderzijds controleert Omgevingsinspectie bepaalde inzamelaars, handelaars en makelaars met een OVAM-registratie voor het vervoer van dierlijke bijproducten waarbij ze de nodige aandacht schenkt aan het correcte gebruik van handelsdocumenten. Ten slotte selecteert Omgevingsinspectie een aantal inrichtingen (klasse 1-, klasse 2- en klasse 3inrichtingen of niet-ingedeelde inrichtingen) uit de voedselketen waarbij ze nagaat of de exploitanten zich op correcte wijze ontdoen van de door hen voortgebrachte dierlijke bijproducten. In sommige situaties neemt Omgevingsinspectie monsters die ze laat analyseren door een erkend laboratorium. Vragen tijdens een audit door de Europese Commissie kunnen efficiënter beantwoord worden door de centralisatie van het toezicht voor Vlaanderen bij Omgevingsinspectie. In 2019 voerde Omgevingsinspectie 189 terreincontroles in het kader van dierlijke bijproducten uit. De vastgestelde tekortkomingen hadden onder andere te maken met het ontbreken of het onnauwkeurig /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 49 van 110
aanbrengen van een identificatie (bijvoorbeeld het niet aanbrengen van labels en waarschuwingszinnen op recipiënten), onzorgvuldigheden bij het gebruik van het handelsdocument, nalatigheid bij het onderscheid tussen de reine en onreine zone, en het niet-correct reinigen en ontsmetten van voertuigen die onverwerkte dierlijke bijproducten aanvoeren. Omgevingsinspectie stelde in navolging van deze controles 7 processen-verbaal met aanmaning op. In 2019 voerde Omgevingsinspectie 35 controles uit op het resultaat van het verwerkingsproces bij Vlaamse verwerkers van dierlijke bijproducten. Omgevingsinspectie liet 90 monsters van dierlijke bijproducten die het verwerkingsproces hadden doorlopen, nemen en analyseren. De voorgeschreven microbiële analyse bestaat uit het testen op de aanwezigheid van Salmonella en het toetsen van de norm voor Enterobacteriaceae. Omgevingsinspectie stelde vast dat 7 van de 90 monsters niet aan de norm voldeden. De gezondheids- en veterinairrechtelijke voorschriften die gelden bij de bestrijding van overdraagbare spongiforme encefalopathieën (OSE) bij diersoorten die in de voedselketen terecht kunnen komen, strekken er vooral toe alle risico’s voor de diergezondheid of de volksgezondheid te vermijden. Dit geldt zowel bij het in de handel brengen, de uitvoer als de doorvoer van dieren en van daarvan afgeleide producten. Jaarlijks rapporteert Omgevingsinspectie over haar vaststellingen naar aanleiding van controles bij verwerkers van dierlijke bijproducten aan de Werelddierengezondheidsorganisatie. Onder andere op basis van deze vaststellingen wordt jaarlijks het boviene spongiforme encefalopathie (BSE)statuut van België bepaald.
2.4.3.3
Hinder
Jaarlijks ontvangt Omgevingsinspectie tal van klachten over stofhinder, geurhinder, geluidshinder, trillingshinder of hinder door slagschaduw van windmolens. Omgevingsinspectie voert bij klasse 1inrichtingen controles uit om de nodige vaststellingen te doen en te oordelen over de gegrondheid van de klacht en over de hinderlijkheid. Quasi alle klachten over klasse 2- en 3-inrichtingen stuurt zij door naar de gemeente, gelet op hun bevoegdheid ter zake met toepassing van het in de beleidsnota bevestigde subsidiariteitsprincipe. Het goed in kaart brengen van hinder is complex en niet altijd evident omdat factoren zoals frequentie, aard, intensiteit en omgevingsfactoren zoals windrichting mee bepalend zijn. In uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld wanneer de bron niet eenduidig is vast te stellen of verschillende bedrijven mogelijk aan de oorzaak van de hinder liggen, doet Omgevingsinspectie beroep op een externe deskundige om een onderzoek uit te voeren. Tabel 5 geeft het aantal onderzoeken bij complexe dossiers weer waarvoor Omgevingsinspectie in 2019 beroep deed op externe deskundigen. Tabel 5. Het aantal onderzoeken bij complexe dossiers door externe deskundigen in 2019.
onderzoektype
opgestart in 2019
afgerond in 2019
geuronderzoek
3
3
geluidsonderzoek
3
1
stofhinderonderzoek
1
-
immissiemetingen in het kader van een geuronderzoek
1
-
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 50 van 110
2.4.3.3.1
Geurhinder
Voor een aantal dossiers waar het voor Omgevingsinspectie niet evident is om de geurhinder vast te stellen, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van verschillende bedrijven in de buurt die een gelijkaardige geurhinder (kunnen) veroorzaken, of om een objectievere uitspraak te kunnen doen over het al dan niet aanvaardbaar zijn van de geurhinder, beroept ze zich op erkende deskundigen om een onderzoek uit te voeren. Omgevingsinspectie stelde 2 processen-verbaal op en gaf 3 aanmaningen op basis van de resultaten van 3 in 2019 uitgevoerde geuronderzoeken. 2.4.3.3.2
Geluidshinder
Bij geluidshinder zal Omgevingsinspectie in eerste instantie de klachten zelf onderzoeken op gegrondheid door metingen met eigen apparatuur uit te voeren. Wanneer Omgevingsinspectie een overschrijding vaststelt van de van toepassing zijnde geluidsnormen of wanneer er sprake is van overmatige trillingshinder, laat Omgevingsinspectie de exploitant de nodige maatregelen nemen om de hinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken. In uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld wanneer de bron niet eenduidig is vast te stellen of verschillende bedrijven mogelijk aan de oorzaak van de geluidshinder liggen, doet Omgevingsinspectie beroep op een externe deskundige om een geluidsmeting uit te voeren. In 2019 voerde Omgevingsinspectie zelf 47 geluidsmetingen uit bij 39 inrichtingen. Omgevingsinspectie gaf in navolging daarvan 7 aanmaningen om maatregelen te nemen of om een bijkomend geluidsonderzoek te laten uitvoeren door een erkende deskundige, en stelde 5 processen-verbaal op wegens het schenden van de geluidsnormering. Het geluidsonderzoek dat in 2019 werd afgerond door een externe deskundige in opdracht van Omgevingsinspectie, gaf geen overschrijding van de norm aan. 2.4.3.3.3
Elektromagnetische straling
Omgevingsinspectie voert breedbandmetingen uit van elektromagnetische straling van zendantennes voor telecommunicatie op vraag van vooral particulieren en scholen. Een voorwaarde voor het laten uitvoeren van dergelijke meting door Omgevingsinspectie is dat de locatie (woning, schoolgebouw, bedrijfsgebouw, …) waarop de aanvraag betrekking heeft, binnen een straal van 150 meter ligt van een vast opgestelde zendantenne. In 2019 voerde Omgevingsinspectie 84 breedbandmetingen uit. In één geval mat Omgevingsinspectie een overschrijding van de laagst mogelijk norm waardoor ze vervolgens een extra controlemeting liet uitvoeren. Dergelijke controlemeting gebeurt aan de hand van een smalbandmeting waarbij een externe deskundige de bijdrage aan het elektrisch veld per frequentie meet. De controlemeting wees uit dat de norm voor iedere antenne niet werd overschreden. 2.4.3.3.4
Overige hinder
Omgevingsinspectie verwacht in de loop van 2020 de resultaten van het stofhinderonderzoek dat in 2019 is opgestart.
2.4.3.4 Ketentoezicht De afvoer en verwerking van afvalstoffen is een proces dat in verschillende stappen gebeurt. Er kunnen meerdere verwerkers betrokken zijn, alsook actoren die de overdracht tussen de verwerkers bewerkstelligen (vervoerders, overslagbedrijven, inzamelaars) of faciliteren (handelaars, makelaars). Het
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 51 van 110
geïntegreerde toezicht op de verschillende stappen in een afvalstroom kreeg binnen Omgevingsinspectie de naam ‘ketentoezicht’. Integraal toezicht op een keten betekent dat de verschillende controles (bijvoorbeeld controle van transporten, registers of verwerkingsinstallaties) geen doel op zich vormen, maar slechts een middel vormen om het algemene doel te bereiken, met name garantie verschaffen over de afvoer van afvalstoffen naar de wettelijk toegelaten “eindbestemming”. Toezicht op de verschillende deeltrajecten houdt ook in dat verschillende handhavingsactoren betrokken zijn, bijvoorbeeld omdat verschillende handhavers toezicht houden op eenzelfde deel van het traject (lokaal/gewestelijk) of omdat een deel van de keten niet in het Vlaamse Gewest is gelegen. Omgevingsinspectie focust met ketentoezicht op twee belangrijke schakels. Ten eerste zijn er de controles op afvalstromen in de transportfase. Een belangrijke component daarvan is de aanwezigheid van milieutoezichthouders in de zeehavens van Antwerpen en Zeebrugge, met een grote nadruk op de export van afvalstoffen naar niet-OESO-landen. Omgevingsinspectie voert, meestal samen met de politie, verspreid over het Vlaamse Gewest wegcontroles uit op afvaltransporten. Ten tweede voert Omgevingsinspectie controles uit bij verwerkers van afvalstoffen, onder andere bij biovergisters, waar ze aandacht heeft voor de traceerbaarheid van afvalstoffen en waar ze afvalstofstromen stroomopwaarts of stroomafwaarts, inclusief inzamelaars, handelaars en makelaars, natrekt. De EVOA bepaalt in artikel 50.2bis dat de lidstaten vanaf 2017 plannen opstellen voor de EVOA-controles, gebaseerd op risicobeoordelingen van specifieke afvalstromen en bronnen van illegale overbrengingen. Het EVOA-controleplan van Omgevingsinspectie heeft betrekking op het volledige grondgebied van het Vlaamse Gewest. In 2016 gebeurde er een risicobeoordeling op 18 afvalstromen door toetsing aan de volgende criteria: gevaareigenschappen, (gebruik als) dekmantel, geproduceerde hoeveelheden, grensoverschrijdend karakter, (risicovolle) bestemmingen, naleefgedrag, (kwaliteit van de) wetgeving, marktcomplexiteit, inzamel- en verwerkingstechnieken en criminele inmenging. Op basis van deze risicobeoordeling kent Omgevingsinspectie aan de volgende grensoverschrijdende afvalstromen een hoge prioriteit toe: - oliehoudend afval, - chemisch afval, - afgedankte Elektrische en Elektronische Apparatuur (AEEA), - metaalafval, - bouw- en sloopafval (voor wat betreft uitgegraven bodem), - kunststofafval. Omgevingsinspectie kiest haar handhavingsinitiatieven in het kader van ketentoezicht zodanig dat ze zoveel mogelijk risicovolle aspecten van deze afvalstromen controleert. Een belangrijke component van ketentoezicht is de samenwerking met andere instanties. Afvalstromen beperken zich immers zelden tot het Vlaamse grondgebied. De belangrijkste partners in België zijn de politie, de wegeninspectie, de douane, OVAM, de havenkapiteinsdiensten, de inspectiediensten van de andere gewesten en het openbaar ministerie. Politie en douane voeren controles uit binnen hun eigen specifieke bevoegdheden. Sinds 1994 bestaat er een samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en de drie Gewesten, betreffende de coördinatie van het beleid inzake grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen. Dit akkoord is in 2009 en 2011 geactualiseerd. Het akkoord is gesloten tussen de bevoegde regionale /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 52 van 110
diensten voor de toestemmingen (inzake kennisgevingen) en de inspectie, de politie, de douane en het ministerie van Justitie (met inbegrip van het college van procureurs). Nationaal is Omgevingsinspectie actief in de samenwerkingsprojecten in de haven van Antwerpen en op internationaal vlak werkt ze samen met de bevoegde inspectiediensten van de omliggende landen (veelal bilateraal), binnen Europa (via de cluster Transfrontier Shipment of Waste (TFS) van European Union Network for the Implementation and Enforcement of Environmental Law (IMPEL)) of met de landen waar de uiteindelijke verwerking van het Europese afval plaatsvindt. 2.4.3.4.1
Wegtransport van afvalstromen
In 2019 voerde Omgevingsinspectie 35 wegcontroles uit samen met de politie en de wegeninspectie. Daarbij controleerden zij in totaal 200 afvaltransporten. Het betrof meer concreet 148 binnenlandse en 52 grensoverschrijdende transporten. Net zoals in 2018 lag het aantal gecontroleerde afvaltransporten in 2019 lager dan de voorgaande jaren omdat het uitvoeren van controles samen met de lokale politie en wegeninspectie niet altijd meer op louter de afvaltransporten zelf is gericht. Het percentage overtreders blijft zich in dezelfde grootteorde situeren, met 25% in 2018 en 21 % in 2019. In de rand rond Brussel wordt nog regelmatig met bouw- en sloopafval, gemengd bedrijfsafval en afvalhout zonder het verplichte identificatieformulier gereden. Dit verklaart mogelijk waarom het percentage overtreders vrij hoog blijft terwijl het aantal gecontroleerde afvalstransporten is afgenomen. Figuur 7 geeft voor 2014 tot en met 2019 het aantal controles van afvaltransporten en het percentage overtreders weer. De overtredingen bestonden grotendeels uit problemen met de transportdocumenten, en meer concreet geen of incorrect ingevulde identificatieformulieren of EVOA Bijlage VII-documenten. Omgevingsinspectie gaf voor deze overtredingen 14 aanmaningen en stelde 28 processen-verbaal op.
Figuur 7. Het aantal inspecties van afvaltransporten (links) en het percentage overtreders (rechts) in de periode 2014-2019.
2.4.3.4.2
Export van afvalstoffen via zeehavens
Omgevingsinspectie zette haar controles op de export van afvalstoffen via zeehavens voort, en dit in belangrijke mate in de Antwerpse haven. De focus lag hierbij op de export van AEEA. In totaal controleerde Omgevingsinspectie in samenwerking met de douane en de scheepvaartpolitie 643 units in de havens van Antwerpen en Zeebrugge. Omgevingsinspectie stelde vast dat 35% (226 units) in overtreding was. Het aandeel illegale transporten bleef ten opzichte van 2018 voor AEEA ongeveer gelijk /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 53 van 110
met 55%, steeg voor kunstof tot 30% en daalde voor metaal- en papierafval lichtjes tot 6% respectievelijk 9%. Figuur 88 geeft het resultaat weer van het aantal gecontroleerde units bij havencontroles in 2019 per afvalstroom.
Figuur 8. Resultaat van het aantal gecontroleerde units bij havencontroles in 2019 per afvalstroom.
2.4.3.4.3
Ketentoezicht
Omgevingsinspectie organiseerde in 2019 een aantal handhavingsinitiatieven die gericht waren op het volgen van specifieke afvalstromen. Voor de controle van de afvoer van zandige fracties van gemengd bedrijfsafval en bouw- en sloopafval controleerde Omgevingsinspectie 5 inrichtingen. Omgevingsinspectie gaf in navolging daarvan 2 aanmaningen en stelde 3 processen-verbaal op. In 2019 hield Omgevingsinspectie ook toezicht op de opmenging van chemisch afval in bunkerolie voor zeeschepen. Dit gebeurde op ad-hocbasis bij meldingen van afgifte van onbruikbare scheepsbrandstof (debunkeringen) in onze zeehavens. Voorts hield Omgevingsinspectie toezicht op de invoer in de Vlaamse zeehavens van buitenlandse oliehoudende afvalstromen waarvoor door OVAM een grondstofverklaring werd verleend. Via monstername en -analyse controleerde Omgevingsinspectie of de voorwaarden van de grondstofverklaring (samenstelling, gebruik) werden nageleefd. In 2019 zette Omgevingsinspectie ten slotte de controle verder op de degelijke afvoer van sloopschepen. 2.4.3.4.4
Grensoverschrijdende grondverzet
Met betrekking tot grensoverschrijdend grondverzet, meer bepaald met focus op partijen in Vlaanderen uitgegraven grond met bestemming Nederland, voerde Omgevingsinspectie 3 van de in totaal 5 geplande controles uit. Omgevingsinspectie stelde in navolging daarvan 1 proces-verbaal op. Omgevingsinspectie kon 2 van de 5 geplande controles niet laten doorgaan omdat vanaf 1 oktober 2019 vanuit Vlaanderen geen gronden meer naar Nederland werden overgebracht omwille van een verstrenging van de Nederlandse wetgeving inzake Poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS). Omgevingsinspectie deed voor het gericht selecteren van dossiers voor controle beroep op insteek van /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 54 van 110
OVAM en Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Op basis van deze weliswaar eerder beperkte insteek, zal Omgevingsinspectie aandacht blijven schenken aan dit handhavingsinitiatief.
