Skip to main content

MENC017-001.pdf

Page 1

U T

V

In ander licht

—

liT bestemming van religieus erfgoed

VLAAMSE OVHRHEID Agentschap R-O Vlaanderen Onroerend Erfgoed


In ander licht Herbestemming

van religieus

n Agentschap R-O Vlaanderen 2009

erfgoed


Colofon

Teksten Inleidende teksten door Veerle De Houwer (Agentschap R-O Vlaanderen) met inbreng van de werkgroep 'Herbestemming kerken' (2004-2006) van de voormalige Afdeling Monumenten en Landschappen met als leden: Inge Appermont (Departement RWO), Anna Bergmans (VIOE), Veerle De Houwer (Agentschap R-O Vlaanderen), Sofie De Leeuw (Agentschap R-O Vlaanderen), Mare De Malsche, Piet Geleyns (Agentschap R-O Vlaanderen), Elise Hooft (VIOE), Madeleine Manderyck (Agentschap R-O Vlaanderen), Karel Robijns (Agentschap R-O Vlaanderen), Gudrun Van Branden (Agentschap R-O Vlaanderen), Christine Vanthillo (Agentschap R-O Vlaanderen), Linda Wylleman (Agentschap R-O Vlaanderen) Projectteksten samengesteld door Veerle De Houwer, tenzij de auteur werd aangegeven. De teksten kwamen tot stand in een korte tijdspanne, tussen september en december 2008. Voor de geschiedenis van de meeste gebouwen kon gelukkig gesteund worden op het uitstekende werk van de collega's van het Agentschap R-O Vlaanderen (en het VIOE) die de inventarissen 'Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen' hebben opgesteld. Ook ontwerpers en eigenaars, stelden projectteksten e.a. documenten ter beschikking, waarvoor dank.

Fotografie Oswald Pauwels, tenzij anders vermeld

Tekstcorrectie Marijke Hoflack, met uitzondering van de onderschriften bij de foto's

Verantwoordelijke uitgever: Luc Tack Vlaamse Overheid - Agentschap R-O Vlaanderen - Onroerend Erfgoed Koning Albert Il-laan 19 bus 3, 1210 Brussel - tel. (02) 553 16 11 - fax (02) 553 16 05 Niets uit deze uitgave mag op enigerlei wijze worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteurs en de uitgever.

D/2OO9/3241/1I9 ISBN 978-90-403-0293-0 N U R 948


ii\mmiD

Woord v o o r a f Inleiding

Religieus erfgoed: patrimonium in evolutie Religieus erfgoed: een gediversifieerd landschap Erfgoedzorg in eerste lijn: beschermen en behouden Erfgoedzorg in tweede lijn: een gepaste herbestemming

7

Herbestemming van religieus erfgoed projecten Projecten: praktische richtlijnen

59


WnORD VDDRAF

Het kerkgebouw is er als een vreemde aanwezigheid. Het trekt aan, wekt verwachtingen. Maar een vereenzelviging ermee is niet meer mogelijk. Het behoort tot een andere tijd. Tegenover die houding staat de officiële zorg waarmede die monumenten bewaard worden, alsof ze nog deel van ons leven uitmaken, alsof, door ze te slopen, onze identiteit zou worden aangetast. We weten niet goed meer, gelovigen of ongelovigen, wat ermee aan te vangen, maar we willen ze klaarblijkelijk ook niet kwijt. Over dit dilemma gaat het. Bekaert, G., Landschap van kerken, Leuven, 1987. Dit citaat van Geert Bekaert vatte al in 1987 perfect de situatie samen waarin het religieuze onroerende erfgoed in Vlaanderen zich vandaag nog bevindt. Het historische belang van dit patrimonium staat bijna haaks op de secularisering, die onze huidige maatschappij kenmerkt. Hierdoor ontstaat een spanningsveld, dat mee gevoed wordt door de hoge onderhoudslast die op deze gebouwen rust. De monumentenzorg in ons land was altijd al verweven met de zorg voor het religieuze gebouwenpatrimonium. Toen in 1835 de Koninklijke Commissie voor Monumenten werd opgericht had zij, naast het adviseren over de historische monumenten, een specifieke taak om toe te zien op de plannen met betrekking tot het bouwen en herstellen van de gebouwen voor de eredienst. De hoge erfgoedwaarde van een groot deel van het religieuze onroerende erfgoed staat buiten kijf, de zorg die eraan gegeven wordt is navenant. Ook nu nog gaat 40% van de beschikbare kredieten voor de restauratiepremies - budget sector eredienst - naar de beschermde kerken, slechts 10% van de beschermde monumenten. Het hoger geschetste spanningsveld maakt dat regelmatig gevraagd wordt hoe we nu moeten omgaan met het religieuze gebouwenpatrimonium. Zullen we alle gebouwen, met name deze bestemd voor de eredienst, blijven benutten, ook al is het aantal gelovigen teruggelopen? Is een gecentraliseerder en rationeler beheer nodig? Moet de sloop van een aantal gebouwen overwogen worden? Hoe kunnen we deze gebouwen op een gepaste manier herbestemmen, als ze hun functie verliezen? Als het over deze vragen gaat, is de onroerend-erfgoedsector onveranderlijk een belangrijke gesprekspartner, gezien het grote beschikbare budget en gezien de mogelijkheid om via een bescherming het behoud van een site te verzekeren. In 2008 organiseerden het Agentschap R-O Vlaanderen en VCM, het Contactforum voor Erfgoedverenigingen, de studietweedaagse 'In ander licht', waar meer dan 400 erfgoedzorgers naartoe kwamen. De publicatie die u in handen hebt, werd na deze studiedag uitgewerkt. De 27 praktijkvoorbeelden tonen alvast wat in Vlaanderen al gerealiseerd werd en wordt op het vlak van herbestemming. Er werd ook een uitgebreid overzicht opgenomen van de verschillende beheerders die bij dit religieuze erfgoed betrokken zijn. Dit overzicht maakt meteen duidelijk dat Onroerend Erfgoed hier niet alleen aan tafel zit en ook maar bij een fractie van dit patrimonium (het beschermde) effectief betrokken partij is. Het is in elk geval van belang om gemachtigde vertegenwoordigers van al deze partners op termijn samen te brengen in een permanent overlegorgaan. Los daarvan kan Onroerend Erfgoed, dankzij de kennis die werd opgedaan bij het samenstellen van deze publicatie, enkele aanbevelingen formuleren voor het toekomstige beleid. Bij het religieuze onroerende erfgoed kunnen we twee grote groepen onderscheiden: het publiekrechtelijke, met onder meer de parochiekerken, en het privaatrechtelijke: de kloosters en abdijen. Gezien hun specifieke kenmerken vragen deze twee groepen, twee verschillende instrumenten voor hun beleid en beheer, die uiteraard wel op elkaar moeten worden afgestemd. Voor de parochiekerken wordt het beleid bij voorkeur op het lokale niveau uitgestippeld. Momenteel zijn er in het Vlaamse Gewest geen instrumenten voorhanden die het ontwikkelen van een totaalvisie op het


beschermde monumentale patrimonium van één stad of gemeente kunnen stimuleren. Toch leert de ervaring uit het buitenland dat net die totaalvisie van belang is, voornamelijk wanneer er voor het monumentale patrimonium keuzes moeten worden gemaakt voor een herbestemming. Bij een ad-hocbenadering bestaat immers het gevaar dat een volledig overzicht ontbreekt van de noden die op dat ogenblik in een gemeente leven en van de mogelijkheden om daarop in te spelen. Met belangstelling heb ik kennis genomen van het voorbeeldproject dat English Heritage en het Anglicaanse bisdom Manchester hebben uitgewerkt voor de parochiekerken op het grondgebied van GrootManchester. In onderling overleg hebben zij een inventaris opgemaakt van alle parochiekerken, waarbij de erfgoedwaarde en de bouwfysische toestand voor elke kerk werd ingeschat. Deze inventaris vormde de basis voor een strategisch plan. Er werd overeengekomen dat de gebouwen met de grootste erfgoedwaarde de meeste ontwikkelings- of groeikansen zouden krijgen. Het project voorzag ook ondersteuning voor al wie bij het beheer van de kerken van het bisdom betrokken is, bijvoorbeeld op het vlak van openstelling of fondsenwerving, nieuwe taken voor veel beheerders. In Vlaanderen moet een dergelijke strategische aanpak voor het religieuze onroerende erfgoed per gemeente of per groep van gemeenten ook mogelijk zijn, uiteraard met inbreng van de lokale overheid en eventueel als onderdeel of als aanzet van een lokaal gemeentelijk onroerend erfgoedbeleidsplan. De centrale kerkbesturen kunnen hier uiteraard al een rol in spelen, net als Monumentenwacht Vlaanderen met zijn kostencalculaties. Voor het privaatrechtelijke onroerende erfgoed is er nood aan een instelling die het vertrouwen geniet van eigenaars en beheerders, die hen kan helpen wanneer zij voor hun patrimonium een nieuwe bestemming zoeken. Zo wordt vermeden dat iedere eigenaar of organisatie als het ware steeds opnieuw het warme water moet uitvinden. Deze vertrouwensinstelling kan meteen ook de verbinding verzorgen met het lokale niveau. Komt het tot een herbestemmingsdossier voor een site, dan verdient het mijns inziens aanbeveling om te werken volgens de principes van het Burra-charter van Icomos Australië, dat een werkzaam kader heeft gecreëerd voor de duurzame ontwikkeling van erfgoedplaatsen, gebaseerd op hun betekenis. Tot slot is er nood aan een informatienetwerk om ervaringen en expertise uit te wisselen. In Nederland werd 2008 uitgeroepen tot het 'jaar van het religieus erfgoed', met tal van manifestaties, initiatieven en publicaties. Het was een belangrijk evenement voor de bewustmaking en de kennisverspreiding rond het onroerende religieuze erfgoed. Naar aanleiding van dat themajaar werd de website www.reliwiki.nl ontwikkeld, met informatie over al het religieuze erfgoed van Nederland, opgevat volgens het model van de welbekende Wikipedia. In Vlaanderen zouden we verder moeten gaan. Het zou prachtig zijn mocht deze publicatie de aanzet vormen voor een ruime informatieve website over het religieuze onroerende erfgoed van Vlaanderen, met een uitgebreide bibliotheek, links naar binnen- en buitenland, een uitbreidbare lijst van voorbeelden van nevenen herbestemming en een interactief forum voor vragen, ten behoeve van alle beheerders, gebruikers en geïnteresseerden in dit erfgoed.

De Viceminister-president van de Vlaamse Regering Vlaams minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening


mm

m

MS mm 'm:

ES

il I'

IHM

M

ill

^1^^-


11^1 FIDINfi Religieus erfgoed*: patrimonium in evolutie

Doorheen de geschiedenis van Vlaanderen was de invloed van de rooms-katholieke Kerk groot, niet enkel op spiritueel, maar ook op breder maatschappelijk vlak. Die invloed komt architecturaal tot uiting in de talrijke kerkgebouwen, kloosters en kapellen die Vlaanderen rijk is. Onze dorpen en steden hebben zich ontwikkeld rond kerken. Kerktorens vormen ook vandaag nog bakens in het landschap en dienen als herkenningspunten. De hele gemeenschap heeft bijgedragen tot de realisatie van dit patrimonium. Religieuze ordes zorgden eeuwenlang voor onderwijs, ziekenzorg en bejaardenhulp. Ook het religieuze erfgoed dat zij nalieten, heeft vrijwel steeds een belangrijke historische, culturele en architecturale waarde. Het religieuze onroerende erfgoed van Vlaanderen is een geheel van monumentale getuigen dat meer dan duizend jaar architecturale geschiedenis overspant. De jongste decennia worden we geconfronteerd met wat stilaan als een sleutelmoment voor het religieuze erfgoed beschouwd kan worden: het historische en maatschappelijke belang van de kerkelijke gebouwen staat immers tegenover de toenemende secularisatie van onze huidige maatschappij. Sinds de jaren 1960 is de afstand tussen ons christelijke verleden en onze dagelijkse leefwereld gegroeid. De invloed van de christelijke godsdienst en kerken op het openbare leven is verminderd. Het toenemende multiculturele en globaliserende karakter van onze leefomgeving speelt hierbij een niet te onderschatten rol. De huidige maatschappij beleeft spiritualiteit op uiteenlopende manieren en ook de noden van de rooms-katholieke geloofsgemeenschap zelf veranderen. Uit dit alles kan worden afgeleid dat een groeiende groep mensen in onze maatschappij zich minder betrokken voelt bij het religieuze erfgoed. Het gevoel groeit dat er een overschot is aan kerkgebouwen. De onderhoudslast die erop rust, speelt daarbij ook een rol. De gewestelijke administratie bevoegd voor Onroerend Erfgoed (verder Onroerend Erfgoed) deed in 2004 een steekproef en maakte voor de fusiegemeente Leuven een lijst van het kerkelijke erfgoed. Groot-Leuven

*

Met religieus erfgoed wordt in de tekst het onroerende religieuze erfgoed bedoeld


telt niet minder dan 89 cultusgebouwen, 24 daarvan zijn beschermd als monument. Van de 89 kerken zijn er 17 parochiekerken, waarvan 3 al gedesaffecteerd zijn voor de eredienst. Slechts 1 daarvan werd herbestemd, de Predikherenkerk, die vandaag deel uitmaakt van het Leuvense Cultureel Centrum. De monumentale Sint-jacobskerk staat al 40 jaar leeg, sinds de bouw van een nieuwe parochiekerk. Opmerkelijk is dat bijna de helft (44%) van de Leuvense kerken en kapellen geen religieuze functie meer heeft. Uit de steekproef kunnen we de cijfers voor Vlaanderen extrapoleren: we schatten de totaliteit van cultusgebouwen op een 7000-tal, mogelijk de helft heeft nog een religieuze functie. Vermoedelijk zal het aantal gebouwen waarvoor een nieuwe functie gezocht wordt, nog stijgen. De ontkerkelijking werd in 2008 namelijk nog pakkend in cijfers gevat. Met een onderzoek bij de bevolkingsgroep tussen 5 en 69 jaar, toonde de K.U. Leuven aan dat nog amper 7% van de Belgen wekelijks een misviering bijwoont. Ook het kerkbezoek bij de belangrijke 'levensmomenten' - doop, huwelijk en begrafenis daalt gestaag. Eenzelfde dalende trend is merkbaar bij de kloosterordes en congregaties, waar steeds minder intredingen zijn en waar kloostergemeenschappen worden samengevoegd. Tot slot daalt en vergrijst het aantal priesters. In het weekblad Tertio trekt de christelijke geloofsgemeenschap zelf enkele conclusies uit de secularisatie en de vergrijzing van het kerkelijke 'landschap': 'De toekomst van de parochies oogt bedenkelijk. Alleszins onder de vorm waarin parochies vandaag bestaan (...). Tot op vandaag heeft bijna elke stad of streek haar dekanaat, elke gemeente, vaak zelfs elke wijk, haar parochie en kerk. Alleen al de cijfers met de leeftijdscurve van de priesters toont aan dat die 'bodembedekkende' organisatie niet langer houdbaar is. Nu zijn er in Vlaanderen nog slechts 375 priesters jonger dan 50 voor 1906 (sic) parochies. (...) Moet elke actieve pastoor over tien jaar zes parochies 'bedienen'? Het zal wel niet zo'n vaart lopen, maar de verklaring daarvoor klinkt weinig geruststellend: ook het aantal kerkelijke gelovigen zal over tien jaar drastisch zijn teruggelopen. De conclusie blijft: over afzienbare tijd zijn zeker niet langer 2000 parochies nodig. Nieuwe omstandigheden vergen een nieuwe organisatie en structuur. Het valt op dat dit inzicht al minstens vijftien jaar leeft, maar dat tot op vandaag geen 'harde' maatregelen zijn getroffen om aan de nieuwe situatie tegemoet te komen (...). (VANDEVYVERE, 2008) Dit sleutelmoment voor het religieuze erfgoed vraagt om antwoorden, ook van de onroerend-erfgoedsector. In de volgende hoofdstukken bekijken we wat het religieuze erfgoed van Vlaanderen precies is en welke instrumenten Onroerend Erfgoed nu al inzet voor het behoud ervan. Het vinden van een gepaste nieuwe bestemming voor enkele van deze gebouwen is daarnaast een belangrijk vraagstuk. Daarom bekijken we tot slot de herbestemming van kerken en kloosters aan de hand van 27 projecten.

Bibliografie - HOOGHE M , BOTTERMAN S., De Kersttelling van 2006 in de Belgische kerkprovincie. Een statystische analyse, K.U.Leuven, Centrum voor Politicologie, niet uitgegeven rapport. - MORISSET, L, NOPPEN, L. en COOMANS, T. Quel avenirpour quelles églises, Quebec, 2006. -VANDEVYVERE, P, Alarmbel over parochies, in: Tertio, nr. 426, 9 april 2008, p. 2.


Religieus erfgoed: een g e d i v e r s i f i e e r d

landschap

Het begrip religieus erfgoed is ruim en weinig specifiek. Het Nederlandse rapport Geloof in de Toekomst uit 2008 maakt een onderscheid tussen religieus erfgoed in brede en in enge zin:

Dit brede en enge kan zowel betrekking hebben op het adjectief 'religieus', als op het substantief 'erfgoed'. Wanneer het betrekking heeft op het adjectief religieus, dan heeft het in enge zin betrekking op de direct met de religie verbonden gebouwen en roerende goederen, en in brede zin wanneer ook alles ertoe wordt gerekend dat onder invloed van de religie tot stand is gekomen, zoals door religieuzen gestichte of geleide instellingen (gasthuizen, ziekenhuizen, weeshuizen, bejaardenoorden, scholen, weeshuizen en dergelijke). Wanneer het betrekking heeft op het substantief erfgoed, dan slaat het in brede zin op alles wat van belang wordt geacht om te behouden voor huidige en toekomstige generaties en in enge zin op alle erfgoed dat een beschermde status heeft. Het religieuze gebouwenpatrimonium, tweemaal in voornoemde brede zin bekeken, omvat verschillende types. Om te beginnen moet er een onderscheid gemaakt worden tussen het publiekrechtelijk kerkelijk erfgoed en het privaatrechtelijk kerkelijk erfgoed, of het erfgoed dat verband houdt met de erkende eredienst en het erfgoed dat eigendom is van de religieuze ordes. Onder de noemer publiekrechtelijk kerkelijk erfgoed horen onder meer de pastorieën en de parochiekerken thuis. De pastorie is de officiële woning van de pastoor of kerkbedienaar. Hoewel ze voor de Franse Revolutie vaak afhingen van een abdij, zijn pastorieën die nu nog in functie zijn het eigendom van de gemeente of van de kerkfabriek. Parochiekerken zijn de kerken erkend voor de openbare eredienst. Hun eigendomstoestand is een ingewikkelde aangelegenheid. Voor een gedetailleerd overzicht verwijzen we naar de publicatie van Patrick De Pooter (2002, p. 504-506). We geven hier de grote lijnen weer. Enerzijds zijn er de domaniale kerken die toebehoren aan openbare instellingen. Van de domaniale kerken gebouwd vóór 1801 (de meerderheid) wordt aangenomen dat ze eigendom zijn van de gemeente. Domaniale kerken van na 1801 kunnen, afhankelijk van wie ze bouwde, toebehoren aan de kerkfabriek of aan de gemeente (of provincie). Het jaar 1801 wordt als breuklijn gehanteerd omdat op 15 juli van dat jaar een concordaat werd afgesloten tussen paus Pius VII en Napoleon Bonaparte. Daarbij erkende Pius VII de Franse Republiek van Napoleon, die van haar kant het katholicisme uitriep tot "godsdienst van de meerderheid". Niet-domaniale kerken zijn het eigendom van private rechtspersonen - meestal religieuze gemeenschappen, georganiseerd in een vzw - die ze ter beschikking stellen voor de openbare eredienst. Beide types parochiekerken zijn bestemd voor het gebruik 'voor allen' en kunnen daarom niet 'bezwaard worden met zakelijke rechten'. Ze kunnen evenmin het voorwerp vormen van een huurovereenkomst. Hun openbare karakter legt eveneens beperkingen op aan het gebruik. In de werking van parochiekerken zijn enerzijds het 'geestelijke' en anderzijds het 'tijdelijke' van belang. Het 'geestelijke', de organisatie van de inhoud van de eredienst, is het werk van de parochie (doorgaans een vzw) en de pastoor. Vlaanderen telt 1 799 parochies. Het beheer van de middelen en van de goederen (het 'tijdelijke') berust bij de kerkfabrieken, zolang de parochiekerk bestemd is voor de openbare eredienst. In 2004 trad het Decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en de werking van de erkende erediensten in werking. Elke parochie heeft een kerkfabriek (een instelling van openbaar nut) die bestuurd wordt door een kerkraad. Artikel 4 van het decreet stelt het volgende:


De kerkfabriek is belast met de zorg voor de materiële voorwaarden die de uitoefening van de eredienst en het behoud van de waardigheid ervan mogelijk maken. De kerkfabriek is belast met het onderhoud en de bewaring van de kerk of kerken van de parochie en met het beheer van de goederen en de gelden die eigendom zijn van de kerkfabriek of die bestemd zijn voor de uitoefening van de eredienst in de parochie. De kerkfabriek is tevens verantwoordelijk voor de inventaris van de roerende goederen en van de archieven en stelt elk jaar een budget op en een rekening van inkomsten en uitgaven, die door de gemeente moet worden goedgekeurd. Bij tekorten moet de gemeente financieel bijdragen. Bij de meeste parochiekerken is de beheerder, de kerkfabriek, echter niet de eigenaar van het patrimonium dat ze moet beheren. Geert Delbeke, auteur van Het Geld van de Kerk uitgegeven bij het Davidsfonds, vatte in 2002 dit spanningsveld als volgt samen: 'De troon waarop kardinaal Danneels zit in de Mechelse Sint-Romboutskathedraal is niet van hem. Hij kan die niet verkopen. De kathedraal en al haar schatten trouwens ook niet. Een arrest van het Hof van Cassatie bepaalt dat alle kerkgebouwen die dateren van voor Napoleon - en dat is toch het gros van alle parochiekerken - eigendom zijn van de gemeente of de stad. Wordt een kerk niet meer gebruikt voor de eredienst, kan de kerkfabriek die niet verkopen. Dat komt de gemeente toe, maar de gemeenten staan niet te springen om die kerken over te nemen. Het onderhoud van zo'n gebouw kost handenvol geld. MINTEN. D., De Verloren Zoon. Het geld van de kerk. in: De Standaard, 18/09/2002. Het decreet van 2004 riep de centrale kerkbesturen in het leven. In gemeenten met vier of meer erkende parochies van de rooms-katholieke eredienst, waarvan de hoofdkerk op het grondgebied van de gemeente ligt, moet één centraal kerkbestuur (of vanaf 8 parochies meerdere) worden opgericht, met onder meer afgevaardigden van de verschillende kerkraden. Het centrale kerkbestuur is een overlegorgaan, enerzijds tussen de verschillende kerkfabrieken die er deel van uitmaken, en anderzijds met het gemeentebestuur. Het centrale kerkbestuur draagt verantwoordelijkheid voor de meerjarenplanning voor de verschillende kerkfabrieken, voornamelijk op financieel vlak. Het zou dus moeten zorgen voor enige centrale afstemming, of tenminste voor een centrale kijk op het beheer van de middelen van de (beschermde en niet-beschermde) parochiekerken in zijn werkingsgebied.


