Genderkamer De koers van de Genderkamer in 2021: noord, oost, zuid en west
ingediend op
41-A (2021-2022) – Nr. 1 8 maart 2022 (2021-2022)
Jaarverslag van de Vlaamse Ombudsdienst
Genderkamer 2021
verzendcode: PAR
2
41-A (2021-2022) – Nr. 1
Inhoud De Genderkamer in 2021: vier krachtlijnen .............................................. 3 1. Gelijkheidsorgaan voor gender en geslacht .................................... 3 1.1
Breed en gefocust mandaat als gelijkheidsorgaan.................................. 3
1.2
De Genderkamer werkt met mensen.................................................... 4
1.2.1 Gericht luisteren, het totaalbeeld en de essentie ontdekken .................... 4 1.2.2 Empowerment .................................................................................. 5 1.2.3 Doorverwijzen naar degene met de beste instrumenten ......................... 5 1.2.4 Bemiddelen ...................................................................................... 6 1.3
Enkele actuele thema’s: ..................................................................... 7
1.3.1 Traditionele rolverdeling voor lief? ....................................................... 7 1.3.2 Zwangerschap en een FWO-onderzoeksproject ..................................... 8 1.3.3 Uniseks of gemengd .......................................................................... 8 1.3.4 Misgenderen ..................................................................................... 9 1.3.5 Vrij zijn van beledigingen/aanstoot? .................................................... 9 1.4
De Genderkamer werkt aan een brede basis ......................................... 9
1.5
De Genderkamer voor het eerst naar Straatsburg ............................... 10
2.
Gelijkheidsorgaan tegen intimidatie en seksuele intimidatie ....... 11
2.1
(Seksuele) intimidatie bestrijden - kerntaak van het gelijkheidsorgaan .. 11
2.2
#MeToo was het begin van een gesprek dat niet af is .......................... 12
2.3
Specialisatie in media en cultuur ....................................................... 13
2.4
(Hoger) onderwijs belicht ................................................................. 14
2.5
Spreken is goud, maar stilte zegt ook iets .......................................... 15
2.6
Grote verscheidenheid aan vertellers ................................................. 17
2.7
Herkennen en handelen ................................................................... 18
2.8
Enkele risicofactoren........................................................................ 19
2.9
Complex – complexer ...................................................................... 20
2.10
Methodes om te bouwen voor individuen en de toekomst ..................... 21
2.11
Verbonden trajecten ........................................................................ 22
2.12
Het leven erna ................................................................................ 23
3.
Mensenrechtenwerk in 2021 ........................................................ 24
3.1
Mensenrechtenwerk in de Vlaamse Ombudsdienst ............................... 24
3.2
Persoonsvolgende financiering en vertrouwen rond een schaars goed .... 24
3.3
Adoptie .......................................................................................... 25
4.
Naar maart 2023 en verder naar het VMRI ................................... 25
2 Vlaams Parlement — 1011 Brussel — 02 552 11 11 — www.vlaamsparlement.be
41-A (2021-2022) – Nr. 1
3
De Genderkamer in 2021: vier krachtlijnen Dit onderdeel van het Jaarverslag van de Vlaamse Ombudsdienst maakt de stand op van 2021 voor een specifiek luik van de werking, namelijk het werk van de Genderkamer/Mensenrechtenkamer. Dit deel van het werk wordt vanwege de omvang en het belang ervan, ingediend als een zelfstandig stuk bij het algemene Jaarverslag van de Vlaamse Ombudsdienst (Parl. St. Vla. 2021-22, nr. 41/1 ). Het verslag dat u hier leest, is een vervolgverslag op het veel omvangrijkere verslag over 2020 dat gepubliceerd werd onder de titel ‘Genderkamer: 5 jaar wind in de zeilen’ (Parl. St. Vla. 2020-21, nr. 41-A/1). Dat jaarverslag gaf inzage in het logboek sinds de opstart van dit Vlaamse gelijkheidsorgaan en gaf een overzicht van doelen, van het werk en van de resultaten. Het analyseerde zo de werking van de Genderkamer na de eerste 5 jaar en kaderde dit werk aan de hand van onder meer het gelijkheidsbeginsel, de bemiddelingsmethode en het specifieke luik over (seksuele) intimidatie. Dit verslag over 2021 is niet los te zien van de reis die vorig jaar beschreven, gekaderd en verhelderd werd. Het stelt het kompas verder scherp, mede aan de hand van de 121 meldingen en klachten die de Genderkamer in 2021 ontving. Dit onderdeel doet verslag van het werk van 2021 van het gelijkheidsorgaan dat de Ombudsdienst sinds 2015 is door middel van de Genderkamer en toont u vier krachtlijnen die haar werk bepalen. • Ten eerste bespreekt dit verslag enkele algemene elementen en recente dossiers en activiteiten uit de algemene werking van het gelijkheidsorgaan. • Ten tweede gaat het over specifieke aspecten uit de werking omtrent intimidatie en seksuele intimidatie. • Daarnaast behandelt dit verslag het bredere mensenrechtenwerk dat ook in 1999 al als leidraad en toetssteen door de Ombudsdienst liep. • Dit jaarverslag bouwt verder op het werk dat intussen al vele jaren door de Genderkamer/Mensenrechtenkamer loopt en dat ongetwijfeld zal doorlopen tot aan het vervolg, wanneer de Genderkamer met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid conform het regeerakkoord 2019-2024 zal integreren in het Vlaams Mensenrechteninstituut (VMRI). 1.
Gelijkheidsorgaan voor gender en geslacht
1.1
Breed en gefocust mandaat als gelijkheidsorgaan
In 2015 werd de Genderkamer als (klein) Vlaams gelijkheidsorgaan voor gender en geslacht ingebed in de grotere onafhankelijke structuur van de Vlaamse Ombudsdienst. De Genderkamer bundelt de krachten van intussen vier genderkamermensen, en kan voorts rekenen op het algemene ombudsteam, te weten de inspanningen van het algemene front-officeteam, de inspiratie en hulp van de onderzoekers van de Ombudsdienst en de exquise ondersteuning van een communicatiemedewerker. Die keuze voor een Vlaamse inbedding was ingegeven door de wens om de opdrachten rond gelijkheid en antidiscriminatierecht m.b.t. gender en geslacht in Vlaanderen tegelijkertijd met beide voeten in de praktijk en dicht bij het beleidsniveau te vestigen.
3 Vlaams Parlement
41-A (2021-2022) – Nr. 1
4
De Genderkamer heeft een intrinsiek brede gelijkheidsopdracht. De decretale opdracht luidt: “het bevorderen van gelijke behandeling, gelijke kansen, de omgang met de diversiteit in onze samenleving en evenredige participatie en het bestrijden en voorkomen van elke vorm van discriminatie, uitsluiting, beperking, uitbuiting of vooroordelen op grond van geslacht, genderidentiteit en genderexpressie.” Daartoe kan het gelijkheidsorgaan allerlei acties ondernemen, waaronder het behandelen van klachten en onafhankelijke bijstand aan getroffenen leveren, onafhankelijk onderzoek doen, aanbevelingen formuleren, andere organisaties en rechtshulpverleners ondersteunen, sensibiliseren e.d.m. De terreinen waarop de Genderkamer opereert, zijn uitgebreid, namelijk alle bevoegdheden die aan Vlaanderen zijn toegewezen: onderwijs, sport, cultuur, media, wonen etc. De breedte toont zich ook in het feit dat de Genderkamer uiteraard ook klachten ontvangt over of van privépersonen. Het werkterrein beperkt zich zeker niet tot de overheid of degenen die een overheidsopdracht uitvoeren. Tegelijk is de missie van het gelijkheidsorgaan smal en gericht, aangezien de Genderkamer enkel een bevoegdheid heeft voor gender, genderidentiteit en genderexpressie. Hoe de Genderkamer deze opdrachten benadert en hoe smal of hoe breed het die interpreteert, is uitgebreid terug te vinden in ‘Genderkamer: 5 jaar wind in de zeilen’. Daarin wordt ook in alle transparantie en aan de hand van verschillende voorbeelden besproken hoe het gelijkheidsorgaan een complex begrip als gelijkheid of gelijkwaardigheid invult. Hieronder volgen enkele algemene waarnemingen of analyses die in 2021 nog eens extra op de voorgrond kwamen. Verderop in dit verslag worden sommige van deze algemene elementen nog gespecifieerd voor intimidatie en seksuele intimidatie. 1.2
De Genderkamer werkt met mensen
1.2.1
Gericht luisteren, het totaalbeeld en de essentie ontdekken
Verzoekers komen naar de Genderkamer met een verhaal of een vraag en niet met een juridische kwalificatie. Gewoonlijk reiken ze uit omdat ze ergens aanvoelen dat er misschien een ongelijkheid bestaat. Soms linken ze die bedenking ook aan de onderscheidingskenmerken gender en geslacht. Dat is bijvoorbeeld zo voor degene die zich getroffen voelde omdat een medewerker van een winkel de minderjarige dochter aansprak op haar korte haar (dossiernr.: 2021-08232), of voor degene die vragen had over oorbellenreglementen voor personeel in een woonzorgcentrum (dossiernr.: 2021-04756). In een ander geval halen verzoekers elk mogelijk argument uit de kast omdat ze het fundamenteel oneens zijn met een beslissing. Zo was er een verzoeker met een dossier in arbeid - het Vlaamse deel van arbeid welteverstaan - die geen contractverlenging had gekregen. Haar overgemaakte berichtjes leerden dat ze eigenlijk zelf ook geen geslachtsdiscriminatie zag, maar dat ze het toch gewoon wilde proberen bij de Genderkamer (dossiernr.: 2021-04209). Ook de Genderkamer zag de discriminatie niet. Sommige verhalen blijken wat meer achtergrond te hebben. Een leraar die bijvoorbeeld steeds bozer werd over de kortebroekenregels van zijn school, schoot wel erg scherp en maakte het zo zelf moeilijk om nog een uitkomst te vinden (dossiernr.: 2021-05727).