2.4.3.5 Klimaat Voor wat betreft de reglementering inzake broeikasgassen en ozonafbrekende stoffen zijn de Europese Verordeningen 517/2014 en 1005/2009 van toepassing in Vlaanderen. Verordening 1005/2009 legt aan de lidstaten op om hiervoor een risicogestuurde benadering te hanteren. In het Vlaams Mitigatieplan 2013-2020, een onderdeel van het Vlaams Klimaatbeleidsplan 2013-2020, zijn maatregelen opgenomen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Eén van de maatregelen van het Vlaams Mitigatieplan geeft uitvoering aan het ‘Vlaams actieplan reductie uitstoot F-gassen 20152020’ en meer concreet aan actie 6B ‘Toezicht en handhaving van relevante milieuregelgeving’. Deze actie geeft aan dat Omgevingsinspectie in de periode 2015-2020 zal blijven inzetten op controle op de naleving van de Vlaamse uitbatingsvoorwaarden -volgens VLAREM en andere verplichtingen voortvloeiend uit Europese regelgeving- bij klasse 1-inrichtingen betreffende de uitstoot van gefluoreerde gassen. Tijdens dergelijke controle gaat Omgevingsinspectie na of het onderhoud van koelinstallaties door een erkende technieker is uitgevoerd en/of de andere wettelijke exploitatievoorschriften (lekdichtheidscontroles, instructiekaart, logboek en maximale relatieve lekverliezen) zijn nageleefd. Toezicht houdt ook het controleren van de installaties op koelgaslekken in, in sommige gevallen met ondersteuning van een erkend koeltechnicus. Ten slotte controleert Omgevingsinspectie de aanwezigheid van verboden koelmiddelen (bijvoorbeeld CFK R12), en de aanwezigheid van koelmiddelen waarvoor geen bijvullingen meer zijn toegelaten sinds 2015 (bijvoorbeeld HCFK R22). Omdat de VLAREM-trein 2017 een nieuwe klasse 1-indeling definieert voor koelinstallaties op basis van de Ton CO2-Equivalenten TCE-inhoud van de installatie, behoort de controle van de grote koelinstallaties tot het takenpakket van Omgevingsinspectie. In 2019 organiseerde Omgevingsinspectie workshops voor lokale toezichthouders over de controle van (kleinere) koelinstallaties in Antwerpen, Gent en Brugge (zie hoofdstuk 2.1.3). Aan de workshops namen in totaal 150 lokale toezichthouders deel. Omgevingsinspectie voert dan ook controles uit bij zowel klasse 1-inrichtingen als -bij voorkeur in samenwerking met lokale overheden- klasse 2-inrichtingen. In 2019 voerde Omgevingsinspectie 50 controles van koelinstallaties uit bij 50 verschillende bedrijven. Omgevingsinspectie gaf in navolging daarvan 17 aanmaningen en stelde 20 processen-verbaal en 3 verslagen van vaststelling op. Daarbij aansluitend voerde Omgevingsinspectie 36 gezamenlijke controles met een lokale toezichthouder uit voor de controle van koelinstallaties bij klasse 2- en klasse 3inrichtingen. Voor wat betreft het handhavingsinitatief om lekverliezen van gefluoreerde gassen bij koelinstallaties in de distributiesector terug te dringen, organiseerde Omgevingsinspectie een centraal overleg met een warenhuisketen die vervolgens verschillende maatregelen heeft genomen, waaronder de ombouw van de koelsinstallaties naar CO2-installaties. Bij een andere warenhuisketen controleerde Omgevingsinspectie 3 winkels op basis waarvan ze vervolgens 2 processen-verbaal opstelde.
2.4.3.6
Lucht
De luchtkwaliteit in Europa is de afgelopen decennia aanzienlijk verbeterd. Toch blijft in een dichtbevolkt, verstedelijkt en geïndustrialiseerd Vlaanderen luchtverontreiniging het belangrijkste /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 55 van 110
milieuthema dat een directe impact heeft op de volksgezondheid. Bovendien hebben diverse in de lucht geloosde of verspreide verontreinigende stoffen schadelijke gevolgen voor de omgeving. Voor de meeste polluenten bestaat Europese en/of Vlaamse wetgeving met grens- of streefwaarden. De belangrijkste wettelijke basis inzake luchtkwaliteitsnormen is de Europese Richtlijn betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (2008/50/EG). Daarnaast bevat RIE belangrijke bepalingen inzake de implementatie van conclusies volgens Best Available Techniques Reference (BREF) bij RIEbedrijven en omvat onder meer de bepalingen van de oude Solventrichtlijn, de Richtlijn voor grote stookinstallaties en de Afvalverbrandingsrichtlijn. De omzetting van Europese Richtlijnen komen samen met Vlaamse wetgevende initiatieven hoofdzakelijk in de VLAREM-wetgeving terecht. De emissiegrenswaarden die de uitstoot van verontreinigende stoffen naar de lucht beperken, zijn in de praktijk enerzijds gebaseerd op de impact van deze stoffen op de gezondheid van mens en milieu en anderzijds op hun technische en economische haalbaarheid. De belangrijkste oorzaken van luchtverontreiniging zijn emissies afkomstig van verkeer, gebouwenverwarming en industriële activiteit. Omgevingsinspectie legt zich toe op het handhaven van de milieuhygiëneregelgeving bij deze laatste groep. Luchtverontreiniging is een ruim begrip, dat een hele reeks polluenten omvat die elk hun specifieke gevolgen hebben en bijdragen tot andere milieuproblemen. Omgevingsinspectie onderscheidt de volgende technisch-wetenschappelijke subthema’s: - geleide emissies, wat de emissies van polluenten bij industriële installaties, eventueel na een luchtreinigingsinstallatie via een of meerdere schoorstenen, omvat; - diffuse emissies, wat de ongecontroleerde en niet-lokale emissies van industriële installaties omvat (de focus gaat naar (fijn) stof, aerosolen bestaande uit mineralen, (zware) metalen en organische componenten zoals PAK’s en (dioxineachtige) Polychloorbifenyl (PCB)); - vluchtige organische stoffen; - ozonafbrekende stoffen en broeikasgassen, wat zich voornamelijk richt op emissies bij koelinstallaties (zie hoofdstuk 2.4.3.5); - geur (zie hoofdstuk 2.4.3.3). 2.4.3.6.1
Geleide emissies
Wat de geleide emissies betreft, voert Omgevingsinspectie een tweesporeninspectiebeleid. Het eerste spoor betreft de controle van de in VLAREM bepaalde zelfcontroleverplichtingen die exploitanten zelf moeten uitvoeren. Het tweede spoor behelst het laten uitvoeren van luchtemissiemetingen door erkende laboratoria in opdracht van Omgevingsinspectie. Aan de hand van deze metingen gaat Omgevingsinspectie na of een exploitant de emissiegrenswaarden respecteert en het zelfcontroleprogramma correct, betrouwbaar en volledig uitvoert. De zelfcontroleverplichtingen zijn een van de belangrijkste krachtlijnen in de milieuwetgeving. Wanneer exploitanten deze correct uitvoeren, treden ze impliciet zelfregulerend op. Dit garandeert een onmiddellijk ingrijpend optreden in geval van milieubedreigende incidenten, maar ook dat bedrijven een preventief en bewust milieubeleid gaan voeren. Zelfmonitoring vormt zowel voor de exploitant als voor de overheid een belangrijke bron van milieurelevante informatie en via het afdwingen van zelfcontroleverplichtingen wordt de exploitant en niet de overheid in eerste instantie praktisch en financieel verantwoordelijk voor het verantwoord opvolgen van de bedrijfsvoering. Omgevingsinspectie focust daarbij op crematoria, asfaltcentrales en steenbakkerijen. Daarnaast volgt zij met het oog op de vermindering van luchtverontreiniging door houtverbranding ook de monitoringsgegevens van de industriële houtverbrandingsinstallaties op. Voor de andere installaties bij klasse 2-inrichtingen voorziet /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 56 van 110
Omgevingsinspectie daarbij de nodige ondersteuning voor de lokale toezichthouders. Voorts voert Omgevingsinspectie controles uit bij middelgrote stookinstallaties in functie van rapportering voor de Europese Richtlijn betreffende Medium Combustion Plants (MCP). Ten slotte is er ook specifieke aandacht voor de correcte uitvoering en meldingsplicht bij bedrijven die eigen metingen uitvoeren conform de ‘code van goede praktijk voor de goedkeuring van de methode voor de zelfcontrole van lucht door de exploitant’. In 2019 keek Omgevingsinspectie de zelfcontrolegegevens na van 117 inrichtingen die zijn opgenomen in het RIE-inspectieprogramma van de afdeling en van 25 inrichtingen die niet zijn opgenomen in dit programma. Omgevingsinspectie gaf in navolging daarvan 127 aanmaningen bij 68 inrichtingen en stelde 7 processen-verbaal op. Omgevingsinspectie volgt voor het tweede spoor de algemene trend om voor de organisatie van haar controles en emissiemetingen te evolueren naar een meer afdekkende en risicogebaseerde aanpak. Voor het opstellen van haar monitoringsprogramma lucht maakt Omgevingsinspectie voor alle relevante emissiepunten in Vlaanderen die onder haar toezichtsbevoegdheid vallen, gebruik van de inventaris van VMM Omgevingsinspectie vult deze inventaris jaarlijks aan met zowel de eigen meetresultaten als alle door de bedrijven gerapporteerde gegevens. Op basis van deze gegevens deelt Omgevingsinspectie de verschillende emissiepunten in risicoklassen in en koppelt er controlefrequenties aan. De criteria voor deze risicobasering zijn onder meer de gemeten concentratie en massastroom in relatie tot de emissiegrenswaarde, de aard of toxiciteit van de polluenten en de meetfrequentie waaraan een inrichting moet voldoen in het kader van de zelfcontrole. Rekening houdend met de beschikbare middelen en beleidsprioriteiten selecteert het monitoringsprogramma dan luchtemissiemetingen. Op deze manier bevat het monitoringsprogramma uiteindelijk alle relevante emissiepunten die Omgevingsinspectie afhankelijk van de reële impact controleert. Binnen een overkoepelende referentietaak zal Omgevingsinspectie deze planningstool nog verder laten uitwerken in functie van het versterken van een proactieve en risicogebaseerde emissie-gerelateerde handhaving. Uit het monitoringsprogramma lucht vloeide voor 2019 een selectie voort van 201 te bemeten emissiepunten. Uiteindelijk liet Omgevingsinspectie in 2019 200 luchtemissiemetingen uitvoeren bij 103 inrichtingen. Heel wat factoren (installatie al dan niet in gebruik, weersomstandigheden, beschikbaarheid van het labo, …) maken dat de geplande emissiemetingen niet altijd in de loop van het voorziene werkjaar kunnen worden uitgevoerd. Omgevingsinspectie voerde in functie van deze luchtemissiemetingen in totaal 284 controles uit. Deze controles omvatten mogelijke voorbezoeken voor het nagaan van de haalbaarheid om een emissiemeting te laten uitvoeren en een aantal praktische aspecten, de plaatsbezoeken voor het laten uitvoeren van de emissiemetingen zelf en in een aantal gevallen de bespreking van de meetresultaten achteraf. Omgevingsinspectie stelde voor 7 overschrijdingen van de emissienorm procesverbaal op. Ze gaf 64 aanmaningen, de tekortkomingen hadden veelal te maken met de noodzaak voor het aanpassen van de meetfrequentie van het zelfcontroleprogramma op basis van de gemeten massastromen. Naar aanleiding van de problemen vastgesteld voor de emissies van Dimethylformamide (DMF) bij diverse coatingbedrijven in West-Vlaanderen, is de sector gestart met een studie om deze emissies binnen de normen te kunnen brengen. Hierbij heeft zij zich geëngageerd om naast onderzoek naar een eventuele overschakeling naar solventvrije productie, ook te onderzoeken welke de meest effectieve saneringsmaatregelen zijn. Hiervoor werd een verkennende studie door Arcadis opgeleverd en is ondertussen bij VITO een project gestart om de meestbelovende zuiveringstechnieken in het labo uit te testen. Daarna zal de geselecteerde techniek in een proefopstelling bij één van de bedrijven worden getest. In een latere fase en bij positief resultaat zal deze techniek bij alle bedrijven geïmplementeerd /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 57 van 110
worden. Ondertussen zijn de bijzondere voorwaarden bij de bedrijven aangepast en volgt Omgevingsinspectie de verplichtingen rond de zelfcontrolemetingen en de maatregelen om diffuse emissies te vermijden, nauwgezet op. 2.4.3.6.2
Diffuse emissies
Wat de diffuse emissies betreft, heeft Omgevingsinspectie vooral aandacht voor bepaalde gebieden in Vlaanderen waar de luchtkwaliteit eerder problematisch is. De luchtkwaliteit in Vlaanderen wordt opgevolgd door VMM die de resultaten toetst aan normen, richtwaarden en drempelwaarden zoals vastgelegd in Europese of Vlaamse milieuwetgeving of opgesteld door de Wereldgezondheidsorganisatie. In onze regio gaat de laatste jaren regelmatig (pers)aandacht naar de fijnstofproblematiek en naar de emissie van (zware) metalen, PCB’s en dioxines, en polluenten die meestal gelinkt zijn aan een specifieke industriële activiteit. Omgevingsinspectie gaat na wat de bijdrage van de industrie tot deze verhoogde immissiewaarden is, en waar wenselijk en mogelijk legt zij emissiebeperkende maatregelen op. Omgevingsinspectie volgt bestaande actieplannen op en voert gerichte acties uit in gebieden met een verhoogde concentratie aan zware metalen. Bij deze controles kan er worden samengewerkt met de lokale toezichthouders voor de nauwe opvolging bij klachtendossiers. Omgevingsinspectie biedt daartoe de nodige ondersteuning aan bij de handhaving van dit type dossiers. Bij schrootverwerkende bedrijven heeft Omgevingsinspectie gerichte aandacht voor de beperking van de emissies van dioxines en dioxineachtige PCB’s. Omgevingsinspectie besteedt aandacht aan de aanpak van diffuse fijnstofemissies in zogenaamde 'hotspot’-gebieden. Op basis van metingen van VMM zijn de oorspronkelijke industriële hotspotzones (Roeselare, Oostrozebeke/Wielsbeke, Gentse kanaalzone en Antwerps havengebied/agglomeratie) afgebakend. Naar aanleiding van specifieke acties in het verleden worden de fijnstofnormen in deze gebieden nog nauwelijks overschreden maar blijft er wel een verhoogde aandacht voor deze problematiek. Omgevingsinspectie volgt de emissies bij inrichtingen in deze zones en het uitvoeren van de opgelegde maatregelen en de lopende actieplannen verder op. Omgevingsinspectie voerde ad-hocimmisiemetingen uit in de buurt van een aantal afvalverwerkende inrichtingen. Naast het uitvoeren van verkennende metingen met een fijnstofmeter nam Omgevingsinspectie monsters van stofdeposities bij deze inrichtingen en buurtbewoners. Op de monsters liet Omgevingsinspectie een microscopische en chemische analyse uitvoeren om onderscheid te kunnen maken tussen stof afkomstig van bijvoorbeeld het breken van hout en het breken van steenpuin. Het effectief toewijzen van stofdeposities aan een specifieke stofbron blijkt niet eenvoudig gelet op de mogelijke interferentie van verschillende gelijkaardige stofbronnen in de omgeving en de sterke afhankelijkheid van de meteorologische omstandigheden. Toch kon Omgevingsinspectie op basis van deze analyses een aantal mogelijke bronnen uitsluiten zodat ze meer gerichte maatregelen in functie van stofbeheersing kon opleggen. Het handhavingsinitiatief voor de beperking van de emissie en de verspreiding van zware metalen naar de lucht betreft een verderzetting van het initiatief van de voorbije jaren en focust op enkele inrichtingen in Hoboken en Genk. Voor deze actie volgde Omgevingsinspectie de meetresultaten van VMM in de omgevingslucht voor zware metalen op PM10 en de zelfcontroleresultaten van de relevante inrichtingen verder op. Omgevingsinspectie heeft nergens op nieuwe locaties overschrijdingen of sterk verhoogde waarden vastgesteld. De betrokken inrichtingen leven de maatregelen van hun actieplannen na.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 58 van 110
Het handhavingsinitiatief ‘beperking van de emissie van dioxines en dioxineachtige PCB’s (bij schrootverwerkende bedrijven)’, kadert in de uitvoering van het ‘actieplan dioxines en PCB’s’. Omdat er weinig is veranderd in het wetgevend kader, bestaat dit initiatief in sterke mate uit de opvolging van de maatregelen van de afgelopen jaren om voornamelijk diffuse emissies van dioxines en PCB’s verder te beperken. Omgevingsinspectie volgt de opgelegde actiepunten bij de inrichtingen op en evalueert deze in combinatie met de resultaten van de depositiemetingen. Waar nodig startte Omgevingsinspectie bijkomende handhavingsacties op en legde zij extra maatregelen op. 2.4.3.6.3
Vluchtige organische stoffen
Vluchtige organische stoffen (VOS) spelen een belangrijke rol bij de vorming van troposferische ozon en hebben in sommige gevallen ook rechtstreekse nadelige effecten op de gezondheid. Omgevingsinspectie ziet toe of de periodieke zelfcontroles met een IR-camera op verticale opslagtanks die vloeistoffen bevatten met een dampspanning van meer dan 13,3 kPa bij een temperatuur van 35°C tijdig en afdekkend gebeuren. In 2019 controleerde Omgevingsinspectie 14 inrichtingen. De IR-screening gebeurde telkens door een externe en hiervoor erkende instantie. De meeste, gecontroleerde inrichtingen bleken de IR-screening goed te hebben uitgevoerd. Omgevingsinspectie stelde 1 proces-verbaal op wegens het niet (laten) uitvoeren van de screening en gaf 3 aanmaningen wegens het onvolledig uitvoeren of opvolgen van de screeningresultaten (bijvoorbeeld het niet dichten van lekken). Bedrijven die gebruik maken van organische oplosmiddelen (bijvoorbeeld drukkerijen, productie verven, coating) boven een bepaalde drempel moeten voldoen aan de bepalingen van hoofdstuk 5.59 van VLAREM II. Tijdens een controle van dergelijke inrichting gaat Omgevingsinspectie na of de exploitant een degelijke solventboekhouding opmaakt, de nodige emissiemetingen uitvoert, voldoet aan de wettelijke emissiegrenswaarden (geleid én diffuus) of aan de vereisten van het reductieprogramma. In 2019 controleerde Omgevingsinspectie 18 inrichtingen. Omgevingsinspectie gaf in navolging daarvan 3 raadgevingen, 5 aanmaningen en stelde 3 processen-verbaal op. Tekortkomingen hadden te maken met onder andere het niet naleven van de vergunningsvoorwaarden, het veroorzaken van te hoge diffuse emissies, het niet uitvoeren van een meting op geleide emissiepunten of het ontbreken van nabehandelingstechnieken bij geleide emissies. Een derde inspectiepijler voor de beperking van de emissies van VOS, is de controle op de uitvoering van de regelgeving met betrekking tot Leak Detection and Repair (LDAR). Deze activiteiten vallen volledig onder het RIE-programma en vormen dus geen apart handhavingsinitiatief.