Die centralisering gebeurt echter enkel op het vlak van de gemeente, en bij een grote gemeente met meerdere centrale kerkbesturen nog op een versnipperde manier. De sector Erfgoedzorg koesterde de hoop dat het centrale kerkbestuur ook een taak zou krijgen in het beheer van de onroerende goederen van de verschillende kerkfabrieken. Voorlopig is dat nog niet het geval. We kunnen stellen dat de parochies, parochiekerken en kerkfabrieken met hun kerkraden en centrale kerkbesturen het gemeentelijke niveau van de (rooms-katholieke) kerkelijke organisatie uitmaken. Op het 'provinciale' niveau* vinden we dan de bisdommen. De website www.kerknet.Vlaanderen geeft het volgende overzicht van de uiterst complexe territoriale structuur van de kerk in België, een kerkprovincie met 8 bisdommen: Een kerkprovincie bestaat uit een aartsbisdom (geleid door een aartsbisschop) en een of meerdere bisdommen onder leiding van een bisschop. De naam van het aartsbisdom is ook de naam van de kerkprovincie. Van dit kerkrechtelijke verband is de aartsbisschop het hoofd. Al heeft de aartsbisschop geen eigenlijke kerkrechtelijke bevoegdheid over de andere bisdommen, die samen met de andere bisdommen de kerkprovincie vormen. Een bisschop bestuurt zijn bisdom immers autonoom.

*

Van slechts 4 van de 8 bisdommen in België komen de territoriale grenzen overeen met de provincies. Op Vlaams grondgebied liggen de volgende bisdommen: - Bisdom Brugge: de provincie West-Vlaanderen - Bisdom Hasselt: de provincie Limburg - Bisdom Gent: de provincie Oost-Vlaanderen + de gemeenten Zwijndrecht en Burcht - Bisdom Antwerpen: de provincie Antwerpen, met uitzondering van de kantons Duffel, Mechelen, Puurs en Willebroek - Aartsbisdom Mechelen-Brussel (slechts gedeeltelijk op Vlaams grondgebied): de provincie Vlaams-Brabant en vier kantons van de provincie Antwerpen Bron: www.kerknet.be


De bisschoppenconferentie is het permanente overlegorgaan van een kerkprovincie. De aartsbisschop en de bisschoppen overleggen er met een zekere regelmaat en bepalen er collegiaal het gezamenlijke beleid van de kerkprovincie. Ondanks het bestaan van de bisschoppenconferentie als overlegorgaan binnen de kerkprovincie, werkt elk bisdom dus autonoom. Het aartsbisdom heeft geen kerkrechtelijke bevoegdheid over de andere bisdommen. De band tussen het bisdom en de parochies op het vlak van het tijdelijke, is moeilijk te duiden. De kerkraad van elke parochie telt telkens één vertegenwoordiger aangesteld door de bisschop. De gebouwen van het bisdom - kathedralen, bisschoppelijke paleizen en bisschoppelijke seminaries horen toe aan de provincies of aan de kathedrale kerkfabrieken. Naar analogie met de kerkraad is er ook een kathedrale kerkraad, die overlegt met de provincie. Vermelden we eveneens het Centrum voor Religieuze Kunst en Cultuur, dat in 1997 werd opgericht op initiatief van onder meer de vijf Vlaamse bisdommen. Deze vzw legt zich toe op het behoud van het waardevolle culturele erfgoed van de kerkelijke instellingen in Vlaanderen. De werking van het CRKC is momenteel vooral gericht op het roerende erfgoed. De situatie van het privaatrechtelijke religieuze erfgoed is totaal verschillend en gelukkig iets eenvoudiger. Kloosters en abdijen behoren tot het privédomein en zijn eigendom van een religieuze gemeenschap, meestal georganiseerd in een vzw. Deze privé-eigenaars kunnen uiteraard vrij over hun eigendom beschikken (dat geldt eveneens voor de cultuurgoederen). Maar ordes of congregaties zijn vaak internationaal georganiseerd, zodat alle beslissingen over onroerende goederen en erfgoed in dit perspectief bekeken moeten worden. De situatie wordt complex omdat al deze ordes en congregaties een eigen 'standpunt' innemen, niet alleen over geloofsbeleving, maar ook over het omgaan met het gebouwenpatrimonium. Wel bestaat er een centrale vereniging voor belangenbehartiging en visievorming, de vzw Unie van Religieuzen van Vlaanderen (URV), die op 1 januari 2007 ontstond uit de fusie van de Vereniging van Hogere (mannelijke) Oversten van België en de Unie van (vrouwelijke) Religieuzen van België en de Unie van Vrouwelijke Contemplatieven. De Unie van Religieuzen van Vlaanderen schetst de situatie als volgt (www.urv.be): Religieuzen zijn verenigd in religieuze gemeenschappen of instituten. In het kerkelijk recht gebruikt men de term 'Instituten voor Godgewijd Leven'. Afhankelijk van de aard en de traditie van een instituut spreekt men van een orde, een congregatie, een sociëteit, een seculier instituut... De leden van een religieuze gemeenschap wonen in een klooster. Overeenkomstig de eigenheid van een gemeenschap en haar geschiedenis spreekt men van een abdij, een priorij, een monasterium, een convent... In een aantal gevallen zijn kloostergemeenschappen autonoom. In andere gevallen is er een min of meer sterke band tussen kloosters van eenzelfde instituut. Men spreekt dan van een generalaat of een provincialaat, een moederhuis, een bijhuis of een filiaal... om de onderlinge afhankelijkheid tussen de kloosters van eenzelfde orde of congregatie aan te duiden. In Vlaanderen kennen we zo'n 300 autonome ordes en congregaties die samen de Unie van Religieuzen van Vlaanderen vormen. ** Daarnaast werden tal van ziekenhuizen, scholen, gasthuizen ... opgericht door de kerkelijke overheid of door religieuze gemeenschappen. Het beheer van deze instellingen werd intussen meestal door andere organisaties of instellingen overgenomen. Voor de volledigheid vermelden we nog de begijnhoven, vaak eigendom van een OCMW of van een gemeente of provincie.

** -

201 ordes en congregaties van actieve zusters met 7625 leden 53 gemeenschappen van contemplatieve zusters met 525 leden 27 ordes en congregaties van paters met 1670 leden 1 3 mannelijke abdijgemeenschappen met 375 leden 11 broedercongregaties met 455 leden.


1^ • 1 /

n*mw, J 0 P

Bibliografie - DE POOTER, P., De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen In Staat en maatschappij, Larcier, 2002. - MARTENS, John, Revitaliseren, herbestemmen of slopen? Toekomstperspectieven voor kerkgebouwen, niet-gepubliceerde verhandeling, K.U.Leuven, 2003. - MINTEN. D., De Verloren Zoon. Het Celd van de Kerk. in: De Standaard, 18/09/2002. - STICHTING 2008 JAAR VAN HET RELIGIEUS ERFGOED, 'Geloof in de Toekomst!. Strategisch plan voor het religieus erfgoed, 2008. Rapport beschikbaar via: www.reliwiki.nl. - STICHTING VLAAMS ERFGOED, Omtrent kerkelijk cultureel erfgoed, niet-gepubliceerd rapport, Brussel, 1999. - Antwoord op de vraag om uitleg van 13 maart 2008 van Vlaams volksvertegenwoordiger Patrick De Klerk inzake het hergebruik van het kerkelijk erfgoed en het beleidsplan kerkgebouwen, door Dirk Van Mechelen, Viceminister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams ministervan Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, gepubliceerd op: www.vlaamsparlement.be. -

Decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en de werking van de erkende erediensten www.crkc.be www.urv.be www.kerknet.vlaanderen


Frfgoed/org in eerste l i j n : beschermen en behmiHen

Zolang de in het vorige hoofdstuk geschetste, uiteenlopende oorspronkelijke beheerders van het kerkelijk erfgoed nog betrokken partij zijn en het behoud op zich nemen, kan Onroerend Erfgoed hen helpen bij de zorg in eerste lijn: bescherming en beheer. Alle instrumenten en middelen die Onroerend Erfgoed momenteel ter beschikking heeft, zijn hierop toegespitst. Sinds 1931 kunnen waardevolle gebouwen beschermd worden als monument. Vóór 1976 was het (kunst)historische belang meestal de parameter voor de selectie van monumenten. Na de inwerkingtreding van het Decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van Monumenten en Stads- en Dorpsgezichten is deze selectie uitdrukkelijk gebaseerd op de erfgoedwaarden van het gebouw. Een gebouw wordt vandaag beschermd als monument wegens zijn historische, artistieke, volkskundige, industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde. De bescherming omvat normaal gezien het hele gebouw, dus zowel het exterieur als het interieur. In bepaalde gevallen geeft het beschermingsbesluit aan dat minder waardevolle onderdelen uitgesloten worden van bescherming. Gezien het belang van religieuze gebouwen in het Vlaamse architecturale landschap, zijn talrijke kerken, kapellen en kloosters als monument beschermd. De databank van de beschermingen geeft de volgende aantallen: 1020 beschermde kerken of kerkelijke gebouwen; 593 beschermde kapellen; 116 beschermde kloosters of abdijen. Van de iets meer dan 10.000 beschermde monumenten in Vlaanderen maken deze categorieën samen dus ongeveer 1 7% uit, de kerken alleen al 10%. Voor religieus erfgoed is ook een bescherming als stads- of dorpsgezicht mogelijk. Deze vorm van bescherming is minder ingrijpend omdat, in tegenstelling tot bij de monumentbescherming, het interieur er niet onder begrepen is. Tot slot zijn veel waardevolle, maar niet beschermenswaardige religieuze sites opgenomen in de inventarissen van het bouwkundige erfgoed. Onroerend Erfgoed houdt vanaf het moment van de bescherming toezicht op de zorg voor het onroerende erfgoed van Vlaanderen. De meeste ingrepen in gebouwen vereisen een stedenbouwkundige vergunning volgens de wetgeving op de ruimtelijke ordening. Voor beschermde gebouwen wordt tijdens die procedure automatisch het bindende advies gevraagd van Onroerend Erfgoed. Voor bepaalde werken is geen stedenbouwkundige vergunning nodig, maar moet wel de toestemming van Onroerend Erfgoed gevraagd worden. Dat geldt in het bijzonder, maar niet uitsluitend, voor ingrepen in het interieur. Naast de individuele erfdienstbaarheden, die in het beschermingsbesluit kunnen worden opgelegd, wor-

M&L


den vergunningen en machtigingen geregeld volgens het Besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 7 993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006. Eigenaars van beschermde monumenten hebben een instandhoudingsplicht. De Vlaamse overheid biedt hen voor onderhouds- en restauratiewerken financiële steun in de vorm van premies en fiscale aftrek. De restauratiepremie varieert van 40% voor privé-eigenaars tot 90% voor gebouwen bestemd voor de openbare eredienst. De onderhoudspremie bedraagt steeds 40% van de uitgaven. Onroerend Erfgoed heeft de taak die onderhouds- en restauratiewerken op te volgen. Net niet de helft van het totale budget voor restauratiepremies ging in 2008 naar de sector eredienst. Tussen 2000 en 2008 evolueerden de kredieten voor deze sector van 16,7 miljoen euro tot 28,2 miljoen euro. Het privaatrechtelijke religieuze erfgoed, kloosters en abdijen en dergelijke meer, hoort thuis bij de privésector en krijgt een deel van die kredieten voor restauratiepremies.

Tot slot kunnen niet-monumentale gebouwen, erkend voor de openbare eredienst, ook rekenen op een subsidie van de Vlaamse overheid, een tussenkomst van 30% voor verbouwingen, uitbreidingen of buitengewone herstellingen, met inbegrip van het plaatsen van verwarmings- en elektrische installaties en sanitaire voorzieningen. Deze subsidie wordt geregeld via het 'Besluit van de Vlaamse regering van 2 ? juni 1989 houdende vaststelling van de procedure inzake de subsidiëring van bepaalde werken, leveringen en diensten die door of op initiatief van regionale of lokale besturen of ermee gelijkgestelde rechtspersonen worden uitgevoerd'.

Bibliografie - Besluit van de Vlaamse regering van 21 juni 1989 houdende vaststelling van de procedure inzake de subsidiëring van bepaalde werken, leveringen en diensten die door of op initiatief van regionale of lokale besturen of ermee gelijkgestelde rechtspersonen worden uitgevoerd - Besluit van de Vlaamse Regering van 1 7 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006. - Besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 houdende vaststelling van het premiestelsel voor restauratiewerkzaamheden aan beschermde monumenten, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 20 september 2002 en 23 juni 2006. - Besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2004 tot het vaststellen van een onderhoudspremie voor beschermde monumenten en stads- en dorpsgezichten, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006.

M&L


Frfgneriznrg in tweede l i j n : een gepaste herbestemming

Zoals hoger aangegeven bevindt het religieuze erfgoed zich momenteel op een scharniermoment, als gevolg van de secularisering van onze maatschappij. Concrete gevolgen hiervan zien w e in de praktijk nu al vooral bij kloosters en abdijen, die door hun orde of congregatie verlaten worden en waarvoor een nieuwe bestemming gezocht wordt. Bij parochiekerken daalt het gebruik, maar er zijn momenteel nog weinig gevallen bekend waarin de parochie wordt opgeheven en de kerk wordt onttrokken aan de eredienst.* De hoger geschetste situatie van het publiekrechtelijke kerkelijke patrimonium is complexer, wat de stap naar een eventueel centraal beheer of naar het zoeken van een eventuele nieuwe bestemming bemoeilijkt.

*

Door haar openbare karakter kan een parochiekerk die haar functie verliest, niet zonder meer een nieuwe bestemming krijgen. Hiervoor is een desaffectatie noodzakelijk. Patrick De Pooler (2002, p. 514) omschrijft deze procedure en haar gevolgen als volgt; Met desaffectatie wordt bedoeld dat een bepaald goed zijn bestemming voor het gebruik van allen door de overheid wordt ontnomen. In dit geval betekent het dat de kerk aan de openbare eredienst wordt onttrokken. Door deze beslissing van overheidswege behoort ze niet meer tot het openbaar domein. (...) De onttrekking van de kerk aan de openbare eredienst is meestal een gevolg van een initiatief van de bisschop tot opheffing van een erkende cultusplaats. De criteria zijn een internkerkelijke aangelegenheid. Vervolgens is er een expliciete (bij K.B.) of impliciete beslissing nodig van de federale overheid. (...) Door de desaffectatie behoort de kerk niet meer tot het openbaar domein en kan de eigenaar opnieuw over zijn volle eigendomsrechten beschikken.


De beste bestemming voor een gebouw is in principe die waarvoor het werd ontworpen. Elk nieuw of bijkomend gebruik stelt eisen aan het gebouw. Zeker voor beschermde monumenten moet hier op een gepaste manier mee worden omgegaan. Voor een beschermd religieus gebouw is het aan te raden o m eerst een nevenbestemming te overwegen en daarna pas aan een herbestemming te denken. Dit geldt zeker voor kerkgebouwen, die met een zeer specifieke vormgeving voor een welbepaald doel werden ontworpen. Een nevenbestemming - bijvoorbeeld als gelegenheidsruimte voor concerten, tentoonstellingen, academische zittingen, toneelopvoeringen ... - is vaak een weinig ingrijpende manier o m meer mensen bij het gebouw te betrekken en zodoende het draagvlak voor het behoud te vergroten. Als het gebouw toch zijn oorspronkelijke functie verliest en als daardoor langdurige of permanente leegstand dreigt, wordt best aan een nieuwe invulling gedacht. Zo kan het opnieuw een waardevolle, gedragen plaats in onze maatschappij krijgen. Daarnaast wordt een gebouw dat gebruikt wordt onderhouden zoals het hoort en dus ook behouden zoals het hoort. Het Charter van Venetië, het basisdocument uit 1964 van de internationale monumentenzorg, verwoordt dit heel letterlijk: 'Voor het behoud van monumenten is het altijd gewenst daaraan een maatschappelijk nuttige bestemming te geven'. Het Charter heeft geen wettelijk bindende gevolgen. Het geeft wel de filosofie weer die de hedendaagse monumentenzorg nog steeds hanteert. De Conventies van de Raad van Europa zijn wel bindend voor de landen die ze ondertekenen. De Conventie van Granada uit 1985, de overeenkomst over het behoud van het architectonische erfgoed van Europa, die ook België heeft ondertekend, stelt het nog iets scherper in artikel 1 1 : Rekening houdend met de architectonische en historische aard van het erfgoed, verplicht iedere Partij zich tot het bevorderen van: - het gebruik van de beschermde goederen, rekening houdend met de behoeften van het hedendaagse leven; - het zodanig aanpassen van oude gebouwen dat die voor nieuwe doeleinden kunnen worden gebruikt. De Vlaamse overheid stuurt nog niet actief aan op een neven- of herbestemming van beschermde monumenten; dat is de rol van de eigenaar. Maar zodra de eigenaar daar aanstalten toe maakt, is ze wel betrokken partij. In de wet- en regelgeving zijn er geen passages die specifiek betrekking hebben op herbestemming. Voor een herbestemming kunnen enkele algemene basisprincipes worden aangegeven, maar uiteindelijk is de praktische uitvoering toch steeds maatwerk. De projecten die in het volgende hoofdstuk aan bod komen, zijn een greep uit wat in Vlaanderen al gebeurd is op dit vlak.

Bibliografie - Charter van Venetië, Internationaal Handvest voor behoud en restauratie van monumenten en stads- en dorpsgezichten, goedgekeurd op het 2de Internationale Congres van Architecten en Technici op het gebied van de monumentenzorg van 25-31 mei 1964 in Venetië. - Raad van Europa, Conventie van Granada, overeenkomst inzake het behoud van het architectonische erfgoed van Europa, 1985. - DE POOTER, P., De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in Staat en maatschappij, Larcier, 2002, p. 514.

M&L


tierbestemmiTig projeeten

van religieus erfgoed:

De selectie van 28 uiteenlopende herbestemmingen, waaronder 3 in waardevolle, hoewel niet-beschermde gebouwen, toont aan hoe ons religieuze erfgoed in de dagelijkse praktijk een nieuwe bestemming vindt en maatschappelijk relevant blijft. Dit ging niet altijd zonder slag of stoot. Soms waren toegevingen nodig van de erfgoedzorgers, soms van de eigenaar of van de beheerder van het gebouw. Verschillende van deze voorbeelden staan vandaag zelfs nog ter discussie in de erfgoedwereld of in kerkelijke kringen. Toch zijn het stuk voor stuk projecten met een interessant verhaal. De werkgroep 'Herbestemming kerken' (2004-2006) van de toenmalige afdeling Monumenten en Landschappen, die aan de basis lag van deze publicatie, was uitgegaan van acht voorbeeldprojecten, die deels werden opgenomen. Deze selectie werd aangevuld met voorbeelden, geselecteerd uit de voorstellen van de teams Onroerend Erfgoed van de buitenafdelingen van het Agentschap R-O Vlaanderen. Uiteraard was het niet mogelijk om alle herbestemmingen van religieus erfgoed op te nemen die al in Vlaanderen zijn gerealiseerd. Een bijzonder probleem bij elke herbestemming van religieus erfgoed is de manier waarop er met de kerk of de kapel wordt omgegaan. Daarom werd het aantal 'klassieke' herbestemmingen beperkt, waarbij de kerk of de kapel wordt gebruikt zoals ze is, zonder bijkomende ingrepen. Projecten als de Graethemkapel in Borgloon (nu cultureel centrum en tentoonstellingsruimte) en de kerk en het klooster van de ursulinen in Maaseik (nu muziekschool en tentoonstellingsruimte) werden daarom niet opgenomen in deze publicatie. Dat was ook het geval voor kerken die een museum geworden zijn, hoewel die herbestemming passend is en vaak ook inkomsten genereert. Een ander criterium was dat de kerk, of wat er nog van rest, deel moest uitmaken van het project. De herinrichting van religieuze ruimtes, bijvoorbeeld van de Magdalenakerk in Brugge door YOTb, werd evenmin opgenomen. Hoewel ook deze projecten inspirerend kunnen werken, zijn het geen herbestemmingen in de ware zin van het woord. Ook oudere of al goed gedocumenteerde voorbeelden werden niet geselecteerd, zoals de Minderbroederskerk in Mechelen (deel van het cultureel centrum), het domein Roosendael in Sint-Katelijne-Waver, het Celestijnenklooster in Heverlee (nu een bibliotheek van de K.U. Leuven), Alden Biesen in Bilzen, het Crauwzustersklooster in Hasselt (nu modemuseum), en nog heel wat andere. Andere, zeer recente projecten, zoals de herbestemming van de gedesaffecteerde Onze-Lieve-Vrouwekerk in Hoevenen tot concertzaal en tentoonstellingsruimte door de vzw Transept (www.kerkattenhoven.be), bereikten ons dan weer te laat om nog te kunnen worden opgenomen. De opgenomen projecten staan in chronologische volgorde, volgens het jaar waarin het project gestart is.


Overzicht

-

Cent, van Caermersklooster tot Provinciaal Centrum voor Kunst en Cultuur (01973) Kortrijk, van Croeningeabdij tot '1302' (01984) Leuven, van Predikherenkerk tot cultureel centrum (01992) Antwerpen, van Sint-Augustinuskerk tot muziekcentrum Amuz (01993) Mechelen, van cellenbroedersklooster De Noker tot kantoren van vzw Emmaüs (01994) Aalst, Van Heilige Geestkapel tot winkelruimte (01995) en van Zwartzusterskapel tot brasserie (O2004) Hees, van kerkruïne tot fietskluis (01996) Hasselt, van cisterciënzerinnenabdij Herkenrode tot integraal en maatschappelijk geïntegreerd erfgoedproject H 998) leper, van Sint-Niklaaskerk tot onderwijsmuseum (niet beschermd, 01998) Leuven, van abdij van Park tot open monumentenvereniging, erfgoedsite en museum (01998) Tongeren, van Sint-Jacobsgasthuis tot Forum Julium met Eburonhotel (°1998) Antwerpen, van Crauwzustersklooster tot Universiteit Antwerpen (niet beschermd, 01999) Sint Laureins, van Godshuis tot feestzaal en congrescentrum (01999) Wellen, van Sint-Rochuskerk tot begraafplaats (01999) Aarschot, van Sint-Elisabethgasthuis tot cultureel centrum (c2000) Antwerpen, van Kapucinessenklooster tot Instituut voor Tropische Geneeskunde (o2001) Gent, van Wolweverskapel tot kledingzaak (°2001) Tongeren, van Agnetenklooster tot kantoren Bijzonder jeugdzorg ("2001) Gent, van Bijlokeabdij tot Stadsmuseum Gent (°2002) Zoersel, van Bethaniënhuis tot gemeentelijk administratief centrum (niet beschermd, O2003) Leuven, van kapel van Iers college tot conferentiezaal (niet beschermd, O2004) Lier, van jezuïetenkerk en Augustinessenklooster tot concertruimte en muziekcampus (O2004) Hasselt, van Clarissenklooster tot multifunctioneel stadsproject voor senioren (O2005) Ruiselede, van kapel tot schoolgebouw voor lessen algemene vorming (O2007) Lo-Reninge, van Crauwzustersklooster tot stadhuis (O2008) Tongeren, van Predikherenklooster tot antiekzaak (O2008) Van parochiekerk tot archiefruimte (niet uitgevoerd project)


CENT

VAN CAERIVIEKSKLOOSTER TOT PROVINCIAAL CENTRU1VI VOOR KUNST EN CULTUUR

1720 het M^MW/^W^/opgetrokken rond een rechthoekige binnenplaats. De precieze bouwgeschiedenis van de kloosterkerk is niet bekend. De kern klimt op tot de 14de eeuw; de bewaarde elementen dateren echter voornamelijk van rond 1518, op het vroeg- 15de-eeuwse koor na. De orde werd tijdens de Franse Revolutie afgeschaft en haar bezittingen werden openbaar verkocht. Later slaagden enkele broeders erin om het klooster terug te kopen. O p 21 augustus 1797 werd Felix Pieyns door zijn medebroeders aangesteld als beheerder van de kloostergoederen. O p dat ogenblik waren er nog 17 caermers in Gent. Tussen 1797 en 1817 verhuurde Pieyns delen van het klooster als woning en magazijn. Zo werd in de refter en de bibliotheek de katoenspinnerij Delebecque ingericht, die er bleef tot 1837.