4 Vlaams Parlement
41-A (2021-2022) – Nr. 1
5
Een gelijkheidsorgaan weet dat achter elk dossier een menselijk verhaal schuilgaat. Sommige van die menselijke verhalen zijn zo inflexibel en onaanpasbaar dat ze echte uitkomsten in de weg staan. Soms moeten verhalen deel uitmaken van een integrale oplossing. In ieder geval is een belangrijke opdracht voor het gelijkheidsorgaan om de mens achter het dossier te zien. 1.2.2
Empowerment
“Ben je van plan zwanger te worden?” Die en vele andere vragen kreeg een vrouw voorgeschoteld toen ze solliciteerde voor Vlaamse arbeid. De vrouw zocht taal en toon om de werkgever erop aan te spreken. Ze koos zelf voor een andere baan, maar kreeg van de werkgever wel verontschuldigingen en voelde zich goed met het zelf behaalde resultaat (dossiernr.: 2021-01371). “Kan u mij uitleggen of verscheiden regels over oorbellen voor jongens en voor meisjes in overeenstemming zijn met het gelijkheidsbeginsel? En hoe pak ik dit best aan op de school van mijn kind?” (dossiernr.: 2021-06274) De Genderkamer wordt elk jaar aangesproken door een aantal verzoekers dat aangeeft het liefst zelf met het verhaal of de melding aan de slag te willen gaan. Soms zoeken ze wel de Genderkamer op om na te gaan of hun argument juridisch wel steek houdt en hoe zij het best verdergaan. De Genderkamer kan dan tips geven, of de juridische terminologie en kwalificatie verhelderen. De Genderkamer zorgt dat verzoekers sterker staan om zelf tot een oplossing te komen. Vaak blijkt dat verzoekers zich ook opgelucht voelen en daadwerkelijk in staat zijn zelf tot een oplossing te komen of belangrijke stappen in die richting te zetten. Oplossingen die men zelf vormgeeft zijn vaak ook betere en beter gedragen oplossingen. En soms springt de Genderkamer er dan verderop toch in, wanneer de eigen démarche misschien toch niet het verhoopte resultaat heeft opgeleverd. 1.2.3
Doorverwijzen naar degene met de beste instrumenten
“Dit studentenkot is alleen voor meisjes”, zo kreeg een student te horen toen hij e-mailde voor een bezichtiging. De verhuurder is niet erg coöperatief wanneer de Genderkamer hem aanspreekt en hij verwijst aanvallend naar gedeeld sanitair. Het kot heeft een Leuvens kwaliteitslabel. De huisvestingsdienst volgt dit soort van kwesties nauwgezet op en herbekijkt de toekenning van het label indien daar aanwijzingen voor bestaan. Het dossier werd uiteindelijk door hen verder opgevolgd (dossiernr.: 2021-04543). Soms is er een veelheid aan organisaties of actoren die allemaal een verschil kunnen maken voor een verzoeker in een welbepaalde klacht, adviesvraag of melding. Het is dan de kunst te zoeken naar het beste spoor, een spoor dat een goede en snelle uitkomst biedt die de toekomst kan trotseren, ook conform de doorverwijsplicht van de Ombudsdienst waar die in het geding is. Zo kan de uitweg uit een klacht ook (gedeeltelijk) verlopen langs de beheerders van sociale mediakanalen zoals twitter, facebook of Instagram (vb. dossiernr.: 2021-06578). Ook de Jury voor Ethische Praktijken inzake Reclame (JEP) kan een uitweg zijn voor wie in reclame een aantasting van de gelijkheid ziet (vb. dossiernr.: 2021-08723). Wie uiteindelijk training of nog meer informatie zoekt, kan soms terecht bij organisaties als het Transgenderinfopunt (TIP) of Rosa VZW, waar de Genderkamer graag en goed mee samenwerkt. En zoals hierboven beschreven kan de huisvestingsdienst soms een bondgenoot zijn op het terrein vanwege de langdurigere opvolging. De Genderkamer – met haar centrale en onafhankelijke plaatsing – kan verzoekers
5 Vlaams Parlement
41-A (2021-2022) – Nr. 1
6
het overzicht bieden en hen de weg helpen te vinden naar diegene met de beste gereedschappen. Soms is dat de Genderkamer zelf. In een federale staat als België, met toegewezen deelstaatbevoegdheden, worden de werkverdeling en dus ook de toegewezen instrumenten tussen de bevoegde niveaus bepaald door de bevoegdheidsverdelende regels zoals de Bijzondere Wet Hervorming der Instellingen (BWHI). En dan is het duidelijk dat zaken zoals wonen, sport, onderwijs (met inbegrip van hoger onderwijs) tot de bevoegdheid van het deelstatelijke gelijkheidsorgaan behoren. In theorie is slechts één orgaan bevoegd voor concrete dossiers, maar in de praktijk zijn soms meerdere aspecten relevant in eenzelfde dossier. Daardoor kunnen meer organen toch bevoegd zijn voor de deelaspecten. Denk bijvoorbeeld aan onderwijs en transfobie. Dan is het goed dat de organen in nauw contact staan, want uiteraard is bevoegdheid geen denkoefening voor de verzoekers, maar wel één voor de organen die ermee belast zijn. In de toekomst wordt deze verdeling en dus het bouwen op de BWHI mogelijk nog relevanter wanneer Vlaanderen een handhavingssysteem kiest dat aanzienlijk anders is (o.m. met een geschillenkamer) dan het federale systeem. 1.2.4
Bemiddelen
Een verzoeker contacteert de Genderkamer met een heel specifiek probleem. Deze persoon is recent van geregistreerd geslacht veranderd en komt nu met een nieuw - voor het examencentrum ongekend - rijksregisternummer en met een nieuwe naam het praktische rijexamen afleggen. Het examencentrum zet het examen onmiddellijk stop, omdat de geëxamineerde niet kan aantonen dat die ook al een theoretisch examen aflegde. De geëxamineerde betaalt een administratieve kost. De Genderkamer bemiddelt met het examencentrum. Hoewel de Genderkamer dit specifieke probleem eerder gezien heeft, stelt ze samen met het examencentrum wel vast dat het over een bijzonder kleine groep gaat, namelijk de mensen die tussen het theorie- en het praktijkexamen van geregistreerd geslacht veranderen. Daarom is het allicht niet zinvol en zou het de website overladen om een extra rubriek toe te voegen aan de informatiepagina. Maar die administratieve kost hoeft ook niet en wordt terugbetaald (dossiernr.: 2021-08200). ‘Genderkamer: 5 jaar wind in de zeilen’ bevatte een uitgebreid overzicht van de manier waarop discriminatieklachten behandeld worden. Die benadering loopt uiteraard over naar het werk van 2021. Zoals toen beschreven, was ook het voorbije jaar de drempel voor klachten of adviesvragen zo laag als mogelijk. Ook het voorbije jaar zette de Genderkamer in overeenstemming met de opdracht in het Ombudsdecreet erg in op bemiddeling, naadloos aansluitend bij de ombudstraditie waarin de Genderkamer voor het zesde jaar op rij beweegt. Die methode is nog steeds geprefereerd, omdat het een relatief snel instrument is dat ruimte biedt om naar het totaalbeeld van een klacht te kijken. Die voorkeur voor bemiddelde resultaten betekent aan de andere kant dat de Genderkamer ook in 2021 geen enkel dossier naar een rechter bracht, niet omdat de Genderkamer dat instrument uit het Ombudsdecreet en het Gelijkekansendecreet zou geringschatten, maar wel omdat er vooral opgelost kon worden via bemiddeling.
6 Vlaams Parlement
41-A (2021-2022) – Nr. 1 1.3
7
Enkele actuele thema’s:
De variëteit aan meldingen, adviesvragen en klachten in de Genderkamer is enorm. Elk Vlaams terrein komt wel eens aan bod. Hieronder worden enkele vaker voorkomende thema’s en enkele opmerkelijke zaken eruit gelicht. 1.3.1
Traditionele rolverdeling voor lief?
Een reeks klachten over verschillende dienstverleningen handelt in essentie over dezelfde problematiek. Ze hebben met elkaar gemeen dat de verzoekers gruwen van de wijze waarop dienstverlening soms uitgaat van een traditionele rolverdeling tussen mannen en vrouwen in een gezinscontext. Zeker een overheid of een gesubsidieerde dienst hoort geen enkele rolverdeling te bevestigen of voor waar aan te nemen, zo vertellen deze verzoekers. Een vader zei bijvoorbeeld dat de school en het CLB altijd de moeder eerst contacteert, terwijl hij overdag gewoonlijk vaker beschikbaar is voor noodgevallen (dossiernr.: 2021-01194). Op gelijkaardige wijze zijn er nog steeds verzoeksters die opmerken dat Vlabel blijkbaar steevast hun man aanschrijft. Vlabel kan dit op eenvoudig verzoek aanpassen, maar het is toch vooral wachten op bijvoorbeeld de gezamenlijke gezinstoegang tot het digitale loket die zal maken dat dit probleem en daarmee ook deze ergernis verdwijnt (dossiernr.: 2021-03103). Een koppel meldde zich bij de Genderkamer met een klacht over de dienstverlening van Kind & Gezin (K&G). K&G contacteerde in het kader van een zwangerschap telkens opnieuw de (toekomstige) moeder. Daar ontstond een grote ergernis bij de verzoekers omdat zij niet in traditionele rollen geduwd wilden worden. In hun gezin zou de vader minstens net zo betrokken zijn bij het grootbrengen en opvoeden van het kind. Enig uitzoekwerk leerde dat de oorsprong van dat contact met K&G ligt in het medische gegeven van de zwangerschap van de vrouw. Op dat moment waren de gegevens van de vader ongekend. Wel horen de K&G-medewerkers vroeg in de contacten na te vragen wie de eerste contactpersoon zal zijn. Op die manier zou de ergernis de wereld uit geholpen kunnen worden (dossiernr.: 2021-00491). De Genderkamer ziet in hetzelfde verband al jaren af en toe klachten binnenlopen over de ‘vragenlijst over de achtergrond van uw kind’ die een rol speelt voor de verdeling van de middelen over de scholen in het kader van gelijke onderwijskansen (bijvoorbeeld dossiernr.: 2017-02102; 2018-04111; 2021-03105; 202105317). Die lijst bevraagt de taal die gesproken wordt met vader en moeder en bevraagt daarnaast ook het opleidingsniveau van de moeder. Verschillende verzoekers hebben allerlei andere redenen om die bevraging onder vuur te nemen. Die zou niet aangepast zijn aan moderne gezinsvormen, waar misschien helemaal geen moeder is of net meer dan één. Net zo goed wordt de wetenschappelijke basis voor de sterkere correlatie tussen de onderwijskansen van de leerling en het opleidingsniveau van de moeder door sommige verzoekers in vraag gesteld. Al in 2007 werden om diezelfde redenen vragen gesteld over die vragenlijst in het Parlement. Daarenboven is het een feit dat die lijst vandaag gebruikt wordt in een samenleving die hoe langer hoe rijker is qua gezinsvormen en -samenstellingen, bijvoorbeeld ook met een alleenstaande ouder, of met nieuw-samengestelde gezinnen. De Genderkamer ging in gesprek en aanvaardde daarbij uiteraard dat er zeker in coronatijden allicht grotere uitdagingen zijn dan die vragenlijst, maar ze stelde
7 Vlaams Parlement
41-A (2021-2022) – Nr. 1
8
toch vast dat K & G recent gelijkaardige vragenlijsten heeft uitgebreid naar de beide ouders om een vollediger beeld te krijgen. 1.3.2
Zwangerschap en een FWO-onderzoeksproject
Een verzoeker was tewerkgesteld op een Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (FWO)-onderzoeksproject waarvoor de financiering vastgeprikt werd op een vast bedrag voor het hele project. Dat bedrag was in dit geval net voldoende om vier jaar onderzoek te kunnen betalen. Zij was de enige tewerkgestelde op dit specifieke project en ze was nu zwanger. Collega’s van haar die tewerkgesteld werden als FWO-aspirant of op een andere manier, kregen een jaar verlenging van hun contract bij zwangerschap terwijl deze verzoekster vanwege de budgettaire krapte hoogstens de termijn van de schorsing van het contract voor bevallingsverlof er achteraan geplakt kon krijgen. Voor de verzoekster geraakte het ad hoc opgelost, maar met een kunstgreep. Ze stelde een vraag voor de toekomst: als de promotoren de meerkost voor een eventuele verlenging van het traject zelf zouden moeten dragen, zou dat een rem kunnen zetten op de aanwerving van vrouwen op projecten, zo vreesde de verzoekster. (dossiernr.: 2021-01449) De Genderkamer kent dit verhaal heel goed en ging in gesprek met het FWO. Dat verwees naar de mogelijkheid om de meerkost te financieren door werkingsmiddelen om te slaan naar personeelskosten, maar dat is geen goede oplossing. Wie niet zwanger wordt, kan immers wel over alle werkingsmiddelen beschikken. Tegelijk begreep de Genderkamer ook dat het FWO hier geen structurele middelen voor aanlegt omdat dit een rem zou betekenen op het aantal toegekende beurzen elk jaar. Uiteindelijk gaf het FWO aan dat het bereid is naar concrete dossiers te kijken als ze worden gemeld en dan daar mee te willen zoeken naar concrete (financiële) oplossingen. 1.3.3
Uniseks of gemengd
Vragen over uniseksfitnesscentra en vrouwenzwemuurtjes blijven een doorn in het oog van verschillende mensen in de mailbox. Er zijn best wat steden en gemeenten die zich in de loop der jaren bereid hebben getoond om hun beleid nog eens tegen het licht te houden en soms verminderen ze het aantal uniseksuren of ze voegen soms bijkomende open uren aan het rooster toe om een betere balans te genereren (bijvoorbeeld: 2021-08850; 2021-04551). In 2021 was er ook een vraag over de antidiscriminatieregels voor een vrouw die wilde toetreden tot een sportclub voor mannen (dossiernr.: 2022-00359). Er was een klacht over een massagesalon dat alleen een aanbod had voor vrouwen (dossiernr.: 2021-06470). Of er was de vrouw die een klacht had over het unisekssportcentrum en dan in het bijzonder over het feit dat de gewichten die ze in het aanbod hadden niet zwaar genoeg waren (dossiernr.: 2021-08717). Een bijzonder vraagstuk uit 2021 was de vraag of ziekenhuiskamers uniseks moeten zijn, dan wel of ze ook gemengd aangeboden kunnen worden (dossiernr.: 2021-05572). De vraag is algemeen relevant, maar kan ook nuttig zijn om een antwoord te vinden op de diversiteit in genderidentiteit. Onderzoek leert dan dat er eigenlijk geen enkel juridisch recht is op een kamer met alleen mensen van gelijk geslacht, bijvoorbeeld ook niet via de patiëntenrechten. In principe kan een ziekenhuis dus vrij kiezen hoe het de kamers indeelt.