2.4.3.7 2.4.3.7.1
Omgevingsveiligheid Genetisch gemodificeerde en pathogene organismen
Het manipuleren van genetisch gemodificeerde organismen (GGO) en pathogene organismen kan bepaalde risico’s voor de menselijke gezondheid en het leefmilieu met zich meebrengen. De term GGO’s is een verzamelnaam voor micro-organismen (bijvoorbeeld bacteriën en virussen), planten en dieren waarvan het genetisch materiaal op kunstmatige wijze is gemanipuleerd. Pathogene organismen zijn micro-organismen die een ziekte kunnen verwekken bij mensen, dieren of planten. De wetgeving omtrent ingeperkt gebruik van dergelijke organismen voorziet dat een inrichting die GGO’s of pathogene organismen aanmaakt of onderzoekt, een risicoanalyse moet maken van haar activiteiten. Op basis van die risicoanalyse wordt de inrichting ingedeeld in één van de vier risicoklassen. Aan ieder risiconiveau is een aantal maatregelen verbonden om te verhinderen dat mens en leefmilieu worden /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 59 van 110
blootgesteld aan die organismen. Naarmate het risiconiveau stijgt, zijn er meer en stringentere inperkingsmaatregelen vereist. Voor het gebruik van GGO’s en pathogenen is er naast een omgevingsvergunning voor rubriek 51 van de indelingslijst van VLAREM II ook een toelating nodig. De afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -Projecten van het Departement Omgeving verleent deze toelating op advies van Sciensano, een openbare instelling die op basis van onderzoek en toegepaste wetenschap onder andere waakt over de gezondheid van de bevolking en van nutsdieren, en instaat voor de nationale coördinatie van de gezondheidsactiviteiten in het kader van het adviseren van de toelatingen. Omgevingsinspectie voert het toezicht uit op de voorwaarden van deze toelating. In 2019 controleerde Omgevingsinspectie bij 7 inrichtingen de inperkingsvoorwaarden van de toelating. Bij alle bedrijven stelde ze tekortkomingen vast en gaf ze schriftelijke of mondelinge aanmaningen. 2.4.3.7.2
Toezicht zwarerisicobedrijven
Het team ‘omgevingsveiligheid’ van Omgevingsinspectie voert het Seveso-inspectieprogramma uit. Daarnaast gebeuren ook routinecontroles die zich in 2019 bijna uitsluitend beperkten tot controles bij tankstations met LPG en/of CNG. Het Seveso-inspectieprogramma bestaat enerzijds uit systematische controles waarbij een aspect van het veiligheidsbeheerssysteem (bijlage 2 van het samenwerkingsakkoord ter beheersing van gevaren van zware ongevallen) wordt onderzocht. Anderzijds houdt het Seveso-inspectieprogramma voortgangscontroles in naar de tijdige en effectieve uitvoering van de corrigerende acties opgelegd tijdens eerdere systematische controles. Voorts zijn er ook niet-geplande reactieve controles mogelijk naar aanleiding van ongevallen of klachten. Tijdens de systematische controles gaat Omgevingsinspectie samen met de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg telkens na of de Seveso-inrichtingen de risico’s op zware ongevallen identificeren, evalueren en de nodige en voldoende maatregelen ter preventie bepalen. In 2019 startte Omgevingsinspectie een aantal controles waarbij ze peilde naar het juiste ontwerp, de degelijkheid, de inspectie en het onderhoud van maatregelen ter beperking van schade door brand. Bij een aantal inrichtingen focuste Omgevingsinspectie op het beheersen van de risico’s van batchprocessen. Omgevingsinspectie zal deze handhavingsinitiatieven in 2020 voortzetten. Het aantal Seveso-inrichtingen bleef het afgelopen jaar min of meer stabiel. Tabel 6. Het aantal Seveso-inrichtingen.
begin 2018
eind 2019
hogedrempelinrichtingen
169
171
lagedrempelinrichtingen
118
121
totaal
287
292
Bij deze inrichtingen plande Omgevingsinspectie voor 2019 in totaal 470 Seveso-controles, zowel systematische controles als voortgangscontroles. Van deze geplande controles voerde Omgevingsinspectie er 452 uit. Het betrof 196 systematische controles en 256 voortgangscontroles. Daarnaast voerde Omgevingsinspectie in 2019 36 bijkomende niet-geplande controles uit. Het betrof zowel reactieve controles naar aanleiding van incidenten of klachten, bijkomende systematische /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 60 van 110
controles en bijkomende voortgangscontroles. Ook tijdens geplande controles bracht Omgevingsinspectie soms klachten en incidenten onder de aandacht. De bijkomende systematische controles en voortgangscontroles betroffen controles die Omgevingsinspectie extra had gepland naar aanleiding van vaststellingen tijdens eerdere controles. De controle bij tankstations met LPG en/of CNG omvat een check van de belangrijkste toepasselijke sectorale voorwaarden en de focus kan liggen op zowel de LPG- of CNG-installatie als op de andere vloeibare brandstoffen of de goede werking van het dampretoursysteem voor benzines. Bij sommige tankstations voerde Omgevingsinspectie meerdere controles uit onder andere voor de opvolging van gemaakte bemerkingen bij de eerste controle. Bij een gedeelte van de tankstations met LPG ging Omgevingsinspectie na in hoeverre deze reeds conform de verstrengde voorwaarden waren die gelden vanaf 1 januari 2019 of op welke termijn de aanpassingen hiervoor gepland zijn. Tabel 7. Aantal uitgevoerde controlebezoeken bij tankstations.
2019 tankstations met LPG
285
tankstations met CNG
39
totaal
324
2.4.3.7.3
Registration, Evaluation, Authorisation and Restriction of Chemicals
De Registration, Evaluation, Authorisation and Restriction of Chemicals (REACH) Verordening (EG) 1907/2006) heeft als doel een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu te waarborgen. Zij is gebaseerd op het voorzorgsbeginsel. REACH legt procedures op om informatie over de eigenschappen en risico’s van stoffen te verzamelen en te onderzoeken. Zo moeten exploitanten die chemische stoffen vervaardigen of op de markt brengen alle relevante informatie samenstellen en ter beschikking stellen van het Europees Agentschap voor Chemische Stoffen (ECHA). Op basis van deze informatie evalueren de Europese lidstaten de chemische stoffen om uit te maken of de risico’s voor de volksgezondheid en het leefmilieu beheersbaar zijn. Als dit niet het geval is, kunnen de autoriteiten chemische stoffen verbieden of het verdere gebruik onderwerpen aan een autorisatie. REACH legt eveneens op dat de na te leven maatregelen om de risico’s die uitgaan van het handelen met gevaarlijke chemische stoffen tot het aanvaardbare te beperken, bekend moeten zijn aan iedereen die met dergelijke chemische stoffen omgaat. Op diegene die chemische stoffen “in de handel brengt” rust dan ook een bijzondere informatieplicht. Het is voor de bescherming van de volksgezondheid en het leefmilieu van cruciaal belang dat zowel de registratieplicht als de beperkingen die rusten op de vervaardiging, het in de handel brengen en het gebruik van chemicaliën, en de maatregelen om de risico’s die uitgaan van het gebruik van chemische stoffen tot het aanvaardbare te beperken, strikt worden nageleefd. Hierop moet worden toegezien en waar nodig handhavend opgetreden. Artikel 125 van de verordening stelt: “De lidstaten onderhouden een systeem van officiële controles en andere op de situatie afgestemde activiteiten.”.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 61 van 110
In 2019 voerde Omgevingsinspectie 10 controles uit op de naleving van de verplichting tot REACHregistratie voor alle vervaardigde en op de markt gebrachte hoeveelheden chemische stoffen in volumes vanaf 1 ton per jaar, en 1 controle op de verplichting tot REACH-autorisaritie. Omgevingsinspectie werkt daartoe samen met de federale Milieu-inspectie van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, en verleent haar medewerking aan een aantal gerichte (internationale) onderzoeken.
2.4.3.8 Ondergrond en grondwater De Europese kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) en het decreet Integraal Waterbeleid (2003) eisen een goede kwantitatieve en kwalitatieve toestand van de grondwaterlichamen tegen 2015. Deze doelen, zoals voorzien in de eerste generatie stroomgebiedbeheerplannen voor de periode 2010-2015, zijn niet gehaald voor de Vlaamse grondwaterlichamen. In de tweede generatie stroomgebiedbeheerplannen voor de periode 2016-2021 zijn nieuwe doelen gesteld om de goede toestand alsnog te behalen. Het is de taak van VMM om de evolutie van de grondwaterstanden periodiek op te volgen en om vergunningsadviezen te verlenen in functie van de draagkracht van de verschillende grondwaterlichamen. Daarnaast zijn er in het maatregelenprogramma bij de stroomgebiedbeheerplannen specifieke prioriteiten gesteld voor de handhaving in het kader van het integraal waterbeleid, waaronder tevens de noodzaak voor controle op (illegale) grondwaterwinningen en boorbedrijven. 2.4.3.8.1
Droogteperiode en grondwaterproblematiek
Als gevolg van de aanhoudende droogteperiodes tijdens de afgelopen drie jaar kwam de grondwaterproblematiek en de daaraan gekoppelde noodzaak tot rationeel (grond)watergebruik en de handhaafbaarheid ervan extra onder de publieke aandacht. Ook tijdens een droogteperiode vormt handhaving het sluitstuk van het gevoerde beleid en de daaraan gekoppelde maatregelen. Omgevingsinspectie nam binnen de Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid (CIW) actief deel aan de verschillende droogtegerelateerde werkgroepen en droeg proactief bij aan het uitwerken van een visie en een maatregelenprogramma ter zake. Hoewel Omgevingsinspectie tijdens een droogtecrisis ook zelf reactief optreedt, houdt zij rekening met verschillende handhavingsactoren. Omdat gouverneurs zelf beslissen over de inwerkingtreding van politiebesluiten tijdens een droogtecrisis, gebeurt de handhaving van deze materie immers versnipperd. Omgevingsinspectie bundelde de aandachtspunten voor de controles op boringen grondwaterwinningen en stelde deze informatie ook ter beschikking voor lokale overheden. Deze informatie zal in 2020 met de betrokken sectoren worden gedeeld met het oog op ondersteuning en bijkomende sensibilisering. Omgevingsinspectie werkte binnen IMPEL een projectvoorstel uit om illegale boringen en grondwaterwinningen, die nefast zijn voor het gevoerde beleid in aanloop naar of tijdens een droogteperiode, op een meer gecoördineerde manier aan te pakken. Dit project zal het gevoerde beleid op deze sectoren vergelijken en werkbare instrumenten voor de optimalisatie van de wetgeving en/of handhaving opstellen. Omgevingsinspectie zal bijdragen aan dit initiatief. 2.4.3.8.2
Controles op (erkende) boorbedrijven bij boringen of grondwaterwinningen
Het handhavingsinitiatief ‘controles op (erkende) boorbedrijven bij boringen of grondwaterwinningen’ is een voortzetting van het initiatief dat Omgevingsinspectie in 2017 startte. In de periode 2017-2018 had /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 62 van 110
dit initiatief vooral een voor de sector en exploitanten sensibiliserend karakter. In 2019 werd de handhaving gaandeweg verscherpt. In 2019 voerde Omgevingsinspectie in totaal 39 controles uit op boorwerkzaamheden, opvullingen van grondwaterwinningen en recent aangelegde grondwaterwinningen (bemalingen). Het door de erkende boorbedrijven verplicht te gebruiken digitale platform van Databank Ondergrond Vlaanderen (DOV) voor het vooraf melden en rapporteren van boringen bleek ook in 2019 nog steeds onvoldoende ingeburgerd bij de sector. Zowel het aantal aanmeldingen in het loket, de kwaliteit van de aanmelding zelf als de rapportering achteraf lieten nog vaak te wensen over. Aangezien dit loket één van de bronnen is voor het organiseren en sturen van de handhaving, blijft dit een belemmering op het efficiënt uitvoeren van dit handhavingsinitiatief. Op het terrein bestaat er nog steeds onvoldoende kennis over de inhoud en noodzaak van een voorafgaande melding/vergunning. De nabijheid van speciale beschermingszones en de mogelijke invloed hiervan op het vergunningsproces wordt nog te weinig onderkend, ook bij lokale besturen. Ook het correct bemonsteren en rapporteren van de boorgegevens op het terrein vormt een aandachtspunt. Specifiek voor de bemalingen stelde Omgevingsinspectie vast dat de controle van de boorbedrijven op de voorafgaande melding/vergunnning voor de bemaling bij hun klanten, ondermaats bleef. De verplichte debietregistratie op de werven is vaak ontoereikend omwille van ontbrekende of slecht gekozen/geïnstalleerde debietmeters. Naar aanleiding van de sensibilisering van de afgelopen jaren, de aanscherping van de handhaving in 2019, de publicaties van de richtlijnen ‘bemalingen ter bescherming van het milieu’ en de code van goede praktijk ‘installatie, onderhoud en controle van meetinrichtingen voor opgepompt grondwater’ in 2019, stelt de afdeling in 2019 een voorzichtige positieve tendens vast binnen de sector. Toch blijven controles noodzakelijk omwille van de vele bedrijven die binnen deze sector actief zijn en de concurrentie op de markt. Een mogelijke toekomstige aanscherping van de handhaving kan inhouden dat Omgevingsinspectie, in samenspraak met VMM, overgaat tot het inleiden van de procedure voor tijdelijke schorsing of intrekking van de erkenning. In 2019 stelde Omgevingsinspectie 7 processen-verbaal op en gaf ze 3 raadgevingen en 23 aanmaningen aan exploitanten en/of erkende boorbedrijven. Omgevingsinspectie koppelde over de resultaten van deze controles terug met de subsector van de bemalingen via hun recent opgerichte beroepsvereniging bronbemalingsbedrijven.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 63 van 110
Figuur 9. Vastgestelde tekortkomingen in de periode 2017-2019.