Geschiedenis De geschiedenis van het Caemersklooster in Gent werd in 1974 uitvoerig beschreven door de Gentse stadarchivaris Johan Decavele, naar aanleiding van de plannen voor de herwaardering van dit complex. De geschoeide karmelieten of caermers vestigden zich in 1272 in Gent. In 1287 bouwden ze hun klooster en kerk in de Lange Steenstraat. De wijk zou later de naam Patershol krijgen. Tijdens de Calvinistische Republiek van 1578 tot 1584 werden de karmelieten uit hun klooster verjaagd. Na hun terugkeer lieten ze de gebouwen restaureren. Maar aan het einde van de 17de eeuw was het complex alweer vervallen zodat in het begin van de 18de eeuw de bouw van een nieuw pand aangevat werd. Het kloostercomplex omvatte zo het Oud Pand rad de kerk en bijgebouwen (14de tot 18de eeuw). Het heeft een onregelmatig grondplan, aangepast aan de toen bestaande straten en de nu gedempte Leertouwersgracht. Ernaast werd in

M&L

De karmelieten kwamen overeen om hun klooster bij testament te schenken aan de kerkfabriek van Heilig Kerst in Gent. Die verwierf het volledige complex op 1 maart 1845. De laatste overlevende pater verkocht op 2 december 1840 een groot deel van de inboedel van de kerk aan de Augustijnen voor 2500 frank, om er de Sint-Stefanuskerk mee in te richten: de preekstoel, acht biechtstoelen, 400 kerkstoelen, het orgel met toebehoren, twaalf pilaarmedaillons met voorstellingen van heiligen, een Sint-Jozefbeeld, een Ecce Homo, de communiebank, het tabernakel en de kasten van de sacristie. De verkoop van meubelen aan de augustijnen was niet de eerste. Al in 1833 was de dubbele deur van het koordoksaal verkocht aan een Engelse brocanteur. In de loop der volgende jaren verwierven verscheidene kerken delen van het kerkmeubilair: het hoogaltaar kwam terecht in de kerk van de recolletten, delen van het doksaal in de parochiekerk van Boekhoute, beelden en meubilair in de kerk van Nazareth

De kerkfabriek van Heilig Kerst verhuurde de lege kerk als stapelplaats. Later werd het Gentse stadsbestuur er eigenaar van, die ze inrichtte tot O u d heidkundig Museum (1884-1925, tot dit naar de Bijloke verhuisde) en nadien tot museum voor Volkskunde (1932-1962). Uiteindelijk werd de kerk een stapelplaats voor decors van de Gentse Opera. Het kloosterpand werd verder opgesplitst in kleine delen en verhuurd. O p een gegeven ogenblik telde


Lange Steenstraat

Plattegrond van het Caermersklooster CU

begin 13 e eeuw

•

ca. 1329

•

ca. 1466

• 1

ca. 1474 I

begin 16 s eeuw ie fase

CZ]

begin 16e eeuw 2efase

I

het niet minder dan 104 woningen. Veel Gentse kunstenaars hadden hier een kamer of een atelier, wat niet zo verrassend is met de Academie in de buurt. Tijdens de Tweede Wereldoorlog liepen zowel de kerk als het klooster zware schade op, maar toch werden ze niet gerestaureerd.

Project Hoewel de belangrijkere en centraler gelegen kloosters van de minderbroeders en de dominicanen in Gent volledig of gedeeltelijk werden gesloopt - omdat ze op bruikbaar terrein lagen of om dwingende stedenbouwkundige eisen — bleef het Caermersklooster gespaard. Gealarmeerd door het dreigende verval van de kloosterkerk, installeerde toenmalige gouverneur De Kinder eind 1973 een bijzondere werkgroep. Die moest onderzoeken op welke manier de kerk en het kloosterpand gerestaureerd en beschermd konden worden en welke de beste herbestemming was. Elke optie moest ook een gunstige impact hebben op de hele Patersholwijk:

d l

begin 16" eeuw 3e fase

• i

ca. 1658-1661

•

ca. 1717-1720

•

ca. 1753

straten, de vervanging van oude buurten door flatgebouwen ... Het leefbaar houden of maken van oude woonkernen houdt echter meer in dan alleen maar het restaureren van afzonderlijke huizen of van hele huizenblokken. Ze moeten eventueel een nieuwe bestemming krijgen, die de oorspronkelijke woonfunctie zoveel mogelijk veiligstelt. De zorg voor het architecturale patrimonium mag zich niet keren tegen de (huidige of toe-

(Coprynght Provincie OostVlaanderen)

T De kerk van het Caermersklooster, aan de Lange Steenstraat in Gent

De laatste jaren is het besef gegroeid dat historische stadskernen beschermd en leefbaar gehouden moeten worden. Al te veel werd er gesloopt en opgeofferd aan de eisen van de moderne tijd: het nietsontziende verkeer, parkeerruimten, de modernisering van winkel-

M&L


komstige) bewoners: deze belangrijke sociale implicatie moet dan ook geïntegreerd worden in de historische, de kunsthistorische of de esthetische evaluatie. R. De Kinder, toenmalig gouverneur van OostVlaanderen, in het voorwoord bij Het Pand van de Geschoeide Karmelieten te Gent en de reanimatie van de wijk "Het Patershol", Provinciebestuur OostVlaanderen, Gent, 1974. De wijk vormde toen een probleemgebied in de Gentse binnenstad. De oude patriciërswijk was sinds het einde van de 19de eeuw stelselmatig ingenomen door de 'lagere' bevolkingsklassen. Na de Eerste Wereldoorlog kreeg ze een slechte faam. Het Patershol was een getto in het hart van de stad, een doorn in het oog van de goedmenende burger. De overheid zou ingrijpen, met de plannen voor het Caermersklooster als sleutelproject. Net als elke grootstad had Gent zijn traditie in het aanpakken van probleemwijken. Meestal bestond die erin de huizen op te kopen en af te breken, en de gronden te herbestemmen. Zo had in de wijk Rosier een arbeidersbeluik plaats moest maken voor de Boekentoren van de universiteit. Soms werden de ongewenste bewoners op een andere plaats gehuisvest. Maar in het Patershol, waar veel panden erfgoedwaarde hadden of beschermd waren als monument, konden de gebouwen niet gesloopt worden en moest een andere oplossing gevonden worden. Een eerste optie bestond erin enkele overwelfde waterlopen weer te openen en een aantal 19deDe sobere h e e u w s e delen van het Patershol te slopen, om er kerk wordt gebruikt een aantrekkelijk toeristisch geheel met horecazaals tentoonstellingsruimte

ken te creëren, naar analogie van de Brusselse Rue des Bouchers. Het Karmelietenklooster zou een hotel worden. Maar tegen deze louter toeristische reanimatie rees er verzet. Enkele actievoerders namen het op voor de belangen van de bewoners: ze wilden de woonsfeer en de volkse geest van de buurt bewaren en het toerisme er mijden. Zij dachten aan een bestemming van het klooster als internaat voor studerende kunstenaars met werkateliers en polyvalente zalen. Meer en meer jonge kunstenaars voelden zich immers aangetrokken door de goedkope woningen in de Patersholwijk. Zo werd het Paterhol in 1982 het eerste 'herwaarderingsgebied' van de stad Gent. Gerichte investeringen van verschillende overheden en particulier initiatief maakten van de wijk een aangename woonbuurt en trokken horeca aan. Ook het Caermersklooster krijgt uiteindelijk zijn nieuwe bestemming. In verschillende fasen wordt het gerestaureerd tot Provinciaal Centrum voor Kunst en Cultuur: - 1982-1985: restauratie van de infirmerie en de brouwerij; - 1986-1988: bouw van een nieuwe conciërgewoning; - 1991-1989: restauratie van de kerk tot tentoonstellingsruimte, het Oud Huis en de Lange Gang De kerk, een eenvoudige, witbepleisterde ruimte, al sinds 1840 zonder interieurelementen, wordt gebruikt zoals ze is, zonder bijkomende museuminrichting. In het tweede pandhof, sinds 1991 in handen van de stad Gent, kwamen er sociale woningen. Het laatste deel van het klooster, het eerste pandhof, wacht nog op restauratie en is ondertussen in uiterst slechte staat. Het restauratiedossier, één van de langstlopende in de geschiedenis van de provincie Oost-Vlaanderen, werd eind 2008 gegund. De restauratie zal gefaseerd verlopen. Dringende werken, als zwambestrijding en de consolidatie van een waardevol stucplafond, werden al uitgevoerd met onderhoudspremies. Met de restauratie van het eerste pandhof zal de volledige herbestemming van het Caermersklooster, waarvan de aanzet werd gegeven in 1973, een feit zijn. De wijk Patershol is ondertussen uitgegroeid tot een toeristische wijk, bekend voor zijn vele restaurants. Het Caermersklooster past, met zijn zachte, culturele herbestemming, perfect in dit plaatje.

M&L


Adres

Vrouwebroersstraat 4-8, 9 0 0 0 Gent

Bescherming

Beschermd als monument bij Regentsbesluit van 9/2/1946 (kerk) Beschermd als monument bij Koninklijk Besluit van 8/7/1970 (kloosterpand)

Project

Herbestemming van het Caermersklooster tot Provinciaal Centrum voor Kunst en Cultuur

Status

Uitgevoerd

Opdrachtgever

Provincie Oost-Vlaanderen

Bronnen

— Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen, Stad Gent 4na, Gent, 1976. — Het Pand van de Geschoeide Karmelieten te Gent en de reanimatie van de wijk "Het Patershol", Provinciebestuur Oost-Vlaanderen, Gent, 1974. Met bijdrage van Johan Decavele. — Van Caermersklooster tot cultuurcentrum, uitgegeven door het Provinciebestuur Oost-Vlaanderen, z.d.

Website

http://www.oost-vlaanderen.be/public/cultuur_vrijetijd/cultuur/ caermersklooster/index.cfm


KORTRIJK

VAN GROEMINGEABÜU TOT '1302'

Na de stichting van de nieuwe kloostergemeenschap van de arme klaren-coletienen, vestigden de zusters zich in 1842 in de buurt van het voormalige cisterciënzerinnenklooster. Ze slaagden erin hun bezittingen uit te breiden tot hun klooster zich uitstrekte over de kern van de voormalige Groeningeabdij. De vestiging van het nieuwe klooster (1845-1978) bracht ingrijpende veranderingen mee voor het complex. O p de plaats van de kapel kwam er een kerkpleintje met een spreekplaats, een keuken en een ziekenkamer. Tussen dit terrein en het dormitorium verrees aan de westzijde van het gesloopte kloosterpand een nieuwe eenbeukige kapel. De restanten van het kloosterpand werden gesloopt voor een binnenplaats met een sacristie, een viertal spreekplaatsen en de ingang van het slotklooster. Van het oorspronkelijke complex bleven dus enkel het dormitorium, het Patershuis en de noordwestelijke aanbouw en de noordgevel van de kapel bewaard.

Van Groeningeabdij tot Kortrijk 1302 in vier fasen A Het nieuwe grijs

gecementeerde

Geschiedenis

volume naast het

Q

dormitorium

e

abdij • i

van

•

Groeninge, een r

i

cisterciënzerinj •

nenstichting, was achtereenvolgens op drie verschillende plaatsen in Kortrijk gevestigd. Groeninge I ontstond vóór 1236 in de wijk Rodenburg in Marke. Groeninge II dateert van 1265-1267 en was gevestigd in de nabijheid van de huidige Abdijkaai. Deze abdij ging ten onder tijdens de godsdienstoorlogen. Haar opvolgster, Groeninge III, werd opgetrokken binnen de vesting Kortrijk, ten oosten van de Onze-Lieve-Vrouwekerk en de Kanunnikpoort. Na een bloeiperiode van twee eeuwen kwam er een einde aan Groeninge III. De zusters werden verdreven op 15 februari 1797. Het dormitorium en de achterlig-

Het abdij terrein werd vervolgens verkaveld, in vóór de werken l o t e n verkocht en de meeste gebouwen werden

gende gebouwen (Foto Oevolde Architecten)

1V1&L

ontmanteld of gesloopt. Het enige gebouw dat ongeschonden bleef, was het Patershuis van 1766. De kapel werd circa 1804 gesloopt, enkel de noordgevel en de westelijke aanbouw van 1615 bleven bewaard. In 1849 werd het dormitorium heringericht tot magazijn. In het vroegere abdissenkwartier kwam eerst een mechanische weverij, later een groothandel in voedingswaren.

De arme klaren, die het Patershuis en de abdijsite vanaf 1845 in handen hadden, verhuisden in 1978 naar hun zusterklooster in Roeselare en verkochten hun eigendommen in 1980 aan de tijdelijke vereniging van projectontwikkelaars Kortrijk Centrum Oost. Die wou de gebouwen afbreken en er een woon-winkelcentrum vestigen. De sloop van het Patershuis uit 1766 was in 1984 de eerste stap in die richting. Gealarmeerd door de teloorgang van dit Kortrijkse erfgoed en overtuigd van de waarde van de rest van de abdijgebouwen, besloot Emmanuel de Bethune, de latere burgemeester van Kortrijk, in allerijl een beschermingsprocedure voor de resterende abdijgebouwen in te zetten. Het beschermingsdossier was op korte tijd rond.


GROENINGE

— - INDICAT~UR - —

•t ^\

i

5UXS.T1ER CD SJRECTITJR Salon du Directaur 5 ai:» a manner Grande salie i. n 5or jardm QVAItTIE» DE S ABEES5I Salle a m a n g e r Son salon Bureau

Parloir E ^ e e prineipaic C r a m b r a de la porfcere Petif paripir Couloir v e r e ia a a c n s b e Samahe P a r t i ès 1 ejUoe poar it pubbc Chceur i*:. Dan-es CorieBsional P a r t e anKr] 5aü« da r e c e p t o : Passage Pctita tuiBine iuTron- dus aoeurs i &rande cuii Office L« Retectoire Cuvrwr d*s y j | i e u s e e

iï lJ i* \t 16 17 i8 iS to Bi tï 2i •4 Ï5 2S ij Chapilre

Ï6 App»rt*Ok«nt d«l«p.-ifiiie 13 S a n jaidir.

4 ! Oiaaftbr* du Docitaljqui 5o L c i - n e s «uJt "

J i Petjte m l i r m o n e M Orknde l i VMbbuls de 1 m C r m c r t e

Si 68 53 Ü i6 S6 6; S8

H Eectlnr vers 1 ««^« Ï7 it M *Ci « tl 43 *i.

Saüea du neviciat B i i n f h i t a t n * des Uirtec Seclioir &»rinou- des gri Braaaene D«pó( de la d r e c h a Chapelle N D aux * ii 45 Jirdui d e ! Abbeaae avtc dajendii •7 Aubetfes 40 O r a n j e

Apartem-nl d»« d Boutellei ie Porrhtr e Etaole a«X v a c h e s R t r n i a e p o u r »oifures Dep6t pour l e ^ i r n e s Swilïi^erte i bu m d t r n Four

— INDKATE'UR — a Chapelledel Ecce r.oiivo

Sr prei-u Cour Bass«-cour Verder Orand jara;r. Terrajn «teneur hors des iTura Jardjr. a fleu: s

Groeninge III bestond tijdens het Ancien Régime uit negen onderdelen. Het centrale complex behelsde de reguliere gebouwen. Rond een centrale binnenruimte met het pand en het grafveld bevonden zich vier vleugels die een gesloten geheel vormden. In het noorden, grenzend aan de Groeningestraat, lag de oost-westgerichte kapel, met de sacristie in het oosten en een aanbouw in het westen (1615). De zuidvleugel werd gevormd door het dormitorium uit 1597. Dit omvatte op de benedenverdieping van west naar oost: het verblijf van de priorin, de kapittelzaal, het dagverblijf van de koorzusters, de refter en de keuken. Op de bovenverdieping bevond zich het eigenlijke dormitorium. In de westvleugel waren de infirmerie of ziekenzaal en het verblijf van de rustende zusters ondergebracht. De oostvleugel omvatte de verblijven van de lekenzusters en een receptie. Het Patershuis - de woning en de tuin van de geestelijke directeur - stond op de hoek van de Houtmarkt en de Groeningestraat. Het derde deel van het complex, het abdissenkwartier, lag tussen het Patershuis en de abdijkern.

Een neerhof tussen de Houtmarkt en het dormitorium verzekerde de voedselvoorziening en de ambachtelijke productie. Het omvatte stallen, een wagenhuis, een grote bergschuur en de verblijven van de knechten en het lekenpersoneel. Tussen het neerhof en het dormitorium was een ommuurde siertuin aangelegd. Het zesde onderdeel, de grote boomgaard, lag tussen de ziekenzaal en de stadsgracht. Hij werd aan de noordzijde begrensd door het verblijf van de novicen, de blekerij, de graanzolder met droogast, de mestvaalt en de brouwerij. De kern van het huidige Begijnhofpark wordt gevormd door de grote tuin van de abdij. Van dit onderdeel bleef aan de zuidzijde de bakstenen omheiningsmuur met een verweerd witstenen opschrift bewaard. Tussen de grote tuin en de Lange Brugstraat bevond zich de besloten tuin van de abdis. Ten westen lag ten slotte een buitentuin tot tegen de stadsgracht. Bron: Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen, online inventaris via www.onroerenderfeoed.be


r-,

Interieur van het dormitonum

Perspectieftekening van de toestand na de werken (Copyright Devolder Architecten)

M&L


Monumenten en Landschappen, vroeg om de oor- 4 spronkelijke vorm en indeling van de raamopenin- En'<ele i m P r e s s l e s

^

1

^

, °

. jmmm

• • •JB|

.i

MM •• 11

Ml

'4

n

^

i

i

1

1

van de nieuwe

gen te herstellen. U p de beneden- en de eerste , . . ... r

.

toestand, tijdens de

v e r d i e p i n g zijn twee o p e n m u s e a l e r u i m t e n o n d e r - ontwerpfase g e b r a c h t , waarbij enkele e l e m e n t e n n o g verwijzen (Copyright Devolder J 1 I--I J iArchitecten)

naar de oorspronkelijke indeling, eveneens nog duidelijk te zien aan de grootte van de ramen. Zo suggereren toonkasten de plaats van vroegere binnenwanden. De werken, onder leiding van architect E.J. De Meyere, waren voltooid in 1992. Het museum is gewijd aan de geschiedenis van Kortrijk. De tweede fase, tussen 1996 en 1998, omvatte de reconstructie van de 16de-eeuwse cisterciënzerinnenkapel, waarvan na de Franse Revolutie enkel de noordgevel aan de kant van de Groeningestraat nog overeind stond. De reconstructie suggereert nu het volume van de kapel en werd uitgevoerd in traditionele materialen. Raamopeningen werden symmetrisch aangebracht. In het interieur is een open, metalen structuur ingebracht van twee verdiepingen, met een trappenhuis en een lift. De structuur staat los van de wanden, zodat het gereconstrueerde volume van de kapel steeds voelbaar is. De I6de-eeuwse kapel wordt door de stad gebruikt als tentoonstellingsruimte.

'

Met de reconstructie van de kapel werd echter een 'onmogelijke' toestand gecreëerd: twee kapellen op één abdijsite is historisch moeilijk denkbaar. In de

RELATIE TUSSEN DE PLEK EN HET PROJECT

Zodra de Groeningeabdij beschermd was, waren de gebouwen niet meer interessant voor de projectontwikkelaar. In 1984 kocht de stad Kortrijk zelf de overblijvende gebouwen om ze te restaureren en er een museum onder te brengen. Van meet af aan werd gedacht aan een museum rond de Guldensporenslag. De resten van de ooit zo grootse abdij waren in 1984 in uiterst slechte staat. De omvorming tot museum 1302 zou vier fasen omvatten. Eerst kwam het dormitorium aan de beurt. Het sobere gebouw onderging een zachte restauratie met maximaal respect voor de oude materialen en onderdelen. De structuur werd verstevigd met beton. Onroerend Erfgoed, toen nog de afdeling

Uiteraard is geen enkele stad in Vlaanderen beter geplaatst voor een museum over de Guldensporenslag dan Kortrijk. Ten tijde van de Guldensporenslag lag Groeninge II vlakbij het slagveld. De rol van de abdij bleef toen beperkt tot het begraven van enkele gesneuvelde ridders. Twee ridders werden met zekerheid in de abdijkerk begraven. Pas later, toen de legende van de verschijning van de OnzeLieve-Vrouw van Groeninge aan koning Sigis van Majorca opdook, trad de abdij op het voorplan en werd de Vlaamse overwinning toegedicht aan de 'Heilige Moeder Gods Maria van Groeninghe, die door haar miraculeus bilt in tjaer 1302 heeft ghegheven victorie'.

1V1&L


ontwerpfase werd lang getwijfeld tussen reconstructie of nieuwbouw met een hedendaagse vormgeving. Vanuit het standpunt van monumentenzorg zijn beide opties te verdedigen. Bij de reconstructie van de 16de-eeuwse kapel werd gekozen voor een open, metalen binnenstructuur, die losstaat van de wanden en die het koor zelfs vrijlaat. Zo blijft het ruimtegevoel in de kapel behouden - de bezoeker kan de kapel nog als één grote ruimte ervaren. Dit uitgangspunt, dat erg belangrijk is voor Onroerend Erfgoed, heeft echter wel een akoestisch nadeel: geluiden verspreiden zich gemakkelijk over de hele kapel, wat storend kan zijn voor de bezoekers. Fase drie en vier van het project liepen gelijktijdig. Fase drie bestond uit de restauratie en de herinrichting van de 19de-eeuwse Arme Klarenkapel. Ook hier werd een verdieping ingepast. De bovenverdieping, ingericht als filmzaal waar een film van Stijn Coninx over de Guldensporenslag te zien is, kreeg een hellend betonnen vlak. In de ruimte onder dat vlak, op de benedenverdieping, ligt een educatieve ruimte voor scholen die het museum bezoeken, waar de kinderen op een speelse manier toelichting krijgen voor het eigenlijke museumbezoek.