8 Vlaams Parlement
41-A (2021-2022) – Nr. 1
9
Gemengd of gescheiden verzorgen hangt voorts wel heel nauw samen met gebruiken en traditie. Vlaanderen verzorgt traditioneel gescheiden, maar in Nederland is gemengd verzorgen in ziekenhuizen een heel stuk verder doorgedrongen, gewoonlijk om efficiëntieredenen. Bevragingen daar leren dat de patiënten best tevreden zijn, bijvoorbeeld omdat er veel nauwer gewaakt wordt over privacy door altijd de gordijnen te sluiten. Dat blijkt iets te zijn wat patiënten op prijs stellen, ook wanneer ze in unisekskamers liggen. In het VK daarentegen is de weerstand tegen gemengd verzorgen zeer groot. Privacy, zich comfortabel kunnen voelen en ook veiligheid worden er genoemd als belangrijkste redenen om dat standpunt met die scherpte te verdedigen. Gemengd verzorgen kan er alleen wanneer het echt niet anders kan of in het belang van de patiënt is. Vanzelfsprekend is het aanbieden van éénpersoonskamers ook een manier om deze kwestie te benaderen. 1.3.4
Misgenderen
Het is maar een kleine moeite om mensen aan te spreken met mijnheer of mevrouw, zoals zij verkiezen, of met een gekozen voornaam. Toch is het tegelijk ook een complexe wereld, die waar taal een variatie moet beschrijven die veel moderner is dan de woorden zelf. Het is dus niet verbazend dat mensen af en toe anders aangesproken worden dan ze aangeven te willen. Alle mensen missen wel eens. Maar het is daarnaast ook vrij logisch dat een ziekenhuis de officiële naam en het officiële geslacht gebruikt om te verifiëren of ze wel de juiste patiënt voor zich heeft. Er was een ziekenhuisombudspersoon die met opmerkingen van een patiënt daarover razendsnel aan de slag ging en die ook de weg vond naar trainingen over thema’s die specifiek gaan over transgenderzorg. Soms gebeurt misgenderen ook als een al dan niet subtiele manier om iemands achtergrond te ontbloten, of om iemand te kleineren en dan is het zeer kwalijk. In veel gevallen loopt een conflict dan hoog op. De Genderkamer ontmijnt het conflict in dergelijke situaties vaak (deels) door (eerst) daarover achtergrond en inzicht te verschaffen. 1.3.5
Vrij zijn van beledigingen/aanstoot?
Bij meldingen van mensen die aanstoot nemen aan boodschappen die verspreid worden in het publieke debat, hanteert de Genderkamer steeds de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof over strafbare meningsuitingen. Bijgevolg luidt het antwoord meestal dat er geen recht bestaat om niet af en toe geconfronteerd te worden met meningen of uitingen die mensen subjectief aanstootgevend kunnen vinden. De verzoeker blijft dus niet met lege handen achter maar met een beter begrip van het regelgevend kader rond vrije meningsuiting en eventuele strafbare meningsuitingen (bijvoorbeeld dossiernr. 2021-06245; 2021-02937). 1.4
De Genderkamer werkt aan een brede basis
De Genderkamer wordt regelmatig gevraagd om expertise te delen met andere diensten, bijvoorbeeld lokale diensten die werken rond gelijke kansen, met scholieren, met onderzoekers of doctoraatsstudenten die met het thema of een deelthema bezig zijn.
9 Vlaams Parlement
41-A (2021-2022) – Nr. 1
10
Er zijn ook vragen om publiek te spreken vanuit de expertise inzake discriminatie. Er zijn lezingen in allerhande opleidingen, bijvoorbeeld over gender en sport in de opleiding sportmanagement, over het werk van het gelijkheidsorgaan in de Masteropleiding Gender en Diversiteit, of in de internationale Master in Arts – in Sports Ethics and Integrity over ombudswerk en gendergelijkheid. Over diezelfde thema’s mocht de Genderkamer ook spreken op een bijeenkomst van internationele sportfederaties, samengeroepen op initiatief van de Wereldatletiekbond (World Athletics). Daarnaast is er het geschreven woord, met vorig jaar onder meer de bijdrage: A. D’ESPALLIER, “Gender- en geslachtsvariatie in sport: Citius, altius, fortius”, in P. CANNOOT, E. BREMS en L. STEVENS (eds.), Recht en gender in België : 10 Jaar later, Brugge, Die Keure, 2021, 495-515. En over handicap was er ook: A. D’ESPALLIER, “Het nieuwe artikel 22ter Grondwet: Wij zijn zij en jij bent ik”, TJK 2021/3, 159161. Uiteraard is de Genderkamer regelmatig te gast in het Vlaams Parlement, bijvoorbeeld bij gedachtewisselingen in de verschillende betrokken parlementaire Commissies over jaarverslagen of andere rapporten. Daarnaast werd dr. Nina Callens van de Genderkamer in januari 2021 gehoord door de Commissie Welzijn, Volksgezondheid, Gezin en Armoedebestrijding over de conceptnota voor nieuwe regelgeving over de bescherming van de fysieke integriteit en de bevordering van het welzijn en de gelijke kansen van ‘interseksepersonen’ (Parl. St. Vla. 2019-20, Nr. 329/2, p. 13 e.v.). Ze had het over het antidiscriminatierecht en over de paden naar zorg en het benutten van creativiteit en inspiratie. Ze vertrok daarbij van een adagium dat dwars door de Genderkamer loopt: mensen van vlees en bloed zijn meer dan… - in dit geval - medische trajecten. 1.5
De Genderkamer voor het eerst naar Straatsburg
Voor het eerst was de Genderkamer als neutrale derde betrokken in een procedure bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg, met name via dr. Nina Callens en dr. Annelies D’Espallier. Zij kregen van het Hof de toelating om tussen te komen als zogenaamde Third Party Intervener (ook wel: vriend van het Hof) in de zaak van de bekende 800-meter-atlete Caster Semenya tegen Zwitserland. Caster Semenya, een topatlete met olympische en wereldtitels, vecht al jaren een bitse strijd uit met de internationale atletiekbond World Athletics (vroeger IAAF). Die strijd ontstond toen tests uitwezen dat zij een intersekse-achtergrond had, waarna World Athletics haar onderwierp aan allerlei deelnamevoorwaarden voor competitie. Die voorwaarden zijn gericht op het beschermen van de eerlijke vrouwencompetitie en in contactsporten dienen ze soms ook voor veiligheid, maar ze leggen behoorlijk belastende inspanningen op. Zo moet Semenya haar natuurlijk hoge testosteronwaarde artificieel omlaag brengen. Semenyas juridische strijd ging langs het Hof van Arbitrage voor de Sport (CAS) en langs Zwitserse rechtbanken. Nu ligt haar zaak voor bij het EHRM dat zal oordelen of de mensenrechten van Semenya geschonden zijn. Door middel van haar Third Party Intervention (TPI, integraal beschikbaar op de Genderkamerwebsite) beoogde de Genderkamer heel wat informatie ter overweging aan het Hof voor te leggen. Hier volgen enkele belangrijke elementen. Zo vroeg de Genderkamer om intersekse te zien als een normale geslachtsvariatie en
10 Vlaams Parlement
41-A (2021-2022) – Nr. 1
11
dus niet als iets dat op de een of andere manier abnormaal zou zijn. De Genderkamer belichtte de gevolgen van het al dan niet conformeren aan de voorwaarde om het testosteronpeil omlaag te brengen voor de atleten en vroeg voldoende aandacht voor het belang van inclusie in sport en de privacy van de betrokken atleten. Om die redenen zouden maatregelen alleen toegelaten kunnen worden wanneer legitieme belangen daadwerkelijk in het gedrang komen. Dan gaat het evident om bijvoorbeeld een eerlijke en veilige competitie. Ingrepen moeten steeds nauw bemeten zijn. Intussen heeft het IOC nieuwe richtlijnen uitgevaardigd die ook een impact zouden hebben op topsporters met een intersekse-achtergrond. Die nieuwe richtlijnen bouwen meer dan ooit voort op inclusie, een weg die de Genderkamer ook zoveel als mogelijk naar voren schuift. Maar nu is het vooral uitkijken naar de beslissing van het EHRM die in de loop van 2022 zal volgen en die het juridisch kader voor intersekse atleten verder zal verduidelijken. 2.