2.4.3.8.3
Code van goede praktijk debietmeting
In 2019 is de code van goede praktijk ‘installatie, onderhoud en controle van meetinrichtingen voor opgepompt grondwater’ gepubliceerd. VITO werkte deze code uit in opdracht van Omgevingsinspectie in het kader van hun referentiewerking voor het Departement Omgeving en betrok daarbij verschillende belanghebbenden (overheid, leveranciers, beroepssectoren, …). Deze code biedt meer duidelijkheid over de manier waarop de debietmeting van verschillende types grondwaterwinning correct kan gebeuren. Daarbij komen zowel de installatie, de registratie als het onderhoud van de verschillende meters aan bod. Mogelijk worden deze bepalingen in de toekomst in regelgeving verankerd. 2.4.3.8.4
Optimalisatiemogelijkheden constructievoorschriften mestopslagplaatsen
In 2019 startte het Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor het Bouwbedrijf (WTCB) een studie met het oog op de actualisatie van de voorwaarden voor ondergrondse mestopslagplaatsen in opdracht van Omgevingsinspectie. WTCB houdt de constructievereisten voor nieuwe mestkelders en de voorwaarden voor de bestaande mestkelders tegen het licht in functie van een mogelijke optimalisatie ervan. WTCB onderzoekt voorwaarden in binnen- en buitenland en werkt nieuwe en economisch haalbare voorstellen uit. Het doel is om zo tot duidelijke en handhaafbare voorwaarden te komen, aangepast aan de beste beschikbare technieken. Deze voorwaarden moeten toelaten om nieuwe mestkelders lekdicht te bouwen en bestaande mestkelders desgevallend aan te passen zodat een blijvende lekdichtheid wordt gegarandeerd. WTCB zal deze studie in 2020 afronden en Omgevingsinspectie zal vervolgens over haar bevindingen terugkoppelen met de landbouwsector.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 64 van 110
2.4.3.9
Water
In 2019 ging de aandacht voor het thema water, naast de klassieke routinemonsternames, voornamelijk naar de controle van de lozing van potentieel verontreinigd hemelwater bij opslagbedrijven, testen op ecotoxiciteit en de lozingen van grote voedingsbedrijven. 2.4.3.9.1
Potentieel verontreinigd hemelwater bij opslagbedrijven
Omgevingsinspectie ging in 2019 actief op zoek naar de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in potentieel verontreinigd hemelwater afkomstig van de opslag van materialen en/of afval. De opslag van afval en materialen kan verontreinigd hemelwater doen ontstaan met een negatief effect tot gevolg door bijvoorbeeld een hoge pH en de aanwezigheid van zwevende stoffen of zware metalen. In het kader van dit handhavingsinitiatief controleerde Omgevingsinspectie 39 inrichtingen in 2019. Bij 20% van deze inrichtingen stelde Omgevingsinspectie overtredingen vast met betrekking tot de vorming en/of de lozing van verontreinigd hemelwater. Omgevingsinspectie verbaliseerde de overtredingen en verstuurde de nodige aanmaningen zodat de exploitant binnen een redelijke termijn overgaat tot het uitvoeren van de noodzakelijke saneringen. 2.4.3.9.2
Ecotoxiciteit
Bij het bepalen van de aquatische ecotoxiciteit van afvalwater, wordt een inschatting gemaakt van de impact van de lozing op het milieu aan de hand van de impact (overleven, groeien, voortplanten,‌) op geselecteerde (gevoelige) testorganismen. Om de volledige voedselketen te simuleren, komen de testorganismen uit verschillende trofische niveaus. Een impact op ÊÊn onderdeel van de voedselketen kan een effect hebben op de volledige voedselketen. De meest courante referentieorganismen voor het aquatische ecosysteem zijn de bacterie, de alg, de watervlo en de vis. Deze benadering is fundamenteel verschillend van de klassieke analytische benadering waarbij de specifieke verontreiniging alleen chemisch wordt gekwantificeerd. In samenspraak met VMM selecteerde Omgevingsinspectie 21 inrichtingen in 2019 met het oog op het laten uitvoeren van een controle op ecotoxiciteit. Bij 11 inrichtingen stelde Omgevingsinspectie acute toxiciteit vast voor 1 of meerdere organismen. Deze inrichtingen kregen als raadgeving om de oorzaak van de vastgestelde ecotoxiciteit verder te onderzoeken en om corrigerende maatregelen te nemen. 2.4.3.9.3
Voedingsbedrijven onder Richtlijn 91/271/EEG
De Europese Richtlijn 91/271/EEG inzake de behandeling van stedelijk afvalwater legt een aantal eisen op aan de lozingen van bepaalde inrichtingen (voornamelijk voedingsbedrijven en bedrijven uit aanverwante sectoren). In het kader van dit handhavingsinitiatief nam Omgevingsinspectie bij 94 inrichtingen 210 afvalwatermonsters in 2019. Omgevingsinspectie nam deze monsters gespreid over het ganse jaar zodat er ook een goede controle gebeurde bij inrichtingen met een seizoensgebonden activiteit (onder meer heel wat groenteverwerkers). In totaal stelde Omgevingsinspectie gedurende het jaar 21 overschrijdingen van de lozingsnormen vast. Bij de laatste monstername voldeed dan weer 86% van de inrichtingen aan de lozingsvoorwaarden. Ondanks deze goede resultaten zijn er ook de volgende jaren nog verdere voortgangscontroles nodig en moet een aantal exploitanten hun waterzuivering nog grondig saneren. Omgevingsinspectie verbaliseerde de overtredingen en verstuurde de nodige aanmaningen zodat de exploitant binnen een redelijke termijn overgaat tot het uitvoeren van de noodzakelijke saneringen. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 65 van 110
2.4.3.9.4
Controles op vraag van de Vlaamse Milieumaatschappij
Net als de vorige jaren bezorgde VMM aan Omgevingsinspectie een lijst van mogelijke probleembedrijven, als input bij het opstellen van het omgevingsinspectieplan 2019. Omgevingsinspectie selecteerde hieruit 87 inrichtingen met meetbare negatieve impact op het ontvangende oppervlaktewater, met opmerkingen over de naleving van de lozingsvoorwaarden en/of met opmerkingen over de meetconstructie. Bij deze inrichtingen voerde Omgevingsinspectie extra monsternames uit. Bij 20% van deze inrichtingen stelde Omgevingsinspectie vast dat er bij de laatste monstername nog overschrijdingen waren van de lozingsvoorwaarden. Omgevingsinspectie stelde de nodige processen-verbaal op en maande deze inrichtingen aan om de problemen op te lossen. De andere inrichtingen waren volledig in orde of vertoonden slechts kleine tekortkomingen. Omgevingsinspectie volgt de saneringen in 2020 verder op. 2.4.3.9.5
Routinecontroles afvalwater
Routinecontroles vormen de basis voor de aanwezigheidspolitiek op het terrein en zorgen ervoor dat de kans op controle niet alleen verbonden is aan bepaalde handhavingsinitiatieven of een klacht. Omgevingsinspectie voert heel wat monsternames en metingen zelf uit. Voor de andere monsternames en metingen én alle analyses laat zij zich bijstaan door erkende laboratoria. Omgevingsinspectie plant de routinemonsternames van afvalwater steeds op voorhand. Omgevingsinspectie stelt daartoe ieder jaar een planning op voor de in het volgend jaar uit te voeren afvalwatercontroles. Hierbij werkt Omgevingsinspectie met een basisfrequentie, zijnde de minimale frequentie waarmee zij een inrichting controleert. De basisfrequentie is afhankelijk van het geloosde debiet, de bestemming van de lozing (riool of oppervlaktewater) en het al dan niet aanwezig zijn van gevaarlijke stoffen in het effluent. Deze basisfrequentie kan Omgevingsinspectie aanpassen in functie van de voorgeschiedenis van de inrichting. In 2019 controleerde Omgevingsinspectie 900 inrichtingen, nam ze 1.425 monsters en stelde ze vast dat 99 inrichtingen één of meermaals in overtreding waren, waarvoor ze telkens een proces-verbaal opstelde.
2.4.3.10 Richtlijn Industriële Emissies - inspectieprogramma Het RIE-inspectieplan omvat alle RIE-installaties op Vlaams grondgebied, een algemene lijst van relevante en significante milieuaspecten en een bijzondere beoordeling van de relevantie van deze milieuaspecten per RIE-installatie. Dit plan omvat ook een berekende risicoklasse die aan iedere installatie wordt toegekend. Op basis van opeenvolgende jaarlijkse RIE-inspectieprogramma’s zorgt Omgevingsinspectie ervoor dat minstens alle relevante milieuaspecten per RIE-installatie aan bod komen tijdens een plaatsbezoek binnen een zekere tijdspanne. Door de frequentie van de controle te laten samenhangen met de risicoklasse voert Omgevingsinspectie haar controles risicogebaseerd uit. Controles in dit inspectieprogramma hebben betrekking op alle installaties uit de sectoren ‘industrie’ en ‘landbouw’. Net zoals voor de controles bij de niet-RIE-bedrijven zijn in dit inspectieprogramma routinecontroles en voortgangscontroles vervat. Voorts is er ruimte gelaten om controles in te plannen op eigen initiatief van de milieutoezichthouder, rekening houdend met de mogelijke milieu-impact. Bovenop dit inspectieprogramma, waarbij een systematische controle van alle relevante milieuaspecten wordt ingepland, zal een aantal van de eerder genoemde thematische handhavingsinitiatieven betrekking hebben op zowel RIE- als niet-RIE-bedrijven. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 66 van 110
In 2019 telde Vlaanderen een 1.736 RIE-installaties die volgens de voorwaarden van de richtlijn en de daarbij horende Vlaamse milieuwetgeving moeten worden geĂŤxploiteerd. Tabel 8. Aantal RIE-installaties in Vlaanderen in 2019.
industrie
landbouw
installaties met een hoog risico
143
0
installaties met een middelhoog risico
174
7
installaties met een laag risico
554
858
totaal
871
865
In 2018 maakte Omgevingsinspectie werk van een vereenvoudiging van het RIE-inspectieprogramma sinds 2013 in gebruik- die is afgestemd op haar draagkracht. Daarbij reduceerde ze de voormalige 43 inspectietypes tot 13 inspectietypes. Vooral de inspectietypes die betrekking hebben op emissies zijn daarbij behouden. Omgevingsinspectie voert jaarlijks controles uit bij installaties met een hoog risico, minstens om de twee jaar bij installaties met een middelhoog risico en om de drie jaar bij installaties met een laag risico. Gemiddeld plande Omgevingsinspectie per installatie 3,5 inspectietypes bij 947 installaties. Tabel 9 geeft per inspectietype het aantal geplande controles weer en de uitvoeringsgraad ervan op 31 december 2019. Tabel 9. Geplande RIE-controles en uitvoeringsgraad per inspectietype in 2019.
nummer
industrie
landbouw
uitgevoerd
1
vergunningstoestand
390
90%
2
energie
150
101%
3
evaluatie MMS
179
98%
4
preventie en bestrijding van hinder
271
96%
5
zelfcontrole water
118
116%
6
controle lozingsvoorwaarden water
337
101%
7
overige voorwaarden water
189
105%
8
zelfcontrole lucht
383
79%
9
controle emissievoorwaarden lucht
348
80%
10
overige voorwaarden lucht
210
110%
11
preventie en beheer van afvalstoffen en materiaal
496
69%
12
controle risico’s bodem en grondwaterverontreiniging
234
106%
13
controle VLAREM III na act. BREF
23
152% 100%
uitvoeringsgraad
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 67 van 110
Tabel 10 biedt een overzicht van het gevolg dat Omgevingsinspectie gaf aan de uitgevoerde controles. Meer resultaten over de veeteeltcontroles zijn beschreven onder hoofdstuk 2.4.3.2. Tabel 10. Aantal raadgevingen, aanmaningen en processen-verbaal als gevolg van de RIE-controles in 2019.
instrument
industrie
landbouw
aantal raadgevingen
105
43
aantal aanmaningen
321
231
aantal processen-verbaal
45
59
Omgevingsinspectie voert naast routinematige of geplande controles bij RIE-installaties ook controles ter plaatse uit naar aanleiding van milieuklachten, van meldingen van milieu-incidenten en gevallen van niet-naleving (overschrijding van emissiegrenswaarden) door exploitanten. De behandeling van deze klachten en meldingen gebeurt telkens zo snel mogelijk. De rapportering hiervan zit vervat in de algemene cijfers in hoofdstuk 3. Bij de opvolging van de impact van de RIE op Europees niveau horen een aantal bevragingen van de lidstaten. Omgevingsinspectie ondersteunt hierin de afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -Projecten van het Departement Omgeving die in Vlaanderen de coördinatorrol opneemt door het aanleveren van informatie en data verkregen bij onze inspectie- en handhavingsopdrachten. Op basis van de RIE moeten vier jaar na publicatie van een geactualiseerde Europees BREF de conclusies opgenomen zijn in VLAREM III, de vergunningsvoorwaarden van de bijhorende installaties geactualiseerd zijn en moeten de (nieuwe) vergunningsvoorwaarden door Omgevingsinspectie gecontroleerd zijn. In 2019 was Omgevingsinspectie verplicht om de voorwaarden opgenomen in de omgevingsvergunning en VLAREM III te controleren bij installaties voor de sector ‘Productie van houten panelen’. Aangezien de installaties uiterlijk op 24 november 2019 dienden te voldoen, zal Omgevingsinspectie deze controles opnemen in haar planning 2020. Omgevingsinspectie controleerde in 2019 de 4 installaties voor de sector ‘Raffineren van aardolie en gas’. De verstrengde zelfcontrolebepalingen zoals dagelijkse afvalwateranalyses en continue monitoring van de luchtemissies, worden uitgevoerd. Bij 1 raffinaderij stelde Omgevingsinspectie verschillende overschrijdingen van de emissiegrenswaarden voor de parameters totaal stikstof en Chemisch zuurstofverbruik (CZV) vast waarvoor ze proces-verbaal opstelde. De overige Vlarem III-voorwaarden worden praktisch volledig nageleefd. Voor een aantal voorwaarden werden in toepassing van artikel 1.7 van Vlarem III-afwijkingen gevraagd en toegestaan.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 68 van 110
Onvergunde constructie vastgemaakt aan een woning.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 69 van 110
3 REGULIERE WERKING AFDELING HANDHAVING IN CIJFERS 3.1 OMGEVINGSINSPECTIE - RUIMTE IN CIJFERS Omdat Omgevingsinspectie, in navolging van de nieuwe regelgeving die in maart 2018 van kracht werd, haar nieuwe monitoringtool op 1 juni 2018 in alle werkplekken in gebruik nam, kunnen de cijfers uit dit rapport niet zonder meer vergeleken worden met rapporteringen uit het verleden. De volgende jaren zal Omgevingsinspectie haar cijfers nauwgezet en op uniforme wijze bijhouden om tendensen te ontwaren en daar extra duiding bij te geven.
3.1.1
Klachten
Een klacht kan zowel via de burger als van een overheidsdienst komen. In dit laatste geval betreft het vooral Vlaamse en provinciale administraties waarvan de personeelsleden niet gemachtigd zijn om verbaliserend op te treden. De klachten die de burger meldt, betreffen dikwijls feiten die betrekking hebben op burenhinder. In deze gevallen en wanneer het gemelde feit niet valt onder de gewestelijke prioriteiten, bezorgt Omgevingsinspectie de klacht steeds aan de gemeente en/of krijgt de klager de raad zich te informeren om desgevallend zelf de nodige juridische stappen te zetten om de hinder of schade te verhelpen. In 2019 ontving Omgevingsinspectie 600 schriftelijke klachten (de telefonische klachten, een veelvoud van de schriftelijke klachten, zijn dus niet in dit cijfer opgenomen) waarvan de minderheid ressorteert onder de gewestelijke prioriteiten. Dit is logisch te verklaren doordat schendingen in een dichtbebouwde omgeving eerder opvallen of voor hinder zorgen dan overtredingen in een afgelegen kwetsbare zone. Omgevingsinspectie onderzoekt iedere prioritaire schending en pakt die op gepaste wijze aan. Tabel 11. Het aantal klachten ruimtelijke ordening in 2019.
2019 aantal schriftelijke klachten
3.1.2
600
Onderzoeken ter plaatse
In 2019 voerde Omgevingsinspectie 1.110 onderzoeken uit ter plaatse. Dergelijk onderzoek kan om tal van redenen gebeuren: naar aanleiding van een klacht of een proactieve actie, om een herstelmelding na te gaan, om het naleven van een stakingsbevel na te zien, om een stand van zaken te maken met het oog op het opstellen van een herstelvordering of minnelijke schikking, ‌ Tabel 12. Het aantal onderzoeken ruimtelijke ordening ter plaatse in 2019.
2019 aantal onderzoeken ter plaatse
1.110
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 70 van 110
3.1.3
Raadgevingen
Een raadgeving is slechts zinvol indien vooraf, nog vóór er schendingen werden gepleegd, een vermoeden bestaat dat een overtreding zal worden gepleegd. De detectie van dergelijke mogelijke toekomstige incidenten is niet evident en steunt vooral op een proactieve aanwezigheid op het terrein. Gelet op de beperkte capaciteit en de aanzienlijke externe input van schendingen ligt de focus momenteel vooral op het reactief handhaven eerder dan op het preventief optreden. In 2019 gaf Omgevingsinspectie 15 raadgevingen. Tabel 13. Het aantal raadgevingen ruimtelijke ordening in 2019.
2019 aantal raadgevingen
3.1.4
15
Aanmaningen
Rekening houdend met het Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening 2015 vangt het handhavingstraject bij de vaststelling van een schending quasi altijd aan met een aanmaning. Indien de overtreder hier gevolg aan geeft, stopt Omgevingsinspectie het handhavingstraject nadat ze (ter plaatse) het herstel vaststelde. Omgevingsinspectie stelt in deze gevallen geen proces-verbaal op. Het valt op dat de aanmaning, als zogenaamd zacht handhavingsinstrument, in de praktijk tal van overtreders ertoe aanzet om de illegaliteit te verhelpen. Omgevingsinspectie volgt de 419 aanmaningen die ze in 2019 opstelde, allemaal verder op. Het is echter mogelijk dat de gevolgen ervan pas in een latere periode worden geregistreerd (bijvoorbeeld aanmaning in jaar X, PV in jaar X+1) of dat de aanmaning als laatste aansporing geldt vooraleer Omgevingsinspectie een herstelvordering inleidt. Tabel 14. Het aantal aanmaningen ruimtelijke ordening in 2019.
2019 aantal aanmaningen
3.1.5
408
Verslagen van vaststelling en processen-verbaal
Met de inwerkingtreding van het decreet betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning op 1 maart 2018 werd er een onderscheid gecreëerd tussen twee soorten bouwschendingen. Het merendeel van de schendingen zijn de strafbare bouwmisdrijven die zowel via het “oude” handhavingstraject als middels bestuurlijke instrumenten kunnen worden aangepakt. Nieuw zijn de stedenbouwkundige inbreuken die als gedepenaliseerd feit alleen via het bestuurlijke traject kunnen worden gesanctioneerd. Daar waar de misdrijven nog steeds via een proces-verbaal worden vastgesteld, worden de inbreuken in een verslag van vaststelling opgenomen. Het (aanvankelijk) proces-verbaal wordt naar het parket, de overtreders en de burgemeester gezonden. Het verslag van vaststelling wordt zowel naar de burgemeester als de overtreder gestuurd maar niet naar het openbaar ministerie aangezien het zich buiten de strafrechtelijke sfeer bevindt. Het verslag wordt doorgestuurd naar de gewestelijke beboetingsentiteit van de afdeling Handhaving om het bestuurlijk beboetingstraject op te starten. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 71 van 110
Aangezien slechts een beperkt aantal schendingen binnen de gewestelijke prioriteiten als inbreuk wordt beschouwd, kan Omgevingsinspectie maar in een beperkt aantal situaties een verslag van vaststelling opmaken. Dit vertaalt zich in de cijfers en in 2019 stelde Omgevingsinspectie slechts 1 verslag van vaststelling op. Uiteraard wil dit niet zeggen dat Omgevingsinspectie geen stedenbouwkundige inbreuken vaststelt. Deze schendingen neemt zij immers mee op in de processen-verbaal indien blijkt dat er op het perceel ook een misdrijf wordt vastgesteld. Tabel 15. Het aantal processen-verbaal ruimtelijke ordening in 2019.
2019 aantal aanvankelijke processen-verbaal
163
aantal navolgende processen-verbaal
276
In 2019 stelde Omgevingsinspectie 163 aanvankelijke processen-verbaal en 276 navolgende processenverbaal op. Daar waar een aanvankelijk proces-verbaal veelal beperkt blijft tot de eerste vaststelling van de schending kan een navolgend proces-verbaal in functie van een verscheidenheid aan redenen worden opgesteld: een beschrijving van een evolutie op het terrein, wijziging ten gevolge van een vergunningsprocedure, de vaststelling van een geheel of gedeeltelijk herstel, een verhoor,... Door de gewijzigde regelgeving, de aangepaste handhavingspraktijk (focus op een aanmaning bij de start van een handhavingstraject) en de twee gebiedsgerichte proactieve handhavingsinitiaven daalde het aantal processen-verbaal dat Omgevingsinspectie opstelde aanzienlijk ten opzichte van de voorgaande jaren. 450 400 350 300 250 200 150 100 50 0 2017
2018
aantal aanvankelijke processen-verbaal
2019 aantal aanmaningen
Figuur 10. Trend van het aantal aanmaningen en aanvankelijke processen-verbaal ruimtelijke ordening in de periode 2017-2019.