Bij fase vier was de uitdaging om de losse elementen van de site te verbinden tot een krachtig geheel met uitstraling. Het concept van de hele museumsite werd opnieuw overdacht. De site moest ook praktisch bruikbaarder worden: er was nood aan toiletten, een vestiaire, een cafetaria, opslagruimte, een herkenbare ingang en optimale circulatie voor de bezoekers. De inbreng van Toerisme Vlaanderen bood hier een oplossing. De Groeningeabdij werd uitgekozen als het streekbezoekerscentrum voor Kortrijk en de Leiestreek. Deze nieuwe functie maakte het mogelijk om op de site een nieuwbouw te financieren en ook de museumfunctie te versterken. De stad Kortrijk besliste eveneens om haar toeristische dienst in de Groeningeabdij onder te brengen. Bij het begin van de werken waren de gebouwen als volgt opgesteld: het dormitorium en de gereconstrueerde lóde-eeuwse kapel lagen parallel, respectievelijk aan de zuid- en de noordzijde. De 19deeeuwse kapel, op dat ogenblik verwaarloosd en leegstaand, stond haaks op de gereconstrueerde 16de-eeuwse kapel. De 16de-eeuwse kapel en het dormitorium hadden elk een eigen toegang en vooral het dormitorium was slecht toegankelijk, enkel via een rococotrap aan de oostzijde.

VOOR- EN NADELEN VAN HET GEBRUIK VAN EEN HISTORISCHE SITE De stad Kortrijk maakte de keuze om naast het museum 1302 ook het streekbezoekerscentrum en de toeristische dienst op de voormalige abdijsite onder te brengen. Ondanks de geringe afstand tot het stadscentrum (Markt) - 500 meter - hebben toeristen toch moeite om de beide informatiediensten te vinden. De associatie toeristische informatie/stadshart is blijkbaar heel sterk. De site is goed bereikbaar met de wagen, dankzij twee grote stedelijke parkeerterreinen vlakbij. Ze ligt op amper een kwartier loopafstand van het station, en toch wordt ook dit als een moeilijk punt ervaren. Er wordt nog gezocht naar een goede bewegwijzering naar het museum.


Het streekbezoekers centrum en de balie

Zicht van op de passerelle op de balie en de 'kloostertuin'

Enkele nieuw gebouwde elementen bieden onderdak aan het streekbezoekerscentrum. Ze zorgen voor een optimale circulatie en versterken de voormalige abdijsite planmatig. Een gesloten, gecementeerd, functioneel blok met een vestiaire, een stapelruimte en een cafetaria verrees aan de westzijde.

tegenover het dormitorium. Dit blok staat in verbinding met een centraal, hoog, beglaasd volume van twee verdiepingen, dat aan het dormitorium en aan de 19de-eeuwse kapel raakt. Aan de oostzijde eindigt het op een glazen corridor, die de verbinding vormt tussen het dormitorium en de


A De voelmuur

De filmzaal in de

op de vroegere

19de eeuwse kapel

buitenmuur van de 19de eeuwse kapel

16de-eeuwse kapel. Tussen het centrale, beglaasde volume en de beide kapellen ligt er nog een open binnenruimte, die herinnert aan de voormalige kloostertuin - hoewel die uiteraard niet exact op deze locatie gelegen was. De vormgeving van deze nieuwe delen is sober en hedendaags, conform de richtlijnen van het Charter van Venetië. De eenvoud van de materialen en van de architecturale vormgeving behouden de focus op de historische elementen. De doorzichtige constructie laat de

M&L

historische gebouwen ook in hun geheel zichtbaar. De buitenruimte van de voormalige abdijsite vormt een troef in dit project. De stad kocht de voormalige abdijtuin mee aan en vormde hem om tot het Begijnhofpark, een aangenaam groen kader voor het museum. Scholen en jeugdgroepen vormen een belangrijk deel van het publiek en kunnen voor en na het museumbezoek veilig spelen in het park.


1302 De museumbezoeker komt het museum binnen via het gecementeerde blok en gaat naar het centrale, beglaasde volume, waar hij het streekbezoekerscentrum en de balie van de toeristische dienst van Kortrijk vindt naast de toegang tot het museum 1302. De rondgang van het museum begint met een bezoek aan het dormitorium, dat nu beter toegankelijk is, dankzij trappen en een lift die in het nieuwe, beglaasde volume werden ingebracht. Via de glazen corridor gaat de bezoeker vervolgens naar de I6de-eeuwse kapel. De corridor wordt buiten aan de oostzijde geflankeerd door een grote maquette van Kortrijk ten tijde van de Guldensporenslag. Beeldschermen aan één zijde van de corridor vertellen het verhaal van de slag. Aan de andere kant is er een voelmuur, waar bezoekers het gewicht van een maliënkolder kunnen voelen, of de scherpte van sporen kunnen testen. O p de benedenverdieping van de 16de-eeuwse kapel bevindt zich een beperkt aantal museumob-

jecten, die verband houden met de Guldensporenslag. Van de slag zelf bleven immers weinig materiële resten bewaard en op het slagveld staat nu een woonwijk, wat het weinig waarschijnlijk maakt dat er nog relicten gevonden worden via opgravingen. De eerste verdieping brengt het verslag van de slag: hoe het beeld van de Guldensporenslag in de loop van de eeuwen geëvolueerd is; hoe de slag in de vergetelheid raakte en weer werd opgevist; en hoe hij uiteindelijk verschillende ideologische doelen is gaan dienen. Ook de mythes rond de slag worden geïllustreerd. Aan het einde van de rondleiding arriveren de bezoekers in de 19de-eeuwse kapel voor de film van Stijn Coninx over de Guldensporenslag. Als ze de filmzaal verlaten, komen ze weer in het beglaasde, centrale volume, waar het bezoek eindigt. Het museum 1302 opende zijn deuren op 2 mei 2006 en mocht sindsdien al 82.000 bezoekers verwelkomen.

Adres

Groeningestraat z. nr., Kortrijk

Bescherming

Beschermd als m o n u m e n t bij Ministerieel Besluit van 18/12/1975 en 21/08/2003.

Project

Herbestemming van de voormalige Groeningeabdij in Kortrijk tot museum voor de Guldensporenslag 1302 en streekbezoekerscentrum

Status

Uitgevoerd

Opdrachtgever

Stad Kortrijk

Ontwerper

Devolder architecten, Kortrijk

Bronnen

— Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen, online inventaris via www.onroerenderfgoed.be — VANBOSSELE, J., Geschiedenis van de Groeningeabdij in Kortrijk, 1236-1797 — D E B E T H U N E , E., Gedachten en herinneringen. Kortrijk van 1964 tot 2000, Kortrijk, Groeninghe, 2006. — www.devolderarchitecten.be — Gesprek met Greet Verschatse, Stedelijke Musea Kortrijk. - G e s p r e k met Mieke Strosse, Devolder architecten. Kortrijk.

Website

www.kortrijkl302.be


LEUVEN

VAN O.L.V. TER PREDIKHERENKERK TOT DEEL VAN HET CULTUREEL CENTRU1VI

kregen de dominicanen minder aandacht van de nieuwe hertog Jan 1, die zijn hof verplaatst had naar Brussel. Dit zou mee kunnen verklaren waarom de laatste traveeën van het schip veel eenvoudiger en minder rijk werden uitgewerkt, waardoor de kerk een merkwaardig heterogeen gebouw is geworden. Het interieur wordt getypeerd door een laat 18e eeuwse aanpassing (stucwerkversiering, altaren, lambrisering, toegevoegd noordportaal,...), naar ontwerp van Nicolaas Corthout, die tot doel had het zichtbare verschil tussen de twee bouwfasen weg te werken. Na de Franse revolutie deed de predikherenkerk dienst als parochiekerk. In 1937 maakte ze deel uit van de eerste reeks beschermde monumenten van Leuven. Tijdens de Tweede Wereldoorlog liep de kerk ernstige schade op, die pas in 1961 volledig hersteld zou zijn. Uiteindelijk werd de kerk eigendom van de Stad Leuven. Vanaf de jaren 1960 daalde het aantal parochianen. Tot in 1985 deed de kerk nog dienst als universitaire parochiekerk, maar uiteindelijk volgde een lange periode van leegstand en verval.

Project

Geschiedenis De dominicanen of predikheren kwamen in 1228 in Leuven aan. Ze kregen van hertog Hendrik I van Brabant toestemming om zich binnen het voormalige hofcomplex op 's Hertogeneiland — tussen de hoofdarm van de Dijle en een aftakking, de Aa, te vestigen en de hertogelijke kapel te gebruiken. Uiteindelijk zouden de hertogen van Brabant het volledige terrein schenken aan de predikheren tussen 1256 en 1305. O p het terrein bouwden de kloosterlingen een groot klooster met kerk. Alleen de kerk zou de woelige tijden na de Franse revolutie overleven. In feite is ze de oudste gotische kerk in Leuven. Tot in 1273 stonden de dominicanen bij de hertogen van Brabant in hoog aanzien. H u n kerk deed zelfs een tijd dienst als hertogelijke grafkapel. Dit uit zich in de eerst opgerichte oostpartij, in een vooruitstrevende vormentaal, naar model van de Sainte-Chapelle in Parijs. Na 1273

1VI&L

In feite bestonden er al plannen om de kerk te restaureren in 1962. Aan de Leuvense architect Vandendael werd toen opdracht gegeven om de kerk op te meten, met de bedoeling om een restauratiedossier op te starten. Geld voor de restauratiewerken was er echter niet. Een probleem daarbij zou geweest zijn dat de prioriteiten voor Leuven op het vlak van restauratiekredieten bij de Sint-Pieterskerk en de Sint-Michielskerk zouden liggen. Verschillende pogingen van de stad om sponsors te

Oe Predikherenkerk

(Bron: archief van

met haar volledige

de afdeling R-0

inrichting

Vlaams-Brabant)


STAD

/

LEUVEN

Grondplan

O.L.VROUW-TEN - PREDIKHERENKERK AANDUtDINGSPLAN

FASE

Ml

n ... „ M M a ]

NOOROGEVEL

(Bron: archief van de afdeling R-0 Vlaams-Brabant)

Het interieur van de Predikherenkerk nu

vinden voor de restauratie, liepen op niets uit. O p 28 november 1991 werd een erfpachtovereenkomst gesloten tussen de stad en de vzw Stichting Monumenten en Landschappen. Deze vzw zou de kerk in erfpacht nemen voor de duur van de werken en de gelden van de restauratiepremie kunnen ontvangen.

De kerk zou omgevormd worden tot polyvalente zaal ten dienste van het nabijgelegen cultureel centrum "Romaanse poort". Tussen 1992 en 1996 werd een zachte restauratie uitgevoerd, een consolidatie met minimale wijzigingen t.o.v. het huidig voorkomen, naar ontwerp


Een deel van het interieur is tot op heden nog niet gerestaureerd: de altaren in koor en zijbeuken wachten nog op restauratie. De lambrisering, schilderijen en beelden zijn nog niet herplaatst. Twee altaren en het koorgestoelte werden gedemonteerd en zijn ook nog niet herplaatst, omwille van plaatsgebrek. Na de restauratie werd de kerk binnen het Leuvense culturele centrum hoofdzakelijk gebruikt voor concerten en tentoonstellingen. Ook het bekende 'Boombal' werd er georganiseerd, tot de brandweer dit verbood omwille van de beperkte nooduitgangen. De meningen binnen de erfgoedsector over deze herbestemming lopen uiteen. De nieuwe functie als polyvalente zaal wordt door sommigen als positief ervaren, na zoveel jaren van leegstand en verval.

van architect Walter Slock van het toenmalige Bestuur Monumenten en Landschappen. Hierbij werden de daken in orde in gebracht, gevels zacht aangepakt. In het interieur werd een polyvalente ruimte nagestreefd (er werd een vloerverwarming geplaatst met stroomvoorzieningen, en enige ingrepen in sacristie en dormitorium voor het functioneel gebruik).

Thomas Coomans, Anna Bergmans en Waker Slock wijdden in 2005 een uitgebreid M & L artikel aan de herbestemming van de Predikherenkerk. In feite is hun conclusie dat de huidige herbestemming van de kerk de cultuurhistorische betekenis van het gebouw — oudste gotische kerk van Leuven, hertogelijke grafkerk - onvoldoende naar waarde schat. Ze ervaren met name het niet terugplaatsen van bepaalde interieurelementen als een historisch en artistiek gemis.

Adres

Onze Lieve Vrouwstraat, z. nr. 3 0 0 0 Leuven

Bescherming

Beschermd als monument bij Koninklijk Besluit van 1/2/1937

Project

Herbestemming van de Predikherenkerk tot deel van het cultureel centrum

Status

Uitgevoerd

Opdrachtgever

Stad Leuven

Bronnen

— Bouwen door de eeuwen heen, online inventaris via www.onroerenderfgoed.be — 'Van hertogelijke grafkerk tot studium generale: De Onze-Lieve-Vrouw-terPredikherenkerk in Leuven', door Thomas Coomans en Anna Bergmans, gepubliceerd in M & L 24/5, 2005. — Ontwerpverslag van het plaatsbezoek aan de predikherenkerk te Leuven, KCML, 8 april 1993. Archief van de afdeling R-O Vlaams-Brabant, Onroerend Erfgoed.

Website

1VI&L


ANTWERPEN

VAN AUGUSTINUSKERK TOT AUGUST1NUS MUZIEKCENTRUIVI De huidige concertzaal van AM UZ, het Augustinus Muziekcentrum, was ooit de kloosterkerk van de paters augustijnen. Deze orde vestigde zich vierhonderd jaar geleden in Antwerpen, waar ze het gebouw van een pas verhuisde brouwerij in de Everdijstraat kreeg toegewezen. Door aankopen en bijbouwen konden de paters het klooster drastisch uitbreiden tot het zeventig jaar later het hele gebied tussen de Everdijstraat, de Kammenstraat en de Oudaan innam. Ze richtten ook een school op. De kerk was het eerste grote bouwproject van het latere augustijnenklooster. Ze werd tussen 1615 en 1618 opgetrokken in een vroege barokstijl onder leiding van architect Wenzel Cobergher. Deze architect, waterbouwkundige en oudheidkundige speelde een cruciale rol bij de introductie van de barok in onze streken. Als hofarchitect van Albrecht en Isabella ontwierp hij de belangrijkste vroege barokkerken van Vlaanderen. Sinds de sloop van de Brusselse karmelietessenkerk in 1785 is de Sint-

Augustinuskerk de oudst bewaarde barokkerk in Vlaanderen. Klooster en school werden in de vroege 19de eeuw gesloopt. In 1803 werd de kloosterkerk een parochiekerk. De Sint-Augustinuskerk kreeg een bijzonder waardevol meubilair en kunstbezit dat grotendeels bewaard is gebleven. Beroemd zijn de drie grote barokaltaren met monumentale altaarschilderijen: Het mystiek huwelijk van de H. Catharina door P. P. Rubens, De extase van de H. Augustinus door A. Van Dijck en De marteling van de H. Apollonia De Augustinuskerk door J. Jordaens. In afwachting van een optimale ln de l(amme''straal inrichting bevinden deze indrukwekkende kunstwerken zich in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten. Andere indrukwekkende elementen zijn de preekstoel, het hoofdaltaar en de communiebank van H. E Verbrugghen. In de zuiderbeuk geeft een poort toegang tot de Onze-Lieve-Vrouwekapel. Deze winterkapel dateert van 1857 en is een merkwaardig voorbeeld van neo-Byzantijnse architectuur naar ontwerp van architect J. De Ro met overweldigende muurschilderingen van Joseph Bellemans. In 1939 werden de Sint-Augustinuskerk en haar bijgebouwen beschermd als monument. De parochie werd opgeheven in 1976. Daarna stond het gebouw te verkommeren.

Project De kerk werd uiteindelijk door het bisdom aan de stad Antwerpen geschonken. Die overwoog eerst om in de kerk een museum voor religieuze kunst

M&L


• Het grondplan vóór de herbestemming (Bron: Bouwen door

onder te brengen. Het gebouw leende zich echter moeilijk voor die functie, vooral wegens plaatsgebrek. Bovendien waren er weinig uitbreidingsmogelijkheden.

de eeuwen heen in Vlaanderen, deel 3nb, Stad Antwerpen)

In 1993 werd Antwerpen culturele hoofdstad van Europa. In de Augustinuskerk vonden toen een aantal concerten plaats, voornamelijk van oude muziek. Ze bouwden voort op de concertreeksen rond oude muziek die sinds 1948 in het Rubenshuis plaatsvonden. De kerk bleek hiervoor wel zeer geschikt. De stad Antwerpen besliste dan ook om er een Centrum voor Oude Muziek in te richten, in samenwerking met het Festival van Vlaanderen dat in de bijgebouwen zijn secretariaat vestigde. O p 27 juni 2001 werd de vzw Augustinus opgericht die moest zorgen voor een coherenter, krach-

Het grondplan na de herbestemming. Bemerkt het nieuwe toegangsgebouw aan de Kammenstraat (groen). De O.L.V.kapel werd aan de rechterzijde uitgebreid met een nieuwbouwgedeelte (Copyright Vanhecke S Suis. Wilrijk)

0 x -^

©


Zicht van het podium naar de zaal

•4 De Onze-Licve-

tiger en professioneler beheer en voor een optimale afstemming van de functies en activiteiten in het Muziekcentrum Augustinus. O p 13 januari 2006 opende A M U Z - Augustinus Muziekcentrum - zijn deuren in de gerestaureerde Sint-Augustinuskerk. Sindsdien vinden de Concerten Oude Muziek er een vast onderkomen. Als concertzaal is de kerk vandaag het hart van het Augustinus Muziekcentrum. Deze nieuwe bestemming vereiste wel wat aanpassingen.

Vrouwekapel, ingericht als foyer

Herbestemming De kerk en de kapel worden gerestaureerd naar plannen van het architectenbureau Vanhecke & Suis uit Wilrijk. Gezien het zeer waardevolle karakter van het interieur en het uitzonderlijke kunstbezit werd er geopteerd voor een strikte restauratie en revalorisatie van de historische binnenruimte zonder inbreng van nieuwe elementen. De kerk kreeg verwijderbare stoelen en podia. Dat maakt diverse zaal- en podiumopstellingen mogelijk. De doopkapel is bewaard en de preekstoel van Hendrik Frans Verbruggen blijft op zijn oorspronkelijke plaats, ook al beperkt hij het aantal zitjes in de concertzaal. Een voorafgaand historisch en materiaal-technisch onderzoek reikte gegevens aan over de oorspronkelijke afwerking van het interieur. De volledige restauratie van het interieur zal in 2009 afgerond zijn.

De bestaande bijgebouwen kregen een nieuwe functie. De voormalige kosterswoning werd ingericht als kantoorruimte, de majestueuze OnzeLieve-Vrouwekapel doet dienst als foyer. Het publiek bereikt de concertzaal langs de foyer.


De oorspronkelijke hoofdingang van de kerk in de Kammenstraat, onder het oksaal, is nu een nooduitgang en kan bij grotere evenementen worden gebruikt als tweede uitgang. De poort in de noordelijke zijbeuk doet eveneens dienst als nooduitgang naar de Everdijstraat.

• Het nieuwe toegangsgebouw aan de Kammenstraat, rechts op de foto

De herbestemming ging gepaard met enkele nieuwbouwprojecten. Het opvallendst zijn het toegangsgebouw voor het publiek in de Kammenstraat, en de goed uitgeruste artiestenloges aan de achterzijde van het complex. Voor het toegangsgebouw werd een bestaand pand afgebroken, de nieuwbouw achteraan kwam er op het terrein van de politie in de Oudaan. In ruil kregen de politiediensten kantoren op de benedenverdieping van de nieuwbouw.

1VI&L

Een hellend vlak vangt het niveauverschil op tussen de nieuwbouw aan de Kammenstraat en de Onze-Lieve-Vrouwekapel. Zo zijn de foyer en de concertzaal ook voor rolstoelgebruikers gemakkelijk toegankelijk. De kaartverkoop en de receptie bevinden zich vooraan in het toegangsgebouw. In de bovenliggende ruimten zijn bijkomende kantoren ingericht.

De bestemming als muziekcentrum vergde ook technische aanpassingen, die alle werden uitgevoerd met het grootste respect voor het monument. Publiek en muzikanten, maar ook kunstwerken en muziekinstrumenten profiteren van een uitgekiende klimaatregeling, die wordt verzorgd met verdringingslucht. Het principe is eenvoudig: op diverse plaatsen langs de muur wordt verwarmde verse lucht met de juiste vochtigheidsgraad de zaal ingeblazen via armaturen op vloerhoogte. In de apsis zorgen onzichtbaar opgestelde roosters voor afzuiging. Bij deze ventilatie wordt geen luchtverplaatsing of geluid waargenomen. De technische installaties voor de klimaatregeling en de vloerverwarming werden onder de kerkvloer geplaatst. Hiervoor werd de vloer tijdelijk verwijderd, wat een


ideale gelegenheid bood voor archeologisch onderzoek. Dankzij een gesofistikeerde geluidsisolatie heeft het centrum een muisstille zaal te midden van het stadsgewoel. Aan de buitenzijde van de kerk werden geluidswerende voorzetramen geplaatst. Die bestaan uit een metalen raamkader dat de omtrek van de oorspronkelijke raamnissen volgt. Hierin bevindt zich een zeer dikke, gelaagde glasplaat met een speciale akoestische folie. Samen met het loodglas en de voorzetbeglazing uit de jaren 1970, vormt deze beglazing nu een systeem van drie lagen met twee luchtspouwen. De dubbele geïsoleerde vloer boven het schipgewelf, dus op de zolder van de kerk, draagt samen met de voorzetbeglazing bij tot de akoestische isolatie van de concertzaal. Ook de akoestiek werd geoptimaliseerd. Akoestiek is hoofdzakelijk een kwestie van nagalm. Zonder ingrepen bedraagt de nagalmtijd in de Sint-Augustinuskerk drie seconden. Dat is het maximaal aanvaardbare voor de beoogde concerten, maar een verlaging tot twee seconden wordt als optimaal beschouwd. O m dat te bereiken werden gordijnen geplaatst voor de veertien ramen van het schip. Ook de ramen in het koor kregen gordijnen om een egaal totaalbeeld te verkrijgen. Dit geeft meteen de mogelijkheid om de kerk te verduisteren.

Besluit Met de herbestemming van de voormalige SintAugustinuskerk als concertzaal is de teloorgang van

• De herbestemde

een van de vroegste barokkerken van Vlaanderen voorgoed afgewend. Bovendien speelt het gebouw, dankzij het internationale profiel van de concertprogrammering, opnieuw een rol in het brede sociale en culturele leven van Antwerpen, van de regio én van Vlaanderen.

Adres

Kammenstraat 7 3 , 2 0 0 0 Antwerpen

Bescherming

Monument, Koninklijk Besluit van 20/02/1939

Project

Herbestemming tot Augustinus Muziekcentrum

Status

Voltooid, op de interieurrestauratie na die zal klaar zijn in 2009

Opdrachtgever

Stad Antwerpen vzw Augustinus

Ontwerper

Vanhecke & Suis architecten. Wilrijk

Bronnen

— Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen, Stad Antwerpen, 3nb, Gent, 1979. — Laatste restauratiefase AMUZ ingezet, in: Renoscripto, nr. 54, sept./okt./nov. 2008, p. 36-41. — Kandidatenfiche Vlaamse Monumentenprijs 2006, ingediend door Koen Fraberg van A M U Z . — Ontwerptekst door Madeleine Manderyck, Agentschap R-O Vlaanderen — Informatie van de website www.amuz.be

Website

www.amuz.be

Augustinuskerk in Antwerpen, een kwaliteitsvol samenspel van oud en nieuw

M&L


MECHELEN

VAN CELLENBROEÜERSKLOOSTER DE MOKER TOT KANTOREN VOOR v z w EA/IIVIALIS

In het begin van de 20ste eeuw verlieten de alexianen het klooster, dat in handen kwam van de zusters franciscanessen. Zij zetten zich actief in voor de zorg voor de armen, zieken en kinderen uit de buurt. Bij bouw- en verbouwingswerken verdween de pracht van het alexianenklooster echter volledig achter verlaagde plafonds en valse wanden. Na 1910 werd het gebouwencomplex een onoverzichtelijk kluwen van ruimten en circulatiepatronen. Een gebrek aan onderhoud leidde in de loop van de jaren bovendien tot heel wat schade. In de jaren 1980 werd de buurtwerking van de franciscanessen overgenomen door de georganiseerde hulpverlening. Het klooster kwam grotendeels leeg te staan. De kinderopvang werd overgedragen aan het aartsbisdom en in 2000 verhuisden de zusters naar Gooreind. In 1985 werd het voormalige Cellenbroedersklooster beschermd als monument.