Gelijkheidsorgaan tegen intimidatie en seksuele intimidatie
2.1
(Seksuele) intimidatie bestrijden als kerntaak van het gelijkheidsorgaan
Een verzoeker vindt de Genderkamer met een verhaal over seksuele intimidatie in een motorclub. Ze vertelt hoe ze ongewenst werd aangeraakt en benaderd. Ze formuleerde er een klacht over die door het bestuur onderzocht werd. De interne afwikkeling verliep zodanig ongelukkig, met semipublieke kruisverhoren, dat de verzoeker inschat dat niemand ooit nog een opmerking zal durven te maken. Zijzelf heeft de club verlaten. Tot vandaag probeert de Genderkamer in contact te komen met het bestuur. (dossiernr.: 2021-07059) “Genderkamer: 5 jaar wind in de zeilen” omschreef in extenso hoe de aanpak inzake discriminatie verder doorgestroomd is naar die specifieke materie die met name sinds 2017 hoog op de agenda staat in het samenleven en dus ook in de Genderkamer: grensoverschrijdend gedrag. Hieronder worden enkele specifieke zaken besproken, bovenop dat eerdere jaarverslag en bovenop wat hierboven beschreven staat dat algemeen geldt. De Genderkamer opereert voor dit deel van het werk binnen de basistaken die toebehoren aan een gelijkheidsorgaan. Dat dient – ook conform de EU-Genderrichtlijn die de oprichting van gelijkheidsorganen in de (deel)staten oplegt – immers de strijd aan te binden met alle vormen van discriminatie en dus ook met intimidatie en seksuele intimidatie. Die vormen van discriminatie worden zo in het Gelijkekansendecreet van 2008 omschreven als: “Er is sprake van intimidatie in geval van ongewenst gedrag dat verband houdt met een of meer van de kenmerken, vermeld in artikel 16, § 3, en dat tot doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast en een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordtgecreëerd. “Er is sprake van seksuele intimidatie als zich enige vorm van ongewenst verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag met een seksuele connotatie voordoet, met als doel of gevolg dat de waardigheid van een persoon wordt aangetast, in het bijzonder als een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende situatie wordt gecreëerd.”
11 Vlaams Parlement
41-A (2021-2022) – Nr. 1
12
Het gelijkheidsorgaan heeft ook voor die vormen van discriminatie dat brede mandaat en dus de opdracht om verzoekers bij te staan, om klachten te behandelen, om door te verwijzen waar nodig. En ook voor deze materie zal de Genderkamer sensibiliseren en de begrippen voor de brede samenleving duiden: bij de behandeling van klachten, via studiewerk, in campagnes, in interviews voor radio en tv, wanneer ze spreekt op evenementen, in het Vlaams Parlement e.d.m. De Genderkamer zal ook hier rechtshulpverleners ondersteunen en onafhankelijke adviezen uitbrengen. Van de 121 meldingen en klachten die de Genderkamer in 2021 ontving, waren er 50 die over intimidatie en seksuele intimidatie gingen. 2.2
#MeToo was het begin van een gesprek dat niet af is
In 2017 rapporteerde de Genderkamer voor het eerst over de #MeToo-bewustwordingsgolf en over het effect ervan op de klachten omtrent grensoverschrijdend gedrag (Zie Parl. st. Vla.2017-18, nr. 41/1, 50). “Bakens verzet door de gemeenschap”, zei de Genderkamer daarover. Sindsdien is dit thema in een telkens sterkere stroomversnelling gekomen. In het jaarverslag over 2020 (“Genderkamer: 5 jaar wind in de zeilen”, p. 30), beschreef de Genderkamer de #MeToo-beweging als een uitnodiging om te bouwen aan meer gelijkheid tussen mannen en vrouwen, als een vraag om het landschap grondig te hertekenen. Nu, begin 2022, stelt de Genderkamer vast dat die uitnodiging nog steeds openstaat. Intimidatie en seksuele intimidatie zijn een almaar groter aandeel gaan innemen in de werking en in het publieke debat en het lijkt erop dat het thema nu niet meer zal verdwijnen. De meldingen omtrent intimidatie en seksuele intimidatie vloeiden ook in 2021 binnen met grote pieken en met iets kalmere momenten. Zo was er een duidelijke piek te merken in oktober 2021, op het moment waarop het proces De Pauw werd opgestart en behandeld in de rechtbank van Mechelen. De uitspraak van het vonnis leverde daarentegen geen toevloed op. Net zo goed was de uitzending ‘BOOS’ over The Voice Holland klaarblijkelijk geen rechtstreekse aanleiding om meteen massaal contact op te nemen met de Genderkamer, terwijl de mediaberichtgeving over grensoverschrijdend gedrag aan universiteiten en hogescholen begin 2022 er dan weer wel toe leidde dat er een reeks nieuwe dossiers geopend werd. In de loop van het jaar bleken verschillende melders gevoelig voor het feit dat grensoverschrijdend gedrag of intimidatie en seksuele intimidatie iets zou zijn dat alleen vrouwen zou overkomen. Verschillende melders wilden graag hun verhaal vertellen om die mythe mee uit de wereld te helpen. (bijvoorbeeld dossiernr.: 2021-07167; 2021-02368) Opmerkelijk is dat de context waarbinnen grensoverschrijdend gedrag aangekaart wordt in de loop der jaren telkens opnieuw verschuift. Eén moment woedt het publieke debat binnen de media- en de cultuursector en even later verplaatst het zich naar een andere sector zoals sport, hoger onderwijs of nog andere sectoren. Telkens is het een nieuwe, dringende uitnodiging tot een breed gesprek over grenzen en overschrijdingen. Zo’n gesprek kan een breed kader opleveren voor verschillende sectoren. Tegelijk is het een even dringende vraag om te zoeken naar een uitweg voor de betrokkenen rond een concreet voorval.
12 Vlaams Parlement
41-A (2021-2022) – Nr. 1
13
De Genderkamer kijkt horizontaal over alle Vlaamse beleidsdomeinen en ziet hoe de aanpak in het ene domein soms gelijkloopt of verschilt met een ander beleidsdomein. Dat onafhankelijke helikopterperspectief over alles wat Vlaams is, biedt een ontzettende rijkdom voor het werk. Dat specifieke werk loopt niet altijd zelf in de schijnwerpers, maar het zet de spotlight wel over de verschillende beleidsdomeinen heen, op grensverlegging en de noodzaak om het gesprek gaande te houden. 2.3
Specialisatie in media en cultuur
In 2021 en alvast ook in 2022 heeft de Genderkamer een specifieke opdracht in de domeinen media en cultuur om mee uitvoering te geven aan het actieplan uit 2018 ter bestrijding van grensoverschrijdend gedrag in die sectoren. Dat plan wordt in 2022 geëvalueerd. Nog steeds bevat dat actieplan proactieve en reactieve luiken in samenwerking met allerlei cultuur- en mediapartners, rond o.m. training van vertrouwenspersonen, uitwerken van charters en breed attenderen op het belang van de thematiek. Daarbij is de Genderkamer het onafhankelijke sluitstuk van klachtenbehandeling rond intimidatie en seksuele intimidatie. Intussen rekent ook de mediaminister op de Genderkamer in diezelfde rol en met diezelfde specialisatie voor zijn nieuwe actieplan dat intussen is voorgesteld en dat zich specifiek richt op de mediasector. Die specialisatie in de sectoren media en cultuur betekent dat de Genderkamer de specificiteit van die sectoren uitzonderlijk goed in kaart heeft kunnen brengen en kent. Die sectoren hebben wel degelijk hun eigenheid met bijvoorbeeld veel precair tewerkgestelden, grote machtsverschillen, het grote verlangen naar creëren en veel informele momenten. Door die specialisatie kent de Genderkamer de wegen en sporen in de sectoren bijzonder goed en kan ze inspelen op concrete hulpvragen of concrete vragen om advies. Er was bijvoorbeeld daardoor ook ruimte om vanuit de eigen rol en expertise uitgebreid mee te bouwen aan dat nieuwe actieplan voor media, informatieve webinars uit te werken met Mediarte en met betrokkenheid van Sensoa. Intussen wordt gewerkt aan nieuwe webinars, ditmaal in samenwerking met Literatuur Vlaanderen. Het doel is om de bespreekbaarheid te vergroten, de beste praktijken te verspreiden en het meldpunt bekender te maken. De Genderkamer ging in de persoon van Viktor Van der Veken spreken op het Filmfest van Gent. Daarbovenop liep er in september 2021 een door de Genderkamer gefinancierde campagne gericht op de media- en cultuursector om het melden aan te moedigen, intern of in tweede instantie bij de Genderkamer als onafhankelijk en veilig meldpunt. De posters hangen bijvoorbeeld vandaag nog steeds op vele plekken in de VRT. Van de 50 dossiers die de Genderkamer opende omtrent intimidatie en seksuele intimidatie in 2021, kwamen er 34 rechtstreeks uit de sectoren media (7) en cultuur (27). Daarnaast waren er ook meldingen uit het (hoger) kunstonderwijs en dan een aantal meldingen uit andere sectoren zoals vrije tijd etc. In 2019 zag de Genderkamer nog vooral mensen uit podiumkunsten, maar intussen vinden daarnaast ook de muzieksector, de audiovisuele sector, mediabedrijven, de journalisten en de boekensector de weg.
13 Vlaams Parlement
41-A (2021-2022) – Nr. 1
14
In het kader van het actieplan wordt er met verschillende partners samengewerkt. Zo verloopt de samenwerking met Engagement Arts, een organisatie die zich grotendeels richt op peer support, bijzonder goed. Engagement roept regelmatig de hulp in van de Genderkamer wanneer het advies of de bijstand van het gelijkheidsorgaan gewenst is. Omgekeerd worden verzoekers regelmatig doorverwezen naar Engagement, in het bijzonder voor het luik in hun werking waarbij getroffenen ervaringen met elkaar delen. Ook de workshops van Engagement worden regelmatig aanbevolen. 2.4
(Hoger) onderwijs belicht
De Genderkamer wordt gecontacteerd door een leerkracht die in een buitenschoolse context intimiderend benaderd werd door een leerling. Er ligt werkterrein in de school die dit verhaal afpoeiert, maar het is schier onmogelijk om iemand te vinden die helder kan zeggen of dit opgenomen kan worden in het zgn. register voor feiten van derden dat elke school moet hebben en dat ook voor verdere preventie van belang is (dossiernr.: 2021-07777). Verschillende jaren al geeft de Genderkamer aan dat er in het Vlaamse onderwijslandschap weinig overkoepelend bekend is over grensoverschrijdend gedrag. Er zijn bijvoorbeeld geen globale cijfers te vinden over het aantal meldingen of het aantal getroffenen. Het beleid is versnipperd rond statuten (personeel, leerling of student, andere derden) en over koepels en het is moeilijk om het overzicht te behouden tussen alle verschillende regels. Wanneer een specialist als de Genderkamer totaaloplossingen zoekt voor concrete meldingen, is het zoeken naar iemand die door de bomen van alle mogelijke regels en procedures het bos nog ziet. Wat moet het dan zijn voor een concrete melder met een - vaak gevoelige - klacht. Begin 2022 verschoof ook de publieksschijnwerper inzake grensoverschrijdend gedrag naar het hoger onderwijs. De kracht waarmee dat gepaard ging mag niet verward worden met een veronderstelling dat het hoger onderwijs zelf niet bezig zou zijn met de thematiek. De Genderkamer ondervond dat in de loop der jaren wanneer ze door verschillende organisaties en door de onderwijsinstellingen gecontacteerd werd voor een lezing, een informatiemoment of voor advies i.v.m. het inrichten of versterken van meldpunten en bij de behandeling van concrete klachten. Specifiek in deze sector moet telkens een onderscheid gemaakt worden tussen de melding en de opvolging. De ervaring van de Genderkamer lijkt te suggereren dat er wel degelijk heel wat nuttige procedures bestaan en dat er een zeker aandeel mensen de weg lijkt te vinden naar de meldpunten in het hoger onderwijs. Waar het soms echt misloopt, is in de opvolging. Verzoekers in de Genderkamer missen bijvoorbeeld soms vertrouwen omdat er weinig transparantie is over hoe een klacht wordt opgevolgd en behandeld, wat de termijn is en welke mogelijke uitkomsten er zijn. Een deel van de klachtenbehandeling kan uitlopen in tucht ten aanzien van studenten of personeel van de onderwijsinstellingen. Daar lijkt het gebrek aan vertrouwen nog groter, waardoor het soms moeilijk is om op basis van die meldingen een tuchtprocedure in te zetten of af te ronden. Allicht is dit wantrouwen te wijten aan het feit dat slachtoffers er geen echte plaats in hebben. Tucht verloopt gesloten. Dit zijn belangrijke aandachtspunten wanneer verschillende instellingen in 2022 plannen een en ander aan te pakken.