3.1.6
Stakingsbevelen
Het instrument van het stakingsbevel was gedurende vele jaren een zeer effectief middel om overtredingen in de kiem te smoren. Als preventieve en voorlopige maatregel wil het stakingsbevel voorkomen dat de schending voltooid wordt of zich voortzet. Omdat het stakingsbevel slechts uiterst beperkt kan worden ingezet bij de beteugeling van schendingen en het verhinderen van het strijdig gebruik al geruime tijd nagenoeg onmogelijk is, treft het overgrote deel van de stakingsbevelen een schending van een vergunningsplichtige handeling die tijdig werd opgemerkt. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 72 van 110
De bijkomende vrijstellingen, de beperkingen inzake de handhaving van het strijdig/gewoonlijk gebruik en de eerder beperkte handhavingsbereidheid en -capaciteit bij de lokale besturen en politie maakt dat het aantal externe stakingsbevelen aanzienlijk verminderd is ten opzichte van de voorgaande jaren. Voormelde redenen evenals het feit dat Omgevingsinspectie vooral inzet op kwetsbare gebieden waar het minder evident is om op werken in uitvoering te stuiten, hebben tot gevolg dat het aantal interne stakingsbevelen fors is gedaald. Tabel 16. Het aantal stakingsbevelen ruimtelijke ordening in 2019.
2019 aantal externe stakingsbevelen
566
aantal interne stakingsbevelen
27
Omgevingsinspectie bekrachtigde 535 van de 566 extern opgelegde stakingsbevelen. De onterechte staking van meldingsplichtige handelingen blijkt nog steeds de voornaamste reden om een extern bevel niet te bekrachtigen. Het aantal kortgedingprocedures tegen stakingsbevelen is eveneens drastisch verminderd. Dit valt grotendeels te verklaren door het feit dat er inmiddels ingrijpende restricties van toepassing zijn (bijvoorbeeld quasi onmogelijk om strijdig gebruik te staken, omzendbrieven gewoonlijk gebruik) en de resterende stakingsbevelen veelal weinig ruimte voor interpretatie laten (bijvoorbeeld duidelijk vergunningsplichtige werken). De verbalisanten ruimtelijke ordening van Omgevingsinspectie stellen processen-verbaal met stakingsbevel steeds binnen de decretaal bepaalde periode op. In een aanzienlijk aantal van de bekrachtigde stakingsbevelen wordt de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur nadien door de overtreders verzocht om (herstel)werken te kunnen uitvoeren of tijdelijke maatregelen te mogen nemen. Het opheffen van het stakingsbevel door de gewestelijke stedenbouwkundig inspecteur gebeurt alleen indien de schending volledig ongedaan werd gemaakt (bijvoorbeeld door herstel of regularisatie). Het is in de eerste plaats aan de overtreder om dit herstel te melden zodat de (lokale) verbalisant dit kan verifiĂŤren. In 2019 heeft Omgevingsinspectie 27 stakingsbevelen opgeheven.
3.1.7
Bestuurlijke maatregelen
Bestuursdwang en last onder dwangsom zijn twee nieuwe handhavingsinstrumenten. De bestuursdwang is het bestuurlijke equivalent van een rechterlijke uitspraak die het herstel binnen een bepaalde termijn beveelt bij gebreke waaraan de overheid zelf het herstel kan uitvoeren. Een last onder dwangsom is dan weer een maatregel die het herstel betracht binnen een bepaalde termijn bij gebreke waaraan een dwangsom begint te verbeuren. Hoewel het decreet geen beperkingen oplegt voor deze instrumenten voorziet het Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening 2015 wel dat de Vlaamse administratie deze nieuwe instrumenten met de nodige omzichtigheid moet inzetten. Zo moet in een eerste fase de toepassing ervan beperkt worden tot eerder geringe overtredingen. Bovendien komen alleen schendingen die aangevat zijn na 28 februari 2018 in aanmerking. Het Handhavingsplan bepaalt eveneens dat eerst de beslissing van het parket moet afgewacht worden. Als er geen beslissing door het parket wordt genomen,
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 73 van 110
moet een termijn van 180 dagen worden gerespecteerd alvorens ĂŠĂŠn van deze bestuurlijke maatregelen kan worden genomen. Deze stringente voorwaarden gecombineerd met het feit dat slechts schendingen die gepleegd zijn vanaf maart 2018 in aanmerking komen, maakt dat Omgevingsinspectie in 2019 geen bestuursdwang oplegde en voor 3 dossiers last onder dwangsom oplegde. Tabel 17. Het aantal bestuurlijke maatregelen ruimtelijke ordening in 2019.
2019 bestuursdwang
0
last onder dwangsom
3
3.1.8
Herstelvorderingen
Wanneer het herstel niet kan worden bereikt via een regularisatievergunning of minnelijke schikking en de overtreder maakt geen aanstalten om spontaan of binnen een redelijke termijn tot herstel over te gaan, kan Omgevingsinspectie een herstelvordering inleiden. De keuzevrijheid van de herstelvorm wordt evenwel beperkt door de regelgeving (artikel 6.3.1 van de VCRO). Indien het gevolg van het misdrijf kennelijk verenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening, volstaat het betalen van een meerwaarde. Als het kennelijk volstaat om de plaatselijke ruimtelijke ordening te herstellen, kunnen er bouw- of aanpassingswerken worden gevorderd. In alle andere gevallen zal steeds het herstel in de oorspronkelijke staat of het staken van het strijdig gebruik de geprefereerde herstelmaatregel zijn. Vooraleer de vordering aan het oordeel van de rechter kan worden voorgelegd, is een gunstig advies van de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering vereist. Pas in dit laatste geval beslist de stedenbouwkundig inspecteur om het dossier in te leiden via het parket dan wel rechtstreeks bij de burgerlijke rechtbank. De eerste keuze is steeds om de zaak via de strafrechtelijke weg te laten behandelen. Alleen wanneer het parket het dossier niet naar zich toe trekt, zal de burgerlijke procedure worden opgestart. Het arbeidsintensieve proces en het feit dat het welslagen afhankelijk is van externe factoren (sepotbeleid parket, adviezen Hoge Raad, prioriteitenorde, ‌) maken dat het aantal herstelvorderingen beperkt blijft tot 51. Een inmiddels verkregen vergunning of sepot, gewijzigde prioriteiten of het uitblijven van een besluit van de procureur om al dan niet te vervolgen, zorgen ervoor dat een aantal gunstig geadviseerde herstelvorderingen (nog) niet werden ingeleid. Tabel 18. Het aantal herstelvorderingen in ruimtelijke ordening 2019.
2019 aantal herstelvorderingen voorgelegd voor advies
51
aantal herstelvorderingen bezorgd aan het parket
34
aantal herstelvorderingen ingeleid bij de burgerlijke rechter
9
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 74 van 110
3.1.9
Minnelijke schikkingen
Sinds 1 maart 2018 kan de overtreder in elke stand van de handhavingsprocedure vragen om met de stedenbouwkundige inspecteur (of burgemeester) een minnelijke schikking af te sluiten. Anders dan de term laat uitschijnen, is dit een minnelijke overeenkomst tussen de overtreder en de stedenbouwkundig inspecteur om herstel te bekomen. Overeenkomstig de prioriteitenorde, zoals die van toepassing is bij een herstelvordering, zal de overtreder er zich toe engageren om de stedenbouwkundige schending ongedaan te maken en de goede ruimtelijke ordening te herstellen. Niettegenstaande een minnelijke schikking op vrijwillige basis gebeurt, vormt de miskenning van de daarin opgenomen verplichtingen wel de grondslag voor het opleggen van een bestuurlijke maatregel. Bij iedere aanmaning en in iedere begeleidende brief bij een proces-verbaal wijst Omgevingsinspectie de overtreder erop dat deze een minnelijke schikking kan aanvragen. Niettemin werd er slechts een gering aantal aanvragen ingediend. De vraag om een minnelijke schikking af te sluiten, moet immers van de overtreder komen. Dit resulteerde uiteindelijk in 18 minnelijke schikkingen met de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur. Voor zover bekend wordt ook de mogelijkheid om met de burgemeester een minnelijke schikking af te sluiten niet of nauwelijks benut. Tabel 19. Het aantal minnelijke schikkingen ruimtelijke ordening in 2019.
2019 aantal minnelijke schikkingen
18
3.1.10 Processen-verbaal van (niet-)uitvoering Met het proces-verbaal van uitvoering of niet-uitvoering stelt de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur vast dat de door de rechter bevolen herstelmaatregelen respectievelijk is uitgevoerd of niet. Een vaststelling ter plaatse waarbij een bevoegde verbalisant vaststelt of de schending al dan niet werd ongedaan gemaakt, gaat dit proces-verbaal vooraf. Indien de herstelmaatregel werd uitgevoerd, stelt de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur het proces-verbaal van uitvoering op dat de belanghebbende partij bij het Kantoor Rechtszekerheid (voormalige Hypotheekkantoor) moet laten kantmelden. Pas na deze kantmelding is het onroerend goed definitief bevrijd van het rechterlijk bevel dat er op rust. Dit houdt in dat potentiĂŤle kopers zich na de kantmelding niet langer bij notariĂŤle akte moeten verbinden tot het uitvoeren van de bevolen herstelmaatregel waardoor het onroerend goed opnieuw zijn normale marktwaarde verkrijgt. Daarnaast vormt de kantmelding voor de veroordeelden een tegensprekelijk bewijs dat zij het rechterlijk bevel hebben nageleefd. Het proces-verbaal van uitvoering wordt eveneens opgenomen in het vergunningenregister van de gemeente. Het merendeel van de herstelmeldingen resulteert uiteindelijk in de vaststelling dat de herstelmaatregel effectief werd uitgevoerd. Nochtans blijken tal van herstelmeldingen onterecht. Veelal omdat de huidige eigenaar geen partij was bij de gerechtelijke veroordeling en/of omdat de notaris in het kader van de verkoop geen kennis heeft over de reĂŤle toestand. Daarnaast kan het herstel ook nog niet volledig uitgevoerd zijn. Dergelijke onterechte herstelmeldingen zorgen er voor dat bepaalde locaties meermaals moeten worden bezocht.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 75 van 110
Tabel 20. Het aantal processen-verbaal van (niet-)uitvoering ruimtelijke ordening in 2019.
2019 aantal processen-verbaal van uitvoering
112
aantal processen-verbaal van niet-uitvoering
41
3.1.11
Kwijtschelding dwangsommen
Sinds medio 2018 moet de inspecteur na een proces-verbaal van uitvoering nagaan of er dwangsommen verschuldigd zijn. In bevestigend geval zal de stedenbouwkundige inspecteur binnen een tijdsbestek van maximum 90 dagen ambtshalve onderzoeken of de verschuldigde dwangsommen kunnen worden gereduceerd overeenkomstig het beslissingskader dat Omgevingsinspectie in de loop van 2018 uitwerkte en gaandeweg verfijnt. De overtreder kan ook zelf via een eenvoudig of gemotiveerd verzoek vragen om dwangsommen niet of slechts gedeeltelijk in te vorderen. In het geval van een eenvoudig verzoek zal de stedenbouwkundig inspecteur binnen 90 dagen een gemotiveerd besluit nemen. Een gemotiveerd verzoek daarentegen wordt aan de Vlaamse Regering (de minister bevoegd voor Omgeving) gericht die het advies van de cluster Sanctionering en Advisering van de afdeling Handhaving en van de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering inwint. Tabel 21. Het aantal dossiers inzake kwijtschelding dwangsommen ruimtelijke ordening in 2019.
2019 ambtshalve onderzoek
29
eenvoudig verzoek
23
3.1.12
Natraject, (her-)betekeningen en lichten hypotheken
Veroordelingen en de gerechtelijke titels die, gelet op de huidige prioriteiten, nog relevant zijn, worden (her-)betekend. Er werden geen herbetekeningen van de titel geregistreerd in 2019. De kosten die verbonden zijn aan de ambtshalve uitvoering worden, samen met de invorderingskosten, gewaarborgd door een wettelijke hypotheek die zich kan uitstrekken tot alle zakelijke rechten die toebehoren aan de veroordeelde(n). Ook bij een meerwaarde kan er een wettelijke hypotheek worden gelegd om de betaling van de meerwaarde te waarborgen. Recente cassatierechtspraak temperde echter de mogelijkheid om hypotheken te vestigen. De wettelijke hypotheek kan alleen worden gebruikt in het kader van een ambtshalve uitvoering en niet voor het innen van openstaande dwangsommen. De wettelijke hypotheek strekt dan ook slechts tot zekerheid en kan bijgevolg geen drukkingsmiddel zijn. In die optiek werd in 2018 beslist om de hypotheken die niet voldoen aan voormelde voorwaarden te lichten. In 2019 lichtte de Omgevingsinspectie nog 62 hypotheken in dit kader, na deze operatie werden geen nieuwe hypotheken genomen.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 76 van 110
Tabel 22. Het aantal betekeningen en gelichte hypotheken in 2019.
2019 (opdracht) tot betekeningen
63
gelichte hypotheken
62
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 77 van 110
Het niet toegelaten stapelen van materiaal en materieel, voor (boven) en na (onder) herstel.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 78 van 110
3.2 OMGEVINGSINSPECTIE - ONROEREND ERFGOED IN CIJFERS 3.2.1
Klachten
In 2019 rapporteert Omgevingsinspectie voor het eerst over de klachten die bij AOE officieel zijn behandeld. Op een totaal van 9 klachten door derden hadden 3 meldingen betrekking op de verwaarlozing van beschermd erfgoed. AOE ontving 5 klachten over de nakende sloop of aantasting van beschermd erfgoed en 1 klacht met betrekking tot een handhavingstraject, meer bepaald een aanmaning.
3.2.2
Onderzoeken ter plaatse
In 2019 voerde Omgevingsinspectie 170 onderzoeken ter plaatse uit. Deze gebeurden in hoofdzaak nadat Omgevingsinspectie in kennis werd gesteld van een mogelijke inbreuk via melding van AOE, een klacht van een burger of een gemeente, of via een kantschrift van het parket. Omgevingsinspectie voerde ook onderzoeken ter plaatse uit naar aanleiding van persberichten, na het verkrijgen van een proces-verbaal van een andere handhavingsdienst of in het kader van actieve monitoring. Vooraleer over te gaan tot een onderzoek ter plaatse toetst Omgevingsinspectie de mogelijke overtreding af aan de prioriteiten opgenomen in het Handhavingsprogramma Onroerend Erfgoed 2015 en de prioriteiten afgesproken met de parketten, omschreven in de Omzendbrief 4/2019 van het College van Procureurs-generaal en de Vlaamse minister-president.
3.2.3
Raadgevingen
Als een verhoogd risico op een misdrijf bestaat en de overheid wordt hiervan op de hoogte gesteld, geeft AOE een raadgeving. In 2019 gaf AOE 44 raadgevingen. Deze raadgevingen hadden betrekking op 36 beschermde objecten of sites waarvan 25 monumenten, 7 stads- of dorpsgezichten, 4 cultuurhistorische landschappen. EĂŠn raadgeving kaderde in de archeologieregelgeving. Tabel 23. Het aantal raadgevingen onroerend erfgoed in 2019.
2019 aantal raadgevingen
44
Een raadgeving stelt de eigenaar in staat om spontaan actie te ondernemen zodat hij geen misdrijf begaat. Legt de eigenaar deze raad naast zich neer en er treedt schade of verwaarlozing op, dan volgt er een aanmaning.
3.2.4
Aanmaningen
De aanmaning moet de overtreder ertoe aanzetten tot herstel over te gaan en is erop gericht om degenen die in de fout gingen te begeleiden naar een wettige toestand zodat een gerechtelijke of bestuurlijke veroordeling kan worden vermeden. Tabel 24. Het aantal aanmaningen onroerend erfgoed in 2019.
2019 aantal interne aanmaningen
10
aantal externe aanmaningen
67
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 79 van 110
In 2019 gaven Omgevingsinspectie en AOE respectievelijk 10 en 67 aanmaningen. In 71 dossiers betrof het een eerste aanmaning en in 6 dossiers een tweede aanmaning. De eerste aanmaningen hadden betrekking op 58 beschermde objecten of sites waarvan 34 monumenten, 11 stads- of dorpsgezichten, 11 cultuurhistorische landschappen en 2 archeologische sites. Daarnaast kaderden 9 aanmaningen in archeologieregelgeving. De tweede aanmaningen hadden betrekking op 6 beschermde objecten of sites waarvan 3 monumenten, 1 stads- of dorpsgezicht, 1 cultuurhistorisch landschap en 1 archeologische site.
3.2.5
Verslagen van vaststelling en processen-verbaal
Om het strafrecht voor te behouden voor meer ernstige schendingen op het Onroerenderfgoed- en Varenderfgoeddecreet, maakt de regelgeving een onderscheid tussen misdrijven en inbreuken. Een inbreuk wordt vastgesteld in een verslag van vaststelling. Aangezien het Onroerenderfgoeddecreet slechts een beperkt aantal delicten kwalificeert als inbreuk, kan maar in een beperkt aantal situaties een verslag van vaststelling worden opgemaakt, wat zich vertaalt in de cijfers. Zoals in 2018 maakte Omgevingsinspectie ook in 2019 geen verslagen van vaststelling op. Een misdrijf wordt vastgesteld in een proces-verbaal. In 2019 stelden Omgevingsinspectie en de gemeentelijke politie respectievelijk 122 en 6 processen-verbaal op. De 5 aangestelde gemeentelijke verbalisanten stelden in 2019 geen processen-verbaal op. De meeste misdrijven hadden betrekking op het niet naleven van het actief en passief behoudsbeginsel en het niet naleven van de toelatings- en/of vergunningsplicht. 140 120 100 80 60 40 20 0 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 aantal processen-verbaal Figuur 11. Trend van het aantal processen-verbaal onroerend erfgoed in de periode 2006-2019.