Project In 1994 vroeg Kind en Gezin of de Duffelse vzw Gezondheidszorg Covabe (Convent van Bethlehem) bereid was het kinderopvangcentrum Maria

Vergaderzaal in het hooghuis aan de

Geschiedenis Tussen de EdgardTinellaan, de Sint-Katelijnestraat, de Nokerstraat en de Goswin de Stassartstraat in Mechelen lag lange tijd een bijzonder monument met een hoge historische waarde verscholen. Pas in 2005 kwam het uitzonderlijke karakter van dit complex aan het licht, toen de restauratie en herbestemming afgerond waren. De geschiedenis van De Noker begint in de vroege 14de eeuw. Toen was er op deze plaats een instelling gevestigd die zich met armen- en ziekenzorg inliet. Van dit 'Godshuis van de Heilige Drievuldigheid' rest vandaag nog het ossenbloedkleurige hooghuis, de blikvanger van De Noker aan de Tinellaan. In de 17de eeuw kwam het complex in handen van de cellenbroeders of alexianen en werd het bestemd voor de opvang van geesteszieken. Eind 17debegin 18de eeuw verbouwden de broeders delen van het oude pand en trokken er een nieuwe vleugel op. Uit deze periode zijn veel interieurelementen bewaard, onder andere indrukwekkende stucplafonds, die bij de restauratie bijna allemaal in ere konden worden hersteld.

M&L

Tinellaan


Plattegrond van het Cellebroedersklooster na de werken, met kloostercomplex ( I ) en kapel (2). Van de noordvleugel van het kloostercomplex aan de Tmellaan werd een deel afgebroken (Bron: Bouwen door de eeuwen heen, deel 9n, p. 345)

Overgang tussen de nieuwbouw en het hooghuis

Assunta, op de hoek van de Tinellaan en de Katelijnestraat in Mechelen, over te nemen. Het hoekpand, met een vormgeving uit de fifties, bleek echter niet meer te voldoen aan de eisen voor een moderne kinderopvang. Bij een bezoek aan de buurt stootten de bestuurders van Covabe er op een nabijgelegen oud en verwaarloosd kloosterpand, het voormalige Cellenbroedersklooster. De benedenverdieping was volledig verbouwd en bood onderdak aan een buurtwerking voor migranten en de verkoop van tweedehandskleren. De hogere verdiepingen waren vervallen en op zolder gaven gaten in het dak weer en wind vrij spel. Precies in deze periode planden de zusters van het Convent van Bethlehem een verbouwing van hun klooster in Duffel. De coördinatiediensten van de vzw Gezondheidszorg Covabe, die tot dan toe onderdak hadden in dit klooster, zouden dus wel eens op zoek moeten naar een nieuw adres. Zo kreeg een ambitieus plan stilaan vorm. De vzw ging akkoord om het kinderopvangcentrum Maria Assunta over te nemen, maar stelde als voorwaarde dat het hoekgebouw zou worden afgebroken en vervangen door een nieuwbouw. Overleg met de bevoegde administratie en minister maakte de weg hiervoor vrij. De ontdekking van het nabijgelegen oude klooster bood een oplossing voor de huisvesting van vzw

IVI&L


• De kloostergang met fraaie stucplafonds

De restauratie en herbestemming vormden een complexe opgave. Door de verbouwingen van de franciscanessen was het oude Cellenbroedersklooster onherkenbaar veranderd. Gelukkig ging achter de valse wanden en plafonds nog de oorspronkelijke pracht schuil. De restauratie kwam dan ook in eerste instantie neer op demonteren: systematisch werden alle storende toevoegingen weggenomen, waarbij de oude structuur en waardevolle elementen weer zichtbaar werden. Voor elke ruimte werd de geschiedenis gereconstrueerd en werd beoordeeld tot welke fase ze zou worden 'teruggerestaureerd', op basis van aanwezige erfgoedkenmerken. Wat verdwenen was, werd ofwel aangevuld wanneer er voldoende referentiemateriaal was, ofwel vervangen door een sobere, kwaliteitsvolle, nieuwe inbreng.

Zaal Heembeemd ingericht als vergaderzaal

Covabe. Het gebouw was beschermd als monument, wat inhield dat de vzw, onder bepaalde voorwaarden, tot 8 0 % subsidiëring kon krijgen voor de restauratie. In september 1994 kocht ze het complex over van het aartsbisdom. Daarna begon het restauratie- en herbestemmingsproject, dat in 2005 voltooid was.

M&L

Waardevolle toevoegingen die niet behoorden tot de bouwfase waarnaar een ruimte werd teruggebracht, bleven toch bewaard. Het beste voorbeeld was te vinden in de huidige zaal Heembeemd. Voor de start van de werken had ze een vroeg-twintigste-eeuws uitzicht, met een verlaagd plafond, linoleum op de vloer, houten lambriseringen met kleurrijke alpenlandschappen erboven en een ouder element: de 17de-eeuwse schouw. Het verlaagde plafond verborg een uiterst waardevol stucplafond uit de late 17de-vroege 18de eeuw, dat bij de


De kapel vóór de

(Bron: Bouwen door

werken, met vals

de eeuwen heen,

plafond

deel 9n, p. 346)

De kapel, nu een De heraangelegde

polyvalente ruimte

binnentuin

1111|| f

llllllll


schouw hoorde. Bij de restauratie werd de afwerking uit deze periode hersteld. Toch werden de alpenlandschappen bedekt met Japans papier en zo voor het nageslacht bewaard. Het project omvatte ook een nieuwbouw op de plaats van de noordvleugel, die rond 1910 te ingrijpend verbouwd was. Die kreeg een radicaal hedendaagse vormgeving, zoals het Charter van Venetië voorschrijft. Na de afbraak van de noordvleugel kreeg een team archeologen de tijd om de vrijgekomen site te onderzoeken - net zoals bij alle andere ingrepen in de ondergrond tijdens dit project. Dankzij de omvang van het complex en dankzij de ruimte die na de afbraak van de noordvleugel vrijkwam voor een nieuwbouw - die oplossingen bood voor de interne circulatie en organisatie verenigt het gerestaureerde Cellenbroedersklooster nu twee functies. Enerzijds is het de kantoorruimte van de vzw Emmaüs, die in 1998 werd opgericht door het Convent van Bethlehem en de C M Mechelen. Anderzijds staat de benedenverdieping.

met de kapel (polyvalente ruimte, op te stellen als auditorium of tentoonstellingsruimte), de pandgang, de binnentuin en de aanpalende schitterende historische zalen ter beschikking van sociaal-culturele organisaties. De Noker is nog op vele andere momenten toegankelijk voor een ruim publiek. De vzw Emmaüs is immers ook een Open Monumentenvereniging geworden.

Besluit De herbestemming van De Noker is in meer dan één opzicht geslaagd. Niet alleen blijft het complex bewaard in dezelfde 'geest' als die waarin het jarenlang gebruikt werd — de vzw Emmaüs groepeert immers meer dan twintig zorgvoorzieningen - ook maakt het publieke aspect van de nieuwe bestemming een waardevol stuk erfgoed toegankelijk. De beheerders hebben optimaal gebruikgemaakt van de kansen die het beschermde monument en de monumentenzorgwetgeving boden. De subsidiëring was substantieel, maar geeft uitzicht op een lang, nieuw, maatschappelijk ingebed leven voor dit uitzonderlijke complex.

Adres

Edgard Tinellaan IC, 2 8 0 0 Mechelen

Bescherming

Monument, Besluit van de Vlaamse Executieve van 02/05/1985

Project

Herbestemming van het cellenbroedersklooster De Noker tot kantoren voor vzw Emmaüs

Status

Uitgevoerd in 2005

Opdrachtgever

vzw Emmaüs

Ontwerper

Hilde Vermolen

Bronnen

- V A N WESENBEECK, S., De noker herboren, Mechelen, 2005. -Bouwen door de eeuwen heen. Deel 9n. Stad Mechelen. Binnenstad, Gent, 1984.

Website

http://www.emmaus.be/

1


AALST

VAN HEILIGE GEESTKAPEL TOT WINKELRUllVITE EN VAN ZWARTZUSTERSKAPEL TOT BRASSERIE Heilige Geestkapel in de Kattestraat De Heilige Geestkapel in de Kattestraat in Aalst maakte deel uit van het Heilige Geesthuis, een instelling voor armenzorg, en dateert mogelijk van rond 1470. De kapel werd ontheiligd tijdens de Beeldenstorm (1582), maar kon vermoedelijk vrij vlug hersteld worden. In de daaropvolgende eeuwen onderging ze nagenoeg geen veranderingen. Ze was eigendom van wat later de Commissie van Openbare Onderstand zou worden. Tussen 1901 en 1909 werd de kapel met twee traveeën verlengd naar ontwerp van architect J. Goethals. Ze werd volledig neogotisch ingericht, met een houten tongewelf, decoratieve en figuratieve schilderingen opde muur en op doek van o.m. Frans Coppejans en een glasraam van Jozef Casier. Vanaf 1958 verhuisden de diensten en kwamen alle gebouwen van de Commissie van Openbare Onderstand in de Kattestraat leeg te staan. In 1966 werd een beschermingsaanvraag voor de kapel ingediend en, nadat ze verkocht werd in 1973, werd ze bij Koninklijk Besluit van 12 november 1975 beschermd als monument. In 1979 brandde het dak af bij herstellingswerken aan de goten. De beschilderde muren en het glasraam bleven gelukkig gespaard. In het Europese jaar voor de stadsvernieuwing 1980 werden de gebouwen naast de kapel gesloopt. De kapel zelf bleef overeind dankzij haar bescherming als monument.

bevoegde minister willigde in 1990 toch de vraag voor declassering in. Ter voorbereiding van de demontage en heropbouw van de kapel werden de afwerkingslagen onderzocht en geregistreerd, en in 1992 werd de monumentale schildering afgenomen en ondergebracht in het Aalsterse museum ondergebracht in het Oud Hospitaal. In 1993 bleek dat het geplande woon-winkelproject er toch niet zou komen. De toestand van de Heilige Geestkapel ging ondertussen gestaag achteruit. In 1995 werd ze opnieuw voor een bescherming als monument voorgedragen, hoewel een nieuwe bouwpromotor intussen bereid was om ze in zijn project op te nemen. Een bescherming was

De H. Gcestkapel in Aalst, nu een winkel

In 1988 kocht een projectontwikkelaar de kapel. Hij wou er een commercieel complex bouwen en diende een aanvraag voor declassering in, zodat hij de kapel zou kunnen afbreken. Dat een winkelfunctie kans van slagen had aan de commercieel belangrijke Kattestraat werd niet betwist, maar over de declassering en de afbraak van de kapel kreeg de bevoegde minister in 1990 enkele parlementaire vragen voorgelegd. Er werd voorgesteld om de kapel een plaats te geven in het winkelcentrum. Een ander voorstel suggereerde om de kapel volledig te demonteren en op een andere plaats binnen het woon-winkelproject te herbouwen. De

M&L


• De H. Geestkapel, ingebouwd in een modern winkelcomplex

• Interieur van de huidige winkel (Foto Veerie De Houwer)

M&L


• De Zwartzusters-

De eerste verdie-

het geheel open en

kapel, nu een

ping. De glazen

ruimtelijk

brasserie

passerelies maken

echter wenselijk om de restauratiewerken te kunnen begeleiden. De interieurafwerking met de neogotische decoraties bevond zich in zeer slechte staat en kon niet bewaard worden. Een reconstructie van de neogotische decoratie was niet aan de orde en ook de figuratieve schilderingen werden niet meer teruggebracht. O p 7 augustus 1997 werd de kapel terug als monument beschermd. De Heilige Geestkapel werd uiteindelijk ingericht als winkelruimte, als onderdeel van een woon-winkelproject met een totaaloppervlakte van 4.200 m 2 . Ze kreeg een losstaande rekkenstructuur, die nog stukken van het gewelf zichtbaar laat. Dankzij de herbestemming bleef ten minste het volume van de Heilige Geestkapel, één van de weinige gotische bouwwerken die Aalst nog rijk is, bewaard in het straatbeeld. Maar een doordachte aanpak zonder declassering in de vroege jaren 1990 had heel wat meer mogelijk gemaakt.

in 1806 werden afgebroken. In hetzelfde jaar kochten de zwartzusters opnieuw een huis in de Kapellestraat. Na de veranderingswerken konden ze hun nieuwe tehuis een jaar later betrekken. In 1838 kregen de zusters van het stadsbestuur de toelating om een oude herberg, die aan hun nieuwe klooster paalde, af te breken om er een kapel te bouwen. Midden 1838 ging de bouw van start, op 24 augustus 1840 werd de Sint-Augustinuskapel gewijd. In 1972 werd het klooster verkocht aan de stad Aalst. Die had echter geen interesse om ook de kapel aan te kopen. Het pand kwam in privébezit en in 1972 werd er een zaak voor huishoudartikelen, 'De Ster', ingericht. De kapel was toen nog niet beschermd en er vonden enkele ingrepen plaats die het interieur beschadigden. Zo kwam er een ijzeren structuur die de kapel in verschillende verdiepingen onderverdeelde.

Zwartzusterskapel in de Kapellestraat In 1474 werd in de Kapellestraat van Aalst het eerste Zwartzustershuis van de stad gesticht voor de verzorging van pestzieken. Tijdens de Franse Revolutie werd het klooster opgeheven en werden de gebouwen gebruikt als stapelruimte, voordat ze

De eenvoudige, neoclassicistische kapel werd in 1997 beschermd als monument. De winkelinrichting was toen nog aanwezig. Van de oorspronkelijke interieuraankleding restte enkel het stucwerk van de wanden, de fraaie koepels die het interieur


». overwelfden en de 19de-eeuwse marmeren epitaaf De ruimte op de v a n j g ab^jj v a n Drongen in de noordwand van bovenverdieping, •

.

met zicht op de mooie koepel

De kapel werd in 2004 aangekocht door de huidige eigenaars. Ze ligt in het commerciële centrum van Aalst, in de buurt van verschillende horecazaken. Die locatie was de aanleiding om de kapel te herbestemmen tot een stijlvol eethuis. Bij de nieuwe inrichting werden de restanten van het oude kapelinterieur gerespecteerd. De bestaande metalen structuur werd hiervoor ingrijpend aangepast. De buitenmuren werden opnieuw vrijgemaakt en een autonoom skelet werd ingebracht, zodat er geen bevestiging meer nodig was aan de oorspronkelijke kapelstructuur. Het ontwerp voorzag ook dat het fraaie koepelgewelf weer zichtbaar zou zijn van op de benedenverdieping. De vloeren van de verdiepingen kregen daarom enkele vides. O m de hele structuur licht en luchtig te houden, werd ook gewerkt met glazen vloertegels. Technische ruimten, berging en kantoren werden aan de voorzijde ingepast, waar al bergingen en kantoren aanwezig waren. Deze ingrepen moeten de unieke locatie weer tot haar recht doen komen. Aangezien de onderverdeling van de ruimte al aanwezig was bij de bescherming bood dit de mogelijkheid om deze te behouden en aan te passen. De opdeling van het interieur maakt dat de bezoeker

A/I&L

de oorspronkelijke functie niet meteen herkent, de onmiddellijke 'kapelervaring' blijft uit. Maar de inrichting is nu meer aangepast aan de kapelruimte en eveneens perfect commercieel bruikbaar.


Adres

Kattestraat, Aalst

Bescherming

Beschermd als monument bij Koninklijk Besluit van 12/11/1975 Bescherming opgeheven bij Ministerieel Besluit van 12/03/1990 Beschermd als monument bij Ministerieel Besluit van 07/08/1997

Project

Herbestemming van de Heilige Geestkapel tot winkelruimte

Status

Uitgevoerd

Opdrachtgever

Wilma Project Development, Antwerpen

Ontwerper

Architektenburo Ro Berteloot, Gent

Bronnen

- DE CEUNINCK, A., De Heilige Geestkapel in de Kattestraat te Aalst. Een bouwhistorisch onderzoek, in: Archeologie in Vlaanderen III, 1993, p. 331-338. -Vlaamse Raad. Vragen en Antwoorden, nr. 5 van 08/01/1990 en nr. 9 van 05/03/1990. -Archief van de afdeling R-O Oost-Vlaanderen, Onroerend Erfgoed.

Website

-

Adres

Zwarte Zustersstraat 6, Aalst

Bescherming

Beschermd als monument bij Ministerieel Besluit van 23/10/1997

Project

Herbestemming van Zwartzusterskapel tot brasserie

Status

Uitgevoerd

Opdrachtgever

Promeva bvba

Ontwerper

Coppens en Coen Architectenassociatie, Aalst

Bronnen

- LAEREMANS, J., Kapel wordt brasserie, in: Het Volk, 26/11/2005, p. 2 3 . - V A N D E P U T T E , T , Unieke brasserie in kapel, in: Het Laatste Nieuws, 29/03/2006, p. 17. - V A N D O V E R E N , P., Bij de Kapelaan, in: Weekend-Knack, 13/09/2006. — Archief van de afdeling R-O Oost-Vlaanderen, Onroerend Erfgoed.

Website

www.dekapelaan.be

1VI&L


HEES

VAN KERKRU1NE TOT FIETSKLUIS

(Copyright Monument in Ontwikkeling)

O p 25 juli 1996 beschermde Johan Sauwens, toenmalig minister bevoegd voor Monumenten en Landschappen, de ruïne van de Sint-Quintinuskerk in Hees als monument en het voormalige kerkhof als dorpsgezicht. Deze bescherming moest de kerksite een nieuw elan geven. Door de ruï-

De Sint-Qiiintmuskcik in Hees in de eerste helft van de 20stc eeuw (Bron: Monument in Ontwikkeling)

M&L

neuze toestand was ze immers verworden tot een kankerplek in de dorpsstructuur van het landelijke Hees. O m voor deze site een nieuwe toekomst uit te tekenen, werd het erfgoedprojectbureau Monument in Ontwikkeling aangetrokken. Eerst zou de kerksite enkel een consoliderende restauratie krijgen met eventueel een ontsluiting van de kerktoren als uitkijktoren. Uiteindelijk werd haar een nieuwe, katalyserende rol toegemeten. De gepaste maatschappelijke re-integratie van de ruïne van de Sint-Quintinuskerk was — zoals voor elk m o n u m e n t - een moeilijke maar boeiende uitdaging. Het behoud van de authenticiteit en de kwaliteiten stond vaak op gespannen voet met de hedendaagse normen van functionaliteit, toegankelijkheid, veiligheid, ecologische duurzaamheid ... Onderzoek naar de bouwgeschiedenis en een planmatige voorstelling van de kerksite waren dan ook de eerste stappen in het herwaarderingsproces. Uit dat onderzoek bleek dat ook deze kerkruïne een verhaal te vertellen had in vele, opeenvolgende hoofdstukken. De 'nieuwe' parochiekerk, met een (waarschijnlijk) laat-13de-eeuwse kerktoren, werd omstreeks 1850 ter vervanging van het laatmiddeleeuwse bedehuis gebouwd naar een ontwerp van Lambert en Herman Jaminé. Het gebrek aan


appreciatie voor de neogotiek, de slechte bouwfysische toestand van de kerk, de bouw van een nieuw bedehuis op nog geen honderd meter van de dorpskern omdat de bestaande kerk te klein was voor de toenmalige behoefte aan gebedsruimte en bijgevolg een gebrek aan middelen voor het onderhoud en instandhouding van de oude kerk, leidden in de jaren 1960 tot een bewogen sloop. O p de oude kerktoren na, die toen al aan een dringende restauratie toe was, bleven van de neogotische kerk bovengronds enkel nog anderhalve travee van de zuidgevel van het schip en het onderste gedeelte van de noordmuur overeind. In oorsprong telde het schip van de neogotische Sint-Quintinuskerk drie traveeën. Onder het maaiveld waren de funderingsmuren van zowel de midden-19de-eeuwse als vroegere bouwfasen nog bewaard of traceerbaar. Verder herinnerden ook de 19de-eeuwse steektrap en de keermuur, die de oude kerksite langs de Torenstraat afbakent, nog aan het neogotische experiment.

bleek dat Hees als slaapdorp helemaal niet inspeelde op de aanwezigheid (op nauwelijks 6 kilometer) van een grootstad als Maastricht en de toeristische ontwikkelingen die zich in de jaren 1990 in Haspengouw en de Euregio Maas-Rijn volop ontplooiden. Een snelle prospectie leerde dat er grote nood was aan een aanzwengeling van het zachte verblijfstoerisme gezien de aangroei van het marktsegment van korte vakanties. Met een attractief toeristisch logies op de kerksite zou Hees actief kunnen deelnemen aan de toeristische ontwikkeling van Limburg. Onder de noemer Sint-Kwintensfietskluis werd gekozen voor een kleinschalige verblijfsinfrastructuur, bestaande uit twee trekkershutten geïntegreerd in het kerkschip. Hiermee werd niet alleen voor het eerst creatief omgegaan met het budgetvriendelijke product 'trekkershut' maar kon ook voor het beheer ervan een beroep gedaan worden op de reserveringscentrale voor trekkershutten opgezet door de Vlaamse overheid.

Project De kerkruïne van Hees ligt op de overgang van hoog- naar laagdorp, in een historische woonomgeving met specifieke sociale, economische en verkeerskundige aspecten. De maatschappelijke reintegratie impliceerde onderzoek naar de leefbaarheid van het kleine landelijke Hees in relatie met de ontwikkelingsopportuniteiten van de regio. Hieruit

De Sint-Quintinuskerk nam eeuwenlang een centrale plaats in de leefwereld van de lokale bevolking in. Door de verregaande sloop van de neogotische kerk ontstond echter decennialang een ambivalente houding. Een volwaardige maatschappelijke re-integratie impliceerde ook dat de kerksite lokaal opnieuw een centrale functie kreeg. Dat werd

De ruïne van de Sint-Quintinuskerk in Hees (Copyright Monument in Ontwikkeling)


mogelijk door de integratie van een dorpshuis, waar lokale verenigingen kunnen vergaderen en binnenactiviteiten opzetten. Bovendien kunnen ze openluchtevenementen organiseren op het voormalige kerkhof, geherwaardeerd tot kluistuin.

door een structuur van gelakt staal; de vloer is afgewerkt met houten planken. Vanaf het terras dat toegang geeft tot de trekkerskluizen, is het gebouw rechtstreeks toegankelijk via een metalen passerelle naar het 'doksaal'.