14 Vlaams Parlement
41-A (2021-2022) – Nr. 1
15
Verschillende zaken die elders in dit jaarverslag opgemerkt worden over de sectoren heen, gaan uiteraard ook op voor het hoger onderwijs. Het is duidelijk dat deze sector een groot stuk van het werk van 2022 zal kleuren. 2.5
Spreken is goud, maar stilte zegt ook iets
De Genderkamer beweegt zich door de Vlaamse sectoren - met extra nadruk en specialisatie in en voor de media- en cultuursector - en hoort nog wel eens dat organisaties zich op de borst kloppen omdat er geen meldingen zijn in hun organisatie. Zij denken dat daarmee bewezen is dat ze het goed doen en dat hun beleid waterdicht is. Geen meldingen ontvangen betekent echter niet dat er zich niets onder de radar afspeelt. De ervaring van het voorbije jaar leert opnieuw dat de borstkloppers soms nadien moeten vaststellen dat de (seksuele) intimidatie er wel degelijk was, maar dat ze niet gezien noch gemeld werd. Ervan uit gaande dat intimidatie en seksuele intimidatie overal zullen opduiken waar mensen samenleven en zullen botsen op grenzen, is het allicht juister om te zeggen dat een gebrek aan meldingen ook wel kan duiden op een te beperkte spreekcultuur. Een voorwaarde om te kunnen melden, is het op de hoogte zijn van (eigen) grenzen (of die van een ander) en weten wanneer ze overschreden zijn. Het verhelderen van termen als intimidatie en seksuele intimidatie als vormen van discriminatie en als vormen van grensoverschrijdend gedrag is steeds aan te bevelen. Een gedragen gesprek over grenzen is nooit een overbodigheid. Of een persoon nu getroffene, omstander of zelfs vermeende veroorzaker is, melden is goed en altijd aan te bevelen. Gewoonlijk zijn er interne meldkanalen die van een ongelooflijke waarde zijn, als ze o.m. ruimte, opleiding en een effectief mandaat krijgen. Regelmatig zijn er daarnaast ook externe kanalen zoals een preventiedienst en er is uiteraard ook de Genderkamer. Meerdere verschillende kanalen aanbieden, geeft keuzevrijheid en dat kan voor melders drempelverlagend werken. Organisaties die meldingen over zichzelf ontvangen zouden er adequaat en gezwind mee aan de slag moeten gaan. Door snel te reageren op ontvangen meldingen, kunnen ze heel gericht werken. Er is natuurlijk een ‘maar’. In deze materie wordt veel gewicht gehangen aan de melding van getroffenen of omstanders, zonder altijd goed in te zien dat melden pas kan als de cultuur er naar is. Verzoekers missen soms vertrouwen in meldpunten en in sommige gevallen blijkt snel hoe dat komt. Zo trof de Genderkamer in 2021 een organisatie aan waar de vertrouwenspersoon tegelijk ook de directeur was (dossiernr.: 2021-08264). Dat soort van gecombineerde rollen is gewoonlijk wettelijk uitgesloten en komt in ieder geval toch maar beter niet voor. Hoe moet een getroffene vertrouwen vestigen in de behandeling van een klacht wanneer iemand die petten combineert? Daarenboven is het verzoekers heel vaak niet zo duidelijk waar er beroepsgeheim is en waar het gaat om discretieplicht. Daardoor kunnen ze niet altijd inschatten waar hun klachten uiteindelijk terechtkomen en wie ze allemaal te horen krijgt. Of wat te denken van vertrouwenspersonen of ombudsfiguren die geen goede reputatie hebben op het vlak van intimidatie? Soms halen interne, organisationele of externe factoren een heel stuk van de geloofwaardigheid weg uit meldkanalen en uit de gepaste opvolging van de klacht. Soms worden om die reden externe vertrouwenspersonen ingehuurd.
15 Vlaams Parlement
16
41-A (2021-2022) – Nr. 1
Er was ook een verhaal van een vertrouwenspersoon die moest zien hoe een geval van intimidatie in alle stilte afgehandeld werd tussen de betrokkenen zonder dat structureel gebouwd werd aan beter. Zij zocht de kracht van de Genderkamer om zelf aan de organisatie meer beweegruimte te vragen opdat zoiets zich nooit meer moet herhalen. Dat de vraag gesteld moet worden, was een teken aan de wand (dossiernr.: 2021-00381). Vertrouwenspersonen moeten gekend en toegankelijk zijn. Soms kunnen kleine ingrepen hier al een heel verschil maken. Meldkanalen worden nogal vaak in kleedkamers geafficheerd en op spiegels aangeplakt, of expliciet geïntroduceerd in onthaalbrochures voor nieuwe werknemers. De Genderkamer wordt als extern meldpunt geregeld toegevoegd aan call sheets voor opnamedagen van films, en dat als een heel normale zaak, niet als een of andere uitzondering. Waar mensen elkaar ontmoeten en samen creëren, is er altijd een risico op meningsverschillen en conflict, regelmatig met een laagje (seksuele) intimidatie erbij. In die gevallen waar na zo’n disconnectie geen spontane herconnectie meer kan volgen, weten mensen minstens waar ze terecht kunnen om op een andere manier aan re-pair/herstel te bouwen. Er is de vaak terugkerende vraag van interne meldkanalen naar hoe ze het best omgaan met anoniem melden. Er is altijd het risico dat anonieme meldingen lichtzinnig gebeuren of uit verkeerde motieven vertrekken. En anonieme meldingen zijn vaak zodanig vaag dat ze geen discriminatie of tuchtrechtelijk feit kunnen opleveren. Dan is het lastig om adequaat in te grijpen. Het gebrek aan hard resultaat, zou dan weer nieuw wantrouwen kunnen ontketenen over de kwestie of er wel adequaat en proportioneel ingegrepen wordt. Het antwoord lijkt: waar anonieme meldingen samen rode draden aanwijzen of alarmsignalen opleveren, is het de moeite om daarrond de nodige inspanningen te leveren zodat de signalen niet verloren gaan. Soms is anoniem melden immers de enige mogelijkheid. Wantrouwen kan ook op andere manieren ontstaan, bijvoorbeeld wanneer een melding vervolgens voor de verzoeker achter de schermen verdwijnt om er niets meer over te horen. Het is vertrouwenwekkend en zinvol om zo transparant mogelijk te zijn over de elementen die transparantie verdragen zonder de privacy van anderen te schaden, ook wanneer een onderzoek uiteindelijk om de ene of de andere reden stopt. Zo is transparantie mogelijk over de termijn waarbinnen men probeert uitkomsten te vinden, over mogelijke behandelsporen en in zoverre mogelijk ook over resultaten. Soms ontstaat wantrouwen doordat het interne kanaal aanstuurt op een herstelgerichte benadering. Er zijn dan melders die inschatten dat dat ongetwijfeld een doofpotoperatie is. Soms helpt het wanneer een extern orgaan zoals de Genderkamer dit mee kadert en indien nodig bewaakt. Er is zeker nog een factor op te merken die melden belemmert, en dat zijn de golven van aandacht voor intimidatie en seksuele intimidatie De aanzwellende golven van aandacht voor de strijd of voor gevallen van intimidatie en seksuele intimidatie geven soms een impuls om zelf ook te melden. Maar ze lijken ook een keerzijde te hebben: de publieke opinie kan zo zwart-wit en scherp zijn dat sommige personen bang zijn om met een melding in het oog van de storm te komen. Want daar worden mensen en reputaties met de grond gelijk gemaakt en dat tast niet alleen dromen en plannen aan, maar ook gezinnen, vrienden en het zijn van de betrokkenen zelf. Het maakt melden voor sommigen extra moeilijk. Nochtans, wie terechtkomt bij de Genderkamer, vindt er de windluwte die getroffenen,
16 Vlaams Parlement
41-A (2021-2022) – Nr. 1
17
veroorzakers of ook organisaties gewoonlijk nodig hebben om echt te melden en om uiteindelijk echt vooruit te kunnen. Gewoonlijk vertellen verzoekers dat ze vertrouwen putten om te melden en te vertellen uit de onafhankelijkheid van de Genderkamer als orgaan bij het Parlement, afgescheiden van de sectoren waarin de verzoekers zich bewegen. In een enkel geval zat de schrik er dermate in dat verzoekers ook in de Genderkamer anoniem willen blijven en soms zelfs hun verhaal willen intrekken zodra het verteld is. Deze verzoekers gaan door het leven met knikkende knieën, een soms onverwerkt verleden en angst voor wat een (vermeend) veroorzaker zou kunnen aanrichten met hun dromen, verlangens en ambities (bijvoorbeeld dossiernr.: 2021-07163; 202102371). In die gevallen is empowerment nog steeds een krachtig wapen, maar tussenkomen is dan voor de Genderkamer niet mogelijk. 2.6
Grote verscheidenheid aan vertellers
Ook in 2021 vonden heel verscheidene actoren de Genderkamer voor meldingen. Uiteraard komen de meldingen geregeld van getroffenen. Regelmatig komen ze ook van omstanders: een collega, een vriend die iets opmerkt en die meldt om bij te dragen aan een gezondere omgeving. Soms helpen omstanders getroffenen om de moed bijeen te rapen om zelf te melden. Hoe langer hoe meer vinden organisaties zelf de weg naar de Genderkamer als specialist en onafhankelijk extern meldpunt, onder meer ook door publiciteit in specifieke tijdschriften en brochures, in het bijzonder dan in de domeinen media en cultuur. Het is dan de directeur of het bestuursorgaan, soms iemand met een expliciet mandaat, die contact opneemt omdat de organisatie het alleen niet trekt. In 7 zulke dossiers hielp de Genderkamer de organisaties om de eerste stappen te zetten naar een totaalaanpak voor een beter beleid waar (seksuele) intimidatie geen plaats heeft. Organisaties met dit soort van vragen bevinden zich dan in een gecompliceerde rol. Grensoverschrijdend gedrag kan immers de werking aantasten, zelfs lamleggen. Tegelijk zijn ze een onmisbare partner om structurele verandering te creëren. Ze voelen zich ook verantwoordelijk voor wat er in de organisatie passeert of niet passeert en willen het beste voor de getroffenen, wat dat dan ook is. Sommige organisaties beginnen te bouwen nadat ze geconfronteerd werden met een concreet incident en leren daaruit dat het hele klimaat beter moet. Andere organisaties zijn er proactief mee bezig (dossiernr.: 2021-05727; 2021-04710; 2021-03665; 2021-03847; 2021-03073; 2021-54189). Zoals ook in het vorige werkjaar al bleek, komt een melding soms ook van een persoon die beschuldigd is van intimidatie of seksuele intimidatie (bijvoorbeeld dossiernr.: 2021-06630). Sommigen vragen advies nadat ze iets hebben horen waaien over meldingen. Ze zoeken dan naar een startpunt voor herstel. Zo was er een melder die verwees naar drank en het jeugdig zot om te verklaren waarom hij uit de bocht ging. Weken na de feiten en nadat hij op het matje geroepen was, wist hij duidelijk dat hij ver over de schreef gegaan was, maar hij vroeg de Genderkamer toch advies over de weg naar herstel. Herstel met de getroffene zat er in dit geval en op dit moment niet in omdat deze een ontzettende angst had opgedaan. Wel kon hij zich tegenover de organisatie verontschuldigen - iets wat hij graag wilde. Hij kon bouwen aan een herintrede en aan een leven erna, deels vanwege het rustige vertelklimaat dat hij trof in de Genderkamer. Het gesprek