3.2.6
Stakingsbevelen
Het stakingsbevel is gericht op het voorkomen van misdrijven of schade aan erfgoedwaarden door actieve handelingen aan het goed en heeft dus een preventieve werking. Deze maatregel kan alleen worden ingezet als reactie op een handeling die voldoet aan de materiĂŤle omschrijving van een misdrijf of inbreuk als vermeld in artikel 11.2.1 van het Onroerenderfgoeddecreet. Sinds 2015 werd het instrument aanmaning ingevoerd in de regelgeving. Via dit systeem worden regelmatig ook de staking van de werken, zij het niet afdwingbaar, bevolen. De waarschuwing opgenomen in de aanmaning, kan reeds /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 80 van 110
volstaan zodat het inzetten van het instrument stakingsbevel overbodig wordt. Dit verklaart waarom slechts een beperkt aantal stakingsbevelen werd opgelegd. 25
20
15
10
5
0 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 aantal stakingsbevelen Figuur 12. Trend van het aantal stakingsbevelen onroerend erfgoed in de periode 2006-2019.
In 2019 legde Omgevingsinspectie 4 stakingsbevelen op. Naast het staken van de handeling kunnen bijkomende maatregelen zoals de verzegeling of de inbeslagname worden opgelegd. Het nemen van dergelijke bijkomende maatregelen bleek in 2019 evenwel niet nodig.
3.2.7
Bestuurlijke maatregelen
In 2019 toetste Omgevingsinspectie verschillende dossiers af aan het in 2018 opgemaakte kader voor de mogelijke toepassing van bestuurlijke maatregelen. Uiteindelijk bleek geen enkel dossier de toets te doorstaan en Omgevingsinspectie legde bijvolg geen bestuursdwang of last onder dwangsom op in 2019.
3.2.8
Herstelvorderingen
Het Onroerenderfgoeddecreet voorziet in meerdere herstelvormen die, al dan niet gecombineerd met elkaar, kunnen worden aangewend. Dit biedt het voordeel dat een herstelmaatregel op maat van ieder dossier kan worden uitgewerkt. De inspecteur onroerend erfgoed moet bij de keuze van een herstelmaategel in principe het integraal herstel nastreven en de decretaal bepaalde toewijzingsregels in acht nemen.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 81 van 110
40 35 30 25 20 15 10 5 0 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 aantal herstelvorderingen Figuur 13. Trend van het aantal herstelvordering onroerend erfgoed in de periode 2007-2019.
In 2019 maakte Omgevingsinspectie 11 herstelvorderingen over aan het parket waarbij ze 8 keer herstel in de oorspronkelijke staat vorderde. In 4 gevallen vulde Omgevingsinspectie de vordering aan met een reconstructie of met complementaire maatregelen. Omgevingsinspectie vorderde in 1 dossier een financiĂŤle schadevergoeding omwille van het definitieve verlies aan erfgoedwaarden.
3.2.9
Minnelijke schikkingen
De minnelijke schikking zoals voorzien in het Onroerenderfgoeddecreet heeft belangrijke voordelen voor de overtreder en/of de eigenaar van een beschermd goed. Sinds de inwerkingtreding van deze regelgeving in 2015 raakte Omgevingsinspectie alsmaar meer vertrouwd met dit middel en zette ze hier in 2019 ook bewust op in. In meerdere dossiers stelde Omgevingsinspectie aan de betrokken partijen voor om een onderhandeling via minnelijke schikking in overweging te nemen. Het gaat grotendeels over dossiers waar de gerechtelijke procedure werd gestart en/of kandidaat-kopers zich hadden aangediend. Na akkoord nodigt Omgevingsinspectie alle betrokken partijen, waaronder de houders van het zakelijk recht, kandidaat-kopers, gemachtigd ambtenaar minnelijke schikking en erfgoedconsulenten van AOE, uit voor een overleg. In 2019 sloot Omgevingsinspectie 6 minnelijke schikkingen af voor dossiers gelegen te Meise, Leuven, Diepenbeek, Vosselaar, Puurs en Maldegem. Gesprekken voor 5 andere dossiers leidden niet tot een onderhandeling met resultaat en voor 9 dossiers zijn de onderhandelingen nog lopende. In 1 dossier werd niet op het aanbod ingegaan. Tabel 25. Het aantal minnelijke schikkingen onroerend erfgoed in 2019.
statuut minnelijke schikking
aantal dossiers
niet op aanbod ingegaan door betrokkene
1
afgesloten
6
hangende dossiers
9
zonder resultaat
5
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 82 van 110
Naar aanleiding van de uitvoering van een minnelijke schikking werd één certificaat afgeleverd. Dit document bevestigt de correcte uitvoering van de minnelijke schikking, met inbegrip van de betaling van de verschuldigde bedragen. Gelet op het aantal afgesloten minnelijke schikkingen en nog lopende onderhandelingen in 2019, lijkt het leerproces van de minnelijke schikking te evolueren naar een gangbare praktijk. Hoewel het een arbeidsintensief proces betreft, levert het instrument een belangrijk bijdrage om het verwaarloosd beschermd erfgoedpatrimonium in Vlaanderen in ere te herstellen en te behouden.
3.2.10 Processen-verbaal van (niet-)uitvoering Omgevingsinspectie ontving 4 maal een melding van een overtreder dat de bevolen herstelmaatregelen zoals bepaald in het vonnis of arrest, waren uitgevoerd. Na ontvangst van de melding voert de inspecteur onroerend erfgoed steeds een controle ter plaatse uit om na te gaan of de werken daadwerkelijk zijn uitgevoerd. Dit leidde in 2019 tot 2 processen-verbaal van uitvoering en 2 processen-verbaal van nietuitvoering. Tabel 26. Het aantal processen-verbaal van (niet-)uitvoering onroerend erfgoed in 2019.
2019 aantal processen-verbaal van uitvoering
2
aantal processen-verbaal van niet-uitvoering
2
3.2.11
Exclusieve en alternatieve bestuurlijke boetes
Alle dossiers worden steeds gescreend op mogelijke toepassing van bestuurlijke boetes. De exclusieve boete is zeer beperkt in haar mogelijkheden en kan door de inspecteur onroerend erfgoed alleen worden toegepast naar aanleiding van handelingen of nalatigheden in het kader van informatieplichten en naar aanleiding van een aantal bepalingen inzake archeologie. Ook het toepassingsgebied van de alternatieve bestuurlijke boete is beperkt tot het doorbreken van een stakingsbevel en het overtreden van een aantal bepalingen inzake metaaldetectie. In 2019 legde de Omgevingsinspectie geen exclusieve of alternatieve bestuurlijke boete op.
3.2.12 Terugvordering premies De terugvorderingsprocedure die Omgevingsinspectie eind 2016 initieerde in één dossier, kreeg in 2017 verder vorm met de dagvaarding voor de rechtbank tot terugvordering van de erfgoedpremies (2 maal 651.630.84 euro). Op 26 februari 2018 velde de rechtbank een tussenvonnis. De rechtbank wijst de middelen van tegenpartij grotendeels af, maar wil wel meer verduidelijking over de omvang van de terug te betalen erfgoedpremie. De tegenpartij tekende beroep aan en een uitspraak wordt verwacht in maart 2020.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 83 van 110
Overslagkade waar o.a. schroot wordt geladen en gelost.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 84 van 110
3.3 OMGEVINGSINSPECTIE - MILIEU IN CIJFERS In dit hoofdstuk stelt Omgevingsinspectie voor het domein milieu haar activiteiten voor aan de hand van een aantal cijfers. Omgevingsinspectie verzamelt haar gegevens van bedrijven in een databank. Deze gegevens zonder meer geven nooit een volledig beeld van de activiteiten van de afdeling maar kunnen in een aantal gevallen wel een goede aanwijzing zijn voor tendensen of evoluties. Deze cijfers geven ook basisinformatie voor de planning en evaluatie van het domein milieu in het omgevingshandhavingsplan van Omgevingsinspectie.
3.3.1
Klachten
Omgevingsinspectie ontvangt elk jaar heel wat milieuklachten. Niet alle milieuklachten hiervan zijn voor Omgevingsinspectie bestemd. Milieuklachten over klasse 1-inrichtingen worden door Omgevingsinspectie behandeld, evenals milieuklachten over klasse 2- en klasse 3-inrichtingen die zware hinder veroorzaken. Tabel 27. Ontvangen milieuklachten in 2019.
type inrichting
aantal klachten
aantal betrokken bedrijven of locaties
klasse 1-inrichting
4.121
693
klasse 2-inrichting
175
104
klasse 3-inrichting
30
24
niet-ingedeelde inrichting
258
124
4.584
945
totaal 5000 4500 4000 3500 3000 2500 2000 1500 1000 500 0 2013
2014 klasse 1
2015 klasse 2
2016 klasse 3
2017
2018
2019
niet-ingedeelde inrichting
Figuur 14. Trend van het aantal ontvangen milieuklachten in de periode 2013-2019.
Het aantal milieuklachten dat Omgevingsinspectie ontvangt, nam de afgelopen jaren significant toe. Vooral het aantal milieuklachten over geur, geluid, exploitatie, lozing en veiligheid kent een stijgende trend. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 85 van 110
Tabel 28. Aantal ontvangen klachten per milieuthema in de periode 2017-2019.
aantal klachten * 2017
aantal klachten * 2018
aantal klachten * 2019
geur
1.960
1.744
2.602
geluid
607
622
758
exploitatie
498
569
810
lucht
239
279
269
afval
117
130
140
lozing
278
332
402
bodem en grondwater
50
59
56
mest
24
53
33
veiligheid
26
15
48
licht
42
39
32
2.985
3.842
5.150
milieuthema
totaal
(*) een klacht kan handelen over meer dan ĂŠĂŠn milieucompartiment
geur
geluid
exploitatie
lucht
afval
lozing
bodem en grondwater
mest
veiligheid
licht Figuur 15. Aandeel van de ontvangen klachten per milieuthema in 2019.
3.3.2
Voorvallen
Alle exploitanten hebben bij de uitbating van hun inrichting de plicht alle nodige maatregelen te treffen om de buurt te beschermen tegen de risico’s voor en de gevolgen van voorvallen. Dat betekent onder andere dat zij de noodzakelijke interventiemiddelen moeten voorzien. Bij hinder, schade of gevaar daartoe moeten ze onmiddellijk alle nodige maatregelen treffen om die toestand te verhelpen. Eventueel opgetreden verontreiniging moeten zij op verantwoorde wijze ongedaan maken. Ondanks alle mogelijke preventieve maatregelen gebeuren er echter nog steeds onvoorziene emissies die tot hinder kunnen /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 86 van 110
leiden. Soms escaleren deze voorvallen in die mate dat ze schade berokkenen aan de mensen of het milieu in de omgeving van de inrichting. Naast deze zorgplicht rust er ook een meldingsplicht op de exploitanten: ze moeten de voorvallen en de genomen maatregelen melden bij de burgemeester en Omgevingsinspectie. Wanneer er een voorval plaatsvond, zal Omgevingsinspectie, als dat relevant is, er zich van vergewissen of de exploitant inderdaad de nodige gevolgbeperkende maatregelen trof. Ook als zuiveringstechnische voorzieningen uitvallen en als emissie- of immissienormen worden overschreden, moet Omgevingsinspectie op de hoogte worden gebracht. Tabel 29. Aantal meldingen van voorvallen in 2019.
2019 aantal meldingen van voorvallen
3.3.3
1.528
Controles ter plaatse
Controles op het terrein vormen de basis van het toezicht. Naast routinecontroles voert Omgevingsinspectie een groot deel van de controles uit in het kader van een gecoördineerd handhavingsinitiatief, na klachten of als voortgangscontrole van een eerder optreden. Een deel van de controles voert Omgevingsinspectie uit tijdens de normale werkuren, maar aanvullend controleert zij ook ’s avonds, ’s nachts en tijdens het weekend aangezien milieuvervuiling geen “nine to five”aangelegenheid is. Het aantal uitgevoerde controles ter plaatse en gecontroleerde inrichtingen blijft de afgelopen jaren nagenoeg constant. Tabel 30. Het aantal uitgevoerde controles ter plaatse en gecontroleerde inrichtingen in 2019.
2019 aantal uitgevoerde controles ter plaatse
10.804
- tijdens de diensturen
6.268
- ’s avonds
2.565
- ’s ochtends / ’s nachts
1.259
- weekend / feestdagen
712
aantal gecontroleerde inrichtingen
4.080
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 87 van 110
14000 12000 10000 8000 6000 4000 2000 0 2013
2014
2015
aantal uitgevoerde controles ter plaatse
2016
2017
2018
2019
aantal gecontroleerde inrichtingen
Figuur 16. Het aantal uitgevoerde controles ter plaatse en gecontroleerde inrichtingen in de periode 2013-2019.
3.3.4
Monsternames en metingen
Een milieutoezichthouder kan veel vaststellen met de eigen zintuigen maar dikwijls is het toch noodzakelijk om monsters te nemen voor een correcte en volledige technische vaststelling of om de juiste graad van verontreiniging of niet-conformiteit met de regelgeving te bepalen. Ook in 2019 nam Omgevingsinspectie heel wat monsters. Rekening houdend met het feit dat elk monster geanalyseerd wordt op verschillende parameters, betekent dit dat Omgevingsinspectie vele duizenden analyses liet uitvoeren. Tabel 31. Het aantal monsternames in 2019.
type monsters afval
2019 454
bodem
4
grondwater
0
water
1.392
Sinds 2007 hanteert Omgevingsinspectie een richtfrequentietabel waarin ze vastlegt waar en hoe dikwijls ze afvalstoffen bemonstert, rekening houdend met de beschikbare personele en budgettaire middelen van de afdeling. Deze planning omvat bemonsteringen bij afvalproducerende en afvalverwerkende bedrijven en bij producenten van grondstoffen uit afvalstoffen. Een gedeelte van het budget is voorbehouden voor de bemonstering en analyse van afvalstoffen in niet-geplande situaties. Omgevingsinspectie stelt ieder jaar een planning op voor de in het volgend jaar uit te voeren afvalwatercontroles. Daartoe werkt Omgevingsinspectie met een basisfrequentie, de minimale frequentie waarmee ze een inrichting controleert. De basisfrequentie is afhankelijk van het geloosde debiet, de bestemming van de lozing (riool of oppervlaktewater) en het al dan niet aanwezig zijn van gevaarlijke /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 88 van 110
stoffen in het effluent. De basisfrequentie kan Omgevingsinspectie aanpassen in functie van de voorgeschiedenis van de inrichting en de beschikbare personele en budgettaire middelen bij de afdeling. Tabel 32. Detail van het aantal afvalwatercontroles in 2019.
2019 aantal gecontroleerde inrichtingen
702
- met steekproef
566
- met uitgebreide controle
129
aantal monsters
1.392
Net zoals monsternames zijn ook metingen noodzakelijk om een efficiĂŤnte controle mogelijk te maken of om de juiste graad van verontreiniging of overtreding te bepalen. Tabel 33 geeft een overzicht van het aantal uitgevoerde lucht- en geluidsmetingen in 2019. Tabel 33. Het aantal routinemetingen in 2019.
type meting
2019
aantal luchtmetingen
200
aantal geluidsmetingen
3.3.5
47
Raadgevingen en aanmaningen
Als de milieutoezichthouder bij een controle geen overtreding vaststelt maar aanwijzingen heeft dat er in de toekomst wel een overtreding kan ontstaan, bijvoorbeeld omdat nieuwe of aangepaste wetgeving in voege zal treden of omdat de milieutoezichthouder vanuit eigen expertise oordeelt dat installaties zouden kunnen falen, dan kan hij een raadgeving aan de exploitant versturen om ervoor te zorgen dat conformiteit met de wetgeving continu wordt verzekerd. Stelt de milieutoezichthouder evenwel overtredingen vast, dan maant hij de exploitant steeds aan om de toestand te saneren en om alle toepasselijke bepalingen in wetten, decreten, besluiten en vergunningen na te leven. Veelal volstaat een aanmaning om te komen tot de nodige saneringen. Een aanmaning bestaat in de meeste gevallen uit verschillende deelaanmaningen met een eigen deadline. Pas wanneer alle deelaanmaningen zijn uitgevoerd, registreert de milieutoezichthouder dat de sanering is uitgevoerd. Tabel 34. Aantal raadgevingen en aanmaningen milieu in 2019.
type instrument
2019
aantal raadgevingen
158
aantal aanmaningen zonder proces-verbaal
459
aantal aanmaningen bij proces-verbaal
575
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 89 van 110
3.3.6
Verslagen van vaststelling en processen-verbaal
Het verslag van vaststelling is een handhavingsinstrument dat samen met de inwerkingtreding van het Milieuhandhavingsdecreet op 1 mei 2009 werd geïmplementeerd. Gedragingen die als milieu-inbreuk worden gekwalificeerd, zijn sindsdien niet langer strafbaar. Het verslag van vaststelling is het instrument om milieu-inbreuken te melden, zodat ze vervolgens uitsluitend bestuurlijk kunnen worden gesanctioneerd. De milieutoezichthouder beschikt hierbij over een discretionaire bevoegdheid en kan dus zelf oordelen over de wenselijkheid van dit instrument. In 2019 stelde Omgevingsinspectie 1 verslag van vaststelling op. Een milieutoezichthouder kan een aanvankelijk proces-verbaal opstellen na de vaststelling van een milieumisdrijf en verstuurt dit naar de procureur des Konings. In één proces-verbaal kan een milieutoezichthouder verschillende schendingen opnemen. Op basis van de ‘Prioriteitennota vervolgingsbeleid milieurecht in het Vlaams gewest’, die op 18 maart 2013 werd ondertekend door de Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu en de Federale minister bevoegd voor Justitie, kan Omgevingsinspectie in een proces-verbaal melding maken van het prioritaire karakter van een overtreding volgens de criteria die in de prioriteitennota zijn opgenomen. Het aantal aanvankelijke processen-verbaal vertoont de afgelopen jaren een stijgende trend en dit in tegenstelling tot het aantal gecontroleerde inrichtingen. De afgelopen jaren investeerde Omgevingsinspectie dan ook hard in een risicogebaseerde benadering, een aanpak die duidelijk vruchten afwerpt. Naast de aanvankelijke processen-verbaal stellen de milieutoezichthouders ook heel wat navolgende processen-verbaal op. Daarmee bezorgen zij aanvullende inlichtingen over een aanvankelijk procesverbaal aan de procureur des Konings. Dat gebeurt op eigen initiatief of na een verzoek van het parket. Meer concreet verstrekt de milieutoezichthouder aan de procureur des Konings gegevens over de bestuurlijke voortgangscontroles, bezorgt hij de verklaring van de vermoedelijke overtreder, meldt hij dat opnieuw feiten werden vastgesteld of deelt hij mee dat de inrichting na een aanmaning aan alle voorschriften voldoet. Tabel 35. Aantal opgestelde verslagen van vaststelling en processen-verbaal milieu in 2019.
type proces-verbaal verslagen van vaststelling
aantal 1
aanvankelijke processen-verbaal
575
navolgende processen-verbaal
258
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 90 van 110
700 600 500 400 300 200 100 0 2013
2014
2015
2016
aantal aanvankelijke processen-verbaal
2017
2018
2019
aantal navolgende processen-verbaal
Figuur 17. Het aantal aanvankelijke en navolgende processen-verbaal de periode 2013-2019.