Het voormalige kerkschip en het doksaal werden opgevat als een polyvalente ruimte met de noodzakelijke basisaccommodatie voor de verblijfstoerist. O p de gelijkvloerse verdieping is de gemeenschapsruimte uitgerust met een afgesloten keukenblok en ruime opbergkasten. Het centraal ingepaste nieuwbouwvolume onder een tongewelf, waterdicht afgedekt met geprepatineerd zink, verwijst naar het authentieke tongewelf van de voormalige SintQuintinuskerk. De verdieping volgt de vorm van het oorspronkelijke doksaal en wordt gedragen

Ten behoeve van het verblijfstoerisme en het lokale medegebruik werd in de kluistuin een plat afgedekt volume ingebracht met naast sanitaire voorzieningen ook een fietsenstalling en een technisch lokaal. Het sluit aan op de toegangshelling vanaf het openbare domein naar de kluistuin en draagt bij tot de intimiteit van de site. In tegenstelling tot de relatief verscheiden volumes en materialen van het herbestemde kerkgebouw is de architectuur van het bijgebouw, opgebouwd uit beton en hout, veeleer strak en bescheiden.


In april 2005 werd de Sint-Kwintensfietskluis officieel in gebruik genomen. De lokale bevolking is sindsdien niet alleen weer trots op haar monumentale kerksite, ook heeft de site de belangrijke katalyserende werking aangetoond die van erfgoedontwikkeling kan uitgaan. Ondanks de perifere ligging is de Sint-Kwintensfietskluis in Hees intussen voor verblijfstoeristen een 'place to be'.

Over de auteurs: Frank Becuwe is erfgoedonderzoeker bij het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed, samen met Rudy Vereecke richtte hij het erfgoedprojectbureau Monument in Ontwikkeling

op.

Frank Becuwe & Rudy Vereecke

Adres

Torenstraat 7, 3 7 4 0 Hees

Bescherming

Beschermd als monument bij Ministerieel Besluit van 25/07/1996

Project

Van Sint-Quintinuskerk tot fietskluis

Status

Voltooid

Opdrachtgever

Stad Bilzen Toerisme Bilzen

Ontwerper

M o n u m e n t in Ontwikkeling, Nieuwpoort

Bronnen

- B E C U W E , E, Kerksite Sint-Quintinus in Hees (Bilzen). Bouwhistorische nota, in: Monument in Ontwikkeling, pro manuscripto, Keiem, 1997. - B E C U W E , E, VEREECKE, R., Kerksite Sint-Quintinus in Hees (Bilzen). De Sint-Kwintenskluis. Proeve van bestemmingsvoorstel, in: Monument in Ontwikkeling, pro manuscripto, Keiem, 1997. - B E C U W E , E, Geef de toekomst een verleden, in: K. Pector (red.). Open Monumentendag 09 09 07. Wonen in de Zuidelijke Westhoek, Uitgave C 0 7 , leper, 2007, p. 16-20.

Website


^T

VAN C1STERC1ËNZER1NMEMABDU HERKENROÜE TOT INTEGRAAL EN IVIAATSCHAPPELUK GEÏNTEGREERD EREGOEDPROJECT

geschiedenis van de abdij van Herkenrode. Na een plundering dat jaar door muitende soldaten, nam Herkenrode een nieuwe start. De prins-bisschop van Luik, Erard de la Marck, vestigde zich in Kuringen. Hij mengde zich in het beleid van de abdij, maar schonk ook financiële middelen. De abdij van Herkenrode was geëvolueerd naar een prinsbisschoppelijke abdij en kende een eerste grote bloeiperiode onder abdis Mechtildis de Lechy (1519-1548). Zij liet de schade na de plundering herstellen en heel wat nieuwe gebouwen oprichten: het monumentale poortgebouw, het abdisverblijf, de kapittelzaal, de slaapzaal, de pandgang en de kerk. Vandaag resten enkel nog de eerste drie gebouwen. Voor de realisatie deed de abdis een beroep op de stadsarchitect van Maastricht, Coenraedt van Nurenbergh. De abdij beleefde een tweede grote bloeiperiode onder abdis Anne-Catharine de Lamboy (16531675). Zij liet de tiendschuur (1656), de barokke infirmerie (1658) en de sacristie optrekken, merkwaardige gebouwen die alle drie bewaard zijn gebleven. De dames van Herkenrode hadden een enorme invloed op hun omgeving, zowel op religieus als op economisch en politiek vlak. Ze kwamen uit belangrijke adellijke families en hadden een grote culturele bagage. Doordat de abdij zo rijk was, konden de abdissen hun belangstelling voor kunst volop uitleven. Ze bestelden prachtige schilderijen, glasramen, majolicavloeren, beeldhouwwerken en altaren bij de belangrijkste kunstenaars en architecten.

Geschiedenis Het verhaal van de abdij van Herkenrode begon rond 1182, toen de graaf van Loon gronden aan een monnik schonk om er een abdij op te bouwen. In 1213 breidde de abdij haar domein sterk uit. Als eerste vrouwenabdij in de Nederlanden werd Herkenrode in 1217 opgenomen in de orde van Citeaux. Het christendom bloeide toen volop: de eerste kruistochten waren voorbij, de mystiek nam een hoge vlucht en overal verrezen kloosters en abdijen. In 1317 vonden er een aantal miraculeuze gebeurtenissen plaats in de omgeving van de abdij. Al snel ontwikkelde die zich tot een pelgrimsoord. In de periode 1300-1500 kreeg de abdij het moeilijker. Na 1366 eindigde de macht van de graaf van Loon en werd het graafschap Loon opgenomen in het prinsbisdom Luik. Tussen 1450 en 1500 had de abdij te lijden onder oorlogen, gevechten en plunderingen. 1509 betekende een keerpunt in de

IVI&L

T Het poortgebouw en de hoevegebouwen in Herkenrode


A

•*

De eenhoorn, het symbool van de abdij (Foto Vcerle De Houwer)

In de 18de eeuw was de abdij geëvolueerd tot een van de rijkste van het prinsbisdom Luik en van de Zuidelijke Nederlanden. Ze werd bewoond door adellijke kapitteldames. In 1744 wilde abdis Anne de Croy de ideale abdij bouwen in streng classicistische zin. Ze deed hiervoor een beroep op architect L. Benoit Dewez, de architect van Karel van Lorreinen, gouverneur-generaal van de Zuidelijke Nederlanden. De bestaande abdij moest volledig verdwijnen en zou vervangen worden door een volledig nieuw, strak abdijcomplex. Van dit totaalconcept werd alleen het abdisverblijf gerealiseerd zonder dat de bestaande gebouwen afgebroken werden. De Franse Revolutie betekende het einde van de religieuze activiteit in Herkenrode. De zusters trokken er weg in 1796. Door brand en afbraak verdween na 1820 het religieuze hart van de abdij: de kerk, de kloostergang en een groot deel van de oorspronkelijke kloostergebouwen. In 1972 kochten de zusters Reguliere Kanunnikessen van het Heilig Graf van Bilzen een groot gedeelte van de gebouwen van wijlen architect Hermant om er een nieuw klooster te realiseren. Het betrof het 16de- en het 18de-eeuwse abdiskwartier, de resten van de voormalige kapittelzaal, een deel van de pandgang, de sacristie en het

omgevende Engelse park. Later, na de renovatie van deze gebouwen, zou het gebouwenpakket uitgebreid worden met de infirmerie, een deel van de voormalige zustercellen in vakwerkbouw en het voormalige 17de-eeuwse zusterverblijf. Meteen werd een multidisciplinaire werkgroep, 'Haaldewijn', opgericht onder leiding van ingenieur-architect Lucas Van Herck. Het was de eerste keer in Vlaanderen dat een dergelijk grootschalig project globaal zou worden bestudeerd met inbreng van alle partijen. De doelstelling was te onderzoeken of en hoe een nieuw klooster van reguliere kanunnikessen kon worden geïntegreerd in een voormalige cisterciënzerinnenabdij. Door gesprekken met de zusters, door de studie van de orde van het Heilig Graf en door een bouwhistorische analyse van het gebouwencomplex probeerde de werkgroep een antwoord te vinden op de vraag: 'Wat is een eigentijdse kerkelijke gemeenschap van het Heilig Graf en op welke wijze kan Herkenrode dit veruitwendigen?' Tegelijkertijd startte de Rijksdienst voor Monumenten en Landschappen, die van bij de oorsprong bij dit project betrokken was, de procedure tot wettelijke bescherming. Dat resulteerde in 1974 in een bescherming als monument van alle gebouwen

M&L


van de site Herkenrode en een bescherming als landschap van circa 280 hectare grond. Het ontwerpteam had in geen geval een reconstructie van de gebouwen voor ogen. Wel wou het - vertrekkend van het Charter van Venetië - de bestaande gebouwen weer leefbaar maken door conservatie, restauratie, renovatie en geïntegreerde nieuwbouw. Dit leidde in de jaren 1980 tot een schitterend project dat de basis vormde voor het voortbestaan van de voormalige cisterciënzerinnenabdij van Herkenrode. De gebouwen die de zustergemeenschap later aankocht, konden niet meer herbestemd worden in de geest van het toen opgestelde masterplan. De zusters houden deze gebouwen in stand in afwachting van een herbestemming die in 2009 werd gevonden: Europees Trefpunt voor Wereldreligies.

Het bedrijfseconomische gedeelte en de archeologische site In 1998 kocht de Vlaamse overheid zowat 100 hectare grond van de site Herkenrode. De gronden zouden beheerd worden door het Agentschap voor Natuur en Bos. In dit gebied bevonden zich de bedrijfseconomische gebouwen van de site: het poortgebouw, het aanpalende, U-vormige hoevecomplex met onder meer de monumentale schuur en één van de twee watermolens en de archeologische kerksite. Het beheer van deze gebouwen werd toevertrouwd aan Erfgoed Vlaanderen, die er een integraal en maatschappelijk geïntegreerd erfgoedproject ontwikkelde. Samen met de vzw Herkenrode, het Agentschap voor Natuur en Bos, het Agentschap R-O Vlaanderen Onroerend Erfgoed Limburg, het V I O E (Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed), de Stad Hasselt, de Provincie Limburg, Toerisme Vlaanderen, VDAB en tal van andere partners en vrijwilligers zocht Erfgoed Vlaanderen naar een nieuwe bestemming die aansloot bij de natuurlijke omgeving. O p basis van het masterplan van architect Herman Van Meer werd een onderbouwd investerings- en exploitatieplan opgemaakt. Daarin werd resoluut gekozen voor een combinatie van cultuur, natuur en toerisme. Commerciële functies moeten de economische leefbaarheid van de site garanderen. Het businessplan overtuigde de Limburgse Reconversie Maatschappij (LRM) om het project financieel te steunen. Dankzij die steun werd in 2004 het startschot gegeven van een omvangrijke restauratie- en herbestemmingscampagne. Een doorgedreven opvolging maakt dat in

2009 de laatste fase van de ruwbouwrestauratie kan starten aan de zuidelijke stallingen. In 2011 zullen de bestaande hoevegebouwen volledig gerestaureerd zijn en opnieuw gebruikt kunnen worden. De uitwerking van het cultuurhistorische ontsluitingsconcept werd toevertrouwd aan het studiebureau Mimesis Exhibition Design. De situering van Herkenrode in de historische en maatschappelijke context was echter geen sinecure. Vandaag zijn de resterende hoevegebouwen en de aansluiting op de centrale dreef via het poortgebouw zo ruimtebepalend, dat de bezoeker de illusie krijgt dat ze representatief zijn voor de historische uitstraling en de vroegere rijkdom van Herkenrode. Historisch archiefonderzoek en archeologische opgravingen wezen echter al vroeger uit dat deze hoevegebouwen enkel ondersteunend waren en niet de kern van de abdij uitmaakten. Door verschillende puzzelstukjes samen te brengen, werd duidelijk dat de visueel-ruimtelijke samenhang vandaag een vertekend beeld geeft: het historische 'hart' van de abdij - de kerk en de kloostergebouwen - is immers verdwenen. De architecten van Mimesis maakten daarom een creatief ontsluitingsontwerp, met respect voor de cultuur en de geschiedenis van Herkenrode. Het concept toont de vroegere eenheid en harmonie tussen de verschillende onderdelen van het domein. Het historische, 'religieuze hart' van de site zal opnieuw zichtbaar gemaakt worden via een hedendaagse scenografie. Dat geheel was de belangrijkste plek van de abdij, waar het spirituele leven van de zusters zich afspeelde. In de westelijke stallingen zal een interactieve opstelling het verhaal van Herkenrode in Limburg en Europa brengen. Het historische proces, de hedendaagse ruimte en de rol van Herkenrode in de ruimtelijke structuur, evenals de originele kloostergedachten 'ora et lobora', worden in dit kader uitgediept. Een tweede belangrijk element in het verhaal van Herkenrode is de natuur. De 100 hectaren natuurgebied rond de abdij worden door het Agentschap voor Natuur en Bos heringericht en vernat, zoals in de 17de eeuw het geval was. Ook die ontwikkeling maakt deel uit van het Herkenrodeverhaal. Via uitgestippelde wandelpaden en natuurplatforms kan de bezoeker het Demerlandschap ontdekken. De natuur komt ook terug in de nieuwe kruidentuin: geen duffe reproductie van een abdijtuin, maar een hedendaags kruidenpark, ontworpen


•4 Herkenrode ligt midden in een natuurgebied (Foto Veerle De Houwer)

door het Buro voor Vrije Ruimte. De twaalf tuinkamers van de 'hortus officinalis' vormen samen een levend kruidenboek, en in de 'campus officinalis' staan de planten gegroepeerd volgens gebruik. De 'kiosken' tonen de historische en hedendaagse link tussen de kruidentuin en het religieuze gedachtegoed.

Toeristische en commerciële functies

De tiendschuur

festiviteiten

wordt nu al

(Foto Kris

gebruikt voor

Vandevorst, VIOE)

evenementen en

De Abdijsite Herkenrode is een strategisch hefboomproject voor de verdere toeristische ontwikkeling van de regio. De toeristische ontsluiting staat daarom als derde belangrijke pijler voor de toekomst van Herkenrode. Erfgoed Vlaanderen wil daarmee de imposante site toegankelijk maken voor iedereen. Toch zijn inkomsten een absolute noodzaak om het onderhoud en de leefbaarheid van de site te garanderen. De ambitie ligt hoog: het streefdoel is om elk jaar ongeveer 100.000 betalende bezoekers naar Herkenrode te krijgen. O m daarin te slagen, zal er nauwgezet op moeten worden toegezien dat het precaire evenwicht tussen de cultuurhistorische en de commerciële ontwikkeling behouden blijft. Vandaag kun je in Herkenrode al terecht in de imposante tiendschuur, die werd omgebouwd tot een multifunctionele ruimte voor evenementen en


mmm mate WÊÊf Bm

Wimm

f-'-i-

Het indrukwekkende dakgebinte (Foto Kris Vandevorst, VIOE)

festiviteiten. Ze wordt regelmatig verhuurd voor recepties, bedrijfspresentaties, concerten ... en is daardoor een belangrijke steunpilaar voor het toeristische aanbod op de site, naast de geplande cultuurhistorische opstelling en de natuurbeleving. Voor de exploitatie wordt samengewerkt met private horeca-ondernemers. Ook het poortgebouw krijgt een plaats in het toeristische aanbod dat op de zakenwereld gericht is. In dit kader werd een grote, groene parkeerplaats aangelegd aan de rand van de site. De paardenstallen zullen uitgebouwd worden tot een horecapunt en een fietscafé. Een absolute troef voor de site, omdat dagelijks heel wat wandelaars en fietsers Herkenrode passeren. O o k de link met de stad Hasselt is belangrijk: momenteel wordt onderzocht of het mogelijk is om een zachte verbinding met het centrum van de stad langs de Demer te maken. In de stad Hasselt zelf hebben nog verschillende

M&L

gebouwen en plaatsen een historische band met Herkenrode. Die banden zullen de volgende jaren nog duidelijker in de verf gezet worden. Bovendien wordt Herkenrode ingepast in provinciale en grensoverschrijdende toeristische initiatieven. Zo zal de Abdijsite Herkenrode een echte toeristische meerwaarde genereren voor Hasselt en Limburg. De toeristische uitbouw van de site zal één van de belangrijke bronnen van inkomsten vormen. Daarnaast wordt gemikt op private investeringen met een publiekswervende functie. Begin 2008 werd een procedure gestart om de private markt te onderzoeken en partners te zoeken. Dat resulteerde in een unieke samenwerking met een belangrijk internationaal gericht cultuurbedrijf uit Hasselt, dat extra waarde toevoegt aan de Abdijsite Herkenrode. Omdat deze samenwerking zowel commercieel als publieksgericht is, zal ze bijdragen tot een groot deel van de economische rendabiliteit van de site.


Work in progress De abdijsite Herkenrode is een work in progress. Wie regelmatig terugkomt, kan het met eigen ogen zien groeien. In 2011 moet het volledige herbestemmingstraject gerealiseerd zijn. De baseline daarvan - 'SAMENwerken aan Herkenrode' - is duidelijk geen lege doos. Door de verschillende invalshoeken, gevoeligheden en aandachtspunten te erkennen en mee te nemen en door permanent overleg en terugkoppeling met verschillende betrokken partners, krijgt dit project zowel een ruim draagvlak als een extra dimensie. Dat maakt van Herkenrode een mooi voorbeeld van integrale en maatschappelijk geïntegreerde erfgoedzorg, waarbij het verleden opnieuw een grootse toekomst krijgt. Tom Bridts - Jos Gyselinck Over de auteurs: Tom Bridts is directeur van Erfgoed Vlaanderen. Jos Gijselinck is Gewestelijk Erfgoedambtenaar van de Afdeling R-0 Limburg

Adres

Herkenrodeabdij 4, 3511 Hasselt

Bescherming

Beschermd als monument, met de omgeving als landschap bij Koninklijk Besluit van 5/12/1974

Project

Van cisterciënzerinnenabij Herkenrode tot integraal en maatschappelijk geïntegreerd erfgoedproject

Status

In uitvoering

Opdrachtgever

Erfgoed Vlaanderen vzw.

Ontwerper

Herman Van Meer Mimesis Exhibition Design

Website

http://www.herkenrode.be/

M&L


lEPER

VAN SINT-NIKLAASKEKX TOT OTSIÜERW1JS1VIUSEU1VI

Geschiedenis De Sint-Niklaasparochie in leper ontstond al in de 13de eeuw. De huidige - in feite de derde - SintNiklaaskerk werd na de vernieling in de loop van de Eerste Wereldoorlog op dezelfde plaats en met dezelfde oriëntatie heropgebouwd, in een stijl die modernistische, neo-Byzantijnse en neo-Romaanse elementen verweeft. De kerk werd gewijd in 1932. De kerk is vrij compacte gebouwd op basis van een rechthoekige, basilicale aanleg met een schip van vier traveeën, met een niet-uitspringend transept, een drieledige koorpartij met kwartronde apsis en voor-, zij- en hoofdkoren met aanpalende, ingewerkte dienstruimten. Bij de wederopbouw werden nieuwe technieken en voorzieningen ingebracht, zoals een kelder met stookplaats, sanitair, bergplaatsen ... De kerk is niet onmiddellijk een bescherming als m o n u m e n t waard, maar werd wel opgenomen in de inventaris van het bouwkundig erfgoed. O o k was ze, met het bekende Koninklijke Sinterklaasmannenkoor, regelmatig te zien op de wekelijkse tv-missen, uitgezonden door de toenmalige NIR.

1V1&L

Project Toen de parochie op 15 september 1994 opgeheven werd, was de parochiegemeenschap nog in volle bloei. Zowat 800 gelovigen woonden er wekelijks de mis bij. Het kerkgebouw was in goede staat en er waren nog recent onderhoudswerken uitgevoerd. De heemkundige kring 'Het lepers kwartier' wijdde in 1997 een uitgebreide publicatie aan de geschiedenis en de opheffing van de parochie. Daarin blijkt dat de redenen voor de opheffing allerminst duidelijk zijn. Dat de toenmalige pastoor met pensioen ging en de Sint-Niklaasparochie de kleinste was van leper, kunnen aanleidingen zijn geweest voor de hertekening van het parochiale landschap van de stad. De eerste geruchten over een mogelijke opheffing doken in april 1993 op in de lokale pers: het stadsbestuur zou plannen hebben om de kerk, die over een uitstekende akoestiek beschikte, te gebruiken als concertruimte. De parochianen wensten de sluiting van hun kerk in geen geval en verzamelden meer dan 800 handtekeningen in een petitie, die ze aan het bisdom bezorgden. Het bisdom ging echter niet op hun verzoek in en herzag de parochiegrenzen in leper. Het grondgebied en de bezittingen (kerkmeubilair en andere interieurelementen) van de Sint-Niklaaskerk werden over twee aangrenzende parochies verdeeld. O p 1 juli 1999 nam de stad leper de kerk in erfpacht voor 99 jaar. De erfpachtovereenkomst met het bisdom stelt duidelijk dat de kerk moet worden gebruikt voor cultuur, voor administratie of als museum. Fuiven en dergelijke mogen er in geen geval georganiseerd worden. Uiteindelijk vond de stad in de kerk een uitstekende nieuwe locatie voor het stedelijke onderwijsmuseum, dat in 1998 uit de Lakenhalle moest verhuizen, naar aanleiding van de komst van het In Flanders Fieldsmuseum. De kerk werd op een originele manier omgebouwd tot een praktisch en aangenaam museum, een unicum in Vlaanderen. De eenvoudige toonkasten en -wanden laten het kerkinterieur grotendeels onaangeroerd en zichtbaar. Het museum toont de evolutie van het onderwijs in de leperse regio vanaf 1253 tot heden of, anders gezegd, van wastafel tot computer. Hiervoor wordt gebruikgemaakt van boeken, prenten, foto's, didactisch materiaal ... Blikvangers zijn de twee zorgvuldig gereconstrueerde klaslokalen (de ene uit circa


Grondplan van de Sint-Niklaaskerk in leper, met de museumlndeling (Bron: DEPAEPE H . BARBRY R., Stedelijk Onderwijsmuseum leper. Museumgids, leper, 1999)

i. Middeleeuwen 2. Nieuwe Tij<l 3. Klas 1700

SCHEMATISCHE VOORSTELLING ONDERWIJSMUSEUM

4.

1789-1850

5.

1850-1914

6. 1914-1920 7. Rleuler- en Lager Onderwijs (1920-1940) WANn A

De .solioi)lmeesler(es)

WAND B

De oiidenvijzer(es)

uvMic:

Deleerkracht

10.

1940-1960

WANü D

De onderwijsgevende

u.

1960-2000

8. VoortSf'-Pt Onderwijs (1920-1940) 9. Klas 1950

M&L


I

IBSS B

1700, de andere uit circa 1930). In het 'doe-klasje' mag iedereen zelf nog eens in een oude schoollessenaar plaatsnemen of met een griffel op een lei krassen, op een oud schoolbord tekenen of met het telraam ingewikkelde rekensommen proberen op te lossen. Bepaalde onderwijsgebonden thema's worden regelmatig extra verduidelijkt in tijdelijke tentoonstellingen. Daarvoor wordt de middenbeuk gebruikt, terwijl de sacristie het museumdepot vormt.

Het onderwijsmuseum was met 10.000 bezoekers per jaar het tweede drukst bezochte museum van leper, na In Flanders Fields. Het museum heeft ook een belangrijke wetenschappelijke werking. In mei 2005 legde een brand de dakconstructie in de as. Het museum moest tijdelijk zijn deuren sluiten maar ging op 5 oktober 2007 weer open.