17 Vlaams Parlement
41-A (2021-2022) – Nr. 1
18
openen, ook met of vanuit een veroorzaker, kan heel wat in beweging zetten op het individuele en op het structurele niveau. 2.7
Herkennen en handelen
Een moeder zocht de Genderkamer op met een verontrustend verhaal over haar kind en een vertrouwenspersoon. Hier paste alleen de grootste voorzichtigheid. De Genderkamer hielp de moeder om het juiste meldkanaal te vinden in het justitieel apparaat en zorgde voor opvolging met de organisatie waar dit plaats vond. (dossiernr.: 2020-02863) Sommige gedragingen die de Genderkamer treft, vallen onder strafbepalingen zoals verkrachting of aanranding van de eerbaarheid. Verzoekers worden dan geholpen om de weg te vinden naar politie en parket, naar de gepaste meld- en hulpkanalen, via 1712 naar het juiste spoor op de sociale kaart of naar slachtofferhulp waar dat gepast is. De Genderkamer doet dit met de grootste zorg om niemand verloren te laten lopen en waakt er ook over getroffenen niet in een situatie te brengen waarin ze meermaals hun ervaringen moeten vertellen. De Genderkamer kijkt dan voorts mogelijk nog mee naar het organisatiebeleid om na te gaan in welke context deze situatie is kunnen ontstaan. Er zijn gedragingen die op het zicht en heel duidelijk alle grenzen overschrijden. Maar er zijn ook andere gedragingen die regels of normen overschrijden waar meer verhaal nodig is om de ware aard in te schatten. Soms is zo’n gedraging op het eerste zicht onschuldig: een onschuldige aanraking, een onschuldige grap. Alles kan dan veranderen door het aanhoudende karakter of door het feit dat dit gedrag de persoonlijke ruimte wel degelijk dichtknijpt. Het vergt dan enerzijds de ontdekking of erkenning bij de getroffene dat dit het onschuldige overstijgt. In het benoemen schuilt een ontzettende kracht. Het vergt anderzijds ook een genuanceerde, verfijnde en gespecialiseerde blik van de organisatie, of de klachtenbehandelaars om dat te herkennen. Een directeur en bestuursorgaan wendden zich samen tot de Genderkamer om de weg te vinden uit een patstelling. Die was ontstaan toen in de groep beschuldigingen begonnen te leven over intimidatie en seksuele intimidatie over één persoon. De reactie van sommigen uit de groep was van die aard dat de hele organisatie verder was lamgelegd. In dit geval situeerde de Genderkamer het grensoverschrijdende mogelijk net zo aan de zijde van die enkelingen in het team die zonder degelijk onderzoek toch de stilstand totaal hadden gemaakt (dossiernr.: 202154189). Een melder in de Genderkamer vertelde dat hij op de hoogte gebracht werd van een klacht over intimidatie van zijn kant naar een vrouw uit de omgeving. Nader onderzoek leerde dat er absoluut geen klacht was, maar dat de organisatie wel barstte van onderlinge spanningen. Intimidatie was zeker op te merken, maar het ging eigenlijk alle kanten uit en had nog weinig te maken met gender- of geslachtsgelijkheid. Na een eerste onderzoek wees de Genderkamer de weg naar de gepaste hulpkanalen. (dossiernr.: 2021-01199) Beide voorbeelden tonen aan dat een melding soms meer achtergrond heeft dan initieel ingeschat. Het vergt wat onderzoek om dan in te zien wie de bron is van de mogelijke intimidatie en waar de uitwegen liggen.
18 Vlaams Parlement
41-A (2021-2022) – Nr. 1 2.8
19
Enkele risicofactoren
Grensoverschrijdend gedrag is iets van altijd en overal, maar uit de werking van de Genderkamer blijkt nog maar eens duidelijk dat het extra kansen krijgt waar een aantal risicofactoren zich voordoet. De werking van dit jaar bevestigde andermaal de risicofactor van machtsverschillen. Waar de macht ongelijk is, wordt het moeilijker voor de minder machtige om vrij ‘nee’ te zeggen. De boutade ‘nee is nee’ dekt de lading niet wanneer de macht ongelijk is. Want is een mens nog echt vrij wanneer hij of zij bij een nee een belangrijke kans verliest? Zo kan een op zich eerbaar verzoek om na de uren nog een bijkomend, veelal informeel moment toe te voegen ontzettend intimiderend worden naarmate eerbaarheid wegslibt uit die context, en sociale druk groter wordt (dossiernr.: 2021- 00863). Macht is op zich al een bijzonder complexe waarde. Verschillen in macht kunnen ontstaan uit een veelheid van andere elementen waarbij hiërarchische verschillen het best gekend zijn als machtsfactor. Net zo goed kunnen (grote) leeftijdsverschillen of verschillen in aanzien en succes machtsverschillen opleveren. Een freelancer meldt en vertelt erbij dat macht ook kan uitgaan van de klant aangezien die net zo goed een andere freelancer kan inhuren en dus een ontzettende druk kan zetten op de freelancer die zijn broodwinning verzekerd moet zien (dossiernr.: 2021-00586). Een stevigere wettelijke bescherming en een sterker veiligheidsnet zouden voor die groep freelancers wat druk kunnen wegnemen (dossiernr.: 202104240). De coronapandemie heeft hier in het bijzonder in de cultuur- en mediasector een heel duidelijk effect. Sommigen spreken van een sector die nu veranderd is in pure roofbouw (dossiernr.: 2021-02737). Verschillende melders vertellen dat de broodwinning zodanig onzeker is geworden in deze sectoren dat ze niet anders kunnen dan zich te plooien naar de grillen van de klant, ook al is die geweldig intimiderend in zijn/haar benadering. Al die factoren kunnen er mee voor zorgen dat zwijgen en een stiltecultuur overeind blijven. Soms zijn professionele levens en privélevens sterk met elkaar verweven. En sommige omgevingen gaan er juist prat op informeel met elkaar om te gaan of elkaar na het formele ook nog informeel op te zoeken (bijvoorbeeld dossiernr.: 202104537). In dat verband melden verschillende melders - veelal de omstanders - dat het in het informele veel moeilijker wordt om elkaars grenzen te herkennen en te respecteren, om in te zien wanneer iets ongepast wordt en vernederend, vijandig enz. De uitkomst bestaat er niet uit om alles vast te gieten en elke bewegingsruimte te elimineren. Maar sommige melders uiten wel een duidelijke wens om toch wat meer op te schuiven richting een wat formelere setting met duidelijkere afspraken over gepast gedrag, over meldkanalen en over de wijze waarop meldingen behandeld worden. De omvang van de wereld waarin mensen zich bewegen is een andere complicerende factor. Kleine werkterreinen of werelden - ook typisch aan verschillende van de kunsten, aan het medialandschap en in het hoger onderwijs - maken melden lastiger. Verschillende melders geven aan dat zij eigenlijk willen spreken over wat ze hebben gezien of gehoord, maar zij vrezen in de toekomst nog vaak in aanraking te zullen komen met wie zij vandaag op de grenzen wijzen en dat zet duidelijk de rem op. Daarenboven speelt daar ook de loyauteit: ze stellen zich loyaal op ten aanzien van de organisatie en ze willen geen naasten, bijvoorbeeld uit hun eigen
19 Vlaams Parlement
41-A (2021-2022) – Nr. 1
20
organisatie, beschuldigen. Dit geldt eens te meer voor wie student is of stage loopt en bij uitstek dus nog niet gevestigd is. Het toont minstens aan dat aan beschuldigen nog steeds een enorme massa hangt, terwijl het gesprek best zo ver gevorderd zou zijn dat grenzen aanwijzen tot de normaalste zaken van de wereld behoort. Een laatste risicofactor die de Genderkamer expliciet wil belichten is die van de niet-doorgedreven inspanning. Soms is het proces naar een gezonder klimaat opgestart, maar blijft dat in de kinderschoenen hangen bij intenties. Op bepaalde plaatsen zijn er eigenlijk geen tijd, middelen of personeel om het proces echt vaart te geven. En dan gebeurt het ook wel eens dat een vertrouwenspersoon geen volwaardig mandaat krijgt en er slechts zit om die verplichting te kunnen afvinken. In zulke organisaties krijgt het ongezonde klimaat echt vrij spel. Inspanningen om naar een beter klimaat te gaan, werpen pas hun vruchten af als ze doorgedreven worden. 2.9
Complex – complexer
De ongewenste gedragingen die onder de definitie intimidatie en seksuele intimidatie kunnen vallen, bevinden zich in de dossiers van de Genderkamer gewoonlijk in een grijze zone. Zoals hierboven beschreven werd, is het bijvoorbeeld vaak de herhaling die ertoe leidt dat iets intimiderend wordt. In de grijze zone kan een foute gedraging glashelder te identificeren zijn, maar dat is zeker niet altijd zo. Vaak is intimidatie intrinsiek gecompliceerd, en samenhangend met risicofactoren die ook al beschreven werden. Er zijn nog andere elementen die dossierbehandeling, preventie, bewustwording nog complexer kunnen maken. In 2021 werd een dossier afgesloten dat verstrengeld was met Vlaanderen en dat tegelijk toch ook de landsgrenzen overschreed (dossiernr.: 2020-07056). De veroorzaker was actief in Nederland en in Vlaanderen. In Nederland kon de Genderkamer samenwerken met Mores, een organisatie die zich graag zou spiegelen aan wat de Genderkamer kan betekenen voor de thematiek, maar die dezelfde mate van onafhankelijkheid en de horizontale blik over andere domeinen mist. Er worden regelmatig vragen gesteld over hoe omgegaan moet worden met personen die uit het buitenland komen met in hun zog een (onbevestigd) geroezemoes over ongepast gedrag. Soms wordt gefluisterd dat zij die uitweg naar Vlaanderen bewust opzoeken om gevolgen te ontduiken (dossiernr.: 2022-00908). Ook het omgekeerde doet zich voor. In een verder verleden is de Genderkamer bijvoorbeeld wel eens bevraagd over mensen van wie vermoed wordt dat ze misschien ooit bestempeld zijn geweest als pleger. Het interlandelijke is een complex vraagstuk, maar het is evident dat de Genderkamer nooit de privacy van een individu zou schenden. Er is nog een andere factor die soms compliceert en die heeft te maken met een beeld dat ontstaat in de loop der tijd. Verzoekers vertellen soms verhalen die al enige jaren oud zijn, maar die wel nog doorwerken tot vandaag, bijvoorbeeld omdat de docent, dansleraar of speler vandaag nog actief is. Soms was de oude ervaring nog niet benoemd. Als meerdere puzzelstukjes na verloop van tijd samengelegd worden, kan er een patroon te ontwaren zijn en als dat vandaag nog doorloopt, wordt reageren nog belangrijker (dossiernr.: 2021-00326). In 2021 was er een ander dossier dat bijzonder gecompliceerd was om tal van redenen. Dit dossier werd tot twee maal toe besproken in de Parlementaire