200 180 160 140 120 100 80 60 40 20 0 lucht
water
bodem
geluid
mest
afval
vergunningen combinatie
aantal processen-verbaal Figuur 18. Het aantal aanvankelijke processen-verbaal per milieuthema in 2019.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 91 van 110
6 000
18% 16%
5 000 14% 4 000
12% 10%
3 000 8% 2 000
6% 4%
1 000 2% 0
0% 2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
aantal gecontroleerde inrichtingen aantal aanvankelijke processen-verbaal verhouding aantal aanvankelijk processen-verbaal t.o.v. aantal gecontroleerde inrichtingen Figuur 19. De verhouding van het aantal aanvankelijke processen-verbaal ten opzichte van het aantal gecontroleerde inrichtingen in de periode 2013-2019.
3.3.7
Bestuurlijke maatregelen
Sinds de inwerkingtreding van het Milieuhandhavingsdecreet in 2009 kunnen de milieutoezichthouders bestuurlijke maatregelen opleggen wanneer zij een milieumisdrijf of een milieu-inbreuk vaststellen. Tabel 36. Aantal opgelegde bestuurlijke maatregelen in 2019.
type bestuurlijke maatregel
2019
aantal bevelen tot staking
8
aantal bevelen tot regularisatie
10
aantal keer opgelegde bestuursdwang
1
combinatie van bovenstaande bestuurlijke maatregelen
5
totaal
24
aantal bestuurlijke maatregelen gekoppeld aan dwangsom
9
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 92 van 110
40 35 30 25 20 15 10 5 0 2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
combinatie van bovenstaande bestuurlijke maatregelen bestuursdwang bevel tot regularisatie bevel tot staking Figuur 20. Aantal opgelegde bestuurlijke maatregelen in de periode 2013-2019.
3.3.8
Veiligheidsmaatregelen
Veiligheidsmaatregelen zijn maatregelen waarbij de milieutoezichthouder alle handelingen kan stellen of opleggen die hij onder de gegeven omstandigheden nodig acht om een aanzienlijk risico voor mens of milieu uit te schakelen, tot een aanvaardbaar niveau in te perken of te stabiliseren. In 2019 hoefde Omgevingsinspectie geen veiligheidsmaatregelen te treffen.
3.3.9
Milieucrisismanagement
De crisismanager van het Departement Omgeving behoort tot de afdeling Handhaving en staat in voor de coรถrdinatie en opvolging van het crisisbeheer bij milieu-incidenten en het beleid daarrond. In 2019 deden zich de volgende milieu-incidenten voor: - mei 2019: brand in een groentenverwerkend bedrijf in Bavikhove, - juni 2019: brand in een afvalverwerkend bedrijf Kampenhout, - juni 2019: asbestvrijzetting op een stortplaats in Boom, - juli 2019: sluikstort van afvalstoffen in grachten in de omgeving van een drugslabo in Diksmuide, - september 2019: lozing van vervuild grondwater in de Schelde bij een metaalverwerkend bedrijf in Hoboken, - november 2019: gasontploffing bij een biovergister in Merksplas, - december 2019: scheur in mestzak met lozing van digestaat in grachten rond een biovergister in Geel.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 93 van 110
Schending die bestaat uit het gebruik van een serre als stalplaats voor voer- en vaartuigen. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 94 van 110
3.4 ADVISERING EN BEBOETING IN CIJFERS 3.4.1
Bestuurlijke sanctionering
De opdracht van de cluster Sanctionering en Advisering (CSA) van de afdeling Handhaving onderscheidt zich nadrukkelijk van de opdracht van de cluster Omgevingsinspectie. CSA is, in haar rol van gewestelijke beboetingsentiteit, verantwoordelijk voor de bestuurlijke sanctionering van nagenoeg de volledige omgevingsregelgeving (milieubeheer, milieuhygiĂŤne en ruimtelijke ordening). Zij ontvangt processenverbaal en verslagen van vaststelling van verschillende handhavingsactoren en kan exclusieve of alternatieve geldboeten opleggen (eventueel met voordeelontneming) voor omgevingsinbreuken respectievelijk -misdrijven. Beroepen tegen bestuurlijke geldboeten worden beoordeeld door het Handhavingscollege. Een bestuurlijke geldboete is een sanctie waarbij de overtreder wordt verplicht een geldsom te betalen. De geldboete kan de vorm aannemen van: - een alternatieve bestuurlijke geldboete voor omgevingsmisdrijven, - een exclusieve bestuurlijke geldboete voor omgevingsinbreuken. Omgevingsinbreuken kunnen alleen bestuurlijk worden beboet terwijl omgevingsmisdrijven strafrechtelijk kunnen worden vervolgd. Als de procureur des Koning beslist om dat niet te doen, kan er een bestuurlijke geldboete worden opgelegd. In 2019 werd de afstemming tussen strafrechtelijke en bestuursrechtelijke sanctionering verder uitgewerkt in de Omzendbrief 4/2019 van het College van Procureurs-generaal en de Vlaamse ministerpresident. Hierin worden de (omgevings)misdrijven opgelijst die prioritair strafrechtelijk worden vervolgd. Naast deze Omzendbrief blijft voorlopig de sorteernota van het Openbaar Ministerie van kracht. Deze heeft als doel om te bepalen welke dossiers de parketten zelf zullen behandelen en welke dossiers zij zullen overmaken aan de gewestelijke beboetingsentiteit. Op die manier kan iedere procesverbaal een passend gevolg krijgen. De parketten sturen ongeveer de helft van alle milieumisdrijven door voor bestuurlijke beboeting. De regelgeving voorziet dat de alternatieve bestuurlijke geldboete maximaal 2.000.000 euro en de exclusieve bestuurlijke geldboete maximaal 400.000 euro kan bedragen. Samen met een bestuurlijke geldboete kan ook een voordeelontneming worden opgelegd voor milieumisdrijven en -inbreuken. Dit is een sanctie waarbij de overtreder wordt verplicht een al dan niet geschat bedrag te betalen ter waarde van het (bruto)vermogensvoordeel dat uit de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf werd verkregen. Wanneer de gewestelijke beboetingsentiteit van mening is dat het onmiskenbaar vaststaat dat de overtreder de inbreuk of het misdrijf heeft gepleegd, kan de gewestelijke beboetingsentiteit aan de overtreder een voorstel tot betaling van een geldsom doen. Dit voorstel wordt de bestuurlijke transactie genoemd en kan worden vergeleken met een minnelijke schikking in het strafrecht. De gewestelijke beboetingsentiteit beschikt over dit instrument vanaf 2012. Doorheen de jaren heeft ze de toepassing van het instrument verder uitgebreid en zal ze hierop de komende jaren ook blijven inzetten. Voor stedenbouwschendingen heeft de gewestelijke beboetingsentiteit de mogelijkheid gekregen om een sepotbeleid uit te bouwen. Ze zal omwille van opportuniteitsredenen seponeren in de volgende gevallen: - indien de overtreder tot herstel, verenigbaar met de bestaande goede ruimtelijke ordening, of regularisatie is overgegaan of een planologische oplossing heeft bekomen op het ogenblik dat de /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 95 van 110
gewestelijke beboetingsentiteit de beslissing van de procureur des Konings tot niet-strafrechtelijke behandeling ontvangt; - indien de schending niet prioritair is voor het gewestelijke of het lokale niveau. Ze zal toch niet seponeren indien voorliggende gevallen uitzonderlijk toch behandeling vragen omwille van de impact op de ruimtelijke ordening, de maatschappelijke relevantie of de omvang en de duur van de feiten. Principieel zal de gewestelijke beboetingsentiteit een schending als prioritair aanmerken indien het proces-verbaal of verslag van vaststelling dit uitdrukkelijk vermeldt. Dit moet worden gemotiveerd door een algemeen beleidsdocument van het gewestelijke of lokale niveau waarin de desbetreffende prioriteit is opgenomen. Ter ondersteuning van de lokale besturen heeft de gewestelijke beboetingsentiteit allerlei tools aangeboden om tot lokale handhavingsprioriteiten te komen. Momenteel heeft de gewestelijke beboetingsentiteit echter nog maar van een 30-tal gemeenten en steden hun handhavingsprioriteiten ogen ontvangen. De helft van de opportuniteitssepots betrof het niet aanwezig zijn van een lokale handhavingsprioriteit. De schendingen die gepleegd worden door professionelen of recidivisten, seponeert de gewestelijke beboetingsentiteit in de regel niet vermits een bestraffend signaal nodig is. Daarnaast behandelt de gewestelijke beboetingsentiteit ook de boetedossiers inzake doorbreking van een stakingsbevel prioritair om een duidelijk signaal te geven. De gewestelijke beboetingsentiteit kent een dossierinstroom via twee wegen: omgevingsmisdrijven via de parketten en omgevingsinbreuken rechtstreeks via de verbalisanten.
3.4.1.1
Dossierinstroom via parketten
De gewestelijke beboetingsentiteit ontving in 2019 van de parketten 2.540 beslissingsfiches waarbij de procureur des Konings beslist heeft om het dossier niet strafrechtelijk te behandelen. De parketten bezorgen deze processen-verbaal dus aan de gewestelijke beboetingsentiteit met het oog op bestuurlijke beboeting. Tabel 377 geeft een overzicht van deze dossierinstroom per parket. Tabel 37. Dossierinstroom via parketten in 2019.
parket Antwerpen
dossierinstroom in 2019* 486
Brugge
5
Brussel
2
Dendermonde
25
Gent
778
Halle-Vilvoorde
218
Hasselt
202
Kortrijk
612
Leuven
101
Mechelen
1
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 96 van 110
Oudenaarde
1
Tongeren
97
Turnhout
12
totaal
2.540
(*) Het toepassen van parketsamenwerkingsverbanden verklaart de uiteenlopende cijfers.
Binnen de parketten bestaan er parketsamenwerkingsverbanden waarbij omgevingsmisdrijven worden gebundeld bij referentieparketten. Zo hebben Antwerpen, Gent en Kortrijk bijvoorbeeld een parketsamenwerkingsverband voor de behandeling van de omgevingsdossiers. Binnen de omgevingsregelgeving zijn er verschillende verbalisanten bevoegd om vaststellingen te doen, en dit op de drie overheidsniveaus. Tabel 388 en Tabel 399 geven een overzicht van de dossierinstroom via de parketten respectievelijk per handhavingsactor en per thema. Tabel 38. Dossierinstroom via parketten per handhavingsactor in 2019.
handhavingsactor
dossierinstroom via parketten in 2019*
afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -Projecten
11
afdeling Handhaving, Omgevingsinspectie
415
ANB
251
AWV
192
bijzondere veldwachter
75
intercommunales
22
steden en gemeenten
241
federale politie
29
lokale politie
1.129
OVAM
6
Orde van Architecten
3
provincies
1
VLM, Mestbank
165
totaal
2.540
( ) Het toepassen van parketsamenwerkingsverbanden verklaart de uiteenlopende cijfers. *
Tabel 39. Dossierinstroom via parketten per thema in 2019.
thema
dossierinstroom via parketten in 2019
milieubeheer
349
afval
962
lucht, water, bodem, geluid, grondwater, licht
336
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 97 van 110
mest
171
vergunningen (afkoppeling, asbest, koelinstallaties, stooktoestellen)
438
ruimtelijke ordening (VCRO)
284
totaal
2.540
Sinds 1 maart 2018 is de gewestelijke beboetingsentiteit ook bevoegd voor het bestuurlijke beboeten van schendingen inzake ruimtelijke ordening. Ze is alleen bevoegd voor schendingen die gepleegd werden na de inwerkingtreding van het decreet betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning (op 1 maart 2018). De gewestelijk beboetingsentiteit verwacht een stijging van het aantal doorgestuurde processen-verbaal inzake stedenbouwkundige misdrijven zoals bij milieumisdrijven. Momenteel maken de parketten slechts een fractie van processen-verbaal inzake ruimtelijke ordening (jaarlijks tussen de 2.000 en 3.000) door naar de gewestelijke beboetingsentiteit.
3.4.1.2
Dossierinstroom via verbalisanten
Tabel 40 geeft een overzicht van de dossierinstroom via verbalisanten. De verbalisanten stelden een verslag van vaststelling op en bezorgden deze aan de gewestelijke beboetingsentiteit met het oog op bestuurlijke beboeting. Tabel 40. Dossierinstroom via verbalisanten per handhavingsactor in 2019.
handhavingsactor
dossierinstroom via verbalisanten in 2019
afdeling Handhaving, Omgevingsinspectie
2
ANB
196
steden en gemeenten
3
lokale politie
42
OVAM
73
VLM, Mestbank
1
totaal
317
Ongeveer 85% van de vaststellingen van omgevingsinbreuken gebeurt op gewestelijk niveau. Dit cijfer is nog een overschatting omdat heel wat inbreuken niet worden opgenomen in een verslag van vaststelling maar mee deel uitmaken van een proces-verbaal, en deze inbreuken zijn niet opgenomen in bovenstaande cijfers. Tabel 41. Dossierinstroom via verbalisanten per thema in 2019.
thema
dossierinstroom via verbalisanten in 2019
milieubeheer
230
afval
55
lucht, water, bodem, geluid, grondwater, licht
23
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 98 van 110
mest
0
vergunningen (afkoppeling, asbest, koelinstallaties, stooktoestellen)
6
ruimtelijke ordening (VCRO)
3
totaal
3.4.1.3
317
Totale dossierinstroom
In 2019 ontving de gewestelijke beboetingsentiteit in het totaal 2.857 dossiers die een proces-verbaal of verslag van vaststelling inhouden. Dit betekent een stijging van de dossierinstroom van 18,5% ten opzichte van 2018 waarin de gewestelijke beboetingsentiteit 2.409 dossiers ontving. Tabel 42. Totale dossierinstroom per thema in 2019.
thema
dossierinstroom via verbalisanten in 2019
milieubeheer
579
afval
1.017
lucht, water, bodem, geluid, grondwater, licht
359
mest
171
vergunningen (afkoppeling, asbest, koelinstallaties, stooktoestellen)
444
ruimtelijke ordening (VCRO)
287
totaal
3.4.1.4
2.857
Uitstroom van boetebeslissingen
In 2019 jaar behandelde de gewestelijke beboetingsentiteit 2.955 dossiers in het kader van een bestuurlijke geldboete. Ze besliste hierbij om 219 keer geen geldboete op te leggen. Tabel 43. Aantal beslissingen genomen in het kader van de alternatieve bestuurlijke beboeting in 2019.
type beslissing
aantal in 2019
ontvangen processen-verbaal en verslagen van vaststelling
2.857
behandelde/afgehandelde dossiers in het kader van bestuurlijke beboeting
2.955
beslissing hield een geldboete in
1.081
beslissing hield een geldboete met (gedeeltelijk) uitstel in (conform artikel 16,4,29, ยง 2 DABM - nieuwe modaliteit sinds 12/07/2019)
8
beslissing hield een bestuurlijke transactie in (die ook werd betaald)
1.356
beslissing hield een sepot in
291
beslissing hield geen geldboete in
219
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 99 van 110
De gewestelijke beboetingsentiteit kan meerdere geldboetes opleggen die voorvloeien uit één procesverbaal of verslag van vaststelling. Zo heeft bijvoorbeeld zowel de bouwheer, aannemer, architect als eigenaar van een onroerend goed een verantwoordelijkheid dat er geen schendingen inzake ruimtelijke ordening worden gepleegd. Voor milieumisdrijven moet de gewestelijke beboetingentiteit steeds de beboetingsprocedure opstarten na ontvangst van het dossier van het parket (geen mogelijkheid tot opportuniteitssepot). Daarentegen voorziet de regelgeving dat de gewestelijke beboetingsentiteit tot een opportuniteitssepot kan overgaan bij stedenbouwschendingen en voor omgevingsinbreuken. De gewestelijke beboetingsentiteit ging in 116 dossiers over tot een opportuniteitssepot in het kader van de stedenbouwdossiers. Ze kan dit doen omdat enerzijds het geen lokale handhavingsprioriteit betrof (49% van de gevallen) en anderzijds de feiten geregulariseerd waren alvorens het dossier voor bestuurlijke beboeting werd overgemaakt door het parket (51% van de gevallen). De rest van de sepots betroffen technische sepots: - geen misdrijf/inbreuk of onvoldoende vaststaand in hoofde van de overtreder (57%); - temporele werking (feiten gepleegd vóór 1 maart 2018) (36%); - onbekende dader/faillissement/parket te laat beslist (7%). De gewestelijke beboetingsentiteit zet verder in op het instrument van de bestuurlijke transactie. In 2019 startte de gewestelijke beboetingentiteit 2.026 van de 2.960 boeteprocedures op met een bestuurlijke transactie. Dit wil zeggen dat de gewestelijke beboetingentiteit voor 68% van de dossiers de overtreder vooreerst de mogelijkheid gaf om het dossier af te handelen via een bestuurlijke transactie. Of een dossier in aanmerking komt voor een bestuurlijke transactie, hangt af van het thema. De bestuurlijke transactie wordt in veel gevallen gevolgd wat dit instrument succesvol maakt om aan omgevingsschendingen een gepast gevolg te geven. Van de bestuurlijke transacties die in 2019 moesten worden betaald, gebeurde dit ook effectief in 72% van de dossiers. Tabel 44. Het aantal dossiers dat in aanmerking voor een bestuurlijke transactie per thema in 2019.