Adres

Gustave de Stuersstraat, z. nr., leper

Bescherming

-

Project

Herbestemming van de Sint-Niklaaskerk tot Onderwijsmuseum

Status

Uitgevoerd

Opdrachtgever

Stad leper

Bronnen

— Bouwen door de eeuwen heen, online inventaris via www.onroerenderfgoed.be - D E P A E P E , M., BARBRY, R., Stedelijk Onderwijsmuseum leper. Museumgids, leper, 1999. - M E I R L A E N , J.P. e.a.. De stille kerktoren, leper, 1997. Uitgave lepers Kwartier.

Website

-


HEVERLEE

VAN ABDIJ VAN PARK TOT OPEN 1VIONU1VIENTENVEREN1G1NG, EREGOEÜS1TE EN 1VIUSEU1VI De norbertijnenabdij van Park is een bijzondere oase, een plek van ingetogenheid, rust en stilte. Een open ruimte met landerijen, dreven, vijvers en weiden, die uitnodigt tot een wandeling. De abdij van Park is echter meer dan een groene long in de verstedelijkte stadsrand van Leuven. Het is een ongemeen waardevolle erfgoedsite met een lange en boeiende geschiedenis, waar gebouwen en landschappen elkaar vinden in volstrekte harmonie. Als geheel — klooster en domein — heeft de abdij een grote authendciteitswaarde.

Geschiedenis De abdij van Park dankt haar naam aan het jachtpark van de hertog van Brabant, Godfried I met de Baard. In 1129 schonk deze hertog zijn wildpark aan de norbertijnen van de Noord-Franse abdij van Laon, met het uitdrukkelijke verzoek om er een abdij op te richten. Sindsdien hebben norbertijnen de Parksite vormgegeven en vrijwel ononderbroken bewoond. Het belangrijkste onderdeel van het abdijcomplex, het klooster met de kerk, kreeg een duidelijk zichtbare locatie op het hoogste punt van het domein. Een opeenvolging van poorten bracht de bezoeker naar het statige hoofdgebouw. Beneden, aan de voet van de helling in de beekvallei, was er ruimte voor het industriële hart van het abdijcomplex. Hier bevonden zich de hoeve, de watermolen, de smidse, de stallingen en de tiendschuur. Het provisorenhuis, of het kantoor van de pater econoom, vormde de overgang tussen beide delen. Door de eeuwen heen groeide Park uit tot één van de toonaangevende abdijen in de Zuidelijke Nederlanden. Haar abten genoten een hoog aanzien en haar netwerk van parochies en landerijen strekte zich uit over belangrijke delen van het grondgebied van het hertogdom Brabant. Het abdijdomein omvat vandaag nog circa 42 ha. Dit minidomein, een bijzonder historisch restgebied, bezit nog alle onderdelen van de abdij uit het ancien régime. Sinds het einde van de 18de eeuw werd er weinig of niets meer bijgebouwd of afgebroken. Dankzij de gaafheid van het historische geheel is de Parkabdij één van de best bewaarde

abdijcomplexen in België en Nederland. Bovendien bleven het kloosterinterieur en de aankleding van de gebouwen vrijwel intact. Vooral de 17deeeuwse stucwerkplafonds in de refter en in de bibliotheek spreken tot de verbeelding. Het huidige uitzicht van de abdij is voornamelijk 17de- en 18de-eeuws, maar de plattegrond van de site met de bebouwingspatronen en het cultuur-

De Slnt-Norbertuspoort van de parkabdij

M&L


in stand te houden, onder meer door de sterk verminderde rekrutering. Daarom gaf het generaal kapittel van de orde in 1994 de opdracht aan een werkgroep/beschermcomité om met respect voor de zelfstandigheid van de abdijgemeenschap en de specifieke spiritueel-religieuze uistraling van het hele complex, nieuwe bestemmingen te zoeken voor het gebouwenpatrimonium.

Project Een eerste belangrijke stap in deze zoektocht naar reconversie werd gezet in 1998, toen het Centrum voor Religieuze Kunst en Cultuur (CRKC) vzw zijn intrek nam in de westvleugel van het kloostergebouw. 2003 betekende een tweede stap, toen een groot deel van de abdijterreinen in erfpacht werd gegeven aan de stad Leuven. Nog in datzelfde jaar werd het Museum abdij van Park: Museum voor religieuze kunst- en cultuur Vlaanderen opgericht. Sindsdien wordt voor de site resoluut de erfgoedkaart getrokken en kon met de instemming van de norbertijnen, hierin gesteund door haar Vriendenvereniging, het boeiende restauratie- en herbestemmingsproject voor de abdij van Park van start gaan.

• De abdij kwam ongeschonden tot ons, met haar rijke interieur

landschap met de vijvers zijn middeleeuws. De watermolen dateert van 1534. Tiendschuur, wagenhuis en stallingen kwamen er in 1663-1664 in opdracht van abt Libert de Pape. De laatste grote bouwcampagne dateert van het abbatiaat van Hiëronymus de Waerseghere (1719-1730). Hij gaf het abtskwartier van het klooster zijn huidige uitzicht, verbouwde het merendeel van de poorten en de kerk en liet de kerktoren (1730) optrekken. Nadien stokten de bouwactiviteiten voorgoed en groeide de abdij van Park uit tot een erfgoedsite van internationaal belang. Het bouwproject van de abdij van Park was een werk van vele handen. Vooreerst van de norbertijnen zelf: kanunniken, novicen en lekenbroeders, maar ook de vele leken die werkten voor de abdij. Vanaf de tweede helft van de 20ste eeuw kregen de norbertijnen het moeilijker om hun patrimonium

M&L

De abdij werd een open monumentenvereniging en de ontwikkeling als erfgoedcentrum en museum nam een aanvang. Daarnaast staan er een academie van de stilte en een kunstencentrum op het getouw. Het Centrum voor Religieuze Kunst en Cultuur vzw (CRKC) zal worden uitgebouwd tot hét expertisecentrum in Vlaanderen over alle aspecten van het religieuze erfgoed. Jaarlijks neemt de abdij deel aan de Erfgoeddag en aan de Open Monumentendag. Nog in 2007 telde de tentoonstelling IN GODSNAAM! 1000 jaar kloosters meer dan 14.000 bezoekers op nauwelijks drie maanden tijd. De abdijkerk doet dienst als parochiekerk en vormt het kader voor concerten. Verschillende zangkoren komen in de abdij repeteren. Het gastenkwartier en het provisorenhuis zijn als kantoor verhuurd aan de Katholieke Hogeschool Leuven. Het wagenhuis en de paardenstallen van de hoeve werden recent gerestaureerd, onder begeleiding van en met restauratiepremies van de Vlaamse Overheid en bieden onderdak aan Kerk in Nood Oostpriesterhulp België. De Norbertuspoort wordt gebruikt als tijdelijke tentoonstellingsruimte voor Leuvense kunstenaars. Een belangrijk deel van de kloostertuinen kreeg een opknapbeurt. Het abdijdomein werd aangepakt en de natuurwaarden hersteld. De ontsluiting van het geheel verbeterde fel dankzij een signalisatie- en audiogidsparcours.


Het spreekhuis of locutorium, een gebouw uit 1718, werd ingericht als onthaal en tentoonstellingsgebouw. Vanaf 2009 wordt het de draaischijf van de toeristische ontsluiting van de abdij. De eerste permanente tentoonstellingsmodule, die handelt over de norbertijnen in het algemeen en de abdij van Park in het bijzonder, van het Museum abdij van Park zal er te zien zijn. Een brede multidisciplinaire werkgroep waakt sinds 2003 over de projecten die in de abdij kunnen worden gerealiseerd. De toetssteen voor dit alles is de vrijwaring of zelfs de versterking van de specifieke sfeer en uitstraling van de plek. In het kader van een Europees project rond de herbestemming van grote religieuze sites in West-Europa, waaraan de abdij van Park sinds 2005 deelneemt, werd deze sfeer omschreven als de Genius Loei of the Spirit of the Place. Dit behoud van de Genius Loei vergt een gemeenschappelijke benadering van de gebouwen en hun waardevolle historische en groene omgeving. Hiervoor werd in 2004 een algemeen plan opgesteld door Sien bvba en Atelier 33 architecten in nauw overleg met alle betrokken partijen. Dit masterplan omvat drie grote doelstellingen:

Waardevolle erfgoedelementen uit verschillende periodes in dit uitzonderlijke complex


• de Parkabdij moet een rustige autovrije ruimte blijven in een verstedelijkt gebied; • het groene landschap typeert de site; • de gebouwen van de Parkabdij moeten een herbestemming krijgen die zoveel mogelijk aansluit bij het abdijverleden gebaseerd op de bestaande eeuwenoude structuur van de site. Precies dit plan wordt de komende decennia uitgevoerd. Dankzij dit masterplan en het partnership dat errond groeide, is de toekomst van de abdij van Park verzekerd. De restauratie en de verdere herbestemming zullen nog jaren vergen, maar de koers werd uitgezet conform de ambitie van het masterplan: de volledige restauratie en herwaardering van de abdij van Park; haar domein, haar klooster- en hoevege-

bouwen en bijgebouwen. Een breed draagvlak van partners trekt de kar: de abdij zelf, de abdij van Averbode, de Vrienden van de abdij van Park, het CRKC, het Museum abdij van Park, het Interdiocesaan Centrum, de K.U.Leuven, het Davidsfonds, Toerisme Vlaanderen, de provincie Vlaams-Brabant, de stad Leuven en de Vlaamse overheid. Want net zoals destijds maken vele handen licht werk! Stefan Van Lani Over de auteur: Stefan verbonden aan de abdij vzw en via het Museum nauw betrokken bij het van de abdij van Park.

Van Lani is als archivaris van Park. Via het CRKC Abdij van Park vzw is hij erfgoed- en restauratieproject

Adres

Abdij van Park, 3001 Leuven (Heverlee)

Bescherming

Beschermd als monument, bij Koniklijk Besluit van 08/03/1940 en als landschap bij Besluit van de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Openbaar Onderwijs van 03/07/1942

Project

Herbestemming van abdij van Park tot open monumentenvereniging, erfgoedsite en museum

Status

Masterplan, gedeeltelijk in uitvoering.

Opdrachtgever

Stad Leuven

Ontwerper

Piet Stevens en Sofie Beyen voor de restauraties Sien bvba en Atelier 33 architecten voor het masterplan

Website

www. parkabdij. be www. leuven. be/parkabdij


TONGEREN

VAN S1NT-JAK0BSGASTHU1S TOT FORU1VI JULIUIVI 1VIET EBURONHOTEL Geschiedenis Het Sint-Jakobsgasthuis in Tongeren werd gesticht als herberg voor pelgrims op weg naar Sint-Jakob van Compostela. Het gaat mogelijk terug tot de elfde eeuw en bevindt zich sinds 1282 op de huidige plaats. De kapel werd in 1660 gebouwd. De bestemming van het gasthuis was duidelijk omschreven: uitsluitend bedevaarders naar Santiago de Compostela kregen er voedsel en mochten er overnachten. De hele geschiedenis van het SintJakobsgasthuis wordt gekenmerkt door een voortdurend conflict met het stadsbestuur. Dit laatste eiste immers dat ook de zieke burgers er verpleegd zouden worden. Tijdens de Franse bezetting werd de congregatie opgeheven en werden de goederen geconfisqueerd. De religieuzen verlieten de gebouwen in januari 1797 en de kerk werd gesloten. Uiteindelijk werd de instelling op 12 juni 1801 aan de Commissie der Burgerlijke Godshuizen overgedragen. Tussen 1846 en 1867 werden de huidige neoclassicistische gebouwen opgetrokken. Ze fungeerden als ouderlingentehuis en weeshuis en later als hospitaal. Van het oorspronkelijke gasthuis restte op dat ogenblik enkel de kapel. Het neoclassicistische

complex kreeg de vorm van een uitgestrekte rechthoek met een binnenplaats. Hierrond lagen brede gangen. In elke vleugel waren twee grote zalen ondergebracht. De paardenstallen bevonden zich in een aangebouwd halfrond met een binnenplaats. O p 8 december 2000 werd de kapel van het SintJakobsgasthuis, het enige restant van het oorspronkelijke complex, beschermd als monument.

T Het Sint-Jacobsgasthuis m Tongeren

Project In het begin van de jaren 1980 kreeg het complex een functie als administratief centrum van de stad. In 1997 bleek uit het commercieel strategisch plan van Tongeren dat het winkelaanbod in de stad moest worden uitgebreid. De gemiddelde oppervlakte van een winkelpand in Tongeren bedroeg op dat ogenblik slechts 100m 2 - te klein om de grote ketens aan te trekken. Toch had de stad potentieel om verder uit te groeien als commercieel centrum. Met de verhuizing van de bibliotheek en de politie van de site van het Sint-Jakobsgasthuis, rees het idee om op deze plaats een woon-winkelproject, het Forum Julium, te realiseren. In 1998 beslisten het stadsbestuur en het O C M W om het gasthuis, de nabijgelegen overdekte varkenshallen en de parking te verkopen aan een projectontwikkelaar. De

1VI&L


Plattegrond van het Forum Jullum met de kapel (Copyright Holistic Architecture 50/5)

De balie van het hotelgcdcelte

toenmalige afdeling Monumenten en Landschappen mocht - in opdracht van de stad - de randvoorwaarden bepalen voor het behoud en de herbestemming van de gasthuisgebouwen. Nadat de bestemming van het gebied door een aanpassing van het BPA werd gewijzigd in woonzone, kwamen de gebouwen aanvankelijk in han-

den van een Nederlandse projectontwikkelaar. O m het project te volgen, werd een bouwcommissie in het leven geroepen met, naast de burgemeester, de bevoegde schepenen en de OCMW-voorzitter, vertegenwoordigers van de betrokken administraties, waaronder de toenmalige afdeling Monumenten en Landschappen. De stad Tongeren sloot ook


een samenwerkingsovereenkomst met de projectontwikkelaar, waardoor 95 miljoen BEF uit het Mercuriusfonds van de Vlaamse Regering voor het project werd vrijgemaakt. Met het Mercuriusfonds, opgericht in 1997, wou de Vlaamse Regering de gemeenten ertoe aanzetten een toekomstvisie uit te werken om de lokale handel nieuw leven in te blazen. Het fonds subsidieerde inspanningen die de bestaande commerciële centra aantrekkelijker zouden maken. Uiteindelijk werd het Forum Julium pas tussen 2005 en 2008 gerealiseerd door de Belgische groep Heijmans, in samenwerking met Holistic Architecture 50/5. Het omvat een supermarkt, winkels, flats en een ondergrondse parking. De niet-beschermde maar niettemin waardevolle neoclassicistische gebouwen van het voormalige gasthuis werden aan de buitenzijde zorgvuldig gerestaureerd. Aan de binnenzijde werden ze grondig gerenoveerd en herbestemd tot een hotel met 47 kamers en een wellnesscenter, een wijnbar in de kelder, winkels en lofts. Eén hoek van het gebouw, naast de kapel, werd opengewerkt en geeft uit op de rechthoekige binnenplaats die met een zeil werd overdekt. Verder is er aansluiting op het nieuwbouwcomplex met woningen en winkels. O u d en nieuw vloeien in elkaar over. Aan het project ging een uitgebreid archeologisch onderzoek vooraf door het toenmalige Instituut voor het Archeologisch Patrimonium.

Het Eburonhotel in het Sint-Jakobsgasthuis Het Eburonhotel wordt beheerd door de Limburgse hotelgroep Different Hotels, die steeds streeft naar een originele aanpak van de architectuur en de inrichting. Voor het hotel werd samengewerkt met het architectenbureau PCp uit Genk. Voor de inrichting van het Eburonhotel werd bewust een hedendaags concept gekozen. Sterke, bestaande historische accenten werden behouden: de hoge ruimten, de boogvormige ramen en deuren en bepaalde structuren zoals die van het houten dak. Door hun contrast met de strakke, moderne inrichting springen ze sterk in het oog. De gevels werden gereinigd en hersteld. De houten ramen werden vervangen door identiek gereconstrueerde modellen, met dubbel glas. Ook de dakgoten zijn vernieuwd op basis van de oorspronkelijke vorm. De ingrepen in het interieur waren drastisch, de binnenstructuur werd grotendeels gestript en vervolgens heringericht.


O p de zolderverdieping bevinden zich drie lofts - deel van het ruimere Julianusproject - en een grote ontbijtruimte. Tijdens de renovatie werd het dak volledig weggehaald. De spanten werden enkel vervangen waar nodig. In het hellende deel van het dak, dat doorloopt over de hotelkamers, werd een lichtstraat ingebracht. De rondboog van de voormalige paardenstallen wordt in 2009 gerenoveerd. In één deel van de boog komt een ontbijtruimte, ter vervanging van die op de zolderverdieping, met daarnaast een wellnesscenter. Het Eburonhotel opende zijn deuren in augustus 2008.

Een nieuwe functie voor de beschermde kapel

De overdekte

nenpaats

De volledige benedenverdieping is ingrijpend veranderd. Net omwille van de nagestreefde openheid werden heel wat tussenwanden verwijderd. De bezoeker komt binnen via een glazen sas en heeft meteen zicht op een indrukwekkende, negen meter hoge ruimte, met de hotelbalie en de bar. Het nieuwe ontwerp maakt dankbaar gebruik van de jarenlange ziekenhuisfunctie van het gebouw. Vooral de gangen op de eerste verdieping bleken interessant: ze werden behouden, net als de toegangen naar de kamers. De kamers zelf werden vaak vergroot of verkleind. De oorspronkelijke wanden maakten daarbij plaats voor nieuwe tussenwanden. In bijna het hele project werd gewerkt met nieuwe voorzetwanden van gipsplaat. Voor de binnengevels was dat echt nodig: het gebouw is wel massief maar de buitenschil was niet geïsoleerd. Gipswanden met een isolatielaag erachter, boden hier een oplossing.

T Ingang van het Eburonhotel

Dé uitdaging is de integratie van de beschermde, 17de-eeuwse kapel in het hotelconcept. Het kapelinterieur is vrij sober en herbergt een altaar, biechtstoelen, kerkbanken en een orgelkast uit de 18de eeuw. Merkwaardig is vooral het barokke grafmonument van Maria de Berchem, gravin van Hinnisdael, toegeschreven aan J. Deicour. Toen de vraag werd gesteld om ook de kapelruimte een nieuwe bestemming te geven, heeft Onroerend Erfgoed - na evaluatie van het interieur door bouwhistorica Caroline Vandegehuchte - enkele randvoorwaarden opgelegd: het behoud van de interieurelementen in situ, respect voor de inhoudelijke betekenis van de kapel, multifunctionaliteit ... Anderzijds werd gesteld dat hier geen klassieke brasserie of een cafetaria kon worden gerealiseerd en dat de ruimte rookvrij moest worden gehouden. Het plan voorziet daarom enkele specifieke functies voor de kapelruimte beneden. O p zon- en feestdagen zal ze dienstdoen als exclusieve ontbijtruimte voor de hotelgasten. Daarnaast kunnen er seminaries, recepties, tentoonstellingen en concerten plaatsvinden. O p weekdagen is de kapel toegankelijk als thee- en koffiehuis. Het meubilair zal bestaan uit een beperkt aantal zithoeken met hedendaagse zetels en bijzettafeltjes, links en rechts opgesteld van de centrale doorgang, maar los van de wanden. Spijs en drank zullen worden bereid in de sacristie. In de kapel zelf komen geen buffet of tapkranen. Er kan gebruikgemaakt worden van het sanitair van de aanliggende gebouwdelen. Ook verlichting en verwarming in de kapel zullen tot het allernoodzakelijkste beperkt worden, met zo weinig mogelijk ingrepen. Er zullen staan- en pendellampen worden gebruikt. Warmtestations

M&L


{'ventilo-units) met een beperkte oppervlakte en een geringe diepte worden in de vloer ingebouwd als kant-en-klare units in een gesloten bak. O p die manier kan de beschermde kapel praktisch gebruikt worden zonder overbelasting. De ruimte onder het dak zal ingericht worden als vergaderruimte. De restauratiewerken aan de kapel zijn nog niet uitgevoerd. Het dossier opgesteld door de architecten F. Bertels en J. Spaas, werden aangepast volgens het preadvies van Onroerend Erfgoed, en werden vervolgens bezorgd aan het stadsbestuur van Tongeren. Jos Gijselinck - Veerle De Houwer • Ontwcrpschcts voor het Forum Julium (Copyright Holistic

Adres

D e Schierveldstraat z. nr., 3 7 0 0 Tongeren

Bescherming

Kapel, beschermd als monument bij Ministerieel Besluit van 8/12/2000

Project

Herbestemming van het voormalige Sint-Jakobsgasthuis in Tongeren tot Forum

Architecture 50/5)

Julium met Eburonhotel Status

In uitvoering

Opdrachtgever

Heymans vastgoed Different hotels Holistic Architecture 50/5 PCP architecten, Genk Bertels en Spaas architecten

Ontwerper

Bronnen

— LAMBRIX, Y., Julianus-winkelproject is klaar in lente 2004, in: Het Belang van Limburg, 0 7 / 0 6 / 2 0 0 1 , p. 17. - LAMBRIX, Y., Bouw woon-winkelcomplex Julianus start over eenjaar, in: Het Belang van Limburg, 0 7 / 0 6 / 2 0 0 1 , p. 16. - BEX, J., In de oudste stad kan je nu ook shoppen, in: Het Belang van Limburg, 11/03/2008. - Het nieuwste hotel in de oudste stad, in De Standaard, 06/09/2008, p. 6. - PCP A R C H I T E C T E N , Gewaagde mix van heden en verleden, in: Renoscripto nr. 54, 2008, p. 42-47. - Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen, online inventaris via www.onroerenderfgoed.be. - Geschiedenis van het Vesaliusziekenhuis, door gemeentesecretaris, H . Baillien, 1962. Gepubliceerd op: http://www.azvesalius.be /StuNie/geschiedenis.html - Verantwoordingsnota en herbestemmingsnota voor de kapel, door Frank Bertels en Jo Spaas. - Gesprek met Peter Geurden, C E O Different Hotels

Website

www.carbonhotel.be/eburon-hotel.php

1VI&L


ANTWERPEN

VAM GRAUWZUSTERSKLOOSTER TOT CA1VIPUS VAN DE UNIVERSITEIT ATMTAA/ERPEN

zijde van de Lange Sint-Annastraat, die tuinen hadden tot tegen de stadsvesten, de huidige Leien. Ze hadden de vensterramen op straatniveau laten dichtmetselen om voldoende beslotenheid te verkrijgen. Omstreeks 1717 lieten ze ten zuiden van het klooster een eigen gebedsruimte bouwen toegewijd aan de heilige Elisabeth. De toegang lag aan de straatzijde. Omdat de grauwe zusters zich met verpleging van zieken en armen inlieten, was het Oostenrijkse regime van Jozef II hen gunstig gezind. Tijdens de Franse overheersing echter werden ze in 1798 uit hun klooster verdreven, dat net als vele andere verbeurdverklaard en als publiek goed verkocht werd. Jan Frans Rooms kocht de kloostergebouwen op en schonk ze in 1802 terug aan de zusters, die in 1809 opnieuw erkend werden voor ziekenverpleging. Ze kregen echter wel het verbod de kapel open te stellen voor buitenstaanders. In het katholieke onafhankelijke België van de 19de eeuw nam het kloosterleven opnieuw een hoge vlucht, zodat de zusters al snel begonnen te denken aan een nieuw gebouw. T De voorgevel van het grauwzustcrsklooster aan de Lange SintAnnastraat