20 Vlaams Parlement
41-A (2021-2022) – Nr. 1
21
Commissie Cultuur van het Vlaams Parlement (dossiernr.: 2020-08141; 202006649). Twee Antwerpse organisaties die conform de intentie van de stad Antwerpen een pad richting samenvloeiing zouden bewandelen, bleken volledig in duigen te liggen door overschreden grenzen, machtsposities, spanning op het terrein, spanning met de principes van cultural governance en algemener, rond een ongezond klimaat. De haard daarvan werd door de betrokkenen gesitueerd in het bestuursorgaan van één van de beide organisaties. De Genderkamer kon niet anders dan na verschillende gesprekken vast te stellen dat de ravage compleet was met een groot personeelsverloop, met ziekte-uitval, met bestuursorganen in een compleet onevenwicht en met een grote stapel stukken die het ongezonde klimaat perfect duidden. De Genderkamer besloot aan de organisaties aan te bevelen om eindelijk werk te maken van de-escalatie en om zich te organiseren volgens de principes van goed bestuur. Voorts werd dit alles in mei 2021 als terreinsignaal overgemaakt aan de subsidiënten (de stad Antwerpen en Vlaanderen) opdat zij de conclusies zouden kunnen trekken die zij nodig achtten. En zo geschiedde. 2.10
Methodes om te bouwen voor individuen en de toekomst
Een verzoeker vertelde over de verbale agressie en intimidatie die hij zelf had meegemaakt in de cultuursector. Hij wilde zijn verhaal delen met diegenen die vandaag nog aan het hoofd van de organisatie staat, maar hij had zelf intussen andere oorden opgezocht. Deze verzoeker vroeg ondersteuning in de achtergrond van de Genderkamer: de meest doeltreffende woorden en ruggensteun, maar uiteindelijk trok hij er zelf op uit (dossiernr.: 2021-00646) In ‘Genderkamer: 5 jaar wind in de zeilen’, werd beschreven hoe het gelijkheidsorgaan opereert in zaken rond intimidatie en seksuele intimidatie. Soms volstaat een enkel gesprek. Sommigen gaan dat gesprek aan om hun melding ergens neer te leggen, ervan uit gaande dat de Genderkamer in de toekomst misschien meer meldingen over eenzelfde persoon zullen aantreffen. Zo kan hun melding dan een eerste spoor zijn van een veel groter plaatje. Er zijn steevast wat melders die bij een specialist als de Genderkamer de toon, taal en een juridische kwalificatie komen lenen om er vervolgens zelf mee aan de slag te gaan. Zij zoeken dan - net zoals hierboven onder 1.2.2. beschreven - empowerment. Soms vragen ze een rapport dat analyseert en aanbevelingen doet voor de toekomst. Een groep melders was meer gebaat bij een verdere bemiddeling in een (individuele) melding. In 6 dossiers uit deze thema’s werd het gesprek aangeknoopt en werd er verder bemiddeld. In het jaarverslag over 2020 werd de bemiddelingsmethode van het gelijkheidsorgaan uitgebreid besproken. De drempel voor melden is er laag, de deur is breed. De bemiddelaar is een geëngageerde bemiddelaar die niet lijdzaam toekijkt hoe de partijen het gesprek aangaan, maar die bemiddelt met de richtingaanwijzer van het recht op gelijkheid (eventueel aangevuld met principes als goed bestuur) in het vizier. In die bemiddeling durft de bemiddelaar – mits rekening te houden met die richtingaanwijzer – zich meerzijdig partijdig op te stellen. De bemiddelaar richt zich daarbij graag op structureel beter voor de toekomst. De methode van de bemiddeling biedt ruimte om het gesprek open te trekken naarmate dat kan en nuttig is om tot beter en breder herstel te komen. Zo worden
21 Vlaams Parlement
41-A (2021-2022) – Nr. 1
22
getroffene(n) en een (vermeende) veroorzaker wel eens aan dezelfde tafel gebracht om samen een uitweg te vinden. Soms wordt het gesprek nog verruimd met omstanders die de betrokkenen bijstaan. Sommigen onder hen willen misschien de kans grijpen om te erkennen dat ze zelf te lang passief bleven in de hoop dat de wolken uit zichzelf zouden verdwijnen. Het Genderkamerwerk leunt dan aan bij het ontrafelen van een moeilijke intermenselijke en emotionele knoop waar schuld, schaamte, onmacht en verdriet soms heel helder zijn, maar lang niet altijd. In die knoop zijn soms ook kinderen of vrienden verstrikt en dat vergroot het menselijk gewicht. In die rol van ontrafelaar van de moeilijkste knopen en vragen verschilt het werk erg van het werk van een rechter die met een heel andere instrumententas de knopen eerder zal doorhakken. Een vrouw heeft een lijvig verhaal omtrent seksuele intimidatie in het verleden en de impact op haar leven. De betrokkene was een docent die - zo luidden de verhalen - zijn gang nog steeds op dezelfde manier gaat. Met de morele steun van de Genderkamer sprak de verzoeker met de school om aan te wijzen waar het beleid schort. Niemand had de gaten in het beleid namelijk beter gezien dan zij. Daarnaast schreef ze een brief naar de docent. Even overwoog ze om in het bijzijn van medewerkers van de Genderkamer met hem in gesprek te gaan, maar uiteindelijk kwam ze tot het besluit dat ze verder kon nu ze wist dat de school haar daadwerkelijk gehoord had en met de docent aan de slag ging. Met hem liep intussen een tuchttraject (dossiernr.: 2020- 07056). In dit soort van bemiddelingswerk maakt de Genderkamer ruimte voor alle kanten. Het werkt verloopt vaak achter de schermen. Het levert niet altijd de snelle of sensationele resultaten waar menig buitenstaander soms op wacht. Soms is het resultaat van dergelijke bemiddeling een eerste stap naar herstel en naar nooit meer opnieuw. In sommige gevallen is er een klein bijkomend (tastbaar) resultaat: een schadevergoeding of een oprechte verontschuldiging. 2.11
Verbonden trajecten
In dossiers kunnen verschillende trajecten van dossierbehandeling elkaar kruisen. Zo werd al duidelijk dat soms het strafrecht speelt en dat de Genderkamer zich dan hoogstens toelegt op het structurele niveau, soms zelfs eerder afwachtend tot er meer klaarheid is over het lot van dat strafrechtelijke spoor. Uiteraard is het tuchtrecht een ander spoor dat in deze dossiers kan lopen. Inbreuken op de discriminatieregelgeving kunnen tegelijk ook een tuchtrechtelijke inbreuk zijn, bijvoorbeeld in onderwijs, voor Vlaamse ambtenaren of in sport. Dat spoor is gebaat bij alle rust die nodig is voor het onderzoek en het afwikkelen ervan. En soms is een aanpak binnen het tuchtrecht toch uitgesloten, bijvoorbeeld omdat het gedrag in de tijd buiten het tuchtreglement valt. Bemiddeling is een instrument dat de mogelijkheid biedt om de tijd in handen te nemen en om sneller of trager te handelen afhankelijk van hoe de andere sporen lopen. Op die manier kan tegemoet gekomen worden aan de situaties van alle betrokkenen.
22 Vlaams Parlement
41-A (2021-2022) – Nr. 1 2.12
23
Het leven erna
Een productieproces liep vertraging op omdat een ploeg slecht reageerde op de herintrede van een persoon die bekend stond vanwege intimidatie en seksuele intimidatie in het verleden. De Genderkamer hielp de organisatie om de basiskaders voor integriteit en veiligheid nog specifieker af te stellen in de context van een tweede kans. De ploeg werd regelmatig bevraagd over hoe zij de zaken zagen en de extern ingehuurde vertrouwenspersoon verscheen regelmatig om signalen tijdig op te pikken. Het productieproces nam een nieuwe start en de persoon benutte zijn tweede kans om een leven erna op te bouwen. Een herstelgerichte benadering is - waar dat kan - de natuurlijke aanpak voor de Genderkamer. Zeker in kleinere sectoren of sectoren waar netwerken heel belangrijk zijn, zoals de cultuur- en de mediasector moeten de verschillende betrokkenen vaak nog met elkaar verder. Bovendien is het heel vaak wat getroffenen zeggen te zoeken. Ze zoeken gewoonlijk geen vergelding en voelen zich soms geremd om klachten te formuleren als die schade betekenen voor een andere partij of voor de organisatie die zij graag zien. Maar soms ligt herstel niet meer binnen het bereik en is er meer nodig. Dan nog kan er nog gezocht worden naar hoe er naast elkaar geleefd kan worden. Dan probeert de Genderkamer latere intimidatie of seksuele intimidatie te voorkomen en er mee voor te zorgen dat wat zich heeft voorgedaan, zich nooit meer herhaalt. Dit is vaak de grootste wens van getroffenen en van omstanders. Vanuit die benadering die principieel eerst gericht is op herstel, is de Genderkamer uiteraard voorstander van tweede kansen waar dat kan. Hierboven werd een voorbeeld gegeven van een geval waarin de Genderkamer tussenkwam om net dat mogelijk te maken. De veroorzakers in de Genderkamer weten dat een tweede kans een nieuw hoofdstuk inluidt, maar in die kleine werelden voelen zij wel altijd dat de omgeving waarin zij bewegen deze persoon heel nauwgezet in de gaten houden. Het is vaak een nieuw hoofdstuk, maar geen nieuw leven. Bij die tweede kansen blijkt: als dat goed loopt, betekent dat eigenlijk een nieuwe adem voor iedereen. In een tijd die gekenmerkt wordt door een al te sterk gepolariseerd slachtoffer-dader discours, valt het dan plots op hoe die herwonnen ademruimte voor vele anderen naast getroffene of veroorzaker bevrijding biedt. De situatie hield vaak iedereen gevangen. Ook organisaties zoeken soms naar een leven erna. Gewoonlijk betekent dat de schouders zetten onder het uitwerken van een beter beleid om intimidatie en seksuele intimidatie te voorkomen. De Genderkamer helpt om de eerste stapjes te zetten, maar daarna moeten ze zelf op pad. Wel beveelt de Genderkamer telkens aan om al het menselijk kapitaal te benutten om zo te evolueren naar een gedragen beleid. Het meest gedragen is een beleid dat met alle niveaus samen ontwikkeld wordt en dus niet alleen van bovenuit. Universiteiten kunnen het menselijk kapitaal van hun personeel en studenten benutten, sportfederaties mogen nooit hun leden vergeten. De #MeToo-beweging was ook hiervoor een uitnodiging tot gesprek. Bij het ontwikkelen van het leven erna geven verschillende actoren, vertrouwenspersonen uit allerhande sectoren, beleidsmakers op organisatieniveau en zelfs preventieadviseurs aan hoe moeilijk het is om goede, heel concrete praktijken te vinden en te delen. Soms zitten commerciële belangen in de weg om vrijuit te delen.