aantal dossiers dat in aanmerking komt voor bestuurlijke transactie
thema milieubeheer
75%
afval
68%
lucht, water, bodem, geluid, grondwater, licht
57%
mest
86%
vergunningen (afkoppeling, asbest, koelinstallaties, stooktoestellen)
52%
ruimtelijke ordening (VCRO)
77%
Tabel 45. Het aantal betalingen per thema in 2019.
thema
aantal dossiers met (tijdige) betaling van de bestuurlijke transactie
milieubeheer
73%
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 100 van 110
afval
61%
lucht, water, bodem, geluid, grondwater, licht
77%
mest
71%
vergunningen (afkoppeling, asbest, koelinstallaties, stooktoestellen)
72%
ruimtelijke ordening (VCRO)
71%
Tabel 466 geeft een overzicht van de in 2019 betaalde bestuurlijke transacties. Een deel van deze bestuurlijke transacties is reeds voorgesteld in 2018, er geldt immers een betalingstermijn van drie maanden waarna ook nog een afbetalingsplan gemotiveerd kan worden aangevraagd. Tabel 46. Bestuurlijke transacties, per thema, betaald in 2019.
aantal
minimum bedrag (€)
maximum bedrag (€)
gemiddeld bedrag (€)
mediaan bedrag (€)
milieubeheer
311
33
3.600
420
100
afval
540
25
2.925
200
150
lucht, water, bodem, geluid, grondwater, licht
148
50
8.400
1.630
900
mest
115
125
3.675
816
600
vergunningen (afkoppeling, asbest, koelinstallaties, stooktoestellen)
116
130
7.400
1.525
1.500
ruimtelijke ordening (VCRO)
126
120
4.000
875
630
thema
Tabel 477 geeft een overzicht van de in 2019 opgelegde bestuurlijke geldboetes. Deze tabel toont aan dat de gewestelijke beboetingsentiteit een grote waaier aan omgevingsschendingen bestuurlijk beboet: - Milieubeheer: dit kan gaan van het niet aanlijnen van een hond in natuurgebied tot grote ontbossingen of het vernietigen van kleine landschapselementen; - Afval: dit kan gaan van het achterlaten van zwerfvuil of verbranden van snoeiafval tot illegale internationale afvaltransporten waarvoor een uitvoerverbod geldt; - Emissies: dit kan gaan van het lozen van bedrijfsafvalwater met verontreinigende stoffen, over het uitstoten van dioxines en furanen via houtverbranding, over het veroorzaken van geluidshinder door horeca-aangelegenheden; - Vergunningen: dit kan gaan van geen periodieke keuring van een mazouttank tot het onvergund exploiteren van een afvalverwerkend bedrijf, tot de illegale uitstoot van broeikasgassen; - Mest: dit kan gaan van het opbrengen van meststoffen op zondag tot grotere mestlozingen in oppervlaktewateren; - Ruimtelijke ordening: dit kan gaan over het plaatsen van een afsluiting in de voortuin tot het wederrechtelijk bouwen van een woning in natuurgebied. Tabel 47. Bestuurlijke geldboetes, per thema, opgelegd in 2019.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 101 van 110
aantal
minimum bedrag (€)
maximum bedrag (€)
gemiddeld bedrag (€)
mediaan bedrag (€)
milieubeheer
323
50
26.954
1.150
400
afval
347
56
2.581
305
250
lucht, water, bodem, geluid, grondwater, licht
144
68
15.006
2.385
1.575
mest
63
166
9.703
1.160
725
vergunningen (afkoppeling, asbest, koelinstallaties, stooktoestellen)
140
160
17.102
2.225
1.500
ruimtelijke ordening (VCRO)
72
90
9.063
2.385
1.500
1.089
50
26.954
1.265
500
thema
totaal
Naast deze geldboetes heeft de gewestelijke beboetingsentiteit ook in 49 gevallen een voordeelontneming opgelegd. In 2019 bedroeg het gemiddelde bedrag van een voordeelontneming 3.192 euro en bedroeg de mediaan 300 euro, met een minimum van 11 euro voor het niet aanschaffen van een klein visverlof tot 79.307 euro voor het wederrechtelijk oppompen van grondwater.
3.4.1.5
Beroepen tegen boetebeslissing
Tegen deze bestuurlijke geldboetes kan de overtreder een beroep indienen bij het Handhavingscollege, een onafhankelijk rechtscollege. In 2019 legde de gewestelijke beboetingsentiteit 1.089 geldboetes op. Voor 61 dossiers inzake milieu en 13 dossiers inzake ruimtelijke ordening ontving CSA bericht dat de overtreder een beroep bij het Handhavingscollege instelde. In 2019 sprak het Handhavingscollege 48 arresten inzake milieu uit. In 28 arresten (58%) verwierp het college het beroep (onontvankelijk of ongegrond), in 6 arresten (12%) verminderde het college het boetebedrag en in 7 arresten (14%) verwierp het college de boetebeslissing volledig. De overige arresten (16%) hadden betrekking op kennelijke onontvankelijkheden, heropening van de, bestuurlijke lus, …
3.4.2 3.4.2.1
Advisering over beroepen tegen bestuurlijke maatregelen Beroep tegen een opgelegde bestuurlijke maatregel inzake milieu
Aan een overtreder kan een bestuurlijke maatregel worden opgelegd. Als de overtreder niet akkoord is met de opgelegde bestuurlijke maatregelen of de dwangsom, dan kan hij beroep aantekenen bij de Vlaamse minister bevoegd voor Omgeving. CSA verleent een voorafgaand, niet bindend advies aan de minister over het ingestelde beroep. In 2019 werden 64 beroepen tegen bestuurlijke maatregelen ingediend, 52% van de beroepen betroffen regularisatiebevelen, 18% stakingsbevelen, 12% bestuursdwang en de rest een combinatie van deze bestuurlijke maatregelen. Voor 40 van deze beroepen (62%) betrof het schendingen inzake milieubeheer (bos, natuur en soorten), de overige beroepen betroffen thema’s over milieuhygiëne. Van de ingediende beroepen tegen bestuurlijke maatregelen waren er 6 onontvankelijk. Over de 58 ontvankelijke dossiers verleende de cluster Advisering en Sanctionering advies aan de minister. De minister volgde in haar besluiten het advies in 52 van de dossiers of 89%. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 102 van 110
3.4.2.2
Beroep tegen een weigering tot opleggen van een bestuurlijke maatregel inzake milieu
Daarnaast kunnen personen die rechtstreeks nadeel ondervinden van een milieu-inbreuk of milieumisdrijf of personen die belang hebben bij het beteugelen ervan, bij de bevoegde personen een verzoek indienen om een bestuurlijke maatregel op te leggen. Wanneer de bevoegde persoon weigert een bestuurlijke maatregel op te leggen en wanneer de verzoeker niet akkoord is met de weigering, dan kan die beroep aantekenen bij de Vlaamse minister bevoegd voor Omgeving. Ook voor dergelijke beroepen verleent CSA een advies aan de minister. In 2019 werden 4 beroepen tegen weigeringen ingediend. Daarvan was 1 beroep onontvankelijk. Over de 3 ontvankelijke beroepen verleende de cluster Advisering en Sanctionering een advies aan de minister, dat in 2 van de 3 dossiers door de minister werd gevolgd. De 4 dossiers hadden allemaal betrekking op milieuhygiĂŤne.
3.4.2.3
Beroep tegen een bestuurlijke maatregel inzake ruimtelijke ordening
Een bestuurlijke maatregel is gericht op het herstel van de goede ruimtelijke ordening en kan meerdere vormen aannemen (bestuursdwang en last onder dwangsom). De maatregel kan door zowel de burgemeester, de gemeentelijke als de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur worden genomen. Als de overtreder niet akkoord is met de opgelegde bestuurlijke maatregelen of de dwangsom, dan kan hij beroep aantekenen bij de Vlaamse minister bevoegd voor Omgeving. CSA en de Hoge Raad voor Handhavingsuitvoering verlenen een voorafgaand, niet bindend advies aan de minister over het ingestelde beroep. In 2019 werd er ĂŠĂŠn beroep ingediend tegen een gemeentelijke bestuurlijke maatregel. Het betrof hier een gemengd dossier waarbij er maatregelen werden bevolen op grond van het DABM en de VCRO. Het beroep werd gedeeltelijk gegrond verklaard en de minister legde een aangepaste bestuurlijke maatregel op.
3.4.3
Gemotiveerde dwangsomverzoeken
Naast de bevoegdheden van de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur is op gewestelijk niveau de Vlaamse minister bevoegd voor Omgeving, als aangestelde van de Vlaamse Regering, eveneens bevoegd om zich uit te spreken over de invordering van de opeisbaar geworden dwangsommen. Deze dwangsommen kunnen verbeuren naar aanleiding van een door de rechter opgelegde herstelmaatregel onder verbeurte van een dwangsom op vordering van het Vlaamse Gewest of naar aanleiding van een last onder dwangsom die werd bevolen door de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur. Een schuldenaar van een dergelijke nog opeisbare dwangsom, kan een gemotiveerd verzoek indienen bij de minister bevoegd voor Omgeving. CSA stelt vervolgens een dossier samen dat ze bezorgt aan de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering met de vraag om een advies te geven. Na ontvangst van het advies maakt CSA een ontwerp van ministerieel besluit op dat ze samen met het dossier aan de minister bezorgt. De minister beschikt over een ordetermijn van 90 dagen, startende vanaf de dag na ontvangst van het verzoek, om zich uit te spreken over het verzoek. De minister beslist tot een tijdelijk of definitief afzien van verdere inning van de opeisbare dwangsom en dit voor het geheel of een gedeelte van de schuldvordering. Wat de minister niet kan, is een kwijtschelding toestaan van de gemaakte gerechts- en uitvoeringskosten. /////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 103 van 110
In 2019 ontving CSA 18 gemotiveerde dwangsomverzoeken op grond van artikel 6.3.4, §5 VCRO. Op grond van artikel 6.4.16, 4e lid VCRO ontving CSA geen verzoek. CSA verklaarde 8 verzoeken onontvankelijk en 10 verzoeken ontvankelijk. In 2019 nam de bevoegde minister 7 beslissingen op grond van een verzoek dat werd ingediend in 2019. Alle beslissingen werden genomen buiten de ordetermijn van 90 dagen. Dit is te wijten aan de verandering van bevoegde minister in de regeerperiode van 2014-2019 en de verkiezingen van 2019. In 3 gevallen verklaarde de minister het verzoek gegrond en eveneens in 3 gevallen verklaarde ze het verzoek ongegrond. In één geval verklaarde ze het verzoek gedeeltelijk gegrond. Daarnaast zijn er nog 2 procedures hangende op grond van een verzoekschrift dat in 2019 werd ingediend. In 1 van deze procedures is de beslissingstermijn van 90 dagen verstreken in het andere dossier is dit nog niet het geval. Tot slot nam de minister in 1 dossier geen beslissing, daar in de loop van de procedure de opeisbare dwangsommen werden aangezuiverd en de procedure zonder voorwerp is geworden. Op basis van verzoeken die in 2018 werden ingediend, nam de minister 2 beslissingen in 2019 waarvan 1 binnen de ordetermijn van 90 dagen en 1 erbuiten. Het ene werd ongegrond verklaard en het andere gedeeltelijk gegrond. In één verzoek dat in 2018 werd ingediend, werd nog geen beslissing genomen.
3.4.4
Toepassen milieuschadedecreet
De Vlaamse Regering heeft het Departement Omgeving aangesteld als bevoegde instantie voor de uitvoering van de taken waarin het Milieuschadedecreet (Titel XVI DABM) voorziet. Deze taken betreffen onder meer het beoordelen van de aard, de omvang en de ernst van de schade, het aanwijzen van de exploitant die de schade of de onmiddellijke dreiging van schade heeft veroorzaakt en het bepalen van de maatregelen die moeten worden uitgevoerd. Binnen het Departement Omgeving worden deze taken opgenomen door CSA. De toepassing van het Milieuschadedecreet en zijn uitvoeringsbesluiten wordt maximaal afgestemd op de uitvoering van het Milieuhandhavingsdecreet (Titel XVI DABM). Hiermee wordt bedoeld dat in eerste instantie het Milieuhandhavingsdecreet wordt toegepast en ondergeschikt, indien het een meerwaarde biedt, het Milieuschadedecreet. Potentiële milieuschadegevallen worden gemeld via de crisismanager, via de actoren die vaststellingen gedaan hebben op het terrein of via derden in het kader van een verzoek om maatregelen. Door de objectieve aansprakelijkheid (‘de vervuiler betaalt’) biedt het Milieuschadedecreet voor bepaalde gevallen van aanzienlijke milieuschade de rechtsgrond en het instrumentarium voor de nodige preventie- en herstelacties. Er werden in 2019 geen schadegevallen geregistreerd en opgenomen onder het Milieuschadedecreet.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 104 van 110
Bronsortering, hoe het niet moet.
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 105 van 110
BIJLAGE - AFKORTINGEN AEA AEEA ANB AOE AWV BREF BPA BSE CAPLO CIW CSA CVH CZV DABM DMF DOV ECHA EVOA GGO IR(H)CFK ILT IMPEL IR LDAR MCP OESO OSE OVAM PAK PCB PFAS POP REACH RIE RUP TCE TFS VCRO VEN VHRM VITO VLAREM
Ammoniakemissiearm Afgedankte Elektrische en Elektronische Apparatuur Agentschap voor Natuur en Bos Agentschap Onroerend Erfgoed Agentschap Wegen en Verkeer Best Available Techniques Reference document Bijzonder Plan van Aanleg Boviene Spongiforme Encefalopathie Centraal Aanspreekpunt Lokale Overheden Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid Cluster Sanctionering en Advisering Coördinatie Vlaamse Handhaving Chemisch zuurstofverbruik Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid Dimethylformamide Databank Ondergrond Vlaanderen Europees Agentschap voor Chemische Stoffen Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen Genetisch Gemodificeerde Organismen Chloorfluorkoolwaterstoffen Inspectie Leefomgeving en Transport European Union Network for the Implementation and Enforcement of Environmental Law Infrarood Leak Detection and Repair Medium Combustion Plant Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling Overdraagbare Spongiforme Encefalopathieën Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij Polycyclische aromatische koolwaterstoffen Polychloorbifenyl Poly- en perfluoralkylstoffen Persistent Organic Pollutants Registration, Evaluation, Authorization and restriction of Chemicals Richtlijn Industriële Emissies Ruimtelijk Uitvoeringsplan Ton CO2-equivalenten Transfrontier Shipment of Waste Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening Vlaams Ecologisch Netwerk Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek Vlaams Reglement betreffende de Milieuvergunning
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 106 van 110
VLAREMA Het Besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen
VLM VMM VOS VVSG WTCB
Vlaamse Landmaatschappij Vlaamse Milieu Maatschappij Vluchtige organische stoffen Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor het Bouwbedrijf
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 107 van 110
BIJLAGE - CONTACTGEGEVENS AFDELING HANDHAVING AFDELING HANDHAVING Graaf De Ferraris-gebouw Koning Albert II-laan 20 bus 8 1000 Brussel 02-553 10 99 handhaving.omgeving@vlaanderen.be
Sanctionering en advisering Graaf De Ferraris-gebouw Koning Albert II-laan 20 bus 8 1000 Brussel 02 553 75 11 sanctionering.omgeving@vlaanderen.be
Omgevingsinspectie Oost-Vlaanderen Virginie Lovelinggebouw Koningin Maria Hendrikaplein 70 bus 71 9000 Gent 09-276 22 00 omgevingsinspectie.ovl@vlaanderen.be
Omgevingsinspectie Antwerpen Anna Bijnsgebouw Lange Kievitstraat 111-113 bus 62 2018 Antwerpen 03-224 64 25 omgevingsinspectie.ant@vlaanderen.be
Omgevingsinspectie Vlaams-Brabant Dirk Boutsgebouw Diestsepoort 6 bus 71 3000 Leuven 016-66 60 70 omgevingsinspectie.vbr@vlaanderen.be
Omgevingsinspectie Limburg Hendrik van Veldekegebouw Koningin Astridlaan 50 bus 5 3500 Hasselt 011-74 26 00 omgevingsinspectie.lim@vlaanderen.be
Omgevingsinspectie West-Vlaanderen Jacob Van Maerlantgebouw Koning Albert I-laan 1/2 8200 Brugge 050-24 79 60 omgevingsinspectie.wvl@vlaanderen.be
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 108 van 110
Uitgave Vlaamse overheid Departement Omgeving Afdeling Handhaving www.omgevingvlaanderen.be Verantwoordelijke uitgever Peter Cabus, secretaris-generaal Departement Omgeving Koning Albert II-laan 20 bus 8 1000 BRUSSEL Redactie Karel Debeuf Depotnummer D/2020/3241/165 Dit rapport is digitaal beschikbaar op https://omgeving.vlaanderen.be/inspectie-en-handhaving/plannen-rapportering-en-evaluaties Š Vlaamse overheid
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 109 van 110
/////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// 4.06.2020
omgevingshandhavingsrapport 2019
pagina 110 van 110