Geschiedenis De Antwerpse Lange Sint-Annastraat, die de SintJacobsmarkt met de Ossenmarkt verbindt, wordt gedomineerd door de indrukwekkende, bijna 50 m lange gevel van het voormalige klooster van de grauwe zusters. Het robuuste bakstenen gebouw met een hardstenen plint en speklagen heeft een strak ritme van rechthoekige kruisvensters, op de begane grond afgeschermd door zware, smeedijzeren raamkorven. Boven de kroonlijst van het leien zadeldak steken enkele trapgevels, dakkapellen en een erker met torenspits uit die de gevel verlevendigen. In dit gesloten huis woonde van 1693 tot 2000 de Antwerpse congregatie van de grauwe zusters, een orde van kloosterzusters die volgens de regel van Sint-Franciscus een grijs of grauw boetekleed aantrokken om zieken te verzorgen. O p uitnodiging van de stad Antwerpen waren ze in de tweede helft van de 17de eeuw van Zoutleeuw naar hier gekomen om te helpen bij de verzorging van zieken tijdens pestepidemieën. Eerst vestigden ze zich in vijf opeenvolgende patriciërshuizen aan de oost-

M&L


A De voormalige kloostcrtum, nu een

Architect Frans Baeckelmans (1827-1896), de ontwerper van verschillende 19de-eeuwse bedehuizen in en om Antwerpen en onder meer ook van het Stuyvenbergziekenhuis, tekende het ontwerp voor een klooster op de terreinen in de Lange SintAnnastraat, dat in twee fasen (1886-1890) zou worden uitgevoerd. De ontwerper hanteerde een eclectische vormentaal, met een sobere, gesloten, neo-Vlaamse-renaissancegevel en heel wat typisch neogotische elementen, zoals een gewelfde pandgang met spitsboogvensters, een korfbogige toegangspoort waarin de gesculpteerde makelaar van het oude klooster verwerkt werd, en vooral een rijkelijk kapelinterieur. Omdat de kapel niet voor het publiek bestemd was, lag ze volledig ingesloten in de gebouwen en was ze niet rechtstreeks van de straat toegankelijk. Enkel een klokkentorentje, hoog boven de daken van de straatvleugel maar nauwelijks zichtbaar achter de rechter trapgevel, verried de aanwezigheid van deze gebedsruimte. De nieuwe kapel, toegewijd aan Franciscus van Assisi, bevindt zich in de zuidelijke vleugel van het klooster, tussen de pandgang en de perceelsgrens. De eenbeukige ruimte telt drie traveeën met in het westen een doksaal met kerkorgel en in het oosten een vijfzijdige koorafsluiting. O p de begane grond was de kapel enkel toegankelijk vanuit de pandgang, via een portaal

overdekt atrium

j Inplantingsplan (Bron: Technische Dienst van de


onder het doksaal, gedragen door twee arduinen zuilen met tudorbogen. O p de verdieping boven de pandgang ligt het zusterkoor dat over drie traveeën via grote spitsboogopeningen met de kerkruimte verbonden is. Licht stroomt binnen door drie met glas in lood gevulde spitsboogvensters in de zuidelijke zijgevel en via de ramen van het zusterkoor aan het kleine pand. De rijke, neogotische interieuraankleding versterkt de beslotenheid van de op inkeer en goddelijke vervoering georiënteerde kapel. Waarschijnlijk vervaardigde het atelier van J.B. Van Wint en J.B. De Boeck alle stenen en houten beeldhouwwerk. De neogotische muurschilderingen, met bloemmotieven, imitatievoegen en medaillons van de vier evangelisten zijn nog in goede staat. Prachtig zijn ook de nog originele koperen muurkandelaars en hanglampen in de kapel en de sacristie, vervaardigd door edelsmid Lambert Van Ryswyck (1822-1894).

Project Aan het einde van de jaren 1990 woonden er nog slechts tien zusters in het Antwerpse klooster; de jongste was 65 jaar oud. De zusters gaven te kennen dat het gebouw voor hen te groot was geworden.

• Het fraaie kapelinterieur. De neogotische kapelruimte wordt gebruikt zoals ze is

Bij beslissing van de Vlaamse regering van 9 februari 1999 werd het Grauwzustersklooster aangekocht door de Vlaamse overheid met de bedoeling er een ontmoetingsplaats in te richten voor de Vlaamse gemeenschap, de Universiteit Antwerpen en het Antwerpse bedrijfsleven. Daartoe moest het BPA Antwerpse binnenstad, dat bepaalde dat het klooster in een woonzone lag, aangepast worden. Het leegstaande Grauwzustersklooster bood voldoende ruimte (± 4500m 2 ) voor de nieuwe bestemming, het lag dicht bij de universitaire instellingen in de binnenstad en bij het studentenleven dat zich rond de Ossenmarkt concentreert. Oorspronkelijk zou het klooster een drieledige bestemming krijgen: in een eerste deel zou de universiteit haar rectoraat onderbrengen, een tweede deel zou de Vlaamse overheid zelf gebruiken en een derde deel zou een culturele bestemming krijgen. Maar die optie veranderde in de loop van de jaren. Na de fusie van de drie Antwerpse universiteiten werd het rectoraat op één van de buitencampussen ondergebracht. Ook de Vlaamse overheid liet het idee varen om een deel van het gebouw te gebruiken. N u herbergt het Grauwzustersklooster verschillende universitaire diensten. Alle inschrijvingen en de promoties van de doctoraten vinden er plaats. Twee onderzoeksgroepen vinden er onder-


dak en de kapel wordt af en toe gebruikt voor culturele aangelegenheden of lezingen. Na een wedstrijd werd het gebouw in 2004 gerenoveerd naar ontwerp van Van Broeck en Meuwissen ir. architecten uit Leuven. Het klooster zelf werd grondig aangepakt, maar met respect voor het oorspronkelijke concept, het ruimtegebruik en de circulatiepatronen. Hoewel het klooster niet beschermd is, was het op het moment van de herbestemming een bijzonder gaaf en waardevol complex. De werken werden geadviseerd door Onroerend Erfgoed, dat zich in de voorgestelde ingrepen kon vinden gezien de noodzaak om de nieuwe bestemming te realiseren. Het drong wel aan op architecturale kwaliteit voor de nieuwe ingrepen, zoals de overkapping van de binnentuin. Onroerend Erfgoed adviseerde ook om twee voorziene ingrepen niet uit te voeren: de vervanging van de oorspronkelijke voordeur door een glazen 'box', en een toegang voor de kapel van op de straat, waardoor de oorspronkelijke neogotische trap zou verdwijnen. De opdrachtgever hield enkel rekening met het eerste advies. De universiteit tracht optimaal gebruik te maken van de beschikbare ruimte, ook al blijkt op enkele plaatsen een verschil tussen het ontwerp en de realisatie. De kelderverdieping herbergt vier functies. Ze bevat enkele technische ruimtes en nutsvoorzieningen. Voorts bevinden er zich leslokalen, maar die lijden onder het gebrek aan daglicht, de relatieve vochtigheid en een slechte akoestiek (galm). Dat geldt ook voor de tentoonstellings- met receptieruimte die er is ondergebracht: de gebruikers en het publiek worden veel meer aangetrokken door het atrium (de voormalige, nu overdekte kloostertuin) op de benedenverdieping. De vierde functie is wel een succes: de volledig nieuwe, ondergrondse aula, die dienst doet als promotiezaal en auditorium. O p de benedenverdieping liggen er kantoren en leslokalen rond de pandgang. Dankzij een glazen overkapping en een tegelvloer veranderde de voormalige kloostertuin in een atrium, een aangename hoge binnenruimte die frequent gebruikt wordt voor recepties. De eerste verdieping met de vroegere cellen van de kloosterzusters aan weerszijden van een centrale gang, onderging de meest ingrijpende verandering. De ontwerpers hebben de centrale gang en de cel-

De kapel kreeg drie toegangsdeuren aan

len met uitzicht op de kloostertuin opgeheven. De buitenste kring van cellen kon zo vergroot worden tot adequate kantoren. Omdat de kloostertuin een binnenruimte is geworden, konden de buitenramen van de binnenste cirkel cellen verwijderd worden en ontstond er een aangename openheid. Het lawaai dat soms uit het atrium opstijgt, wordt opgevangen door een open, gecapitonneerde box in de gang voor elk kantoor. De boxen zijn ingericht als zithoek, telewerkplek of kleine exporuimte, maar doen in de praktijk ook al eens dienst als stapelruimte.

de straat

O p de tweede verdieping werd de bestaande indeling behouden, maar werden de kleine cellen samengevoegd tot grotere gehelen. Ook de zolders, waar de grauwzusters vroeger de was te drogen hingen, zijn in gebruik. O m de oorspronkelijke structuur van de grote ruimtes met majestueuze spanten eer aan te doen, werd gekozen voor landschapskantoren voor de beide onderzoeksgroepen. Er kwamen geen bijkomende lichtopeningen in het dak, ook al is de natuurlijke lichtinval er beperkt. In de praktijk blijken de landschapskantoren niet zo geschikt voor de onderzoekers, die rust en afzondering nodig hebben. Ook vinden ze de ruimte te donker. Met een andere inrichting en verlichting tracht de technische dienst aan hun wensen tegemoet te komen. H e t waardevolle interieur van de neogotische, ingebouwde kapel vergde een andere aanpak.

IVI&L


Op de eerste verdieping werd een Plannen om er een hellend vlak met zitplaatsen in te brengen, en zo een auditorium te creëren,

opgeheven. De rode

i

t

i

boxen zorgen voor werden snel opgeborgen. D a t was immers o n m o akoestische isolatie gelijk te realiseren zonder afbreuk te doen aan de belevingswaarde van het interieur. De kapel kreeg een bestemming als conferentie-, receptieof ontvangstzaal van het rectoraat, waar bij speciale gelegenheden kleine concerten, lezingen of exposities k u n n e n plaatsvinden. M e t deze herbestemming kon de volledige kapel b e h o u d e n blijven, ook de authentieke interieuraankleding. Ze moest wel beter ontsloten worden. H e t portaal was immers op de pandgang georiënteerd. Daarom werden de kamers tussen de kapel en de straatgevel uitgebroken en werden h u n vensters in de straatgevel verlaagd tot deuren. Drie volledig beglaasde deuren met staalplaten kaders geven nu toegang tot een foyer met een nieuw, eveneens beglaasd toegangsportaal tot de kapel. In de ruime foyer is een vestiaire v o o r h a n d e n , maar geen afzonderlijk sanitair. Een praktisch nadeel, want zonder sanitair kan de kapel moeilijk los van de rest van het gebouw gebruikt worden.

M&L

Besluit In tegenstelling tot de vele kloostergebouwen die verlaten worden door krimpende congregaties, heeft het niet-beschermde maar niettemin waardevolle Grauwzustersklooster snel een tweede gebruiker gevonden. Door de gelukkige combinatie van een gunstige ligging, een voldoende groot, robuust maar aanpasbaar gebouw, en een grootgebruiker op zoek naar ruimte, werd het kloostergebouw een tweede leven ingeblazen met behoud van de intrinsieke kwaliteiten en karakteristieken van de architectuur. Het besloten klooster, waar stilte en godvruchtige arbeid heersten, is nu een gonzende bijenkorf vol studenten. De kapel blijft hierin echter een rustpunt, een reflectie van de geschiedenis en de atmosfeer die de ruimte in zich draagt. De mogelijke bescherming van dit respectvol herbestemde klooster zal worden bekeken in het licht van het thema 'Zorg geboden' van de volgende Open Monumentendag. Robin Engels en Veerle De Houwer Over de auteur: Robin Engels is ir. architect en als projectverantwoordelijke verbonden aan Origin Architecture & Engineering bvba.


Adres

Lange Sint-Annastraat 7 en 9, 2 0 0 0 Antwerpen

Bescherming Project

Herbestemming van het Grauwzustersklooster tot campus van de Universiteit Antwerpen

Status

Uitgevoerd

Opdrachtgever

Vlaamse Overheid

Ontwerper

Tijdelijke vereniging Ar-te, Stabo ingenieurs, Van Broeck & Meuwissen ir. Architecten, Leuven

Bronnen

— BREUER, N., Vlaamse regering koopt Antwerps neogotisch klooster, in: Het Nieuwsblad, 10/02/1999, p. 3. — VAN STAEYEN, A., Universiteit verhuist rectoraat - Vlaamse Gemeenschap koopt klooster van Grauwzusters in hartje universiteitsbuurt, in: Gazet van Antwerpen, 10/02/1999, p. 1. — Bouwaanvraagdossier voor de verbouwing van het klooster van de grauwzusters, beschrijvende nota door de Dienst gebouwen van de Vlaamse Gemeenschap, z.d. — Motivering aanvraag stedenbouwkundig attest nr. 2 voor het pand "klooster van de Grauwzusters", Lange Sint-Annastraat 7 en 9 te 2000 Antwerpen. — Beslissing tot toekenning van stedenbouwkundige vergunning door de Afdeling R O H M Antwerpen, 23/02/2004. — Gesprek met Mark Verbruggen, dept. Infrastructuur Algemeen van de Universiteit Antwerpen. — Historische gegevens op basis van het onderzoek van Robin Engels.

Website


SINT-LAUREINS

VAN GODSHUIS TOT FEESTZAAL E1M C01MGRESCEMTRU1VI

Geschiedenis

T Het Godshuis m Sim-Laurems (Foto Veerlc Oc Houwer)

M&L

Juffrouw Antonia Van Damme spendeerde haar omvangrijke fortuin om een hospice voor ouderlingen, een tehuis voor wezen en een hospitaal voor zieken te laten bouwen. Dat werd het Godshuis in Sint-Laureins, opgericht in 1843. Tot het begin van de 19de eeuw waren de zieke inwoners van de

gemeenten Maldegem, Adegem en Sint Laureins immers voor verzorging aangewezen op het SintJanshospitaal van Brugge. Het transport naar Brugge gebeurde met paard en kar, wat soms voor schrijnende toestanden zorgde. Naar verluidt zou de juffrouw met de bouw van het hospitaal haar zielenrust hebben willen afkopen — het familiefortuin werd immers vergaard door de verkoop van kerkelijke goederen tijdens de Franse Revolutie. De Doornikse architect Justin Bruyenne tekende de plannen voor dit neoclassicistische complex, dat vrij uitzonderlijke monumentale en indrukwekkende allures had voor het platteland. Bij de inwijding in 1849 werd de kapel tot openbare bidplaats geconsacreerd, met Sint-Jozef als patroonheilige. Het Godshuis werd bediend door de zusters van de Kindsheid Jezus, een congregatie gesticht voor de zorg van vondelingen en verlaten kinderen, die daarna onder meer actief was in het onderwijs, de verpleging en de bejaardenzorg. Na de dood van juffrouw Van Damme werd het Godshuis bij testament geschonken aan de Commissie voor Openbare Onderstand van de gemeente. Vanaf de jaren 1970 raakte het gedeeltelijk in onbruik. Het voldeed niet meer aan de toenmalige normen voor verzorgingstehuizen en aan de normen van de brandveiligheid. Uiteindelijk werd gekozen om een nieuw bejaardentehuis te bouwen op een naastliggend perceel. In 1983 werd de mogelijkheid om het Godshuis te als monument te beschermen onderzocht. Patrick Devos van het Provinciebestuur Oost-Vlaanderen ging zich ter plaatse van de toestand van het gebouw vergewissen. O p dat moment was al een derde van de totale oppervlakte in onbruik geraakt. Het jarenlange gebrek aan onderhoud had zijn tol geëist. Kapotte goten hadden enorme schade veroorzaakt, in het bijzonder aan de kapel, waar al een groot deel van het pleisterwerk naar beneden was gevallen. De gemeente Sint-Laureins, toen met 7000 inwoners en een budget van amper 80 miljoen BEF, kon onmogelijk de bouw van een nieuw rusthuis bekostigen, laat staan ook nog de restauratie van het Godshuis betalen. Patrick Devos stelde voor om een bescherming met spoedprocedure in te zetten en om met alle betrokken instanties een vergadering te beleggen rond het voorstel om de helft van het Godshuis aan te passen volgens de toenmalige normen en de rest in te richten voor diverse doeleinden van openbaar nut.


• De voormalige kloostergang is nog steeds de voornaamste circulatle-as

• De monumentale kelders worden ingericht als restaurant en bar

Uiteindelijk werd het Godshuis pas op 3 juni 1986 als monument beschermd. Het nieuwe rusthuis Sint-Jozef kwam er in 1990, waarna het Godshuis volledig leeg kwam te staan, met zijn vloeroppervlakte van in totaal 12.000m 2 .

Project In 1999 werd het Godshuis verkocht aan Lofting Group en Condominium uit Gent. De nieuwe eigenaar was vooral gecharmeerd door de uitstraling, maar had er geen echte concrete plannen voor. In eerste instantie werd gedacht aan een woonfunctie, maar dat werd al snel verlaten. In een landelijke gemeente als Sint-Laureins was er onvoldoende vraag naar appartementen of lofts. Bovendien was het een probleem om buitenruimte per wooneenheid te voorzien. In een beschermd gebouw kunnen niet zomaar balkons of terrassen aangebracht worden. Evenmin was het haalbaar om de twee binnenplaatsen in afzonderlijke tuintjes op te splitsen. Het concept van een appartementencomplex met een gemeenschappelijke tuin bleek evenzeer moeilijk te verkopen. Een tweede optie om het complex gedeeltelijk te verhuren aan de gemeente Sint-Laureins, bleef ten slotte ook zonder resultaat. Uiteindelijk werd gekozen voor een herbestemming tot feestzaal, congrescentrum en hotel met 64 kamers en een wellnessgedeelte. Voor het hotel wordt gemikt op drie groepen van gasten: - deelnemers aan residentiële seminaries;

— genodigden bij huwelijksfeesten; — toeristen die Sint-Laureins als uitvalsbasis gebruiken voor korte uitstappen in het Krekengebied en naar de nabijgelegen steden. In 2000 werd een bouwaanvraag ingediend, en in 2002 gingen de werken van start. De restauratie wordt in fasen aangepakt: in 2004 kon een deel van het herbestemde Godshuis, met de gerestaureerde kapel en twee feestzalen, zijn deuren openen. Het Godshuis is een gesloten complex op een vierkant grondplan. Een middenvleugel verdeelt het geheel in twee, zodat twee rechthoekige binnenplaatsen ontstaan. De ingang wordt gemarkeerd door een gedrongen, vierzijdige voorbouw met een klassiek front en een koepelafdekking met een lantaarn. Lange gangen met hoge kamers zijn gegroepeerd rond de twee binnenplaatsen. Grote ontvangstkamers of salons zijn er niet. Oorspronkelijk telde het gebouw slechts twee werkelijk grote zalen, de rest was in kamers onderverdeeld. De kapel is op zich een volwaardige kerkconstructie op een centraal plan. Het hele gebouw is onderkelderd en vooral de kelders onder de kapel hebben een monumentaal karakter, met fraaie bakstenen gewelven. Na negen jaar leegstand bevond het Godshuis zich bij de aanvang van de werken in een erg slechte staat. Het was vervallen en alle waardevolle elementen waren geplunderd, tot en met de vloerbedekking. Er werd bijna 60.000 kg puin geruimd.

M&L


De kapel wordt nu o.m. gebruikt voor recepties

11

i

•

1

ir

i

i

•

nii "

* ^

Eén van de feestzalen op de verdieping

T Het grondplan van de benedenverdieping (Copyright Lofting Group / Urbls Group)

hotelkamers o.io tot 0.1S

hotelkamers 0.1 tot 0.9


• De aanwezige

karakter

erfgoedelementen

(Foto Veerle De

geven ledere hotel-

Houwer)

kamer een eigen

Rond Kerstmis 1999 was tijdens een onweer de middelvleugel ingestort, op één muur na. De overgebleven authentieke interieurelementen, zoals enkele bakstenen keldergewelven, enkele vloeren en delen van de dakconstructie (waaronder een bewaarde goederenkraan), worden uiteraard behouden en zichtbaar gelaten bij de herbestemming. In de kelders waren destijds verschillende functies ondergebracht: mortuarium, wasserij, keuken en eetzaal. De meest monumentale kelders worden herbestemd tot restaurant en bar, in de andere kelders worden de nutsfuncties voorzien. O p de benedenverdieping waren eerst klaslokalen en later rusthuiskamers voorzien. De kloosterkapel deed ook dienst als schoolkapel, later vonden er af en toe diensten voor de parochie plaats. Merkwaardig was dat het altaar binnenin was aangebouwd tegen de imposante voordeur, die dan ook steeds gesloten bleef. Wie de kapel wou bereiken, moest het hele gebouw door. Na de herbestemming zal de voordeur van de kapel wel als ingang dienstdoen. De monumentale zaal leent zich ook voor recepties. Vanuit de kapel gaat de bezoeker naar de kloostergang, die ook nu nog als voornaamste circulatieas gebruikt wordt. Op de kapel sluiten drie feestzalen aan, ondergebracht in de twee zijvleugels en in de middenvleugel. Deze laatste werd na de instorting naar oorspronkelijk model heropgebouwd, maar dan zonder de kloostergang, die in deze vleugel aan weerszijden doorliep; zo werd

In het hotelgedeelte worden aanwezige erfgoedelementen

er een bredere zaal mogelijk. In overleg met de toenmalige afdeling Monumenten en Landschappen was toen ook overwogen om een hedendaagse middenvleugel te bouwen, maar de voorgelegde ontwerpen waren geen verbetering van het origineel, waarna reconstructie de beste keuze bleek.

zichtbaar gelaten (foto Veerle De Houwer)

O p de eerste verdieping bevonden zich vooraan in het gebouw een graanzolder en de slaapkamer voor de weeskinderen, het 'dortoir'. Beide zijn nu toegankelijk via een moderne wenteltrap in de kapel en werden omgevormd tot feestzalen. De rest van de eerste verdieping vooraan wordt ingevuld met seminarielokalen en kantoorruimtes. De eerste en de tweede verdieping achteraan waren bestemd voor slaapkamers voor de kloosterzusters. Hier werd het hotel ondergebracht, met een lobby en een eigen toegang op de benedenverdieping. Met de opening van het hotelgedeelte op 22 december 2008 was de volledige herbestemming van het Godshuis van Sint Laureins voltooid.

M&L


M&L

Adres

Leemweg 11, 9980 Sint-Laureins

Bescherming

Beschermd als monument bij Ministerieel Besluit van 03/06/1986

Project

Herbestemming van het Godshuis tot feestzaal en congrescentrum

Status

Uitgevoerd

Opdrachtgever

Lofting Group en Condominium, Gent

Bronnen

— Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen, online inventaris via www.onroerenderfgoed.be. — Godshuis Inside, nieuwsbrief uitgegeven door Het Godshuis. — Preliminair advies van het voorontwerp van bescherming als monument van het Godshuis te Sint-Laureins, door P. Devos, 0 3 / 0 6 / 1 9 8 3 . Archief van de Afdeling R - O Oost-Vlaanderen, Onroerend Erfgoed. — Gesprek met Rudy Leroy, gedelegeerd bestuurder van Het Godshuis.

Website

http://www.godshuis.be/


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
MENC017-001.pdf by Vlaanderen-be - Issuu