23 Vlaams Parlement
41-A (2021-2022) – Nr. 1
24 3.
Mensenrechtenwerk in 2021
3.1
Mensenrechtenwerk in de Vlaamse Ombudsdienst
Hierboven werd het Genderkamerwerk besproken dat rechtstreeks deel uitmaakt van de opdrachten als gelijkheidsorgaan, namelijk het bestrijden en voorkomen van alle vormen van discriminatie, met inbegrip dus van intimidatie en seksuele intimidatie. Hierna volgt een bespreking van de oudste mensenrechtenopdracht van de Vlaamse Ombudsdienst. Ombudsdiensten gebruiken traditioneel toetsstenen – ombudsnormen – om na te gaan of de klacht die zij voor zich hebben gegrond is. Eén van die toetsstenen is de overeenstemming met het recht, inclusief de mensenrechten. De ombudsnormen en het oordeel over gegrondheid zijn in de moderne ombudspraktijk een heel stuk naar de achtergrond verdreven om meer ruimte te maken voor bemiddelde oplossingen en uitkomsten. Toch ziet de zgn. Commissie van Venetië bij de Raad van Europa de mensenrechten nog als een belangrijke opdracht voor ombudsdiensten (zie hierover: A. D’ESPALLIER, “Alternatieve geschillenbeslechting via de ombudsman – Koken met én voorbij het boekje”, in R. LEYSEN, K. MUYLLE, J. THEUNIS en W. VERRIJDT, (Eds.), Semper perseverans - Liber Amicorum André Alen, Antwerpen, Intersentia, 2020, 421-438). Gewoonlijk leggen verzoekers in de Ombudsdienst geen mensenrechtelijke laag van hun klacht bloot. Maar zo nu en dan legt de Ombudsdienst die laag wel bloot en dan is het de Genderkamer die als Mensenrechtenkamer opereert in al die klachtendossiers waar die toets nuttig is en een meerwaarde biedt. Dat werd bijvoorbeeld het meest opgemerkt in 2020 in het corona-addendum (Parl. St. Vla 201920, nr. 41-A/1) en in ‘Stemmen uit de stilte’, het getuigenissenboek over de residentiële ouderenzorg in die eerste coronagolf. In 2021 gebeurde deze extra toets bijvoorbeeld in een aantal woonzaken. Er kwamen ook enkele grotere thema’s naar boven. Hieronder volgt een korte bespreking van twee specifieke klachten: persoonsvolgende financiering en adoptie. 3.2
Persoonsvolgende financiering en vertrouwen rond een schaars goed
In 2021 was er een klacht over persoonsvolgende financiering die verliep volgens het traject van art. 19, 3e lid RvSt-wet (dossiernr.: 2021-00402). Om bemiddeling alle kansen te geven, schorst de behandeling door de Ombudsdienst in dit soort van gevallen de beroepstermijn bij de Raad van State. De klacht kwam van een persoon die in de wachtrij stond voor een verhoging van haar persoonsvolgend budget. In die periode had ze te horen gekregen dat haar budget eerst nog geactualiseerd zou worden, waardoor haar budget een stuk lager zou uitkomen dan haar oorspronkelijk in het vooruitzicht was gesteld. Het was de tweede maal dat deze persoon een correctie naar beneden zou krijgen. Het is met grote omzichtigheid en rekenschap gevend aan de schaarste die zulke budgetten tekent dat de Mensenrechtenkamer de klacht afzette tegen de mensenrechtenverdragen zoals ook het Internationaal Verdrag voor de Rechten van Personen met een Handicap en het daarin vervatte recht op ondersteuning en een gezinsleven.
24 Vlaams Parlement
41-A (2021-2022) – Nr. 1
25
Het dossier werd als niet-verzoend afgesloten, wat de beroepstermijn voor de Raad van State opnieuw deed lopen, maar niet zonder de nadruk te leggen op de noodzaak om de overheidscommunicatie te laten vertrekken vanuit burgergerichte termen. De term actualisatie deed dat niet. Daarnaast werd benadrukt dat drempels richting die budgetten - zoals moeilijke of technische procedures - best nog verder weggewerkt moeten worden. Ten slotte werd gedrukt op het belang van vertrouwen rond schaarse goederen. Mensen moeten erop kunnen rekenen dat de budgetten aangepast zullen worden wanneer de nood verandert. 3.3
Adoptie
In 2021 voerde de Genderkamer/Mensenrechtenkamer van de Vlaamse Ombudsdienst een onderzoek na een klacht van een koppel kandidaat-adoptanten over vertragingen in hun traject naar adoptie (dossiernr.: 2020-04149). Het mag dan een bestuurlijk proces zijn dat geschikte personen selecteert, in een wachtrij zet en uiteindelijk matcht aan de kernfiguur uit dit proces, aan dit soort van zaken is altijd een mensenrechtelijke zijde, hier in het bijzonder die aan de kant van het kind. In een eerste rapport trof de Ombudsdienst inderdaad op twee plaatsen onbillijke vertragingen aan. Een tweede en afsluitend luik van dit onderzoek kwam er na een expliciete vraag van de Parlementaire Commissie Welzijn Volksgezondheid, Gezin en Armoedebestrijding. Het bood diepgaandere antwoorden op de vraag naar herstel voor die onbillijke vertragingen en moest daarbij een hoogst onbevredigend resultaat overmaken. Het resultaat is hoogst onbevredigend voor de verzoekers, omdat de wachtrij bij decreet aanpassen niet mogelijk bleek, maar het houdt wel rekening met de grondrechten van de betrokkenen in dat proces, met het belang van de betrokken kinderen en met basisprincipes als rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel. Beide rapporten zijn op de website van de Ombudsdienst terug te vinden. 4.
Naar maart 2023 en verder naar het VMRI
De voorbije maanden is veel gediscussieerd over het nieuwe orgaan dat de Vlaamse Regering bouwt als mensenrechtenhoeder, het zogenaamde Vlaams Mensenrechteninstituut (VMRI). De intentie om het samenwerkingsakkoord met Unia op te zeggen en een eigen Vlaams Mensenrechtinstituut op te richten, is onlosmakelijk verbonden met het project van de Genderkamer. Het regeerakkoord gaf aan dat de Genderkamer samen met de Vlaamse bevoegdheidsonderdelen van Unia naar het nieuwe VMRI zal overgaan. In het veld van gelijke kansen en antidiscriminatierecht is het gecombineerde kenmerk gender-geslacht altijd bijzonder geweest. Ooit werd gekozen om deze werking gescheiden te houden van andere beschermde onderscheidingsgronden zoals handicap, religie etc. De idee was dat geslacht geen minderheidskenmerk oplevert en dat een gescheiden en gegarandeerde werking voor gender en geslacht om die reden zonder meer verdedigbaar is. Dit vertaalde zich in gescheiden organisaties op federaal niveau en uiteindelijk in Vlaanderen in 2015, toen de Genderkamer deze bevoegdheden toevertrouwd kreeg.
25 Vlaams Parlement
26
41-A (2021-2022) – Nr. 1
Ondertussen is er in Vlaanderen eensgezindheid over het samenbrengen van gender-geslacht met de andere onderscheidingskenmerken. De Genderkamer kan zich er absoluut in vinden dat de samenvoeging van de gronden uiteindelijk in het belang van verzoekers kan zijn, in het bijzonder waar mensen aangeven in meerdere beschermde kenmerken tegelijk geraakt te zijn. Tegelijk blijkt een gegarandeerde werking inzake gender en geslacht, bijvoorbeeld omtrent (seksuele) intimidatie, vandaag nog steeds een absolute noodzaak voor een gelijkheidsorgaan. De Genderkamer herkent zich in verschillende elementen van het ontwerp-VMRI. Zo loopt bemiddeling (door de geëngageerde bemiddelaar, die het (mensen)recht als leidraad neemt), nu al als rode draad door het werk van de Genderkamer. Sommige zaken in het ontwerpdecreet zijn gloednieuw zoals de geschillenkamer, al herkent de Genderkamer daarin uiteraard het Nederlandse voorbeeld van het College voor de Rechten van de Mens. Al jaren worden de uitspraken van het College gebruikt om de leidraad van de geëngageerde bemiddelaar fijner af te stellen. Het verdwijnen van de mogelijkheid om naar een rechter te trekken is een beleidskeuze die op zich in overeenstemming is met wat het EU-recht vereist. Er bestaan nog gelijkheidsorganen die niet over deze mogelijkheid beschikken. De Genderkamer zal democratische besluitvorming altijd ten volle steunen en ze zal voluit meewerken aan de plannen die nu verder worden uitgewerkt, in het bijzonder vanuit de lezing dat die zullen voldoen aan het hogere normenkader dat een aantal basisvereisten stelt aan gelijkheids-/ mensenrechtenorganen. Toch nog deze bedenking: het is opvallend dat het besluitvormingsproces omtrent parlementaire instellingen zich in dit geval afspeelt in de schoot van de regering. De Genderkamer en het team kijken de toekomst met vertrouwen tegemoet. Met zes jaar wind in de zeilen is nu koers gezet richting het vervolgtraject in de huidige constellatie en dan naar het kantelmoment in 2023. Daar zal de Genderkamer de bevoegdheden in datzelfde vertrouwen overdragen aan het nieuwe Vlaamse Mensenrechteninstituut.
26 Vlaams Parlement
Artikel 2 Ombudsdecreet - “Er bestaat bij het Vlaams Parlement een Vlaams Ombudsman voor de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest, hierna Vlaamse Ombudsman te noemen.”
www.vlaamseombudsdienst.be
Depotnummer: D/2022/8928/2 ISBN-nummer: 9789076833309